Wijziging Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen

Regeling tot wijziging van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen in verband met de implementatie van de tweejaarlijkse revisie van de Europese Overeenkomst betreffende het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (ADR) en de implementatie van richtlijn nr. 2001/7/EG.

4 december 2001

Nr. DGG/J-01/000738

Directoraat-Generaal Goederenvervoer

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

Gelet op richtlijn nr. 2001/7/EG van de Commissie van de Europese Unie van 29 januari 2001 houdende derde aanpassing aan de technische vooruitgang van richtlijn nr. 94/55/EG van de Raad van de Europese Unie betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (PbEG L 30) en op de artikelen 2 en 5 van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen;

Besluit:

Artikel I

De Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 3 wordt `vervoer over de weg' vervangen door: vervoer over land.

B

Artikel 5 vervalt.

C

Bijlage 1 wordt vervangen door bijlage 1 bij deze regeling.

D

Bijlage 2 wordt vervangen door bijlage 2 bij deze regeling.

E

Bijlage 3 wordt vervangen door bijlage 3 bij deze regeling.

Artikel II

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van bijlage 1, die ter inzage wordt gelegd bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

De Minister van Verkeer en Waterstaat,T. Netelenbos.

1. Stcrt. 1998, 241; laatstelijk gewijzigd bij ministeriële regeling van 15 maart 2001 (Stcrt. 59).

Bijlage 2, bedoeld in artikel I, onderdeel D

Bijlage 2, bedoeld in artikel 2, onderdeel b van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen

AANVULLENDE VOORSCHRIFTEN

Hoofdstuk I. Bepalingen voor uitsluitend binnenlands vervoer

Artikel 1 Toepassingsbereik

Dit hoofdstuk is van toepassing op vervoer van gevaarlijke stoffen dat uitsluitend binnen Nederland plaatsvindt, en heeft voorrang boven bijlage 1.

Artikel 2 Implementatie van richtlijn 94/55/EG betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lid-staten inzake het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg

1. De Minister kan tijdelijk ontheffing of vrijstelling van bijlage 1 verlenen, indien het betreft proefnemingen die nodig zijn om bepalingen van die bijlage te kunnen wijzigen met het oog op de aanpassing ervan aan de technische of industriële ontwikkelingen. Van een dergelijke vrijstelling of ontheffing doet de Minister mededeling aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen.

2. De ontheffingen en vrijstellingen, bedoeld in het eerste lid, worden verleend zonder onderscheid naar nationaliteit of vestigingsplaats van de verzender, de vervoerder of de ontvanger, hebben een looptijd van ten hoogste vijf jaar en zijn niet hernieuwbaar.

3. Ontheffing van deze regeling als bedoeld in artikel 9 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, anders dan bedoeld in de eerste twee leden, verleent de Minister slechts, indien deze ontheffing betrekking heeft op één geval dat naar zijn oordeel duidelijk omschreven en in tijd beperkt is.

Artikel 3 N-bepalingen

De N-bepalingen in dit hoofdstuk:

a. zijn een aanvulling op bijlage 1; of

b. treden, voor zover zij met de overeenkomstig genummerde bepalingen van bijlage 1 niet overeenstemmende verplichtingen bevatten, in plaats van bedoelde verplichtingen van de overeenkomstig genummerde bepalingen van bijlage 1.

1.5.1.1 N Multilaterale overeenkomsten

1. Niet-grensoverschrijdend vervoer mag plaatsvinden overeenkomstig multilaterale overeenkomsten als bedoeld in randnummer 1.5.1.1. van bijlage 1.

2. Bij het vervoer dat voldoet aan de in het eerste lid bedoelde multilaterale overeenkomst worden de voorschriften met betrekking tot het vervoer in acht genomen die in deze overeenkomst zijn opgenomen.

3.4.1 N Algemene verpakkingsvoorschriften

Het vervoer van kaliumnitraat, natriumnitraat alsmede natriumnitraat en kaliumnitraat, mengsel met respectievelijk UN-nummers 1486, 1498 en 1499 is niet onderworpen aan de voorschriften van bijlage 1, indien dit geschiedt door landbouwondernemers of hun personeel, tussen hun landbouwbedrijf en daarbij behorende landbouwgronden via redelijkerwijs kortste of snelste route.

3.4.4 N Gelimiteerde hoeveelheden

De kenmerking op de colli, bedoeld in randnummer 3.4.4 c) van bijlage 1 is niet verplicht.

5.2.1 N Opschriften, kenmerking en gevaarsetiketten

De opschriften en kenmerkingen op colli, containers, tanks en voertuigen zijn in ieder geval gesteld in de Nederlandse, Franse, Duitse of Engelse taal.

5.2.1/5.2.2 N Bestrijdingsmiddelen

Bij vervoer van bestrijdingsmiddelen als bedoeld in de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 in colli zijn opschriften of gevaarsetiketten ingevolge bijlage 1 niet nodig, indien de colli zijn voorzien van opschriften of gevaarsetiketten ingevolge de Richtlijn 78/631/EEG van de Raad van 26 juni 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke bepalingen in de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerk van gevaarlijke preparaten (bestrijdingsmiddelen) (PbEG L 206).

5.4.1.1.1/5.4.1.4 N Vervoerdocument

Het is toegestaan dat in het vervoerdocument:

a. de voorgeschreven aanduidingen uitsluitend zijn gesteld in de Nederlandse taal; of

b. de aanduiding `ADR' is vervangen door de aanduiding: VLG.

