Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Service Centrum GrondStaatscourant 2001, 249 pagina 52Overig

Derde wijziging reglement N.V. Service Centrum Grond

De directie van de N.V. Service Centrum Grond,

Gelet op artikel 22, eerste lid, van de Wet bodembescherming en de artikelen 4:4, 4:5 en 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht,

Besluit:

I. Het Reglement van de N.V. Service Centrum Grond, vastgesteld op 16 juni 2000 en bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant van 27 juni 2000, nr. 121, en laatstelijk gewijzigd op 15 oktober 2001 (Nederlandse Staatscourant van 25 oktober 2001, nr. 207), wordt gewijzigd als volgt.

A.

Artikel 1 wordt gewijzigd als volgt.

1. Het eerste lid, onder d, komt te luiden:

d. verklaring: een verklaring als bedoeld in artikel 2, onder b, c en d;.

2. In het tweede lid vervallen de woorden: en baggerspecie.

3. Na het tweede lid wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt:

3. Voor het geven van een verklaring op grond van de Wet belastingen op milieugrondslag wordt verstaan onder baggerspecie, baggerspecie klasse 0 en verontreinigde baggerspecie: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage A bij dit reglement.

B.

Artikel 2 wordt gewijzigd als volgt.

1. In onderdeel b wordt `Besluit stortverbod afvalstoffen' vervangen door: Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen.

2. Onder vervanging van de puntkomma aan het slot van onderdeel d door een punt, vervalt onderdeel e.

C.

Artikel 3 wordt gewijzigd als volgt.

1. In het eerste lid wordt achter `advies' ingevoegd: voor verontreinigde grond.

2. Na het tweede lid wordt een lid toegevoegd, dat luidt:

3.Voor het indienen van een aanvraag van een verklaring voor verontreinigde baggerspecie wordt het formulier met toelichting vastgesteld, dat is opgenomen in bijlage 10 bij dit reglement.

D.

In artikel 6a wordt na `Voor de beoordeling van asbest' ingevoegd: in verontreinigde grond.

E.

In het opschrift van § 5 wordt `Besluit stortverbod afvalstoffen' vervangen door: Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen.

F.

In artikel 8 wordt `Besluit stortverbod afvalstoffen' vervangen door: Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen.

G.

In artikel 11a wordt `Besluit stortverbod afvalstoffen' vervangen door: Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen.

H.

§ 5b komt te vervallen.

I.

Het opschrift van § 5c komt te luiden: Bepalingen met betrekking tot de aanvulling van verklaringen inzake verontreinigde grond.

J.

In artikel 11i wordt na `verklaringen' ingevoegd: voor verontreinigde grond.

K.

Het opschrift van § 5d komt te luiden: Bepalingen met betrekking tot de verlenging van verklaringen inzake verontreinigde grond.

L.

In artikel 11n wordt `Besluit stortverbod afvalstoffen' vervangen door: Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen.

M.

Na § 5d worden twee paragrafen ingevoegd, die luiden als volgt:

§ 5 e Bepalingen met betrekking tot verklaringen inzake verontreinigde baggerspecie krachtens de Wet belastingen op milieugrondslag

Artikel 11r

Deze paragraaf is van toepassing op verklaringen voor verontreinigde baggerspecie krachtens de Wet belastingen op milieugrondslag, tenzij het een verlenging betreft.

Artikel 11s

De bemonstering van de partij alsmede de voorbehandeling en de analyse van de monsters moeten zijn uitgevoerd overeenkomstig het daaromtrent bepaalde in bijlage A bij dit reglement.

Artikel 11t

Bij de aanvraag van een verklaring voor het residu van de reiniging van baggerspecie dan wel voor baggerspecie waarop bijlage A, artikel 7, van toepassing is, behoeft geen gebruik te worden gemaakt van het vastgestelde formulier.

Artikel 11u

Bij de aanvraag worden de gegevens verstrekt die zijn aangegeven in bijlage 11 bij dit reglement.

Artikel 11v

De beoordeling van de reinigbaarheid geschiedt op basis van bijlage A bij dit reglement.

§ 5f Bepalingen met betrekking tot de verlenging van verklaringen inzake verontreinigde baggerspecie

Artikel 11w

Deze paragraaf is van toepassing op de verlenging van verklaringen voor verontreinigde baggerspecie krachtens de Wet belastingen op milieugrondslag.

Artikel 11x

Bij de aanvraag behoeft geen gebruik te worden gemaakt van het vastgestelde formulier.

Artikel 11y

Op de bij de aanvraag te verstrekken gegevens is bijlage 9 bij dit reglement van overeenkomstige toepassing.

Artikel 11z

Een verklaring wordt alleen verlengd indien de oorspronkelijke samenstelling van de partij blijkens de overgelegde gegevens niet is gewijzigd.

N.

In bijlage 1 vervallen de onderdelen met betrekking tot baggerspecie.

O.

Bijlage 7 vervalt.

P.

Het opschrift van bijlage 8 komt te luiden: Bij de aanvraag voor een aanvulling van een verklaring inzake verontreinigde grond te verstrekken gegevens.

Q.

Het opschrift van bijlage 9 komt te luiden: Bij de aanvraag voor een verlenging van een verklaring inzake verontreinigde grond te verstrekken gegevens.

R.

Toegevoegd worden de bij dit besluit gevoegde bijlagen 10 en 11 alsmede bijlage A.

II. Deze wijziging treedt in werking met ingang van 1 januari 2002.

Houten,
De directie van het SCG.

Deze wijziging zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Deze wijziging is op 17 december 2001 goedgekeurd door de Raad van Commissarissen van de N.V. SCG en is op 17 december 2001 ter kennis gebracht van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

Toelichting

1. Algemeen

Vanaf 1 januari 2002 is het storten van reinigbare baggerspecie belastingplichtig ingevolge de Wet belastingen op milieugrondslag. Een vrijstelling geldt voor baggerspecie die blijkens een verklaring van het SCG niet-reinigbaar is. Bij ministeriële regeling zullen regels worden gesteld omtrent de beoordeling van de reinigbaarheid van baggerspecie door het SCG. Hoewel deze regeling (hierna aan te duiden als: de Regeling baggerspecie) inhoudelijk gereed is, kan zij hangende de notificatie ervan bij de Europese Commissie nog niet in werking treden. Daarom wordt voorlopig in het Reglement van het SCG bepaald dat het SCG de beoordeling zal uitvoeren overeenkomstig het bepaalde in (het laatst beschikbare concept van) de ministeriële regeling. In samenhang daarmee worden diverse wijzigingen doorgevoerd in het Reglement en de bijlagen daarbij. Van de gelegenheid is voorts gebruik gemaakt om de nieuwe citeertitel van het Besluit stortverbod afvalstoffen, te weten Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen, in het Reglement te verwerken.

Op het moment waarop de Regeling baggerspecie in werking treedt, zal het Reglement daaraan weer worden aangepast. Verwacht wordt dat dit in de loop van het voorjaar van 2002 zijn beslag zal krijgen.

