Besloten Busvervoer

Verbindendverklaring CAO-bepalingen

MINISTERIE VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

ALGEMEEN VERBINDENDVERKLARING VAN BEPALINGEN VAN DE COLLECTIEVE ARBEIDSOVEREENKOMST VOOR HET BESLOTEN BUSVERVOER

AI Nr. 9820

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelezen het verzoek van partijen betrokken bij de CAO voor het Besloten Busvervoer namens Busvervoer Nederland als partij te ener zijde mede namens FNV Bondgenoten en CNV Bedrijvenbond als partijen te anderer zijde bij de collectieve arbeidsovereenkomst voor het Besloten Busvervoer, strekkende tot algemeen verbindendverklaring van bepalingen van deze collectieve arbeidsovereenkomst;

Overwegende,

dat genoemde collectieve arbeidsovereenkomst in werking is getreden;

dat van het verzoek tot algemeen verbindendverklaring mededeling is gedaan in de Staatscourant;

Overwegingen besloten busvervoer

Overwegende,

... dat naar aanleiding van dit verzoek schriftelijke bedenkingen zijn ingebracht door: De Weid BV.

dat deze bedenkingen als volgt kunnen worden samengevat:

Tegen de CAO als geheel is de bedenking gemaakt dat de representativiteit van de werknemers onvoldoende is, omdat 33% van de werknemers in de bedrijfstak bij een werknemersorganisatie is aangesloten.

Tegen afzonderlijke CAO-bepalingen zijn bedenkingen tegen de inhoud van de CAO ingebracht. Het gaat hier om de artikelen 5 lid 2, 7 lid 2, 10 leden 1 en 3, 19 lid 4, 52, 61 en 64. De CAO regelt naast lonen en arbeidsvoorwaarden ook mededinging tussen partijen, waardoor desbetreffende bepalingen strijdig zijn met art. 6 Mededingingswet en art. 85 lid 1 EG Verdrag.

Overwegende ten aanzien van de bedenkingen:

De bedenkingen richten zich zowel op de representativiteit als op de inhoud van de CAO en de toepassingspraktijk daarvan. Als argumentatie voor de bedenkingen tegen de inhoud van de CAO wordt, naast strijdigheid met sociale wet- en regelgeving, strijdigheid met Mededingingswetgeving aangevoerd.

Ten aanzien van de representativiteit kan opgemerkt worden dat CAO-partijen primair verantwoordelijk zijn voor de (adequate berekening van de) vereiste representativiteitsgegevens ter zake het door hen zelf overeengekomen CAO-domein.

De Weid BV gaat bij zijn berekening kennelijk uit van een verkeerde definitie van het begrip representativiteit. De representativiteit wordt als volgt berekend:

Het aantal werknemers in dienst van werkgevers gebonden door de CAO, die naar de aard van hun functie resp. werkzaamheden – met inachtneming van artikel 14 van de Wet CAO binnen de werkingssfeer van de CAO vallen, uitgedrukt in een percentage van het totaal aantal werknemers die binnen de werkingssfeer van de CAO zouden vallen.

De organisatiegraad aan werknemerszijde is derhalve niet bepalend voor de berekening van de voor AVV vereiste meerderheid.

Uit de door CAO-partijen vastgestelde representativiteitsgegevens kan in redelijkheid worden geconcludeerd dat door CAO-partijen voldoende aannemelijk is gemaakt dat de bepalingen van de CAO voor een belangrijke meerderheid (96,7%) van de in de bedrijfstak werkzame personen gelden.

De overige bedenkingen richten zich op de inhoud van de CAO. Ten aanzien van de inhoud van de CAO geldt dat het vaststellen daarvan tot de bevoegdheid behoort van de bij de CAO betrokken partijen. Bij de beoordeling of CAO-bepalingen voor AVV in aanmerking kunnen komen, wordt getoetst aan de Wet AVV, het recht en het AVV-beleid zoals verwoord in het Toetsingskader AVV. De toetsing aan het recht betreft toetsing op kennelijke strijdigheid met het recht. Hier is gebleken dat de betreffende bepalingen in de CAO als zodanig in strijd zijn met wet- en regelgeving. In elk besluit tot AVV wordt in een dictum bepaald dat indien en voorzover de algemeen verbindend verklaarde CAO-bepalingen strijdig zijn met (mede) ter zake van de vaststelling van lonen en/of andere arbeidsvoorwaarden bij of krachtens de wet gestelde of te stellen regelen, deze regelen prevaleren.

Ten aanzien van Mededingingswetgeving kan worden opgemerkt dat deze niet van toepassing is op collectieve arbeidsvoorwaarden.

dat de bepalingen van deze collectieve arbeidsovereenkomst gelden voor een belangrijke meerderheid van de in de bedrijfstak werkzame personen;

Gelet op de artikelen 2, 4 en 5 van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten;

Besluit:

I. Verklaart algemeen verbindend tot en met 31 maart 2003 de navolgende bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst voor het Besloten Busvervoer, zulks met inachtneming van hetgeen onder II tot en met V is bepaald:

HOOFDSTUK 1 ALGEMEEN

Artikel 1 Werkingssfeer

Deze overeenkomst is van toepassing op:

De werkgevers en de werknemers van elke in Nederland gevestigde onderneming, die besloten busvervoer verricht in de zin van de Wet Personenvervoer 2000 (Wet van 6 juli 2000, Stb. 314).

Uitgezonderd zijn:

  • de ondernemingen op welke de collectieve arbeidsovereenkomst Openbaar Vervoer van toepassing is, voor zover in de betrokken arbeidsvoorwaarden het salaris en de salarisberekening met inbegrip van de vakantietoeslag voor chauffeurs die besloten busvervoer verrichten, zodanig is geregeld dat het niveau ervan overeenkomt met de desbetreffende regelingen in de CAO Besloten Busvervoer.

Artikel 2 Definities

In deze overeenkomst wordt, tenzij in het betreffende artikel anders is aangegeven, verstaan onder:

  • a. Werkgever: iedere natuurlijke of rechtspersoon, wiens onderneming valt onder de werkingssfeer van deze overeenkomst;

  • b. Werknemer: ieder, die in dienst is van een werkgever voor bepaalde of onbepaalde tijd;

  • c. M.U.P.-kracht: de werknemer met wie een arbeidsovereenkomst met uitgestelde prestatieplicht (M.U.P.-overeenkomst) is gesloten en die bereid is op afroep werkzaamheden te verrichten.

  • d. Parttimer: iedere werknemer, met wie de werkgever een arbeidsovereenkomst is aangegaan voor bepaalde of onbepaalde tijd, waarbij overeengekomen is dat slechts een gedeelte van het normale aantal geldende arbeidsuren arbeid wordt verricht;

  • g. Partner: de ongehuwde man of vrouw, niet zijnde een bloedof aanverwant in de rechte lijn, met wie de ongehuwde werknemer samenwoont en die daartoe een notarieel verleden samenlevingscontract zijn overeengekomen;

  • h. Standplaats:

    • 1. De plek waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid uitoefent;

    • 2. De plek waar de garage der onderneming is gelegen en de werknemer gebruikelijk zijn dagelijkse arbeid aanvangt en beëindigt;

    • 3. De plek waar de werknemer na overleg met respectievelijk in opdracht van de werkgever gebruikelijk zijn dagelijkse arbeid aanvangt en beëindigt;

    • 4. Benevens een gebied met een straal van 10 km rond de plek als bedoeld in sub 1, 2, en 3;

  • i. Dienstregeling: voor een ieder kenbaar schema van reismogelijkheden;

  • j. Besloten busvervoer: personenvervoer per bus, anders dan bedoeld onder q, en omvattend de categorieën toerwagenritten, ongeregeld vervoer, groepsvervoer, pendelvervoer, meerdaagse reizen en dagtochten;

  • k. Groepsvervoer: volgens een vast schema/rooster uitgeoefend en niet onder l vallend vervoer van tot een beperkte groep behorende personen met bussen;

  • l. Toerwagenritten: al dan niet volgens een dienstregeling uitgevoerde ritten, welke niet uitsluitend tot doel hebben het verstrekken van gelegenheid tot vervoer van personen tussen bepaalde plaatsen, met bussen;

  • m. Ongeregeld vervoer: niet volgens een dienstregeling uitgeoefend en niet onder l vallend vervoer van personen met autobussen;

  • n. Pendelvervoer: vervoer van vooraf in groepen samengebrachte reizigers van dezelfde plaats van vertrek naar dezelfde plaats van bestemming door verscheidene heen- en terugreizen. Overal waar pendelvervoer wordt genoemd, wordt dit geacht internationaal lijndienstvervoer te omvatten;

  • o. Meerdaagse reis: vervoer dat zich uitstrekt over meer dan 24 uur;

  • p. Dagtochten: toerwagenritten en ongeregeld vervoer dat zich uitstrekt over een periode van maximaal 24 uur;

  • q. Openbaar vervoer: voor een ieder openstaand personenvervoer per bus, niet vallend onder j, volgens een dienstregeling;

  • r. Bus: motorrijtuig, al dan niet voorzien van een aanhangwagen, ingericht voor het vervoer van meer dan acht personen, de bestuurder daaronder niet begrepen;

  • s. Kalenderweek: de periode van zeven aaneengesloten dagen, aanvangende op maandag 00.00 uur en eindigende op zondag 24.00 uur;

  • t. Vrije dag/rustdag: periode van telkens 24 uur waarop geen arbeid behoeft te worden verricht en de werknemer op standplaats vrij over zijn tijd kan beschikken;

  • u. STO: De Stichting voor Informatie en Ordening van de bedrijfstak Besloten Busvervoer;

  • v. FSO: Fonds Scholing en Ordening van de bedrijfstak Besloten Busvervoer;

  • w. Spaaruren: overuren die zijn aangemerkt om in vrije tijd te worden genoten.

Overal waar in deze CAO hij, hem of zijn wordt vermeld, dient ook zij of haar te worden gelezen.

HOOFDSTUK 2 DE ARBEIDSOVEREENKOMST

Artikel 4 De arbeidsovereenkomst

  • 1. Bij aanstelling van een werknemer dient de arbeidsovereenkomst schriftelijk te worden aangegaan. De arbeidsovereenkomst dient ten minste de volgende punten te omvatten:

    • Naam, adres, woonplaats en geboortedatum van de werknemer;

    • De aanvangsdatum van het dienstverband;

    • De duur van het dienstverband;

    • De functie met de bijbehorende functieloonschaal;

    • Het functieloon;

    • Het aantal uren per betalingsperiode waarvoor de arbeidsovereenkomst wordt aangegaan;

    • De betalingstermijn van het loon;

    • Het toegekend aantal ervaringsjaren;

    • De proeftijd (indien overeengekomen);

    • De standplaats.

  • 2. De werknemer is krachtens de met hem afgesloten arbeidsovereenkomst verplicht tot het verrichten van de overeengekomen tot de functie behorende arbeid. Na overleg kunnen in het belang van de onderneming andere dan met zijn functie samenhangende werkzaamheden aan hem worden opgedragen, voor zover deze redelijkerwijze van de werknemer kunnen worden verlangd.

Artikel 5 Beëindiging dienstverband

  • 2. De dienstbetrekking eindigt van rechtswege op het moment dat de werknemer de 65-jarige leeftijd bereikt.

Artikel 7 Inzet Vut-gerechtigden

  • 1. Het is niet toegestaan om een dienstverband aan te gaan met personen voorheen werkzaam in het besloten busvervoer die een volledige VUT-uitkering genieten van de Stichting VUT Personenvervoer (SUPER) danwel een volledige prépensioenuitkering genieten verstrekt door een Stichting verantwoordelijk voor de uitvoering van de prépensioenregeling voor het besloten busvervoer.

  • 2. Het is niet toegestaan om een dienstverband aan te gaan met personen die ouder zijn dan 65 jaar en een pensioenuitkering genieten.

  • 3. Het is wel toegestaan om een dienstverband aan te gaan met personen die een VUT-uitkering genieten ingevolge een andere VUT-regeling dan die van de SUPER onder de volgende voorwaarden:

    • de toepasselijke VUT-regeling verbiedt niet dat betaalde arbeid wordt verricht in een andere sector dan die waaruit de VUT-regeling voortkomt;

    • aan het betrokken VUT-fonds wordt door de werkgever opgave gedaan van de omvang van de betaalde arbeid in de sector besloten busvervoer en de daaruit voortvloeiende inkomsten;

    • het dienstverband dat in het kader van deze regeling wordt aangegaan eindigt van rechtswege op het moment dat de leeftijd van 61 jaar wordt bereikt. Met ingang van 1 januari 2003 geldt een leeftijdsgrens van 62 jaar;

    • op een dienstverband in het kader van deze regeling is artikel 31 van deze CAO niet van toepassing;

    • in het kader van deze regeling kunnen alleen de navolgende werkzaamheden worden opgedragen: aan- en afvoerritten naar en van opstap- en verzamelpunten en groepsvervoerritten.

  • 4. Het is wel toegestaan om een dienstverband aan te gaan met personen die een gedeeltelijke prépensioenuitkering vanuit de sector besloten busvervoer genieten. In dat geval mag het inkomen uit arbeid geteld bij de gedeeltelijke prépensioenuitkering niet hoger uitkomen dan het inkomen dat uit arbeid werd genoten direct voorafgaand aan het moment van prépensionering.

Artikel 8 Parttime werknemers

De bepalingen van deze CAO zijn op parttimers van toepassing, met inachtneming van de volgende leden van dit artikel.