6.8.3.2 N Uitrusting van tankwagens voor propaan, butaan en mengsels daarvan

In Nederland geregistreerde tankwagens, bestemd voor het vervoer van propaan, butaan en mengsels daarvan, zijn voorzien van een noodstopvoorziening die is aangesloten op het bedieningssysteem van de veiligheidsinrichting, bedoeld in randnummer 6.8.3.2.3 van bijlage 1, en op het aandrijfsysteem van de pomp. Het bedienen van de noodstopvoorziening heeft tot direct gevolg dat de veiligheidsinrichtingen gesloten worden en de pomp gestopt wordt. De bedieningsorganen van de noodstopvoorziening zijn zowel aangebracht in de bedieningskast(en) als bij de linkervoorzijde als bij de rechterachterzijde van de tank.

Tankwagens, bestemd voor het vervoer van propaan, butaan of mengsels daarvan, zijn voorzien van een wegrijalarmering, ter voorkoming van het wegrijden met een aangekoppelde of niet opgeborgen slang. Deze voorziening bestaat uit een knipperende rode lamp op het dashbord en een intermitterende claxon in de cabine.

6.8.4.1 N Inspectie

In Nederland geregistreerde tankwagens, bestemd voor het vervoer van propaan, butaan of mengsels daarvan, worden iedere 26 weken onderworpen aan een visuele uitwendige inspectie en aan een controle op de goede werking van de uitrusting.

7.5.7.3 N Openen van verpakkingen

1. Bij het vervoer van bestrijdingsmiddelen als bedoeld in de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, mag het bij het vervoer betrokken personeel daartoe geëigende buitenverpakkingen openen met als doel de binnenverpakkingen af te leveren, op voorwaarde dat:

a. in het beproevingsrapport, bedoeld in randnummer 6.1 van bijlage 1, wordt vermeld dat deze buitenverpakkingen geschikt zijn om tussentijds geopend en gesloten te worden met als doel om binnenverpakkingen af te leveren; en

b. zij uitsluitend geopend worden door terzake kundig personeel.

8.1.2 N Documenten die het vervoer moeten begeleiden

Indien voor het betrokken vervoer ontheffing is verleend ingevolge artikel 9 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, is deze ontheffing of een afschrift daarvan bij het vervoerdocument gevoegd.

8.2.1 N Speciale opleiding van de bestuurder

De verplichting van randnummer 8.2.1 van bijlage 1 is niet van toepassing op bestuurders van:

a. motorrijtuigen met beperkte snelheid als bedoeld in het Voertuigreglement, waarmee lege, ongereinigde tanks met een capaciteit van ten hoogste 3 m3 worden vervoerd, die dieselolie, gasolie en lichte stookolie hebben bevat; of

b. brandweervoertuigen die gevaarlijke stoffen bevatten, mits:

1°. op deze voertuigen gediplomeerd brandweerpersoneel in de zin van het Besluit brandweerpersoneel aanwezig is; en

2°. dit personeel iedere vijf jaar een brandweerbijscholingscursus gevaarlijke stoffen volgt.

9.2.3.3 N Reminrichting

Randnummer 9.2.3.3 van bijlage 1 (retarder) is niet van toepassing op motorvoertuigen gebouwd vóór 1 januari 1997.

9.7.5.1 N Stabiliteit

In afwijking van de tweede volzin van randnummer 9.7.5.1 van bijlage 1, behoeft bij in Nederland geregistreerde gelede voertuigen voor wat betreft de druk van de assen van de beladen oplegger, slechts te worden voldaan aan het artikel 3.3.9 van het Voertuigreglement.

Artikel 4

De volgende N-bepalingen vervallen op 1 januari 2002:

a. 3.4.1 N;

b. 3.4.4 N;

c. 5.2.1/5.2.2 N;

d. 7.5.7.3 N.

Hoofdstuk II. Bepalingen voor elk vervoer op Nederlands grondgebied

Artikel 1 Toepassingsbereik

1. Dit hoofdstuk is van toepassing op elk vervoer van gevaarlijke stoffen op Nederlands grondgebied en is gebaseerd op de randnummers 1.9.2, 1.9.3 en 1.9.4 van bijlage 1.

2. Dit hoofdstuk is, behoudens artikel 3, eerste lid, onderdeel c, niet van toepassing op het vervoer dat plaatsvindt overeenkomstig de randnummers 1.1.3 en 3.4.6 van bijlage 1.

Artikel 2 Laad- en losplaats

Het is verboden met een tankwagen, afneembare tank, batterijwagen, tankcontainer, transporttank, MEGC, mobiele tank of IBC gevaarlijke stoffen als bedoeld in randnummer 1.2.1 van bijlage 1:

a. te laden elders dan op het adres van de afzender, alsmede op plaatsen waar gevaarlijke stoffen worden aangewend; of

b. te lossen elders dan op het adres van de ontvanger, alsmede op plaatsen waar gevaarlijke stoffen worden aangewend.

Artikel 3 Tunnelregime

1. Het is verboden:

a. de in tabel 3 vermelde gevaarlijke stoffen te vervoeren door tunnels van categorie I, genoemd in tabel 1;

b. de in tabel 4 vermelde gevaarlijke stoffen te vervoeren door tunnels van categorie II, genoemd in tabel 2;

c. stationaire drukhouders die zijn vrijgesteld ingevolge randnummer 1.1.3.2 die mengsels van koolwaterstoffen met UN-nummer 1965 hebben bevat, te vervoeren door tunnels van categorie I of II.

2. De in dit artikel bedoelde tunnels worden aangeduid met verkeersbord C 22, bedoeld in bijlage 1 bij het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. Onder het bord wordt een onderbord geplaatst waarop met Romeinse cijfers de categorie van de tunnel wordt aangegeven.

