Wijziging van enige fiscale uitvoeringsregelingen

19 december 2002

WDB 2002/813M

Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken Directie Wetgeving Directe Belastingen

De Staatssecretaris van Financiën; Gelet op de artikelen 1.5, 3.48, 3.49, 3.143, 4.7, 5.21, 6.15, 6.17, en 9.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, de artikelen 6, 8a, 11, 13, 15b, 15c, 16b, 16c, 17, 28, 29, 31 en 32 van de Wet op de loonbelasting 1964, artikel 12a van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965, de artikelen 5, 6, 14, 15a, 16b en 26a van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, de artikelen 13 en 19 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, artikel 25 van de Invorderingswet 1990 en artikel XXVII, onderdeel D, van de Wet van 12 december 2002, Stb. 615, houdende wijziging van enkele belastingwetten c.a. (Belastingplan 2003 Deel I):

Besluit:

Artikel I. De Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 20011 wordt als volgt gewijzigd:

A. Artikel 1, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. `3.86,' vervalt.

2. `6.37,' vervalt.

3. `8.21' wordt vervangen door: 9.2.

B. In artikel 2 wordt `€ 373' vervangen door: € 386.

C. Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt `artikel 3.48, vijfde lid,' vervangen door: artikel 3.48, vierde lid, van de wet.

2. Het tweede lid wordt vervangen door:

2. Het eerste lid is alleen van toepassing indien door de onderwijsinstelling die de opleiding verzorgt aan de ondernemer een verklaring is afgegeven die ten minste de volgende gegevens bevat:

a. de opleiding, de codekwalificatie en het niveau ervan zoals vermeld in door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen aan de desbetreffende onderwijsinstelling verstrekte licentie;

b. het nummer van de in onderdeel a bedoelde licentie;

c. de periode waarin de in de onderneming werkzame persoon de opleiding heeft gevolgd.

De verklaring wordt gevoegd bij de administratie van de onderneming.

D. Artikel 12 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt `artikel 3.48, negende lid' vervangen door: artikel 3.48, achtste lid.

2. Het vierde lid vervalt.

E. Artikel 13, tweede lid, vervalt, alsmede de aanduiding `1.' voor de resterende tekst.

F. Artikel 15 vervalt.

G. In artikel 21, eerste lid, wordt de tabel vervangen door:

stcrt-2002-248-p24-SC37866-1.gif

H. In artikel 25 vervalt de zinsnede `een premiespaarregeling als bedoeld in artikel 11 van de Wet op de loonbelasting 1964 of'. Voorts wordt `32 van die wet' vervangen door: 32 van de Wet op de loonbelasting 1964.

I. Na artikel 33a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 33b Aanwijzing prijscourant

Als prijscourant als bedoeld in artikel 5.21 van de wet wordt aangewezen de Officiële Prijscourant uitgegeven door Euronext Amsterdam N.V.

J. Artikel 36 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel a, wordt `€ 260' vervangen door: € 270.

2. In het eerste lid, onderdeel b, wordt `€ 315' vervangen door: € 325.

3. In het eerste lid, onderdeel d, wordt `€ 315' vervangen door: € 325.

4. In het tweede lid, onderdeel a, wordt `€ 630' telkens vervangen door: € 650.

5. In het tweede lid, onderdeel b, wordt `€ 945' telkens vervangen door: € 975.

K. Artikel 37 wordt als volgt gewijzigd:

1. De tabel in het eerste lid wordt vervangen door:

stcrt-2002-248-p24-SC37866-2.gif

2. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:

a. Onderdeel i wordt vervangen door:

i. polysacharidenverrijkt: een voorgeschreven hoeveelheid polysachariden die voorziet in ten minste 60 procent van de hoeveelheid energie;.

b. Onderdeel j wordt vervangend door:

j. sacharosebeperkt: een voorgeschreven sacharosebeperking tot 10 gram per etmaal;.

c. Onderdeel n wordt vervangen door:

n. natriumbeperkt: een voorgeschreven beperking tot 1500 milligram natrium per etmaal;.

d. Onderdeel x wordt vervangen door:

x. plantensterolen: een voorgeschreven hoeveelheid plantaardige stanolen van ten minste 36 gram per etmaal of van plantaardige sterolen van ten minste 25 gram per etmaal.

L. Artikel 38 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, aanhef, worden `€ 300', `€ 600' en `€ 750' vervangen door: € 310, respectievelijk € 620 en € 775

2. Het eerste lid, onderdeel a, wordt vervangen door:

a. uit ziekte of invaliditeit van een persoon als bedoeld in artikel 6.16, onderdelen a en g, van de wet extra uitgaven voor kleding en beddengoed voortvloeien;.

M. Artikel 41 vervalt.

N. Artikel 44b vervalt.

O. Na artikel 45 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 45a Voorheffingen; vaststelling hoogte van bedrag aan te verrekenen loonbelasting ingevolge compensatieregeling uit het Verdrag met België

1. Indien de belastingplichtige een partner heeft ten aanzien van wie in het kalenderjaar de in artikel 8.8 van de wet bedoelde maximering van de gecombineerde heffingskorting toepassing vindt, wordt bij de berekening van hetgeen ingevolge artikel 27, paragraaf 1, van het in artikel 9.2 van de wet genoemde verdrag wordt aangemerkt als ingehouden Nederlandse loonbelasting, het bedrag aan Nederlandse inkomstenbelasting en premie als bedoeld in de Wet financiering volksverzekeringen dat de belastingplichtige verschuldigd zou zijn geweest indien hij de in artikel 27, paragraaf 1, van dat verdrag bedoelde beloningen uit Nederland zou hebben verkregen, verminderd met de verhoging, bedoeld in artikel 8.9 van de wet, van de gecombineerde heffingskorting waarop zijn partner recht zou hebben gehad, indien hij bedoelde beloningen daadwerkelijk uit Nederland zou hebben verkregen en Nederland daarover belasting en premie zou hebben geheven.

2. Indien de belastingplichtige een partner heeft ten aanzien van wie in het kalenderjaar de in artikel 8.8 van de wet bedoelde maximering van de gecombineerde heffingskorting toepassing vindt, wordt bij de berekening van hetgeen ingevolge artikel 27, paragraaf 2, van het in het eerste lid bedoelde verdrag wordt aangemerkt als ingehouden Nederlandse loonbelasting, het bedrag aan Nederlandse inkomstenbelasting dat de belastingplichtige verschuldigd zou zijn geweest indien de in artikel 27, paragraaf 2, van dat verdrag bedoelde beloningen uitsluitend in Nederland zouden zijn belast, verminderd met de verhoging, bedoeld in artikel 8.9 van de wet, van de gecombineerde heffingskorting, waarop zijn partner recht zou hebben gehad indien uitsluitend in Nederland over de bedoelde beloningen belasting zou zijn geheven.

3. De in het eerste en het tweede lid bedoelde verminderingen zijn niet van toepassing voorzover de partner van de belastingplichtige:

a. uit hoofde van hoofdstuk 8 van de wet recht heeft op verhoging van de gecombineerde heffingskorting; of

b. recht zou hebben gehad op de gecombineerde heffingskorting als bedoeld in hoofdstuk 8 van de wet indien beloningen die hij heeft genoten krachtens regelen als bedoeld in hoofdstuk VII van de Algemene wet inzake rijksbelastingen niet zouden zijn vrijgesteld van de heffing van inkomstenbelasting of premie als bedoeld in de Wet financiering volksverzekeringen.

Artikel II De Uitvoeringsregeling loonbelasting 20012 wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel 1 wordt `, artikel 8 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 en artikel 15 van de Wet financiering volksverzekeringen' vervangen door: en artikel 8 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965.

B. Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding `1.' geplaatst.

2. Onderdeel t wordt vervangen door:

t. Eurojust;.

3. Na de bestaande tekst wordt een lid toegevoegd, luidende:

2. De leden en functionarissen van de in het eerste lid genoemde volkenrechtelijke organisaties die diplomatieke voorrechten genieten en geen Nederlander zijn, worden niet als inhoudingsplichtige beschouwd ten aanzien van degenen die in hun persoonlijke dienst werkzaam zijn.

C. In artikel 9 wordt `onderdeel r' telkens vervangen door: onderdeel q.

D. In Artikel 11 wordt `artikel 11, eerste lid, onderdeel t, onder 2°' vervangen door: artikel 11, eerste lid, onderdeel r, onder 2°.

E. In artikel 21 worden `€ 29,75', `€ 6,75' en `€ 1,35' vervangen door respectievelijk € 30,75, € 7,00 en € 1,40.

F. In artikel 32, eerste lid, wordt `€ 1,45' telkens vervangen door: € 1,50. Voorts wordt `€ 2,90' vervangen door: € 3,00.

G. Artikel 33 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt vervangen door:

1. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van het genot van een woning ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking, voor zover:

a. de vergoeding op jaarbasis meer bedraagt dan 18% van het voor de werknemer op jaarbasis geldende loon uit tegenwoordige dienstbetrekking bij een overeengekomen vaste arbeidsduur van 36 uren per kalenderweek, of

b. de vergoeding meer bedraagt dan het op verzoek van de werknemer door de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking vastgestelde bedrag van de besparing.

2. Het tweede lid wordt vervangen door:

2. Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen in de vorm van het genot van de woning ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking, voor zover:

a. de waarde in het economische verkeer op jaarbasis meer bedraagt dan 18% van het voor de werknemer op jaarbasis geldende loon uit tegenwoordige dienstbetrekking bij een overeengekomen vaste arbeidsduur van 36 uren per kalenderweek, of

b. de waarde in het economische verkeer meer bedraagt dan het op verzoek van de werknemer door de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking vastgestelde bedrag van de besparing.

