De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
In overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, M. Rutte en de Staatssecretaris
van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
Gelet op artikel 1, vijfde lid, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962;
Besluit:
Artikel 1
Als soorten biociden, bedoeld in artikel 1, vijfde lid, van de Bestrijdingsmiddelenwet
1962, worden vastgesteld:
1. Ontsmettingsmiddelen en algemene biociden, waartoe behoren:
a. biociden voor menselijke hygiëne;
b. desinfecterende middelen voor privé-gebruik en voor de openbare
gezondheidszorg, alsmede andere biociden, zoals producten voor desinfectie
van lucht, oppervlakken, materiaal, uitrusting en meubilair die niet worden
gebruikt voor rechtstreekse aanraking met voedingsmiddelen of diervoeders
in particuliere, openbare en industriële ruimten, met inbegrip van ziekenhuizen,
alsmede als algicide gebruikte producten, welke producten onder meer worden
gebruikt in of bij zwembaden, aquaria, bad- en ander water, luchtverversingssystemen,
muren en vloeren in medische en andere instellingen, chemische toiletten,
afvalwater, ziekenhuisafval, grond of andere substraten van speeltuinen;
c. biociden voor veterinaire hygiënedoeleinden, zoals producten voor
veterinaire hygiënedoeleinden, met inbegrip van producten die gebruikt
worden in ruimten waarin dieren ondergebracht, gehouden of vervoerd worden;
d. ontsmettingsmiddelen voor gebruik in de sector voeding en diervoeders,
zoals producten voor desinfectie van uitrusting, houders, eet- en drinkgerei,
oppervlakken of pijpleidingen bij de productie, het vervoer, de opslag of
consumptie van voedingsmiddelen, voeder of dranken voor mens en dier, met
inbegrip van drinkwater;
e. ontsmettingsmiddelen voor drinkwater voor mens en dier.
2. Conserveringsmiddelen, waartoe behoren:
a. conserveringsmiddelen in conserven, zoals producten voor conservering
van verwerkte producten, met uitzondering van voedingsmiddelen of diervoeders,
alsmede conserveringsmiddelen in houders voor het tegengaan van bederf door
bacteriën, met het oog op de houdbaarheid;
b. filmconserveringsmiddelen, zoals producten voor conservering van films
en filmbeschermingslagen om aantasting door bacteriën tegen te gaan ter
bescherming van de oorspronkelijke eigenschappen van het oppervlak van materialen
of voorwerpen zoals verf, plastic, dichtingsproducten, zelfklevende wandbekleding,
bindmiddelen, papier en kunstwerken;
c. houtconserveringsmiddelen, zoals producten voor conservering van hout,
vanaf en met inbegrip van de zagerijfase, of houtproducten door bestrijding
van organismen die hout vernietigen of beschadigen;
d. conserveringsmiddelen voor vezels, leer, rubber en gepolymeriseerde
materialen, zoals producten voor conservering van vezelhoudende of gepolymeriseerde
materialen, zoals leer, rubber, papier of textielproducten en rubber door
het tegengaan van microbiologische aantasting;
e. conserveringsmiddelen voor metselwerk, zoals producten voor conservering
en herstel van metselwerk en andere bouwmaterialen met uitzondering van hout,
door het tegengaan van microbiologische afbraak en afbraak door algen;
f. conserveringsmiddelen voor vloeistofkoelings- en verwerkingssystemen,
zoals producten voor conservering van water of andere vloeistoffen in koel-
en verwerkingssystemen door het tegengaan van schadelijke organismen zoals
bacteriën, algen en mosselen, voor zover deze producten niet bestemd
zijn voor de conservering van drinkwater;
g. slijmbestrijdingsmiddelen, zoals producten voor het voorkomen of tegengaan
van slijmafzetting op materialen, uitrusting en constructies die in industriële
processen gebruikt worden, bijvoorbeeld op hout- en papierpulp en poreuze
zandlagen in de oliewinning;
h. conserveringsmiddelen voor metaalbewerkingsvloeistoffen, zoals producten
voor conservering van metaalbewerkingsvloeistoffen door het tegengaan van
bederf door bacteriën.
3. Middelen voor plaagbestrijding, waartoe behoren:
a. rodenticiden, zoals producten voor de bestrijding van muizen en ratten;
b. aviciden;
c: mollusciciden ;
d. pisciciden;
e. insecticiden, acariciden en producten voor de bestrijding van andere
geleedpotigen, zoals producten voor de bestrijding insecten, spinachtigen
en schaaldieren;
f. producten om ongewervelde of gewervelde dieren af te weren of te lokken,
met inbegrip van producten die direct of indirect gebruikt worden voor de
hygiëne van mens en dier.
4. Andere biociden, waartoe behoren:
a. conserveringsmiddelen voor voedingsmiddelen of diervoeders, zoals producten
voor conservering van voedingsmiddelen of diervoeders door het tegengaan van
schadelijke organismen;
b. aangroeiwerende middelen, zoals producten om de groei en afzetting
van (bacteriën en hogere vormen van planten- en diersoorten op schepen,
aquacultuurinstallaties of andere in het water gebruikte constructies tegen
te gaan;
c. vloeistoffen voor balsemen en opzetten;
d. producten voor de bestrijding van overige, niet elders in deze regeling
genoemde, gewervelde dieren.
Artikel 2
Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, onderdeel
A, van de wet van 20 juni 2002 tot wijziging van de bestrijdingsmiddelenwet
1962 (implementatie biociden richtlijn) (Stb. 461) in werking treedt.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Deze regeling strekt ter uitvoering van artikel 1, vijfde lid, van de
Bestrijdingsmiddelenwet 1962 zoals deze is komen te luiden met de implementatie
van richtlijn nr. 98/8/EG van het Europese Parlement en de Raad van de Europese
Unie van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden
(Pb EG L 123). Deze regeling voorziet in de aanwijzing van de soorten biociden
waarop de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, met inachtneming van het bepaalde
in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van die wet, van toepassing is.
Hiertoe zijn de soorten biociden vastgesteld met daarbij een indicatieve
lijst van beschrijvingen. Sommige soorten biociden zijn door hun aanduiding
reeds indicatief van aard, zodat ten aanzien van die soorten niet nogmaals
een indicatieve beschrijving nodig is. Zo geldt voor aviciden dat indicatief
is dat deze dienen ter bestrijding van vogels, voor mollusciciden dat deze
dienen te bestrijding van weekdieren en voor pisciciden dat deze dienen ter
bestrijding van vissen.