Tabel 1 Tunnels van categorie I

stcrt-2002-1-p24-SC32646-1.gif

Tabel 2 Tunnels van categorie II

stcrt-2002-1-p24-SC32646-2.gif

Naam Weg en plaats Onder

Artikel 4

Het vervoer van de stoffen die in tabel 3 zijn opgenomen, is routeplichtig als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen.

Tabel 3

stcrt-2002-1-p24-SC32646-3.gifstcrt-2002-1-p24-SC32646-4.gif

Tabel 4

stcrt-2002-1-p24-SC32646-5.gif

Artikel 5 Laden en lossen

Het laden of lossen van ontplofbare stoffen en voorwerpen van klasse 1 in hoeveelheden die per transporteenheid groter zijn dan de vrijgestelde hoeveelheden van randnummer 1.1.3.6 van bijlage 1 alsmede vuurwerk met de UN-nummers 0336 en 0337 met een totale netto explosieve massa van meer dan 20 kilogram geschiedt onder toezicht van een ter zake deskundige.

Artikel 6 Weersomstandigheden

1. Indien het zicht door weersomstandigheden zoals mist, sneeuw en regen minder is dan 200 m, is het niet toegestaan:

a. gevaarlijke stoffen te vervoeren in transporteenheden met tanks waarvan de capaciteit meer dan 3000 liter is;

b. vuurwerk boven de vrijgestelde hoeveelheden als bedoeld in randnummer 1.1.3.6, alsmede vuurwerk met de UN-nummers 0336 en 0337 met een totale netto explosieve massa van meer dan 20 kilogram.

2. Het is niet toegestaan gevaarlijke stoffen te vervoeren in tanks, losgestort of in colli, in hoeveelheden die per transporteenheid groter zijn dan de voorwaardelijk vrijgestelde hoeveelheden bedoeld in randnummer 1.1.3.6 van bijlage 1 en vuurwerk met de UN-nummers 0336 en 0337 met een totale netto explosieve massa van meer dan 20 kilogram:

a. indien door weersomstandigheden het zicht minder is dan 50 m; of

b. bij glad wegdek.

3. De Minister kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid vermelde verbod bij glad wegdek, indien:

a. sprake is van langdurige gladheid; en

b. het spoedeisende karakter van het vervoer naar zijn oordeel genoegzaam is aangetoond. 1

Artikel 7 Zout veer

1. Onder `zout veer' wordt verstaan: schip waarmee tegelijkertijd voertuigen en passagiers, andere dan de bemanning van de voertuigen, worden vervoerd over een van de volgende trajecten:

a. Den Helder - Texel

b. Harlingen - Vlieland

c. Harlingen - Terschelling

d. Holwerd - Ameland

e. Lauwersoog - Schiermonnikoog

f. Vlissingen - Breskens

g. Kruiningen - Perkpolder.

2. Tabel 5 vermeldt de stoffen, wijze van vervoer en hoeveelheden waarvan het vervoer verboden is met een zout veer.

3. Het vervoer van andere gevaarlijke stoffen dan vermeld in tabel 5, is slechts toegestaan indien het betreft:

a. ten hoogste twee transporteenheden als laatste geplaatst op een open rijdek; of

b. ten hoogste één transporteenheid als laatste geplaatst op een gesloten rijdek.

4. Op een gesloten rijdek van een zout veer wordt geen transporteenheid geplaatst die beladen is met brandbare gassen (F, TF en TFC) van klasse 2 of stoffen van:

a. klasse 3 met verpakkingsgroep I en II;

b. klasse 6.1 met een vlampunt lager dan 23° C met verpakkingsgroep I; of

c. klasse 8 met UN-nummers 2401, 2734, 2920.

5. Rondom de transporteenheden beladen met gevaarlijke stoffen worden in horizontale richting een vrije ruimte aangehouden van ten minste twee meter en een afstand van ten minste vijf meter ten opzichte van passagiers.

6. De bestuurder of bijrijder van een transporteenheid met gevaarlijke stoffen blijft tijdens de vaart bij zijn voertuig.

7. De bestuurder van een transporteenheid beladen met andere gevaarlijke stoffen dan die zijn vermeld in tabel 5, verstrekt, alvorens een zout veer op te rijden, aan de schipper dan wel aan een daartoe aangewezen personeelslid van de waldienst de benodigde informatie omtrent aard en de hoeveelheid van de vervoerde gevaarlijke stoffen.

8. Rederijen kunnen aanvullende of beperkende maatregelen treffen.

Tabel 5

stcrt-2002-1-p24-SC32646-6.gif

Artikel 8 Pont

Bij het kruisen van een binnenwater zijn op het vervoer van voertuigen op schepen anders dan een zout veer als bedoeld in artikel 7, de volgende voorschriften van toepassing:

a. een transporteenheid beladen met ontplofbare stoffen en voorwerpen van klasse 1 wordt met voorrang op de pont toegelaten boven andere voertuigen of personen;

b. tijdens een transport als bedoeld in onderdeel a bevinden zich geen andere voertuigen of personen op de pont, tenzij deze personen behoren tot de bemanning van de transporteenheid dan wel benodigd zijn voor de bediening van de pont;

c. transporteenheden met tanks gekenmerkt ingevolge randnummer 5.3.1 van bijlage 1 worden zodanig op de pont geplaatst dat zij snel kunnen worden verwijderd; en

d. de bestuurder van een transporteenheid, beladen met gevaarlijke stoffen, verstrekt, alvorens de pont op te rijden, aan de schipper dan wel aan een daartoe aangewezen personeelslid van de waldienst de benodigde informatie omtrent aard en de hoeveelheid van de vervoerde gevaarlijke stoffen.