3. Het derde lid wordt vervangen door:

3. De in het eerste lid en tweede lid bedoelde vaststelling bij beschikking vindt slechts plaats, indien de werknemer aannemelijk maakt dat het bedrag van de besparing aanmerkelijk lager is dan de waarde in het economische verkeer van het genot van de woning.

H. Artikel 34, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt `€ 14,25' vervangen door: € 14,50.

2. In onderdeel b worden `€ 29,75', `€ 6,75' en `€ 1,35' vervangen door respectievelijk € 33,50, € 7,75 en € 1,55.

3. In onderdeel c worden `€ 16,50', `€ 3,75' en `€ 0,75' vervangen door respectievelijk € 18,50, € 4,25 en € 0,85.

4. In onderdeel d worden `€ 11,25', `€ 2,50' en `€ 0,50' vervangen door respectievelijk € 12,00, € 2,75 en € 0,55.

I. In artikel 35, eerste lid, worden `€ 129,50', `€ 30,00' en `€ 6,00' vervangen door respectievelijk € 133,00, € 30,75 en € 6,15.

J. In artikel 38, eerste lid, worden `€ 18,72', `€ 4,25' en `€ 0,85' vervangen door respectievelijk € 19,59, € 4,50 en € 0,90.

K. Artikel 49 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid worden de tabellen vervangen door:

stcrt-2002-248-p24-SC37866-3.gifstcrt-2002-248-p24-SC37866-4.gifstcrt-2002-248-p24-SC37866-5.gifstcrt-2002-248-p24-SC37866-6.gif

2. In het vierde lid worden `€ 9073', `€ 756', `€ 174,50' en `€ 34,90' vervangen door € 9400, respectievelijk

€ 783,25, € 180,75 en € 36,15.

L. In artikel 51 wordt de tabel vervangen door:

stcrt-2002-248-p24-SC37866-7.gif

M. In artikel 53, eerste lid, wordt

`€ 4,05' vervangen door: € 4,35.

N. In artikel 55 wordt `€ 1,85' telkens vervangen door: € 1,95. Voorts wordt `€ 3,50' vervangen door: € 3,70.

O. In artikel 58 wordt `€ 2460' vervangen door: € 2688.

P. In artikel 59, eerste lid, wordt `4,5%' vervangen door: 4,4%.

Q. Artikel 65 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het zevende lid vervalt onder vernummering van het achtste lid tot zevende lid.

2. In het tot zevende lid vernummerde achtste lid vervalt `aan wie de in het zesde lid bedoelde opdracht is verstrekt,'.

R. In artikel 68, eerste lid, onderdeel c, wordt `artikel 11, eerste lid, onderdelen l, m, o, p, q en r,' vervangen door: artikel 11, eerste lid, onderdelen l, m, o en p.

S. Artikel 72 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding `1.' geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

2. In afwijking in zoverre van het eerste lid doet de inhoudingsplichtige binnen twee maanden na het einde van het kalenderjaar aan de inspecteur toekomen de voor dat jaar bestemde loonbelastingkaarten meewerkend kind.

T. Artikel 74 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede en derde lid vervallen.

2. Het vierde lid wordt vernummerd tot tweede lid.

U. Artikel 76 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift van het artikel wordt `loonbelastingverklaring, loonstaat en loonbelastingkaart' vervangen door: loonbelastingverklaring en loonstaat.

2. In de tekst van het artikel wordt `de artikelen 65, 67 en 69' vervangen door: de artikelen 65 en 67.

V. Artikel 82 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel h, wordt € 23 vervangen door € 136.

Voorts worden na onderdeel j, onder vervanging van de punt aan het slot door een puntkomma, twee onderdelen toegevoegd, luidende:

k. vergoedingen ter zake van een beperkt recht op geheel of gedeeltelijk vrij reizen per Nederlands openbaar vervoer, dat niet dient ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking of voor woon-werkverkeer;

l. verstrekkingen van een beperkt recht op geheel of gedeeltelijk vrij reizen per Nederlands openbaar vervoer, dat niet dient ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking of voor woon-werkverkeer.

2. Onder vernummering van het derde lid tot het vierde lid wordt na het tweede lid een lid ingevoegd, luidende:

3. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdelen k en l, wordt onder een beperkt recht verstaan een recht dat, behoudens in de maanden juli en augustus, van maandag tot en met vrijdag niet kan worden gebruikt tussen 07.00 en 09.00 uur of tussen 16.30 en 18.00 uur.

W. In artikel 84 wordt na onderdeel h, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel h door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

i. loon als bedoeld in artikel 11a, tweede lid, van de wet.

X. In artikel 109a, eerste lid, wordt na `2002' ingevoegd: en voor de eerste zes maanden van het kalenderjaar 2003.

Artikel III

De uitvoeringsregeling werknemersspaarregelingen en winstdelingsregelingen3 wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel 1 wordt `de artikelen 31a en 32' vervangen door: artikel 32.

B. Hoofdstuk II vervalt alsmede de daarin opgenomen artikelen 2 tot en met 13.

C. In artikel 15, eerste lid, wordt de zinsnede `- hierna te noemen spaarloonrekening - niet zijnde een premiespaarrekening in de zin van artikel 2, derde lid' vervangen door: , hierna te noemen: spaarloonrekening.

D. Artikel 16 komt te luiden:

Artikel 16

1. Het aan de werknemer toekomende spaarloon mag worden omgezet in effecten. Met betrekking tot ten laste van de spaarloonrekening gekochte effecten mag:

a. het in de aankoopprijs begrepen bedrag aan spaarloon wordt gelijkgesteld met spaarloon op de spaarloonrekening, zolang de effecten onbezwaard deel uitmaken van het vermogen van de werknemer;

b. bij verkoop van de effecten het onder a bedoelde bedrag, voor zover dit onverwijld wordt teruggestort op de spaarloonrekening, worden gelijkgesteld met spaarloon.

2.Met betrekking tot de omzetting in effecten moet:

a. de aankoop en de verkoop geschieden door bemiddeling van de werkgever of van de in de spaarloonregeling aangewezen instelling;

b. de bewaring geschieden door of onder verantwoordelijkheid van de werkgever, dan wel door of onder verantwoordelijkheid van die instelling.

E. In artikel 19 wordt de zinsnede `gedurende tenminste vier jaren' vervangen door: gedurende tenminste de termijn genoemd in artikel 32, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 en artikel 6, negende lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.

F. Artikel 19a komt te luiden:

Artikel 19a

1. In afwijking van artikel 19 mag de werknemer over het tegoed van zijn spaarloonrekening beschikken ter zake van de verwerving van een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 door de werknemer of zijn partner in de zin van artikel 1.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

2. Rechtstreekse betalingen door de werkgever, als bedoeld in het eerste lid, mogen voor toepassing van dit artikel worden gelijkgesteld met het beschikken over het tegoed van de spaarloonrekening als bedoeld in het eerste lid.

G. Na artikel 19a worden de volgende artikelen ingevoegd:

Artikel 19b

1. In afwijking van artikel 19 mag de werknemer mede over het tegoed van zijn spaarloonrekening beschikken ter voldoening van:

a. door de werknemer te betalen premies, andere dan bijdragen ingevolge een pensioenregeling, welke verschuldigd zijn ingevolge een overeenkomst van levensverzekering waarbij een lijfrente als bedoeld in artikel 3.124, onderdeel b, en artikel 3.125, eerste lid, onderdelen a, c en d, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is verzekerd bij een verzekeraar als bedoeld in artikel 3.126 van de Wet inkomstenbelasting 2001, mits de polis onbezwaard deel uitmaakt van het vermogen van de werknemer of dat van zijn echtgenoot en de termijnen voor de lijfrente, behoudens in geval van overlijden, niet eerder kunnen ingaan dan in het vijfde jaar nadat de premies zijn voldaan;

b. premies, andere dan bijdragen ingevolge een pensioenregeling, welke verschuldigd zijn ingevolge een overeenkomst van levensverzekering waarbij een kapitaalsuitkering bij in leven zijn is verzekerd, en de voldane premies voor bij dezelfde overeenkomst overeengekomen vrijstelling van premiebetaling bij invaliditeit, ziekte of ongeval, mits de polis onbezwaard deel uitmaakt van het vermogen van de werknemer of dat van zijn partner in de zin van artikel 1.2, eerste lid van de Wet inkomstenbelasting 2001;

c. door de werknemer vrijwillig te betalen premies ingevolge een pensioenregeling.

2. De in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde overeenkomst van levensverzekering moet:

a. voldoen aan artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 en zijn aangegaan met een levensverzekeraar als bedoeld in onderdeel g van dat lid;

b. door de werknemer of zijn partner in de zin van artikel 1.2, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, zijn gesloten op het leven van de werknemer, diens partner in de zin van artikel 1.2, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 of kinderen voor wie de werknemer, of zijn partner in de zin van artikel 1.2, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 op 1 januari van het jaar waarin de premie is voldaan recht had op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet of die zelf recht hadden op studiefinanciering ingevolge hoofdstuk II van de Wet op de studiefinanciering;

c. voor zover het tijdstip van de uitkering niet wordt bepaald door het overlijden van de verzekerde, voorzien in een looptijd van ten minste vier jaren.