2. Paragraafs- en artikelsgewijs

Artikel 1

De Regeling baggerspecie bevat een definitie van baggerspecie en baggerspecie klasse 0, alsmede een omschrijving van verontreinigde baggerspecie. Deze worden in het Reglement overgenomen. De definitie van baggerspecie uit de huidige bijlage 1 bij het Reglement komt te vervallen.

Artikel 2

Artikel III van de Verfijningenwet houdt per 1 januari 2002 op te gelden. Op dat artikel gebaseerde baggerspecieverklaringen zullen dus niet meer worden afgegeven.

De Wbm kent geen overgangsvoorziening voor deze verklaringen. Bestaande baggerspecieverklaringen hebben hun geldigheid dus per 1 januari 2002 verloren. Overigens zijn de gevolgen daarvan beperkt. Deze verklaringen legden alleen de status van het materiaal (baggerspecie) vast, maar deden geen uitspraak over de reinigbaarheid van de specie. Als voor de betrokken specie na 1 januari 2002 een niet-reinigbaarheidsverklaring wordt aangevraagd, zal de status van het materiaal (voorafgaand aan de beoordeling van de reinigbaarheid) opnieuw worden beoordeeld. Het kan zich echter niet voordoen dat specie die indertijd (terecht) is beoordeeld als baggerspecie, nu niet als baggerspecie wordt gezien. De nieuwe definitie van baggerspecie is namelijk iets ruimer dan de oude. Het kan hooguit zijn dat specie die indertijd niet werd beschouwd als baggerspecie, nu wel als zodanig wordt gezien.

Artikel 3

Er is een nieuw formulier vastgesteld voor de aanvraag van een Wbm-verklaring voor baggerspecie in situ, dat wil zeggen voor specie die nog moet worden gebaggerd. Dat formulier wordt ook gebruikt voor het aanvragen voor een verklaring voor baggerspecie ex situ (in een doorgangsdepot). Voor een aanvraag inzake het residu van de reiniging van baggerspecie is voorshands geen formulier vastgesteld. Dat geldt ook voor het aanvragen van een verklaring voor baggerspecie die valt onder het tijdelijke regime van artikel 7 van de Regeling baggerspecie.

§ 5b

Deze paragraaf had betrekking op de aanvraag van baggerspecieverklaringen ingevolge art. III van de Verfijningenwet.

§ 5c en 5d

Deze paragrafen gelden alleen nog voor verontreinigde grond.

§ 5 e en 5f

Deze paragrafen zijn nieuw opgenomen. § 5 e regelt de toepassing van de Regeling baggerspecie. § 5f geeft regels voor het verlengen van een verklaring voor verontreinigde baggerspecie. Door de andere systematiek zijn er voorlopig geen aanvullende verklaringen voor baggerspecie.

Opgemerkt wordt nog dat een partij bestaat uit een zekere hoeveelheid baggerspecie. Die hoeveelheid maakt echter vooralsnog geen deel van de verklaring uit. In de komende tijd zal nader worden bezien of en, zo ja, hoe de hoeveelheid wel een formeel deel van de verklaring moet worden. Dit hangt mede af van de ontwikkeling van tolerantiegrenzen voor de daadwerkelijk aangevoerde hoeveelheid bij de stortplaats in relatie tot de hoeveelheid op de verklaring (bij grond wordt 10% aangehouden). In afwachting daarvan kan een grote afwijking van de te verwachten hoeveelheid specie voor de stortplaatshouder aanleiding zijn om te twijfelen of alle baggerspecie wel uit de betrokken partij afkomstig is. In dat geval doet de stortplaatshouder er verstandig aan contact op te nemen met de betrokken instantie of met het SCG, ten einde een en ander te laten nagaan.

Bijlage 1

De `oude' definitie van baggerspecie is vanaf 1 januari 2002 niet meer van toepassing.

Bijlage 7

Deze bijlage behoorde bij § 5b.

Bijlage 8 en 9

Deze bijlagen behoren bij § 5c respectievelijk 5d en gelden eveneens alleen nog voor verontreinigde grond.

Bijlagen 10, 11 en A

Nieuw opgenomen zijn:

- Een formulier met toelichting voor de aanvraag van een verklaring voor verontreinigde baggerspecie (bijlage 10);

- een bijlage met aanvraaggegevens voor situaties die niet worden bestreken door de Regeling baggerspecie (bijlage 11);

- de (concept-)Regeling baggerspecie met de daarbij behorende bijlagen en toelichting (bijlage A).

De bijlagen 10 en A bevatten hun eigen toelichting. Bij bijlage 11, onderdeel C, wordt opgemerkt dat de houder van een reinigingsinstallatie ingevolge bijlage A moet beschikken over een functionerend en gedocumenteerd kwaliteitsborgingsysteem, waardoor de betrokken gegevens kunnen worden overgelegd aan het SCG.

BIJLAGE 10

stcrt-2001-249-p52-SC32502-1.gifstcrt-2001-249-p52-SC32502-2.gifstcrt-2001-249-p52-SC32502-3.gif

Toelichting formulier aanvraag verklaring baggerspecie

Versie december 2001 (RF25)

Algemeen

Een aanvraag voor een verklaring baggerspecie bij het SCG is kosteloos. De wettelijke termijn van een beoordeling bedraagt maximaal vier weken, indien de gegevens volledig en correct zijn aangeleverd.

A. Gegevens aanvrager

01 Onder aanvrager verstaat het SCG de opdrachtgever voor de verwijdering van de baggerspecie. Het SCG kent aan de aanvrager een blijvend relatienummer toe. Bij volgende aanmeldingen volstaat vermelding van dit relatienummer. De nummers 02 t/m 10 kunt u dan open laten mits er geen veranderingen zijn opgetreden.

02 t/m 08 Algemene gegevens van de aanvrager.

9 en 10 Contactpersoon van de aanvrager voor algemene zaken / hoofd van de afdeling.

B. Projectgegevens

12 Het projectnummer wordt door het SCG toegekend. Als dit nummer bekend is, kunt u het hier invullen. De gegevens bij 13 t/m 21 hoeft u dan niet in te vullen mits er geen veranderingen zijn opgetreden.

13 De naam die door de aanvrager aan het project is gegeven.

14 Geef hier aan of de verwijdering van de baggerspecie plaats vindt in het kader van sanering of onderhoud. De gegevens waarop de aanvraag is gebaseerd mogen in geval van onderhoud maximaal 2 jaar oud zijn en in geval van sanering 5 jaar.

15 Geef in geval van onderhoud de frequentie aan waarmee onderhoud wordt gepleegd.

16 Geef hier een verwijzing aan naar een mee te zenden kaart van het betreffende oppervlaktewater met daarop ingetekend de geografische ligging van de locatie alsmede de geografische ligging van de partijen binnen de locatie. Geef op of bij deze kaart aan wat de huidige (nautische) diepte en de beoogde (nautische) diepte is op de locatie.

17 t/m 21 De naam en gegevens van de projectleider van de aanvrager (dus niet van de projectadviseur die de aanvraag verzorgt).

