Gevolgen inwerkingtreding Vreemdelingenwet 2000 voor toepassing Handleiding RWN

Tussentijds Bericht Nationaliteiten TBN 2001/2

Aan:

- De burgemeesters (t.a.v. de hoofden Burgerzaken)

i.a.a.:

- De Minister van Buitenlandse Zaken

- De Gevolmachtigde Minister van de Nederlandse Antillen

- De Gevolmachtigde Minister van Aruba

- Vereniging van Nederlandse Gemeenten

- Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken

Onderdeel: Directie Beleid, Afdeling Uitvoeringsbeleid

Datum: 2 april 2001

Ons kenmerk: 5085242/01/IND

Code: TBN 2001/2

Aard: Bekendmaking van voorschriften

Juridische achtergrond: Artikel 8 lid 1 sub b en 9 lid 1 sub b Rijkswet op het Nederlanderschap

Geldig van/tot: 1 april 2001 tot 1 april 2002

Bijlage(n): 6

Onderwerp: Gevolgen inwerkingtreding Vreemdelingenwet 2000 voor toepassing Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap

1. Inleiding

Op 1 april 2001 is de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) in werking getreden. Ook de lagere regelgeving, neergelegd in het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (Vv 2000) en de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), is gewijzigd. De inwerkingtreding van de Vw 2000 brengt met zich dat de toepassing van artikel 8 lid 1 onder b en artikel 9 lid 1 onder b van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) nadere toelichting behoeft.

Artikel 8 lid 1 onder b RWN

Op grond van artikel 8 lid 1 onder b van de RWN komen voor verlening van het Nederlanderschap slechts in aanmerking verzoekers tegen wier verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland, onderscheidenlijk de Nederlandse Antillen of Aruba, geen bedenkingen bestaan. Dit artikellid strekt ertoe te waarborgen dat het (op grond van de Vw gevoerde) vreemdelingenbeleid en het (op grond van de RWN gevoerde) naturalisatiebeleid met elkaar in overeenstemming zijn. De verlening van het Nederlanderschap mag het vreemdelingenbeleid immers niet doorkruisen.

In dit TBN wordt aangegeven welke verblijfstitels op grond van de Vw 2000 zijn ingevoerd en welke verblijfstitels op grond van de Vreemdelingenwet 1965 (Vw 1965) vanaf 1 april 2001 nog een rol kunnen spelen (§ 2).

Tevens wordt aangegeven op welke wijze aan de hand van het verblijfsdocument van de naturalisandus kan worden beoordeeld of er in beginsel al dan niet bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd (§ 3).

Vervolgens wordt beschreven hoe te handelen indien verzoeker niet beschikt over het juiste verblijfsdocument, indien het verblijfsdocument behoort te worden ingetrokken, indien het verblijfsrecht van rechtswege is komen te vervallen dan wel indien verzoeker niet behoeft te beschikken over een verblijfsdocument. In die gevallen kan de vraag of er bedenkingen bestaan in bovenbedoelde zin niet (eenvoudig) aan de hand van een verblijfsdocument worden beantwoord (§ 3.1. tot en met § 3.8).

De Vw 2000 is overigens - anders dan de RWN - geen rijkswet en regelt derhalve slechts het verblijf van vreemdelingen in Nederland. In de Nederlandse Antillen en Aruba gelden aparte verblijfsregelingen. De inwerkingtreding van de Vw 2000 heeft dan ook geen consequenties voor de behandeling van verzoeken om naturalisatie die in de Nederlandse Antillen en Aruba worden ingediend.

Artikel 9 lid 1 onder b RWN

Ingevolge artikel 9 lid 1 onder b RWN wordt een naturalisatieverzoek afgewezen, indien de verzoeker niet bereid is het mogelijke te zullen doen om, na de totstandkoming van de naturalisatie, de oorspronkelijke nationaliteit te verliezen, tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden verlangd.

In dit TBN wordt aangegeven op grond van welk verblijfsdocument (op grond van Vw 2000 dan wel Vw 1965) een verzoeker kan worden uitgezonderd van de verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit, omdat van hem niet kan worden verlangd dat hij zich wendt tot de autoriteiten van het land van herkomst (§ 4).

2. Gevolgen inwerkingtreding Vw 2000

2.1. Nieuwe verblijfstitels

Op grond van de Vw 2000 zijn de volgende verblijfstitels vastgesteld:

- verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (artikel 14 Vw 2000) die altijd onder beperking wordt verleend;

- verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd (artikel 20 Vw 2000);

- verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (artikel 28 Vw 2000);

- verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd (artikel 33 Vw 2000).

2.2. Overgangsrecht verblijfstitels

Op 1 april 2001 zijn op grond van overgangsbepaling artikel 115 Vw 2000 de op dat moment geldige verblijfstitels van rechtswege aangemerkt als verblijfsvergunningen op grond van Vw 2000.

2.3. Nieuwe verblijfsdocumenten

In het kader van de Vw 2000 zijn nieuwe verblijfsdocumenten vastgesteld waarover de vreemdeling moet beschikken ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en zijn verblijfsrechtelijke positie. De op grond van de Vw 1965 afgegeven verblijfsdocumenten met letters (A, B, C, D en F) zijn vervangen door verblijfsdocumenten met Romeinse cijfers (I tot en met IV).

