Verlening winningsvergunning

Wintershall Noordzee B.V. c.s. (blok F16)

9 augustus 2002

nr. ME/EP/UM/02033418

De Minister van Economische Zaken,

Gelezen de aanvraag van 22 mei 2001 van Wintershall Noordzee B.V., gevestigd te 's-Gravenhage, mede namens GDF Production Nederland B.V., gevestigd te Zoetermeer, om een winningsvergunning ingevolge artikel 2, eerste lid, juncto artikel 13, eerste lid, van de Mijnwet continentaal plat voor koolwaterstoffen voor blok F16, welk blok is aangegeven op de als bijlage I bij de Regeling vergunningen koolwaterstoffen continentaal plat 1996 (Stcrt. 93) gevoegde kaart, zoals gewijzigd bij besluit van 17 oktober 1998, nr. 98048197 WJA/W (Stcrt. 210);

Overwegende, dat aanvrager heeft verzocht, voor het geval bij de verlening van de gevraagde winningsvergunning gebruik wordt gemaakt van de in artikel 11, tweede lid, onder a, van de Mijnwet continentaal plat bedoelde bevoegdheid, toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 4.14, eerste lid, van het Besluit vergunningen continentaal plat 1996 (Stb. 212);

Overwegende, dat aanvrager tevens heeft verzocht om toepassing van artikel II van het Besluit van 26 maart 1996 tot wijziging van het Besluit vergunningen koolwaterstoffen continentaal plat 1996 (willekeurige afschrijving) (Stb. 214), in werking getreden bij wet van 5 maart 1998 (Stb. 149);

Overwegende, dat aanvrager tevens heeft verzocht om de aangevraagde winningsvergunning, nadat deze is verleend, krachtens artikel 18 van de Mijnwet continentaal plat te wijzigen in die zin dat de aan de vergunning verbonden voorschriften ten aanzien van het door de vergunninghouder verschuldigd zijn van cijns, zoals die zijn neergelegd in de artikelen 3.4 tot en met 3.12 van het Besluit vergunningen koolwaterstoffen continentaal plat 1996 (Stb. 212), komen te vervallen;

Overwegende, dat aanvrager tot slot heeft verzocht om de aangevraagde winningsvergunning, nadat deze is verleend, krachtens artikel 18 van de Mijnwet continentaal plat te wijzigen in die zin dat de aan de vergunning verbonden voorschriften ten aanzien van de vaststelling van het door de vergunninghouder verschuldigde winstaandeel zoals die zijn neergelegd in de artikelen 3.13 tot en met 3.22 van het Besluit vergunningen koolwaterstoffen continentaal plat 1996 (Stb. 212), worden vervangen door de voorschriften zoals die zijn neergelegd in de artikelen 12 tot en met 21 van artikel III van het koninklijk besluit van 27 januari 1967 (Stb. 24);

Overwegende, dat ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Mijnwet continentaal plat juncto artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht kennis is gegeven van de aanvraag in de Staatscourant van 3 oktober 2001, ME/EP/MA-010031302, (Stcrt. 191);

Overwegende, dat ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Mijnwet continentaal plat juncto artikel 3:11 van de Algemene wet bestuursrecht de zakelijke inhoud van de aanvraag gedurende vier weken na de datum van bovenbedoelde kennisgeving voor belanghebbenden ter inzage heeft gelegen;

Overwegende, dat gedurende vier weken na bedoelde kennisgeving niemand op grond van artikel 3:13 van de Algemene wet bestuursrecht zijn/haar zienswijze over de aanvraag naar voren heeft gebracht;

Overwegende, dat aanvrager met gebruikmaking van de bij beschikking van de Minister van Economische Zaken van 16 augustus 1996, nr. E/EOG/MW/96050696, (Stcrt. 172), verleende opsporingsvergunning voor koolwaterstoffen voor blok F16 koolwaterstoffen in een economische hoeveelheid heeft aangetoond, zodat hem op zijn aanvraag een vergunning voor het winnen van genoemde delfstoffen dient te worden verleend, tenzij weigering van de vergunning wordt gerechtvaardigd door een wijziging in de technische of financiële mogelijkheden van aanvrager of door de manier waarop hij voornemens is in het gebied, waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, te verrichten;

Overwegende, dat van een dergelijke wijziging in de mogelijkheden van aanvrager niet is gebleken;

Overwegende, dat de manier waarop aanvrager voornemens is de winning in het gebied, waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, te verrichten evenmin aanleiding geeft tot weigering van de gevraagde vergunning;

Gehoord de Mijnraad (advies van 4 april 2002, kenmerk MIJR/02013082);

Gelet op de artikelen 2, 7, 7a, eerste, derde en vierde lid, 8 en 10, tweede en derde lid, 11 en 13, eerste en tweede lid, van de Mijnwet continentaal plat, de artikelen 3.1, 4.1, en 4.14 van het Besluit vergunningen koolwaterstoffen continentaal plat 1996 (Stb. 212), de artikelen 3.1, tweede lid, 4.11, 5.1 en 5.7 van de Regeling vergunningen koolwaterstoffen continentaal plat 1996 (Stcrt. 93), alsmede op de beleidsregels van de Minister van Economische Zaken vastgesteld bij het besluit van 29 juni 2000/WJZ 00041153 (Stcrt. 124);

Besluit:

Artikel I

Artikel 1

1. Aan Wintershall Noordzee B.V., gevestigd te 's-Gravenhage, en GDF Production Nederland B.V., gevestigd te Zoetermeer, wordt een winningsvergunning verleend voor koolwaterstoffen, alsmede voor andere daarmee tezamen in dezelfde afzetting voorkomende delfstoffen, waarvan de samenhang met vorengenoemde bitumina hun gelijktijdige winning onvermijdelijk maakt;

2. De vergunning geldt voor het blok F16 zoals aangegeven op de kaart, die als bijlage I is gevoegd bij de Regeling vergunningen koolwaterstoffen continentaal plat 1996 (Stcrt. 93), zoals gewijzigd bij besluit van 17 oktober 1998, nr. 98048197 WJA/W (Stcrt. 210).