Projectadviseur

22 t/m 27 Onder projectadviseur verstaat het SCG de persoon / instantie / het adviesbureau die na-mens de aanvrager de aanvraag verzorgt en al dan niet als correspondentieadres fungeert. Het SCG kent aan de projectadviseur een blijvend relatienummer toe. Bij volgende aanmeldingen volstaat vermelding van dit relatienummer. De gegevens bij 23 t/m 27 kunt u dan open laten mits er geen veranderingen zijn opgetreden.

28 t/m 30 De contactpersoon, het toestelnummer en het e-mail adres van de projectadviseur die de aanvraag verzorgt.

31 Hier kunt u aangeven of de projectadviseur de correspondentie wenst te ontvangen.

Aanvullende informatie en toelichting

32 Geef een volledig overzicht van de uitgevoerde onderzoeken op de locatie voorzover deze betrekking hebben op de baggerspecie waarvoor de aanvraag wordt ingediend. Het SCG vraagt steekproefsgewijze en bij onduidelijkheden ter controle van de juistheid van de aanvraag deze onderzoeken op.

33 Hier vermeldt u op basis van welk protocol, richtlijn of voorschrift de bij vraag 32 uitgevoerde onderzoeken zijn uitgevoerd. Het SCG toetst of het onderzoek is uitgevoerd conform dit protocol, richtlijn of voorschrift. Indien u (gemotiveerd) bent afgeweken van dit protocol, richtlijn of voorschrift dient u dat hier aan te geven en in een separate bijlage bij de aanvraag te motiveren.

34 Bij de toelichting verstrekt u algemene achtergrondinformatie met betrekking tot historie, verontreinigingsbronnen, enzovoort. Daarnaast verstrekt u informatie over de wijze waarop de locatie is ingedeeld in partijen (bijvoorbeeld op basis van verontreinigingsgraad of zandgehalte) en of in het verleden al/dan niet bodemvreemde materialen in de waterbodem zijn aangebracht.

C. Partijgegevens

Dit onderdeel (kopiëren en) invullen per te onderscheiden partij.

35 en 36 Naast het partijnummer van de aanvrager, kent het SCG aan elke partij een eigen uniek partijnummer toe.

37 Hier geeft u de indicatie van de totale hoeveelheid baggerspecie inclusief puin en afval zo goed mogelijk aan, zowel in tonnen als in kubieke meters (in situ, met uitzondering van (doorgangs)depots). Geef tevens de gehanteerde omrekenfactor van tonnen naar kubieke meters aan. Worden puin en afval voorafgaand aan de afvoer op een bepaalde diameter afgezeefd, dan het afgezeefde deel niet aanmelden. Eventueel bij 48 de gebruikte zeefdiameter aangeven. Geef hier, met separate onderbouwing, aan wat de oppervlakte en de dikte van de te baggeren partij betreft.

38 Geef hier aan wanneer de partij vermoedelijk wordt gebaggerd. In geval van een doorgangsdepot waar de partij uiteraard reeds is gebaggerd, dient van iedere partij die in het doorgangsdepot is gebracht in een aparte bijlage de herkomst, hoeveelheid en aanvoerdatum te worden aangegeven.

39 Geef hier een verwijzing aan naar een mee te zenden kaart van het Wvo-gebied met daarop ingetekend de geografische ligging van de locatie alsmede de geografische ligging van de partijen binnen de locatie.

40 Partijen met meer dan 50 % bodemvreemd materiaal worden door het SCG gekwalificeerd als niet-zijnde baggerspecie. Voor dergelijke partijen geeft het SCG géén verklaring. Dergelijke partijen niet bij het SCG aanmelden.

41 Geef het gemiddelde vochtgehalte aan (100 - % droge stof, bepaald volgens NEN 5748).

42 Geef het gemiddelde humusgehalte aan, bepaald volgens NEN 5754. De pH (0,01 M CaCl2) bepalen volgens NEN 5750. Het gehalte calciumcarbonaat bepalen volgens NEN 5757. Geef het gewogen gemiddelde, het minimale en het maximale zandgehalte aan (% van de droge stof 63-2000 µm) alsmede het aantal bepalingen van het zandgehalte (Nan).

43 Geef het gemiddelde lutumgehalte en de fractieverdeling van de minerale delen (0 - 2000 (m) aan. Het lutumgehalte (uitgedrukt in % d.s.) bepalen volgens NEN 5753. De fractieverdeling eveneens bepalen volgens NEN 5753 (met destructie, met behulp van zeef en pipet, inclusief de fractie < 2 mm) en berekenen als massapercentage van de som van de minerale delen (zie bijlage C.3 van NEN 5753). Per uitgevoerde analyse op chemische parameters één fractieverdeling bepalen.

44 Onder baggerspecie verstaat het SCG de minerale delen samen met humus; dit is een bepaald percentage van de totale hoeveelheid droge stof.

45 Het SCG gaat ervan uit dat de partij zo mogelijk wordt gezeefd op 32 mm en in ieder geval op 80 mm. Vermeld derhalve op basis van visuele waarnemingen, de zeefcurve en boorstaten een schatting van de gehaltes voor de fracties van 232, 32-80 en <80 mm. Met puin wordt het gehalte aan steenachtig materiaal bedoeld. Overleg bij de melding alle boorstaten inclusief de plaatsing van de boringen in de partij.

46 en 47 Onder afval verstaat het SCG bodemvreemde stoffen (uitgezonderd puin) zoals slakken, sintels en kooldeeltjes, ijzerdelen, boomstronken, begroeiingsresten, plastics, huisvuil e.d.

Het percentage bodemvreemd materiaal (b) kan worden aangegeven door sommatie van het percentage puin en afval. Als het percentage bodemvreemd materiaal is aangegeven, dan is de totale partij bestaande uit baggerspecie (a) en bodemvreemd materiaal (b) voor 100 % benoemd.

48 Bij de omschrijving afval geeft u een beschrijving van het afval, bijvoorbeeld soort, verspreiding, grootte, uitzeefbaarheid e.d. Eventueel de gebruikte zeefdiameter aangeven.

49 Hier geeft u de verontreinigingen van de partij aan en tevens de verontreinigingsklasse van de partij:

Verontreinigingstype

Bij elk verontreinigingstype (Vt.) hoort een code; deze codes staan vermeld op bijgaande lijst. Voor PAK's geldt: naast het PAK-totaal (de 10 van VROM) o.a. in verband met de toetsing van hergebruiksmogelijkheden ook altijd de overige op het formulier aangegeven PAK's invullen.

Concentratie

Bij de concentratie (Conc.) geeft u de gemeten concentraties op van de verontreinigende stoffen (in mg/kg d.s.). Deze concentratie is het `gewogen gemiddelde` van de analyses van de partij. Het gewogen gemiddelde kunt u bepalen door aan elke analyse de representatieve hoeveelheid baggerspecie te koppelen.

Minimum / maximum

Hier geeft u de gemeten minimale (Min.) en maximale (Max.) waarden (in mg/kg d.s.) aan.

Aantal analyses

Bij Nan vermeldt u het aantal analyses dat op de partij betrekking heeft. Bij Nmm vermeldt u het aantal deelmonsters per samengesteld monster.