Artikel 9 Kenmerking en etikettering der voertuigen

Afgekoppelde aanhangwagens en opleggers zijn voorzien van de kenmerking en etikettering die ingevolge randnummer 5.3.1 van bijlage 1 zijn voorgeschreven als zijnde aan een trekkend voertuig gekoppeld.

Artikel 10 Toelating van voertuigen, tankcontainers en kleine mobiele tanks

1. In dit artikel wordt verstaan onder “kleine mobiele tanks”: vaste tanks met een inhoud van ten hoogste 1 m3, bestemd voor het vervoer van dieselolie, gasolie of lichte stookolie.

2. De volgende voertuigen, tankcontainers en mobiele tanks kunnen overeenkomstig hun bestemming worden gebruikt, indien zij zijn goedgekeurd door de Dienst Wegverkeer (RDW):

a. in Nederland geregistreerde, ingevolge deze regeling keuringsplichtige voertuigen als bedoeld in randnummer 9.1.2.1 van bijlage 1;

b. in Nederland geregistreerde, ingevolge deze regeling keuringsplichtige tankcontainers; of

c. in Nederland beproefde en toegelaten kleine mobiele tanks.

3. De goedkeuring wordt geweigerd, indien een transportmiddel als bedoeld in het tweede lid naar het oordeel van de RDW niet voldoet aan deze regeling of aan de Regeling rijkskeuringsvoorschriften betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen 1990 (RVLG'90).

4. In afwijking van het derde lid kunnen transportmiddelen waarvan de technische inrichting en uitrusting niet voldoen aan deze regeling of aan de RVLG'90 worden goedgekeurd, indien de technische inrichting en uitrusting der transportmiddelen naar het oordeel van de RDW een ten minste gelijkwaardige veiligheid bieden.

5. De eigenaar of houder van een transportmiddel als bedoeld in het tweede lid stelt na een aanrijding of ongeval waardoor beschadiging van het transportmiddel is ontstaan, de RDW hiervan onverwijld in kennis.

6. De eigenaar of houder van een transportmiddel als bedoeld in het tweede lid, zorgt dat dit transportmiddel voor onderzoek aan de RDW wordt aangeboden:

a. telkenmale voordat de laatste goedkeuring haar geldigheid verliest;

b. na een belangrijke herstelling; of

c. wanneer de RDW een onderzoek om redenen van veiligheid noodzakelijk acht.

7. Indien uit het onderzoek, bedoeld in het zesde lid, blijkt, dat een transportmiddel als bedoeld in het tweede lid niet aan deze regeling of aan de RVLG'90 voldoet, is de eigenaar of houder ervan verplicht te zorgen dat dit niet weer in gebruik wordt genomen voordat uit een hernieuwd onderzoek is gebleken dat de door de RDW nodig geachte voorzieningen zijn aangebracht; in afwachting van het hernieuwde onderzoek kan de RDW het keuringsdocument innemen of doen innemen. De eigenaar of houder is alsdan verplicht op eerste vordering van of vanwege de RDW het keuringsdocument af te geven.

8. Indien een transportmiddel als bedoeld in het tweede lid niet overeenkomstig het bepaalde in het zevende lid voor keuring wordt aangeboden, kan de RDW het keuringsdocument innemen of doen innemen. De eigenaar of houder is alsdan verplicht het keuringsdocument aan hem af te geven.

Hoofdstuk III. Implementatie van richtlijn 95/50/EG betreffende uniforme procedures voor de controle op het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg

Artikel 1

De directeur van de Divisie Vervoer van de Inspectie Verkeer en Waterstaat legt jaarlijks in november aan de Minister ter goedkeuring voor een plan inzake het in het volgende jaar te houden toezicht op de naleving op het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, bedoeld in artikel 2.

Artikel 2

1. Het toezicht op de naleving waarvoor met inachtneming van artikel 1 een plan wordt opgesteld:

a. heeft betrekking op een representatief deel van het vervoer;

b. wordt verricht overeenkomstig artikel 3 van verordening (EEG) nr. 4060/89 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1989 inzake de afschaffing van controles aan de grenzen van de Lid-Staten voor wegvervoer en binnenvaart (PbEG L 390) en verordening (EEG) nr. 39123/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 december 1992 inzake in de Gemeenschap in het wegvervoer en de binnenvaart uitgevoerde controles van in een derde land ingeschreven of tot het verkeer toegelaten vervoermiddelen (PbEG L 359);

c. wordt uitgevoerd met toepassing van de controlelijst, bedoeld in bijlage I van Richtlijn 95/50/EG;

d. wordt uitgevoerd door middel van steekproeven en omvat zoveel mogelijk een groot deel van het wegennet.

2. Wanneer het toezicht is uitgevoerd, ontvangt de bestuurder van het betrokken voertuig een verklaring van de verrichte controle, welke verklaring zoveel mogelijk luidt conform de controlelijst, bedoeld in bijlage I van Richtlijn 95/50/EG.

Artikel 3

1. De plaats waar het toezicht op de naleving, bedoeld in artikel 1, wordt gehouden, wordt zodanig gekozen, dat het mogelijk is de voertuigen die in overtreding zijn, opnieuw met de voorschriften in overeenstemming te brengen of deze voertuigen zo nodig ter plaatse of elders een doorrijverbod op te leggen, zonder dat de veiligheid daardoor in gevaar wordt gebracht.

2. Indien het toezicht op de naleving in de onderneming wordt gehouden en overtredingen zijn vastgesteld overeenkomstig bijlage II van Richtlijn 95/50/EG, wordt het betrokken vervoer voor het verlaten van de onderneming in overeenstemming gebracht met de voorschriften, dan wel worden andere naar het oordeel van de Minister gepaste maatregelen genomen.

