Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire TBV 2002/48

Aan:

- de Korpschefs Politieregio's

- de Korpsbeheerders Politieregio's

- de Bevelhebber der Koninklijke Marechaussee

i.a.a:

- de Procureurs-Generaal

Onderdeel: Stafdirectie Uitvoeringsbeleid

Datum: 19 november 2002

Kenmerk: HKUIT02/4067

Code: TBV 2002/48

Juridische achtergrond: Vc C3/13, C5/21; Rva

Geldigheidsduur: Een jaar ingaand twee dagen na publicatie in de Staatscourant

Onderwerp: Opvang Dublinclaimanten

Inleiding

Op grond van de capacitaire nood in de opvang was met ingang van 9 oktober 1998 bepaald dat vreemdelingen die hier te lande een asielaanvraag indienen en ten aanzien van wie een verzoek tot overdracht aan een andere staat uit hoofde van de Overeenkomst van Dublin is of zal worden gericht (de zogenaamde Dublinclaimanten) werden uitgesloten van opvang op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 1997 (Rva 1997). Sindsdien is bij herhaling toegezegd weer tot de opvang van Dublinclaimanten over te gaan zodra de capacitaire noodsituatie structureel ten einde is. Tijdens het Algemeen Overleg in de Tweede Kamer van 9 april 2002 is een motie ingediend inzake het weer opvangen van Dublinclaimanten in de vrijgekomen opvangcapaciteit in de tijdelijke noodvoorzieningen (TNV). Op 24 april jongstleden heeft de Kamer deze motie aangenomen.

Los daarvan heeft de Raad van Ministers van de Europese Unie tijdens de JBZ-raad van 13 en 14 juni 2002 de Richtlijn inzake minimumnormen voor de opvang van asielzoekers aangenomen. Deze richtlijn voorziet niet in de mogelijkheid om aan Dublinclaimanten opvang te onthouden.

Naar aanleiding hiervan heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie per brief van 21 oktober 2002 de Tweede Kamer geïnformeerd dat het kabinet heeft besloten uitvoering aan deze motie te geven door aan vreemdelingen ten aanzien van wie een Dublinclaim wordt onderkend, opvang te verlenen. De opvang wordt geboden gedurende de periode waarin het verzoek tot overdracht in behandeling is. De opvang wordt voortgezet indien betrokkene beroep heeft aangetekend tegen de afwijzende (Dublin)beschikking indien en voor zover dit beroep in Nederland mag worden afgewacht.

In de brief heeft de Minister aangegeven dat in overleg met de IND en het COA zou worden bezien op welke wijze de opvang praktisch vorm wordt gegeven. Verder heeft de Minister aangegeven dat deze beleidswijziging in werking treedt met ingang van de inwerkingtreding van dit TBV, voor die vreemdelingen wier aanvraag op of na de datum van inwerkingtreding in het AC wordt behandeld. Met ingang van die datum komen tevens voor opvang in aanmerking Dublinclaimanten die de Dublinprocedure in Nederland mogen afwachten en aan wie voor de inwerkingstredingsdatum opvang is onthouden als gevolg van de onderkende claimmogelijkheid. Aan de aanspraak op opvang wordt geen terugwerkende kracht verleend in gevallen waarin voor de datum van inwerkingtreding van het vernieuwde beleid opvang is onthouden.

Het kabinet heeft besloten uitvoering aan deze motie te geven door aan Dublinclaimanten opvang te verlenen op grond van de Rva 1997, en hen niet onder te brengen in TNV's. Om redenen van praktische en uitvoeringstechnische aard is besloten deze opvang te bieden in reguliere opvangvoorzieningen, en Dublinclaimanten verstrekkingen te bieden op grond van de Rva 1997. Uitgangspunt is dat Dublinclaimanten worden opgevangen in daartoe door het COA aangewezen centra, in het belang van een doelgerichte uitvoering van de Overeenkomst van Dublin. Deze aangewezen centra onderscheiden zich overigens qua verstrekkingen niet van andere centra.

Het herstel van het recht op opvang op grond van de Rva 1997 is neergelegd in de wijziging van Rva 1997, van dezelfde datum en inwerkingtreding als dit TBV. Bij deze wijziging komt artikel 2a Rva 1997 te vervallen.

Dit TBV is een uitwerking van bovengenoemde brief aan de Tweede Kamer. Allereerst zal het nieuwe beleid uiteen gezet worden, waarna de wijzigingen in de Vreemdelingencirculaire volgen.