Uitloging

Bij U vermeldt u eventueel de bepaalde uitloging, gemeten met de proef voor korrelvormige materialen (NEN 7343): de cumulatieve uitloging, uitgedrukt in mg/kg bij L/S=10.

In de toelichting kunt u bijvoorbeeld aangeven in welke vorm en verspreiding de verontreiniging in de baggerspecie voorkomt (bijvoorbeeld wel of niet geïoniseerd) enzovoort.

50 Hier kunt u aangeven of de baggerspecie zich nog in de waterbodem bevindt of reeds is gebaggerd en in doorgangsdepot is gezet. Voor ex-situ partijen dient het onderzoek te zijn uitgevoerd conform de normatieve bijlagen B.10 en B.11 van de NEN5740. Voor de in-situ partijen dient het onderzoek te zijn uitgevoerd conform een van de protocollen zoals opgenomen in het reglement van het SCG. Daarnaast moet worden aangegeven met welk kwaliteitsniveau de monstervoorbehandeling en -analyses zijn uitgevoerd.

51 Per partij ondertekenen. Het SCG neemt alleen volledig ingevulde en ondertekende formulieren in behandeling. Formulieren kunnen per post of fax worden verstuurd aan SCG.

BIJLAGE 11

Bij de aanvraag van een verklaring van niet-reinigbaarheid baggerspecie te verstrekken gegevens

A. Bij de aanvraag van een verklaring van niet-reinigbaarheid baggerspecie in situ te verstrekken gegevens

Ten aanzien van deze aanvraag is bijlage A, bijlage 2, van overeenkomstige toepassing.

B. Bij de aanvraag van een verklaring van niet-reinigbaarheid baggerspecie ex situ te verstrekken gegevens

Ten aanzien van deze aanvraag is bijlage A, bijlage 2, van overeenkomstige toepassing.

C. Bij de aanvraag van een verklaring van niet-reinigbaarheid van residu van baggerspecie te verstrekken gegevens

De navolgende gegevens dienen te worden overlegd:

- De herkomst en de status van elk inkomende partij.

- De hoeveelheid ingenomen baggerspecie in tonnen droge stof.

- De hoeveelheid afgevoerd residu in tonnen droge stof.

- De hoeveelheid afgevoerd zand in tonnen droge stof.

- De weeggegevens van de aangeboden hoeveelheid residu.

- De locatie waar het zand naartoe wordt afgevoerd.

D. Aanvullende gegevens

Op verzoek van het servicecentrum worden aanvullende gegevens verstrekt op voet van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht.

Bijlage A

Concept Regeling beoordeling reinigbaarheid baggerspecie

Paragraaf 1 Algemeen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. bijlage 1, 2, en 3: de bij deze regeling behorende bijlage 1, 2, onderscheidenlijk 3;

b. baggerspecie: grond die uit de bodem is vrijgekomen via het oppervlaktewater of de voor dat water bestemde ruimte, daaronder begrepen sediment en het residu van de reiniging van baggerspecie;

c. baggerspecie klasse 0: baggerspecie met een kwaliteit liggend onder of gelijk aan de streefwaarden zoals aangegeven in de bijlage bij het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen en bepaald overeenkomstig bijlage 1.

Artikel 2

Alle baggerspecie wordt aangemerkt als verontreinigde baggerspecie, met uitzondering van baggerspecie klasse 0.

Paragraaf 2 De aanvraag van een advies als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Wet bodembescherming

Artikel 3

1. Als categorie verontreinigde grond waarvoor een adviesaanvrage als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Wet bodembescherming achterwege kan blijven wordt aangewezen: baggerspecie.

2. Het eerste lid is niet van toepassing indien gedeputeerde staten een aanwijzing of een bevel tot het inwinnen van advies bij het servicecentrum hebben gegeven krachtens artikel 27, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 43, eerste lid, van de Wet bodembescherming.

Artikel 4

Bij de aanvraag van een advies worden de gegevens verstrekt die zijn aangegeven in bijlage 2.

Paragraaf 3 De beoordeling van de reinigbaarheid van baggerspecie

Artikel 5

Verontreinigde baggerspecie is reinigbaar, indien het zandgehalte van de baggerspecie groter is dan of gelijk is aan 60 procent, bepaald met inachtneming van bijlage 1.

Artikel 6

Het residu van de reiniging van baggerspecie wordt aangemerkt als niet-reinigbare verontreinigde baggerspecie, indien:

a. het residu uitsluitend afkomstig is van de reiniging van baggerspecie,

b. de reiniging heeft plaatsgevonden door middel van een daartoe geschikte scheidingsinstallatie of een daartoe geschikt sedimentatiebekken, en

c. de houder van een scheidingsinstallatie of een sedimentatiebekken aan de eisen voldoet als vermeld in bijlage 3.

Artikel 7

1. In afwijking van artikel 5 wordt baggerspecie als niet-reinigbaar aangemerkt, indien:

a. de baggerspecie voor 1 januari 2002 uit de bodem is vrijgekomen, maar voor die datum nog niet is gestort, en

b. voor 1 februari 2002 van het vrijkomen van de baggerspecie is kennisgegeven aan het servicecentrum onder overlegging van een opgave van de hoeveelheid van de betrokken baggerspecie.

2. In afwijking van artikel 5 wordt baggerspecie voorts als niet-reinigbaar aangemerkt, indien:

a. de baggerspecie op of na 1 januari 2002 uit de bodem is vrijgekomen ingevolge een opdracht die voor 1 januari 2002 schriftelijk is verleend, en

b. voor 1 februari 2002 van die opdracht is kennisgegeven aan het servicecentrum onder overlegging van de op de opdracht betrekking hebbende bescheiden.

3. Dit artikel komt te vervallen met ingang van 1 januari 2003.

Artikel 8

In afwijking van artikel 6 behoeft tot 1 juli 2002 niet te zijn voldaan aan bijlage 3, onderdelen 1 en 2, indien voor 1 februari 2002 aan het servicecentrum een plan is overgelegd, inhoudende een beschrijving van de wijze:

a. waarop zal worden bereikt dat uiterlijk op1 juli 2002 een goedgekeurd kwaliteitsborgingsysteem als bedoeld in bijlage 3, onderdeel 1, beschikbaar is, met inachtneming van de daartoe door het servicecentrum te geven aanwijzingen, en

b. waarop tot het beschikbaar komen van het goedgekeurde kwaliteitsborgingsysteem zal worden voldaan aan bijlage 3, onderdelen 3 en 4.

Paragraaf 4 Overige en slotbepalingen

[Niet opgenomen]

Bijlage 1 Behorende bij artikel 1, onderdeel b en artikel 5 van de Regeling beoordeling reinigbaarheid baggerspecie

Het bepalen van de klasse en het zandgehalte van baggerspecie

1. Begrippen

In deze bijlage wordt verstaan onder:

a. Streefwaarden: streefwaarden als bedoeld in de bijlage behorende bij het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen.

b. Toetsingswaarden: toetsingswaarden als bedoeld in de bijlage behorende bij het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen.

c. Tussenwaarde: == maal (streefwaarde + interventiewaarde).

d. Grenswaarden: grenswaarden als bedoeld in de bijlage behorende bij het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen.