Voor gemeenschapsonderdanen die rechtmatig verblijf in Nederland houden op grond van een regeling krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte is het verblijfsdocument E (oud) vervangen door verblijfsdocument EU/EER.

Het verblijfsdocument W is blijven bestaan en dient als bewijs van rechtmatig verblijf in Nederland voor asielzoekers die in afwachting zijn van een definitief besluit op hun asielaanvraag, voor vreemdelingen die op medische gronden niet uitzetbaar zijn en voor vreemdelingen ten aanzien van wie is besloten dat verstrekkingen op grond van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers niet worden beëindigd.

In de overige gevallen blijkt het rechtmatig verblijf van de vreemdeling uit stickers die geplaatst worden in het document voor grensoverschrijding dan wel op een afzonderlijk inlegvel.

2.4. Overgangsrecht verblijfsdocumenten

Het bovenstaande neemt niet weg dat vreemdelingen ook na 1 april 2001 nog in het bezit zullen zijn van verblijfsdocumenten op grond van de Vw 1965. Ingevolge overgangsbepaling artikel 7.2 Vv 2000 blijven deze verblijfsdocumenten geldig tot de daarop aangegeven datum dan wel tot het moment waarop ze zijn ingewisseld voor nieuwe documenten.

Tot 1 januari 2003 is er een overgangsperiode waarin de verblijfsdocumenten op grond van de Vw 1965 worden vervangen door verblijfsdocumenten op grond van Vw 2000.

In bijlage 1 wordt het gestelde in 2.1 tot en met 2.4 schematisch weergegeven.

3. (Geen) Bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd

Bij de beoordeling van een naturalisatieverzoek zal steeds de vraag beantwoord moeten worden of er op grond van de verblijfstitel van de vreemdeling bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland in de zin van artikel 8 lid 1 onder b RWN.

In de bijlagen 2 en 3 wordt een overzicht gegeven van de nieuwe verblijfstitels (met de beperking) en de nieuwe verblijfsdocumenten, waarbij wordt aangegeven of er op grond van dat verblijfsrecht al dan niet bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd.

In de bijlagen 4 en 5 zijn de artikelen 3.4 en 3.5 Vb 2000 opgenomen. In artikel 3.4 Vb 2000 wordt een overzicht gegeven van de meest gangbare beperkingen, verband houdende met het verblijfsdoel, waaronder een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden verleend. De beperking wordt vermeld op het verblijfsdocument. Of het verblijfsrecht een tijdelijk of niet-tijdelijk karakter heeft, wordt bepaald door artikel 3.5 Vb 2000. Is de verblijfsvergunning verleend onder een beperking genoemd in 3.5 lid 2 Vb 2000, dan is het verblijf van de vreemdeling tijdelijk van aard. Is de verblijfsvergunning verleend onder een andere beperking, dan is het verblijf van de vreemdeling als uitgangspunt niet-tijdelijk van aard. Het kan echter voorkomen dat bij de verlening van een verblijfsvergunning of in een beleidsregel is aangegeven dat het verblijfsrecht toch tijdelijk van aard is. In paragraaf 3.3 wordt een voorbeeld gegeven van een verblijfsvergunning die toch tijdelijk van aard is.

Aan de hand van het verblijfsdocument van de naturalisandus en met behulp van de bijlagen 2 en 3 kan worden beoordeeld of er al dan niet bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. Uitgangspunt is dat de verzoeker het verblijfsdocument moet overleggen op grond waarvan dat kan worden beoordeeld. Hij dient bij de indiening van het verzoek de gegevens en bescheiden te verschaffen die voor de beslissing nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs kan beschikken (artikel 4:2 Algemene wet bestuursrecht). Het gaat te ver om in de naturalisatieprocedure zelfstandig te onderzoeken of verzoeker in aanmerking zou kunnen komen voor een verblijfsvergunning die naar zijn aard al dan niet tijdelijk is. De naturalisatieprocedure is daar niet op ingericht en is daar ook niet voor bedoeld. Vergelijk onder meer ABRS 5 november 1998, H01.98.0270 en ABRS 26 maart 1999, H01.98.1028 (zie bundel Handleiding Rijkswet Nederlanderschap 1999 onder G jurisprudentie). Inzet van de naturalisatieprocedure is evenmin de vraag of de verblijfsvergunning die de verzoeker bezit al dan niet moet worden ingetrokken dan wel niet moet worden verlengd. Vragen omtrent de verlening, de intrekking dan wel de niet-verlenging van een verblijfsvergunning behoren in beginsel inzet te zijn van een vreemdelingenrechtelijke procedure op grond van de Vw 2000. Daarom wordt in het kader van de behandeling van een naturalisatieverzoek in het algemeen geen fictietoets toegepast, waarbij wordt bezien of de verzoeker die niet in het bezit is van een verblijfstitel om voor onbepaalde tijd in Nederland te verblijven, daarvoor wel in aanmerking zou kunnen komen indien daarom zou worden gevraagd. Indien vreemdelingrechtelijke vragen zich bij het indienen van een verzoek voordoen, dient de verzoeker te worden verwezen naar de vreemdelingendienst. Bij de vreemdelingendienst kan de verzoeker een aanvraag indienen om een (andere) verblijfsvergunning en zonodig een vreemdelingrechtelijke procedure volgen.