3. Voor de toepassing van dit artikel worden mede aangemerkt als ingevolge een overeenkomst van levensverzekering verschuldigde premies: regelmatige inleggingen bij een instelling als bedoeld in artikel 2, achtste lid, waartoe de werknemer of zijn partner in de zin van artikel 1.2, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, zich ingevolge een overeenkomst tot sparen met levensverzekering heeft verplicht. Het eerste lid, onderdeel b, en het tweede lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing.

4. Rechtstreekse betalingen door de werkgever van premies als bedoeld in het eerste lid en van inleggingen voor een spaarovereenkomst als bedoeld in het derde lid, mogen voor de toepassing van dit artikel worden gelijkgesteld met het beschikken over het tegoed van de spaarloonrekening als bedoeld in de aanhef van het eerste lid.

5. Bedragen die worden ingehouden op het loon als vrijwillig te betalen premies ingevolge een pensioenregeling mogen voor de toepassing van dit artikel worden gelijkgesteld met bestedingen ten laste van de spaarloonrekening.

Artikel 19c

1. In afwijking van artikel 19 mag de werknemer mede over het tegoed van zijn spaarloonrekening beschikken binnen zes maanden na de start van activiteiten uit welke de werknemer vermoedelijk, als ondernemer in de zin van artikel 3.4 van de Wet inkomstenbelasting 2001, winst uit onderneming als bedoeld in artikel 3.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 zal gaan genieten. De periode van zes maanden wordt verlengd met de periode welke ligt tussen het moment waarop door de werknemer een beschikking als bedoeld in het tweede lid wordt aangevraagd en het moment waarop die beschikking wordt afgegeven door de inspecteur.

2. De aanwezigheid van activiteiten als bedoeld in het eerste lid moet blijken uit een voor bezwaar vatbare beschikking die, op verzoek van de werknemer, door de inspecteur is afgegeven. In die beschikking moet zijn opgenomen, de datum waarop de activiteiten zoals bedoeld in het eerste lid zijn gestart en de datum waarop de periode van zes maanden zoals bedoeld in het eerste lid eindigt.

3. Voor de toepassing van dit artikel wordt aangenomen dat de activiteiten zoals bedoeld in het eerste lid zijn gestart op het moment waarop de inschrijving in het register van de Kamer van Koophandel heeft plaatsgevonden, dan wel had moeten plaatsvinden. Voor ondernemingen die niet kunnen worden ingeschreven in het register van de Kamer van Koophandel moet de datum waarop de activiteiten zijn gestart worden bepaald aan de hand van de feiten en omstandigheden.

4. Rechtstreekse betalingen door de werkgever, als bedoeld in het eerste lid, mogen voor toepassing van dit artikel worden gelijkgesteld met het beschikken over het tegoed van de spaarloonrekening als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 19d

1. In afwijking van artikel 19 mag de werknemer mede over het tegoed van zijn spaarloonrekening beschikken ter zake van compensatie van loon dat niet is genoten door de werknemer, als gevolg van de opname van onbetaald verlof of gedeeltelijk onbetaald verlof door de werknemer, mits de dienstbetrekking ten tijde van het onbetaald verlof of gedeeltelijk onbetaald verlof ongewijzigd blijft voortbestaan.

2. Voor de toepassing van dit artikel kan ten hoogste worden aangemerkt als opgenomen ter compensatie van het loon dat niet is genoten door de werknemer als gevolg van de opname van onbetaald verlof of gedeeltelijk onbetaald verlof door de werknemer, 50% van het bedrag waarmee het door de werknemer genoten loon is verminderd als gevolg van de opname van onbetaald verlof of gedeeltelijk onbetaald verlof door de werknemer.

3. Voor de toepassing van dit artikel wordt het door de werknemer genoten loon in aanmerking genomen met inachtneming van het volgende:

a. artikel 11, eerste lid, onderdeel j, van de Wet op de loonbelasting 1964 vindt geen toepassing;

b. tantièmes en toevallige bijzondere beloningen, alsmede tot het loon behorende aanspraken worden niet in aanmerking genomen.

4. Rechtstreekse betalingen als bedoeld in het eerste lid mogen voor de toepassing van dit artikel worden gelijkgesteld met het beschikken over het tegoed van de spaarloonrekening als bedoeld van het eerste lid.

Artikel 19e

1. In afwijking van artikel 19 mag de werknemer mede over het tegoed van zijn spaarloonrekening beschikken:

a. ter zake van de kosten van het volgen van een opleiding of studie door de werknemer, met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning, met uitzondering van kosten:

1°. die verband houden met een werk of studeerruimte, daaronder begrepen de inrichting;

2°. van binnenlandse reizen voorzover die meer bedragen dan het bedrag per kilometer, bedoeld in artikel 15b, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de loonbelasting 1964;

b. ter zake van cursussen, congressen, seminars, symposia, excursies, studiereizen en dergelijke gevolgd door de werknemer ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking.

2. Rechtstreekse betalingen door de werkgever, als bedoeld in het eerste lid mogen voor de toepassing van dit artikel worden gelijkgesteld met het beschikken over het tegoed van de spaarloonrekening als bedoeld in het eerste lid.

H. Artikel 20 komt te luiden:

Artikel 20

In geval van overlijden van de werknemer eindigt de deelname van de werknemer aan de spaarloonregeling. Het gehele tegoed van zijn spaarloonrekening mag ter beschikking van de erfgenamen van de werknemer worden gesteld.

I. In Artikel 22, eerste lid wordt de zinsnede `binnen een termijn van vier jaren is opgenomen' vervangen door: is opgenomen binnen de in artikel 32, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 en artikel 6, achtste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering genoemde termijn, of binnen de in de spaarloonregeling overeengekomen termijn.

J. De aanhef van artikel 23 komt te luiden:

Als spaarloonregeling als bedoeld in artikel 32 van de Wet op de loonbelasting 1964 en artikel 6, achtste lid, van de Coordinatiewet Sociale Verzekering zijn uitgesloten, regelingen waaraan de deelname uitsluitend is opengesteld voor:.

K. Artikel 25b vervalt.

L. Na het vervallen artikel 25b wordt ingevoegd een nieuw artikel, luidende:

Artikel 25c

Artikel 22, tweede lid, is niet van toepassing op spaarloon dat na 1 januari 1999 is gespaard en waarover wordt beschikt na 31 december 2002.

Artikel IV

De Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering4 wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel 1, eerste lid, vervalt `12,'. Voorts wordt 26a en 32'vervangen door: 26a, 32 en 33.

B. Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste, tweede en derde lid vervalt telkens `de afdrachtvermindering langdurig werklozen,'.

2. In het derde lid vervalt `, onderdeel b'.

C. In artikel 6 wordt de in het eerste lid opgenomen tabel vervangen door:

stcrt-2002-248-p24-SC37866-8.gif

D. Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de eerste volzin vervalt `, afdrachtvermindering langdurig werklozen'.

2. In de tweede volzin vervalt `, de afdrachtvermindering langdurig werklozen'.

E. Hoofdstuk III vervalt met de daarin opgenomen artikelen 9 tot en met 11b.

F. In artikel 11d wordt `artikel 14, eerste lid, onderdeel a,' vervangen door: artikel 14, eerste lid, onderdelen a en f,. Voorts wordt `artikel 14, vierde lid,' vervangen door: artikel 14, zesde en achtste lid,. Ten slotte wordt na `beroepsbegeleidende leerweg' ingevoegd: of basisberoepsgerichte leerweg.

G. Artikel 12aa wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid wordt `artikel 14, vierde lid,' vervangen door: artikel 14, vijfde lid,.

2. Het vierde lid vervalt.

H. In artikel 12b vervallen, onder vernummering van het zesde en zevende lid tot respectievelijk vijfde en zesde lid, het vijfde en achtste lid.

I. Na artikel 26 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 26a

Met betrekking tot de gevallen waarin artikel 33 van de wet afdrachtvermindering langdurig werklozen nog wordt genoten, blijven in zoverre de bepalingen van deze regeling naar de tekst zoals die luidde op 31 december 2002, na die datum toepassing vinden.

Artikel V

De Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 19945 wordt als volgt gewijzigd:

A. Aan artikel 23 wordt een lid toegevoegd, luidende:

3. De voorlopige aanslag van een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, wordt, over het jaar waarin het voegingstijdstip valt, alsmede die over het daaropvolgende jaar, vastgesteld alsof de moedermaatschappij en de dochtermaatschappij gedurende de twee voorafgaande jaren reeds verenigd waren.

B. In artikel 28, tweede lid, vervalt onderdeel c en wordt onderdeel d geletterd als onderdeel c.

C. In Artikel 29 vervalt het tweede lid alsmede de aanduiding `1.' voor het eerste lid.

Artikel VI

Artikel 1g, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 19906 komt te luiden:

2. De ontvanger beëindigt het uitstel indien zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 25, zesde lid, tweede volzin, van de wet.

Artikel VII Overgangsrecht

Voor de belastingplichtige die op grond van artikel XXVII, onderdeel D, van de wet Wijziging van enkele belastingwetten c.a. (Belastingplan 2003 Deel I) in aanmerking komt voor de toetrederskorting blijft voor de kalenderjaren 2003, 2004 en 2005 artikel 44b van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, zoals dit artikel luidde op 31 december 2002, van toepassing.

Artikel VIII Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2003.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Financiën,S.R.A. van Eijck.

Toelichting

Algemeen

De onderhavige uitvoeringsregeling bevat wijzigingen van enige fiscale uitvoeringsregelingen, waarbij een belangrijk deel van deze wijzigingen voortvloeit uit het belastingplan 2003. De in de verschillende uitvoeringsregelingen aangebrachte wijzigingen die inhoudelijk van belang zijn, worden hierna onder de artikelen toegelicht.

