Binnenscheepvaart

Verbindendverklaring CAO-bepalingen

MINISTERIE VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

ALGEMEEN VERBINDENDVERKLARING VAN BEPALINGEN VAN DE COLLECTIEVE ARBEIDSOVEREENKOMST VOOR DE BINNENSCHEEPVAART

AI Nr. 9834

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelezen het verzoek van het Centraal Bureau voor de Rijn- en Binnenscheepvaart, de Vereniging van Sleep- en Duwbooteigenaren „Rijn & IJssel", het Nederlandsch Binnenvaartbureau en de Christelijke Bond van Ondernemers in de Binnenvaart als partijen ter ene zijde mede namens de FNV Bondgenoten en de CNV BedrijvenBond als partijen ter andere zijde bij de collectieve arbeidsovereenkomst voor de Binnenscheepvaart, strekkende tot algemeen verbindendverklaring van bepalingen van deze collectieve arbeidsovereenkomst;

Overwegende,

dat genoemde collectieve arbeidsovereenkomst in werking is getreden;

dat van het verzoek tot algemeen verbindendverklaring mededeling is gedaan in de Staatscourant;

dat naar aanleiding van dit verzoek geen schriftelijke bedenkingen zijn ingebracht;

dat de bepalingen van deze collectieve arbeidsovereenkomst gelden voor een belangrijke meerderheid van de in de bedrijfstak werkzame personen;

Gelet op de artikelen 2, 4 en 5 van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten;

Besluit:

I. Verklaart algemeen verbindend tot en met 31 december 2002 de navolgende bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst voor de Binnenscheepvaart alsmede de daarbij behorende statuten en het reglement van de Stichting CAO Binnenscheepvaart, zulks met inachtneming van hetgeen onder II, III, IV en V is bepaald:

Artikel 1 Definities

In deze collectieve arbeidsovereenkomst wordt verstaan onder:

  • A. Werkgever:

    • de in Nederland gevestigde onderneming die de binnenscheepvaart uitoefent en één of meer werknemers in dienst heeft,

    • de in Nederland gevestigde onderneming die één of meer werknemers uitleent aan een onderneming die de binnenscheepvaart uitoefent,

    • de collectieve werkgever van de leerlingen die deelnemen aan een gemeenschappelijke opleidingsactiviteit van de werkgevers- en werknemersorganisaties;

  • B. Werknemer:

    • degene die krachtens een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht in loondienst is van een werkgever en die krachtens dit dienstverband (als bemanningslid) werkzaam is op vaartuigen die gebruikt worden in de binnenscheepvaart, waaronder begrepen

    • degene die deelneemt aan een leerlingstelsel voor de binnenscheepvaart of in verband met een cursus stage loopt, en

    • degene die als vakantiewerker op een vaartuig te werk is gesteld, mits behorend tot de voorgeschreven bemanningssterkte,

    • de leerling die in dienst is van een collectieve werkgever in het kader van een gemeenschappelijke opleidingsactiviteit van de werkgevers- en werknemersorganisaties;

  • C. Binnenscheepvaart:

  • vrachtvaart en andere dienstverlening met vaartuigen op de binnenwateren, met uitzondering van vaartuigen die uitsluitend geschikt zijn voor het vervoer van passagiers;

  • D. Werkgeversorganisaties:

    • Centraal Bureau voor de Rijn- en Binnenvaart,

    • Vereniging van Sleep- en Duwbooteigenaren „Rijn & IJssel",

    • Nederlandsch Binnenvaartbureau,

    • Christelijke Bond van Ondernemers in de Binnenvaart;

  • E. Werknemersorganisaties:

    • FNV Bondgenoten,

    • CNV BedrijvenBond;

  • F. CAO:

  • de Collectieve ArbeidsOvereenkomst voor de Binnenscheepvaart;

  • G. Arbeidsvoorwaardenregeling:

  • de deel van de CAO uitmakende Arbeidsvoorwaardenregeling met inbegrip van de daarbij behorende model-werkstaat en loontabellen;

  • H. Stichting:

  • de Stichting CAO Binnenscheepvaart.

Artikel 2 Werkingssfeer

  • 1. De CAO is van toepassing op alle werkgevers en werknemers in de binnenscheepvaart.

  • 2. De bepalingen van de Arbeidsvoorwaardenregeling betreffende de beloning zijn mede van toepassing op werkgevers die werknemers uitlenen en op uitgeleende werknemers. De werkgever aan wie een uitzendkracht ter beschikking wordt gesteld dient zich ervan te vergewissen dat deze bepalingen worden nageleefd. De CAO wordt aangemeld bij de Stichting Meldingsbureau Uitzendbranche.

Artikel 3 Arbeidsvoorwaarden

  • 1. De door partijen overeengekomen arbeidsvoorwaarden zijn neergelegd in de Arbeidsvoorwaardenregeling die deel uitmaakt van de CAO.

  • De Arbeidsvoorwaardenregeling bestaat uit vier Hoofdstukken:

    • Hoofdstuk 1 is van toepassing op alle arbeidsverhoudingen voor zover in Hoofdstuk 2, 3 of 4 niet anders is bepaald,

    • Hoofdstuk 2 is van toepassing op de arbeidsverhoudingen die gebaseerd zijn op een 5-daagse werkweekrooster,

    • Hoofdstuk 3 is van toepassing op de arbeidsverhoudingen die gebaseerd zijn op een week op/ week af-rooster met een dagelijkse diensttijd van 12 uur (systeemvaart),

    • Hoofdstuk 4 is van toepassing op de arbeidsverhoudingen die gebaseerd zijn op een rooster met een gemiddelde dagelijkse diensttijd.

  • Aan boord van een vaartuig kan slechts één van de Hoofdstukken 2, 3 of 4 van toepassing zijn.

  • Hoofdstuk 4 kan worden toegepast in ondernemingen waarin de schipper-eigenaar deel uitmaakt van de bemanning. Ondernemingen waarin dit niet het geval is dienen toepassing te melden bij één van de werkgevers- of werknemersorganisaties en aldus partijen de mogelijkheid te bieden controle op de gelijkwaardigheid van de beloning uit te oefenen. Uitgangspunt daarbij zal zijn dat de beloning, rekening houdend met de overeengekomen gemiddelde dagelijkse diensttijd, gelijkwaardig dient te zijn aan de in de Hoofdstukken 2 en 3 geregelde beloning.

  • 2. De Arbeidsvoorwaardenregeling heeft een minimumkarakter; er mag uitsluitend ten gunste van de werknemer van worden afgeweken.

  • Mits het gehele arbeidsvoorwaardenpakket tenminste gelijkwaardig blijft aan de Arbeidsvoorwaardenregeling mogen werkgevers met de werknemersorganisaties al dan niet bij collectieve arbeidsovereenkomst een gewijzigd arbeidsvoorwaardenpakket overeenkomen.

  • Partijen kunnen, teneinde zekerheid over de gelijkwaardigheid van een arbeidsvoorwaardenpakket te verschaffen, aan werkgevers dispensatie verlenen. Een dispensatieverzoek moet schriftelijk worden ingediend bij één van de werkgevers- of werknemersorganisaties. Partijen nemen daarop een beslissing, die schriftelijk en met redenen omkleed aan de indiener van het verzoek kenbaar wordt gemaakt.

  • Bij de vergelijking van arbeidsvoorwaardenpakketten blijven pensioen- en andere verzekeringspremies en beloningen die afhankelijk zijn van bedrijfsresultaten of andere onzekere factoren buiten beschouwing.

  • 3. Indien werknemers toeslagen of vergoedingen ontvangen die niet in de CAO zijn geregeld behouden zij hun aanspraak daarop zolang als deze niet verwerkt is in hun loon. Deze bepaling geldt met name voor diplomatoeslagen en vergoedingen van premie voor de verzekering van persoonlijke bezittingen aan boord.

  • Werknemers in de functie van lichtmatroos die recht hebben op een hoger loon dan het wettelijk minimum (jeugd)loon behouden hun aanspraak daarop.

  • 4. Hetgeen door partijen is overeengekomen met betrekking tot pensioen en vrijwillig vervroegde uittreding is neergelegd in de verplichtgestelde regeling van het Bedrijfspensioenfonds voor de Rijn- en Binnenvaart respectievelijk de Collectieve ArbeidsOvereenkomst inzake vrijwillig vervroegde uittreding voor de Binnenscheepvaart.

Artikel 4 Stichting

  • 1. Er is een Stichting CAO Binnenscheepvaart, die ten doel heeft:

    • de naleving van de CAO te bevorderen door middel van controle en voorlichting,

    • het bevorderen van de opleiding en ontwikkeling van werknemers en werkgevers in de bedrijfstak,

    • het bevorderen van een goed functionerende sectorale arbeidsmarkt, alsmede

    • het innen en beheren van de gelden die voor de verwezenlijking van deze doeleinden bestemd zijn.

  • De statuten en reglementen van de Stichting maken deel uit van de CAO.

  • 2. De werkgever is jaarlijks een bijdrage verschuldigd aan de Stichting. Deze bijdrage bedraagt 1,1% van het loon van de onderneming van de werkgever dat voor het betreffende kalenderjaar geldt als basis voor de premieheffing voor de Werkloosheidswet. De bijdrage is bestemd voor de financiering van de kosten verbonden aan de werkzaamheden van de Stichting.

  • Een gedeelte van de bijdrage ter grootte van 0,1% van het premieplichtig loon voor de Werkloosheidswet komt voor rekening van de werknemer, die zijn aandeel in de bijdrage aan de werkgever verschuldigd is. De werkgever is gerechtigd het werknemersaandeel op het loon in te houden.

  • Bij gebreke van de voor het vaststellen van de verschuldigde bijdrage benodigde informatie kan de Stichting de bijdrage naar beste weten vaststellen.

  • De jaarlijkse bijdrage is terstond en ineens opeisbaar vanaf 31 december.

  • 3. Partijen dragen hun bevoegdheid tot het instellen van vorderingen tot schadevergoeding als bedoeld in artikel 15 van de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst en artikel 3, vierde lid van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten, over aan de Stichting.

  • 4. De werkgever en de werknemer zijn verplicht de inlichtingen te verstrekken die de Stichting met het oog op haar doeleinden redelijkerwijs noodzakelijk acht.

  • Indien een werkgever na ingebrekestelling door of namens de Stichting gedurende tenminste 14 dagen nalatig blijft de vanwege de Stichting verzochte inlichtingen met betrekking tot de wijze waarop hij de CAO naleeft te verstrekken, dan wel onjuiste inlichtingen verstrekt, is hij verplicht aan de Stichting een door de Stichting te bepalen schadevergoeding te betalen. Bij het bepalen van de schadevergoeding wordt in ieder geval rekening gehouden met de aard, de omvang en de duur van de niet-naleving, alsmede met de loonsom van de onderneming van de werkgever. Daarnaast kan rekening gehouden worden met de mate waarin de werkgever alsnog achterstallige verplichtingen jegens zijn personeel nakomt dan wel zekerheid stelt voor een correcte naleving van de CAO.