Nieuw beleid

Nieuwe gevallen

Gevolg van het besluit om Dublinclaimanten weer tot de opvang toe te laten is dat vanaf de inwerkingtreding van dit TBV geen onderscheid meer wordt gemaakt in de aanmeldcentrumprocedure (AC-procedure) tussen Dublinclaimanten of andere asielzoekers voor wat betreft de opvang. Dit betekent dat de vreemdeling die hier te lande voor een asielaanvraag indient en ten aanzien van wie een verzoek tot overdracht aan een andere staat uit hoofde van de Overeenkomst van Dublin is of zal worden gericht (de zogenaamde Dublinclaimant), geen recht heeft op opvang indien de aanvraag binnen de Aanmeldcentrumprocedure kan worden afgewezen op artikel 30a Vreemdelingenwet, waaraan een binnen de AC-procedure gehonoreerd claimakkoord ten grondslag ligt.

Wanneer echter binnen de AC-procedure een claimmogelijkheid wordt onderkend en eventueel ook al een claim wordt gelegd, maar dit niet leidt tot een claimakkoord binnen de AC-procedure, kan de asielaanvraag niet binnen de AC-procedure worden afgewezen en volgt doorverwijzing naar de opvang, voor zover het de eerste asielaanvraag betreft. Indieners van een tweede of volgende asielaanvraag hebben ingevolgde artikel 4, lid 2 Rva 1997 geen recht op opvang. Opvang van Dublinclaimanten geschiedt in een door het COA daartoe aangewezen opvanglocatie.

Voor zover pas na de AC-procedure een claim wordt onderkend, zal niet langer aan het COA worden geadviseerd de opvang te beëindigen na het leggen van de claim. Het COA wordt nog wel geïnformeerd dat een claim is gelegd, waarna het COA de Dublinclaimant kan overplaatsen naar de door het COA daartoe aangewezen opvanglocatie. Dit betekent dat opvang behouden blijft tot en met de afwijzende beschikking of tot onmiddellijk na het verstrijken van de beroepstermijn. Wanneer echter binnen de beroepstermijn beroep wordt ingesteld, worden de rechtsgevolgen, waaronder begrepen de beëindiging van de opvang, opgeschort, behoudens de uitzonderingen genoemd in C4/17.3.1.

In gevallen van verblijf in het Grenshospitium wegens de Dublinclaim betekent dit dat in geval van opheffing van de maatregel ex artikel 6 Vw opvang wordt geboden in een opvanglocatie. De toegangsweigering ex artikel 3 Vw blijft bestaan, hoewel de feitelijke toegang is verschaft.

Oude gevallen

Voor zover vóór inwerkingtreding van de hier beschreven wijziging van de Rva opvang is onthouden of beëindigd wegens het voeren van een Dublinprocedure, geldt het volgende. De beslissing om geen opvang te bieden of die te beëindigen is genomen op de op dat moment geldende wet- en regelgeving. Aan de hier beschreven wijziging van de Rva, in werking getreden op 19 november 2002, is geen terugwerkende kracht toegekend. Een recht op opvang ontstaat derhalve vanaf de inwerkingtreding van de wijziging van de Rva waarbij artikel 2a Rva 1997 is vervallen, te weten op 21 november 2002. Het is aan de betrokken Dublinclaimant om kenbaar te maken dat hij van het recht op opvang gebruik wil maken. Vanaf 21 november 2002 kunnen Dublinclaimanten die geen opvang genieten en menen onder de werking van de Rva te vallen, zich voor opvang wenden tot de VD van het AC waar de meldplicht werd afgenomen. Aldaar wordt bekeken of betrokkene daadwerkelijk onder de Rva valt. Indien dat het geval is wordt de toegang tot de opvang geregeld. Dublinclaimanten hoeven dus niet te wachten tot hun eerstvolgende meldplicht om een beroep te doen op de opvangvoorzieningen. Zij kunnen zich onverwijld melden op het AC waar de meldplicht werd afgenomen. Aan het later melden dan de ingangsdatum van de wijziging van de Rva kunnen geen rechten ontleend worden. De procedure is als volgt:

Melding op AC

De Dublinclaimant dient zich te melden bij de VD op het AC waar de meldplicht wordt afgenomen. Om de administratieve verwerking zo goed mogelijk te kunnen realiseren, dient hij zich bij voorkeur te melden van maandag t/m vrijdag, tussen 9.00 en 17.00 uur. Indien sprake is van een gezin, dient het gehele gezin zich gezamenlijk en gelijktijdig te melden, zodat de gezamenlijke plaatsing van het gezin gegarandeerd kan worden.