Artikel 2

De vergunning wordt verleend met de beperkingen en voorschriften die zijn opgenomen in:

a. de artikelen 2.6, 3.2 tot en met 3.28, 4.2 tot en met 4.5, 4.7 tot en met 4.9 en 4.14 tot en met 4.17 van het Besluit vergunningen koolwaterstoffen continentaal plat 1996, waarbij aan artikel 3.13, eerste lid, een zin wordt toegevoegd luidende: “In afwijking van de eerste volzin kan de afschrijving van aanschaffings- of voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen willekeurig geschieden, voor zover die wijze van afschrijven in het kader van de belastingheffing is toegestaan op grond van artikel 3.31, 3.33 of 3.34 van de Wet inkomstenbelasting 2001.”;

b. de artikelen 4.3, 4.5 tot en met 4.8, 4.13 en 5.2 tot en met 5.6 van de Regeling vergunningen koolwaterstoffen continentaal plat 1996;

c. de hiernavolgende artikelen 3 en 4.

Artikel 3

De Vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Energie Beheer Nederland B.V., gevestigd te Heerlen, wordt aangewezen als deelnemer in de vennootschap, die wordt opgericht in overeenstemming met het voorschrift dat aan deze vergunning is verbonden en dat staat vermeld in artikel 4.2, eerste lid, onder a, van het Besluit vergunningen koolwaterstoffen continentaal plat 1996 (Stb. 212).

Artikel 4

De vergunning geldt, tenzij zij eerder wordt ingetrokken of vervalt, vanaf het tijdstip van van krachtwording tot dertig jaren, nadat zij onherroepelijk is geworden.

Artikel II

De bij artikel I verleende vergunning wordt gewijzigd als volgt:

A

De aan de vergunning verbonden voorschriften, welke voorschriften zijn opgenomen in de artikelen 3.4 tot en met 3.12 van het Besluit vergunningen koolwaterstoffen continentaal plat 1996 (Stb. 212), komen te vervallen.

B

De aan de vergunning verbonden voorschriften, welke voorschriften zijn opgenomen in de artikelen 3.13 tot en met 3.22 van het Besluit vergunningen koolwaterstoffen continentaal plat 1996 (Stb. 212), worden vervangen door de voorschriften die zijn opgenomen in de in artikel III van het koninklijk besluit van 27 januari 1967 (Stb. 24) vermelde artikelen 12 tot en met 21, zoals dat besluit luidde na wijziging bij koninklijk besluit van 11 juni 1974 (Stb. 378).

C

Aan het voorschrift, dat inhoudelijk gelijk is aan artikel III, onder artikel 12, van het koninklijk besluit van 27 januari 1967 (Stb. 24), zoals dat besluit luidde na wijziging bij koninklijk besluit van 11 juni 1974 (Stb. 378), wordt aan het slot van het eerste lid een zin toegevoegd luidende: `In afwijking van de eerste volzin kan de afschrijving van aanschaffings- of voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen willekeurig geschieden, voor zover die wijze van afschrijven in het kader van de belastingheffing is toegestaan op grond van artikel 3.31, 3.33 of 3.34 van de Wet inkomstenbelasting 2001.'

D

Het aan de vergunning verbonden voorschrift, welk voorschrift is opgenomen in artikel 3.28 van het Besluit vergunningen koolwaterstoffen continentaal plat 1996 (Stb. 212), zal luiden als volgt: `Overtreding van artikel 2.6, 3.2, 3.3, 3.25 of 3.26, alsmede van het in artikel III van het koninklijk besluit van 27 januari 1967 (Stb. 24) vermelde artikel 16, 17, 18, 20 of 21, zoals dat besluit luidde na wijziging bij koninklijk besluit van 11 juni 1974 (Stb. 378), is een grond voor het intrekken van de vergunning.'

E

Het aan de vergunning verbonden voorschrift, welk voorschrift is opgenomen in artikel 3.23 van het Besluit vergunningen koolwaterstoffen continentaal plat 1996 (Stb. 212), zal worden gewijzigd als volgt: `artikel 3.13, eerste lid' wordt vervangen door `het in artikel III van het koninklijk besluit van 27 januari 1967 (Stb. 24) vermelde artikel 12, eerste lid'.

Artikel III

De vergunninghouder is verplicht de ingevolge de vergunning verschuldigde bedragen te voldoen door storting bij de Rabobank International te Utrecht ten gunste van 's Rijks schatkist onder vermelding van `betaling oppervlakterecht winningsvergunning ministerie van Economische Zaken, nr. ME/EP/UM/02033418'.

Deze beschikking wordt bekendgemaakt door toezending aan de aanvrager. Van deze beschikking wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant. Daarin zal tevens worden bekendgemaakt wanneer zij van kracht is geworden.

's-Gravenhage, 9 september 2002.
De Minister van Economische Zaken,namens deze:
J.C. De Groot, directeur Energieproductie.

Tegen dit besluit kan degene wiens belang rechtstreeks bij dit besluit is betrokken binnen 6 weken na de dag van verzending van dit besluit een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de Minister van Economische Zaken, Directie Wetgeving en Juridische Zaken, Postbus 20101, 2500 EC, 's-Gravenhage. Dit besluit is verzonden op de in de aanhef vermelde datum.

Naar boven