In het Belastingplan 2003 Deel I wordt per 1 januari 2003 de afdrachtvermindering langdurig werklozen (VLW) afgeschaft. Overigens blijft voor werknemers die al vóór 1 januari 2003 in dienst waren en voor wie de werkgever de VLW al toepaste, de huidige regeling van toepassing. Op grond van dezelfde wet vervalt met ingang van 1 januari 2003 in artikel 15a, eerste lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen de verhoging met 14% van de afdrachtvermindering scholing voor scholing die betrekking heeft op personen van 40 jaar en ouder. De wijzigingen in de uitvoeringsregeling afdrachtvermindering houden met deze aanpassingen verband.

In het Belastingplan 2003 Deel II wordt de afdrachtvermindering onderwijs uitgebreid met een nieuwe categorie: leerlingen die bij de inhoudingsplichtige een leer-werktraject volgen in het kader van de basisberoepsgerichte leerweg van het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo). Het doel van de leer-werktrajecten in het VMBO is het voorkomen dat leerlingen voortijdig hun opleiding beëindigen. De zogenaamde leerbedrijven die het praktijkgedeelte van een dergelijk leer-werktraject verzorgen en daarom binnen deze trajecten onmisbaar zijn, krijgen met de uitbreiding van de afdrachtvermindering onderwijs een tegemoetkoming in de niet geringe kosten van begeleiding en opleiding van de desbetreffende leerlingen. In verband met deze uitbreiding van de afdrachtvermindering onderwijs behoeft de uitvoeringsregeling afdrachtvermindering aanpassing.

Mede naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 4 oktober 2002, nr. 37.934 zoals onder meer gepubliceerd in VN 2002/50.13, wordt overlegd met werkgeversorganisaties over een nieuwe regeling voor de producten uit eigen bedrijf zoals deze is opgenomen in artikel 41 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001. Er wordt naar gestreefd om een nieuwe regeling per 1 april 2003 in de Uitvoeringsregeling loonbelasting op te nemen.

Enkele van de in deze regeling opgenomen maatregelen leiden tot een afzonderlijk effect voor de administratieve lasten voor het bedrijfsleven, naast de in het Belastingplan 2003 weergegeven effect. Het betreft met name maatregelen die voortvloeien uit de notitie `Suggesties voor het verlichten van de administratieve lasten' die bij brief van 17 april 2002 aan de Tweede Kamer is gezonden. Van deze maatregelen heeft de aanpassing inzake verstrekking of vergoeding ter zake van het genot van een woning het grootste effect; deze heeft een vermindering van de administratieve lasten met circa € 1 miljoen tot gevolg. In totaal leiden de maatregelen tot een structurele vermindering van de administratieve lasten met circa € 1,75 miljoen.

II. Artikelsgewijs

Artikel I, onderdelen A en F (Artikel 1, eerste lid en artikel 15 Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

De wijzigingen in artikel 1 zijn het gevolg van het vervallen van de fietsaftrek en van de toetrederskorting en het opnemen van een berekeningsvoorschrift in het kader van de compensatieregeling in het nieuwe belastingverdrag met België. Voor het vervallen van artikel 6.37 in de opsomming wordt verwezen naar onderdeel M.

Artikel I, onderdeel B (Artikel 2 Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

Het bedrag waarbij wordt aangenomen dat een kind in belangrijke mate op kosten van de ouder wordt onderhouden, is aangepast.

Artikel I, onderdelen C, D en E (Artikelen 11,12 en 13 Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

De wijzigingen in het eerste lid van artikel 11, in artikel 12 en 13 zijn technisch van aard en vloeien voort uit het laten vervallen van de extra scholingsaftrek voor personen van 40 jaar en ouder in het Belastingplan 2003 deel I. De wijziging van het tweede lid van artikel 11 heeft een andere achtergrond. In de bij brief van 17 april 2002 aan de Tweede Kamer gestuurde notitie `Suggesties voor het verlichten van de administratieve lasten' is onder punt 3.6 ingegaan op de administratieve verplichtingen ter zake van de scholingsaftrek voor onderwijs tot het startkwalificatieniveau. Op grond van de huidige regelgeving moet de ondernemer voor deze scholingsaftrek beschikken over zowel een kopie van een licentie van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen als een verklaring dat bepaald onderwijs is genoten. In de notitie wordt voorgesteld om te volstaan met één (vormvrije) verklaring van een onderwijsinstelling inzake deze punten. Met deze wijziging van artikel 11 wordt aan dit voorstel invulling gegeven op dezelfde wijze zoals dat voor de afdrachtvermindering scholing reeds het geval was.

Artikel I, onderdeel G (Artikel 21 Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

De bedragen in de tabel welke voetbedragen aan kosten kinderopvang niet aftrekbaar zijn, zijn aangepast.

Artikel I, onderdeel H (Artikel 25 Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

Met deze wijzigingen wordt beoogd de consequenties van het vervallen van de winstdelingsregeling en de premiespaarregeling, zoals opgenomen in het Belastingplan 2003 deel I (26807), in de Uitvoeringsregeling wet Inkomstenbelasting 2001 door te voeren.

Artikel I, onderdeel I (Artikel 33b Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

In de Wet van 11 december 2002, Stb. 613, houdende wijziging van belastingwetten c.a. (Vervolgwijzigingen in samenhang met de Belastingherziening 2001) is een aanpassing van artikel 5.21 van de Wet inkomstenbelasting 2001 opgenomen. Aanleiding hiervoor is de naamswijziging die heeft plaatsgevonden bij de uitgever van de Officiële Prijscourant, thans Euronext Amsterdam N.V. Daarbij is de nieuwe naam niet meer in de wet opgenomen, maar is geregeld dat de prijscourant bij ministeriële regeling wordt aangewezen. De overweging hierbij is dat zo makkelijker kan worden ingespeeld op eventuele naamswijzigingen en ontwikkelingen in de markt.

Artikel I, onderdeel J (Artikel 36 Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001

De bedragen die terzake van levensonderhoud van kinderen in aanmerking kunnen worden genomen, zijn aangepast.

Artikel I, onderdeel K (Artikel 37 Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

De wijziging van artikel 37 Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 regelt dat de bedragen van de extra uitgaven voor diëten worden aangepast aan de prijsstijgingen van dieetproducten en overige voedingsmiddelen. Het Voedingscentrum heeft de berekeningen verricht ten behoeve van deze update van de meerkosten van referentiedieetadviezen ten opzichte van een referentievoeding. Tevens is een aantal omschrijvingen aangepast.

Artikel I, onderdeel L (Artikel 38 Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

De bedragen die in aanmerking worden genomen terzake van extra uitgaven voor kleding en beddengoed, zijn aangepast.

In het Belastingplan 2002 I - Arbeidsmarkt en inkomstenbeleid (kamerstukken 28013) is de doelgroep van personen waarvoor buitengewone uitgaven kunnen worden gedaan, uitgebreid. Buitengewone uitgaven kunnen door deze uitbreiding ook worden gedaan voor: tot het huishouden van de belastingplichtige behorende ernstig gehandicapte personen (onderdeel a) en bij de belastingplichtige inwonende zorgafhankelijke ouders, broers of zusters (onderdeel g). De wijziging in het eerste lid, onderdeel a, voorziet in aanpassing van de groep van personen waarvoor extra uitgaven voor kleding en beddengoed als buitengewone uitgave aangemerkt kunnen worden, aan de tekst van de wet.

Artikel I, onderdeel M (Artikel 41 Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

Sinds 1 januari 1990 bestaat voor de inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting de mogelijkheid tot aftrek van giften aan niet in Nederland gevestigde instellingen, mits die instellingen zijn aangewezen. Bij besluit van 24 oktober 1991, DB91/4571, laatstelijk gewijzigd en aangevuld bij besluit van 20 januari 1999, DB98/4540M, heeft de minister van deze aanwijzingsbevoegdheid ook gebruik gemaakt.

Vanaf het belastingjaar 2001 is de bevoegdheid om buitenlandse instellingen aan te wijzen via artikel 6.37 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) en artikel 41 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 neergelegd bij de inspecteur. Om zoveel mogelijk uniformiteit te bewerkstelligen, is bij besluit van 28 november 2001, CPP2001/3151M (Infobulletin 2001/1002) de inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren/

Ondernemingen buitenland te Heerlen gemachtigd verzoeken tot aanwijzing van de buitenlandse instellingen voor de inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting in behandeling te nemen.

Volgens artikel 10:14 Algemene Wet Bestuursrecht is de hierboven weergegeven gekozen juridische figuur (delegatie aan ondergeschikten) niet toegestaan. Bij de Wet van 12 december 2002, Stb. 617, (Belastingplan 2003, deel II) is de bevoegdheid geattribueerd aan de minister van Financiën om te beslissen op verzoeken tot erkenning van algemeen nut beogende instelling. De minister zal bij besluit echter de inspecteur Ondernemingen/Particulieren Buitenland Heerlen mandateren. De wijziging in het belastingplan 2003 strekt tot doel artikel 6.37 met bovenstaande in overeenstemming te brengen. De mandatering zal plaatsvinden via een aanpassing van het besluit van 28 november 2001. Artikel 41 Uitvoeringsregeling Inkomstenbelasting 2001 kan derhalve komen te vervallen.

Artikel I, onderdeel N (Artikel 44b Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001) en Artikel VII (overgangsrecht)

Deze wijziging houdt verband met de afschaffing van de toetrederskorting.

