Besluit van de voorzitter van het centraal stembureau ter benoeming
van een lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, noodzakelijk geworden
door het openvallen van een plaats in dat orgaan (KR2002/81680)
De voorzitter van het centraal stembureau voor de verkiezing van de leden
van de Tweede Kamer der Staten-Generaal;
Gezien de bij hem op 23 juli 2002 ingekomen brief van de voorzitter van
de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 23 juli 2002, houdende mededeling
dat L.M.L.H.A. Hermans, wonende te Beetsterzwaag, ontslag neemt als lid van
dat orgaan met ingang van 25 juli 2002;
Overwegende:
dat blijkens het besluit van het centraal stembureau van 21 mei 2002,
L.M.L.H.A. Hermans, wonende te Beetsterzwaag, benoemd is verklaard op het
stel gelijkluidende lijsten nr. 2 van lijstengroep 2;
dat ingevolge artikel W 2 van de Kieswet de volgende kandidaten buiten
rekening worden gelaten op grond van de daarbij vermelde omstandigheden:
H.F. Dijkstal te Wassenaar, G. Zalm te 's-Gravenhage, A. Jorritsma-Lebbink
te Bolsward en E.G. Terpstra te 's-Gravenhage, aangezien zij reeds lid zijn
van de Tweede Kamer der Staten-Generaal;
H.G.J. Kamp te Borculo, aangezien van hem een schriftelijke verklaring
is ontvangen dat hij niet voor benoeming in aanmerking wenst te komen;
L.M.L.H.A. Hermans te Beetsterzwaag, aangezien het zijn vacature betreft;
A.H. Korthals te Rotterdam, aangezien van hem een schriftelijke verklaring
is ontvangen dat hij niet voor benoeming in aanmerking wenst te komen;
F.H.G. de Grave te Amsterdam, J.J. van Aartsen te 's-Gravenhage en W.C.G.
Voûte-Droste te Aerdenhout, aangezien zij reeds lid zijn van de Tweede
Kamer der Staten-Generaal;
J.W. Remkes te Groningen, aangezien van hem een schriftelijke verklaring
is ontvangen dat hij niet voor benoeming in aanmerking wenst te komen;
C.G.A. Cornielje te Zwolle, aangezien hij reeds lid is van de Tweede Kamer
der Staten-Generaal;
J.F. Hoogervorst te 's-Gravenhage, aangezien van hem een schriftelijke
verklaring is ontvangen dat hij niet voor benoeming in aanmerking wenst te
komen;
H.A.L. van Hoof te Alkmaar, A.M. van Blerck-Woerdman te Tilburg, G.M.
de Vries te 's-Gravenhage, W.I.I. van Beek te Maarheeze, J.M. de Vries te
's-Gravenhage, P.H. Hofstra te Paterswolde, F.W. Weisglas te Rotterdam, J.
Rijpstra te Meppel, B.M. de Vries te Almere en A.J. te Veldhuis te Middelburg,
aangezien zij reeds lid zijn van de Tweede Kamer der Staten-Generaal;
A. Nicolaï te Amstelveen, aangezien van hem een schriftelijke verklaring
is ontvangen dat hij niet voor benoeming in aanmerking wenst te komen;
P.J.L. Verbugt te Helden, R. Luchtenveld te Amersfoort, G.J. Oplaat te
Markelo, J.H. Klein Molekamp te Rhoon en J.D. Blaauw te Zeist, aangezien zij
tot lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal benoemd zijn verklaard, terwijl
over hun toelating als lid nog niet is beslist;
dat, gelet op de artikel W 1 van de Kieswet, thans voor benoeming in aanmerking
komt G. Wilders, wonende te Venlo;
Verklaart dientengevolge G. Wilders, wonende te Venlo, benoemd tot lid
van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.