Artikel 4

Indien bij het toezicht op de naleving als bedoeld in artikel 1 dan wel anderszins blijkt van naar het oordeel van de Minister of van de directeur van de Rijksverkeersinspectie ernstige of herhaalde overtredingen die een gevaar voor de veiligheid van het vervoer van gevaarlijke stoffen opleveren en die zijn begaan met een in een andere lidstaat van de Europese Unie ingeschreven voertuig of gevestigde onderneming, doet de directeur of de Minister daarvan onverwijld mededeling aan de bevoegde instantie van de desbetreffende lidstaat.

Artikel 5

Indien een bevoegde instantie van een andere lidstaat van de Europese Unie de Minister mededeling doet van het vermoeden van ernstige of herhaalde overtredingen die een gevaar voor de veiligheid van het vervoer van gevaarlijke stoffen opleveren en die zijn begaan met een in Nederland ingeschreven voertuig of in Nederland gevestigde onderneming, vergezeld van het verzoek tegen de overtreder passende maatregelen te treffen, doet de Minister aan die instantie mededeling van de genomen maatregelen.

Artikel 6

Indien een bevoegde instantie van een andere lidstaat van de Europese Unie de Minister mededeling doet van het vermoeden van ernstige of herhaalde overtredingen, die tijdens het toezicht op de naleving door het ontbreken van de noodzakelijke voorzieningen niet kunnen worden aangetoond, verleent de Minister de desbetreffende bevoegde instantie de nodige bijstand en doet mededeling van de resultaten van het daartoe in de betrokken onderneming uitgevoerde toezicht op de naleving.

2. De afdeling Gevaarlijke Stoffen en Advies van de Divisie Vervoer van de Inspectie Verkeer en Waterstaat verleent de ontheffing. Informatie over de wegen en de weersomstandigheden verstrekt het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD).

Bijlage 3, bedoeld in artikel I, onderdeel E

Bijlage 3, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, en artikel 2, onderdeel c, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen

ERKENDE INSTANTIES

Artikel 1. Erkende instanties

In de onderstaande tabel zijn de instanties opgenomen met betrekking tot de uitvoering van de voorschriften in de vermelde randnummers van bijlage 1 voor zover bedoelde handelingen worden uitgevoerd door Nederlandse instanties.

Tabel 1

stcrt-2002-1-p24-SC32646-7.gifstcrt-2002-1-p24-SC32646-8.gifstcrt-2002-1-p24-SC32646-9.gifstcrt-2002-1-p24-SC32646-10.gifstcrt-2002-1-p24-SC32646-11.gif

Artikel 2

1. In tabel 1 wordt verstaan onder:

a. BZK:

1°. Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

2°. ten aanzien van de inspectie: een ieder die een erkenning heeft van de Vereniging van Beveiligingsondernemingen in Nederland (VBON) op grond van de regeling voor de erkenning van onderhoudsbedrijven kleine blusmiddelen (REOB);

b. CCV: zelfstandige divisie van de Stichting CBR;

c. Defensie: Militaire Commissie Gevaarlijke Stoffen van het Ministerie van Defensie;

d. DGG: Minister, namens hem hoofd van de afdeling Lading en Risicobeleid van het Directoraat-Generaal Goederenvervoer;

e. DvhSt: Dienst voor het Stoomwezen of een door deze dienst aangewezen deskundige of instantie;

f. klassenbureau: privaatrechtelijke organisatie die keuringen van tankcontainers of transporttanks uitvoert in opdracht van de fabrikant, de eigenaar of de gebruiker van tankcontainers of transporttanks en die is erkend overeenkomstig artikel 4 van deze bijlage;

g. LNV: Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;

h. RDW: Dienst Wegverkeer;

i. RDW/DvthSt:

1°. Dienst Wegverkeer, of

2°. Dienst voor het Stoomwezen of een door deze dienst aangewezen deskundige of instantie;

j. RDW/DvhSt/Klassenbureau:

1°. Dienst Wegverkeer,

2°. Dienst voor het Stoomwezen of een door deze dienst aangewezen deskundige of instantie, of

3°. klassenbureau, voor zover het betreft tankcontainers of transporttanks voor gevaarlijke stoffen, met uitzondering van gassen van klasse 2 (behoudens de dichtheidsproef);

k. SEV: Stichting Exameninstituut Veiligheidsadviseur;

l. SZW: Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

m. TNO PML: Nederlandse Organisatie voor toegepast natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO Prins Maurits Laboratorium);

n. TNO Industrie: Nederlandse Organisatie voor toegepast natuurwetenschappelijk onderzoek;

o. VROM: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

p. VWS: Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

2. Bij toepassing van het eerste lid, onderdeel a, geldt als merkteken het rijkstypekeur.

3. Bij toepassing van het eerste lid, onderdeel e, gelden indien wordt verwezen naar voorschriften of bepalingen, de normen van de Dienst voor het Stoomwezen.

Artikel 3

1. In dit artikel wordt verstaan onder:

a. overeenstemming vooraf: de CCV doet schriftelijk een voorstel aan de Minister, die, indien accoord, instemt;

b. informatie achteraf: de CCV informeert schriftelijk achteraf de Minister door toezending van een jaarlijks verslag, houdende:

a. aantallen examens;

b. aantallen geslaagden aan wie een ADR-vakbekwaamheidscertificaat is verstrekt; alsmede

c. een evaluatie van het in onderdeel a en b genoemde.

2. Bij het uitoefenen van zijn bevoegdheden als bedoeld in artikel 1 van deze bijlage geeft de CCV toepassing aan tabel 2.

Tabel 2. Specificatie bevoegdheden CCV

stcrt-2002-1-p24-SC32646-12.gif

Artikel 4. Erkenningsvoorwaarden

1. De Minister kan een instantie erkennen voor het uitvoeren van een of meer taken als bedoeld in artikel 1 van deze bijlage, behalve voor zover in de tabel 1 een taak is toegewezen aan de CCV.