Voor belastingplichtigen die in 2002 uitstromen uit een uitkeringssituatie naar een werksituatie en voldoen aan de voorwaarden van de toetrederskorting, blijft de huidige regeling doorlopen. Dit overgangsrecht geldt ook voor belastingplichtigen die in 2002 wel uitstromen uit een uitkeringssituatie, maar pas in 2003 in aanmerking zouden komen voor de toetrederskorting omdat zij in 2002 niet aan de voor de toetrederskorting gestelde zesmaandseis en inkomenseis voldoen. Voor deze belastingplichtigen blijft artikel 44b van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, in de jaren waarin zij de toetrederskorting genieten, van toepassing. Dit laatste is geregeld in Artikel VII (Overgangsrecht) van de onderhavige wijzigingsregeling.

Artikel I, onderdeel O (Artikel 45a wet Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

In het Belastingplan 2003, deel II, (Wet van 12 december 2002, Stb. 617), is een bepaling opgenomen die het mogelijk maakt nadere regels te stellen voor de berekening van de vermindering of compensatie waarop binnenlandse belastingplichtigen aanspraak kunnen maken op basis van artikel 27 van het op 5 juni 2001 te Luxemburg tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belastingen inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, met Protocol I en II (Trb. 2001, 136) (hierna: Verdrag met België). Het betreft het nieuw achtste lid van artikel 9.2 Wet IB 2001. Deze vermindering of compensatie wordt verleend omdat in het nieuwe Verdrag met België de woonstaatheffing verdwijnt. De in Nederland wonende maar in België werkende belastingplichtigen kunnen als gevolg van deze verschuiving in heffingsbevoegdheid op tweeërlei wijze nadeel ondervinden.

In de eerste plaats kunnen in België werkende belastingplichtigen nadeel ondervinden doordat zij na inwerkingtreding van het nieuwe Verdrag met België geconfronteerd kunnen worden met een werkstaatheffing waarvan het tarief c.a ongunstiger is dan het Nederlandse tarief. Als gevolg van verschuiving van woonstaatheffing naar werkstaatheffing kunnen ook verschillen in aftrekposten (bijvoorbeeld hypotheekrente) optreden. De zogenoemde algemene compensatieregeling van artikel 27, paragraaf 1, van het Verdrag met België biedt hiervoor een tegemoetkoming. Beoogd is dat de uiteindelijke belastingdruk waarmee de in België werkende Nederlandse belastingplichtige wordt geconfronteerd, op hetzelfde niveau ligt als bij een binnenlandse belastingplichtige die een identieke functie in Nederland vervult. Die `gelijkheid met de buurman' wordt gerealiseerd door de som van het werkelijk in Nederland en België verschuldigde bedrag aan belastingen en premies te verminderen met een fictief bedrag aan voorheffing dat voortvloeit uit een zogenoemde schaduwberekening. Deze schaduwberekening betreft allereerst de berekening van het bedrag aan Nederlandse inkomstenbelasting en premies dat verschuldigd zou zijn geweest indien Nederland heffingsbevoegd zou zijn geweest over het in België verdiende inkomen (hierna: fictief bedrag aan Nederlandse belasting en premie). Dit fictieve bedrag aan Nederlandse belasting en premie wordt vergeleken met de som van het werkelijk in Nederland en België verschuldigde bedrag aan belasting en premies. Voor zover de bedoelde som uitgaat boven bedoeld fictief bedrag aan Nederlandse belasting en premie wordt het bij fictie aangemerkt als ingehouden Nederlandse loonbelasting. Dit fictieve bedrag aan loonbelasting wordt op dezelfde wijze verrekend als daadwerkelijk ingehouden loonbelasting.

Daarnaast kunnen in België werkende Nederlandse belastingplichtigen nadeel ondervinden doordat de grensarbeidersregeling uit het oude Nederlands-Belgische belastingverdrag van 19 oktober 1970 (Trb. 1970, 192) niet wordt gecontinueerd. De zogenoemde specifieke compensatieregeling van artikel 27, paragraaf 2, van het nieuwe Verdrag met België biedt hiervoor een tegemoetkoming in de vorm van een overgangsregeling om de netto inkomensachteruitgang - met betrekking tot de in paragraaf 2 genoemde beloningen - te compenseren. Voor toepassing van deze compensatieregeling wordt de som van het uiteindelijk in Nederland en België verschuldigde bedrag aan belastingen en premies - ná toepassing van de hiervoor aangeduide algemene compensatieregeling - verminderd met een bedrag dat eveneens voortvloeit uit een zogenoemde schaduwberekening (die afwijkt van de schaduwberekening op basis van de algemene compensatieregeling). De hier bedoelde schaduwberekening betreft de berekening van het bedrag aan Nederlandse inkomstenbelasting en Belgische premies dat verschuldigd zou zijn indien de oude grensarbeidersregeling nog van toepassing zou zijn geweest. Het bedrag dat bij continuering van de oude grensarbeidersregeling nog van toepassing zou zijn geweest, wordt vergeleken met de som van het uiteindelijk in Nederland en België verschuldigde bedrag aan belastingen en premies, nadat die som is verminderd met het bedrag aan fictieve loonbelasting volgens de algemene compensatieregeling. Voorzover de bedoelde som uitgaat boven het bedrag van de grensarbeidersregeling, wordt het bij fictie aangemerkt als ingehouden Nederlandse loonbelasting en op dezelfde wijze verrekend als daadwerkelijk ingehouden loonbelasting.

De specifieke compensatieregeling is een tijdelijke regeling in de zin dat de regeling stopt in het jaar waarin bedoelde som niet meer uitgaat boven het bedrag van de grensarbeidersregeling. Mocht in een jaar daarna bedoelde som weer uitgaan boven het bedrag van de oude grensarbeidersregeling, herleeft de specifieke compensatieregeling derhalve niet.

Door de systematiek van de heffingskortingen zoals deze geldt onder de werking van de Wet IB 2001 wordt op basis van de letterlijke tekst van artikel 27 van het Verdrag met België de beoogde gelijkheid en/of compensatie met de hiervóór beschreven systematiek echter niet in alle gevallen helemaal bereikt. Dit doet zich voor indien de in België werkende Nederlander een partner heeft die zelf geen of onvoldoende inkomen heeft om op `eigen kracht' in aanmerking te komen voor gecombineerde heffingskorting en de Nederlandse inkomstenbelasting van de belastingplichtige onvoldoende is voor verhoging, als bedoeld in art. 8.9 van de Wet IB 2001, van de gecombineerde heffingskorting van de partner. De verhoging van de gecombineerde heffingskorting komt namelijk niet aan de orde indien de gecombineerde inkomensheffing van de in België werkende Nederlandse belastingplichtige niet voldoende is om beide partners aanspraak te kunnen laten maken op de gecombineerde heffingskorting. De gecombineerde inkomensheffing bedraagt immers het gezamenlijke bedrag van de belasting op het belastbare inkomen uit box I, II en III en de premies volksverzekeringen, nà toepassing van regelingen ter voorkoming van dubbele belasting.

De Commissie Grensarbeiders heeft in haar rapport aanbevolen voor toepassing van de compensatieregeling deze ongelijkheid op te heffen (aanbeveling 6). Het kabinet heeft dit standpunt overgenomen (zie brief aan Tweede Kamer, niet gedrukt als kamerstuk, onder meer gepubliceerd in V-N 2001/55.5).

Ter uitwerking van deze aanbeveling is artikel 45a in de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (hierna: URIB 2001) opgenomen. In artikel 45a, eerste lid en tweede lid, URIB 2001 is geregeld dat tevens rekening wordt gehouden met de eventuele verhoging van de gecombineerde heffingskorting van de in Nederland wonende niet of weinig verdienende partner van de in België werkzame belastingplichtige. Deze verhoging komt niet tot uitdrukking bij de niet of weinig verdienende partner, maar wordt in aanmerking genomen in het kader van de berekening van het bedrag dat ingevolge artikel 27, eerste en/of tweede paragraaf, van het Verdrag met België als ingehouden Nederlandse loonbelasting wordt aangemerkt. Op deze manier wordt het evenwicht hersteld op gezinsniveau. Uiteraard verkrijgt enkel de in België werkende Nederlandse belastingplichtige met een niet of weinig verdienende partner recht op de vermindering. Indien de partner van de in België werkende Nederlandse belastingplichtige voldoende eigen inkomen in Nederland verwerft, verkrijgt hij of zij zelfstandig recht op de gecombineerde heffingskorting volgens de bepalingen in hoofdstuk 8 Wet IB 2001 en wordt niet toegekomen aan de bepalingen van artikel 45a URIB 2001.

Voorbeeld 1:

Voor de toepassing van dit voorbeeld wordt uitgegaan van de navolgende gegevens. X en Y zijn (fiscaal) partner van elkaar en wonen in Nederland. Y heeft geen inkomen en X verwerft inkomen uit niet-zelfstandige arbeid in België ter grootte van € 50.000 (hij wordt onder het oude Verdrag met België aangemerkt als grensarbeider). Het tarief in Nederland bedraagt in dit voorbeeld 40% (30% premieheffing en 10% inkomstenbelasting) en in België 35% (20% premieheffing en 15% inkomstenbelasting). De gecombineerde heffingskorting in Nederland bedraagt maximaal stel € 3.000 per belastingplichtige; in België is geen sprake van een heffingskorting of belastingvrije voet. Voor de toepassing van dit voorbeeld wordt eenvoudshalve voorbijgegaan aan het feit dat de Belgische premieheffing een aftrekpost vormt op het loon dat naar Nederlandse maatstaven wordt berekend en dat de Belgische premieheffing dus niet vergelijkbaar is met de Nederlandse premie volksverzekeringen. Hierna wordt afzonderlijk ingegaan worden op de werking van de algemene en de specifieke compensatieregeling.