2. Klasse 0

De streefwaarden worden gebruikt om te bepalen of de baggerspecie is aan te merken als klasse 0.

EOX in de hiervoor genoemde bijlage is een `trigger' voor de eventuele aanwezigheid van gechloreerde en andere halogeen verbindingen. Overschrijding van de streefwaarde van EOX leidt niet automatisch tot de conclusie dat niet voldaan is aan de streefwaarde. Bij overschrijding van de streefwaarde moet aanvullend (historisch of analytisch) onderzoek worden gedaan naar de aanwezigheid van gechloreerde (en andere halogeen) verbindingen. Indien deze parameters aanwezig zijn, worden ze meegenomen bij de klasse-indeling.

Bij een overschrijding van de streefwaarden wordt het ingedeeld in de hoogste van de klassen waarin het monster zich bevindt. Het monster van een partij verontreinigde baggerspecie mag alsnog in klasse 0 worden ingedeeld, indien:

- het aantal getoetste parameters minimaal 10 en maximaal 19 is, en

- er een overschrijding met een factor 2 van de streefwaarde van maximaal 3 parameters is, en

- de individueel te toetsen parameters onder de tussenwaarde en onder de toetsingswaarde liggen.

Als één van de parameters die de streefwaarde overschrijdt DDT/DDE/DDD (som) of aldrin/dieldrin/endrin (som) is, mag de streefwaarde voor deze parameter met een factor 3 worden overschreden in plaats van een factor 2.

Bij analyse van 20 parameters of meer mogen maximaal 4 parameters in plaats van 3 parameters de streefwaarde overschrijden met een factor 2.

Indien bij onderzoek voor een parameter geen gehalte boven de bepalingsgrens wordt gevonden, wordt de parameter niet betrokken bij de klasse-indeling.

Bij sommige parameters liggen de streef-, grens-, of toetsingswaarde lager dan de bepalingsgrens. In de tabel van het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen is dit aangegeven met een * en twee waarden. De eerste waarde geeft de lange termijn waarde aan, die bij verbetering van de analysemethoden op basis van risico's gehanteerd zou moeten worden. De tweede waarde betreft de waarde waarop nu moet worden getoetst. Deze waarde is gebaseerd op de bepalingsgrens. Bij overschrijding van deze, niet voor lutum en organisch stof gecorrigeerde, bepalingsgrens vindt in deze gevallen overschrijding van de streef-, grens-, of toetsingswaarde plaats.

3. Beoordelingsmethodiek klasse-indeling

Voor de beoordelingsmethodiek dient een onderscheid te worden gemaakt in de volgende gevallen:

a. nog te ontgraven baggerspecie waarvan de samenstelling in situ wordt bepaald,

b. ontgraven baggerspecie die wordt behandeld door middel van ontwatering en rijping in een tijdelijk depot of doorgangsdepot.

Ad A. Nog te ontgraven baggerspecie

Voordat de baggerspecie wordt ontgraven zal moeten worden beoordeeld of al dan niet sprake is van baggerspecie klasse 0. Hiervoor moet een bemonstering plaatsvinden in de te baggeren laag. Voor de bemonsteringstrategie kan te allen tijde gebruik worden gemaakt van de NVN 5720. Verder kan de onderzoeksstrategie worden gebruikt zoals beschreven in:

• Landelijk geldend

- Ministeriële regeling vaststelling klasse-indeling onderhoudsspecie (Ministerie van VROM)

- Protocol voor het oriënterend onderzoek (Ministerie van VROM)

- Protocol voor het nader onderzoek deel 1 (Ministerie van VROM)

• Geldend voor een specifieke toepassing zoals vermeld in het betrokken document

- Monstercampagne Rotterdamse havens en vaarwegen (Rijkswaterstaat Directie Zuid-Holland en Gemeentelijk havenbedrijf Rotterdam)

- Richtlijn Milieuchemisch onderzoek Maaswerken (Rijkswaterstaat)

- Tussenrichtlijn onderzoeksstrategie uiterwaarden in het beheersgebied van Rijkswaterstaat Directie Oost Nederland

- Bemonsteringsprotocol Gelderland (Provincie Gelderland)

- Nota uitwerking baggerbeleid II (Provincie Zuid-Holland)

- Voorschriften behorende bij de vergunning Wet milieubeheer van het depot Amerikahaven te Amsterdam

Ad B. Behandelde baggerspecie

Nadat verontreinigde baggerspecie is behandeld, moet de specie opnieuw in één of meer partijen worden ingedeeld. Deze nieuwe partij of partijen moeten net zoals de oorspronkelijke partijen worden beoordeeld op de klasse en het zandgehalte. Hiervoor dient gebruik te worden gemaakt van de bemonsteringstrategie voor de toetsing of sprake is van schone bodem, zoals opgenomen in de normatieve bijlagen B.10 en B.11 van de NEN 5740.

De monsters dienen te worden geanalyseerd aan de hand van het minimumpakket, aangevuld met de bepaling van de korrelgrootteverdeling volgens NEN 5753.

4. Beoordelingsmethodiek zandgehalte

Per partij (of baggervak) wordt aan de hand van de gemiddelde samenstelling door het servicecentrum bepaald hoe zandig de specie is. Voor de bemonsteringstrategie wordt uitgegaan van dezelfde protocollen, richtlijnen en voorschriften als worden toegepast voor het bepalen van de klasse.

Als zand worden aangemerkt de baggerdeeltjes met een korrelgrootte van 63 µm tot 2000 µm. Het zandgehalte van elk monster wordt door middel van de volledige korrelgrootteverdeling volgens NEN 5753 bepaald. Het zandgehalte wordt uitgedrukt in percentage zand van het totaal aan droge stof. Het zandgehalte van de partij wordt berekend aan de hand van het gemiddelde van het zandgehalte in de afzonderlijke monsters.

Voor onderzoeken die reeds vóór 1 januari 2002 zijn uitgevoerd geldt een afwijkende voorziening. Indien slechts het % < 63 µm (het slibgehalte) is bepaald, kan de aanvrager het zandgehalte ten behoeve van de toetsing aan de criteria voor de reinigbaarheid gelijk stellen aan 1 - % < 63 µm. Hiermee wordt het werkelijk zandgehalte van de partij overschat, waardoor meer partijen voldoen aan het reinigingscriterium. Voor partijen waar het zandgehalte zich begeeft rond het reinigingscriterium wordt aanbevolen alsnog een (of meerdere) volledige zeefkrommen conform de NEN 5753 te bepalen, om een nauwkeuriger toetsing aan het reinigingscriterium mogelijk te maken.

Bijlage 2 Behorende bij artikel 4 van de Regeling beoordeling reinigbaarheid baggerspecie

Bij de aanvraag voor een advies omtrent de reinigbaarheid van baggerspecie te verstrekken gegevens

A Gegevens aanvrager

- Relatienummer van het servicecentrum of:

- Naam, afdeling

- Adres, postcode, plaats

- Provincie

- Telefoon en faxnummers, e-mailadres

- Contactpersoon en toestelnummer

B Projectgegevens

- Projectnummer van het servicecentrum of:

- Projectnaam.