Er zijn ook situaties denkbaar waarin de verzoeker niet beschikt over het juiste verblijfsdocument, waarin het verblijfsdocument behoort te worden ingetrokken, waarin het verblijfsrecht van rechtswege is komen te vervallen dan wel waarin verzoeker niet behoeft te beschikken over een verblijfsdocument. In die gevallen kan niet met behulp van de bijlagen 2 en 3 worden beoordeeld of er bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde duur in Nederland van de verzoeker. Voor die gevallen geldt het navolgende.

3.1. Beoordelingsmoment

Hoewel de verzoeker bij de indiening van het verzoek het verblijfsdocument moet overleggen waaruit moet blijken of er al dan niet bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd bestaan, is uiteindelijk doorslaggevend of er op het moment van de beslissing op het naturalisatieverzoek dergelijke bedenkingen bestaan. Indien er ten tijde van het verzoek wel, maar op het moment van de beslissing geen bedenkingen bestaan, kan het verzoek toch worden ingewilligd (als ook aan de andere voorwaarden wordt voldaan). Ook omgekeerd geldt: als er ten tijde van het verzoek geen, maar op het moment van de beslissing wel bedenkingen bestaan, komt de verzoeker niet in aanmerking voor naturalisatie. Vergelijk ABRS 18 juni 1998, H01.97.0969, ABRS 5 november 1998, H01.98.0270; ABRS 26 maart 1999, H01.98.1028 (zie bundel Handleiding Rijkswet Nederlanderschap 1999 onder G jurisprudentie). Indien de verzoeker bij de indiening van het verzoek niet kan aantonen dat er tegen zijn verblijf voor onbepaalde tijd geen bedenkingen bestaan, wordt hem ontraden een verzoek in te dienen en wordt hij verwezen naar de vreemdelingendienst. Indien de verzoeker er niettemin op staat een verzoek in te dienen, zal de burgemeester het verzoek in ontvangst nemen. Het verdient aanbeveling een woordelijk verslag op te maken en dit door verzoeker te laten ondertekenen. Verzoeker wordt erop gewezen dat, in het geval zijn verzoek tot naturalisatie wordt afgewezen, hij de voor naturalisatie betaalde leges niet terugkrijgt. De burgemeester kan verlangen dat verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in model F1.5. (zie ook de Handleiding voor de toepassing van de RWN 1999; hierna Handleiding 1999, pagina 2 - [A1 - art. 7]. De IND zal het verblijfsrecht van verzoeker verder beoordelen.

3.2. Reden tot intrekking/niet-verlenging van de verblijfsvergunning

Bij het indienen van een verzoek om naturalisatie en tijdens de behandeling van dat verzoek kunnen omstandigheden aan het licht komen die grond kunnen vormen om de verblijfsvergunning in te trekken dan wel niet te verlengen (dit geldt zowel voor verblijfsvergunningen voor onbepaalde tijd als verblijfsvergunningen voor bepaalde tijd). Voor de beeldvorming is in bijlage 6 een beknopt overzicht gegeven van de gronden tot intrekking dan wel van de gronden tot niet verlenging van de verschillende verblijfsvergunningen.

Indien er aanwijzingen bestaan dat een verblijfsvergunning dient te worden ingetrokken dan wel niet dient te worden verlengd dan kunnen er - ondanks dat verzoeker (nog) in het bezit is van een geldig verblijfsdocument - wèl bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. De verzoeker wordt ontraden een verzoek in te dienen en hij wordt verwezen naar de vreemdelingendienst. Houdt verzoeker niettemin vast aan indiening van het verzoek, dan wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in paragraaf 3.1.

In het advies aan de IND wordt melding gemaakt van de omstandigheden die hebben geleid tot het vermoeden dat de verblijfsvergunning moet worden ingetrokken dan wel niet moet worden verlengd. Door de IND zal het verblijfsrecht dan nader worden onderzocht.

3.3 Aanspraken op een ander (sterker) verblijfsrecht

Het kan voorkomen dat bij de indiening van het verzoek blijkt dat op grond van het verblijfsdocument van verzoeker moet worden geconcludeerd dat er bedenkingen bestaan, maar dat de verzoeker stelt in aanmerking te kunnen komen voor een andere verblijfsvergunning die wel voldoende is om in aanmerking te komen voor naturalisatie. Ook hier geldt - om bovengenoemde redenen - dat verzoeker wordt ontraden om een verzoek in te dienen en dat hij wordt verwezen naar de vreemdelingendienst. Houdt verzoeker niettemin vast aan indiening van het naturalisatieverzoek, dan wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in paragraaf 3.1.

Uit artikel 3.4 Vb 2000 in samenhang met artikel 3.5 Vb 2000 kan worden afgeleid dat een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met de beperking, voor het verrichten van arbeid in loondienst, als uitgangspunt niet tijdelijk van aard is. In het kader van de vraag of bij verzoekers die in het bezit zijn van deze verblijfsvergunning al dan niet bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland, dient uitgegaan te worden van het volgende.