Indien de Dublinclaimant zich meldt bij een ander dan het hiervoor beschreven AC, bij een andere Vreemdelingendienst of bijvoorbeeld rechtstreeks bij het COA, zal hij worden doorverwezen naar het AC waar de meldplicht werd afgenomen. Er kan alleen vaststelling van het recht op opvang plaatsvinden op het AC dat de meldplicht aan de Dublinclaimant afnam, omdat daar alle administratieve gegevens rond de verschillende procedures bekend zijn.

Beoordeling recht op opvang

De Vreemdelingendienst neemt contact op met het Dublinbureau van de IND ter vaststelling van de stand van de procedure en ter beoordeling van het recht op opvang. Of betrokkene op grond van de gewijzigde Rva 1997 een recht op opvang heeft, hangt af van de stand van de procedure, van de vraag of tijdig rechtsmiddelen zijn aangewend (zie hiertoe ook C3/16.3), en of het een eerste of volgende aanvraag betreft. Indieners van een tweede of volgende asielaanvraag hebben ingevolge artikel 4, lid 2 Rva geen recht op opvang. Wanneer het de eerste asielaanvraag betreft geldt het volgende:

- Als binnen de AC-procedure een (Dublin)beschikking is geslagen, bestaat geen recht op opvang, ook niet wanneer tijdig (dus binnen de beroepstermijn van een week) beroep is ingesteld. De beroepstermijn heeft immers in dat geval ingevolge artikel 82, tweede lid, onder a, Vreemdelingenwet geen opschortende werking, zodat de rechtsgevolgen als beschreven in artikel 45 Vreemdelingenwet onmiddellijk in werking treden. Daarnaast vallen aanvragen die in het AC zijn afgewezen niet onder de werking van de Rva 1997. Uiteraard kan betrokkene wel een voorlopige voorziening aanvragen.

- Indien niet binnen de AC-procedure een (Dublin)beschikking is geslagen en betrokkene nog in afwachting is van een beslissing, heeft betrokkene rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder f, Vreemdelingenwet en bestaat een recht op opvang ingevolge de Rva 1997.

- Als een beschikking is geslagen (binnen de OC-procedure), maar waarvan de vertrektermijn nog niet is verlopen, bestaat een recht op opvang. De rechtsgevolgen van de beschikking treden immers pas in werking na het verstrijken van de beroepstermijn. Ter informatie wordt de betrokkene er door de VD op gewezen wanneer de beroepstermijn afloopt. De algemene termijn voor het instellen van beroep tegen een beslissing die in de OC-procedure is genomen, is vier weken. Gedurende deze termijn heeft de vreemdeling rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder h, Vreemdelingenwet.

- Als een beschikking is geslagen en er zijn tijdig rechtsmiddelen tegen aangewend, bestaat er, hangende de uitspraak in beroep, een recht op opvang. De betrokkene verblijft dan rechtmatig in Nederland op grond van artikel 8, onder h, Vreemdelingenwet en de rechtsgevolgen van de afwijzende beschikking als beschreven in artikel 45 Vreemdelingenwet worden op grond van artikel 82, eerste lid, Vreemdelingenwet, opgeschort.

- Als een beschikking is geslagen en deze inmiddels in rechte onaantastbaar is geworden omdat de vreemdeling geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid beroep in te stellen, of omdat het ingestelde beroep is afgewezen, heeft betrokkene geen recht op opvang. De rechtsgevolgen als beschreven in artikel 45 Vreemdelingenwet treden dan in werking en worden niet langer opgeschort. De vreemdeling heeft dan niet langer rechtmatig verblijf.

- Dublinclaimanten die ingevolge artikel 3 Vreemdelingenwet de toegang tot Nederland en daarmee het gehele Schengengebied is geweigerd en aan wie een vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 6, eerste en tweede lid, Vreemdelingenwet is opgelegd, wachten de uitkomst van de claimprocedure af in het Grenshospitium, tenzij uit het Dublingehoor is gebleken dat er zwaarwegende persoonlijke omstandigheden aanwezig zijn die zich daartegen verzetten. In een dergelijk geval wordt de Dublinclaimant met een daartoe strekkend advies aangeboden bij het COA voor plaatsing in een opvanglocatie (voor Dublinclaimanten).