- Locatiegegevens.

- Projectleider met telefoon en faxnummer en e-mail adres.

- Aard van het project (saneringsproject of onderhoudsproject).

- Een volledig overzicht van uitgevoerde onderzoeken van de te verwijderen baggerspecie. Op verzoek van het servicecentrum dienen ook de onderzoeksrapportages te worden overgelegd.

- Een beschrijving van de historie van de locatie en het ontstaan van de verontreiniging op de locatie.

- In geval van een onderhoudsproject: de frequentie van het onderhoud.

- Een kaart van het Wvo-gebied met daarop ingetekend de geografische ligging van de locatie.

- Een overzicht van de huidige en beoogde nautische diepte op de locatie.

- De wijze van indeling van de locatie in afzonderlijke partijen alsmede de geografische ligging van deze partijen binnen de locatie.

- Toelichting.

C Partijgegevens

- Partijnummer aanvrager.

- Vermoedelijke baggerdatum.

- Geografische ligging en dikte van de te baggeren laag.

- Indicatie van de hoeveelheid in ton en m3 inclusief onderbouwing.

- Gehanteerde protocol, richtlijn of voorschrift.

- De verontreinigingsklasse.

- Zandgehalte.

- Percentage puin en afval.

- Verontreinigingen (gehalten in mg/kg d.s.) onder vermelding van de stof, de concentratie, de minimum en maximum concentraties en het aantal analyses.

- Korrelverdeling van de minerale delen tot 2 mm (NEN 5753).

- Gehalten aan vocht (NEN 5748), humus (NEN 5754), lutum (NEN 5753), CaCO3 (NEN 5757) en de pH (KCl) (NEN 5750).

De gegevens die worden gebruikt voor de adviesaanvraag mogen in geval van onderhoudsspecie niet ouder zijn dan 2 jaar en in geval van saneringsspecie niet ouder dan 5 jaar.

D Aanvullende gegevens

Op verzoek van het servicecentrum worden aanvullende gegevens verstrekt op voet van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht.

Bijlage 3 Behorende bij artikel 6, onderdeel c van de Regeling beoordeling reinigbaarheid baggerspecie

Eisen waaraan een scheidingsinstallatie of een sedimentatiebekken moet voldoen

De houder van een daartoe geschikte scheidingsinstallatie of een daartoe geschikt sedimentatiebekken dient te voldoen aan de navolgende eisen.

1. Kwaliteitsborgingsysteem

- De houder van een installatie of een bekken dient te beschikken over een functionerend en gedocumenteerd kwaliteitsborgingsysteem ter waarborging van de naleving van de eisen, genoemd onder 2 tot en met 4.

- Het kwaliteitsborgingsysteem dient te zijn goedgekeurd door het servicecentrum en de belastingdienst voordat het wordt ingevoerd;

- Het kwaliteitssysteem moet na invoering zijn voorzien van een periodieke goedkeuring door het servicecentrum die niet meer dan zes maanden oud is.

2. Organisatorische eisen

- De houder van een installatie of een bekken moet beschikken over een geordende administratieve organisatie met een voldoende mate van functiescheiding.

3. Administratieve eisen

- Van elke inkomende partij moet de herkomst en de status zijn geadministreerd;

- De administratie moet inzichtelijk maken hoeveel baggerspecie is ingenomen, hoeveel residu is afgevoerd en hoeveel zand is afgevoerd.

4. Proceseisen

- Partijen baggerspecie moeten apart van andere afvalstoffen op de locatie worden opgeslagen;

- Partijen baggerspecie moeten apart van andere afvalstoffen in de reinigingsinstallatie worden verwerkt;

- De residuen en het zand van de scheiding van baggerspecie moeten apart van andere afvalstoffen op de locatie worden opgeslagen;

- De residuen en het zand van de scheiding van baggerspecie moeten apart van andere afvalstoffen op de locatie worden afgevoerd naar de stortplaats/het werk.

5. Maatwerk voor bijzondere situaties

- Indien niet kan worden voldaan aan een of meer van de administratieve of proceseisen, kan in plaats daarvan worden voldaan aan andere, door het servicecentrum en de belastingdienst goedgekeurde eisen.

Toelichting (opgenomen zijn enkele hoofdstukken uit het algemene deel, het artikelsgewijze deel alsmede de toelichting op de bijlagen uit het laatst beschikbare concept van de nota van toelichting bij de Regeling beoordeling reinigbaarheid baggerspecie)

Algemene toelichting

5. De aanvraag

5.1 Het object van de aanvraag

Onderhoudsspecie

De verklaring wordt verleend voor een `partij' baggerspecie. Als partij in situ wordt aangemerkt de baggerspecie die zich bevindt op een geografisch afgebakend gedeelte van de waterbodem en die een bepaalde dikte heeft. Deze partij dient te worden bemonsterd ten behoeve van de beoordeling door het SCG. Vervolgens dient deze partij afzonderlijk te worden gebaggerd. Anders behoren de af te voeren partij en de verklaring immers niet bij elkaar. Indien horizontaal of verticaal meer wordt gebaggerd dan is onderzocht, dient het meer gebaggerde als afzonderlijke partij te worden onderzocht en ter beoordeling aan het SCG te worden voorgelegd. Ook kan in principe een nieuwe verklaring voor de gehele te baggeren laag worden aangevraagd, zolang het baggerwerk nog niet is aangevangen.

Vooralsnog gelden geen criteria voor de indeling in partijen. Aangesloten kan worden bij de indeling in `vakken' die thans in de baggerpraktijk gangbaar is. In het algemeen wordt daarbij rekening gehouden met de (chemische) samenstelling van de specie. Overigens zal het SCG wel een marginale toets uitvoeren: als de partij-indeling iedere redelijke grond ontbeert, is er geen partij in de zin van de regeling en kan een verklaring niet worden afgegeven.

De in situ beoordeling van de specie brengt mee dat de toestand van de baggerspecie ex situ geen rol speelt. Dat is van belang omdat een partij vaak in delen zal worden gebaggerd, waarbij deelpartijen een afwijkend zandgehalte kunnen hebben. Voor de toepassing van de Wbm maakt dat geen verschil. Als de partij is beoordeeld, geldt die beoordeling voor alle deelpartijen. Wel blijft het mogelijk om een deelpartij in depot te plaatsen en aldaar ex situ als afzonderlijke partij te bemonsteren.

Saneringsspecie

In het geval van (water)bodemsanering zal in het kader van het opstellen van het saneringsplan een partij-indeling worden gemaakt. Afhankelijk van de verontreinigingsgraad zal de locatie daarbij in één of meer partijen worden ingedeeld.