2. Een aanvraag om erkenning, gedaan door een ander dan een orgaan van de rijksoverheid of door de CCV, wordt slechts ingewilligd, indien de aanvrager naar het oordeel van de Minister:

a. rechtspersoonlijkheid heeft;

b. redelijkerwijs onafhankelijk is van de betrokken opdrachtgever;

c. beschikt over voldoende vakbekwaamheid voor de desbetreffende taak op ten minste MBO-niveau;

d. beschikt over een geschikt kwaliteitsborgingssysteem; en

e. voldoet aan andere door de Minister met het oog op het behoorlijk uitvoeren van de desbetreffende taak te stellen nadere voorschriften.

3. Bij de aanvraag overlegt de aanvrager bewijzen of verklaringen waaruit genoegzaam blijkt, dat hij voldoet aan het tweede lid.

4. Aan de erkenning kan de Minister voorschriften of beperkingen verbinden.

5. De Minister kan een erkenning intrekken of schorsen, indien naar zijn oordeel niet wordt voldaan aan dit artikel.

6. De instantie verstrekt de Minister binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar een overzicht van de in dat jaar verrichte keuringen, bevattende goedkeuringen, weigeringen tot goedkeuring, alsmede de redenen voor weigeringen tot goedkeuring.

7. De instantie verstrekt alle inlichtingen die namens de Minister verlangd worden door de Dienst Wegverkeer (RDW) en die betrekking hebben op de leden 2, 3, en 4 voor zover betreffende handelingen met betrekking tot voertuigen en tanks als bedoeld in bijlage 1.

Toelichting

I. Algemeen

Deze regeling strekt tot wijziging van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen (VLG). Deze wijziging is ingegeven door een tweejaarlijkse revisie van de Europese Overeenkomst betreffende het vervoer van gevaarlijke stoffen langs de weg (ADR), waarbij als belangrijkste wijziging een herstructurering van de ADR heeft plaatsgevonden. Daarvoor is aangesloten bij de `Model Regulations' van de Verenigde Naties (Oranje boek, 11e editie van de VN-Aanbevelingen voor het vervoer van gevaarlijke goederen).

De herstructurering houdt in dat de structuren van de voorschriften voor de verschillende vervoersmodaliteiten met elkaar worden geharmoniseerd. Daarbij worden bepalingen van een nieuwe nummering voorzien. Voorts zijn de voorschriften logischer ingedeeld en tevens is in een tabel per stof opgenomen wat de relevante voorschriften omtrent die stof zijn. Een soortgelijke operatie vindt plaats bij het internationale spoorvervoer van gevaarlijke stoffen. Verder zijn de verantwoordelijkheden van de leden in de logistieke keten verduidelijkt.

De technische voorschriften van de ADR zijn geïmplementeerd in bijlage 1 van de VLG, waarbij tevens voor een vertaling ervan is zorggedragen. De herziening van deze voorschriften noopt daarom ook tot aanpassing van de bijlage.

Bijlage 2 van de VLG bevat de voorschriften die alleen gelden voor Nederland. Daar bijlage 2 de bepalingen nummert overeenkomstig de bepalingen uit bijlage 1, moet ook deze tweede bijlage aangepast worden. De wijzigingen van de ADR zijn per 1 juli 2001 in werking getreden. Daarbij voorziet de ADR in randnummer 1.6.1.1 van bijlage 1, in een overgangsbepaling waardoor het tot 31 december 2002 mogelijk is om zowel de oude ADR als de nieuwe, geherstructureerde ADR toe te passen. Bijlage 2 voorziet niet in een overgangsbepaling en is ook indien het vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt overeenkomstig de technische voorschriften van de ADR die golden voor 1 juli 2001, onverkort van toepassing.

De technische voorschriften van de ADR zijn opgenomen als de bijlagen A en B bij Richtlijn nr. 94/55/EG van de Raad van de Europese Unie van 21 november 1994 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (PbEG L 319) (hierna: de kaderrichtlijn).

Met richtlijn nr. 2001/7/EG van de Commissie van de Europese Unie van 29 januari 2001 houdende derde aanpassing aan de technische vooruitgang van Richtlijn nr. 94/55/EG van de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (PbEG L 30), worden als bijlagen A en B van de kaderrichtlijn opgenomen de gewijzigde ADR zoals deze geldt per 1 juli 2001. De uiterlijke termijn voor het implementeren van de wijzigingsrichtlijn loopt af op 31 december 2002 en wordt dus ruimschoots gehaald. Met deze wijzigingsregeling zijn de richtlijnen nr. 94/55/EG en nr. 2001/7/EG volledig geïmplementeerd.

Van de gelegenheid is tevens gebruik gemaakt om de regels die van toepassing zijn op het vervoer van vuurwerk aan te scherpen. De reden hiervoor is voornamelijk de vuurwerkramp in Enschede in 2000. Onderzoek na de ramp heeft uitgewezen dat de classificatie van vuurwerk niet altijd juist is en dat er uit veiligheidsoverwegingen reden is tot aanpassing van de regelgeving op het gebied van transport van vuurwerk. De aanpassing vindt plaats in hoofdstuk II van bijlage 2 bij deze regeling.

Bijlage 2 bevat technische voorschriften en is op 9 maart 2001 gemeld aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen (notificatienummer 2001/0126/NL), ter voldoening aan artikel 8, eerste lid, van de richtlijn nr. 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG L 204), zoals gewijzigd bij richtlijn nr. 98/48/EG van 20 juli 1998 (PbEG L 217). De notificatieprocedure heeft niet geleid tot wijziging van de ontwerpregeling.