  • 5. De Stichting handelt bij de toepassing van het bepaalde in het 4e lid, de vaststelling van de schadevergoeding daaronder begrepen, overeenkomstig een door het bestuur vastgesteld reglement.

  • 6. De door de Stichting uit hoofde van toepassing van het bepaalde in het 4e lid verkregen bedragen worden toegevoegd aan de geldmiddelen van de Stichting.

Artikel 5 Werkgelegenheid

  • 2. Met betrekking tot voorgenomen besluiten, zoals fusies, reorganisaties, structuuronderzoek, inkrimping, verkoop of sluiting van de onderneming, waarvan belangrijke gevolgen voor de werkgelegenheid in de onderneming kunnen worden verwacht, gelden de SER-Fusiegedragsregels voor alle werkgevers.

  • 3. De werkgever dient in principe geen gebruik te maken van uitzendkrachten, behoudens wanneer dit als gevolg van bijzondere omstandigheden onvermijdelijk is.

ARBEIDSVOORWAARDENREGELING

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1.1 Aanstelling

  • 1. Een dienstbetrekking wordt geacht voor onbepaalde tijd te zijn aangegaan tenzij uit de arbeidsovereenkomst blijkt dat de dienstbetrekking voor bepaalde tijd is aangegaan.

  • 2. Een proeftijd van ten hoogste twee maanden kan uitsluitend schriftelijk bij het aangaan van de dienstbetrekking worden overeengekomen.

  • 3. De werkgever is verplicht de werknemer op de hoogte te stellen van de rechtens geldende arbeidsvoorwaarden alsmede van wijzigingen daarvan.

Artikel 1.2 Ontslag

  • 1. Bij ontslag op staande voet wegens een dringende reden in de zin van de artikelen 678 en 679 BW en in de proeftijd kan de dienstbetrekking wederzijds onmiddellijk worden beëindigd.

  • 2. Behoudens het bepaalde in het 1e lid eindigt de dienstbetrekking van de werknemer, die voor onbepaalde tijd in dienst is, door:

    • a. opzegging door de werkgever met een termijn van tenminste zoveel weken als de dienstbetrekking na de meerderjarigheid van de werknemer gehele jaren heeft geduurd, welke termijn ten hoogste 13 weken bedraagt, met dien verstande dat de termijn van opzegging

      • 1. wordt verlengd met een week voor elk geheel jaar dat de dienstbetrekking na het bereiken door de werknemer van de leeftijd van 45 jaar heeft geduurd, doch ten hoogste met 13 weken, en

      • 2. ten minste 3 weken bedraagt ten aanzien van de werknemer die op de dag van opzegging de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt en ten minste een jaar bij de werkgever in dienst is,

    • b. opzegging door de werknemer met een termijn van ten minste zoveel weken als de dienstbetrekking na de meerderjarigheid van de werknemer tijdvakken van twee gehele jaren heeft geduurd, welke termijn ten hoogste 6 weken bedraagt, met dien verstande dat de termijn van opzegging voor beide partijen ten minste een week bedraagt indien een weekloon is overeengekomen en tenminste een maand indien een maandloon is overeengekomen en de opzegging alleen tegen het einde van de loonweek of -maand kan geschieden.

  • 3. Behoudens het bepaalde in het 1e lid eindigt de dienstbetrekking van de werknemer, die voor het verrichten van werkzaamheden van tijdelijke aard in dienst is, door opzegging door de werkgever of door de werknemer met een termijn van ten minste een dag, met dien verstande dat de opzegging tegen elke dag der loonweek of -maand kan geschieden.

Artikel 1.3 Nevenfuncties

  • 1. De werknemer is gehouden de werkgever schriftelijk in kennis te stellen van het voornemen gehonoreerde nevenfuncties te gaan verrichten en van uitbreiding in bestaande gehonoreerde nevenfuncties.

  • 2. Indien deze werkzaamheden of uitbreiding daarvan als strijdig met, of schadelijk voor de vervulling van zijn functie kunnen worden beschouwd, dient de werkgever binnen een maand na verzending van bedoelde kennisgeving hem schriftelijk en gemotiveerd mede te delen dat verrichting of uitbreiding daarvan niet geoorloofd is.

  • 3. Voordat de werkgever een beslissing neemt over het al of niet toestaan van het verrichten van werkzaamheden in verband met een gehonoreerde nevenfunctie of een uitbreiding daarvan, is hij verplicht de werknemer terzake te horen.

  • 4. Indien door de werkgever binnen een maand geen antwoord wordt gegeven op een schriftelijk verzoek aangaande gehonoreerde nevenfuncties wordt dit beschouwd als goedkeuring.

Artikel 1.4 Normale arbeidstijd

De normale arbeidstijd bedraagt gemiddeld 40 uur per week.

De normale arbeidsduur op jaarbasis bedraagt 1846 uur en wordt als volgt berekend:

aantal kalenderdagen: 365,25
   
af wegens aanspraak op vrije tijd:   
– zater- en zondagen 2/7x 365,25 =104,357 
– vakantiedagen 25  
– tweede Paas-, tweede Pinkster- en Hemelvaartsdag 3 
– Kerstdagen en Nieuwjaarsdag 5/7 x 3 = 2,143 
   
  134,5 -/-
   
aantal werkdagen: 230,75

normale arbeidsduur op jaarbasis: 230,75 x 8 uur = 1846 uur.

Artikel 1.5 Dienstroosters

  • 1. De dagelijkse diensttijd is 9, 10, 11 of 12 uren.

  • In de dagelijkse diensttijd is 1 uur schafttijd inbegrepen; de overige uren zijn arbeidstijd.

  • Wijziging van de dagelijkse diensttijd vereist de instemming van de werknemer.

  • 2. Bij een dagelijkse diensttijd van 10, 11 of 12 uur zijn respectievelijk 26, 46 of 63 werkdagen per jaar roostervrij.

  • Roostervrije dagen die niet in vrije tijd aan de werknemer worden toegekend dienen te worden vergoed met het tarief voor normaal overwerk, te berekenen over de arbeidstijd per werkdag.

  • 3. Aanvang en einde van de diensttijd worden in overleg tussen werkgever en werknemer vastgesteld.

Artikel 1.6 Arbeid op zaterdagen en zondagen

  • 1. Indien op zaterdag of zondag gewerkt wordt, wordt over de dagelijkse diensttijd de toeslag zaterdag respectievelijk de toeslag zondag betaald. Deze toeslagen bedragen 50% respectievelijk 100% van het uurloon en zijn vermeld in de bij deze regeling behorende loontabellen.

  • Voor de toeslag zondag geldt een minimum van 5 uren.

  • 2. Wordt op zaterdag vóór 13.00 uur ten hoogste 5 uren gewerkt, dan heeft de werknemer recht op een halve vrije dag.

  • Wordt op zaterdag meer dan 5 uren, dan wel na 13.00 uur gewerkt, dan heeft de werknemer recht op een hele vrije dag.

  • Wordt op zondag gewerkt, dan heeft de werknemer ongeacht de duur van die arbeid, recht op een vrije dag.

Artikel 1.7 Exploitatiewijzen, bemanning en functies

  • 1. Voor de Rijnvaart gelden de bepalingen van Hoofdstuk 23 van het Reglement van Onderzoek voor Schepen op de Rijn (Stb 1996, 127) betreffende exploitatiewijzen, bemanning en rusttijd.

  • Voor de vaart op de Nederlandse binnenwateren gelden de bepalingen van de Wet Vaartijden en Bemanningssterkte Binnenvaart (Stb 1993, 368) en het Besluit Vaartijden en Bemanningssterkte Binnenvaart (Stb 1994, 897).

  • 2. In aanvulling op de wettelijke regeling van functies wordt de functie van kapitein onderscheiden.

  • De kapitein is een schipper die als kapitein is aangesteld.

  • 3. De werknemer wordt geacht werkzaam te zijn in de functie waarin hij is aangesteld. Indien de in het vaartijdenboek vermelde functie echter aanspraak geeft op een hoger loon ontvangt hij het bij die functie behorende loon.

Artikel 1.8 Registratie van gewerkte uren

  • 1. De tijdstippen van aanvang en beëindiging van de werkzaamheden moeten door de werkgever of door de gezagvoerder in opdracht van de werkgever worden geregistreerd. Een model van een daartoe dienende werkstaat behoort als bijlage bij deze regeling.

  • 2. Op de werkstaat moet worden vermeld de periode, de naam van het vaartuig en de naam en de functie van de werknemer waarop de werkstaat betrekking heeft.

  • 3. Indien de werknemer waarop de werkstaat betrekking heeft geen afschrift ontvangt dient hij de werkstaat mede te ondertekenen.

  • 4. Het bepaalde in het 1e, 2e en 3e lid geldt uitsluitend:

    • a. indien het vaartuig in de dagvaart wordt geëxploiteerd en

    • b. indien het vaartuig in de semi-continuvaart wordt geëxploiteerd tussen 23.00 en 05.00 uur.

Artikel 1.9 Werkzaamheden

  • 1. Het zich bereid houden tot onmiddellijke aanvang der werkzaamheden wordt gelijkgesteld met arbeid.

  • 2. De werknemer is verplicht elke door of namens de werkgever gegeven opdracht uit te voeren, tenzij

    • de opdracht in strijd is met de wettelijke bepalingen betreffende exploitatiewijzen, bemanning en rusttijd of met deze regeling dan wel

    • uitvoering van de opdracht anderszins in redelijkheid niet van hem kan worden verlangd.

  • Alleen de werkgever of zijn gemachtigde kan de opdracht wijzigen of herroepen.

  • 3. De werkgever is gerechtigd een werknemer naar een ander vaartuig over te plaatsen.

  • Bij overplaatsing naar een vaartuig waarvoor een lagere beloning geldt, houdt de werknemer aanspraak op het hogere loon, tenzij de overplaatsing geschiedt op grond van onbekwaamheid.

  • 4. De gezagvoerder regelt de werkzaamheden van de bemanning aan boord met inachtneming van de bepalingen betreffende exploitatiewijzen, bemanning en rusttijd. Hij bepaalt op welke tijdstippen en gedurende welke tijd de werkzaamheden moeten worden verricht en welke werknemers overwerk moeten verrichten.

  • Voorwarmen van de lading wordt in principe gedaan door één bemanningslid.

  • 5. De werknemer is niet verplicht in de lading te werken, behalve wanneer gestorte lading (met uitzondering van steenkool) onder dek gewerkt moet worden.

  • De werknemer is wel verplicht eventueel behulpzaam te zijn bij het zetten van deklasten.

Artikel 1.10 Loon

  • 1. Onverminderd het bepaalde in de Wet Minimumloon en Minimumvakantiebijslag geldt voor de werknemer het bij zijn functie in de bij deze regeling behorende loontabellen vermelde loon.