  • 1. Het functieloon wordt overeenkomstig de bij de functie behorende loonschaal, en evenals de tredeverhoging, naar rato van het aantal contractueel overeengekomen uren vastgesteld.

  • 2. De vakantie-aanspraken, vakantietoeslag, de aanspraken op werkgelegenheidsdagen en de aanspraak op christelijke en nationale feestdagen ontstaan naar rato van het aantal contractueel overeengekomen uren.

  • 3. In afwijking van het bepaalde in lid 1 wordt voor een werknemer met een parttime dienstverband van 50% of meer, ten behoeve van de vaststelling van de loontrede vanaf 1-4-1995 ieder volledig jaar dat de dienstbetrekking voortduurt in aanmerking genomen als volledig ervaringsjaar.

  • 4. De tijd voor tijd regeling (artikel 30) is naar rato op de werknemer met een parttime dienstverband van toepassing.

  • 5. Bij een gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer mag het totaal aantal gewerkte uren per betalingsperiode de restcapaciteit van de arbeidsongeschikte niet overschrijden.

  • 6. Parttimers met een WW of een WAO-uitkering kunnen bij het aangaan van hun dienstverband aangeven niet onder de tijd voor tijd regeling te willen vallen en alle uren uitbetaald te krijgen. Voor deze categorie parttimers is sprake van overuren (135%) wanneer meer dan 160/173,3 uur wordt gewerkt.

Artikel 9 M.U.P.-krachten

  • 1. De bepalingen van deze CAO zijn op M.U.P.-krachten van toepassing, met uitzondering van de artikelen 20, 30, 54, 55 en 56 en met inachtneming van de volgende leden van dit artikel.

  • 2. De loonberekening geschiedt naar rato van het aantal gewerkte uren volgens artikel 21.

  • 3. Het uurloon is gebaseerd op ten minste 5 ervaringsjaren van de bij de functie behorende loonschaal van de M.U.P.-kracht. Het uurloon moet worden verhoogd met 8% vakantietoeslag en 10% wegens aanspraak op vakantiedagen en werkgelegenheidsdagen.

  • 4. Bij aanbod van werk is de werkgever verplicht het werk eerst aan te bieden aan het personeel met een fulltime of parttime dienstverband voor onbepaalde tijd, alvorens het kan worden aangeboden aan parttimers met een dienstverband voor bepaalde tijd. Pas in laatste instantie mag het werk worden aangeboden aan M.U.P.-krachten of uitzendkrachten.

Artikel 11 Leerlingen

  • 2. Werkgevers die een werknemer in dienst nemen in het kader van de beroepsbegeleidende leerweg Chauffeur Touringcar Reisleider of een werknemer in dienst nemen die in het voorafgaande jaar is opgeleid door middel van het door de Stichting opleidingen besloten busvervoer (STOBB) goedgekeurde leer/werkproject, zijn verplicht een financiële bijdrage te betalen overeenkomstig de richtlijnen genoemd in bijlage 11. (bijlage 11: Richtlijn financiële bijdrage opleidingskosten)

HOOFDSTUK 3 LONEN EN FUNCTIE-INDELING

Artikel 12 Berekening weekloon, vier-wekenloon en maandloon

  • 1. Een weekloon is 40 maal het uurloon (volgens bijlage 1 en 2).

  • 2. Een vier-wekenloon is 160 maal het uurloon (volgens bijlage 1 en 2).

  • 3. Een maandloon is 173,3 maal het uurloon (volgens bijlage 1 en 2).

Artikel 13 De loonspecificatie

Bij iedere uitbetaling van de maand/vier wekenlonen wordt aan de werknemer een specificatie verstrekt, waarop behalve de door de werkgever eventueel gewenste vermeldingen, in elk geval – voor zover van toepassing – de navolgende (loon)bestanddelen moeten voorkomen:

  • loon,

  • overuren,

  • onregelmatigheidstoeslag,

  • onderbrekingstoeslag,

  • de bruto vergoeding meerdaagse reizen

  • aantal gewerkte dagen,

  • ziektedagen,

  • het saldo spaaruren,

  • het tegoed aan vakantiedagen,

  • het tegoed aan werkgelegenheidsdagen,

  • het tegoed aan niet genoten rustdagen,

  • het tegoed aan vervangende feestdagen,

  • diversen,

  • netto vergoedingen.

Alsmede de aftrek wegens:

  • premie aan het ondernemings-en/of bedrijfspensioenfonds,

  • loonheffing,

  • premies Sociale Verzekering,

  • bijdrage Fonds Scholing en Ordening,

  • bijdrage VUT of prépensioenpremie.

Artikel 14 Loonbetaling

Uiterlijk op de eerste dag van de betalingsperiode volgend op de betalingsperiode waarin arbeid is verricht, moet de werknemer de beschikking hebben over het loon, met dien verstande dat de betaling van de toeslagen maximaal 1 betalingsperiode later plaatsvindt.

Artikel 15 Beloning rijdend personeel

  • 1. Als bijlage 2 bij deze overeenkomst is gevoegd de loontabel welke van toepassing is op rijdend personeel.

  • 2. Inschaling bij indiensttreding:

  • Bij indiensttreding wordt de werknemer ingeschaald in de bij zijn functie behorende loonschaal op de trede, die overeenkomt met het aantal ervaringsjaren, dat de werknemer als bestuurder van een autobus in deze bedrijfstak heeft opgedaan.

  • 3. Voor werknemers die gedurende opeenvolgende seizoenen bij dezelfde werkgever in dienst zijn, worden ten behoeve van de vaststelling van het loon alsmede van de aanvulling van het loon in geval van arbeidsongeschiktheid de opeenvolgende seizoenen als aansluitende ervaringsjaren in aanmerking genomen.

Artikel 16 Loonberekening rijdend personeel

  • 1. Aan de loonberekening wordt alleen de arbeidstijd ten grondslag gelegd.

  • 2. De lonen van het rijdend personeel zijn gebaseerd op een gemiddelde arbeidstijd van 40 uur per week.

  • 3. De gemiddelde arbeidstijd per week wordt berekend over de betalingsperiode van één kalendermaand of vier weken.

Artikel 17 Beloning niet-rijdend en technisch personeel

  • 1. Als bijlage 1 bij deze overeenkomst zijn gevoegd de loontabellen welke van toepassing zijn op het niet-rijdend en technisch personeel.

  • 2. Inschaling bij indiensttreding:

  • Bij indiensttreding wordt de werknemer ingeschaald in de bij zijn functie behorende loonschaal op de trede, die overeenkomt met het aantal ervaringsjaren, dat de werknemer in dezelfde of soortgelijke functie heeft opgebouwd binnen de bedrijfstak besloten busvervoer. Gedeelten van ervaringsjaren dienen naar rato te worden meegeteld.

  • 3. Vervanging hoger gewaardeerde functie:

  • Een werknemer behorend tot het niet-rijdend en/of technisch personeel ontvangt in geval hij tijdelijk, doch ten minste voor de duur van 2 maanden, een hoger gewaardeerde functie waarneemt, met terugwerkende kracht (vanaf het moment waarop de waarneming is aangevangen) een toeslag per betalingsperiode, zijnde het verschil tussen de trede van de loonschaal, waarin de werknemer is ingeschaald en dezelfde trede in de naast liggende hogere loonschaal.

  • 4. Lonen voor jeugdige werknemers:

  • Voor werknemers beneden de leeftijd van 21 jaar gelden de volgende percentages van het wettelijk minimumloon van een 23 jarige:

15 jaar45%18 jaar70%
16 jaar52,5%19 jaar80%
17 jaar60%20 jaar90%
  • 5. Zodra de werknemer de leeftijd van 21 jaren bereikt, wordt hij in de functieloonschaal voor volwassenen op de laagste loontrede ingeschaald met behoud van periodiekdatum.

Artikel 18 Functie-indeling niet-rijdend en technisch personeel

Loonschaal Iadministratief medewerker IV, busbegeleider, host.
  
Loonschaal IItypiste, administratief medewerker III, hulp-automonteur II, schoonmaker, wagenwasser, garagehulp.
  
Loonschaal IIIadministratief medewerker II, hulp-automonteur I, automonteur II, balie-employé, reisbureau medewerker.
  
Loonschaal IVadministratief medewerker I, controleur, parkeerchef, las- en plaatwerker, machine-bankwerker, automonteur I, auto-elektricien, hoofd automonteur II.
  
Loonschaal Vassistent opzichter, hoofd automonteur I, autotechnicus B, reisbureaubeheerder.
  
Loonschaal VIboekhouder, controleur I, opzichter III, werkmeester II, autotechnicus A.
  
Loonschaal VIIboekhouder II, chef de bureau, hoofdcontroleur, opzichter II, werkmeester I.
  
Loonschaal VIIIboekhouder I, chef de bureau I, opzichter I, hoofd opzichter B.
  
Loonschaal IXchef de bureau I, hoofd boekhouder, hoofdopzichter A.

Voor het technisch personeel zijn functie- en werkomschrijvingen vastgesteld (bijlage 6).

HOOFDSTUK 4 WERKTIJDEN EN ARBEIDSTIJDADMINISTRATIE

Artikel 19 Werkweek

  • 1. Voor werknemers geldt een vijfdaagse werkweek, met een gemiddelde arbeidstijd van 40 uur. Per kalenderweek ontstaat derhalve aanspraak op 2 rustdagen.

  • 2. Indien in enige betalingsperiode van 4 weken of een maand minder dan 8 resp. 8⅔ rustdagen, zoals bedoeld in lid 1, zijn genoten, wordt per te weinig genoten rustdag 8 uur arbeidstijd op de loonbetaling in mindering gebracht. Voor elke 8 uur arbeidstijd wordt uiterlijk 30 april van het jaar volgend op het jaar waarin de arbeidstijd is opgebouwd, één betaalde vervangende rustdag (compensatierustdag) gegeven.

  • 3. De vergoeding in tijd wordt gegeven op standplaats in hele en desgewenst in halve dagen (voor zover niet in strijd met het ATB Vervoer). Voor iedere hele of halve dag krachtens deze regeling wordt 8 resp. 4 maal het uurloon vergoed onder gelijktijdige vermindering van het aantal opgespaarde uren met 8 resp. 4 uur.

  • 4. Het intrekken van een toegekende compensatierustdag binnen 24 uur voorafgaande aan het moment waarop de compensatierustdag wordt genoten, is alleen mogelijk als de werknemer daarmee instemt. De werknemer heeft in dat geval recht op een bruto toeslag van f 25,–.

  • 5. Compensatierustdagen moeten met voorrang op vakantiedagen of de overige componenten van de tijd voor tijd respectievelijk spaaruren worden teruggegeven.

Artikel 20 Algemeen erkende Christelijke en Nationale feestdagen

  • 1. Algemeen erkende Christelijke en Nationale feestdagen zijn:

    • Nieuwjaarsdag,

    • 2e Paasdag,

    • Koninginnedag

    • Hemelvaartsdag,

    • 2e Pinksterdag,

    • beide Kerstdagen;

    • de dagen, op welke krachtens aanwijzing van de overheid extra vrijaf met behoud van loon mag worden verleend.

  • 2. Aan de werknemer die op een feestdag, bedoeld in lid 1, niet op zaterdag of zondag vallende arbeid verricht dan wel de wekelijkse vrije dag geniet, wordt een vervangende vrije dag toegekend;

    • a. voor de vervangende vrije dag die voor een feestdag in de plaats treedt, worden 8 uren voor de loonberekening in aanmerking genomen;

    • b. de op de feestdag gewerkte uren worden bovendien voor de loonberekening in aanmerking genomen;

    • c. de vervangende vrije dag dient te worden genoten voor 30 april van het jaar volgend op het jaar waarin het recht is ontstaan.

Artikel 21 Arbeidstijdberekening rijdend personeel

A. Algemeen

  • 1. Diensttijd:

  • Onder diensttijd wordt verstaan de tijd, gelegen tussen het tijdstip waarop de dienst wordt aangevangen en het tijdstip waarop de dienst wordt beëindigd.

  • 2. Arbeidstijd:

  • Voor het rijdend personeel wordt onder arbeidstijd verstaan het in dienst van de werkgever besturen van een autobus en/of het verrichten van andere met de functie samenhangende werkzaamheden.

  • 3. Rusttijd:

  • Onder rusttijd wordt verstaan, elke periode van 8 uur en langer tussen twee diensttijden, gedurende welke de werknemer geen bemoeienis heeft met de onderneming.

B. Toerwagenritten/ongeregeld vervoer/pendelvervoer

De arbeidstijd van het rijdend personeel bedraagt 5/6 van de diensttijd. Hierop bestaan de volgende uitzonderingen:

  • 1. Bij meerdaagse reizen wordt de arbeidstijd geacht te zijn: op de eerste en laatste kalenderdag 5/6 van de diensttijd volgens de tachograafschijf met een minimum van acht uur netto arbeidstijd per dag.

  • Voor elke tussenliggende dag wordt voor de loonberekening acht uur netto arbeidstijd in aanmerking genomen.

  • 2. Indien de chauffeur tijdens een meerdaagse reis in opdracht van de werkgever een rit rijdt ten behoeve van een ander reisgezelschap, dan dienen de uren voorzover de acht uur wordt overschreden, afzonderlijk vergoed te worden.

  • 3. Bij pendelvervoer, meerdaagse reizen en internationale lijndiensten wordt onder diensttijd eveneens verstaan de tijd gemoeid met het vervoer van en naar de plek waar de rit aanvangt respectievelijk eindigt.

