Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van DefensieStaatscourant 2002, 205 pagina 10Interne regelingen

Instellingsbesluit Landmachtmedaille

12 september 2002

DO 038/2002 002816

Sectie Onderscheidingen

De Minister van Defensie

Besluit:

Artikel 1

Ingesteld wordt de Landmachtmedaille.

Artikel 2

1. De medaille is cirkelvormig met een middellijn van 35 millimeter en vervaardigd van bronskleurig metaal. De voorzijde van de medaille vertoont het westelijk halfrond met het KL-embleem oprijzend uit de Atlantische Oceaan; de achterzijde vertoont het Rijkswapen.

2. De medaille is door middel van een ring verbonden aan een moiré lint. Dit lint is 27 millimeter breed. Het lint heeft 5 banen in de kleuren Nassau-blauw, wit, groen, wit, en Nassau-blauw in breedtes van respectievelijk 4, 4, 11, 4 en 4 millimeter.

Artikel 3

1. De medaille wordt toegekend aan de Nederlandse militair in werkelijke dienst die:

a. tenminste 48 maanden, opgebouwd uit perioden van minimaal 30 aaneengesloten dagen, operationele (parate) dienst heeft verricht in het buitenland bij 1(GE/NL)Corps, bij 1e Divisie `7 December' of bij het voormalig 1LK;

b. tenminste 36 maanden, opgebouwd uit perioden van minimaal 30 aaneengesloten dagen, operationele (parate) dienst heeft verricht bij 1(GE/NL)Corps, 1e Divisie `7 December' of bij het voormalig 1LK, en bovendien

1o. tenminste 24 maanden, opgebouwd uit perioden van minimaal 30 aaneengesloten dagen, operationele (parate) dienst heeft verricht in het buitenland bij 1(GE/NL)Corps, 1e Divisie `7 December', het voormalig 1LK, dan wel dienst heeft verricht bij NASAG, bij het voormalig CoNLtrS/H/L of bij een in het buitenland gestationeerde internationale operationele eenheid of staf, of

2o. tenminste 6 maanden, opgebouwd uit perioden van 30 aaneengesloten dagen, dienst heeft verricht in de Nederlandse Antillen, het voormalig Nederlands Nieuw-Guinea of het voormalig Koninkrijksdeel Suriname dan wel dienst heeft verricht bij een onderdeel van de Koninklijke Marine of van de Koninklijke Luchtmacht of van de Koninklijke Marechaussee dat in een van de hiervoor genoemde gebieden was ingezet;

c. tenminste 84 maanden, opgebouwd uit perioden van minimaal 30 aaneengesloten dagen, operationele (parate) dienst heeft verricht bij 1(GE/NL)Corps, 1e Divisie `7 December' of bij het voormalig 1LK.

2. Met dienst verricht bij 1(GE/NL)Corps, 1e Divisie `7 December' of bij het voormalig 1LK wordt gelijkgesteld: operationele dienst die door een militair van de Koninklijke Landmacht is verricht bij een operationele eenheid van de Koninklijke Marine, de Koninklijke Luchtmacht of de Koninklijke Marechaussee, voorzover deze dienst naar het oordeel van de Bevelhebber der Landstrijdkrachten vergelijkbaar is.

Artikel 4

Bij de berekening van de tijdsduur, bedoeld in artikel 3, wordt buiten beschouwing gelaten:

a. diensttijd op grond waarvan een met de Landmachtmedaille vergelijkbare onderscheiding is toegekend;

b. diensttijd verricht in een Koninkrijksdeel of een voormalig Koninkrijksdeel voorzover op grond van die diensttijd reeds een onderscheiding is toegekend.

Artikel 5

In bijzondere gevallen kan de Minister van Defensie afwijken van artikel 3.

Artikel 6

Aan de militair wordt de medaille slechts éénmaal toegekend.

Artikel 7

Het is de militair toegestaan de medaille, een verkleind model of alleen het lint te dragen.

Artikel 8

Bij de medaille behoort een op naam gestelde oorkonde.

Artikel 9

De kosten van vervaardiging van de medaille met toebehoren komen ten laste van het Rijk.

Artikel 10

De medaille wordt namens de Minister van Defensie toegekend door de Bevelhebber der Landstrijdkrachten.

Artikel 11

De Minister van Defensie kan de medaille tijdelijk of blijvend ontnemen aan de militair die zich de medaille naar zijn oordeel niet langer waardig toont.