  • 2. Voor de werknemer onder 23 jaar in de functie van volmatroos, matroos-motordrijver of matroos geldt, afhankelijk van het aantal gehele jaren dat hij in zijn functie werkzaam is, het loon vermeld bij de aanduiding van het aantal functiejaren.

  • 3. Voor de werknemer in de functie van lichtmatroos geldt het wettelijk minimum-(jeugd)loon.

  • 4. Voor stagiairs en andere leerlingen die niet krachtens een arbeidsovereenkomst werkzaam zijn en niet tot de voorgeschreven bemanning behoren geldt een stagevergoeding van € 226,89 per maand.

  • 5. De werkgever is verplicht voor iedere afrekening van loon, vakantietoeslag enz. een opgave te verstrekken, waaruit duidelijk blijkt op welke loonbestanddelen de afrekening betrekking heeft en welke bedragen voor loonbelasting, sociale verzekeringspremies, pensioenpremie, voorschotten enz. zijn ingehouden.

  • 6. In de maand januari alsmede bij beëindiging van de dienstbetrekking wordt een totaalopgave van het in het voorgaande, respectievelijk betreffende kalenderjaar genoten inkomen en de daarop ingehouden loonbelasting, sociale verzekeringspremies enz. verstrekt.

Artikel 1.11 Prijscompensatie

  • 1. Per 1 januari en per 1 juli worden de lonen verhoogd met het stijgingspercentage van de afgeleide consumentenprijsindex voor werknemersgezinnen met een laag inkomen in de voorafgaande periode van april tot oktober casu quo van oktober tot april indien en voor zover dit indexcijfer in de laatste maand van de betreffende periode hoger is dan het indexcijfer waarop de voorgaande verhoging uit hoofde van deze bepaling gebaseerd was.

  • 2. Per 1 januari worden de vergoedingen voor scheepswacht en kleine kosten verhoogd met het stijgingspercentage van de afgeleide consumentenprijsindex voor werknemersgezinnen met een laag inkomen in de voorafgaande periode van oktober tot oktober indien en voor zover dit indexcijfer in de laatste maand van deze periode hoger is dan het indexcijfer waarop de voorgaande verhoging uit hoofde van deze bepaling gebaseerd was.

Artikel 1.12 Structurele loonsverhogingen

De lonen worden structureel verhoogd per 1 november 2000 met 0,5%, per 1 maart 2001 met 0,5% en per 1 januari 2002 met 1%.

Artikel 1.13 Vakantietoeslag

  • 1. De werknemer, die op 1 mei een geheel jaar in dienst is, ontvangt in de maand mei een vakantietoeslag van 8% van 52 maal het op 1 mei geldende weekloon, dan wel 12 maal het op 1 mei geldende maandloon.

  • 2. Op de werknemer, die op 1 mei korter dan een geheel jaar bij zijn werkgever in dienst is, is het bepaalde in het 1e lid van overeenkomstige toepassing naar rato van de duur van het dienstverband.

  • 3. Bij beëindiging van de dienstbetrekking wordt over de periode waarover nog geen vakantietoeslag is verstrekt, deze toeslag naar evenredigheid uitbetaald op basis van het op het moment van beëindiging geldende loon.

Artikel 1.14 Vakantie

  • 1. De werknemer heeft over elk jaar, dat de dienstbetrekking heeft geduurd, recht op 25 werkdagen vakantie met behoud van loon.

  • Werknemers van 55 jaar en ouder hebben recht op de navolgende aantallen extra vakantiedagen:

55 t/m 59 jaar:2 dagen
60 jaar:3 dagen
61 jaar:4 dagen
62 jaar:5 dagen
63 jaar:6 dagen
64 jaar:7 dagen
  • 2. Tenzij anders wordt overeengekomen en mits de aanspraak op vakantie toereikend is, dient de werknemer in overleg met de werkgever jaarlijks ten minste drie weken aaneengesloten vakantie op te nemen in de periode van 1 mei tot en met 30 september. De werkgever is verplicht in overleg met de werknemer de resterende vakantie afzonderlijk of aaneengesloten te verlenen voor 1 mei van het volgende jaar.

  • 3. Indien op enig tijdstip de dienstbetrekking nog geen jaar of nog niet wederom een jaar heeft geduurd, is het bepaalde in het 1e en 2e lid van overeenkomstige toepassing naar rato van de duur van het dienstverband.

  • 4. Gedurende de wettelijke opzegtermijn kan de werknemer niet verplicht worden vakantie op te nemen.

  • 5. Bij beëindiging van de dienstbetrekking worden, voor zover de aanspraak op vakantie nog niet gerealiseerd is, aan de werknemer de resterende vakantiedagen hetzij alsnog verleend, hetzij vergoed met de vergoeding niet genoten vrije dag, vermeld in de bij deze regeling behorende loontabellen.

Artikel 1.15 Scheepswacht

  • 1. Indien de geldende voorschriften scheepswacht vereisen dient de gezagvoerder een wachtsman aan te wijzen wanneer de overige bemanningsleden het vaartuig verlaten.

  • 2. De wachtsman die na de diensttijd op één of meer vaartuigen wacht houdt ontvangt een vergoeding. Deze vergoeding bedraagt € 8,25 indien met het wacht houden wordt begonnen voor 20.00 uur en € 4,12 indien met het wacht houden wordt begonnen tussen 20.00 uur en 22.00 uur. Indien per wachtperiode meerdere wachtslieden afwisselend wacht houden wordt de vergoeding verdeeld.

  • 3. Onder de wachtslieden die na de diensttijd op een christelijke feestdag met scheepswacht worden belast wordt een vergoeding verdeeld van € 16,54.

Artikel 1.16 Onkosten

De werkgever vergoedt, binnen de daarvoor geldende fiscale voorwaarden, de onkosten die door de werknemer in redelijkheid ten behoeve van de vervulling van zijn functie worden gemaakt. De navolgende onkosten komen daarvoor in aanmerking:

  • reiskosten drie maal per maand bij opname van vrije dagen,

  • reiskosten te maken om de Paasdagen, de Pinksterdagen en de Kerstdagen in familiekring door te brengen,

  • reiskosten te maken bij overlijden van echtgeno(o)t(e), wettige kinderen en ouders,

  • medisch noodzakelijk geachte reiskosten van de werknemer die arbeidsongeschikt wordt,

  • kleine kosten, samenhangend met reizen van en naar boord:

    • voor reizen binnen Nederland over een afstand van meer dan 50 km: € 4,13,

    • voor buitenlandse reizen over een afstand als tot Mannheim: € 5,80,

    • voor buitenlandse reizen over een afstand groter dan tot Mannheim: € 7,02,

  • tegemoetkoming in de meerkosten van levensonderhoud die samenhangen met het verblijf aan boord (menagegeld): € 2,16 per dag aan boord,

  • kosten van overplaatsing.

Artikel 1.17 Arbeidsongeschiktheid

  • 1. Bij arbeidsongeschiktheid gelden de bepalingen van het Verdrag betreffende de Sociale Zekerheid van Rijnvarenden, alsmede de bepalingen van artikel 629 BW, de Ziektewet, de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering.

  • De werknemer is verplicht arbeidsongeschiktheid direct te melden aan de werkgever en de hulp van een arts te roepen.

  • 2. Bij arbeidsongeschiktheid wordt aan de werknemer gedurende het wettelijke tijdvak van maximaal 52 weken 100% van het loon, inclusief onregelmatigheidstoeslag, systeemtoeslag en/of overeengekomen gemiddelde overwerkvergoeding, doorbetaald.

  • Daarenboven ontvangt de werknemer een aanvulling tot 80% van de gemiddelde beloning, inclusief de overige toeslagen en overwerkvergoedingen, berekend over het aantal gewerkte dagen in de periode van 13 weken onmiddellijk voorafgaand aan de arbeidsongeschiktheid.

  • De maximum doorbetaling bedraagt 195% van het loon.

  • 3. Wanneer de werknemer zich na herstel van arbeidsongeschiktheid meldt om zijn arbeid te hervatten, maar dit door omstandigheden buiten zijn wil niet mogelijk is, is de werkgever zo mogelijk verplicht hem met vergoeding van de reiskosten (laagste tariefklasse) te zenden naar een vaartuig waarop hij zijn arbeid wel kan hervatten.

Artikel 1.18 Kort verzuim

  • 1. Met uitsluiting van het bepaalde in artikel 629b BW wordt bij verzuim in de navolgende gevallen het loon voor de daarbij vermelde maximumduur doorbetaald:

a.bij huwelijk van de werknemer2 dagen
 bij huwelijk van de kinderen, pleegkinderen, ouders, schoonouders, broers, zusters, zwagers, schoonzusters1 dag
 bij ondertrouw van de werknemer1 dag
   
b.bij de bevalling van de echtgenote2 dagen
   
c.bij overlijden van de echtgeno(o)t(e)4 dagen
 bij overlijden van een inwonend kind4 dagen
 bij overlijden van een niet-inwonend kind2 dagen
   
d.voor het bijwonen van de begrafenis van: een der ouders of schoonouders2 dagen
 een schoonzoon of schoondochter1 dag
 een broer, zuster, zwager of schoonzuster1 dag
 een kleinkind of een der grootouders van de werknemer of diens echtgeno(o)t(e)1 dag
   
e.bij 25- en 40-jarige echtviering van de werknemer1 dag
 bij 25-, 40-, 50- en 60-jarige echtviering van de ouders of schoonouders1 dag
   
f.bij het 25- en 40-jarig dienstjubileum van de werknemer1 dag
   
g.bij vervulling van een overheidswege zonder geldelijke vergoeding opgelegde persoonlijke verplichting en uitoefening van het kiesrechtde werkelijk benodigde tijd
h.voor het afleggen van een binnenvaartexamende daarvoor be-nodigde tijd met een mini-mum van 1 dag
  • 2. Voor de toepassing van het bepaalde in het 1e lid worden ongehuwde werknemers die duurzaam samenwonen gelijkgesteld met gehuwden indien de samenwoning tenminste een jaar heeft geduurd en bij de werkgever bekend is.

HOOFDSTUK 2 5-DAAGSE WERKWEEK

BEPALINGEN DIE IN AANVULLING OP HOOFDSTUK 1 GELDEN VOOR ARBEIDSVERHOUDINGEN DIE GEBASEERD ZIJN OP EEN 5-DAAGSE WERKWEEKROOSTER

Artikel 2.1 Dienstrooster

  • 1. Het dienstrooster is gebaseerd op een 5-daagse werkweek (van maandag tot en met vrijdag).

  • 2. Bij een dagelijkse diensttijd van 10 uur dienen tenminste 19,5 roostervrije dagen in vrije tijd aan de werknemer te worden toegekend; de overige 6,5 dagen kunnen in overleg tussen werkgever en werknemer hetzij worden vergoed tegen het tarief overwerk normaal, hetzij worden gecompenseerd door de werkzaamheden eerder te beëindigen of later te doen aanvangen.