De verzoeker moet nog daadwerkelijk arbeid verrichten en moet in het bezit zijn van een arbeidsovereenkomst voor de duur van tenminste een jaar. Dit moet bij het indienen van het naturalisatieverzoek worden aangetoond. In dit geval zal de verblijfsvergunning ook zijn verleend voor de duur van een jaar. Geconcludeerd kan worden dat er geen bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland.

Een vreemdeling die arbeid in loondienst verricht op basis van een arbeidsovereenkomst voor een periode korter dan een jaar, wordt slechts in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning met bedoelde beperking voor de duur van de arbeid (artikel 3.59 en 3.89 lid 1 Vb 2000). In deze situatie is de verblijfsvergunning zodanig in de tijd beperkt, dat niet kan worden aangenomen dat er in het kader van de beoordeling van een naturalisatieverzoek geen bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland. Hierbij is aangesloten bij het bepaalde in artikel 8.12 lid 1 onder b Vb 2000 voor gemeenschapsonderdanen, die bij werkzaamheden korter dan een jaar ook slechts in het bezit gesteld kunnen worden van een verblijfsvergunning (verblijfsdocument I) voor de duur van de arbeid, waarbij uit het gemeenschapsrecht volgt dat het verblijfsrecht van tijdelijke aard is (zie paragraaf 3.4).

Een verzoeker die in het bezit is van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking voor het verrichten van arbeid in loondienst, met een geldigheidsduur die korter is dan één jaar, wordt ontraden om een naturalisatieverzoek in te dienen. Hij wordt verwezen naar de vreemdelingendienst om aldaar te laten beoordelen of hij in aanmerking kan komen voor een ander verblijfsrecht. Houdt verzoeker niettemin vast aan indiening van het naturalisatieverzoek, dan wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in paragraaf 3.1.

3.4. Gemeenschapsonderdanen

EU en EER-onderdanen die rechtstreeks verblijfsrecht ontlenen aan het gemeenschapsrecht worden aangeduid als gemeenschapsonderdanen. Dat verblijfsrecht ontstaat van rechtswege, dus zonder tussenkomst van de Nederlandse autoriteiten en zonder dat daadwerkelijk een besluit behoeft te worden genomen. Dat verblijfsrecht kan ook weer van rechtswege (dus ook zonder dat daarvoor een besluit is vereist) vervallen. Het kan dus voorkomen dat een onderdaan van de EU- of EER hier te lande wel een verblijfsrecht heeft, maar niet in het bezit is van een verblijfsdocument. Om te kunnen beoordelen of de verzoeker een verblijfsrecht voor onbepaalde tijd heeft, dient hij een document te overleggen waaruit dat verblijfsrecht blijkt. Zolang hij niet in het bezit is van een verblijfsdocument wordt hem ontraden een verzoek in te dienen en wordt hij verwezen naar de vreemdelingendienst. Indien de verzoeker er niettemin op staat een verzoek in te dienen, wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in paragraaf 3.1.

Gemeenschapsonderdanen kunnen in het bezit gesteld worden van een verblijfsdocument EU/EER, een verblijfsdocument I of een sticker. Met behulp van de bijlagen 2 en 3 kan worden bepaald of er al dan niet bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland.

Tegen het verblijf hier te lande voor onbepaalde tijd van gemeenschapsonderdanen die in het bezit zijn van een verblijfsdocument EU/EER, bestaan in het algemeen geen bedenkingen. Dat document wordt in de meeste gevallen voor de duur van vijf jaar afgegeven, nadat is vastgesteld dat de EU/EER-onderdaan:

- een economisch niet-actieve EU/EER-onderdaan is en zelfstandig over toereikende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat hij tijdens zijn verblijf ten laste komt van de algemene middelen;

- een familie- of gezinslid is van een gemeenschapsonderdaan met een EU/EER-document;

- een economisch actieve EU/EER-onderdaan is en daadwerkelijke en reële arbeid (in loondienst of als zelfstandige) verricht voor een te verwachten duur van ten minste één jaar.

In artikel 8.12 lid 1 Vb 2000 is geregeld dat aan bepaalde categorieën gemeenschapsonderdanen niet een verblijfsvergunning voor 5 jaar, maar slechts een verblijfsvergunning voor de duur van de activiteit kan worden afgegeven.

Aan gemeenschapsonderdanen die in Nederland diensten verlenen of ontvangen dan wel in Nederland een opleiding volgen, kan een verblijfsdocument EU/EER worden verleend geldig voor de duur van de dienstverlening of het diensten ontvangen dan wel voor de duur van de gevolgde opleiding dan wel voor een jaar bij het volgen van een beroepsopleiding (artikel 8.12 lid 1 onder a en c Vb 2000). Uit het gemeenschapsrecht volgt dat het verblijfsrecht van tijdelijke aard is (zie onder meer artikel 50 (ex artikel 60) van het EG-Verdrag, artikel 4 lid 2 EG-Richtlijn 73/148, artikel 2 lid 1 EG-Richtlijn 93/96).