De regeling behoeft voor het overige geen aanmelding bij de Europese Commissie, grotendeels omdat deze implementatie behelst van de kaderrichtlijn en de ADR, deels omdat de overige onderdelen geen technische voorschriften bevatten. In beide gevallen bestaat er geen notificatieverplichting op grond van genoemde richtlijn nr. 98/34/EG.

In het slotformulier van de regeling is bepaald dat bijlage 1 bij de regeling wordt bekendgemaakt door terinzagelegging. De terinzagelegging geschiedt bij het Directoraat-Generaal Goederenvervoer van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, dat thans is gevestigd aan de Nieuwe Uitleg 1 te Den Haag.

II. Artikelsgewijs

A

Deze wijziging brengt de terminologie van de VLG in overeenstemming met de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (WVGS).

C

Bijlage 1, die technische voorschriften bevat, is de Nederlandse vertaling van de bijlagen bij de ADR en vormt de integrale omzetting van een internationale norm in de zin van richtlijn nr. 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij

PbEg L 204) en behoeft derhalve niet te worden genotificeerd aan de Europese Commissie. Wel wordt, conform artikel 8, eerste lid, van de richtlijn, aan de Commissie van deze omzetting mededeling gedaan.

Zoals omschreven in het algemeen deel van de toelichting is de ADR geherstructureerd, hetgeen heeft geleid tot een nieuwe nummering van de voorschriften. Daarbij zijn in de ADR nu tabellen opgenomen met alle gevaarlijke stoffen. Achter elke stof is de desbetreffende regelgeving genoemd, hetgeen de toegankelijkheid van de voorschriften aanzienlijk zal vergemakkelijken. Verder is de gelegenheid te baat genomen om duidelijk te maken wie op welk moment in de logistieke keten verantwoordelijk is voor de uitvoering van bepaalde voorschriften. Dit betreft twee categorieën. Enerzijds zijn de verplichtingen van afzender, vervoerder en geadresseerde in de keten verduidelijkt. Anderzijds zijn aan de logistieke keten nu groepen dienstverleners toegevoegd die werkzaamheden verrichten voor de afzender, vervoerder dan wel geadresseerde. Hun verantwoordelijkheden zijn ook expliciet omschreven.

D

Bijlage 2 bevat de voorschriften die gelden voor Nederland. Daarbij wordt aangesloten bij de bepalingen zoals deze genummerd worden in bijlage 1. Vanwege de herstructurering van bijlage 1 is een gehele herziening van bijlage 2 noodzakelijk geweest. Deze herziening is in overeenstemming met die van bijlage 1.

Naast de algemene herziening van bijlage 2 zijn, zoals hierboven aangegeven, een aantal bepalingen gewijzigd. Mede naar aanleiding van de vuurwerkramp in Enschede in 2000 is er onderzoek geweest naar de classificatie van vuurwerk, waarmee de zwaarte van het vuurwerk wordt aangeduid.

De geëigende wijze om de regelgeving inzake de classificatie van vuurwerk aan te passen, is om dit op internationaal niveau te doen. Daarmee wordt bijvoorbeeld ook een veilig vervoer over zee gegarandeerd. Een dergelijke aanpassing van de internationale regels vraagt minimaal twee jaar. Om dit gemis voor het vervoer binnen Nederland zo snel mogelijk op te heffen zijn in bijlage 2 daarom nu een aantal bestaande bepalingen gewijzigd.

De wijziging van de VLG is zoals eerder aangegeven voornamelijk ingegeven door internationale regelgeving. Voor wat betreft dit aspect is er dan ook weinig ruimte om binnen Nederland te komen tot een vermindering van de administratieve lasten. In de nulmeting van administratieve lasten die is uitgevoerd voor het Ministerie van Verkeer en Waterstaat zijn de volgende gegevens uitgekomen. Er zijn 500 transportbedrijven die gevaarlijke stoffen vervoeren en 3000 verladers van gevaarlijke stoffen (hieronder vallen producenten, importeurs en overslagbedrijven). Totaal zijn de administratieve lasten voor het vervoer van gevaarlijke stoffen geraamd op fl. 60.137.631,- (€ 27.289.267,19-) per jaar. Hieronder wordt dus ook begrepen het vervoer over spoor en over de binnenwateren.

Voor de VLG/ADR wordt het totaal aan administratieve lasten geraamd op fl. 9.019.500,- (€ 4.092.870,66), waaronder fl. 8.195.000,- (€ 3.718.728,87) wordt berekend voor het vervoer over de weg en fl. 824.500,- (€ 374.141,79) voor de verladers. De VLG/ADR komt daarmee op ongeveer 15% van de totale administratieve lasten die berekend zijn voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Hoewel 15% een hoog percentage lijkt, blijkt dit in de beleving van de praktijk mee te vallen omdat de voorschriften ten goede komen van veiligheid bij het vervoer, waarbij enerzijds de chemische industrie veiligheidsnormen voorschrijft die verder gaan dan de wetgeving en anderzijds de internationale voorschriften (met wijzigingen) al tientallen jaren gelden.

De wijzigingen van bijlage 2, die niet betrekking hebben op vuurwerk, zullen naar verwachting niet leiden tot een verhoging van de administratieve lasten van het bedrijfsleven. Voorop staat dat de herstructurering van de ADR, die tot gevolg heeft dat de overige bijlagen bij de VLG overeenkomstig gewijzigd worden, met name heeft plaatsgevonden om bij de toepassing van de verschillende vervoersmodaliteiten, het gebruik van de desbetreffende voorschriften overzichtelijker te maken en daardoor te vergemakkelijken voor het bedrijfsleven.