  • 3. Indien het vaartuig in de dagvaart wordt geëxploiteerd valt de aaneengesloten dagelijkse diensttijd tussen 06.00 en 18.00 uur.

  • Overeengekomen kan worden dat de dagelijkse diensttijd verschuifbaar is tussen 06.00 en 22.00 uur. Deze bepaling dient voor onbepaalde tijd dan wel voor tenminste een maand te worden vastgesteld. Alsdan heeft de werknemer recht op een onregelmatigheidstoeslag van 12% van het loon en moet de aanvang van de dagelijkse diensttijd steeds tenminste een dag van tevoren bekend gemaakt worden.

  • Wijziging van de verschuifbaarheid van de dagelijkse diensttijd vereist de instemming van de werknemer.

  • 4. Indien het vaartuig in de semi-continuvaart wordt geëxploiteerd valt de dagelijkse diensttijd tussen 05.00 en 23.00 uur.

  • Indien het vaartuig in de continuvaart wordt geëxploiteerd valt de dagelijkse diensttijd tussen 00.00 en 24.00 uur.

  • 5. Indien het vaartuig in de (semi-)continuvaart wordt geëxploiteerd dienen de tijdstippen van aanvang en beëindiging van de werkweek in overleg tussen de werkgever en de werknemer te worden vastgesteld.

Artikel 2.2 Overwerk

  • 1. Buiten de dagelijkse diensttijd gewerkte uren worden vergoed:

    • tussen maandag 06.00 uur en zaterdag 06.00 uur tegen het tarief overwerk normaal,

    • tussen zaterdag 06.00 en 18.00 uur tegen het tarief overwerk zaterdag,

    • tussen zaterdag 18.00 uur en maandag 06.00 uur tegen het tarief overwerk zondag.

  • De overwerktarieven zijn vermeld in de bij deze regeling behorende loontabellen.

  • 2. Recht op vergoeding van overwerk bestaat uitsluitend indien in opdracht van de gezagvoerder gewerkt is

    • indien het vaartuig in de dagvaart wordt geëxploiteerd: buiten de diensttijd,

    • indien het vaartuig in de semi-continuvaart wordt geëxploiteerd: tussen 23.00 en 05.00 uur,

    • indien het vaartuig in de continuvaart wordt geëxploiteerd: buiten de diensttijd.

Artikel 2.3 Vrije dagen

  • 1. Een dag wordt als vrije dag aangemerkt, indien de werknemer voor 18.00 uur op de voorafgaande dag mededeling heeft ontvangen dat van dit tijdstip af een of meer vrije dagen opgenomen kunnen worden.

  • In overleg tussen werkgever en werknemer kunnen delen van een werkdag als vrije tijd worden opgenomen.

  • Voorafgaand aan een vrije dag wordt eventueel overwerk op een dusdanig tijdstip beëindigd, doch nimmer later dan 22.00 uur, dat de werknemer nog diezelfde dag zijn bestemming kan bereiken, tenzij van buiten het land van inwoning moet worden gereisd en daardoor vroeger dan het einde van het einde van de diensttijd zou moeten worden vertrokken.

  • De vrije tijd eindigt om 06.00 uur op de dag volgende op de laatste vrije dag.

  • 2. Na afloop van elke periode van 2 maanden, te rekenen vanaf 1 januari, dient de werknemer in de gelegenheid te worden gesteld zijn tegoed aan op grond van het bepaalde in artikel 1.6 lid 2 verworven vrije dagen op te nemen.

  • 3. Maximaal kan eenvierde van het aantal op grond van het bepaalde in artikel 1.6 lid 2 verworven vrije dagen worden vergoed met de vergoeding niet genoten vrije dag vermeld in de bij deze regeling behorende loontabellen.

  • 4. Bij beëindiging van de dienstbetrekking worden, voor zover de aanspraak op vrije dagen op grond van het bepaalde in artikel 1.6 lid 2 nog niet gerealiseerd is, alle tegoed zijnde vrije dagen alsnog verleend, dan wel met de vergoeding niet genoten vrije dag vergoed.

Artikel 2.4 Feestdagen

  • 1. De werknemer heeft aanspraak op vrije dagen met behoud van loon voor de navolgende christelijke feestdagen, voor zover deze niet vallen op een zaterdag of zondag:

    • Nieuwjaarsdag;

    • Tweede Paasdag;

    • Hemelvaartsdag;

    • Tweede Pinksterdag;

    • beide Kerstdagen.

  • Op Nieuwjaarsdag, de Paasdagen, de Pinksterdagen en de Kerstdagen hoeft niet gewerkt te worden.

  • De werknemer wordt in de gelegenheid gesteld de Paasdagen, de Pinksterdagen en de Kerstdagen in familiekring door te brengen.

  • 2. Een christelijke feestdag wordt gerekend vanaf 18.00 uur op de voorafgaande dag tot 06.00 uur op de eerste daaropvolgende werkdag.

  • Een nationale feestdag en Koninginnedag wordt gerekend van 00.00 tot 24.00 uur op die dag.

  • 3. Indien op een christelijke feestdag gewerkt wordt, zijn de bepalingen betreffende arbeid op zondag van overeenkomstige toepassing.

  • Indien op een nationale feestdag of Koninginnedag gewerkt wordt is uitsluitend het bepaalde in artikel 1.6 lid 1 betreffende arbeid op zondag van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.5 Werkzaamheden

Op zon- en feestdagen blijft het scheepswerk, geen verband houdende met de navigatie, tot het noodzakelijke beperkt. Op zaterdagen wordt dit scheepswerk beperkt tot ten hoogste 4 uren.

Artikel 2.6 Scheepswacht

Op scheepswacht op zaterdagen, zondagen en christelijke feestdagen is het bepaalde in artikel 1.6 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.7 Reisuren

In opdracht van de werkgever per openbaar vervoer gereisde uren tussen 18.00 en 06.00 uur worden vergoed met de in de bij deze regeling behorende loontabellen vermelde vergoeding reisuur.

Voor het berekenen van de vergoeding wordt als gereisde tijd uitsluitend de tijd tussen vertrek en aankomst van het openbaar vervoer in aanmerking genomen.

Artikel 2.8 Continutoeslag

  • 1. Indien het vaartuig in de (semi-)continuvaart wordt geëxploiteerd ontvangt de werknemer per gewerkte dag een vaste continutoeslag zoals vermeld in de bij deze regeling behorende loontabellen.

  • 2. Bij wisseling van de exploitatiewijze van (semi-)continuvaart naar dagvaart geldt voor de eerste op de dag van wisseling volgende dag een garantie van 3,75 uren overwerk.

HOOFDSTUK 3 SYSTEEMVAART

BEPALINGEN DIE IN AANVULLING OP HOOFDSTUK 1 GELDEN VOOR ARBEIDSVERHOUDINGEN DIE GEBASEERD ZIJN OP EEN WEEK OP/WEEK AF-ROOSTER MET EEN DAGELIJKSE DIENSTTIJD VAN 12 UUR

Artikel 3.1 Dienstrooster

  • 1. Het dienstrooster wordt vastgesteld in ten hoogste 26 dienstweken op jaarbasis, die in beginsel telkens worden afgewisseld door vrije weken.

  • De werknemer kan niet verplicht worden langer dan twee weken achtereen dienst te doen.

  • 2. Gedurende de dienstweken wordt 7 dagen achtereen gewerkt.

  • De dagelijkse diensttijd bedraagt 12 uren, waarvan geacht worden te zijn 11 uren arbeidstijd en 1 uur schafttijd.

  • 3. De dagelijkse diensttijd valt

    • a. indien het vaartuig in de dagvaart wordt geëxploiteerd: tussen 06.00 en 20.00 uur,

    • b. indien het vaartuig in de semi-continuvaart wordt geëxploiteerd: tussen 05.00 en 23.00 uur,

    • c. indien het vaartuig in de continuvaart wordt geëxploiteerd: tussen 00.00 en 24.00 uur.

Artikel 3.2 Overwerk

Buiten de diensttijd gewerkte uren worden vergoed tegen het tarief overwerk systeemvaart.

Dit overwerktarief is vermeld in de bij deze regeling behorende loontabellen.

Artikel 3.3 Vrije tijd

Bij systeemvaart worden alle aanspraken op vrije tijd geacht te zijn inbegrepen in de vrije weken.

Artikel 3.4 Feestdagen

  • 1. Op Nieuwjaarsdag en de Kerstdagen hoeft niet gewerkt te worden.

  • Indien op deze dagen gewerkt wordt, worden alle gewerkte uren tussen 18.00 uur op de vorige dag en 06.00 uur op de volgende dag vergoed tegen het tarief overwerk systeemvaart en heeft de werknemer bovendien recht op een vergoeding niet genoten vrije dag.

  • 2. Op overige feestdagen wordt wel gewerkt.

  • Indien deze dagen niet op zaterdag of zondag vallen wordt over in de diensttijd gewerkte uren de toeslag zondag extra betaald.

  • Indien deze dagen op zaterdag vallen wordt over in de diensttijd gewerkte uren de toeslag zaterdag extra betaald.

Artikel 3.5 Aflossing

  • 1. De aflossing dient te geschieden op een vaste dag, niet zijnde zaterdag of zondag.

  • 2. Bij de aanvang van de dienst dient de werknemer in beginsel gebruik te maken van de eerste reisgelegenheid vanuit zijn woonplaats. Aan het einde van de dienst mag de werknemer in beginsel eerst van boord vertrekken na aankomst van het aflossende bemanningslid.

Artikel 3.6 Systeemtoeslag

  • 1. Aan de werknemer wordt een vaste systeemtoeslag betaald.

  • De systeemtoeslag omvat de vergoeding van in de diensttijd verricht overwerk alsmede toeslagen over gewerkte uren op zaterdagen en zondagen.

  • De systeemtoeslag bedraagt:

    • voor een systeem van 26 dienstweken op jaarbasis 22,9% van het loon,

    • voor een systeem van 25 dienstweken op jaarbasis 18,1% van het loon,

    • voor een systeem van 24 dienstweken op jaarbasis 13,3% van het loon.

  • 2. De systeemtoeslag wordt mede in aanmerking genomen bij de berekening van de vakantietoeslag.

Artikel 3.7 Continutoeslag

  • 1. Indien het vaartuig in de (semi-)continuvaart wordt geëxploiteerd ontvangt de werknemer per gewerkte dag een vaste continutoeslag zoals vermeld in de bij deze regeling behorende loontabellen.

  • 2. Bij wisseling van de exploitatiewijze van (semi-)continuvaart naar dagvaart geldt de continutoeslag als garantie tot het einde van de dienstweek.