  • De rusttijd tussen twee diensttijden wordt niet voor de loonberekening in aanmerking genomen ook niet indien deze periode minder dan acht uur omvat.

  • 4. Voor elke 24 uur tussen het einde van de heenreis en het begin van de terugreis van een pendel moet 8 uur netto arbeidstijd in aanmerking worden genomen.

  • 5. De arbeidstijd bij dagtochten wordt als volgt berekend:

  • 5/6 x totale diensttijd (het moment waarop de dienst wordt aangevangen, inclusief eventuele rusttijd, onderbrekingen en pauzes buiten standplaats tot het moment waarop de dienst wordt beëindigd) met een maximum van 16 uur netto.

  • Indien echter de werkzaamheden buiten standplaats worden onderbroken door een nachtrust van ten minste 8 uur en omvattende de periode van 00.00 uur tot 04.00 uur, mag deze nachtrust voor de loonberekening in mindering worden gebracht. Hierbij geldt de uitdrukkelijke voorwaarde dat de nachtrust in een hotelkamer wordt doorgebracht.

  • In afwijking van het bovenstaande geldt voor ritten waarbij de chauffeur binnen 24 uur terugkeert op standplaats, en waarbij de chauffeur niet de groep vervoert tot de eindbestemming, doch de rit wordt voortgezet door een andere chauffeur, en deze groep niet binnen 24 uur terugkeert op haar vertrekpunt, en de chauffeur na een rustperiode van meer dan 8 uur weer wordt ingezet voor de terugreis met een andere groep, de volgende afwijking van bovenvermelde regeling:

    • door de werkgever zal worden gezorgd dat er voor de chauffeur op de plaats van onderbreking een hotelkamer beschikbaar is;

    • de tijd welke aan de werknemer zal worden vergoed is gelijk aan 6/6 van de totale tijd minus 8 uur, met een minimum van 10 uur.

C. Groepsvervoer

De arbeidstijd van het rijdend personeel bedraagt 6/6 van de diensttijd.

  • 1. Voor rijdend personeel, belast met het uitvoeren van groepsvervoer, wordt per dienst een onderbrekingstoeslag toegekend, indien de diensttijd langer dan 1 uur wordt onderbroken en de totale diensttijd niet meer dan 12 uur bedraagt. Voor zover de totale diensttijd méér dan 12 uur bedraagt en er meer dan één onderbreking als hiervoor bedoeld plaatsvindt, worden per dienst maximaal twee onderbrekingstoeslagen toegekend.

  • 2. Indien de onderbreking als bedoeld in lid 1, voorkomt bij combinaties van openbaar vervoer en groepsvervoer is deze onderbrekingstoeslag eveneens van toepassing.

  • 3. De in de leden 1 en 2 genoemde toeslag wordt niet toegekend, indien de onderbreking 8 uur of langer duurt.

  • 4. Eénmaal per diensttijd wordt één onderbreking van minder dan 61 minuten niet geacht arbeidstijd te zijn.

  • 5. De vergoeding welke in het kader van de onderbrekingstoeslag wordt verstrekt, staat vermeld in artikel 32.

D. Binnenlands openbaar vervoer

De arbeidstijd van het rijdend personeel bedraagt 6/6 van de diensttijd.

Voor het overige zijn de bepalingen van hoofdstuk 7 van toepassing.

Artikel 22 Rusttijd bij pendelvervoer

Indien de enkelvoudige diensttijd bij pendels en internationale lijndiensten langer gaat duren of geduurd heeft dan 18 uur dan

  • dient de tussenliggende rusttijd op de plaats van bestemming van de pendel of internationale lijndienst minimaal 11 uur te bedragen;

  • moet voorafgaand aan de pendel of internationale lijndienst de dagelijkse rusttijd minimaal 12 uur bedragen;

  • moet na afloop van de pendel of de internationale lijndienst een rust van 24 uur aaneengesloten worden genoten.

Artikel 23 Arbeidstijdadministratie

  • 1. De werkgever dient een deugdelijke administratie te voeren van de dagelijkse door de werknemer vervulde arbeidstijd en de eventueel daaruit voortvloeiende overuren en/of tijd voor tijd uren. Deze administratie dient ten minste te bevatten de elementen genoemd in het arbeidstijdadministratieformulier (bijlage 12).

  • 2. De arbeidstijdadministratie en loonadministratie dienen beide betrekking te hebben op een zelfde tijdvak. De werkgever bepaalt of beide betrekking zullen hebben op een vier-wekelijkse periode dan wel een periode van een maand.

  • 3. Wanneer op één of meer dagen niet wordt gewerkt wegens:

    • vakantie

    • afwezigheid met behoud van loon

    • arbeidsongeschiktheid of afwezigheid ingevolge artikel 20 en 56 van deze overeenkomst wordt ter vaststelling van de werkelijke arbeidstijd voor elk van die dagen genoteerd:

      • a. indien gereden wordt volgens dienstrooster: het aantal uren dat volgens het voor de werknemer geldend dienstrooster zou hebben gegolden;

      • b. indien niet gereden wordt volgens dienstrooster: 8 uren.

Artikel 24 Werktijden

  • 1. Overlegregeling:

  • Op de werkzaamheden van het rijdend personeel, met uitzondering van het groepsvervoer en rekening houdende met het bepaalde in artikel 22, zijn de normen van de overlegregeling in het ATB Vervoer van toepassing.

  • 2. Werktijden voor het groepsvervoer:

  • Ten aanzien van werkzaamheden in het groepsvervoer geldt dat de normen van de standaardregeling in het ATB Vervoer van toepassing zijn, tenzij met de ondernemingsraad of met een personeelsvertegenwoordiging de normen van de overlegregeling (ATB Vervoer), of andere normen worden overeengekomen.

Artikel 25 Mededeling arbeids- en rusttijdenregeling

  • 1. De werkgever is gehouden een arbeidspatroon voor zijn werknemer vast te leggen.

  • 2. Een werkgever die een arbeidspatroon voor de bij hem werkzame werknemer vaststelt of opnieuw vaststelt, deelt dit arbeidspatroon ten minste 28 dagen van tevoren aan die werknemer mede.

  • 3. Indien de aard van de arbeid toepassing van het tweede lid onmogelijk maakt, deelt de werkgever ten minste 28 dagen van tevoren aan de werknemer mede op welke dag de rusttijd, bedoeld in de artikelen 5:3 en 5:4 arbeidstijdenwet, aanvangt. Tevens maakt hij aan die werknemer ten minste 4 dagen van tevoren de tijdstippen bekend waarop hij arbeid moet verrichten.

  • 4. Van het tweede en derde lid kan uitsluitend bij collectieve regeling of, indien geen collectieve regeling van toepassing is dan wel de collectieve regeling geen bepalingen ter zake bevat, telkens met instemming van de betrokken werknemer worden afgeweken.

  • 5. Voor afwijkingen als bedoeld in lid 4 geldt dat met de OR en de regionale Vakbondsbestuurder een andere regeling kan worden overeengekomen voor zover het ATB Vervoer dat niet belet.

Artikel 26 Intrekken vrije dagen

Het intrekken van toegekende vrije dagen is alleen mogelijk als de werknemer daarmee instemt. De werknemer heeft in dat geval recht op een bruto toeslag van f 25,– (EUR 11,34).

Artikel 27 Gebroken diensten

Per week kunnen niet meer dan 2 gebroken diensten verplicht worden opgelegd aan

  • de werknemer die OV dan wel OV ondersteunende werkzaamheden verricht;

  • de werknemer die werkzaam is op basis van een volgebouwd roulerend rooster zoals bij het zogeheten Schipholvervoer het geval is.

Werkgever en werknemer kunnen in onderling overleg anders luidende afspraken maken.

HOOFDSTUK 5 OVERUREN EN TIJD VOOR TIJD

Artikel 28 Definities overuren

  • 1. Niet-rijdend personeel:

  • Overuren zijn uren waarmee de wekelijkse arbeidstijd van 40 uur per kalenderweek wordt overschreden.

  • 2. Rijdend personeel:

  • Overuren zijn uren waarmee de gemiddelde wekelijkse arbeidstijd van 40 uur wordt overschreden. Overuren dienen per betalingsperiode van een kalendermaand of 4 weken berekend te worden, met inachtneming van de rustdagen en eventuele compensatierustdagen als bedoeld in artikel 19 en de tijd voor tijd regeling/overgangsregeling/overwerkregeling.

  • Voor een werknemer met een parttime dienstverband geldt dat overuren de arbeidsuren zijn die boven het contractueel overeengekomen aantal uren uitgaan, met inachtneming van de tijd voor tijd regeling/overgangsregeling/overwerkregeling.

  • 3. Afronding overuren:

  • Bij de toekenning van de in artikel 29 bedoelde vergoeding wordt de duur van het overwerk per betalingsperiode afgerond volgens bijgaand schema:

  • 0 – 14 min. = 0 min.

  • 15 – 44 min. = 30 min.

  • 45 – 60 min. = 60 min.

Artikel 29 Vergoeding overuren

A. Overurentoeslag

Voor ieder overuur wordt vergoed het uurloon vermeerderd met het hieronder genoemde percentage daarvan. Het percentage voor overuren bedraagt:

  • 1. voor niet-rijdend personeel:

    • a. voor overwerk op werkdagen 30%;

    • b. voor overwerk op zaterdagen 50%;

    • c. voor overwerk op zondagen en algemeen erkende feestdagen 100%.

  • 2. voor rijdend personeel:

  • Op alle dagen 35%.

B. Uitzondering van de bepaling inzake de vergoeding van overuren

De bepalingen inzake de vergoeding van overuren worden niet toegepast ten aanzien van:

  • 1. de overuren gemaakt door hen, die bevoegd zijn tot het doen verrichten van overwerk;

  • 2. de overuren gemaakt door hen, die een zelfstandige functie hebben, waarbij geen diensturen zijn vastgesteld;

  • 3. overuren die ontstaan door eigen schuld of toedoen van de werknemer. Dit artikel is geldig van 1 april 2001 tot en met 30 april 2002.

Artikel 30 B Overgangsregeling van de tijd voor tijd regeling naar de overwerkregeling (voor rijdend personeel)

  • 1. Dit artikel is geldig van 1 mei 2002 tot en met 30 april 2003.

  • 2. De eerste 300 overuren in de periode 1 mei 2002 tot en met 30 april 2003 worden aangemerkt als spaaruren à 100%.

  • 3. De uren als genoemd in lid 2 worden in overleg tussen werkgever en werknemer in vrije tijd op standplaats opgenomen in hele of halve dagen (tenzij tussen werkgever en werknemer iets anders wordt overeengekomen).

  • 4. Ieder uur dat de 300-uursgrens overschrijdt is een overuur in de zin van artikel 28.

  • 5. Werkgever en werknemer kunnen met betrekking tot de uren die de 300-uursgrens overschrijden in onderling overleg afspreken dat die uren:

    • volledig worden uitbetaald à 135% of

    • als spaaruren worden aangemerkt à 135% waarbij de werknemer de keuze heeft om de toeslag van 35% in tijd dan wel in geld uitgekeerd te krijgen of

    • worden aangewend om het ouderdomspensioen of het prépensioen aan te vullen of

    • worden vergoed volgens een combinatie van de hierboven genoemde mogelijkheden.

  • 6. De afspraken als in lid 5 bedoeld moeten jaarlijks gemaakt worden en schriftelijk worden vastgelegd.

  • 7. Spaaruren die deel uitmaken van de verplichte eerste 300 spaaruren dienen uiterlijk op 30 april 2003 in vrije tijd te zijn opgenomen.

  • Spaaruren die niet op deze datum in vrije tijd zijn opgenomen, dienen per die datum te worden uitbetaald à 135%.

  • 8. De werkgever dient te zorgen voor een inzichtelijke administratie middels bijvoorbeeld het administratieformulier dat als bijlage 12 bij deze CAO is gevoegd.

  • 9. Deze verplichte spaarurenregeling is niet van toepassing op de werknemer met een volgebouwd roulerend rooster in het Schipholvervoer; voor deze werknemer gelden artikel 24 lid 2 en artikel 25 lid 2.

  • 10. Eventuele minuren op 30 april 2002 mogen worden afgetrokken van de maximaal op te bouwen 300 verplichte spaaruren.

  • Voorbeeld:

  • Het saldo minuren op 30-4-2002 is 100 uur. Het aantal op te bouwen spaaruren in de periode 1 mei 2002 tot en met 30 april 2003 is 300 uur. Het nog te compenseren aantal spaaruren in de periode 1 mei 2002 tot en met 30 april 2003 is 200 uur.

Artikel 31 Schoolvervoer

  • 1. Indien en voor zover de werknemer op parttimebasis uitsluitend schoolvervoer verricht mogen de arbeidsuren en de daarop gebaseerde beloning worden gemiddeld over een periode van maximaal 12 maanden te rekenen vanaf 1 augustus van enig jaar met dien verstande dat per betalingsperiode een evenredig gedeelte van dat jaargemiddelde uitbetaald wordt.

  • Uiterlijk 1 augustus van het daaropvolgend kalenderjaar worden de meeruren uitbetaald. De minder gemaakte uren zijn voor rekening van de werkgever.

  • 2. De hiervoor bedoelde jaarurenregeling mag alleen worden toegepast met goedvinden van de werkgever en werknemer en op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

  • 3. Alvorens het bepaalde in lid 1 toegepast mag worden dient werkgever onder vermelding van het aantal werknemers hiervan mededeling te doen aan CAO Partijen, p/a secretariaat, Postbus 19365, 2500 CJ DEN HAAG, uiterlijk 1 maand na de eerste betalingsperiode.