Artikel 12

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 september 2002.

Artikel 13

Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesluit Landmachtmedaille.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

's-Gravenhage, 12 september 2002.
De Minister van Defensie,A.H. Korthals.

Toelichting

Algemeen

Het onderhavige besluit strekt er toe om ook voor de Koninklijke Landmacht een medaille in te stellen voor operationele dienst. De Koninklijke Marine beschikt reeds sinds 1985 over een dergelijke medaille. Bij besluit van Onze Minister van Defensie van 14 maart 2000 is de Commissie `Toekomst decoraties' van de Minister van Defensie ingesteld. Deze commissie heeft aan Onze Minister advies uitgebracht over het gebruik en de betekenis, nu en in de toekomst, van de decoraties, voor zover vallend onder de verantwoordelijkheid van Onze Minister van Defensie.

In het kader van haar werkzaamheden heeft de commissie zich gebogen over de Marinemedaille ingesteld bij Ministerieel besluit van 18 januari 1985. Daarbij is de commissie tot de volgende bevindingen gekomen:

• door een in de loop van de tijd opgerekte toekenningssystematiek neigt de toekenning van de Marinemedaille tegenwoordig tot een automatisme. Zo kan de reguliere uitzendduur bij vredesoperaties van zes maanden als één van de twee vereiste diensttijdcriteria gelden om voor de Marinemedaille in aanmerking te komen. Aangezien men in ieder geval op grond van genoemde uitzendduur ook voor de Herinneringsmedaille Vredesoperaties (voorheen de Herinneringsmedaille VN-Vredesoperaties dan wel de Herinneringsmedaille Multinationale Vredesoperaties) in aanmerking komt, is hier sprake van het stapelen van criteria met als gevolg een vorm van automatisme in de toekenning van onderscheidingen;

• er worden categorieën marinepersoneel gedecoreerd voor langdurig functioneren op operationele plaatsingen die vergelijkbaar zijn met operationele plaatsingen in binnen- en of buitenland van personeel van andere krijgsmachtdelen, dat niet wordt gedecoreerd. Voorts is één van de toekenningscriteria van de Marinemedaille dat de decorandus onder operationeel gezag of bevel van een officier der Zeemacht heeft gestaan. Ook in dit geval wordt geen recht gedaan aan de door de commissie gestelde criteria van rechtvaardigheid en gelijke waardering in toekenning t.o.v. iedere militair.

De commissie heeft evenwel onderkend dat binnen de KM aan de Marinemedaille zeer veel waarde wordt gehecht. Deze onderscheiding wordt ervaren als de bedrijfswaardering voor langdurige operationele inzet in binnen- en buitenland, in het bijzonder in (voormalig) Koninkrijksdelen of onder bevel van een buitenlandse (internationale) eenheid. Bovendien herbergen de toekenningscriteria elementen in zich die zich laten vergelijken met uitzenddruk tijdens vredesoperaties. De commissie heeft ook onderkend dat een dergelijke onderscheiding kan bijdragen tot verhoging van de motivatie van het personeel, in het bijzonder in het geval de motivatie onder druk kan komen te staan wanneer het personeel voor langere perioden voor de uitoefening van de dienst van het moederland is gescheiden. Het gaat hierbij om de extra offers die het personeel zich moet laten getroosten voor wat betreft huisvesting, onderwijs, sociale contacten en vanwege langdurige scheiding van familie en andere relaties in Nederland. De commissie heeft dan ook geadviseerd, onder aantekening van het voorgaande en voor zover door hen gewenst, de instelling van een gelijksoortige onderscheiding bij de andere krijgsmachtdelen te overwegen met zoveel mogelijk analogie in toekenningscriteria.

Artikelsgewijs

Artikel 1

Artikel 1 betreft de instelling van de Landmachtmedaille. Dit artikel is geheel ontleend aan artikel 1 van de ministeriële beschikking tot instelling van de Marinemedaille van 18 januari 1985.

Artikel 3

In artikel 3, eerste lid, zijn de voorwaarden opgenomen om voor toekenning in aanmerking te komen. Uitgangspunt hierbij is dat de militair die kan bogen op de langdurigste buitenlandse operationele (parate) dienst als eerste voor de onderscheiding in aanmerking komt. Het is zogezegd, wat dit betreft, de onderscheiding van de verschillende snelheden.