HOOFDSTUK 4 GEMIDDELDE DIENSTTIJD

BEPALINGEN DIE IN AANVULLING OP HOOFDSTUK 1 GELDEN VOOR ARBEIDSVERHOUDINGEN DIE GEBASEERD ZIJN OP EEN EEN ROOSTER MET EEN GEMIDDELDE DAGELIJKSE DIENSTTIJD

Artikel 4.1 Dienstrooster

  • 1. De overeengekomen dagelijkse diensttijd geldt tussen werkgever en werknemer als gemiddelde, waarop de beloning is gebaseerd.

  • De gemiddelde diensttijd moet vooraf voor onbepaalde tijd dan wel voor tenminste een maand worden vastgesteld.

  • De dagelijkse diensttijd valt tussen 06.00 en 18.00 uur.

  • 2. Overeengekomen kan worden dat de dagelijkse diensttijd verschuifbaar is tussen 06.00 en 22.00 uur. Deze bepaling dient voor onbepaalde tijd dan wel voor tenminste een maand te worden vastgesteld. Alsdan heeft de werknemer recht op een onregelmatigheidstoeslag van 12% van het loon en moet de aanvang van de dagelijkse diensttijd steeds tenminste een dag van tevoren bekend gemaakt worden.

  • 3. Overeengekomen kan worden dat de dagelijkse diensttijd verschuifbaar is tussen 00.00 en 24.00 uur. Deze bepaling dient voor onbepaalde tijd dan wel voor tenminste een maand te worden vastgesteld. Alsdan heeft de werknemer recht op een onregelmatigheidstoeslag van 24% van het loon en moet de aanvang van de dagelijkse diensttijd steeds tenminste een dag van tevoren bekend gemaakt worden.

  • 4. Wijziging van de dagelijkse diensttijd of de verschuifbaarheid van de dagelijkse diensttijd vereist de instemming van de werknemer.

Artikel 4.2 Overwerk

  • 1. Buiten de dagelijkse diensttijd gewerkte uren worden vergoed:

    • tussen maandag 06.00 uur en zaterdag 06.00 uur tegen het tarief overwerk normaal,

    • tussen zaterdag 06.00 en 18.00 uur tegen het tarief overwerk zaterdag,

    • tussen zaterdag 18.00 uur en maandag 06.00 uur tegen het tarief overwerk zondag.

  • De overwerktarieven zijn vermeld in de bij deze regeling behorende loontabellen.

  • 2. Terzake van buiten de dagelijkse diensttijd gewerkte uren kan een gemiddelde worden overeengekomen, waarop de overwerkvergoeding is gebaseerd.

  • Het gemiddelde aantal overuren moet vooraf voor onbepaalde tijd dan wel voor tenminste een maand worden vastgesteld.

Artikel 4.3 Registratie van gewerkte uren

Indien beloning op basis van een gemiddelde dagelijkse diensttijd en een gemiddelde hoeveelheid overwerk is overeengekomen is de werkgever niet verplicht de gewerkte uren te registreren.

De werknemer heeft evenwel te allen tijde het recht om een door hem bijgehouden registratie van gewerkte uren maandelijks door de werkgever te laten beoordelen en ondertekenen.

Artikel 4.4 Vrije dagen en feestdagen

  • 1. Vrije dagen kunnen in overleg tussen werkgever en werknemer worden opgenomen.

  • 2. De werknemer heeft aanspraak op vrije dagen met behoud van loon voor de navolgende christelijke feestdagen, voor zover deze niet vallen op een zaterdag of zondag:

    • Nieuwjaarsdag;

    • Tweede Paasdag;

    • Hemelvaartsdag;

    • Tweede Pinksterdag;

    • beide Kerstdagen.

BIJLAGE I

WERKSTAATvan: t/m Schip:  
       
Werknemer:   Functie:  
  buiten de diensttijd gewerkte uren 
       
DatumDiensttijdoverwerktoeslagoverwerktoeslagoverwerk
  normaalzaterdagzaterdagzondagzondag
       
       
       
       
       
       
       
       
       
       
Handtekening werknemer:  Handtekening gezagvoerder:  
       

BIJLAGE II

LOONTABEL   5-DAAGSE WERKWEEK/GEMIDDELDE DIENSTTIJD5-DAAGSE WERK-WEEKSYSTEEMVAART 
MOTORVRACHT-Maand-Week-VergoedingToeslagToeslagOverwerk per uurContinutoeslag per dagOverwerkContinu-
SCHEPEN DATUM VAN INGANG:1 juli 2002loonloonniet geno-ten vrije dagZaterdag per uurZondag per uur en verg. reisuurNormaalZaterdagZondagNormaalZaterdagZondagper uurtoeslag per dag
KAPITEIN             
laadverm. meer dan 2500 ton1.847,25424,8584,975,3110,6212,3715,9319,1271,1391,6109,9414,3453,1
lengte meer dan 86 m1.811,99416,7483,355,2110,4212,1415,6318,7669,8189,87107,8714,0752,1
lengte 70-86 m1.774,29408,0781,615,110,211,8815,318,3668,3187,98105,5713,7751
lengte minder dan 70 m1.738,2399,7779,9559,9911,6414,9917,9866,9386,19103,3913,4949,95
              
SCHIPPER1.668,68383,7876,764,89,5911,1714,3917,2664,2382,7499,2512,9547,95
              
MACHINIST1.546,02355,5771,114,458,8910,3613,341659,5776,71921244,45
              
STUURMAN1.516,8348,8569,774,368,7210,1613,0815,758,4275,2190,2811,7743,6
              
VOLMATROOS/MATROOS-MOTORDRIJVER
leeftijd 23 jr. of ouder1.488,1342,2568,454,288,569,9712,8415,4157,3373,8388,6111,5642,8
leeftijd onder 23 jr.              
3 functiejaren1.421,93327,0365,414,098,189,5312,2714,7254,870,5584,6411,0440,9
2 functiejaren1.291,44297,0259,43,727,438,6611,1513,3749,864,1176,8810,0337,15
1 functiejaar1.160,9226753,43,346,687,7810,0212,0244,7457,6269,129,0233,4
geen functiejaren1.030,61237,0347,412,975,936,918,910,6739,7351,1861,358,0129,65
              
MATROOS              
leeftijd 23 jr. of ouder1.465,8337,1267,424,228,439,8212,6515,1756,4772,7487,2311,3842,15
leeftijd onder 23 jr:              
3 functiejaren1.277,62293,8458,773,687,358,5611,0313,2349,2263,4276,079,9236,75
2 functiejaren1.146,7263,7352,753,36,597,689,8911,8644,1656,8768,28,932,95
1 functiejaar1.016,21233,7246,742,925,846,88,7610,5139,150,3760,437,8829,2
geen functiejaren885,91203,7540,752,555,095,937,649,1634,143,9352,676,8725,45
              
LICHTMATROOS
leeftijd 23 jr. of ouder1.231,8284,2556,853,567,118,2810,6712,847,6161,3573,69,635,55
leeftijd 22 jr.1.047,05241,6548,333,026,047,049,0610,8740,4852,162,58,1530,2
leeftijd 21 jr.893,05206,141,222,585,1567,739,2734,544,4553,36,9525,75
leeftijd 20 jr.757,55174,834,962,194,375,096,567,8729,2737,7245,255,921,85
leeftijd 19 jr.646,7149,2529,851,873,734,355,66,7125,0132,238,585,0418,65
leeftijd 18 jr.560,45129,3525,871,623,233,764,855,8121,6227,8933,414,3616,15
leeftijd 17 jr.486,55112,322,461,412,813,274,225,0618,824,2729,13,7914,05
leeftijd 16 jr.424,9598,0519,611,232,452,853,684,4116,3921,1625,363,3112,25

LOONTABEL   5-DAAGSE WERKWEEK/GEMIDDELDE DIENSTTIJD5-DAAGSE WERK-WEEKSYSTEEMVAART 
MOTORTANK-Maand-Week-VergoedingToeslagToeslagOverwerk per uurContinutoeslag per dagOverwerkContinu-
SCHEPEN DATUM VAN INGANG:1 juli 2002loonloonniet geno-ten vrije dagZaterdag per uurZondag per uur en verg. reisuurNormaalZaterdagZondagNormaalZaterdagZondagper uurtoeslag per dag
KAPITEIN              
laadverm. meer dan 2.500 ton2.057,52473,2194,645,9211,8313,7817,7521,2979,24102,06122,4215,9759,15
lengte meer dan 86 m2.007,43461,6992,345,7711,5413,4417,3120,7777,2899,53119,4315,5857,7
lengte 70-86 m1.949,12448,2889,665,6111,2113,0616,8220,1875,196,72116,0415,1356,05
lengte 56-70 m1.890,77434,8686,975,4410,8712,6616,3119,5772,893,78112,5314,6754,35
lengte minder dan 56 m1.832,81421,5384,315,2710,5412,2815,8118,9770,6190,91109,0814,2352,7
              
SCHIPPER1.757,77404,2780,855,0610,1111,7815,1718,267,7487,23104,6513,6550,55
              
MACHINIST1.546,02355,5771,114,458,8910,3613,341659,5776,71921244,45
              
STUURMAN              
lengte meer dan 86 m1.596,76367,2473,454,599,1810,6913,7716,5261,4779,1894,9912,3945,9
lengte minder dan 86 m1.537,97353,7270,744,428,8410,313,2615,9159,2376,2591,4811,9344,2
              
VOLMATROOS/MATROOS-MOTORDRIJVER
leeftijd 23 jr. of ouder1.516,8348,8569,774,368,7210,1613,0815,758,4275,2190,2811,7743,6
leeftijd onder 23 jr.:              
3 functiejaren1.421,93327,0365,414,098,189,5312,2714,7254,870,5584,6411,0440,9
2 functiejaren1.291,44297,0259,43,727,438,6611,1513,3749,864,1176,8810,0337,15
1 functiejaar1.160,9226753,43,346,687,7810,0212,0244,7457,6269,129,0233,4
geen functiejaren1.030,61237,0347,412,975,936,918,910,6739,7351,1861,358,0129,65
MATROOS              
leeftijd 23 jr. of ouder1.495,32343,9168,784,38,610,0212,915,4857,6274,1889,0111,6143
leeftijd onder 23 jr.:              
3 functiejaren1.277,44293,858,763,687,358,5611,0313,2349,2263,4276,079,9236,75
2 functiejaren1.146,7263,7352,753,36,597,689,8911,8644,1656,8768,28,932,95
1 functiejaar1.016,21233,7246,742,925,846,88,7610,5139,150,3760,437,8829,2
geen functiejaren885,91203,7540,752,555,095,937,649,1634,143,9352,676,8725,45
              