  • 4. In geval er sprake is van een vorm van vervoer vergelijkbaar met schoolvervoer als bedoeld in de definitie van schoolvervoer (het geregeld vervoer van schoolkinderen, waarbij sprake is van structurele onderbrekingen in het vervoer over vooraf kenbare periodes) kan aan CAO Partijen toestemming worden verzocht om op dat vervoer de jaarurenregeling toe te passen.

HOOFDSTUK 6 TOESLAGEN EN VERGOEDINGEN

Artikel 32 Onderbrekingstoeslag

  • 1. De onderbrekingstoeslag in het kader van artikel 21 C bedraagt per 1-4-2002 f 27,60 (EUR 12,52).

  • 2. De onderbrekingstoeslag als bedoeld in artikel 21 C mag worden verminderd tot f 17,50 (per 1-4-2002) (EUR 7,94) wanneer de werknemer de bus op vrijwillige basis mee naar huis neemt en wel indien:

    • De rit eindigt op of nabij de plaats waar de werknemer woonachtig is en de rit volgend op de onderbreking ook op deze plaats aanvangt; en

    • Het tijdstip waarop de werknemer redelijkerwijs deze plaats kan bereiken niet later is dan indien hij op standplaats zou zijn geëindigd; en

    • De tijd welke aan de werknemer wordt vergoed niet minder is dan het geval zou zijn geweest indien de rit op de standplaats zou zijn geëindigd.

    • De onderbreking plaatsvindt buiten de standplaats.

Artikel 33 Onregelmatigheidstoeslag

  • 1. Technisch en niet-rijdend personeel:

    • a. Voor arbeidsuren van maandag tot en met vrijdag tussen 20.00 en 06.00 uur wordt een onregelmatigheidstoeslag toegekend ten bedrage van:

    • per 1-4-2002: f 2,99 (EUR 1,36) per uur.

    • b. Voor arbeidsuren op zaterdag, zon- en feestdagen liggend tussen 00.00 uur en 24.00 uur wordt een onregelmatigheidstoeslag toegekend ten bedrage van:

    • per 1-4-2002: f 4,49 (EUR 2,04) per uur.

  • 2. Rijdend personeel belast met uitvoering van toerwagenritten, ongeregeld vervoer en pendelvervoer

    • a. Voor werkzaamheden op de zaterdag wordt een onregelmatigheidstoeslag toegekend per 1-4-2002 van f 4,62 (EUR 2,10) per uur met een minimum van f 41,03 (EUR 18,62) per dag.

    • b. Wanneer de werkzaamheden op de zaterdag niet langer dan een halve dag (na berekening van de 5/6 regeling 4 uur of minder) in beslag nemen, bedraagt de toeslag per 1-4-2002: f 4,62 (EUR 2,10) per uur met een minimum van f 20,54 (EUR 9,32) per halve dag.

    • c. Voor werkzaamheden op zon- en feestdagen wordt een onregelmatigheidstoeslag toegekend per 1-4-2002 van f 6,93 (EUR 3,14) per uur met een minimum van f 53,67 (EUR 24,35) per dag.

    • d. Wanneer de werkzaamheden op zon- en feestdagen niet langer dan een halve dag (na berekening van de 5/6 regeling 4 uur of minder) in beslag nemen, bedraagt de toeslag:

    • per 1-4-2002 f 6,93 (EUR 3,14) per uur met een minimum van f 26,84 (EUR 12,18) per halve dag.

    • e. wordt een onregelmatigheidstoeslag toegekend voor werkzaamheden op door de weekse dagen tijdens de nachtelijke uren (00.00 – 06.00 uur):

    • per 1-4-2002 wordt deze toeslag verhoogd naar f 4,62 (EUR 2,10) per uur.

  • 3. Rijdend personeel belast met de uitvoering van groepsvervoer:

    • a. Voor arbeidsuren van maandag tot en met vrijdag, liggende tussen 20.00 en 06.00 uur wordt een onregelmatigheidstoeslag toegekend van:

    • per 1-4-2002: f 2,99 (EUR 1,36) per uur.

    • b. Voor arbeidsuren op zaterdag, zon- en feestdagen, liggende tussen 00.00 en 24.00 uur wordt een onregelmatigheidstoeslag toegekend van:

    • per 1-4-2002 f 4,49 (EUR 2,04) per uur.

Artikel 34 Vergoedingen

  • 1. Vergoeding verblijfkosten:

  • De werknemer, die dienst heeft buiten standplaats anders dan voor de uitoefening van openbaar vervoer, wordt – behoudens de gevallen waarin een afzonderlijke detacheringregeling getroffen is – naar redelijkheid een vergoeding van de werkelijk noodzakelijk gemaakte verblijfkosten toegekend. Van noodzakelijk gemaakte kosten is sprake, wanneer de werknemer redelijkerwijs niet geacht kan worden in staat te zijn geweest in verband met zijn arbeid, thuis de maaltijd te gebruiken of thuis te overnachten respectievelijk brood mee te nemen en wanneer niet op andere wijze hierin is voorzien.

    • Bij een dienst welke aanvangt voor 12.00 uur en eindigt na 20.00 uur wordt ten behoeve van een maaltijd maximaal f 30,– (Eur 13,61) vergoed op basis van een declaratie. Declaratie is alleen mogelijk door overlegging van een bon die voldoet aan de geldende fiscale normen. De vanwege de fiscus opgelegde heffing ( de besparingswaarde) komt in zijn geheel voor rekening van de werkgever.

    • Bij een dienst welke aanvangt op elk willekeurig tijdstip en een diensttijd van 10 uur totaal overschrijdt wordt ten behoeve van een lichte maaltijd of lunch een bedrag van maximaal f 15,– (Eur 6,81) vergoed op basis van een declaratie. Declaratie is alleen mogelijk door overlegging van een bon die voldoet aan de geldende fiscale normen. De vanwege de fiscus opgelegde heffing (de besparingswaarde) komt in zijn geheel voor rekening van de werkgever.

  • 2. Consumptievergoeding bij eendaagse reizen:

  • De werknemer die – anders dan voor de uitoefening van openbaar vervoer – meer dan 4 uur dienst heeft buiten standplaats wordt een consumptievergoeding toegekend ter grootte van de werkelijk gemaakte kosten tot een maximum van f 5,– (EUR 2,27) netto per dag, tenzij hierin op andere wijze is voorzien.

  • 3. Overige beroepskosten:

    • a. Bij meerdaagse ritten heeft de chauffeur die zonder reisleider vervoer van personen verricht ter bestrijding van de extra kosten die voortkomen uit het mede vervullen van de reisleidersfunctie, per dag recht op:

      • een nettovergoeding van f 18,75 (EUR 8.51)

      • een brutovergoeding van f 6,25 (EUR 2.84)

    • De functie van reisleider kan alleen worden vervuld door een persoon die hetzij door de busonderneming danwel door de reisorganisatie daartoe tevoren is aangewezen. Deze aanwijzing moet blijken uit de vooraf verstrekte schriftelijke ritopdracht aan de chauffeur. Bij het ontbreken van zulk een aanwijzing wordt geacht geen reisleider aanwezig te zijn.

    • b. Bij meerdaagse ritten waarbij de autobus met twee chauffeurs is bemand, heeft iedere chauffeur voor de extra kosten recht op een nettovergoeding van f 12,50 (EUR 5,67) per dag.

    • c. Bij meerdaagse ritten uitgevoerd met reisleider, heeft de chauffeur voor de extra kosten recht op een nettovergoeding van f 10,– (EUR 4,54) per dag.

    • d. Geen aanspraak op de vergoeding bestaat, indien de opdrachtgever van de werkgever ten minste de bedragen, genoemd in sub a, b of c aantoonbaar verstrekt aan de werknemer. Bij een lager bedrag dient de werkgever dit tot in het in sub a, b of c genoemde bedrag aan te vullen.

    • e. In geval van pendelvervoer heeft de chauffeur voor de extra kosten recht op een nettovergoeding van f 10,– (EUR 4,54) per dienst.

Artikel 35 Reiskostenvergoeding

  • 1. De werknemer, die dienst heeft buiten standplaats, worden de werkelijk betaalde reiskosten vergoed volgens de fiscaal geldende normen, indien

    • hij niet heeft kunnen reizen met gratis vervoer;

    • hij ook bij tijdige aanvraag niet met gratis vervoer had kunnen reizen.

  • 2. Bij verplaatsing van het bedrijf of bij overplaatsing van werknemers worden gedurende twee jaar de extra kosten voor woon/werkverkeer vergoed volgens de geldende fiscale normen.

  • 3.

    • a. De werknemer belast met de uitvoering van groepsvervoer wiens dienst voor meer dan 3 uur wordt onderbroken, heeft in het tijdvak van onderbreking recht op een vergoeding voor de kosten van woon/werkverkeer.

    • b. De vergoeding als bedoeld in lid 3a bedraagt 18 cent per kilometer, echter tot een maximum van de fiscale regeling woon/werkverkeer.

    • c. Indien de maximale fiscaal vrijgestelde vergoeding wordt verhoogd of verlaagd, wordt de vergoeding bedoeld in lid 3a met nominaal hetzelfde bedrag verhoogd of verlaagd.

    • d. Wanneer de werknemer voor zijn woon/werkverkeer gebruik kan maken van een dienstauto of dienstbus zal de vergoeding als in lid 3 sub a genoemd niet verstrekt worden.

  • 4. Wanneer een werknemer als gevolg van overheidsmaatregelen (zoals tolpoorten, kilometerheffing en dergelijke) met betrekking tot het terugdringen van autogebruik in het woon/werkverkeer te maken krijgt met meerkosten ten opzichte van de situatie voor invoering van de regeling, zal de werkgever de meerkosten binnen de fiscale mogelijkheden van onbelaste vergoedingen, compenseren.

Artikel 36 Diplomatoeslagen

Technisch personeel:

Het bezit van één der navolgende diploma's geeft de betrokkene die monteurwerkzaamheden verricht welke verband houden met dit diploma en met inachtneming van het bepaalde in lid 2, recht op een toeslag zoals hieronder is aangegeven:

a.

 1-4-2002 in f1-4-2002 in EUR
VAM-diploma hulpmonteurf  71,83EUR  32,60
VAM-diploma 2e monteurf 132,30EUR  60,04
VAM-diploma 1e monteurf 258,47EUR 117,29
VAM-diploma monteur motorrijtuigenf 102,76EUR  46,63
VAM-certificaat onderstelmonteur*f  79,86EUR  36,24
VAM-certificaat motormonteur*f  79,86EUR  36,24

* per certificaat

b.

 1-4-2002 in f1-4-2002 in EUR
VEV-diploma, afgegeven door de Vereniging tot Bevordering van elektro-technisch Onderwijsf 132,30EUR 60,04
NVL-diploma, afgegeven door de Nederlandse Vereniging voor Las-techniekf 132,30EUR 60,04
Bemetel-diploma, afgegeven door de Stichting Bedrijfsopleiding Metaal- en Elektrotechnische Industrief 132,30EUR 60,04

c.

 1-4-2002 in f1-4-2002 in EUR
VVA-diploma (gezel), afgegeven door de Vereniging ter Veredeling van het Ambachtf 132,30EUR  60,04
VVA-diploma (meester), afgegeven door de Vereniging ter Veredeling van het Ambacht.f 258,47EUR 117,29
  • 2. Indien door betrokkenen meerdere diploma's vermeld onder a., b. of c. zijn behaald, is van toepassing het verkregen diploma met de hoogste toeslag.

  • 3. Rijdend personeel:

  • De chauffeur die voor 1-1-1986 in de bedrijfstak werkzaam was en die voor die datum in het bezit was van het diploma CCV-B, ontvangt een toeslag van f 55.50 (EUR 25,18) per maand. Deze toeslag is per dezelfde datum op dit niveau bevroren.

HOOFDSTUK 7 UITZONDERINGSBEPALINGEN OPENBAAR VERVOER

Artikel 37 Toepasbaarheid CAO Openbaar Vervoer

Niet de bepalingen in dit hoofdstuk, maar de CAO Openbaar Vervoer is van toepassing op openbaar vervoer, wanneer ten minste 25 fulltime eenheden per jaar in het openbaar vervoer op eigen concessie werkzaam zijn, of wanneer dit vervoer wordt verkregen via onderaanbesteding en de uitvoering geschiedt als ware het een eigen concessie volgens een eigen complete dienstregeling, waarbij de duur van de onderaanbesteding overeenkomt met de concessie-termijn.

Artikel 38 Versterking en vervanging van Openbaar Vervoer

Onder Openbaar Vervoer wordt tevens verstaan: Versterkingsritten Openbaar Vervoer en vervangend NS-vervoer, dit met uitzondering van niet geplande NS-verstoringen (calamiteiten).

Artikel 40 Dienstdoen in openbaar vervoer op de vrije dag

  • 1. Intrekking van een vrije dag vindt slechts plaatsbehoudens in situaties die niet aan de werkgever kunnen worden verweten of door hem waren te voorzien – in overleg met betrokkene.

  • 2. Indien een werknemer, belast met de uitvoering van openbaar vervoer, wegens dienstbelang arbeid moet verrichten op een roostervrije dag, voorkomende in een dienstrooster als bedoeld in artikel 2.4:3 ATB Vervoer, dan wordt hem – met inachtneming van het in lid 3 bepaalde – daarvoor in de plaats terstond een andere roostervrije dag aangewezen, welke binnen 21 kalenderdagen na de oorspronkelijke moet worden genoten en ontvangt hij een toeslag wegens verschuiving van 35% van het dagloon.