Gemeenschapsonderdanen die werkzaamheden verrichten voor een periode tussen de drie en twaalf maanden kunnen in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning (verblijfsdocument I) gelijk aan de duur van de werkzaamheden (artikel 8.12. lid 1 onder b Vb 2000). Op grond van het gemeenschapsrecht moet worden geconcludeerd dat het een verblijfsrecht van tijdelijke aard betreft (zie onder meer artikel 6 lid 3 EG-Richtlijn 68/360).

Aan een gemeenschapsonderdaan die werkzoekende is kan een bescheid (een sticker in het paspoort) worden afgegeven, geldig voor een tijdvak van zes maanden (artikel 8.12 lid 1 onder d Vb 2000).

De in artikel 8.12 lid 1 Vb 2000 vermelde categorieën gemeenschapsonderdanen hebben een verblijfsrecht dat naar zijn aard tijdelijk is. Er bestaan bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland.

Het kan ook voorkomen dat de verzoeker weliswaar in het bezit is van een verblijfsdocument, maar dat er een vermoeden bestaat dat het verblijfsrecht van rechtswege is komen te vervallen. Dat kan onder meer het geval zijn indien:

- de economisch niet-actieve een (volledig of gedeeltelijk) beroep op de algemene middelen doet.

Het verblijfsrecht van de ecomomisch niet-actieve vervalt bij een beroep op de algemene middelen. Indien de verzoeker een beroep op de algemene middelen doet, bestaat geen verblijfsrecht op grond van de EEG-richtlijn economisch niet-actieven meer. Wel is denkbaar dat de verzoeker uit andere hoofde verblijfsgerechtigd is, bijvoorbeeld omdat hij daadwerkelijk en reële arbeid verricht.

- de familierelatie/de gezinsband met de hoofdpersoon is verbroken of de hoofdpersoon geen verblijfsrecht meer heeft.

Wanneer de familierelatie of de gezinsband met de hoofdpersoon, van wie het verblijfsrecht afhankelijk was, juridisch (dus niet slechts feitelijk) wordt verbroken, vervalt van rechtswege het verblijfsrecht. Het aan het familie- of gezinslid afgegeven verblijfsdocument heeft dan zijn geldigheid verloren en dient door de vreemdelingendienst te worden ingenomen. Het familie- of gezinslid zal in de gelegenheid worden gesteld om een nieuwe aanvraag in te dienen.

- de economisch actieve EU/EER-onderdaan in het geheel niet meer werkt.

Indien de economisch actieve EU/EER-onderdaan niet langer economisch actief blijkt te zijn (dit kan onder meer blijken uit de omstandigheid dat hij een beroep doet op de algemene middelen), betekent dat in beginsel een einde aan het rechtmatige verblijf.

In deze gevallen wordt de verzoeker ontraden een naturalisatieverzoek in te dienen en wordt hij verwezen naar de vreemdelingendienst. Indien de verzoeker er niettemin op staat een verzoek in te dienen, wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in paragraaf 3.1. In het advies van de burgemeester aan de IND wordt melding gemaakt van de omstandigheden die hebben geleid tot het vermoeden dat het verblijfsrecht van rechtswege is komen te vervallen. Door de IND zal het verblijfsrecht nader worden onderzocht.

3.5. Diplomaten en andere geprivilegieerden

Vreemdelingen die in Nederland werkzaamheden verrichten voor een diplomatieke zending, consulaire post of een internationale organisatie en hun gezinsleden hebben een bijzondere status. Zij kunnen worden onderscheiden in twee hoofdgroepen.

3.5.1 Niet duurzaam verblijvend personeel.

Door de zendstaat uitgezonden diplomatiek of consulair niet duurzaam verblijvend personeel (en hun gezinsleden) bezitten een bijzondere status op grond van de Weense Verdragen inzake het Diplomatiek Verkeer respectievelijk de Consulaire Betrekkingen. Zij worden door de Minister van Buitenlandse Zaken in het bezit gesteld van een speciaal identiteitsbewijs. De Vw 2000 is niet op hen van toepassing (net zoals de Vw 1965 niet op hen van toepassing was). Zolang zij deze bijzondere status bezitten beschikken zij niet (en kunnen zij ook niet beschikken) over een verblijfsvergunning op grond van Vw 2000. Er bestaan bedenkingen tegen hun verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland.

Ook hier geldt dat in de naturalisatieprocedure niet fictief beoordeeld dient te worden of zij in aanmerking zouden kunnen komen voor een verblijfstitel voor onbepaalde tijd, indien daarom zou worden gevraagd. De verzoeker wordt ontraden een naturalisatieverzoek in te dienen en hij wordt verwezen naar de vreemdelingendienst. Indien de verzoeker er niettemin op staat een verzoek in te dienen, wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in paragraaf 3.1.