LICHTMATROOS
leeftijd 23 jr. of ouder1.231,8284,2556,853,567,118,2810,6712,847,6161,3573,69,635,55
leeftijd 22 jr.1.047,05241,6548,333,026,047,049,0610,8740,4852,162,58,1530,2
leeftijd 21 jr.893,05206,141,222,585,1567,739,2734,544,4553,36,9525,75
leeftijd 20 jr.757,55174,834,962,194,375,096,567,8729,2737,7245,255,921,85
leeftijd 19 jr.646,7149,2529,851,873,734,355,66,7125,0132,238,585,0418,65
leeftijd 18 jr.560,45129,3525,871,623,233,764,855,8121,6227,8933,414,3616,15
leeftijd 17 jr.486,55112,322,461,412,813,274,225,0618,824,2729,13,7914,05
leeftijd 16 jr.424,9598,0519,611,232,452,853,684,4116,3921,1625,363,3112,25

LOONTABEL   5-DAAGSE WERKWEEK/GEMIDDELDE DIENSTTIJD5-DAAGSE WERK-WEEKSYSTEEMVAART  
SLEEPBOTENMaand-Week-VergoedingToeslagToeslagOverwerk per uurContinutoeslag per dagOverwerkContinu-
EN DUW-BOTEN DATUM VAN INGANG:1 juli 2002loonloonniet geno-ten vrije dagZaterdag per uurZondag per uur en verg. reisuurNormaalZaterdagZondagNormaalZaterdagZondagper uurtoeslag per dag
KAPITEIN              
motorverm. meer dan 1200 EPK2.014,47463,3192,665,7911,5813,4917,3720,8477,579 9,88119,8315,6357,9
motorverm. 900-1200 EPK1.941,86446,6189,325,5911,1713,0116,7620,1174,819 6,37115,6315,0855,85
motorverm. 600-900 EPK1.868,9429,8385,975,3810,7512,5216,1319,3571,9992 ,75111,2614,5153,75
motorverm. minder dan 600 EPK1.796,51413,1882,645,1710,3312,0315,518,5969,1789 ,13106,8913,9551,65
              
MACHINIST              
motorverm. meer dan 1200 EPK1.894,25435,6687,135,4510,8912,6916,3419,672,9793 ,96112,714,754,45
motorverm. 900-1200 EPK1.821,29418,8883,785,2410,4712,215,7118,8570,1590 ,33108,3914,1352,35
motorverm. minder dan 900 EPK1.749,29402,3280,465,0310,0611,7215,0918,1167,398 6,77104,1313,5850,3
              
SCHIPPER1.692,02389,1577,834,879,7311,3414,617,5165, 2183,95100,6813,1448,65
              
STUURMAN1.537,97353,7270,744,428,8410,313,2615,9159, 2376,2591,4811,9344,2
              
VOLMATROOS/MATROOS-MOTORDRIJVER
leeftijd 23 jr. of ouder1.480,89340,5968,124,268,519,9112,7715,3256,987 3,4388,0911,4942,55
leeftijd onder 23 jr.:              
3 functiejaren1.421,93327,0365,414,098,189,5312,2714,7254,870,5584,6411,0440,9
2 functiejaren1.291,44297,0259,43,727,438,6611,1513,374 9,864,1176,8810,0337,15
1 functiejaar1.160,9226753,43,346,687,7810,0212,0244,7457,6269,129,0233,4
geen functiejaren1.030,61237,0347,412,975,936,918,910,6739,7351,1861,358,0129,65
              
MATROOS              
leeftijd 23 jr. of ouder1.465,8337,1267,424,228,439,8212,6515,1756,4772,7487,2311,3842,15
leeftijd onder 23 jr.:              
3 functiejaren1.277,44293,858,763,687,358,5611,0313,2349,2263,4276,079,9236,75
2 functiejaren1.146,7263,7352,753,36,597,689,8911,8644,1656,8768,28,932,95
1 functiejaar1.016,21233,7246,742,925,846,88,7610,5139,150,3760,437,8829,2
geen functiejaren885,91203,7540,752,555,095,937,649,1634,143,9352,676,8725,45
              
LICHTMATROOS
leeftijd 23 jr. of ouder1.231,8284,2556,853,567,118,2810,6712,847,6161,3573,69,635,55
leeftijd 22 jr.1.047,05241,6548,333,026,047,049,0610,8740,4852,162,58,1530,2
leeftijd 21 jr.893,05206,141,222,585,1567,739,2734,544,4553,36,9525,75
leeftijd 20 jr.757,55174,834,962,194,375,096,567,8729,2737,7245,255,921,85
leeftijd 19 jr.646,7149,2529,851,873,734,355,66,7125,0132,238,585,0418,65
leeftijd 18 jr.560,45129,3525,871,623,233,764,855,8121,6227,8933,414,3616,15
leeftijd 17 jr.486,55112,322,461,412,813,274,225,0618,824,2729,13,7914,05
leeftijd 16 jr.424,9598,0519,611,232,452,853,684,4116,3921,1625,363,3112,25

BIJLAGE III STATUTEN STICHTING CAO BINNENSCHEEPVAART

Artikel 1 Naam en Zetel

  • 1. De stichting draagt de naam: „Stichting CAO Binnenscheepvaart", afgekort SCB, verder te noemen: de Stichting.

  • 2. De Stichting heeft haar zetel te Amsterdam.

Artikel 2 Doel

De Stichting heeft ten doel, ten behoeve van (alle werkgevers en werknemers in) de bedrijfstak:

  • a. het bevorderen van het naleven van de collectieve arbeidsovereenkomst „CAO voor de Binnenscheepvaart", verder te noemen: de cao, door middel van controle en voorlichting;

  • b. het bevorderen van de opleiding en ontwikkeling van werknemers en werkgevers in de bedrijfstak;

  • c. het bevorderen van een goed functionerende sectorale arbeidsmarkt;

  • d. het innen en beheren van gelden die voor de verwezenlijking van deze doeleinden bestemd zijn.

Artikel 3 Verwezenlijking van het doel

De Stichting tracht haar doel te bereiken door:

  • 1. het geven van voorlichting over de bepalingen van de cao;

  • 2. het doen van onderzoek, hetzij rechtstreeks, hetzij door middel van enquêtes, gericht op de naleving van de cao, in individuele bedrijven;

  • 3. het opleggen van boete(s) en/of van de verplichting tot betaling van een schadevergoeding aan werkgevers conform het bepaalde in het reglement naleving cao voor de Binnenscheepvaart;

  • 4. het doen van onderzoek, gericht op verbetering van de toepasbaarheid van de cao;

  • 5. het namens de bij de cao betrokken partijen instellen van vorderingen tot schadevergoeding als bedoeld in artikel 15 van de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst en artikel 3, vierde lid van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten;

  • 6. het toekennen van subsidies aan instellingen/rechtspersonen die projecten als bedoeld in de in artikel 2, onder b, vermelde doelstelling verrichten, waaronder in ieder geval wordt begrepen:

    • het opzetten en organiseren van opleidingen en/of cursussen die gericht zijn op het bijhouden of verbreden dan wel verdiepen van kennis en/of vaardigheden van de werknemers en werkgevers die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van zijn huidige en/of toekomstige functie;

    • activiteiten en projecten ter stimulering van opleiding en ontwikkeling van jeugdigen en anderen in de bedrijfstak;

Artikel 3A Werkwijze

  • 1. De aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 3, sub 6 dienen schriftelijk bij het bestuur te worden ingediend. Bij de aanvragen dient een begroting betreffende de besteding van de aangevraagde gelden te worden meegezonden. Deze begroting dient te zijn gespecificeerd overeenkomstig het in artikel 2, onder b genoemde bestedingsdoel respectievelijk de in artikel 3, sub 6 genoemde activiteiten. De toewijzing der gelden als bedoeld in artikel 3, sub 6 geschiedt telkens voor één jaar. Voorts moet jaarlijks aan het bestuur verantwoording omtrent de besteding van de ontvangen gelden als bedoeld in artikel 3, sub 6 worden afgelegd. De gesubsidieerde instelling dient daarbij een door een registeraccountant of accountant-administratieconsulent met certificerende bevoegdheid gecontroleerde verklaring te overleggen over de besteding van de ontvangen gelden. De verklaring moet zijn gespecificeerd overeenkomstig het in artikel 2, sub b genoemde bestedingsdoel respectievelijk de in artikel 3, sub 6 genoemde activiteiten en maakt integraal onderdeel uit van het in artikel 12, tweede lid, genoemde verslag.

  • 2. Het bestuur is bevoegd nadere voorschriften te geven waaraan de bij de subsidieaanvraag mee te zenden begroting c.q. de schriftelijke verantwoording dient te voldoen.

  • 3. Tegen beslissingen van het bestuur omtrent de subsidieaanvraag kan geen beroep worden ingesteld, een en ander laat onverlet de mogelijkheid een nieuwe aanvraag in te dienen.

Artikel 4 Geldmiddelen

  • 1. De geldmiddelen van de Stichting bestaan uit:

    • a. de door werkgevers en werknemers betaalde en door werkgevers te storten bijdragen als bepaald in artikel 4 van de cao;

    • b. eventuele overheidssubsidies;

    • c. eventuele schadevergoedingen, betaald na het door de Stichting namens de bij de cao betrokken partijen instellen van vorderingen tot schadevergoeding als bedoeld in artikel 15 van de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst en artikel 3, vierde lid van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten;

    • d. eventuele door toepassing van het bepaalde in artikel 4, lid 4 van de cao verkregen bedragen;

    • e. andere baten.

  • 2. Erfstellingen kunnen slechts worden aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving.

  • 3. De werkgever is gerechtigd bij iedere loonbetaling een in de cao vastgelegd percentage van de bijdrage in te houden op het loon van de werknemer.

Artikel 5 Bestuur

  • 1. Het bestuur van de Stichting bestaat uit zes leden. Drie leden worden benoemd door de werkgeversorganisaties (te weten, de Vereniging Centraal Bureau voor de Rijn- en Binnenvaart, gevestigd te Rotterdam, de Vereniging van Sleep- en Duwbooteigenaren „Rijn en IJssel", gevestigd te Rotterdam, de Vereniging Nederlandsch Binnenvaartbureau, gevestigd te 's-Gravenhage en de Vereniging Christelijke Bond van Ondernemers in de Binnenvaart, gevestigd te Rotterdam) en drie leden door de Werknemersorganisaties (te weten: FNV Bondgenoten, gevestigd te Amsterdam en CNV BedrijvenBond, gevestigd te Houten). De werkgevers- respectievelijk de werknemersorganisaties zullen de door hen benoemde drie leden gezamenlijk en in onderling overleg aanwijzen.

  • 2. De organisaties wijzen voor elk lid dat zij hebben aangewezen een plaatsvervanger aan, die bij ontstentenis of verhindering van dat lid diens plaats inneemt. Een plaatsvervangend lid dat benoemd is door een werkgeversorganisatie kan echter ook een ander lid van het bestuur vervangen dan degene wiens plaatsvervanger hij is. Omgekeerd kan ook een plaatsvervangend lid dat benoemd is door een werknemersorganisatie een ander lid van het bestuur vervangen dan degene wiens plaatsvervanger hij is, met dien verstande dat plaatsvervangers die door een werkgeversorganisatie zijn benoemd slechts bestuursleden kunnen vervangen die door een werkgeversorganisatie zijn benoemd, terwijl plaatsvervangers die door een werknemersorganisatie zijn benoemd slechts bestuursleden kunnen vervangen die door een werknemersorganisatie zijn benoemd.