- Voor de categorie ex artikel 3 Vreemdelingenwet geweigerde Dublinclaimanten geldt verder dat de beroepstermijn evenzeer vier weken bedraagt, maar dat daaraan geen schorsing is verbonden ingevolge artikel 5 Vreemdelingenwet. De betrokkene dient een verzoek tot een voorlopige voorziening bij de voorzieningenrechter in te dienen om de beroepsprocedure te mogen afwachten. De betrokkene dient in het Grenshospitium te verblijven in afwachting van de uitkomst van deze procedure.

Indien recht op opvang

Indien aan de hand van het bovenstaande vaststaat dat betrokkene recht heeft op opvang, wordt de betrokkene door de Vreemdelingendienst doorverwezen naar de LAMP-medewerker van het COA op het AC. Het COA is verantwoordelijk voor de opvang en draagt zorg voor plaatsing in een opvanglocatie.

Indien geen recht op opvang (meer)

Indien vaststaat dat betrokkene inmiddels geen rechtmatig verblijf meer heeft en/of de finale vertrektermijn is verlopen, geldt het volgende.

Voor zover betrokkene voorzieningen genoot, worden deze beëindigd ingevolge en als omschreven in artikel 45, eerste lid onder c, Vreemdelingenwet.

De regeling voor inbewaringstelling van artikel 59, eerste lid, juncto tweede lid, Vreemdelingenwet kan van toepassing zijn. Onder `terugkeer' in de zin van artikel 59, tweede lid, Vreemdelingenwet kan ook begrepen worden het vertrek naar het land dat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag op grond van de Overeenkomst van Dublin. Ook in dat geval kan de vreemdeling op grond van artikel 59, tweede lid, Vreemdelingenwet in bewaring worden gesteld totdat de vreemdeling terugkeert naar het land dat de behandeling van de aanvraag zal overnemen. De bewaring blijft ingevolge artikel 59, derde lid, Vreemdelingenwet, achterwege indien de vreemdeling te kennen geeft Nederland te willen verlaten en hiertoe voor hem ook de gelegenheid bestaat. Wanneer sprake is van een geaccordeerde Dublinclaim bestaat die gelegenheid in ieder geval. Of betrokkene te kennen geeft of heeft gegeven Nederland te willen verlaten c.q. wil meewerken aan zijn overdracht aan het verantwoordelijke land, is mede af te leiden uit de vraag of hij zich gedurende de claimprocedure heeft gehouden aan de hem opgelegde meldplicht.

De Vreemdelingendienst, het COA en het verantwoordelijke Dublinbureau van de IND dat belast is met het regelen van de overdracht aan het verantwoordelijke Dublinland, informeren elkaar onderling van de stand van zaken.

De Vreemdelingencirculaire 2000 zal als volgt worden aangepast:

Wijziging van C3/12.13.5

Aan C3/12.13.5 wordt aan het eind van de tekst de volgende alinea toegevoegd:

`Voor de Dublinclaimant die in afwachting van zijn overdracht in het Grenshospitium verblijft geldt een beroepstermijn van vier weken. Deze termijn mag hij evenwel ingevolge artikel 5 Vreemdelingenwet van rechtswege niet afwachten. Binnen een termijn van 24 uur na uitreiking van de beschikking kan de vreemdeling de rechter verzoeken een voorlopige voorziening te treffen (zie C5/21.4).'

Wijziging van C3/13.1

De eerste paragraaf van C3/13.1 vervalt en komt als volgt te luiden:

`Bij indiening van een eerste asielaanvraag die niet binnen de aanmeldcentrumprocedure wordt afgehandeld, bestaat in beginsel recht op opvang. Dit geldt echter niet wanneer een tweede of volgende asielaanvraag is ingediend (zie C5/20).'

Wijziging van C5/21.2

C5/21.2 komt te vervallen

Wijziging van C5/21.3

C5/21.3 wordt vernummerd naar C5/21.2. De tekst van deze paragraaf vervalt en komst als volgt te luiden:

2 De Dublinprocedure wordt gestart in het Aanmeldcentrum

2.1 Onderzoek in het aanmeldcentrum

Na de verwijzing naar Artikelen 3.111 en 3.112 Vb vervalt de tekst en komt deze als volgt te luiden:

Indien in het aanmeldcentrum naar voren komt dat mogelijk een ander Dublinland verantwoordelijk is voor behandeling van het asielverzoek, wordt zo mogelijk al naar aanleiding van het eerste gehoor onderzocht en beoordeeld of er een mogelijkheid is om bij dat land een Dublinclaim te leggen.

Het onderkennen van een claimmogelijkheid in de aanmeldcentrumprocedure wordt kenbaar gemaakt tijdens het nader gehoor (Dublingehoor).

