Vergunning voor dierproeven

20 februari 2001

GZB/VVB/2155816

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

Gelet op artikel 2, eerste lid, en artikel 6 van de Wet op de dierproeven (Stb. 1977, 67),

Besluit:

Aan Crucell Holland B.V. te Leiden wordt vergunning verleend tot het verrichten van dierproeven onder de volgende beperkingen en voorschriften.

1. De vergunninghouder dient tijdig vooraf van de proeven kennis te geven aan de toezichthouder, bedoeld in artikel 14 van de Wet op de dierproeven. Indien een proef gepaard kan gaan met ernstig ongemak dat langer dan 7 dagen zal aanhouden, alsmede indien geen verdoving zal worden toegepast dient daarvan bij de kennisgeving mededeling te worden gedaan.

2. Indien voor een dierproef verschillende mogelijkheden beschikbaar zijn, dient de keuze te vallen op die proeven waarbij het geringste aantal dieren wordt gebruikt en zo min mogelijk pijn, letsel of ander ernstig ongemak wordt veroorzaakt.

3. Proeven met dieren afkomstig uit de vrije natuur mogen slechts worden verricht indien proeven met andere dieren niet geschikt zijn voor het doel van de proef.

4. Een dier dat is gebruikt in een proef die gepaard gaat met ernstig of langdurig ongemak, mag, onverschillig of verdoving werd toegepast, niet in een volgende proef worden gebruikt, tenzij het dier weer verkeert in een toestand van welzijn en goede gezondheid en voorts:

a) het dier gedurende die volgende proef wordt gehouden onder algehele verdoving en daaruit niet meer ontwaakt, of

b) bij die volgende proef slechts sprake is van handelingen met gering ongerief.

De Minister voornoemd,
namens de Minister:
De Directeur Gezondheidsbeleid,
A.A.W. Kalis, arts.

Naar boven