  • 3. De leden en plaatsvervangende leden worden benoemd voor een periode van drie jaar. Men is terstond herbenoembaar. Bij tussentijdse beëindiging van het (plaatsvervangend) bestuurslidmaatschap wordt de opvolger voor de resterende periode benoemd. De organisaties hebben het recht de door hen benoemde leden en plaatsvervangende leden te vervangen door anderen.

  • 4. Het (plaatsvervangend) bestuurslidmaatschap eindigt:

    • a. door opzeggen dan wel door het overlijden van het bestuurslid;

    • b. door het intrekken der benoeming door de organisaties, die de vertegenwoordiger hebben benoemd.

Artikel 6 Bevoegdheden van het bestuur

  • 1. Het bestuur kiest uit zijn midden een voorzitter, een secretaris, een plaatsvervangend voorzitter en een plaatsvervangend secretaris. De functies van de voorzitter en plaatsvervangend voorzitter worden in de even kalenderjaren vervuld door een werknemerslid en in de oneven kalenderjaren door een werkgeverslid. Omgekeerd worden de functies van secretaris en plaatsvervangend secretaris in de oneven kalenderjaren vervuld door een werknemerslid en in de even kalenderjaren door een werkgeverslid.

  • 2. Het bestuur is belast met het besturen van de Stichting en het beheer van haar vermogen; het bestuur is bevoegd om, met inachtneming van het in deze statuten bepaalde, over het vermogen van de Stichting te beschikken.

  • 3. Het bestuur beslist in alle zaken, waarin de beslissing niet is opgedragen of gedelegeerd aan anderen.

  • 4. Het bestuur is bevoegd tot het verrichten van alle rechtshandelingen, daaronder met name begrepen die bedoeld in artikel 2:291, lid 2 van het Burgerlijk Wetboek.

  • 5. De Stichting wordt vertegenwoordigd door het bestuur danwel de voorzitter en de secretaris gezamenlijk.

  • 6. Het bestuur kan besluiten één of meer der bestuursleden, alsook derden, volmacht te verlenen om de Stichting binnen de grenzen van die volmacht te vertegenwoordigen.

Artikel 7 Bestuursvergaderingen

  • 1. Het bestuur vergadert zo dikwijls de voorzitter het nodig oordeelt of ten minste twee bestuursleden daartoe de wens te kennen geven.

  • 2. De wijze en termijn van oproeping worden bij bestuursbesluit geregeld.

  • 3. De leden en plaatsvervangende leden van het bestuur ontvangen voor elke door hen bijgewoonde vergadering van het bestuur een door het bestuur vast te stellen vacatiegeld. Reis- en verblijfskosten, door de leden en plaatsvervangende leden van het bestuur in hun functie gemaakt, worden vergoed.

Artikel 8 Besluitvorming

  • 1. Het bestuur kan slechts geldige besluiten nemen in vergaderingen, waarin ten minste drie leden aanwezig zijn, waarvan ten minste één lid dat is benoemd door een werkgeversorganisatie en één lid dat is benoemd door een werknemersorganisatie.

  • 2. De leden van het bestuur hebben in vergaderingen van het bestuur ieder één stem, indien de aantallen der ter vergadering aanwezige werkgeversleden en werknemersleden even groot zijn. Is dit niet het geval, dan brengt ieder van de werkgevers-, respectievelijk van de werknemersleden van het bestuur evenveel stemmen uit als er leden van de andere groep aanwezig zijn.

  • 3. Voor de totstandkoming van een besluit bij stemming is, tenzij bij deze statuten anders is bepaald, de meerderheid vereist van het aantal uitgebrachte stemmen.

  • 4. Stemming over zaken geschiedt mondeling. Bij de bepaling van de stemmenmeerderheid worden zij die zich van stemming onthouden geacht tegengestemd te hebben.

  • 5. Stemming over personen geschiedt schriftelijk. Bij de bepaling van de stemmenmeerderheid blijven blanco stemmen en stemmen van onwaarde buiten beschouwing.

  • 6. Indien een voorstel zaken betreft, wordt dat voorstel bij staking van stemmen als verworpen beschouwd.

  • 7. Indien bij stemmen over personen bij eerste stemming geen meerderheid wordt verkregen, zal een herstemming plaatsvinden tussen de twee personen die bij de eerste stemming de meeste stemmen hebben verworven. Staken de stemmen, dan beslist het lot.

  • 8. In afwijking van het bepaalde in de voorgaande leden kan besluitvorming door het bestuur ook schriftelijk tot stand komen, mits alle bestuursleden hun stem uitbrengen. Het bepaalde in lid 3 is daarbij van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat bij staking van stemmen het voorstel in de eerstkomende vergadering aan de orde wordt gesteld.

Artikel 9 Administrateur

Het administratief en geldelijk beheer wordt onder toezicht en verantwoordelijkheid van het bestuur gevoerd door een daarvoor door het bestuur aan te wijzen administrateur. Als administrateur treedt op PVF Nederland N.V. gevestigd te Amsterdam. De kosten van dit beheer komen voor rekening van de Stichting.

Artikel 10 Begroting

  • 1. Het bestuur stelt jaarlijks uiterlijk in oktober een begroting van inkomsten en uitgaven van de Stichting voor het eerstvolgende boekjaar vast. Deze begroting is gespecificeerd overeenkomstig de in de artikelen 2 en 3 genoemde bestedingsdoelen respectievelijk activiteiten. De begroting is beschikbaar voor de bij de Stichting betrokken (organisaties van) werkgevers en werknemers.

  • 2. De begroting van inkomsten vermeldt in elk geval de geraamde opbrengst van de bijdragen, bedoeld in artikel 4, lid 1, sub a.

  • 3. De begroting van uitgaven vermeldt in elk geval ramingen terzake van:

    • a. de kosten van de Stichting;

    • b. de kosten van inning van de bijdragen, bedoeld in artikel 4, lid 1, sub a;

    • c. de bekostiging van het doel, genoemd in artikel 2, lid 1, onder b.

Artikel 11 Jaarstukken

  • 1. Het boekjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

  • 2. Jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar stelt het bestuur een door een registeraccountant of een accountant-administratieconsulent met certificerende bevoegdheid gecontroleerde balans, rekening van baten en lasten en verslag over de toestand van de Stichting vast. Het verslag moet overeenkomstig de in de artikelen 2 en 3 genoemde bestedingsdoelen respectievelijk activiteiten zijn gespecificeerd. Uit het verslag en de accountantsverklaring moet blijken dat de uitgaven conform de bestedingsdoelen zijn gedaan. Ten blijke van de vaststelling worden deze stukken door de voorzitter en de secretaris ondertekend.

  • 3. Het bestuur legt in het verslag rekenschap af van het gevoerde beleid.

  • 4. Het verslag en de accountantsverklaring worden ter inzage van de bij de Stichting betrokken (organisaties van) werkgevers en werknemers neergelegd:

    • a. ten kantore van de administrateur;

    • b. op één of meer door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan te wijzen plaatsen.

  • 5. Het verslag en de accountantsverklaring worden op aanvraag toegezonden aan de bij de Stichting betrokken (organisaties van) werkgevers of werknemers tegen vergoeding van de daaraan verbonden kosten.

Artikel 12 Inning van de bijdrage

  • 1. De methode van de inning en administratie worden geregeld bij bestuursbesluit.

  • 2. Tot gerechtelijke invordering van de bijdragen wordt niet overgegaan dan krachtens besluit van het bestuur.

  • 3. Het bestuur verstrekt aan de bij de Stichting betrokken werkgevers- en werknemersorganisaties alle gewenste, met de inning verband houdende, inlichtingen.

Artikel 13 Besteding en beheer van geldmiddelen

  • 1. Voor zover gelden van de Stichting voor belegging beschikbaar zijn, worden deze gelden door het bestuur belegd met inachtneming van in redelijkheid daaraan te stellen eisen van liquiditeit, rendement en risicoverdeling.

  • 2. Gerede gelden worden in rekening-courant gestort bij de administrateur. De titels betreffende geldleningen op onderhandse schuldbekentenis worden bewaard in de kluis van de administrateur.

  • 3. Effecten en andere geldswaardige papieren worden zoveel mogelijk in bewaring gegeven bij algemene handelsbanken.

Artikel 14 Statutenwijziging en ontbinding

  • 1. Een besluit tot wijziging van de statuten respectievelijk ontbinding van de Stichting kan slechts worden genomen met algemene stemmen in een vergadering waarin ten minste twee/derde der bestuursleden aanwezig is.

  • 2. Het ontbindingsbesluit duidt tevens de bestemming van een eventueel batig saldo van de vereffening aan. Deze bestemming zal zoveel mogelijk in overeenstemming zijn met het doel van de Stichting.

  • 3. Een besluit tot ontbinding van de Stichting treedt niet eerder in werking dan nadat één maand is verstreken sinds de dag waarop het voorstel tot ontbinding door het bestuur is goedgekeurd en is toegezonden aan de organisaties betrokken bij de Stichting.

  • 4. De Stichting wordt bovendien ontbonden door haar insolventie, nadat zij in staat van faillissement is verklaard of door opheffing van het faillissement wegens de toestand van de boedel, zomede door rechterlijke uitspraak in de bij de wet genoemde gevallen.

Artikel 15 Reglement

  • 1. Het bestuur kan voor de uitvoering van zijn taak één of meer reglementen vaststellen. De bepalingen hiervan mogen niet in strijd zijn met deze statuten of met de cao.

  • 2. Besluiten tot vaststelling of wijziging van een reglement kunnen slechts worden genomen met algemene stemmen in een bestuursvergadering waarin ten minste twee/derde der bestuursleden aanwezig is.

Artikel 16 Deponering ter griffie

De in statuten en reglementen aangebrachte wijzigingen zullen eerst in werking treden als een volledig exemplaar van de statuten en het reglement alsmede van de wijzigingen daarin, door het bestuur ondertekend voor een ieder ter inzage is neergelegd ter griffie van het Kantongerecht te Amsterdam.

Artikel 17 Vereffening

  • 1. De vereffening geschiedt door het bestuur. Het bestuur bepaalt de bestemming van een eventueel overschot na vereffening van de Stichting, op de wijze als in artikel 9 voorzien.

  • 2. De Stichting blijft na haar ontbinding voortbestaan, indien en voor zover dit voor de vereffening van haar zaken nodig is.

  • 3. Gedurende de vereffening blijven de bepalingen van de statuten voor zover mogelijk en nodig van kracht.

Artikel 18 Slotbepalingen

In alle gevallen waarin de statuten of reglementen van de Stichting niet voorzien beslist het bestuur.