De claim wordt zo spoedig mogelijk gelegd. Het is echter niet noodzakelijk dat de claim wordt gelegd binnen de aanmeldcentrumprocedure.

Het nader gehoor wordt afgenomen in de vorm van een Dublingehoor. Dit gehoor heeft enkel betrekking op de vraag of de vreemdeling en de behandeling van het asielverzoek dienen te worden overgedragen. Er wordt niet gevraagd naar de asielmotieven van de vreemdeling. Bij het afnemen van een (inhoudelijk) nader gehoor kan evenwel een Dublinclausule worden toegevoegd (zie C3/12.9).

Na het Dublingehoor volgt een beoordelingsmoment waarin wordt bepaald of een claim wordt gelegd, dan wel of een reeds gelegde claim wordt gehandhaafd. Beoordeeld wordt met name of er beletselen zijn om een claim te leggen en of er redenen zijn om toepassing te geven aan artikel 3, vierde lid, Overeenkomst van Dublin (zie C1/2.3). Indien dit niet het geval is, wordt een voornemen geconcipieerd dat betrekking heeft op toepassing van de Overeenkomst van Dublin.

2.2 Uitreiken van het voornemen

Het kopje `3.2.1 Algemeen' komt te vervallen; de tekst blijft ongewijzigd.

Het kopje `3.2.2 Het voornemen wordt uitgereikt in het aanmeldcentrum' komt te vervallen. De tekst komt derhalve te vallen onder 2.2. en komt als volgt te luiden.

(De verwijzing naar Art. 4.51 Vb komt te vervallen)

Het voornemen wordt op grond van artikel 3.118, tweede lid, Vreemdelingenbesluit uitgereikt vooruitlopend op de aanvaarding van de claim. Als het voornemen wordt uitgebracht binnen de aanmeldcentrumprocedure, geldt een reactietermijn van drie uur.

Tegelijkertijd met het voornemen wordt (een kopie van) het rapport van gehoor uitgereikt. Binnen de genoemde drie uren kan de asielzoeker tevens eventuele correcties en aanvullingen op het rapport van gehoor formuleren.

Na ontvangst van de zienswijze op het uitgebrachte voornemen en de eventuele aanvullingen en correcties op het Dublingehoor, wordt beslist of een claim wordt gelegd, dan wel of een reeds gelegde claim wordt gehandhaafd.

In aanmeldcentrum Schiphol geldt dat vanuit het aanmeldcentrum een bijzondere aanwijzing aan de Koninklijke Marechaussee wordt gegeven met de strekking dat de maatregel van vrijheidsontneming wordt voortgezet en dat de vreemdeling wordt geplaatst in het Grenshospitium in verband met de Dublinclaim. De Koninklijke Marechaussee neemt op grond hiervan een nieuwe plaatsingsbeschikking.

Indien wordt besloten de plaatsing in het Grenshospitium te beëindigen (anders dan door de feitelijke overdracht op basis van de claim), ontstaat een recht op opvang.

Voor de Dublinclaimant die in afwachting van zijn overdracht in het Grenshospitium verblijft geldt een beroepstermijn van vier weken. Deze termijn mag hij evenwel ingevolge artikel 5 Vreemdelingenwet van rechtswege niet afwachten. Binnen een termijn van 24 uur na uitreiking van de beschikking kan de vreemdeling de rechter verzoeken een voorlopige voorziening te treffen (zie C3/12.13.5).

Het kopje 3.2.3 en de inhoud ervan (Het voornemen wordt uitgereikt na afloop van de aanmeldcentrumprocedure) komen te vervallen.

Wijziging van C5/21.4

C5/21.4 wordt vernummerd naar C5/21.3. De tekst vervalt en komt als volgt te luiden:

3 De Dublinprocedure wordt gestart na doorverwijzing naar een opvanglocatie

(De verwijzing naar Art. 4.51 Vb komt te vervallen)

Niet steeds is het mogelijk om gedurende de aanmeldcentrumprocedure tot de vaststelling te komen dat een Dublinclaim wordt gelegd. Het kan bijvoorbeeld zo zijn dat een claimmogelijkheid pas kan worden onderkend op het moment dat de resultaten binnenkomen van (vingerafdrukken)onderzoek, uitgevoerd door een ander land dat partij is bij de Overeenkomst van Dublin. In gevallen dat pas later, wanneer de asielzoeker reeds in de opvang verblijft, de claimmogelijkheid wordt onderkend, geldt de volgende werkwijze.