Doorgangsdepots en residu

In een doorgangsdepot worden de oorspronkelijke partijen vaak gemengd. Zij gaan daardoor als zodanig verloren. Bagger die uit een doorgangsdepot wordt afgevoerd naar een stortplaats, dient daarom opnieuw in partijen te worden ingedeeld. Daarbij kan bijvoorbeeld worden aangesloten bij de afvoer gedurende een bepaalde tijdsperiode.

Ook het residu van de reiniging van baggerspecie wordt aangemerkt als baggerspecie. Onder voorwaarden wordt dit residu generiek als niet-reinigbaar aangemerkt. Ook in dit geval is een SCG-verklaring nodig om van de belastingvrijstelling te kunnen profiteren. Daarom moet ook het residu in partijen worden ingedeeld. Indien de reinigingsinstallatie tijdelijk op een bepaalde locatie staat, kan in principe alle bagger uit het tijdelijke werk als één partij worden beschouwd. Een permanente installatie zal doorgaans een indeling per tijdsperiode hanteren.

Overgangssituaties

In de overgangsperiode waarop artikel 7 van toepassing is, is de betrokken opdracht in principe bepalend voor de indeling in partijen. Betreft de opdracht een concreet werk, dan kan de gehele daaruit voortkomende partij als één partij worden gezien. In andere gevallen zal worden gewerkt met een indeling in verschillende partijen, bijvoorbeeld naar gelang een meer algemeen geformuleerde opdracht concreet wordt ingevuld.

5.2 De aanvraaggegevens

Om een advies in het kader van de Wbb of een verklaring in het kader van de Wbm te verkrijgen, dient een aantal gegevens aan het servicecentrum te worden verstrekt. De gegevens zullen verschillen naar gelang van de situatie: in situ baggerspecie (nog te baggeren specie), bagger in een doorgangsdepot en reinigingsresidu. Het Wbb-advies heeft in principe alleen betrekking op in situ bagger. De daartoe over te leggen gegevens zijn aangegeven in bijlage 2 bij deze regeling. Voor de Wbm-verklaring voor in situ bagger dienen dezelfde gegevens te worden overgelegd.

De gegevens met betrekking tot bagger in een doorgangsdepot zijn deels van afwijkende aard. Zij zijn gebaseerd op een ex situ beoordeling. Niettemin moeten ook gegevens over de oorspronkelijke specie worden overlegd. Daardoor kan het servicecentrum nagaan of het ter beoordeling aangeboden materiaal inderdaad (uitsluitend) uit baggerspecie bestaat. De te verstrekken gegevens zijn aangegeven in het Reglement van het servicecentrum of in een ministeriële regeling op grond van de Wbm.

Ten aanzien van residu dienen gegevens van andere aard te worden overgelegd. Zij dienen aan te tonen dat voldaan is aan de eisen voor het generiek als niet-reinigbaar aanmerken van het residu. Zo zal moeten blijken dat het residu uitsluitend van baggerspecie afkomstig is. Voorts zal onder meer moeten blijken of het stelsel goed functioneert. Daartoe zal steeds moeten worden geraamd hoeveel residu in de eerstkomende periode zal worden afgevoerd. Voorts zal steeds moeten worden vermeld hoeveel residu in de laatst verstreken periode daadwerkelijk is afgevoerd. Als het systeem op gang is gekomen, kan het servicecentrum dus een vergelijking maken tussen de oorspronkelijke raming en de daadwerkelijke afvoer. Dat geeft een goede indicatie voor de werking van het systeem. Overigens zal de geschiktheid van de scheidingsinstallatie of het sedimentatiebekken in principe los van een concrete aanvraag worden beoordeeld.

Ook het voldoen aan de eisen van bijlage 3 (kwaliteitsborging) zal periodiek worden beoordeeld. Daartoe dient het kwaliteitsborgingsysteem tweemaal per jaar opnieuw te worden beoordeeld en goedgekeurd.

Als aan een of meer van de voorwaarden voor de generieke niet-reinigbaarheid van het residu niet is voldaan - bijvoorbeeld omdat de periodieke hertoetsing van het kwaliteitsborgingsysteem achterwege is gebleven of niet tot goedkeuring heeft geleid - zal het SCG geen verklaring van niet-reinigbaarheid afgeven.

6. Onderzoeksprotocollen

Om te bepalen of de baggerspecie verontreinigd is (klasse 1 en hoger) en om het zandgehalte te bepalen, dienen monsters te worden genomen. Vervolgens ondergaan deze monsters een voorbehandeling, waarna zij worden geanalyseerd. De hierbij te volgen werkwijze dient te zijn vastgelegd in een protocol. Het is de bedoeling om te komen tot een uniform protocol. Dat komt volgens voornemen in de loop van 2002, ter invoering per 2003.

In afwachting daarvan is aangesloten bij de bestaande baggerpraktijk. Dat houdt in dat de instanties die een eigen onderzoeksprotocol hebben vastgesteld, mogen doorgaan met het hanteren daarvan. Wel moeten de protocollen zijn vermeld in bijlage 1 bij deze regeling. Wie geen protocol heeft of baggert in situaties waarop zijn protocol geen betrekking heeft, dient altijd gebruik te maken van NVN 5720 of een ander in bijlage 1 genoemd protocol met algemene gelding. Na het totstandkomen van het uniforme protocol zullen de bestaande protocollen voor de toepassing van deze regeling niet meer worden geaccepteerd.

In het algemeen bevatten de betrokken protocollen geen voorziening voor het bepalen van het zandgehalte. Voor het bepalen van het zandgehalte wordt aangesloten bij de monstername conform de bestaande protocollen. Voor elke conform deze protocollen te bepalen chemische analyse dient tevens het zandgehalte te worden bepaald.

Voor ex situ beoordeling van baggerspecie geldt het daartoe in bijlage 1 aangegeven specifieke protocol.

7. Uitvoering en handhaving

7.1 Bevoegd gezag

Verschillende instanties zijn betrokken bij een goede uitvoering van de regels. In het kader van onderhoudswerk dient de verantwoordelijke instantie zelf toe te zien op een goed verloop van de werkzaamheden. Indien de werkzaamheden worden uitbesteed, zal een vorm van toezicht bestaan tussen opdrachtgever en opdrachtnemer. In het contract van uitbesteding kunnen de nodige eisen worden vastgelegd. Bij saneringswerk wijst de Wet bodembescherming het bevoegd gezag aan.

Het servicecentrum heeft een controlerende taak in het kader van de beoordeling van de aanvraag van de Wbm-verklaring. Die controle vloeit voort uit het vereiste van een zorgvuldige besluitvorming en heeft dus formeel niet het karakter van handhaving. Deze controle zal in hoofdzaak aan de hand van de overgelegde of nader opgevraagde stukken plaatsvinden, maar verdergaande controles maken in specifieke situaties deel uit van het pakket. Na de beslissing omtrent de verklaring is de taak van het servicecentrum echter geëindigd. De stortplaatshouder zal bij de aanbieding van de specie alert moeten zijn op onregelmatigheden die zich na de afgifte van de verklaring kunnen hebben voorgedaan, zoals het onjuist baggeren of het afvoeren van bagger uit een andere partij dan waarvoor de verklaring is afgegeven. Het bevoegd gezag voor de inrichting zal nagaan of de stortplaatshouder in dit opzicht aan zijn verplichtingen heeft voldaan.