In het besluit Marinemedaille van 18 januari 1985 wordt aangegeven dat deze medaille tevens kan worden toegekend aan militairen van de Koninklijke Landmacht en van de Koninklijke Luchtmacht in werkelijke dienst, die voldaan hebben aan de gestelde voorwaarden met dien verstande, dat voor berekening van de tijdsduur van 36 maanden, opgebouwd uit perioden van minimaal 30 aaneengesloten dagen, mede in aanmerking komen de perioden van dienstverrichting bij een paraat onderdeel, squadron of andere operationele eenheid bij het eigen krijgsmachtdeel. Dit uit het besluit Marinemedaille overgenomen criterium vormt dan ook hetzij het eerste van de twee genoemde criteria onder b danwel maakt (onzichtbaar) deel uit van de onder a en c genoemde criteria. Om voor toekenning van deze onderscheiding in aanmerking te komen moet in alle gevallen dus worden voldaan aan deze 36 maanden eis.

Ook het onder b sub 2 genoemde criterium is ontleend aan het gelijksoortige artikel van het besluit Marinemedaille. Aangezien de vereiste zes maanden dienst moest zijn verricht onder operationeel gezag of bevel van een officier der Zeemacht kwamen de KL-militairen die weliswaar voldeden aan de noodzakelijke combinatie van beide criteria maar die in Suriname onder gezag en bevel van een KL officier (de CoTRIS) hadden gediend niet voor de Marinemedaille in aanmerking. Dit i.t.t. hun collega's van de KL die in het voormalig Nieuw-Guinea wel hadden gediend onder gezag en bevel van een officier de Zeemacht. De commissie is van mening dat het niet zo kan zijn dat de toekenning van een onderscheiding afhankelijk is gemaakt van een operationele gezags- of bevelsverhouding. Het gaat dan niet om de geleverde inspanning en prestatie maar om een louter formeel criterium. Een criterium waarop de militair geen enkel invloed kan uitoefenen. Ook door voormalig TRIS- militairen zijn vele patrouilles en detacheringen te velde onder vaak moeilijke omstandigheden uitgevoerd met een verhoogd risico voor persoonlijke gezondheid en veiligheid. Met de instelling van de Landmachtmedaille zou dan naar het oordeel van de commissie aan deze groep recht kunnen worden gedaan door hen alsnog deze medaille toe te kennen. Aangezien de meeste voormalig TRIS- militairen niet meer in actieve dienst zijn - een vereiste om voor een dergelijke medaille in aanmerking te komen - dient voor deze groep militairen gebruik te worden gemaakt van de hardheidsclausule van artikel 5. Let wel, het gaat niet om alle voormalig TRIS- militairen maar om de groep, meest beroeps, die tevens voldoen aan de 36 maanden eis van het onder b gestelde. Voormalig dienstplichtigen zijn hiervan dus uitgesloten.

Het onder b sub 1 genoemde criterium ziet op een dienstverrichting van 24 maanden (twee jaar) in het buitenland. Onder een in het buitenland gestationeerde, internationale, operationele eenheid of staf wordt niet verstaan een eenheid of staf die opereert in het kader van een vredesoperatie. Operationele dienst verricht bij een dergelijke eenheid of staf wordt dan ook niet aangemerkt als operationele dienst in de zin van de Landmachtmedaille. Bepalend is een plaatsing bij een eenheid of staf als genoemd onder b sub 2. Wordt men bijvoorbeeld geplaatst bij 101 Tkbat in Seedorf en uitgezonden in het kader van een vredesoperatie dan wordt de periode van uitzending beschouwd als operationele dienstverrichtingen bij 101 Tkbat en telt dus mee voor de Landmachtmedaille. Het maakt dus niet uit of men tijdens de plaatsing bij 101 Tkbat in Seedorf één of meerdere malen zelfs in het geheel niet uitgezonden is geweest. Na 4 jaar operationele (parate) dienst bij 101 Tkbat in Seedorf wordt (conform lid 1 onder a) de Landmachtmedaille toegekend.

Als referentiepunt voor het criterium genoemd onder b sub 1 geldt de norm van zes maanden dienst in een (voormalig) Koninkrijksdeel. Dit is de norm van het onder b sub 2 gestelde. Onderkend wordt dat het vaststellen van de zwaarte van een diensttijdcriterium arbitrair is. Maar tegen de achtergrond van genoemde plaatsing van zes maanden (de facto is de plaatsing minimaal een jaar) waarbij de offers (v.w.b. onderwijs, sociale contacten, afstand tot het moederland) die een dergelijke plaatsing voor het personeel met zich meebrengt zwaarder uitvallen dan een plaatsing binnen Europa, bijvoorbeeld in Duitsland, is een diensttijd van 24 maanden (twee jaar) niet onredelijk.