Voor zover nog geen (inhoudelijk) nader gehoor (met vragen naar asielmotieven) is afgenomen, zal de vreemdeling naar aanleiding van gegevens en, voor zover van toepassing de resultaten van het onderzoek, door de Vreemdelingendienst worden gevorderd voor een ter zake af te nemen Dublingehoor en/of een aanvullend gehoor bij het behandelend Dublinbureau. Indien de Dublinclaimant een alleenstaande minderjarige vreemdeling is van onder de zestien jaar, reist de medewerker die de vreemdeling gaat horen naar de verblijfplaats van de vreemdeling voor het afnemen van het Dublingehoor.

Het kan ook voorkomen dat de claimmogelijkheid pas wordt onderkend nadat reeds een (inhoudelijk) nader gehoor is afgenomen. Daarbij is doorgaans reeds een Dublinclausule opgenomen, waarin is aangegeven dat mogelijk een ander land verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. In dat geval wordt door het behandelend Dublinbureau bezien of de gegevens die de betrokkene heeft verstrekt bij de Dublinclausule in het nader gehoor, voldoende informatie geven voor het al dan niet leggen van een claim. Indien het Dublinbureau dit nodig acht, neemt het contact op met de Vreemdelingendienst voor het laten vorderen van de vreemdeling voor een (aanvullend) Dublingehoor bij het aanmeldcentrum van het behandelend Dublinbureau.

Tijdens het Dublingehoor (en bij de Dublinclausule in het nader gehoor) wordt de vreemdeling erop gewezen dat mogelijk een ander land verantwoordelijk is voor behandeling van het asielverzoek. De asielzoeker wordt in de gelegenheid gesteld eventuele redenen naar voren te brengen op grond waarvan Nederland toch gehouden zou zijn de asielaanvraag zelf (verplicht of onverplicht) in behandeling te nemen.

Na het Dublingehoor (c.q. het nader gehoor met de Dublinclausule) volgt een beoordelingsmoment waarin wordt bepaald of inderdaad een claim zal worden gelegd. Beoordeeld wordt met name of er beletselen zijn om een claim te leggen en of er redenen zijn om toepassing te geven aan artikel 3, vierde lid, Overeenkomst van Dublin (zie C1/2.2.3). Indien dit niet het geval is, wordt een voornemen geconcipieerd dat betrekking heeft op toepassing van de Overeenkomst van Dublin.

De asielzoeker verblijft in afwachting van uitreiking van het voornemen en het rapport van het Dublingehoor in het aanmeldcentrum van het behandelend Dublinbureau. Voor het uitbrengen van correcties en aanvullingen en de zienswijze geldt ingevolge artikel 3.118 Vreemdelingenbesluit, een termijn van drie dagen, vanaf de dag nadat uitreiking van (de kopie van) het rapport van Dublingehoor en het voornemen heeft plaatsgehad.

Na ontvangst van de zienswijze op het uitgebrachte voornemen en de eventuele aanvullingen en correcties op het Dublingehoor, wordt beslist of de claim wordt gelegd. Indien naar aanleiding van de zienswijze geen reden bestaat tot een ander standpunt, wordt de Dublinclaim gelegd.

Het behandelend Dublinbureau informeert het COA dat een Dublinclaim is gelegd, zodat dit orgaan zorg kan dragen voor de plaatsing van de vreemdeling in de daartoe aangewezen opvanglocatie. De Dublinclaimant verblijft gedurende de afwikkeling van de Dublinprocedure (tot aan de Dublinbeschikking, dan wel het moment waarop blijkt dat Nederland alsnog verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag) en voor zolang daartoe recht bestaat (tot aan het moment dat de rechtsgevolgen van de Dublinbeschikking in werking treden) in daartoe door het COA aangewezen locaties, waarop het voorzieningenniveau van de Rva van toepassing is.

Wijziging van C5/21.5

C5/21.5 wordt vernummerd naar C5/21.4. De tekst vervalt en komt als volgt te luiden:

4 Reactie op het claimverzoek

Indien het land waarbij de claim is gelegd, akkoord gaat met overname van de behandeling van het asielverzoek, wordt een beschikking uitgereikt.

Indien dit nog tijdens de aanmeldcentrumprocedure gebeurt, is C3/12.12.2 van toepassing. De beroepstermijn bedraagt op grond van artikel 69, tweede lid, Vreemdelingenwet één week, en de behandeling van het beroep mag op grond van artikel 82, tweede lid, Vreemdelingenwet niet in Nederland worden afgewacht. De vreemdeling kan de rechter verzoeken een voorlopige voorziening te treffen.