Algemene compensatieregeling (artikel 45a, eerste lid, Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

X betaalt in Nederland na toepassing van de regels ter voorkoming van dubbele belasting geen inkomstenbelasting in Nederland, Y heeft een inkomen van nihil en betaalt derhalve ook niets. In België betaalt X € 17.500; Y heeft geen recht op gecombineerde heffingskorting en ook niet op de verhoging als bedoeld in artikel 8.9 Wet IB 2001 van de gecombineerde heffingskorting. X valt onder het bereik van de (algemene) compensatieregeling zoals deze is neergelegd in artikel 27, paragraaf 1, van het Verdrag met België. X betaalt in Nederland (fictief) € 17.000 over zijn salaris in (€ 20.000 minus € 3.000). Op grond van de schaduwberekening bedraagt de gecombineerde inkomensheffing verminderd met de gecombineerde heffingskorting van X € 17.000 en als gevolg hiervan zou Y - indien X het inkomen uit Nederland had verkregen - recht hebben op de verhoging van zijn of haar gecombineerde heffingskorting. Op basis van artikel 45a, eerste lid, URIB 2001 wordt het fictief in Nederland te betalen bedrag aan belastingen en premies (€ 17.000) verminderd met de verhoging van de gecombineerde heffingskorting waarop Y op grond van de schaduwberekening recht heeft. X betaalt dus (fictief) € 14.000 in Nederland.

Conclusie is dat € 17.500 minus € 14.000, derhalve € 3.500 op basis van de eerste compensatieregeling fictief als ingehouden Nederlandse loonbelasting wordt aangemerkt. X heeft in Nederland recht op een `teruggaaf' van € 3.500. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat Y dus geen zelfstandig recht op uitbetaling van de verhoging van de gecombineerde heffingskorting verkrijgt.

Specifieke compensatieregeling (artikel 45a, tweede lid, Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

Het uiteindelijk te betalen bedrag aan te betalen belasting en premies in België en Nederland bedraagt € 14.000 (namelijk € 17.500 aan verschuldigde belasting en premies in België verminderd met het bedrag van de vermindering op basis van de algemene compensatieregeling, te weten € 3.500). Bij continuering van de grensarbeidersregeling zou X inkomstenbelastingheffing verschuldigd zijn in Nederland en premieheffing in België. Per saldo betaalt X dan (fictief) € 10.000 premieheffing in België en (fictief) € 5.000 inkomstenbelasting in Nederland, in totaal € 15.000. Dit bedrag wordt nog verminderd met het IB-deel van de heffingskorting waarop X recht heeft, derhalve 10/40* € 3.000 = € 750. Per saldo betaalt X volgens de schaduwberekening op basis van de tekst van artikel 27, van het Verdrag met België € 14.250 bij een continuering van de grensarbeidersregeling. Ingevolge artikel 45a, tweede lid, URIB 2001 wordt dit bedrag verminderd met verhoging van de gecombineerde heffingskorting waarop Y op grond van de schaduwberekening recht heeft (in casus € 3.000). X betaalt dus (fictief) € 11.250 in Nederland.

Conclusie is dat € 14.000 minus € 11.250, derhalve € 2.750 op basis van de tweede compensatieregeling fictief als ingehouden Nederlandse loonbelasting wordt aangemerkt. X heeft recht op een additionele `teruggaaf van' € 2.750.

Som van de fictieve loonbelasting

In totaal betaalt X per saldo € 11.250, hetzelfde bedrag als onder werking van de oude grensarbeidersregeling (te weten € 17.500 aan belasting in België en een teruggaaf in Nederland op basis van de algemene compensatieregeling van € 3.500 en op basis van de specifieke compensatieregeling van € 2.750).

Het derde lid van artikel 45a URIB 2001 bevat bepalingen die voorkomen dat voor de toepassing van de compensatieregeling de in België werkende Nederlandse belastingplichtige met een partner die eigen inkomen heeft, in het kader van de schaduwberekening alsnog recht krijgt op de gecombineerde heffingskorting van zijn partner. Het betreft bij onderdeel b situaties waarin de partner van de belastingplichtige beloningen verkrijgt uit het buitenland of beloningen die op grond van de Nederlandse regelgeving vrijgesteld zijn van Nederlandse belastingheffing (bijvoorbeeld salaris verkregen van internationale organisaties). Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat deze bepaling ook ziet op de situatie waarin beide partners in Nederland wonen en in België werkzaam zijn.

De werking van de compensatieregeling mag in deze gevallen niet tot gevolg hebben dat de grensarbeider in het kader van de schaduwberekening alsnog `recht' krijgt op een gecombineerde heffingskorting van zijn partner. Vergelijk in dit kader bijvoorbeeld de in Duitsland werkende partner van de in Nederland werkende buurman. Deze partner heeft ook geen recht op de verhoging van de gecombineerde heffingskorting als bedoeld in artikel 8.9 Wet IB 2001. Hierbij geldt uiteraard wel een voorzover-benadering. Voorzover het vanuit het buitenland verkregen (of op basis van nationale regelgeving in Nederland vrijgestelde) inkomen niet toereikend zou zijn geweest ter effectuering van de eigen gecombineerde heffingskorting - indien Nederland hierover zou hebben geheven - komt het niet `geëffectueerde' deel in aanmerking voor overdracht aan de belastingplichtige die recht heeft op vermindering of compensatie.

Onderdeel a van het derde lid voorkomt dat een belastingplichtige recht krijgt op de in het eerste en tweede lid genoemde vermindering, indien de partner van belastingplichtige op grond van de bepalingen van hoofdstuk 8 Wet IB 2001 recht heeft op verhoging van de gecombineerde heffingskorting.

Een voorbeeld ter verduidelijking.

Voorbeeld 2:

X en Y zijn (fiscaal) partner van elkaar en wonen in Nederland. X verkrijgt inkomen uit zowel Nederland (€ 50.000) als België (€ 50.000). Y heeft geen inkomen. Op basis van hoofdstuk 8 Wet IB 2001 heeft Y al recht op de verhoging van de gecombineerde heffingskorting. De letterlijke tekst van het eerste (en in het verlengde hiervan ook het tweede) lid van artikel 45a URIB 2001 zou tot gevolg hebben dat in de schaduwberekening nogmaals rekening zou worden gehouden met de verhoging van de heffingskorting waarop de partner van belastingplichtige recht zou hebben gehad indien het Belgische inkomen aan Nederland ter heffing zou zijn toegewezen. Artikel 45, derde lid, onderdeel b, URIB 2001 voorkomt dit nu als de partner van belastingplichtige (Y) de bedoelde verhoging al uit anderen hoofde heeft kunnen effectueren.

Artikel II, Onderdeel A (Artikel 1 Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Deze wijziging houdt verband met het vervallen van de delegatiebepaling in artikel 15, vierde lid, van de Wet financiering volksverzekeringen. Voor een nadere toelichting zij verwezen naar de toelichting bij de wijziging van artikel 74 hierna.

Artikel II, Onderdeel B (Artikel 3 Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

De wijziging in artikel 3 Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 houdt verband met de instelling van de organisatie Eurojust (Pb EG nr. L 063 blz 1, 03-06-2002). Het huidige onderdeel t van artikel 3 Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 wordt in een apart lid opgenomen. Deze wijziging voorkomt dat wanneer een nieuwe instelling wordt opgenomen in artikel 3 Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 verlettering plaats moet vinden.

Artikel II, Onderdeel C (Artikel 9 Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Deze wijzigingen hangen samen met het vervallen van de in artikel 11, eerste lid, onderdeel p, van de Wet LB 1964 opgenomen feestdagenregeling. Op grond van de Wet van 12 december 2002, Stb. 615, tot wijziging van enkele belastingwetten c.a. (Belastingplan 2003 Deel I) is deze feestdagenregeling per 1 januari 2003 vervallen.

Artikel II, Onderdeel D (Artikel 11 Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Deze wijziging betreft het herstel van een onjuiste verwijzing. Bij dit herstel is tevens reeds rekening gehouden met de wijziging in artikel 11, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, als is opgenomen in het Belastingplan 2003 Deel I.

Artikel II, Onderdeel G (Artikel 33 Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Met deze wijziging wordt een in het besluit van 26 november 2001, nr. CPP 2001/2970 M (= onder meer gepubliceerd in Vakstudie Nieuws 2001/62.20), opgenomen goedkeuring op overeenkomstige wijze voor anderen dan extraterritoriale werknemers in de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 opgenomen. Deze wijziging is tevens aangekondigd in de notitie 'Suggesties voor het verlichten van de administratieve lasten' van 14 april 2002, nr. DGB 2002/1932 M. Met deze wijziging wordt bewerkstelligd, dat bij de regeling voor de vrije vergoedingen ter zake van het genot van een woning alsmede voor de vrije verstrekkingen in de vorm van een het genot van een woning, het bedrag van de besparing op jaarbasis in beginsel wordt gesteld op 18% van het voor de werknemer op jaarbasis geldende loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. Voorwaarde is uiteraard wel dat deze vergoedingen en verstrekkingen plaatsvinden ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking. Indien de werknemer een overeengekomen vaste arbeidsduur van minder dan 36 uren per kalenderweek heeft bij dezelfde belastingplichtige, dient het genoten loon uit dienstbetrekking - per dienstbetrekking - te worden herrekend naar het loon dat in die dienstbetrekking zou zijn genoten bij een arbeidsduur van 36 uren per kalenderweek.