  • 3. Kan uit hoofde van dienstbelang geen vervangende vrije dag worden aangewezen, dan dient het werken op een roostervrije dag vergoed te worden met een toeslag van 100% van het uurloon voor elk op die dag gewerkt uur, zonder dat de gewerkte uren voor de overurenberekening, bedoeld in artikel 24, in aanmerking mogen worden genomen. In het geval dat op de vrije dag minder dan 4 uur arbeid wordt verricht, zal een minimum beloning van 4 uur tegen 100% extra worden toegekend.

  • 4. Het in de leden 2 en 3 bepaalde, geldt uitsluitend indien de roostervrije dagen gelegen zijn in de periode van 8 dagen, volgende op de dag waarop de aanzegging om dienst te doen, is gegeven.

  • 5. Het in lid 2 bepaalde geldt niet, indien er sprake is van verschuiving van een roostervrije dag, welke met wederzijds goedvinden heeft plaatsgevonden.

Artikel 41 Onderbrekingstoeslag openbaar vervoer

  • 1. Aan rijdend personeel, belast met de uitvoering van openbaar vervoer, dat daarbij een onderbroken dienst verricht, wordt per onderbroken dienst een toeslag uitbetaald. De toeslag bedraagt per 1-4-2002 f 28,60 (EUR 12,98).

  • 2. Onder een onderbroken dienst wordt verstaan een dienst:

    • a. welke, hetzij voorkomt in een dienstrooster, hetzij wordt verricht op advies van de bedrijfsgeneeskundige; en

    • b. welke onderbroken wordt door één ononderbroken rusttijd op standplaats van ten minste 1 uur en 31 minuten.

Artikel 42 Onregelmatigheidstoeslag openbaar vervoer

  • 1. Per 1-4-2002: f 9,07 (EUR 4,11);

  • per uur voor arbeidsuren van maandag tot en met vrijdag, liggende tussen 19.00 en 07.30 uur.

  • 2. Per 1-4-2002: f 8,37 (EUR 3,80);

  • per uur voor arbeidsuren op zaterdagen.

  • 3. Per 1-4-2002: f 11,66 (EUR 5,29);

  • per uur voor arbeidsuren op zon- en feestdagen en op werkdagen tussen 00.00 en 06.00 uur, indien het een dienst betreft die op een zon- of feestdag is aangevangen.

Artikel 43 Werkgelegenheidsdagen openbaar vervoer

  • 1. Naast de vakantiedagen, vermeld in artikel 54, zullen aan werknemers die openbaar vervoer verrichten 18 werkgelegenheidsdagen worden gegeven. Deze dagen dienen door de werkgever tijdig te worden aangewezen.

  • 2. Ingeroosterde werkgelegenheidsdagen komen bij ziekte op die dagen te vervallen.

  • 3. Voor het overige zijn de bepalingen van artikel 54 van overeenkomstige toepassing op werkgelegenheidsdagen.

HOOFDSTUK 8 ALGEMENE VOORSCHRIFTEN

Artikel 44 Verplichtingen van de werknemer

  • 1. Geheimhouding:

    • a. De werknemer geeft aan zaken, niet voor derden bestemd, op generlei wijze bekendheid, ruchtbaarheid of openbaarheid, noch doet deze geven, met dien verstande dat het vorenstaande niet geldt voor de mededelingen welke krachtens wettelijk, reglementair of ander voorschrift verlangd worden;

    • b. Iedere werknemer is echter met inachtneming van het bovenstaande bevoegd, mededelingen die wensen en bezwaren inhouden, aan de besturen van zijn vakvereniging mede te delen en toe te lichten.

  • 2. Voertuigen, werktuigen, gereedschappen en dienstkleding van de onderneming:

    • I. Ten aanzien van door de werknemer voor gebruik in de dienst ontvangen voertuigen, werktuigen, gereedschappen en dienstkleding is hij verplicht:

      • a. zich naar vermogen ervan te overtuigen dat deze zich bij de ontvangstname in goede staat bevinden;

      • b. op een door de werkgever aan te geven wijze de ontvangst ervan te bevestigen, indien dit door of vanwege de werkgever wordt verlangd;

      • c. deze zorgvuldig te gebruiken en te bewaren;

      • d. vermissing of beschadiging ervan ten spoedigste aan zijn directe chef te melden;

      • e. deze weer terug te geven wanneer hij deze voor zijn dienst niet meer nodig heeft dan wel wanneer hem door of vanwege de werkgever om teruggave wordt verzocht.

    • II. Indien de werkgever kan aantonen, dat vermissing of beschadiging van de in gebruik ontvangen voertuigen, werktuigen, gereedschappen en dienstkleding het gevolg is van onzorgvuldig gebruiken of bewaren door de werknemer, kan deze worden verplicht een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding te voldoen, voor zover de schade niet anderszins volledig verhaald kan worden. Deze schadevergoeding kan niet meer bedragen dan de kostprijs voor herstelling of vervanging.

    • De werkgever dient de werknemer binnen één maand nadat hij van de gebeurtenis kennis heeft genomen, schriftelijk mededeling te doen dat hij schadevergoeding zal eisen. De werkgever zal het bedrag van de schadevergoeding zo snel mogelijk, doch uiterlijk binnen een jaar nadat hij van de gebeurtenis kennis heeft genomen, vaststellen.

  • 3. Toevertrouwde gelden:

  • Ten aanzien van aan de werknemer door de werkgever toevertrouwde of door derden afgedragen gelden, is de werknemer verplicht, indien dit door of vanwege de werkgever wordt verlangd:

    • a. de ontvangst daarvan op de door werkgever aangegeven wijze te bevestigen;

    • b. deze gelden zorgvuldig te bewaren en te gebruiken voor het doel waarvoor zij zijn verstrekt;

    • c. verlies ten spoedigste te melden en de gelden af te dragen, indien hij deze voor zijn dienst niet meer nodig heeft, dan wel telkens wanneer de werkgever daarom verzoekt.

    • d. de werknemer dient verantwoording voor de exploitatie van de bar af te leggen conform de richtlijnen van zijn werkgever.

    • e. de werknemer dient als een goed huisvader voor de aan hem toevertrouwde eigendommen van de werkgever en/of derden te zorgen. De werknemer kan niet schadeplichtig worden gesteld voor het zoekraken van deze aan hem toevertrouwde zaken tenzij het zoekraken het gevolg is van opzet of grove roekeloosheid van de werknemer.

  • 4. Rijvaardigheid beïnvloedende middelen:

  • De werknemer onthoudt zich tijdens de dienst van het gebruik van alcoholhoudende dranken en die middelen die de rijvaardigheid nadelig kunnen beïnvloeden. De werknemer vangt de dienst aan zonder onder invloed van bovengenoemde middelen te zijn.

  • De werknemer zal in voorkomende gevallen met zijn behandelend arts de consequenties bespreken van het gebruik van de rijvaardigheid beïnvloedende geneesmiddelen en de werkgever van de conclusie van de behandelend arts in kennis stellen.

  • 5. Roken

  • Het is de werknemer niet toegestaan om in het voertuig te roken, indien door het gezelschap niet mag worden gerookt.

  • 7. De werknemer verstrekt de werkgever desgevraagd de relevante informatie die nodig is ter vervulling van de wettelijke plicht van de werkgever.

Artikel 45 Verplichtingen van de werkgever

  • 1. Accommodatie

  • Wanneer de werknemer redelijkerwijs niet geacht kan worden thuis te overnachten, dient de werkgever zorg te dragen voor een zodanige accommodatie dat de werknemer in een zo groot mogelijke mate van privacy een ongestoorde dagelijkse rusttijd kan genieten, zodat een goede en veilige uitoefening van zijn functie wordt gewaarborgd. De werknemer heeft hierbij ten minste recht op een éénpersoonskamer met faciliteiten in de vorm van een wasgelegenheid.

  • 2. Wisselplaats

  • De accommodatie op een wisselplaats moet aan de volgende voorwaarden voldoen:

    • De ruimte moet goed geventileerd kunnen worden;

    • De ruimte moet voldoen aan de inrichtingseisen voor kantinegelegenheden, zoals omschreven in de Arbowet;

    • De ruimte is niet bedoeld voor passagiers;

    • De ruimte moet gelegenheid bieden voor het nuttigen van spijzen en dranken;

    • De ruimte moet beschikken over goede sanitaire voorzieningen die ten minste dagelijks en bij frequent gebruik zo vaak als nodig schoongemaakt worden.

  • 3. Barexploitatie

  • De exploitatie van de bar in de bus valt onder de verantwoordelijkheid van de werkgever. De kosten en de opbrengsten van de exploitatie van de bar vallen aan de werkgever toe. De werkgever is verantwoordelijk voor het aanleggen en in stand houden van de voorraden met betrekking tot de exploitatie van de bar. In overleg met de werknemer kan een andere regeling worden overeengekomen.

Artikel 47 Ouderenregeling

  • 1. Verzoek om vrijstelling

  • Vanaf 1 januari 2003 wordt de werknemer van 55 jaar of ouder op diens verzoek vrijgesteld van pendelvervoer en van werkzaamheden in het nachtvenster tussen 02.00 uur en 0.6.00 uur.

  • De werknemer dient uiterlijk op 1 oktober van het jaar voorgaand aan het jaar waarin hij de 55 jarige leeftijd bereikt, dan wel op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin hij van de regeling gebruik wenst te maken, een daartoe strekkend verzoek in bij zijn werkgever.

  • Een eenmaal gemaakte afspraak wordt geacht stilzwijgend te worden verlengd.

  • 2. Compensatie onregelmatigheidstoeslag

  • Indien het gebruik van de ouderenregeling voor de betrokken werknemer op jaarbasis leidt tot lagere verdiensten uit onregelmatigheidstoeslag in vergelijking met de onregelmatigheidstoeslag over het jaar direct voorafgaand aan dat waarin gebruik wordt gemaakt van de ouderenregeling, heeft de werknemer recht op compensatie ORT.

  • 3. Berekening compensatie ORT over refertejaar

  • De compensatie ORT wordt uitgedrukt in een vast bedrag per betalingsperiode.

  • Dit bedrag wordt berekend door de totale verdiensten uit onregelmatigheidstoeslag over het refertejaar (dat is het kalenderjaar direct voorafgaande aan het jaar waarin de werknemer van de ouderenregeling gebruik maakt) te delen door het aantal betalingsperioden (4 weken of maandperioden) waarover inkomen uit arbeid wordt genoten in dat zelfde jaar.

  • 4. Uitbetaling compensatie ORT

  • De compensatie ORT is verschuldigd over iedere loonbetalingsperiode. Aan het eind van ieder kalenderjaar worden de bedragen die zijn uitgekeerd als compensatie ORT samengeteld. Als de verdiensten uit de reguliere onregelmatigheidstoeslag het totaal bedrag aan compensatie ORT over dat kalenderjaar zou hebben overschreden, heeft de werknemer recht op het meerdere. Uitbetaling van dat meerdere dient plaats te vinden in de eerste betalingsperiode van het daaropvolgend kalenderjaar.

  • 5. Indexering compensatie ORT

  • De compensatie ORT wordt op dezelfde wijze geïndexeerd als de reguliere onregelmatigheidstoeslag.

  • 6. Parttimer en compensatie ORT

  • Wanneer de werknemer die gebruik maakt van de ouderenregeling in vergelijking tot het refertejaar contractueel een lager aantal arbeidsuren overeenkomt met zijn werkgever, dient de compensatie ORT naar rato aangepast te worden aan het lagere aantal arbeidsuren.

Artikel 49 Dienstkleding

  • 1. De werknemer dient er gedurende de uitoefening van zijn dienst zorg voor te dragen, dat zowel zijn uiterlijk als kleding voldoen aan de in het bedrijf geldende normen.

  • 2. In geval de werkgever specifieke kleding voorschrijft wordt dit aangemerkt als dienstkleding, welke voor rekening van werkgever komt.

Artikel 50 Medische keuringen

  • 1. De werknemer stelt zich – tenzij hiertegen dwingende bezwaren bestaan – beschikbaar voor elke medische keuring die door de werkgever nodig wordt geacht in verband met het vervullen van de functie, waaronder de intredekeuring, psychotechnisch onderzoek alsmede de keuring ten behoeve van de vijf-jaarlijkse geneeskundige verklaring. De werkgever is gerechtigd daartoe een arts aan te wijzen. De werknemer volgt alle maatregelen op, die op grond van het medisch advies worden aanbevolen.

  • 2. Kosten van de keuringen en van op grond daarvan te treffen maatregelen zijn voor rekening van de werkgever, voor zover daarin niet op andere wijze wettelijk wordt voorzien.

Artikel 52 Eis van dienstbetrekking en informatieplicht

  • 1. Het is de vervoerder verboden besloten busvervoer te verrichten met chauffeurs die niet bij hem in dienstbetrekking zijn.

  • 2. Het in lid 1 genoemde verbod geldt niet in geval van:

    • a. Collegiale inleen van personeel van andere houders van vergunningen voor het verrichten van besloten busvervoer

    • b. Internationaal vervoer van niet-ingezetenen met buitenlandse chauffeurs in opdracht van een buitenlandse onderneming, waarbij vooral te denken is aan zulk vervoer dat in overwegende mate in het buitenland wordt verricht en waarvoor de Minister van Verkeer & Waterstaat onder de werking van de Wet Personenvervoer '88 ontheffing heeft verleend.