Indien de beschikking niet binnen de aanmeldcentrumprocedure wordt uitgereikt, bedraagt de beroepstermijn vier weken (artikel 69, eerste lid, Vreemdelingenwet) en mag de behandeling van het beroepschrift op grond van artikel 82, eerste lid, Vreemdelingenwet in Nederland worden afgewacht.

Indien de claim wordt afgewezen dan beoordeelt de Immigratie- en Naturalisatiedienst of een heroverwegingsverzoek aan de verzoekende lidstaat moet worden verstuurd. Indien dit niet aan de orde is, of indien ook het heroverwegingsverzoek is afgewezen, dan wordt de asielaanvraag inhoudelijk beoordeeld. Het behandelend Dublinbureau informeert het COA hiervan. Dit orgaan draagt dan zorg voor plaatsing in een andere locatie.

Wijziging van C5/21.6

C5/21.6 wordt vernummerd naar C5/21.5. De tekst vervalt en komt als volgt te luiden:

5 Overdracht in het kader van de Overeenkomst van Dublin

Indien in het kader van de Overeenkomst van Dublin een claim is gehonoreerd en de asielaanvraag derhalve op grond van artikel 30, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet wordt afgewezen, wordt de beschikking zo spoedig mogelijk aan de vreemdeling uitgereikt en wordt hem mededeling gedaan door welk land zijn asielverzoek (in de zin van de Overeenkomst van Dublin) zal worden behandeld. Voorts wordt hem meegedeeld dat hij krachtens deze Overeenkomst en met inachtneming van de nationale regelgeving zal worden overgedragen. Ook wordt hem meegedeeld waar hij zich dient te melden in het verantwoordelijke land.

Zolang de vertrektermijn nog niet is verlopen, blijft het recht op opvang bestaan. De rechtsgevolgen van de beschikking treden immers pas in werking na het verstrijken van deze termijn. De algemene termijn voor het instellen van beroep tegen een beslissing die in de OC-procedure is genomen, is vier weken. Gedurende deze termijn heeft de vreemdeling rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder h, Vreemdelingenwet. Wanneer de beschikking in rechte onaantastbaar is geworden omdat de vreemdeling geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid beroep in te stellen of omdat het ingestelde beroep is afgewezen, heeft betrokkene niet langer recht op opvang. De rechtsgevolgen als beschreven in artikel 45 Vreemdelingenwet treden dan in werking en worden niet langer opgeschort. De vreemdeling heeft dan niet langer rechtmatig verblijf.

Het Dublinbureau dient derhalve de overdracht zo spoedig mogelijk, en bij voorkeur binnen deze termijn, te regelen. Het feit dat een eventuele overdracht nog niet rond is, doet geen (verlengd) recht op opvang ontstaan. De vreemdeling is na een geaccordeerde Dublinclaim immers op de hoogte welk land zijn asielaanvraag in behandeling neemt en een beroep doen op de daar geldende faciliteiten.

De regeling voor inbewaringstelling van artikel 59, tweede lid, Vreemdelingenwet is van toepassing. Onder `terugkeer' in de zin van artikel 59, tweede lid, Vreemdelingenwet dient in de eerste plaats gedacht te worden aan terugkeer naar het land van herkomst. Daarnaast kan gedacht worden aan vertrek naar het land dat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag op grond van de Overeenkomst van Dublin. Ook in dat geval kan de vreemdeling op grond van artikel 59, tweede lid, Vreemdelingenwet in bewaring worden gesteld totdat de vreemdeling terugkeert naar het land dat de behandeling van de aanvraag zal overnemen.

De bewaring blijft ingevolge artikel 59, derde lid, Vreemdelingenwet, achterwege indien de vreemdeling te kennen geeft Nederland te willen verlaten en hiertoe voor hem ook de gelegenheid bestaat. Wanneer sprake is van een geaccordeerde Dublinclaim bestaat die gelegenheid in ieder geval. Of betrokkene te kennen geeft of heeft gegeven Nederland te willen verlaten, c.q. wil meewerken aan zijn overdracht aan het verantwoordelijke land, is mede af te leiden uit de vraag of hij zich gedurende de procedure heeft gehouden aan de hem opgelegde maatregelen van toezicht, of bijvoorbeeld de uitlatingen van betrokkene.