De mogelijkheid om de inspecteur te verzoeken het bedrag van de besparing bij een voor bezwaar vatbare beschikking te laten vaststellen, blijft gehandhaafd. Deze mogelijkheid is echter uitsluitend nog van belang indien het bedrag van de besparing op jaarbasis volgens de werknemer lager is dan 18% van het - bij een onvolledig dienstverband tot het bij een volledig dienstverband behorende - voor de werknemer op jaarbasis geldende loon uit tegenwoordige dienstbetrekking en voor situaties waarin geen sprake is van een overeengekomen vast dienstverband. Evenals onder de tot en met het kalenderjaar 2002 geldende regeling, kan bovendien slechts van deze mogelijkheid gebruik worden gemaakt, indien de werknemer aannemelijk maakt dat het bedrag van de besparing aanmerkelijk lager is dan de waarde in het economische verkeer van het genot van de woning.

Artikel II, Onderdeel Q (Artikel 65 Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Met deze wijziging wordt bewerkstelligd dat de loonbelastingverklaring door de inhoudingsplichtige dient te worden bewaard en alleen binnen een door de inspecteur gestelde termijn aan deze dient te worden verstrekt indien deze dit vordert. Onder de tot en met het kalenderjaar 2002 geldende regeling was juist de hoofdregel dat de inhoudingsplichtige de loonbelastingverklaring binnen een bepaalde termijn deed toekomen aan de inspecteur en de inhoudingsplichtige de loonbelastingverklaring slechts zelf mocht bewaren, indien de inspecteur hem dat opdroeg. Met deze maatregel wordt een lichte verlaging van de administratieve last voor de werkgever bereikt.

Artikel II, Onderdeel R (Artikel 68 Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

De wijziging in artikel 68 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 hangt samen met het vervallen van de in artikel 11, eerste lid, onderdeel p, van de Wet op de Loonbelasting 1964 opgenomen feestdagenregeling.

Artikel II, onderdeel S (Artikel 72 Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

In het kader van de administratieve lastenverlichting komt de afzonderlijke aangifte voor de afdracht loonbelasting/premievolksverzekeringen voor in de onderneming van de ouder meewerkende kinderen te vervallen met ingang van 2003. Op deze aangifte werd mede opgave gedaan van de persoonlijke gegevens en de loongegevens van de meewerkende kinderen. Het inzenden van een loonbelastingkaart voor deze kinderen was in deze situatie niet nodig. Nu deze gegevens niet meer op de aangifte worden vermeld, moet de inhoudingsplichtige deze vanaf 2003 op een speciaal model loonbelastingkaart meewerkend kind aanleveren aan de Belastingdienst. De inlevertermijn voor deze loonbelastingkaarten wordt gesteld op dezelfde termijn waarbinnen ook aangifte en afdracht over het voorafgaande kalenderjaar moet plaatsvinden, namelijk binnen twee maanden na het einde van het kalenderjaar.

Artikel II, onderdeel T (Artikel 74 Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

De delegatiebepalingen in artikel 28, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 en artikel 15, vierde lid, van de Wet financiering volksverzekeringen, waaraan artikel 74, tweede en derde lid uitvoering geeft, zijn met ingang van 1 januari 2003 vervallen (artikel V, onderdeel F, en artikel X van de Wet van 11 december, Stb.613 tot wijziging van belastingwetten c.a. (Vervolgwijzigingen in samenhang met de Belastingherziening 2001). Daarmee zijn de genoemde leden van artikel 74 van rechtswege vervallen. Ter wille van de duidelijkheid wordt het vervallen van deze bepalingen - ten overvloede - in deze regeling vastgelegd.

Artikel II, onderdeel U (artikel 76 Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

De vrijstelling voor het opmaken van een loonbelastingkaart voor een in de onderneming van zijn ouder werkzaam kind komt met ingang van 1 januari 2003 te vervallen. Voor een nadere toelichting zij verwezen naar de toelichting bij de wijziging van artikel 72 hiervoor.

Artikel II, onderdeel V (Artikel 82 Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Het verhogen van het bedrag van € 23 tot € 136 hangt samen met het vervallen van de in artikel 11, eerste lid, onderdeel p, van de Wet LB 1964 opgenomen feestdagenregeling. Op grond van de Wet van 12 december 2002, Stb. 615, tot wijziging van enkele belastingwetten c.a. (Belastingplan 2003 Deel I) is deze feestdagenregeling per 1 januari 2003 vervallen. Als gevolg van het vervallen van deze regeling kunnen geschenken slechts onder de naar het tabeltarief te belasten eindheffing worden gebracht indien wordt voldaan aan de voorwaarden van onderdeel h, indien het geen geschenk is ter gelegenheid van een jubileum van de inhoudingsplichtige of ter gelegenheid van een persoonlijke feestdag van de werknemer. Zonder deze verhoging zou in dit geval slechts een verstrekking met een waarde in het economische verkeer van € 23 mogelijk zijn. Deze grens wordt in de praktijk te beperkt gevonden en wordt derhalve verlegd naar € 176.

Met de toevoeging van de onderdelen k en l wordt bewerkstelligd dat, vergoedingen ter zake van een beperkt recht op geheel of gedeeltelijk vrij reizen per Nederlands openbaar vervoer alsmede verstrekkingen van een beperkt recht op geheel of gedeeltelijk vrij reizen per Nederlands openbaar vervoer, worden aangemerkt als naar het tabeltarief te belasten eindheffingsbestanddelen, indien dat recht niet dient ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking of voor woon-werkverkeer. Op grond van het ingevoegde derde lid wordt voor de toepassing van dit artikel onder een beperkt recht verstaan een recht dat van januari tot en met juni en van september tot en met december op maandag tot en met vrijdag niet kan worden gebruikt tussen 07.00 en 09.00 uur en/of tussen 16.30 en 18.00 uur. Deze nieuwe onderdelen zijn zowel van toepassing indien het recht buiten de hiervoor genoemde tijden recht geeft op volledig vrij reizen als in de situatie dat er sprake is van een recht om met korting te reizen.

De hiervoor genoemde wijziging is bedoeld voor situaties waarin een recht op geheel vrij of met korting reizen met Nederlands openbaar vervoer wordt verstrekt dan wel een vergoeding ter zake van een dergelijk recht wordt verstrekt, maar het recht niet dient ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking of voor woon-werkverkeer, en dus niet wordt voldaan aan een van de voorwaarden voor de toepassing van artikel 26 van de Uitvoeringsregeling LB 2001. In deze situaties, die met name voorkomen bij oud-werknemers van openbaarvervoerbedrijven, wordt de waarde in het economische verkeer van de verstrekking van het beperkt recht op vrij reizen dan wel de vergoeding ter zake van een dergelijk recht, tot het loon gerekend. Op grond van de toegevoegde onderdelen k en l wordt dit loon aangemerkt als naar het tabeltarief te belasten bezwaarlijk te individualiseren loon. Op grond van artikel 31 van de Wet LB 1964 wordt de belasting over het in dat geval als eindheffingsbestanddeel aan te merken loon geheven van de inhoudingsplichtige, behoudens ingeval de inhoudingsplichtige verzoekt dat loon niet als eindheffingsbestandeel aan te merken.

In tegenstelling tot de aankondiging, die is gedaan in de Wet van 12 december 2002, Stb. 615, tot wijziging van enkele belastingwetten c.a. (Belastingplan 2003 Deel I), vervallen de onderdelen b en c van het eerste lid van artikel 82 Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 niet. Dit handhaven leidt er toe dat op geschenken ter gelegenheid van een jubileum van de inhoudingsplichtige en ter gelegenheid van een persoonlijke feestdag van de werknemer de eindheffing kan worden toegepast.

Artikel II, Onderdeel W (Artikel 84 Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Met deze wijziging vindt de codificatie plaats van een in de uitvoeringssfeer gegeven goedkeuring (Besluit van 24 mei 2002, nr. DGB 2002/2794M, onder meer gepubliceerd in V-N 2002/28.13). Op basis van de eveneens in het hiervoor genoemde besluit gegeven goedkeuring, die inmiddels is gecodificeerd bij de Wet van 12 december 2002, Stb 617, tot wijziging van enkele belastingwetten c.a. (Belastingplan 2003 Deel II - overig fiscaal pakket), kan een inhoudingsplichtige er onder omstandigheden voor kiezen om tot het loon te rekenen hetgeen ter zake van een ter beschikking gestelde bestelauto op grond van de Wet inkomstenbelasting 2001 als voordeel wordt aangemerkt. Het moet daarbij gaan om een bestelauto als bedoeld in artikel 3.145, tweede lid, tweede volzin, van de Wet inkomstenbelasting 2001. Dit betreft de bestelauto's waarvan het gebruik voor privé-doeleinden door de aard of de inrichting wordt beperkt, en die naast het als gebruik voor privé-doeleinden aangemerkte deel van het regelmatige woon-werkverkeer niet overigens voor privé-doeleinden worden gebruikt. Indien de inhoudingsplichtige ervoor kiest het voordeel van de ter beschikking bestelauto in die situatie als loon aan te merken, wordt dit loon op grond van artikel 84 aangemerkt als loon met een bestemmingskarakter dat als eindheffingsbestanddeel naar het enkelvoudige tarief wordt belast.