De Vw 2000 (of Vw 1965) is in het algemeen evenmin van toepassing (geweest) op vreemdelingen (en hun gezinsleden) die in Nederland werkzaamheden verrichten voor internationale organisaties. Op grond van zetelovereenkomsten, waarin (mede) bepalingen zijn opgenomen omtrent hun verblijfsrechtelijke positie, komt aan hen en hun gezinsleden de bijzondere status toe. Door de Minister van Buitenlandse Zaken worden zij in het bezit gesteld van een speciaal identiteitsbewijs en zij beschikken niet over een verblijfsvergunning. Er bestaan bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland. Dezelfde handelwijze geldt als bij uitgezonden diplomatiek of consulair personeel.

Na beëindiging van het dienstverband met een ambassade, een consulaat of een internationale organisatie komt de bijzondere status van bovenstaande categorieën vreemdelingen te vervallen. De bepalingen van de Vw 2000 zijn dan onverkort van toepassing. Ingevolge het bepaalde in artikel 3.93 Vb 2000 kunnen zij in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd (verblijfsdocument II) indien zij tien aaneengesloten jaren in Nederland hebben verbleven, de geprivilegieerde status niet door eigen toedoen hebben verloren en zij beschikken over voldoende middelen van bestaan die nog gedurende tenminste een jaar beschikbaar zijn. Verwezen wordt naar hoofdstuk B5 van de Vc 2000.

Indien een ex-geprivilegieerde naturalisandus beschikt over een verblijfsdocument kan aan de hand van dat document met behulp van bijlage 2 en 3 worden beoordeeld of er bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland.

Indien een ex-geprivilegieerde naturalisandus (nog) niet beschikt over een verblijfsdocument wordt hem ontraden een naturalisatieverzoek in te dienen en wordt hij verwezen naar de vreemdelingendienst. Indien de verzoeker er niettemin op staat een verzoek in te dienen, wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in paragraaf 3.1.

Uiteraard kunnen ook onderdanen uit de EU en EER-landen deze bijzondere status bezitten. Aangezien deze vreemdelingen bij een missie of internationale organisatie daadwerkelijke en reële arbeid in de zin van het gemeenschapsrecht verrichten, ontlenen zij hun verblijfsrecht van rechtswege aan het gemeenschapsrecht. Zij kunnen in het bezit zijn van een verblijfsdocument EU/EER. Indien een verzoeker die behoort tot deze categorie vreemdelingen niet in het bezit is van een verblijfsdocument, wordt hem ontraden een naturalisatieverzoek in te dienen en wordt hij verwezen naar de vreemdelingendienst. Indien hij er niettemin op staat een verzoek in te dienen, wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in paragraaf 3.1.

3.5.2 Duurzaam verblijvend personeel

Het betreft vreemdelingen die door diplomatieke zendingen of consulaire posten op de Nederlandse arbeidsmarkt zijn geworven om voor de missie werkzaamheden te verrichten. Voordat zij die werkzaamheden zijn gaan verrichten verbleven zij reeds rechtmatig op grond van de Vreemdelingenwet (1965 dan wel 2000) in Nederland. Zij dienen zich in te schrijven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en de vreemdelingendienst. De Vw 2000 is op hen (en hun gezinsleden) van toepassing (net zoals de Vw 1965 op hen van toepassing was) en zij dienen in het bezit te zijn van een verblijfsdocument. Aan de hand van dat verblijfsdocument kan worden bepaald of er bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland bestaat.

3.6. Molukkers

Er bestaan in het algemeen geen bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd jegens verzoekers op wie de Wet van 9 september 1976 (Stb. 1976, 468) betreffende de positie van Molukkers van toepassing is. Zij zijn geen Nederlanders en evenmin vreemdelingen in de zin van de Vreemdelingenwet. Zij worden behandeld als Nederlanders. Zij mogen zonder meer in Nederland verblijven. Zij kunnen genaturaliseerd worden, mits zij uiteraard aan de overige daartoe gestelde voorwaarden in de RWN voldoen.

Ten aanzien van Molukkers die op grond van de wet van 9 september 1976 behandeld worden als Nederlander, dient in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens te zijn aangetekend: `Behandeld als Nederlander'.

Let op: Molukkers die in Nederland verblijven op grond van de Bijzondere Regeling aangaande Molukkers (BRAM) bezitten een tijdelijk verblijfsrecht verband houdend met de situatie op de Molukken (zie TBV 2000/20 van 15 september 2000, gepubliceerd in Stcrt. 2000 van 27 september 2000). Zij vallen niet onder de wet van 9 september 1976. Er bestaan bedenkingen tegen hun verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland.

3.7. Minderjarigen

In artikel 2 van ieder Koninklijk Besluit waarbij het Nederlanderschap wordt verleend is opgenomen dat het Nederlanderschap wordt onthouden aan de minderjarige kinderen van de in artikel 1 van het besluit vermelde personen, aan wie geen verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba is toegestaan.

Om in aanmerking te komen voor medenaturalisatie op grond van artikel 11 RWN dient bij de indiening van het verzoek van de ouder(s) aangetoond te worden dat het kind beschikt over een al dan niet afhankelijk verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard. Ingeval van gezinshereniging is het verblijfsrecht van het kind afhankelijk van degene bij wie verblijf wordt beoogd (de verblijfgever). Indien het verblijfsrecht van de verblijfgever een niet-tijdelijk karakter heeft, is het verblijfsrecht van het kind eveneens van niet-tijdelijke aard. Indien het verblijfsrecht van de verblijfgever een tijdelijk karakter heeft, is ook het verblijfsrecht van het kind tijdelijk van aard (zie artikel 3.5 lid 2 onder a Vb 2000). In laatstgenoemd geval bestaan er bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland van het kind en zal het kind niet meegenaturaliseerd worden.