De ambtenaar van het Dublinbureau vraagt op grond van de instemming van de Dublinpartner een laissez-passer aan bij het Bureau Documenten van de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Hij legt hierbij een pasfoto van de asielzoeker en de volgende gegevens over: nummer van het Centraal Register Vreemdelingen, tenaamstelling, geboorteplaats en -datum, nationaliteit en het adres in het andere land waar de asielzoeker zich dient te melden. Het betreft hier meestal de locatie waar de overdracht feitelijk plaatsvindt.

Voor het bepalen van de datum waarop de vreemdeling zich dient te melden bij de autoriteiten van de overnemende Dublinpartner is het van belang om te weten of de vreemdeling rechtsmiddelen heeft aangewend tegen de beschikking op grond van artikel 30, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet. Het aanwenden van rechtsmiddelen schort de termijn voor de overdracht op, indien aan die rechtsmiddelen schorsende werking is verbonden. In het geval dat binnen de AC-procedure een beschikking is genomen of in geval een maatregel ex artikel 6 Vreemdelingenwet is opgelegd, geldt dat de rechtsgevolgen niet worden opgeschort, tenzij tijdig is verzocht om een voorlopige voorziening. De betrokken Dublinpartner moet hiervan in kennis worden gesteld.

Nederland heeft internationaal de verplichting er zoveel mogelijk voor te zorgen dat de asielzoeker zich niet zal onttrekken aan de overdracht. De korpschef en/of de Koninklijke Marechaussee beoordeelt daarom of de asielzoeker zich zelfstandig of begeleid naar het land van bestemming dient te begeven. Het Dublinbureau heeft hierin een adviserende rol. Vaak blijkt ook uit het claimakkoord of begeleide overdracht gewenst is.

Alleenstaande minderjarige vreemdelingen worden gedurende de reis naar het land van bestemming in beginsel begeleid.

Aan de asielzoeker wordt verstrekt:

a. een beschikking met een afwijzing op grond van artikel 30, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet;

b. een kennisgeving van overdracht aan een ander land dat partij is bij de Overeenkomst van Dublin;

c. een laissez-passer indien hij zelfstandig reist; indien hij onder begeleiding reist houdt zijn begeleider het laissez-passer onder zich; bij vertrek per vliegtuig wordt het laissez-passer afgegeven aan de gezagvoerder, die bij aankomst het document aan de grensbewakingsautoriteiten overhandigt;

d. eventueel zijn reisdocument.

Naar het land van bestemming wordt gezonden:

a. de vlucht- of reisgegevens;

b. een kopie van het laissez-passer, dat via het snelste technische middel (meestal de fax) wordt verzonden;

c. een kopie van de eventueel beschikbare reis- of identiteitspapieren (voorzover deze nog niet verstrekt zijn bij het leggen van de claim).

Alle originele documenten worden aan het ontvangende land ter hand gesteld door tussenkomst van de autoriteit die de feitelijke uitvoering geeft aan de overdracht. Indien de vreemdeling per vliegtuig reist, worden de documenten in een envelop afgegeven aan de gezagvoerder van het vliegtuig, die ze overhandigt aan de grensbewakingsautoriteiten van het ontvangende land.

De plaats waar de asielzoeker zich in het land van bestemming dient te melden wordt vermeld op het laissez-passer. Het betreft hier veelal de locatie waar de feitelijke overdracht plaatsvindt. Op de kennisgeving van overdracht wordt het land van bestemming aangegeven.

Wijziging van C5/24.9.1

C5/24.9.1 wordt als volgt gewijzigd:

De derde zin van de eerste alinea (`Op grond van de Regeling verstrekkingen (...) opvang geboden.') komt te vervallen.

De derde alinea (`Indien ten aanzien van (...) op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vreemdelingenwet.') komt te vervallen.

Tot slot

Deze regeling treedt in werking op 21 november 2002. Dit TBV treedt derhalve in op dezelfde dag van de wijziging van de Rva 1997, waarbij artikel 2a komt te vervallen. De wijziging van de Rva en dit TBV hebben geen terugwerkende kracht. Dit betekent dat de hier beschreven categorie vreemdelingen recht heeft op opvang met ingang van de datum van inwerkingtreding van de wijziging van de Rva. Aan het recht op materiële (waaronder financiële) of immateriële verstrekkingen op grond van de Rva 1997 komt geen terugwerkende kracht toe.

De bovenstaande wijzigingen zullen, voor zover van toepassing, zo spoedig mogelijk in een aanvulling op de Vreemdelingencirculaire 2000 worden verwerkt.

De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,namens de Minister,
Het hoofd van de Immigratie- en Naturalisatiedienst,
G.J. Olthoff, plv.

Naar boven