Artikel II, Onderdeel X (Artikel 109a Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Deze wijziging hangt samen met het tweede deel van de wijziging van artikel 82. Zoals in de toelichting daarop is aangegeven, kan de belasting die is verschuldigd over de waarde in het economische verkeer van een verstrekking van een zogenoemd beperkt op geheel of gedeeltelijk vrij reizen per openbaar vervoer dan wel over de vergoeding ter zake van een dergelijk recht, worden geheven van de inhoudingsplichtige. Deze regeling is mede bedoeld voor gepensioneerde werknemers die van hun voormalige werkgever een recht op vrij reizen ontvangen. Met name bij openbaarvervoerbedrijven is dat veelal het geval. Voor situaties waarin reeds in het kalenderjaar 2000 een dergelijk recht werd verstrekt aan alle of alle onder een zelfde categorie vallende werknemers van een inhoudingsplichtige is in artikel 109a een overgangsregeling opgenomen, op basis waarvan de belastingheffing in deze situaties voor de kalenderjaren 2001 en 2002 op dezelfde wijze kan plaatsvinden als in de in artikel 26 bedoelde situatie, waarin het recht op vrij reizen mede dient ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking of voor woon-werkverkeer. Omdat deze overgangsregeling per 31 december 2002 afloopt en is gebleken dat de openbaarvervoerbedrijven nog enige maanden nodig hebben voor de omzetting van de aan de gepensioneerde werknemers te verstrekken rechten op vrij vervoer in beperktere rechten, wordt deze overgangsregeling met zes maanden verlengd.

Artikel III, Onderdelen A,B, C, D, E, F, G, H, I, J, K, L (Arikelen 1, 15, 16, 19, 19a, 19b, 19c, 19d, 19e 20, 22, 23, 25b, 2c Uitvoeringsregeling werknemersspaarregeling en winstdelingsregeling)

Met deze wijzigingen wordt beoogd de consequenties van het vervallen van de winstdelingsregeling en de premiespaarregeling, zoals opgenomen in het Belastingplan 2003 deel I (26807), in de Uitvoeringsregeling werknemersspaarregelingen en winstdelingsregelingen door te voeren.

Artikel IV, onderdelen A, B, D en E (Artikelen 1, 2 en 8 en hoofdstuk III van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering)

De artikelen 1, 2 en 8 worden aangepast omdat met ingang van 1 januari 2003 de afdrachtvermindering langdurig werklozen (Hoofdstuk IV van de wet) komt te vervallen met betrekking tot werknemers die vanaf die datum bij een inhoudingsplichtige in dienst treden. Om dezelfde reden vervalt hoofdstuk III.

Artikel IV, onderdelen F en G (Artikelen 11d en 12aa van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering)

In het Belastingplan 2003 Deel II (Kamerstukken II, 2002-2003, 28 608, nrs. 1-2) is de afdrachtvermindering onderwijs uitgebreid. Deze uitbreiding houdt verband met de invoering van leer-werktrajecten voor vmbo-leerlingen met ingang van het schooljaar (2002/2003). In dat kader worden de bedrijven en instellingen die bereid zijn het buitenschools praktijkgedeelte, de leer-werktrajecten, binnen de basisberoepsgerichte leerweg van het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (VMBO) te verzorgen, gekwalificeerd. Er kunnen zich situaties voordoen dat voor bepaalde leerlingen nog niet kan worden beschikt over een gunstig beoordeeld leer-werkbedrijf. Er kan namelijk nog niet worden geput uit een - zeker in aanvang nog beperkte - voorraad aan leerbedrijven met een gunstige beoordeling. Het kan dan ook voorkomen dat een school goede afspraken kan maken met een geschikt leerbedrijf in de buurt dat nog niet door een landelijk orgaan van het beroepsonderwijs is beoordeeld. De wijziging in artikel 11d van de uitvoeringsregeling afdrachtvermindering strekt er toe te voorkomen dat de inhoudingsplichtige - het nog niet beoordeelde leerbedrijf - niet de afdrachtvermindering onderwijs kan toepassen omdat hij nog niet beschikt over een door alle betrokken partijen getekende overeenkomst. In die situatie wordt toegestaan dat de betrokken inhoudingsplichtige een verklaring van het Regionaal Opleidingscentrum bij zijn loonadministratie bewaart. Uit deze verklaring moet blijken dat de desbetreffende leerling/werknemer de basisberoepsgerichte leerweg van het (VMBO) volgt.

De wijziging in artikel 12aa van de uitvoeringsregeling houdt verband met de vernummering in artikel 15a van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen;

Artikel IV, onderdeel H (artikel 12b van de uitvoeringsregeling afdrachtvermindering)

De wijzigingen houden verband met het met ingang van 1 januari 2003 vervallen van de verhoging met 14% van de afdrachtvermindering scholing voor scholing die betrekking heeft op personen van 40 jaar en ouder.

Artikel IV, onderdeel I (Artikel 26a van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering)

Dit artikel wordt geïntroduceerd met het oog op de overgangsregeling per 1 januari 2003 met betrekking tot werknemers die bij de inhoudingsplichtige vóór die datum in dienst waren en voor wie de inhoudingsplichtige de afdrachtvermindering langdurig werklozen reeds toepaste. De afdrachtvermindering is met betrekking tot die werknemers gedurende nog ten hoogste 48 maanden van toepassing, dus tot uiterlijk 1 januari 2007. Dit betekent dat de inhoudingsplichtige de afdrachtvermindering met betrekking tot werknemers die in 2002 bij hem in dienst zijn getreden en waarvoor hij de afdrachtvermindering reeds toepaste en bovendien aan de overige voorwaarden werd voldaan, onder de tot en met 31 december 2002 geldende voorwaarden kan blijven toepassen. Gedurende de periode tot 1 januari 2007 blijven de artikelen van de regeling zoals die luidden op 31 december 2002 inzake de afdrachtvermindering langdurig werklozen, van toepassing.

Artikel V, Onderdeel A (Artikel 23 uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)

Om wetssystematische redenen wordt deze bepaling, die inhoudelijk overeen komt met standaardvoorwaarde 7, van de resolutie van 30 september 1991 houdende vaststelling van standaardvoorwaarden bij overdracht of overgang van een onderneming, thans opgenomen in de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994.

Artikel V, Onderdelen B en C (Artikelen 28 en 29 Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)

In de op 17 april 2002 aan de Tweede Kamer aangeboden notitie Verlichting administratieve lasten voor het bedrijfsleven is aangegeven dat de separate aangifte voor de loonbelasting voor meewerkende kinderen komt te vervallen. Artikel 28, tweede lid, onderdeel c, en artikel 29, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 kunnen daarmee komen te vervallen.

Artikel VI (Artikel 1g Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990)

Het zesde lid van artikel 25 van de Invorderingswet 1990 is bij wet van 11 december 2002, Stb. 613, tot wijziging van belastingwetten c.a. (Vervolgwijzigingen in samenhang met de Belastingherziening 2001) gewijzigd. Als gevolg hiervan is de mogelijkheid om uitstel van betaling te verlenen voor een belastingaanslag, opgelegd naar aanleiding van een fictieve uitkering als bedoeld in artikel 3.116, vierde lid, van de Wet Inkomstenbelasting 2001 verruimd. Het op grond van artikel 25, zesde lid, van de Invorderingswet 1990 verleende uitstel van betaling eindigt niet langer uiterlijk na twee jaar. Volgens die bepaling eindigt het uitstel indien zich een omstandigheid voordoet waardoor de woning ophoudt een eigen woning te zijn in de zin van artikel 3.111 van de Wet inkomstenbelasting 2001, belastingschuldige een voordeel geniet als bedoeld in artikel 3.116, eerste lid, van die wet of indien zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3.116, derde lid, van die wet. Ingeval zich een van deze omstandigheden voordoet, is belastingschuldige gehouden de ontvanger hiervan onverwijld schriftelijk in kennis te stellen (op grond van het derde lid van artikel 1g Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990).

Artikel VII (Overgangsrecht)

Voor belastingplichtigen die in 2002 uitstromen uit een uitkeringssituatie naar een werksituatie en voldoen aan de voorwaarden van de toetrederskorting, blijft de huidige regeling doorlopen. Dit overgangsrecht geldt ook voor belastingplichtigen die in 2002 wel uitstromen uit een uitkeringssituatie, maar pas in 2003 in aanmerking zouden komen voor de toetrederskorting omdat zij in 2002 niet aan de voor de toetrederskorting gestelde zesmaandseis en inkomenseis voldoen. Voor deze belastingplichtigen blijft artikel 44b van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, in de jaren waarin zij de toetrederskorting genieten, van toepassing.

De Staatssecretaris van Financien,

S.R.A. van Eijck.

1 Laatstelijk gewijzigd bij ministeriele regeling van 22 mei 2002, /WDB2002/304M, Stcrt. 96.

2 Laatstelijk gewijzigd bij ministeriele regeling van 13 augustus 2002, /WDB2002/463M, Stcrt. 154.

3 Laatstelijk gewijzigd bij ministeriele regeling van 18 december 2000, /Nr. WDB2000/954M, Stcrt. 249.

4 Laatstelijk gewijzigd bij ministeriele regeling van 22 mei 2002, /WDB2002/304M, Stcrt. 96.

5 Laatstelijk gewijzigd bij ministeriele regeling van 20 december 2001, .WDB2001/760M, Stcrt. 250.

6 Stcrt. 1990, 103; laatstelijk gewijzigd bij ministeriële regeling van 6 november 2002/WDB2002/666M, Stcrt. 216.

Naar boven