    • c. Uitzendkrachten

HOOFDSTUK 9 VERLOF- EN VAKANTIERECHTEN

Artikel 54 Vakantie

  • 1. Ten aanzien van de vakantie gelden – met inachtneming van de leden 2 t/m 7 van dit artikel – de bepalingen zoals deze zijn neergelegd in de wet van 14 juli 1966 tot wettelijke regeling van vakantie met behoud van loon.

  • 2. Het vakantiejaar loopt van 1 januari tot en met 31 december.

  • 3. De normale vakantie per vakantiejaar bedraagt:

  • voor werknemers van 20 jaar en jonger: 24 dagen

  • voor werknemers van 21 tot en met 49 jaar: 23 dagen

  • voor werknemers van 50 tot en met 54 jaar: 24 dagen

  • voor werknemers van 55 tot en met 59 jaar: 26 dagen

  • voor werknemers van 60 jaar en ouder: 27 dagen

  • De peildatum voor het bereiken van de bovengenoemde leeftijden is het jaar waarin men die leeftijd heeft bereikt.

  • 4.

    • a. Overeenkomstig artikel 7: 634 (opbouw vakantierechten) van het Burgerlijk Wetboek heeft de werknemer ten minste aanspraak op vakantie in verhouding tot het verstreken deel van het jaar, indien de dienstbetrekking op enig tijdstip nog geen jaar of niet wederom een jaar heeft geduurd.

    • b. De totale aanspraak op vakantie wordt bij het einde van het vakantiejaar of bij het einde van de dienstbetrekking naar boven afgerond op halve dagen.

  • 5. De werknemer vraagt volgens de daaromtrent door de werkgever gestelde en aan de werknemer ter kennis gebrachte regelen vakantie aan.

  • 6. Behoudens afwijking in gezamenlijk overleg worden, indien daarop krachtens dit artikel aanspraak kan worden gemaakt, 15 werkdagen van de vakantie aaneengesloten genoten en wordt zoveel mogelijk getracht deze dagen te verlenen in de periode van 1 mei tot 30 september. De aaneengesloten vakantie vangt, voorzover de werknemer hierom verzoekt, aan op zaterdag en eindigt op zondag.

  • 7. De werkgever is verplicht aantekening te houden van de door de werknemer opgenomen dagen met behoud van loon, respectievelijk zonder behoud van loon. De aantekeningen zijn zodanig dat daaruit het akkoord van de werknemer blijkt.

  • 9. Vakantie en einde dienstverband:

    • a. De werkgever verstrekt bij het einde van de dienstbetrekking aan de werknemer een verklaring waaruit het aantal bij de beëindiging uitbetaalde vakantiedagen blijkt.

    • b. Voor elke vakantiedag waarop de werknemer bij beëindiging van het dienstverband aanspraak heeft en die niet alsnog wordt genoten, wordt het loon van één dag (8 uur) uitbetaald.

    • c. Onder loon bedoeld onder lid 9b van dit artikel wordt verstaan: het functieloon, verhoogd met voor zover van toepassing diplomatoeslag(en).

    • d. Bij beëindiging van het dienstverband door de werkgever worden de in de laatste zes maanden van ziekte opgebouwde, doch niet genoten vakantie-aanspraken verzilverd overeenkomstig het bepaalde in lid 9b, doch berekend naar het salarisniveau op de dag dat de arbeidsongeschiktheid 1 jaar heeft geduurd.

  • 10. Een vakantie/verlofdag omvat een kalenderdag met daarop volgend 6 uur. Met instemming van de werknemer mag deze 6 uur worden verminderd. Voor de loonberekening van een vakantiedag moet 8 uur in aanmerking worden genomen. Wenst de werknemer een halve vakantiedag op te nemen, dan moet dit samenvallen met een halve kalenderdag, en dienen 4 uur voor de loonberekening in aanmerking genomen te worden.

Artikel 55 Vakantietoeslag

  • 1. Per kalenderjaar heeft de werknemer behoudens het bepaalde in lid 3, recht op een vakantietoeslag van 8% met dien verstande dat het minimumbedrag aan vakantietoeslag over een volledig vakantiejaar gelijk is aan het wettelijk minimum maandloon.

  • 2. Voor werknemers met een dienstverband voor onbepaalde tijd dient de gehele vakantietoeslag te worden uitbetaald voor het opnemen van de aaneengesloten vakantie, doch uiterlijk 31 mei van het kalenderjaar. De loonbedragen per 1 april van elk jaar gelden als berekeningsgrondslag.

  • In afwijking hiervan kan de werkgever aan de werknemer die minder dan 1 jaar in dienst is de vakantietoeslag in ten hoogste twee termijnen betalen, waarvan de laatste termijn uiterlijk in de maand juni dient te vallen.

  • 3. De werknemer met een dienstverband voor bepaalde tijd, heeft recht op 1/12 van de in lid 1 genoemde vakantietoeslag voor de aaneengesloten periodes van 30 dagen, gedurende welke deze overeenkomst op hem van toepassing is. Deze vakantietoeslag dient uiterlijk te worden uitbetaald bij het einde van het dienstverband.

  • 4. Onder het jaarloon in dit artikel wordt verstaan 12x het maandloon, dan wel 13x het vier-wekenloon en diplomatoeslagen.

  • 5. Bij een langdurige ziekte van 1 jaar of langer wordt de in dit artikel bedoelde vakantietoeslag, waarop in de ziekteperiode aanspraak zou kunnen worden gemaakt, verminderd met 1/12 gedeelte voor elke volle kalendermaand dat de ziekte langer dan 1 jaar heeft geduurd.

  • 6. In geval van langdurige ziekte is de werkgever slechts over het eerste jaar van de arbeidsongeschiktheid in de zin van de Ziektewet verplicht 8% vakantietoeslag uit te betalen van het ten laste van de werkgever komende loon, alsmede van de uitkeringen waarop de werknemer tijdens de dienstbetrekking krachtens de Ziektewet aanspraak heeft.

Artikel 56 Werkgelegenheidsdagen

  • 1. Naast de vakantiedagen vermeld in artikel 54 zullen aan alle werknemers met uitzondering van openbaar vervoer personeel (zie artikel 43) vijf werkgelegenheidsdagen worden toegekend.

  • Deze dagen dienen door de werkgever tijdig te worden aangewezen.

  • 2. Ingeroosterde werkgelegenheidsdagen komen bij ziekte op die dagen te vervallen.

  • 3. Voor het overige zijn de bepalingen van artikel 54 van overeenkomstige toepassing op werkgelegenheidsdagen.

Artikel 57 Afwezigheid met behoud van loon

Voor zover het binnen de arbeidstijd noodzakelijk is, wordt afwezigheid met behoud van loon toegestaan:

  • 1.

    • a. bij overlijden van echtgeno(o)t(e) of partner of een inwonend tot het gezin behorend kind, pleegkind of stiefkind van de werknemer, te rekenen van de dag van overlijden af, mits de plechtigheid wordt bijgewoond: 4 dagen;

    • b. bij het huwelijk van de werknemer: 2 dagen;

    • c. bij het overlijden van één van zijn ouders of schoonouders of niet inwonende kinderen, pleegkinderen, stiefkinderen, schoonzoons of schoondochters, mits de plechtigheid wordt bijgewoond: 2 dagen;

    • d. bij het huwelijk van een kind, pleegkind of stiefkind, broer of zuster, zwager of schoonzuster van de werknemer, mits de plechtigheid wordt bijgewoond: 1 dag;

    • e. bij de bevalling van zijn echtgenote of partner: 2 dagen;

    • f. bij het overlijden van een broer, zuster, zwager, schoonzuster, één van de wederzijdse grootouders of een kleinkind van de werknemer, mits de plechtigheid wordt bijgewoond: 1 dag;

    • g. bij priesterwijding of intrede als dominee c.q. ambtsdrager van een kind, pleegkind of stiefkind of broer van de werknemer, en bij de eeuwige kloostergelofte van een kind, pleegkind, stiefkind, broer of zuster van de werknemer, mits de plechtigheid wordt bijgewoond: 1 dag;

    • h. bij 25- of 40-jarige echtvereniging van de werknemer: 1 dag;

    • i. bij 25-, 40-, 50- of 60-jarige echtvereniging van de ouders of schoonouders: 1 dag;

    • j. bij het 25-, 40- of 50-jarige dienstjubileum: 1 dag;

    • k. na opzegging van de dienstbetrekking door de werkgever voor het zoeken van een nieuwe werkgever, indien de werknemer ten minste 6 weken onmiddellijk aan de datum van opzegging voorafgaand onafgebroken bij de werkgever in dienst is geweest: ten hoogste 5 uur, al of niet opeenvolgend;

    • l. bij vervulling van een van overheidswege, zonder geldelijke vergoeding, opgelegde persoonlijke verplichting: de werkelijk benodigde tijd tot ten hoogste 12 uren;

    • m. bij ondertrouw van de werknemer: een halve dag;

    • n. voor het afleggen van een vakexamen: de daarvoor benodigde tijd met een minimum van 1 dag. Onder vakexamen wordt verstaan: een examen als zodanig door de werkgever aangemerkt.

    • o. Wanneer het noodzakelijk is om tijdens de arbeidstijd een arts te bezoeken, dient de werkgever de werknemer daartoe in de gelegenheid te stellen. De werknemer behoudt het recht op loon gedurende deze tijd.

  • 2. Bij verhuizing, anders dan in geval van overplaatsing, aan hen die een eigen huishouding voeren: 2 dagen per kalenderjaar.

  • 3. Voor zover het binnen de arbeidstijd noodzakelijk is, wordt afwezigheid met behoud van loon eveneens toegestaan voor het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van een vakvereniging en wel in de volgende mate;

  • Het hoofdbestuur van de desbetreffende vakvereniging kan per verlofjaar ten hoogste 1 dag zogenaamd organisatieverlof per 10 vakverenigingsleden – naar boven afgerond op tientallen – op wie deze overeenkomst van toepassing is, aanvragen ten behoeve van die leden, die het met genoemde werkzaamheden wenst te belasten, met dien verstande, dat per aangewezen werknemer niet meer dan 20 dagen per verlofjaar mogen worden genoten.

Artikel 58 Afwezigheid zonder behoud van loon

  • 1. Afwezigheid zonder behoud van loon wordt toegestaan voor uitoefening van het lidmaatschap van een openbaar bestuurslichaam en voor herhalingsoefeningen van dienstplichtigen.

HOOFDSTUK 10 ZIEKTE EN ONGEVAL

Artikel 59 Uitkering bij arbeidsongeschiktheid

  • 1.

    • a. Onverminderd het bepaalde in artikel 7:629 BW (recht op loon bij ziekte) heeft de werknemer vanaf de aanvang van de arbeidsongeschiktheid recht op aanvulling van zijn loon c.q. uitkering indien en voor zover op de uitkering aanspraak bestaat tot het volle netto loon

      • gedurende de proeftijd 2 weken;

      • bij een dienstverband van minder dan 1 jaar gedurende 5 weken;

      • bij een dienstverband van 1 jaar 10 weken

      • bij een dienstverband langer dan 1 jaar voor elk vol dienstjaar gedurende 10 weken per dienstjaar met een maximum van 52 weken.

    • Indien na afloop van de proeftijd de arbeidsovereenkomst voortduurt, wordt de aanvullende uitkering ook over een periode van arbeidsongeschiktheid gedurende de proeftijd uitbetaald.

    • b. Ten aanzien van hen die het bedrijf hebben verlaten als gevolg van beëindiging van het dienstverband is lid 1 a van dit artikel niet van toepassing.

    • c. In geval van arbeidsongeschiktheid wordt onder loon in de zin van dit artikel verstaan het nettoloon, vastgesteld op basis van het functieloon verhoogd met:

      • het bedrag dat de betrokken werknemer gemiddeld gedurende de periode van 52 weken voorafgaand aan de arbeidsongeschiktheid heeft genoten aan overuren;

      • diplomatoeslag.

  • 2. De werknemer is verplicht zich te houden aan de door de werkgever gestelde regelingen ter zake van ziek- en betermelding.

  • 3. De werkgever heeft de bevoegdheid om te allen tijde een wachtdag toe te passen.

  • Indien de arbeidsongeschiktheid langer dan zeven dagen aaneengesloten heeft geduurd, zal een eventueel toegepaste wachtdag alsnog worden vergoed.

  • 4. Het in lid 1 van dit artikel bepaalde is niet van kracht indien en voor zover de werknemer met betrekking tot zijn arbeidsongeschiktheid jegens een of meer derde(n) een vordering tot schadevergoeding wegens inkomensderving kan doen gelden.

  • De werkgever heeft een zelfstandig vorderingsrecht op grond van art 6: 107 a lid 2 BW op aansprakelijke veroorzaker van de gekwetste werknemer, die daardoor arbeidsongeschikt is geworden.

Artikel 60 Ziekte en ongeval in het buitenland

  • 1. Indien de werknemer wegens werkzaamheden verbonden aan de uitoefening van zijn beroep buiten Nederland verblijft en aldaar wordt getroffen door ziekte of ongeval, kan hij aanspraak maken op vergoeding van:

    • a. de kosten van geneeskundige verzorging waaraan hij behoefte heeft;

    • b. de kosten van vervoer, voor zover dit vervoer noodzakelijk is om de geneeskundige verzorging te ondergaan;

    • c. de noodzakelijke kosten van onderdak en voeding totdat zijn gezondheidstoestand het hem veroorlooft naar Nederland terug te keren;

    • d. de noodzakelijke kosten van vervoer naar zijn woon- of verblijfplaats in Nederland.