Ook ten aanzien van de minderjarige kinderen van de verzoeker zonder verblijfsrecht voor onbepaalde tijd, wordt niet fictief getoetst of zij in aanmerking zouden kunnen komen voor een verblijfstitel voor onbepaalde tijd, indien daarom zou worden gevraagd. De kinderen die meegenaturaliseerd willen worden, moeten beschikken over een al dan niet afhankelijk verblijfsrecht voor onbepaalde tijd, hetgeen moet worden aangetoond.

Kinderen vanaf de leeftijd van twaalf jaar verkrijgen een zelfstandig verblijfsdocument, dat bij het indienen van het naturalisatieverzoek van de ouder(s) moet worden overgelegd. Aan kinderen beneden de twaalf jaar wordt geen zelfstandig verblijfsdocument verstrekt, tenzij zij naar het oordeel van de Minister van Justitie een redelijk belang hebben in het bezit te worden gesteld van zulk een document. Bij kinderen beneden de twaalf jaar die bij een van hun ouders inwonen, kan in het verblijfsdocument van een van deze ouders worden aangetekend dat de verblijfsvergunning mede geldt voor deze kinderen (zie artikel 4.21. lid 2 en 3 Vb 2000). Ook dit document van de ouder zal overgelegd moeten worden.

Bij het indienen van het verzoek om naturalisatie van de ouder zal aangegeven moeten worden voor welk kind medenaturalisatie wordt verzocht en zal het verblijfsdocument van dat kind dan wel het verblijfsdocument van de ouder waarin het verblijfsrecht van het kind is aangetekend overgelegd moeten worden. Een kopie van het betreffende verblijfsdocument wordt door de burgemeester met het advies verzonden naar de IND.

Voor het overige geldt de procedure zoals beschreven in de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 1999 op pagina [A1 - art. 7] - 7 onder `Medenaturalisatie' en `Namen' onverkort.

3.8. Buiten het Koninkrijk ingediende verzoeken

De in artikel 8 lid 2 RWN genoemde vreemdelingen kunnen ook buiten het Koninkrijk verzoeken om naturalisatie. In dat geval wordt ambtshalve - aan de hand van de voorwaarden in het vreemdelingenbeleid die op de verzoeker van toepassing zouden zijn indien hij om toelating in Nederland zou vragen - beoordeeld of de verzoeker in aanmerking zou kunnen komen voor een verblijfsrecht, mits hij daar om zou vragen. Alleen indien aan hem een verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard verleend zou kunnen worden, voldoet hij aan het vereiste in artikel 8 lid 1 onder b RWN.

4. Afstandsverplichting

Ingevolge artikel 9 lid 1 onder b RWN wordt een verzoek om naturalisatie afgewezen, indien de verzoeker niet het mogelijke heeft gedaan om, na de totstandkoming van de naturalisatie, afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit, tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden verlangd.

Een verzoeker die in het bezit is van verblijfsdocument IV (verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd), verblijfsdocument III (verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd) of verblijfsdocument B (toegelaten vluchteling) op grond van de Vw 1965 (omdat hij dat document nog niet heeft omgewisseld) wordt uitgezonderd van de verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit.

Dit geldt ook voor een verzoeker die in het kader van een asielprocedure in het bezit is gesteld van het op de Vw 1965 gebaseerde document D (vergunning tot verblijf met als doel humanitaire gronden) die is vrijgesteld van het paspoortvereiste. Indien deze verzoeker geen afstand wenst te doen van de oorspronkelijke nationaliteit en hij kan zelf niet aantonen dat hij is vrijgesteld van het paspoortvereiste, dient dit bij de vreemdelingendienst of bij de IND geverifieerd te worden.

De reden voor deze uitzondering op de afstandsverplichting is dat het in deze gevallen onverantwoord is de verzoeker te verplichten contact op te nemen met de autoriteiten van het land van herkomst. Om dezelfde reden zijn deze categorieën vreemdelingen vrijgesteld van het legalisatie (en verificatie) vereiste, indien betrokkene bezwaar maakt tegen dat vereiste.

5. Tot slot

De tekst in de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 1999 die ziet op de uitvoering van artikel 8 lid 1 onder b (pagina [A1 - art. 8] 1-3) en artikel 9 lid 1 onder b (pagina [A1 - art. 9] - 17, categorie 9) vervalt en wordt vervangen door bovenstaande tekst in dit TBN.

Met inachtneming van het gestelde in dit TBN dient te worden beoordeeld of er bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland van een verzoeker en of verzoeker afstand moet doen van de oorspronkelijke nationaliteit.

De Staatssecretaris van Justitie,Namens de Staatssecretaris,
Het Hoofd van de Immigratie- en Naturalisatiedienst,
H.W.M. Schoof.