Voldaan hebben aan de combinatie van de diensttijdcriteria genoemd onder b èn onder b sub 1 (of onder b èn onder b sub 2) kan aanspraak maken op de Landmachtmedaille. Concreet betekent dit dat de KL-militair in actieve dienst die gedurende 36 maanden operationele dienst heeft verricht bij een onderdeel van l (GE/NL)Corps, bij 1e Divisie `7 December' of bij het voormalig ILK en bovendien 24 maanden dienst heeft verricht in het buitenland (niet zijnde een voormalig Koninkrijksdeel en niet in het kader van een vredesoperatie) voor toekenning van de Landmachtmedaille in aanmerking komt.

Wordt de operationele (parate) dienst zonder onderbreking gedurende 48 maanden (vier jaar) in het buitenland verricht dan komt men conform het onder a genoemde criterium voor toekenning in aanmerking. Men voldoet dan in ieder geval aan de 36 maanden eis van het onder b gestelde maar bovendien is deze operationele (parate) dienst van 36 maanden in z'n geheel in het buitenland verricht. Het is dan redelijk de totale termijn van 60 maanden (vijf jaar) met 12 maanden (één jaar) te verkorten tot 48 maanden (vier jaar).

In het gelijksoortige artikel van het besluit Marinemedaille is een operationele dienst van 72 maanden (zes jaar) gesteld.

Aangezien de opmaat van de Landmachtmedaille 24 maanden (twee jaar) dienst is in het buitenland, niet zijnde in een Koninkrijksdeel, en de militair op z'n vroegst na 48 maanden (vier jaar) in aanmerking kan komen voor toekenning is het redelijk de operationele (parate) dienst die in Nederland wordt verricht te stellen op 84 maanden (zeven jaar). Hiermee wordt het verschil tussen de beide uiterste perioden van operationele (parate) dienst te weten drie jaar gemarkeerd. Het is immers de medaille van de verschillende snelheden.

Artikel 3, tweede lid, bevat een gelijkstellingsbepaling. Ingevolge deze bepaling wordt met operationele (parate) dienst verricht bij 1(GE/NL)Corps, bij 1e Divisie `7 December'of bij het voormalig 1LK gelijkgesteld: operationele dienst die door een militair van de Koninklijke Landmacht is verricht bij een operationele (parate) eenheid van de Koninklijke Marine, de Koninklijke Luchtmacht of de Koninklijke Marechaussee, voor zover deze dienst naar het oordeel van de Bevelhebber der Landstrijdkrachten qua zwaarte overeenkomt met dienst verricht bij 1(GE/NL)Corps, bij 1e Divisie `7 December' of bij het voormalig 1LK.

Artikel 4

Hoewel dit in de praktijk slechts zelden zal voorkomen, kan de Landmachtmedaille ook worden toegekend aan militairen van de Koninklijke Marine, van de Koninklijke Luchtmacht en van de Koninklijke Marechaussee die voldoen aan de voorwaarden, genoemd in artikel 3, eerste lid. Daarnaast is het mogelijk dat aan militairen van de Koninklijke Landmacht de Marinemedaille wordt toegekend. In verband hiermee is in artikel 4 onder a vastgelegd dat bij de berekening van de tijdsduur, nodig voor het verkrijgen van de Landmachtmedaille, diensttijd op grond waarvan een met de Landmachtmedaille vergelijkbare onderscheiding is toegekend, buiten beschouwing wordt gelaten. Met deze bepaling wordt beoogt `dubbel decoreren' voor dezelfde operationele diensttijd tegen te gaan.

De zinsnede `een met de Landmachtmedaille vergelijkbare onderscheiding' ziet in de eerste plaats op de Marinemedaille. Daarnaast is niet uit te sluiten dat in de toekomst ook ten aanzien van de Koninklijke Luchtmacht en ten aanzien van de Koninklijke Marechaussee met de Landmachtmedaille vergelijkbare operationele onderscheidingen worden ingesteld.

's-Gravenhage, 12 september 2002.

De Minister van Defensie,

A.H. Korthals.