  • 2. De in lid 1 bedoelde aanspraken bestaan niet indien de werknemer aanspraak kan maken op:

    • a. overeenkomstige uitkeringen op grond van enige nationale wetgeving of internationale overeenkomst;

    • b. een uitkering van een voor de werknemer geldende verzekeringsovereenkomst.

  • 3. De werknemer kan geen aanspraak maken op vergoeding van de in lid 1 onder a en b genoemde kosten indien:

    • a. hij zich ter zake van die kosten niet of in onvoldoende mate verzekerd heeft;

    • b. hij door eigen schuld of toedoen geen aanspraken kan ontlenen aan de voor hem geldende verzekering.

  • 4. Indien de werknemer die in de omstandigheden verkeert als omschreven in de aanhef van lid 1, zich in levensgevaar bevindt, kan hij ten behoeve van zijn bloedverwanten in de eerste graad alsmede zijn echtgeno(o)t(e) aanspraak maken op vergoeding van:

    • a. de noodzakelijke kosten van vervoer van hun woonplaats naar zijn verblijfplaats en terug;

    • b. de noodzakelijke kosten van onderdak en voeding, totdat het levensgevaar geweken is.

HOOFDSTUK 11 SLOTBEPALINGEN

Artikel 64 Dispensatie

Partijen bij deze CAO kunnen een werkgever die daarom verzoekt dispensatie verlenen van één of meerdere bepalingen uit deze CAO. Aan een dispensatie worden de volgende voorwaarden verbonden:

  • Dispensatie kan slechts worden afgegeven voor de looptijd van de CAO;

  • Verzoeken tot dispensatie worden alleen in behandeling genomen na instemming van de OR (bij afwezigheid van een OR de personeelsvertegenwoordiging of het gehele personeel) en na advisering door de STO;

  • Aan de dispensatie kunnen overige voorwaarden worden verbonden.

BIJLAGE 1 LONEN VOOR HET NIET-RIJDEND EN TECHNISCH PERSONEEL PER 1-4-2001

Lonen niet rijdend en technisch personeel per 1-4-2002

Maandlonen 2002 in guldens

 IIIIIIIVVVIVIIVIIIIX
02859,973011,763175,663336,263504,563671,763837,864342,754848,74
12942,473111,863275,763440,763603,563771,863972,054476,954986,24
23043,663208,663373,663539,763702,563874,154108,454613,355121,54
33141,563304,363471,563638,763805,963972,054239,354747,545255,74
43240,563408,863568,363736,663906,054073,254375,754885,045385,54
53504,563671,763837,864003,954174,454512,155019,245521,94

Maandlonen 2002 in eur.

01297,801366,681441,051513,931590,301666,171741,541970,652200,26
11335,231412,101486,481561,351635,221711,591802,442031,552262,66
21381,151456,031530,901606,271680,151758,011864,332093,452324,05
31425,581499,451575,331651,201727,071802,441923,732154,342384,95
41470,501546,871619,251695,621772,491848,361985,632216,742443,85
51590,301666,171741,541816,911894,282047,522277,632505,75

Uurlonen 2002 in guldens

016,5017,3818,3319,2520,2221,1922,1425,0627,98
116,9717,9618,9019,8520,7921,7722,9225,8328,78
217,5718,5119,4720,4321,3622,3523,7026,6229,56
318,1319,0720,0321,0021,9622,9224,4627,3930,33
418,7019,6720,5921,5622,5423,5025,2628,1931,07
520,2221,1922,1423,1024,0926,0428,9631,87

Uurlonen 2002 in eur.

07,497,898,318,749,189,6210,0511,3712,70
17,708,158,589,019,439,8810,4011,7213,06
27,978,408,849,279,6910,1410,7512,0813,41
38,238,659,099,539,9710,4011,1012,4313,76
48,498,939,339,7810,2310,6611,4612,7914,10
59,189,6210,0510,4810,9311,8013,1414,46

Tredeverhoging vindt jaarlijks plaats op de datum van indiensttreding indien het dienstverband is ingegaan op de 1e van de maand of, indien het dienstverband is ingegaan op enig andere dag van de maand, op de 1e van de maand volgend op de datum van indiensttreding.

BIJLAGE 2 LONEN VOOR HET RIJDEND PERSONEEL PER 1-4-2002

Maandlonen in guldens per 1-4-2002 uurlonen in guldens per 1-4-2002 maandlonen in eur. per 1-4-2002uurlonen in eur. per 1-4-2002 
Minimum3329,66Minimum19,21Minimum1510,93Minimum8,72
Na 1 jaar3492,46na 1 jaar20,15na 1 jaar1584,81na 1 jaar9,14
Na 2 jaar3673,96na 2 jaar21,20na 2 jaar1667,17na 2 jaar9,62
Na 3 jaar3888,45na 3 jaar22,43na 3 jaar1764,50na 3 jaar10,18
Na 4 jaar4023,75na 4 jaar23,21na 4 jaar1825,90na 4 jaar10,53
Na 5 jaar4156,85na 5 jaar23,98na 5 jaar1886,30na 5 jaar10,88
Na 7 jaar4219,55na 7 jaar24,34na 7 jaar1914,75na 7 jaar11,05
Na 9 jaar4281,15na 9 jaar24,71na 9 jaar1942,70na 9 jaar11,21
Na 11 jaar4413,15na 11 jaar25,46na 11 jaar2002,60na 11 jaar11,55
Na 13 jaar4545,15na 13 jaar26,22na 13 jaar2062,50na 13 jaar11,90
Na 15 jaar4545,15na 15 jaar26,22na 15 jaar2062,50na 15 jaar11,90

BIJLAGE 6 FUNCTIE- EN WERKOMSCHRIJVING TECHNISCH PERSONEEL

Loonschaal II

Hulp-automonteur II

Werkomschrijving:

Het onder toezicht demonteren, reinigen, zo nodig repareren en weer monteren van eenvoudige onderdelen van motor en onderstel.

Het demonteren, herstellen en weer monteren van de meest voorkomende banden. Het verrichten van eenvoudig zacht soldeerwerk, zo nodig onder toezicht.

Het behulpzaam zijn bij de werkzaamheden van de monteurs.

Het kunnen verrichten van eenvoudig bankwerk (vijlen, boren, draadsnijden en tappen).

Loonschaal III

Hulp-automonteur I

Werkomschrijving:

Het demonteren, reinigen, respectievelijk repareren en monteren van eenvoudige auto-organen, zoals wielen, velgen, veren, assen en knaldempers en het kunnen kiezen van het daarvoor benodigde materiaal en gereedschap.

Het onder toezicht opklinken van remvoering.

Het gedeeltelijk zelfstandig, gedeeltelijk onder toezicht eenvoudige werkzaamheden verrichten, zoals aan motorassen, koppeling, versnellingsbak.

Het verrichten van eenvoudig autogeen laswerk en andere werkzaamheden, zoals genoemd bij hulpmonteur II.

Automonteur II

Werkomschrijving:

Het demonteren, reinigen, herstellen en het gedeeltelijk zelfstandig of onder toezicht monteren van de in het bedrijf voorkomende benzine- en/of dieselmotoren en van de eenvoudige organen van het onderstel.

Het systematisch opsporen, zonodig zelf rijdend, en mogelijk verhelpen van normaal voorkomende storingen. Het onder toezicht afstellen van de meest voorkomende verschillende bedieningsorganen, zoals koppeling, remsysteem, stuurinrichting enzovoorts.

Zelfstandig verrichte werkzaamheden zijn onder andere:

  • kleppen schuren en stellen;

  • carburateur reinigen en afstellen;

  • inspuitstukken controleren en eventueel verwisselen;

  • remvoering vernieuwen, reparaties aan remsysteem verrichten, remmen stellen en ontluchten;

  • wielen balanceren;

  • veren vernieuwen;

  • schokbrekers vernieuwen en/of afstellen;

  • eenvoudig las-, soldeer-, bank- en richtwerk, eventueel aan de hand van eenvoudige werktekeningen;

  • eenvoudige reparatie verrichten aan de elektrische installatie en koplampen stellen.

Loonschaal IV

Automonteur I

Werkomschrijving:

Het zelfstandig demonteren, herstellen, monteren en controleren van verschillende soorten benzine- en dieselmotoren en van alle organen van het onderstel. Het lokaliseren, zo nodig rijdend, en verhelpen van de meeste normaal voorkomende motorische, mechanisme en elektrische storingen, bijvoorbeeld:

  • controleren en nastellen van motor en stroomverdeler en brandstofpomp;

  • controleren en nastellen van koppeling, remmen en stuurinrichting;

  • reviseren van de dynamo en startmotor.

Het verrichten van eenvoudig draaiwerk en van voorkomend slijp-, soldeer-, las-, klink- en plaatwerk bij reparatie aan het onderstel of aan de carrosserie.

Hoofdautomonteur II

Werkomschrijving:

Het zelfstandig demonteren, herstellen en monteren van verschillende soorten benzine- en dieselmotoren en van alle organen van het onderstel. Het lokaliseren, zonodig rijdend, en verhelpen van alle normaal voorkomende motorische en elektrische storingen, voorkomend bij:

  • de stuurinrichting;

  • transmissie-organen;

  • het schakelmechanisme;

  • de stroomverdeler;

  • de dynamo;

  • dieselbrandstofapparatuur.

Het verrichten van een complete motorrevisie, uitgezonderd fijnboren en krukas slijpen.

Het gebruiken van testapparaten, beanbrug, wielbalanceerapparatuur en van precisiemeetinstrumenten.

Het uitlijnen van het onderstel en het daarbij voorkomende bankwerk, alsmede las-, plaat-, klink-, slijp-, soldeer- en draaiwerk.

Het lezen van alle voorkomende werktekeningen en het maken van eenvoudige werktekeningen. Het geven van leiding aan monteurs.

Loonschaal V

Hoofd-automonteur I

Werkomschrijving:

Het zelfstandig verrichten van alle voorkomende revisie- en reparatiewerkzaamheden aan alle soorten bedrijfsautomobielen.

Het zelfstandig verrichten van alle werkzaamheden, voorkomend bij om- en nieuwbouw van bedrijfsautomobielen, opleggers en aanhangwagens, kraanmaterieel en dergelijke.

Het lokaliseren, zonodig rijdend, en verhelpen van alle voorkomende motorische, mechanische en elektrische storingen zowel bij bedrijfsautomobielen, opleggers en aanhangwagens als bij elektrische apparaten in de werkplaats.

Het gebruiken van gereedschapswerktuigen zoals draaibank, fraisbank, kleppenslijpmachine en dergelijke. Het geven van leiding aan monteurs, alsmede zorgen voor de werkregeling met de bijbehorende administratie en de materiaal- en gereedschapsuitgifte.

Het eventueel optreden als plaatsvervanger van de chef van de werkplaats. Het lezen van alle voorkomende werktekeningen en het maken van eenvoudige werktekeningen.

BIJLAGE 11 RICHTLIJN FINANCIËLE BIJDRAGE OPLEIDINGSKOSTEN

De CAO Partijen voor het besloten busvervoer stimuleren:

  • De beroepsbegeleidende leerweg Chauffeur Touringcar Reisleider (CTR);

  • Het scholingstraject voor (langdurige) werklozen voor het beroep van Touringcarchauffeur/reisleider.

Beide opleidingen worden namens de CAO Partijen door de Stichting opleidingen voor het besloten busvervoer (de STOBB) financieel ondersteund, met het doel de kosten van de opleiding voor (toekomstig) werknemers en werkgevers in de sector te beperken en de instroom van vakbekwaam personeel te bevorderen.

Ten aanzien van deze opleidingen hebben de CAO Partijen het volgende bepaald:

Overwegende I

Dat de werkgever als bedoeld in artikel 11 van de CAO voor het besloten busvervoer een arbeidsovereenkomst afsluit met

  • een werknemer die in het kader van een scholingstraject voor (langdurig) werklozen een opleiding volgt voor het beroep Touringcarchauffeur/reisleider;

  • een werknemer die de opleiding Chauffeur Touringcar Reisleider volgt in het kader van de beroeps begeleidende leerweg;

Overwegende II

Dat de overheid de Wet Verminderde Afdracht loonbelasting en premies handhaaft, waarbij werkgevers een voordeel van f 4497,78 op jaarbasis kunnen verkrijgen bij een dienstbetrekking van 32 uur per week en een voordeel van f 5060,- bij een dienstbetrekking van 36 uur per week met een werknemer die een opleiding volgt in het kader van een beroeps begeleidende leerweg of een opleiding heeft gevolgd in het kader van een scholingstraject voor werklozen;

Artikel 1

  • 1. De werknemer die in het kader van een scholingstraject voor (langdurig) werklozen een opleiding heeft gevolgd voor het beroep Touringcarchauffeur/reisleider ontvangt van de werkgever salaris conform de Cao voor het besloten busvervoer. Inschaling vindt plaats in de tabel rijdend personeel trede 0.

  • 2. De werknemer die de opleiding Chauffeur Touringcar Reisleider volgt in het kader van de beroeps begeleidende leerweg ontvangt van de werkgever salaris conform de Cao voor werknemers die tevens leerling zijn in het kader van de beroeps begeleidende leerweg Chauffeur Touringcar Reisleider.