BIJLAGE IV REGLEMENT NALEVING CAO VOOR DE BINNENSCHEEPVAART STICHTING CAO BINNENSCHEEPVAART

Artikel 1 Definities

In dit reglement wordt verstaan onder:

  • a. stichting: de Stichting CAO Binnenscheepvaart;

  • b. werkgever: de werkgever als bedoeld in artikel 1, onder A van de cao;

  • c. werknemer: de werknemer als bedoeld in artikel 1, onder B van de cao;

  • d. binnenscheepvaart: de binnenscheepvaart als bedoeld in artikel 1, onder C van de cao;

  • e. cao: de CAO voor de Binnenscheepvaart;

  • f. administrateur: de naamloze vennootschap PVF Nederland N.V., gevestigd te Amsterdam.

Artikel 2 Informatieplicht

  • 1. De werkgever en de werknemer zijn verplicht op de door de stichting te bepalen wijzen en tijdstippen de inlichtingen en bescheiden te verstrekken die de stichting met het oog op het bevorderen van het naleven van de cao redelijkerwijs noodzakelijk acht.

  • 2. Indien de werkgever of de werknemer de te verschaffen gegevens met betrekking tot de wijze waarop zij de cao naleven, niet verstrekken of indien de verstrekte gegevens onjuist of onvolledig blijken te zijn, zal de werkgever door of namens de stichting in gebreke worden gesteld.

  • 3. Indien de werkgever gedurende ten minste 14 dagen na ingebrekestelling nalatig blijft de vanwege de stichting verzochte inlichtingen en/of bescheiden te verstrekken dan wel de onjuist of onvolledig verstrekte inlichtingen te corrigeren, is hij de conform artikel 4 vast te stellen boete(s) verschuldigd aan de stichting en zal hij zonodig in rechte worden aangesproken tot betaling van de verschuldigde boete(s) aan de stichting.

Artikel 3 Nalevingsplicht

  • 1. De werkgever is verplicht de bepalingen van de cao na te leven.

  • 2. De niet-naleving van de bepalingen van de cao is onderverdeeld in twee categorieën, categorie A en categorie B. Conform de bij dit reglement gevoegde bijlage die deel uitmaakt van dit reglement, omvat categorie A de eerstegraads overtredingen en categorie B de tweedegraads overtredingen.

  • 3. Indien de werkgever de bepalingen van de cao naar het oordeel van de stichting niet blijkt na te leven, zal de werkgever door of namens de stichting in gebreke worden gesteld.

  • 4. Indien de werkgever 14 dagen na ingebrekestelling nog steeds nalatig is gebleven de geconstateerde schending van de cao-bepalingen te herstellen, is hij de conform artikel 4 vast te stellen schadevergoeding(en) verschuldigd aan de stichting en zal hij zonodig in rechte worden aangesproken tot betaling van de verschuldigde schadevergoeding(en) aan de stichting.[3]

Artikel 4 Schadevergoeding

  • 1. De boete voor het niet verstrekken van gegevens als bedoeld in artikel 2 bedraagt € 1.134,45 per week dat de werkgever in verzuim is.

  • 2. De boete voor het niet volledig verstrekken van gegevens als bedoeld in artikel 2 bedraagt € 1.134,45 per week dat de werkgever in verzuim is.

  • 3. De boete voor het onjuist verstrekken van gegevens als bedoeld in artikel 2 bedraagt € 1.134,45 per week dat de werkgever in verzuim is.

  • 4. De te vorderen schadevergoeding voor het niet naleven van een cao-bepaling die behoort tot categorie A zal minimaal 0,2 % en maximaal 2 % van de loonsom van de onderneming van de werkgever bedragen over de periode dat de werkgever in verzuim is.

  • Bij de vaststelling van het schadevergoedingspercentage wordt rekening gehouden met de aard, de omvang en de duur van de niet naleving en kan rekening worden gehouden met de mate waarin de werkgever alsnog achterstallige verplichtingen jegens zijn personeel nakomt dan wel zekerheid stelt voor een correcte naleving van de cao.

  • Het bedrag van de op deze wijze vast te stellen schadevergoeding bedraagt per geconstateerde overtreding minimaal € 1.134,45 en maximaal € 22.689,–.

  • 5. De te vorderen schadevergoeding voor het niet naleven van een cao-bepaling die behoort tot categorie B zal minimaal 0,1 % en maximaal 1 % van de loonsom van de onderneming van de werkgever bedragen over de periode dat de werkgever in verzuim is.

  • Bij de vaststelling van het schadevergoedingspercentage wordt rekening gehouden met de aard, de omvang en de duur van de niet naleving en kan rekening gehouden worden met de mate waarin de werkgever alsnog achterstallige verplichtingen jegens zijn personeel nakomt dan wel zekerheid stelt voor een correcte naleving van de cao.

  • Het bedrag van de op deze wijze vast te stellen schadevergoeding bedraagt per geconstateerde overtreding minimaal € 567,23 en maximaal € 11.344,51.

  • 6. De aard van de overtreding alsmede de hoogte van de boete c.q. de schadevergoeding wordt door de administrateur namens de stichting vastgesteld, overeenkomstig door het bestuur vast te stellen richtlijnen.

  • 7. De administrateur int namens de stichting de door de werkgever verschuldigde boete(s) en schadevergoeding(en).

  • 8. De administrateur stelt namens de stichting de vorderingen in tot schadevergoeding als bedoeld in artikel 15 van de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst en artikel 3, lid 4, van de Wet op het algemeen verbindend en onverbindend verklaren van collectieve arbeidsovereenkomsten.

  • 9. De werkgever is gehouden alle door de administrateur gemaakte kosten, waaronder de buitengerechtelijke invorderingskosten welke worden gesteld op 15% van het verschuldigde bedrag met een minimum van € 50,– te vergoeden.

  • 10. De geïncasseerde bedragen worden toegevoegd aan de geldmiddelen van de stichting.

Artikel 5 Bijdrage

  • 1. De bijdrage als bedoeld in artikel 4 van de cao is een percentage van het loon van de onderneming van de werkgever dat voor het betreffende kalenderjaar geldt als basis voor de premieheffing voor de Werkloosheidswet. De werkgever is de totale bijdrage verschuldigd aan het fonds. De werkgever is gerechtigd bij de loonbetalingen het werknemersaandeel in de bijdrage op het loon van de werknemer in te houden overeenkomstig het daaromtrent in artikel 4 van de cao bepaalde.

  • 2. De werkgever is verplicht aan de stichting – op door de stichting vast te stellen wijze en tijdstippen – de gegevens te verstrekken welke naar het oordeel van de stichting nodig zijn ter berekening van de verschuldigde bijdrage en het te vorderen voorschot. Indien de werkgever niet, niet tijdig of onvolledig de benodigde gegevens aan de stichting verstrekt, is de stichting bevoegd de hoogte van de bijdrage of het voorschot naar beste weten zelf vast te stellen. De kosten van het vergaren en verstrekken van de door de stichting gewenste informatie komen voor rekening van werkgever.

  • 3. De werkgever is verplicht de door hem volgens de cao verschuldigde bijdrage te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van de desbetreffende nota van stichting. De stichting is bevoegd van de werkgever te vorderen, dat deze op door de stichting vast te stellen tijdstippen en tot door de stichting te bepalen bedragen voorschotten op de verschuldigde bijdrage aan de stichting zal betalen. Bij niet tijdige betaling van de voorschottermijn wordt het gehele resterende bedrag van de voorschotnota direct opeisbaar.

  • 4. Bij niet tijdige betaling van de verschuldigde bijdrage of het van hem gevorderde voorschot is de werkgever door het enkele verloop van de termijn in verzuim. De stichting is dan bevoegd te vorderen:

    • rente over het verschuldigde bedrag vanaf de dag volgend op de dag dat het verschuldigde bedrag betaald had moeten zijn en

    • vergoeding van de buitengerechtelijke invorderingskosten zoals bedoeld in artikel 6: 96, lid 2, sub c, van het Burgerlijk Wetboek, onverminderd de overige kosten van vervolging volgens de wet.

  • De rente wordt berekend naar het percentage van de wettelijke rente als bedoeld in de artikelen 6:119 en 6:120 van het Burgerlijk Wetboek. De buitengerechtelijke invorderingskosten worden gesteld op 15% van het verschuldigde bedrag, met een minimum van € 50,–.

BIJLAGE V STICHTING CAO BINNENSCHEEPVAART

BIJLAGE BIJ HET REGLEMENT NALEVING CAO VOOR DE BINNENSCHEEPVAART Categorie A. Eerstegraads overtredingen

Algemeen

  • 1. Registratie van tijdstip van aanvang en beëindiging van de werkzaamheden (model). Ontvangst van kopie.

Uitreiken van loonspecificatie.

  • 2. Minimaal het loon behorend bij de functie

  • 3. Aanvullen loon tijdens ziekte tot 80%

5-daagse werkweek

  • 4. Verstrekken van atv-dagen

  • 5. Verstrekken van vrije dagen bij werken op zaterdag en zondag en betalen van toeslagen

  • 6. Betalen van juiste overwerktarief en continutoeslag

Systeemvaart

  • 7. Diensttijd in ten hoogste 26 dienstweken die in beginsel telkens worden afgewisseld door vrije weken

  • 8. Toepassen van de juiste overwerkvergoeding, systeemtoeslag en continutoeslag

Categorie B. Tweedegraads overtredingen

Algemeen

  • 1. Uitreiken van jaaropgave

  • 2. Betaling van vakantietoeslag in mei

  • 3. Betalen vergoeding wachten, reiskosten, kleine kosten bij reizen, menagegeld

  • 4. Toepassen kort verzuim

5-daagse werkweek

  • 5. Toepassing van vrije dagen op zo'n wijze dat ze thuis te genieten zijn

  • 6. Christelijke feestdagen zijn vrije dagen met behoud van loon

Systeemvaart

  • 7. Kerstdagen en nieuwjaarsdag vrij

  • 8. Vaste aflosdag door de week

II. Het is de werkgever toegestaan om in het kader van een verzoek om ontheffing als bedoeld in artikel 8, derde lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945, af te wijken van de onder I opgenomen bepaling(en) houdende een mutatie van het loon voorzover de onverkorte toepassing van die bepaling(en) de verlening van een ontheffing in de weg zou staan om reden dat de personeelskosten van de betrokken onderneming onvoldoende zijn gematigd.

III. Indien en voor zover de onder I opgenomen bepalingen strijdig zijn met bij of krachtens de wet gestelde of te stellen regelen, prevaleren deze regelen.

IV. Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na die van publicatie in de Staatscourant en heeft geen terugwerkende kracht.

V. Dit besluit wordt gepubliceerd door plaatsing in een bijvoegsel bij de Staatscourant.

's-Gravenhage, 15 november 2002

P. B. Koster.


XNoot
1

Dit is niet AVV.

Naar boven