Naast de algemene overgangsbepalingen die eerder genoemd zijn, zijn er specifieke overgangsbepalingen om het bedrijfsleven de tijd te geven de nodige aanpassingen te verrichten zonder dat de kosten in een keer te hoog oplopen. Een voorbeeld hiervan is randnummer 1.6.4.12 waarin toestemming wordt verleend om tankcontainers die gebouwd zijn vóór 1 juli 2003 te gebruiken volgens het vóór 1 juli 2001 geldende regime; de volgens het nieuwe ADR nodige aanpassingen van prototypetoelatingen van bestaande tankcontainers behoeven pas vóór 1 januari 2008 plaats te vinden.

Van het eerder genoemde totaal aan administratieve lasten van fl. 60.137.631,- (€ 27.289.267,19) bedraagt het totaal voor de vuurwerkbranche fl. 1.316.938 (€ 597.600,41), omgerekend is dit ongeveer 2%. Uit de nulmeting blijkt tevens dat er in de praktijk 81 bedrijven zijn waarop deze regelgeving specifiek betrekking heeft.

De bepalingen ten aanzien van het vervoer van vuurwerk zijn een verscherping, waardoor mogelijk een kleine verhoging van de administratieve lasten voor het bedrijfsleven zal plaatsvinden. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan de routering. Door de strengere eisen bij vervoer van vuurwerk is het mogelijk dat eerder een ontheffing moet worden aangevraagd bij de desbetreffende gemeente. Een dergelijke verzwaring van de administratieve lasten wordt echter sterk noodzakelijk geacht in het belang van de veiligheid.

Bij het bovenstaande is op het punt van de administratieve lasten rekening gehouden met het advies van het Adviescollege toetsing administratieve lasten (Actal) d.d. 30 augustus 2001 over het ontwerp van de onderhavige regeling.

Hoofdstuk I

8.5, S11/S12 N

In hoofdstuk I, randnummer 8.5, S11/S12 N., was in afwachting op de reactie op internationale voorstellen omtrent het vrijstellen van een vakbekwaamheidscertificaat voor bestuurders die radioactieve bronnen vervoeren, een dergelijke vrijstelling al opgenomen. Die vrijstelling is nu geschrapt, daar de internationale voorstellen hieromtrent niet hebben geleid tot gewijzigde regelgeving.

Hoofdstuk II

De tabellen 3 en 4 zijn gewijzigd. Doordat in de geherstructureerde voorschriften van de ADR de stofopsommingscijfers en letters verdwenen zijn, is ervoor gekozen zoveel mogelijk de verpakkingsgroepen en de UN-nummers in de tabellen op te nemen.

In tabel 3 zijn tevens de UN-nummers 0336 en 0337 opgenomen, waardoor het maximum van vuurwerk dat vervoerd mag worden door de aangegeven tunnels wordt beperkt tot een netto explosieve massa van 20 kilogram.

Artikel 5 is aangepast door invoeging van de UN-nummers 0336 en 0337, waardoor het laden en lossen van vuurwerk dient te geschieden onder toezicht van een ter zake deskundige, indien er sprake is van een netto explosieve massa van meer dan 20 kilogram.

Artikel 6 is vereenvoudigd tot een algeheel rijverbod voor tankwagens vanaf 200 meter zicht en voor alle colli-vervoer vanaf 50 meter. De oude verfijning waarmee werd aangegeven welke colli wel, en welke niet moesten blijven stilstaan bij 200 meter zicht, is losgelaten. Enerzijds omdat het dusdanig gedetailleerd regelen niet handhaafbaar was en geringe betekenis had in het perspectief van het uiteindelijke rijverbod bij 50 meter.

Anderzijds omdat bij het tankvervoer ook geen onderscheid in stoffen wordt gemaakt.

Ook hier is een beperking opgenomen voor vuurwerk.

Artikel 7 is aangepast door de mogelijkheid tot het vervoeren van vuurwerk op een zout veer te beperken. Deze beperking vloeit voort uit het feit dat tabel 5 is aangepast in dier voege dat ook daar vuurwerk met een totale explosieve massa van meer dan 20 kilogram is opgenomen. Evenals in de tabellen 3 en 4 zijn hier veel UN-nummers opgenomen. Om de voorschriften van dit artikel duidelijker en gebruikersvriendelijker te maken is het geheel opgenomen in een tabel.

Hoofdstuk III

Hoofdstuk III bevat de implementatie van richtlijn nr. 95/50/EG van de Raad van de Europese Unie van 6 oktober 1995 betreffende uniforme procedures voor de controle op het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg; dit hoofdstuk is niet gewijzigd.

E

Bijlage 3 bevat de erkende instanties die uitvoering moeten geven aan de voorschriften in de randnummers in bijlage 1, en de voorschriften waaraan deze instanties moeten voldoen. Bijlage 3 is eveneens aangepast aan de geherstructureerde bijlage 1. Naast de nieuwe nummering in bijlage 3, is de voornaamste wijziging dat er een nieuw type verpakking (grote verpakking) en een nieuw type tank (transporttank) zijn. Op basis van de reeds aanwezige expertise en bestaande bevoegdheden zijn voor deze nieuwe typen instanties aangewezen die al voor soortgelijke werkzaamheden aangewezen waren.

In tabel 1 is een overzicht opgenomen van de randnummers waarin voorschriften zijn opgenomen die uitvoering vereisen van erkende instanties, en de daarbij horende instanties. Artikel 2 is overeenkomstig tabel 1 gewijzigd. Tabel 2 is aangepast aan de nieuwe randnummers. De artikelen 3 en 4 zijn inhoudelijk niet gewijzigd.

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

T. Netelenbos.

Naar boven