Artikel 2

De werkgever dient per werknemer als bedoeld in artikel 1, maandelijks f 406,67 af te dragen gedurende de looptijd van de praktijkovereenkomst van de werknemer die de beroepsbegeleidende leerweg volgt, of gedurende de arbeidsovereenkomst met een werknemer die een scholingstraject voor werklozen volgt.

Artikel 3

Het bedrag genoemd in artikel 2 dient te worden betaald aan de Stichting Opleidingen voor het Besloten Busvervoer, die per kwartaal int, bij voorkeur door middel van automatische incasso.

Artikel 4

Bij voortijdige beëindiging van het arbeidscontract meldt de werkgever dit schriftelijk en aangetekend zowel aan de Vakopleiding Transport en Logistiek alswel aan de Stichting Opleidingen voor het Besloten Busvervoer onder vermelding van de reden van de beëindiging en de laatste bekende gegevens omtrent het woonadres van de werknemer.

Artikel 5

De werkgever is gevrijwaard van het betalen van het bedrag als genoemd in artikel 2 vanaf het moment van ontvangst van de in artikel 4 vermelde gegevens.

Zowel de Vakopleiding Transport en Logistiek als wel de Stichting Opleidingen voor het Besloten Busvervoer dienen de werkgever een ontvangstbevestiging van de gegevens als genoemd in artikel 4 te sturen.

Artikel 6

De STOBB wendt de gelden aan ter dekking van de collectieve uitgaven voor de beroeps begeleidende leerweg Chauffeur Touringcar Reisleider of voor omscholingstrajecten van werklozen tot Touringcarchauffeur/Reisleider.

BIJLAGE 12 ADMINISTRATIEFORMULIER

Maand ........ ........Aantal urenBruto toeslagen/vergoedingenNetto vergoe-dingAantal km voor reiskostenNiet gewerkt wegens
 ABCDEFGH
1        
2        
3        
4        
5        
6        
7        
8        
9        
10        
11        
12        
13        
14        
15        
16        
17        
18        
19        
20        
21        
22        
23        
24        
25        
26        
27        
28        
29        
30        
31        
Totaal  fkm 
 X 5/6X 6/6      
Netto        

Betekenis kolommen

  • A: diensttijd x 5/6

  • B: diensttijd x 6/6

  • C: onregelmatigheidstoeslag (artikel 33 en 42)

  • D: onderbrekingstoeslag (artikel 21, 32 en 41)

  • E: bruto kostenvergoeding (artikel 34)

  • F: netto kostenvergoeding (artikel 34)

  • G: vergoeding kilometers woon/werkverkeer (artikel 35.3)

  • H: niet gewerkt wegens: in kolom B

    • c compensatie rustdag: 4/8 uur

    • f feestdag: 8 uur

    • g compensatie feestdag: 4/8 uur

    • r rustdag: 0 uur

    • t tijd voor tijd/spaaruren: 4/8 uur

    • v vakantiedag: 4/8 uur

    • w werkgelegenheidsdag 8 uur

    • z ziek 8 uur

Berekening tekort rustdagen en overuren (tijd voor tijd)

Totaal uren (A + B)[.....]
Af: tekort rustdagen ..... x 8 uur *[.....]
Saldo[.....]
af: contractueel vastgelegd aantal uren[173,3]
Saldo[.....]
Af: deze periode betaalde overuren/tijd voor tijd[.....]
Saldo naar tijd voor tijd/spaaruren **[.....]

Te goeden:

1)saldo compensatierustdagenvorige periode[.....]
 bij: tekort rustdagen deze periode (zie *)[.....]
   
 Saldo[.....]
 Af: deze periode gecompenseerd[.....]
   
 nieuw tegoed[.....]
   
2)saldo tijd voor tijd (spaaruren) vorige periode[.....]
 bij: resultaat deze periode (zie **)[.....]
   
 saldo[.....]
 af: gecompenseerd deze periode[.....]
   
 nieuw tegoed[.....]
   
3)saldo vakantiedagen vorige periode[.....]
 bij: deze periode[.....]
   
 saldo[.....]
 af: deze periode genoten[.....]
   
 nieuw tegoed[.....]
   
4)saldo werkgelegenheidsdagenvorige periode[.....]
 bij: werkgelegenheidsdagen deze periode[.....]
   
 saldo[.....]
 af: deze periode genoten[.....]
   
 nieuw tegoed[.....]
   
5)saldo compensatiefeestdagen vorige periode[.....]
 bij: compensatiefeestdagen deze periode[.....]
   
 saldo[.....]
 af: deze periode genoten[.....]
 nieuw tegoed[.....]

Toelichting op het registratieformulier:

Het registratieformulier dient per chauffeur, permaand (of per 4 weken) ingevuld te worden. Het formulier bestaat uit een schema met 9 kolommen en daarnaast een toelichting op de verschillende kolommen alsmede de mogelijkheid om bepaalde saldi bij te houden voor verschillende soorten vrije dagen die een chauffeur nog tegoed heeft.

  • In de eerste kolom van het schema, onder maand, vult men het nummer van de maand in waarop de registratie betrekking heeft; 1 voor januari, 2 voor februari enz. tot en met 12 voor december.

  • Direct achter de dagen van de maand, reeds genummerd van 1 tot en met 31, geeft men met een „z" de zaterdagen en zondagen en de feestdagen die eventueel in de maand voorkomen aan.

  • In de tweede kolom onder A dienen de bruto uren (de werkelijk gewerkte uren) ingevuld te worden die zijn besteed aan de soorten vervoer die onder de 5/6 regeling vallen. Dit zijn: toerwagenritten, ongeregeld vervoer, pendelvervoer, de eerste en de laatste dag van een meerdaagse reis (Let op: minimaal 8 uur netto!!) en de overige werkzaamheden als het schoonmaken en klein onderhoud aan de eigen bus voor zover voorafgaand of na afloop van een rit die onder de 5/6 regeling valt.

  • Onder aan de kolom komt het totaal aantal bruto uren te staan. Dit aantal moet vermenigvuldigd worden met 5/6. Het netto aantal uren is het resultaat.

  • In de derde kolom onder B dienen de uren ingevuld te worden die zijn besteed aan werkzaamheden die onder de 6/6 regeling vallen. Het gaat hierbij om uren besteed aan: groepsvervoer, openbaar vervoer, de tussenliggende dagen van een meerdaagse reis à 8 uur en overige werkzaamheden (als het schoonmaken en klein onderhoud aan de eigen bus gekoppeld aan een rit die onder de 6/6 regeling valt, of bijvoorbeeld een garagedienst, schoonmaken van meerdere bussen en dergelijke)

  • In de vierde kolom onder C dienen de van toepassing zijnde onregelmatigheidstoeslagen uit artikel 33 of artikel 42 ingevuld te worden. Let op de toeslagen voor het toervervoer. Deze worden per uur berekend, maar moeten vergeleken worden met de hele (meer dan 4 uur netto) of halve (4 uur netto of minder) toeslagen uit het verleden.

  • In de vijfde kolom onder D moet de eventueel van toepassing zijnde onderbrekingstoeslag voor groepsvervoer, gecombineerd vervoer of openbaar vervoer (artikel 32 en artikel 41) worden ingevuld. In artikel 21 C is na te lezen wanneer een onderbrekingstoeslag van toepassing is. Dit artikel wordt in de toelichting met voorbeelden verduidelijkt.

  • In de kolom onder E dient de geldende bruto kostenvergoedingen aangegeven te worden.

  • Het bedrag dat hier moet worden ingevuld is f 6,25 (EUR 2.84) bij een meerdaagse reis zonder reisleider bij één chauffeur.

  • In de kolom onder F dienen de geldende netto kostenvergoedingen aangegeven te worden.

  • De bedragen die hier kunnen worden ingevuld zijn:

    • f 18,75 bij meerdaagse reis zonder reisleider, één chauffeur

    • f 12,50 bij meerdaagse reis zonder reisleider, twee chauffeurs

    • f 10,00 bij meerdaagse reis met reisleider, één of twee chauffeurs

    • f 10,00 bij pendelvervoer, per chauffeur, per dienst

  • In de kolom onder G dient het aantal kilometers dat in aanmerking komt voor een vergoeding van de kosten van woon/werkverkeer in het kader van artikel 35 lid 3 genoteerd te worden.

  • In de laatste kolom onder H dient aangegeven te worden, als er niet of slechts een halve dag gewerkt is, wat de reden daarvan is. Er zijn verschillende lettercodes mogelijk:

    • c

      • = compensatie rustdag. Als in het verleden in enige maand te weinig rustdagen genoten zijn en er wordt een niet genoten rustdag gecompenseerd, moet een c ingevuld worden in de laatste kolom en onder kolom B 8 uur worden ingevuld (Bij een halve compensatie rustdag 4 uur).

    • f

      • = feestdag. Als op een feestdag niet door de chauffeur wordt gewerkt moet in de laatste kolom een f en onder kolom B 8 uur ingevuld worden.

      • Wordt op een feestdag wel gewerkt, dan ontstaat een compensatie feestdag en mag geen f in de laatste kolom ingevuld worden !! In dat geval moet het aantal gewerkte uren onder kolom A of kolom B ingevuld worden, en het dient het saldo compensatie feestdagen aangepast te worden.

    • g

      • = compensatie feestdag. Als in het verleden op een feestdag is gewerkt is een compensatie feestdag opgebouwd. Wanneer deze aan de chauffeur wordt teruggegeven in vrije tijd dient in de laatste kolom een g en onder kolom B 8 uur ingevuld te worden (Bij een halve compensatie feestdag 4 uur).

    • r

      • = rustdag. Per maand heeft een chauffeur recht op 8 2/3 rustdag. Wordt een rustdag genoten, dan moet in de laatste kolom een R ingevuld worden. De andere kolommen blijven leeg, er wordt nergens 8 uur ingevuld.

    • t

      • = tijd voor tijd dag of spaaruurdag. Indien vrijaf wordt gegeven in het kader van tijd voor tijd/spaaruren moet in de laatste kolom een t ingevuld worden en onder kolom B 4 of 8 uur.

    • v

      • = vakantiedag. Indien vrijaf wordt gegeven in het kader van vakantie of bijvoorbeeld een snipperdag, moet in de laatste kolom een v en in de kolom onder B 4 of 8 uur ingevuld worden.

    • w

      • = werkgelegenheidsdag. Wanneer de werknemer vrijaf geniet in het kader van een werkgelegenheidsdag dan dient in de laatste kolom een w en in de kolom onder B 8 uur ingevuld te worden.

    • z

      • = ziek. Indien de werknemer ziek is, dient in de laatste kolom een z en in de kolom onder B 8 uur ingevuld te worden. Is een werknemer ziek op een eerder overeengekomen werkgelegenheidsdag, dan komt in de laatste kolom naast een z ook een w te staan. Wanneer de werknemer ziek is op een rustdag, dient naast een z ook een r in de laatste kolom ingevuld te worden. In dat geval dient onder kolom B geen 8 uur ingevuld te worden.

Het is mogelijk om compensatiedagen, compensatie feestdagen, tijd voor tijd dagen/spaaruurdagen en vakantiedagen in halve dagen op te nemen. Wordt een halve dag vrijaf gegeven, dan dient in de laatste kolom een 1/2 c, 1/2 g, 1/2 t of een 1/2 v ingevuld te worden, afhankelijk van het soort dag dat het betreft.

Het is niet mogelijk om halve rustdagen, halve werkgelegenheidsdagen, of halve feestdagen terug te geven aan de chauffeur!!

Een halve vrije dag kan alleen gegeven worden als niet meer dan 5 uur groepsvervoer, of 6 uur toervervoer (5 uur netto arbeidstijd) is verricht op dezelfde dag.

Naast het invullen van het schema, moeten er in de arbeidstijdadministratie verschillende saldi aan tegoed vrije dagen bijgehouden worden. Het gaat daarbij om:

  • 1. het tegoed compensatierustdagen

  • 2. het tegoed tijd voor tijd/spaaruren (in uren!!)

  • 3. het tegoed vakantiedagen,

  • 4. het tegoed werkgelegenheidsdagen,

  • 5. het tegoed compensatie feestdagen.

II. Het is de werkgever toegestaan om in het kader van een verzoek om ontheffing als bedoeld in artikel 8, derde lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945, af te wijken van de onder I opgenomen bepaling(en) houdende een mutatie van het loon voorzover de onverkorte toepassing van die bepaling(en) de verlening van een ontheffing in de weg zou staan om reden dat de personeelskosten van de betrokken onderneming onvoldoende zijn gematigd.

III. Indien en voor zover de onder I opgenomen bepalingen strijdig zijn met bij of krachtens de wet gestelde of te stellen regelen, prevaleren deze regelen.

IV. Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na die van publicatie in de Staatscourant en heeft geen terugwerkende kracht.

V. Dit besluit wordt gepubliceerd door plaatsing in een bijvoegsel bij de Staatscourant.

's-Gravenhage, 7 oktober 2002

P. B. Koster.


XNoot
1

U bent hiertoe niet verplicht. De STO zal van dit nummer ook gebruik maken bij de controle op de naleving van de CAO in het bedrijf waarin u werkzaam bent. Het is niet uitgesloten dat in bijzondere gevallen informatie-uitwisseling met de IVW, het GAK, het Bedrijfspensioenfonds, het FSO en de belastingdienst plaatsvindt. Indien door u het fiscaal-nummer niet wordt vermeld, krijgt u van de STO een uniek nummer toegewezen, dat dezelfde controlemogelijkheden biedt.

Naar boven