Bijlage 1: omzetting verblijfstitels en -documenten

stcrt-2001-77-p8-SC28953-1.gif

Bijlage 2: wel/geen bedenking tegen verblijf voor onbepaalde tijd

stcrt-2001-77-p8-SC28953-2.gif

Bijlage 3: wel/geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd t.a.v. verzoeker in het bezit van verblijfsdocument I

Verblijfgever = degene bij wie verblijf wordt beoogd

stcrt-2001-77-p8-SC28953-3.gifstcrt-2001-77-p8-SC28953-4.gif

Bijlage 4: tekst van artikel 3.4 Vreemdelingenbesluit 2000

Artikel 3.4

1. De in artikel 14, tweede lid, van de Wet bedoelde beperkingen houden verband met:

a. gezinshereniging of gezinsvorming;

b. verblijf ter adoptie of als pleegkind;

c. het afwachten van onderzoek naar de geschiktheid van de aspirant-adoptiefouders, bedoeld in artikel 11 van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie;

d. familiebezoek;

e. het verrichten van arbeid als zelfstandige;

f. het verrichten van arbeid in loondienst;

g. het verrichten van arbeid als geestelijk voorganger of godsdienstleraar;

h. het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst;

i. het zoeken van arbeid in loondienst aan boord van een Nederlands zeeschip of op een mijnbouwinstallatie op het Nederlandse deel van het continentaal plat;

j. het doorbrengen van verlof in Nederland;

k. het afwachten van herstel en hervatting van de arbeid in loondienst aan boord van een Nederlands zeeschip of op een mijnbouwinstallatie op het Nederlandse deel van het continentaal plat;

l. verblijf als stagiaire of practicant;

m. verblijf als niet-geprivilegieerd militair of niet-geprivilegieerd burgerpersoneel;

n. het volgen van studie;

o. de voorbereiding op studie;

p. verblijf als au pair;

q. verblijf in het kader van uitwisseling;

r. het ondergaan van medische behandeling;

s. de vervolging van mensenhandel;

t. het afwachten van een verzoek op grond van artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap;

u. voortgezet verblijf;

v. wedertoelating;

w. verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken;

x. het feit dat na drie jaren niet onherroepelijk is beslist op een asielaanvraag, of

y. verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling.

2. De beperkingen, bedoeld in het eerste lid, kunnen nader worden omschreven bij de verlening van de verblijfsvergunning.

3. Tenzij het doel waarvoor de vreemdeling in Nederland wil verblijven een zodanig verband houdt met de situatie in het land van herkomst dat voor de beoordeling daarvan naar het oordeel van Onze Minister de indiening van een aanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Wet noodzakelijk is, kan Onze Minister de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, verlenen onder een andere beperking, dan genoemd in het eerste lid.

4. Een beroep op de publieke middelen kan in ieder geval gevolgen hebben voor het verblijfsrecht, indien de verblijfsvergunning is verleend onder één van de beperkingen, bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met r, en het derde lid. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over deze beperkingen.

Bijlage 5: tekst van artikel 3.5 Vreemdelingenbesluit 2000

Artikel 3.5

1. Het verblijfsrecht op grond van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, is tijdelijk of niet-tijdelijk.

2. Het verblijfsrecht is tijdelijk, indien de verblijfsvergunning is verleend onder een beperking, verband houdend met:

a. gezinsvorming of gezinshereniging met, of verblijf ter adoptie of als pleegkind bij, een persoon met tijdelijk verblijfsrecht of een houder van de verblijfsvergunning bedoeld in artikel 28 van de Wet;

b. het afwachten van onderzoek naar de geschiktheid van de aspirant-adoptiefouders, bedoeld in artikel 11 van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie;

c. familiebezoek;

d. het verrichten van arbeid als geestelijk voorganger of godsdienstleraar, tenzij de houder verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije;

e. het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst, tenzij de houder verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije;

f. het zoeken van arbeid in loondienst aan boord van een Nederlands zeeschip of op een mijnbouwinstallatie op het Nederlandse deel van het continentaal plat, tenzij de houder verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije;

g. het afwachten van herstel en hervatting van de arbeid in loondienst aan boord van een Nederlands zeeschip of op een mijnbouwinstallatie op het Nederlandse deel van het continentaal plat, tenzij de houder verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije;

h. verblijf als stagiaire of als practicant;

i. verblijf als niet-geprivilegieerd militair of niet-geprivilegieerd burgerpersoneel;

j. het volgen van studie;

k. de voorbereiding op studie;

l. verblijf als au pair;

m. verblijf in het kader van uitwisseling;

n. het ondergaan van medische behandeling;

o. de vervolging van mensenhandel;

p. het afwachten van een verzoek op grond van artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap;

q. verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling; of

r. verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken.

3. Indien de verblijfsvergunning is verleend onder een andere beperking dan genoemd in het tweede lid, is het verblijfsrecht niet-tijdelijk, tenzij bij de verlening van de verblijfsvergunning anders is bepaald.

Bijlage 6: beknopt overzicht van de gronden voor intrekking/niet-verlenging van een verblijfsvergunning

stcrt-2001-77-p8-SC28953-5.gif
Naar boven