7.2 Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

Naar de mogelijke knelpunten ter zake van de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de regeling is een studie uitgevoerd, welke heeft geleid tot het Rapport Knelpuntenanalyse Wbm Baggerspecie. In dit rapport is een aantal knelpunten gesignaleerd. De conclusies van het rapport maken duidelijk dat de regeling zoals deze thans wordt ingevoerd, kan worden getypeerd als een basisregeling. Om aansluiting te behouden bij de huidige uitvoeringspraktijk van baggerprojecten, is op een aantal onderdelen namelijk een overgangsbeleid geformuleerd. Zo zijn bestaande onderzoeksprotocollen als onderzoeksinstrument overgenomen en grijpt de regeling niet in op de wijze van vervoer van baggerspecie naar de stortplaats en de wijze van storten van de specie. Gedurende de overgangsperiode moeten maatregelen worden getroffen om de implementatie van de regeling na de overgangsperiode voor te bereiden.

De te ontwikkelen maatregelen zullen tot gevolg hebben dat de kwaliteitsborging van de baggeractiviteiten belangrijk zal toenemen. Het gaat met name om de volgende stappen:

- Het ontwikkelen van het uniforme onderzoeksprotocol;

- Het invoeren vaneen kwaliteitsborgingsysteem, mede gericht op de naleving van de wet- en regelgeving (compliance);

- Monitoring en evaluatie.

In de vorige paragraaf is al ingegaan op het uniforme protocol. Het `compliance systeem' bestaat uit een geheel van aanvullende afspraken in combinatie met een toezichts- en handhavingsarrangement. Het moet resterende onzekerheden zo goed mogelijk afdichten.

Monitoring en evaluatie vormen het sluitstuk van het geheel. De werking van de regeling in de praktijk zal worden gevolgd, gericht op het signaleren van knelpunten en risico's en het formuleren van verbeteringen en waarborgen. Tevens zal worden nagegaan wat het effect is van de invoering van de Wbm op de baggerstromen in Nederland.

In afwachting van een en ander zullen voorlopige afspraken worden gemaakt om te voorkomen dat misbruik van onzekerheden wordt gemaakt of dat betrokkenen door deze onzekerheden ongewenste risico's lopen. Dat geldt zowel voor de aanbieders van baggerspecie als voor het servicecentrum als uitvoerende instantie.

9. Overgangsregeling

Zoals aangegeven, is de regeling te zien als een basisregeling die geleidelijk verder zal worden ontwikkeld. Met het oog daarop zal de regeling na verloop van tijd worden aangepast. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan het voorlopig laten gelden van bestaande onderzoeksprotocollen; deze zullen worden vervangen door een uniform onderzoeksprotocol. Daarnaast zijn in de regeling enige voorzieningen opgenomen waaraan in de regeling zelf een tijdelijk karakter is gegeven. Dit zijn de overgangsvoorzieningen in engere zin. Het betreft de volgende regels.

Bagger in depot en lopende baggerwerkzaamheden

In de eerste plaats is in artikel 7 een voorziening getroffen voor bestaande situaties. Baggerspecie die vóór 1 januari 2002 is gebaggerd, maar op die datum nog niet is gestort, wordt gedurende één jaar als niet-reinigbaar aangemerkt, mits voor 1 februari 2002 hiervan een melding is gedaan aan het servicecentrum. Hierbij moet met name worden gedacht aan baggerspecie die voorafgaand aan het storten in depot is geplaatst, ten einde aldaar te ontwateren.

Daarnaast wordt baggerspecie die na 1 januari 2002 wordt gebaggerd, maar op grond van een opdracht die vóór die datum is verleend, eveneens gedurende een jaar als niet-reinigbaar aangemerkt. In beide gevallen is het doel te voorkomen dat in situaties waarin nog geen rekening kon worden gehouden met de nieuwe regels, alsnog onevenredige meerkosten optreden. Deze overgangsvoorziening eindigt op 1 januari 2003. Als de betrokken baggerspecie na die datum wordt gestort, dient het zandgehalte op de gewone manier te zijn bepaald.

Kwaliteitsborging

De exploitanten van reinigingsinstallaties kunnen hun kwaliteitsborgingsysteem, als bedoeld in bijlage 3, nog niet terstond hebben gerealiseerd. Ingevolge artikel 8 hebben zij daarvoor tot 1 juli 2002 de tijd, mits zij voor 1 februari 2002 een plan van aanpak hebben overgelegd aan het servicecentrum voor de ontwikkeling van dat systeem. In afwachting dient wel al aan de meeste inhoudelijke eisen uit bijlage 3 te zijn voldaan. In het plan van aanpak moet mede worden aangegeven hoe dat zal gebeuren in afwachting van het kwaliteitsborgingsysteem.

Onderzoeksmethoden

In bijlage 1 is voorts een afwijkende voorziening opgenomen voor onderzoeken die reeds vóór 1 januari 2002 zijn uitgevoerd. In dat geval mag het zandgehalte op grond van een daartoe aangegeven formule uit het slibgehalte worden afgeleid. Uiteraard is dit alleen van belang als artikel 7 van de regeling niet van toepassing is en het zandgehalte dus inderdaad moet worden bepaald.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1

Baggerspecie

Baggerspecie wordt aangemerkt als een categorie grond. Dat sluit aan bij de Wbb, waarin alleen de term `grond' wordt gebruikt. In baggerspecie kunnen zich voorwerpen van uiteenlopende aard bevinden, zoals puin, fietsen en koelkasten. Zij worden beschouwd als bodemvreemd materiaal. Als een partij specie meer dan 50% bodemvreemd materiaal bevat, wordt niet meer gesproken van baggerspecie. Voorwerpen die apart van of uit de waterbodem zijn verwijderd en voorwerpen die na het baggeren uit de specie zijn afgescheiden, zijn geen baggerspecie.

Onder bodem wordt de bodem in de zin van de Wbb verstaan, dus alle, ook de diepe bodemlagen.

Voor de Wbm is dit een verschil met de praktijk tot dusverre. In het kader van de afgifte van zogenaamde baggerspecieverklaringen in het kader van de - per 1 januari 2002 vervallen - verfijningsregeling voor baggerspecie hanteerde het servicecentrum namelijk wel een dieptegrens.

Onder het oppervlaktewater wordt het oppervlaktewater in de zin van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo) verstaan. Met de clausule `voor dat water bestemde ruimte' wordt gedoeld op de in het Wvo-beheersgebied gelegen gronden. Het betreft de (water)bodem waar tijdelijk geen water staat, zoals uiterwaarden en droogstaande beddingen. Op gebieden voor de berging van water in noodsituaties die buiten het Wvo-beheersgebied vallen, heeft de clausule `de voor dat water bestemde ruimte' geen betrekking.

Ter voorkoming van twijfel worden sediment en residu van de reiniging van baggerspecie in de definitie expliciet vermeld. Onder sediment moet worden verstaan het ongeconsolideerde materiaal dat zich (recent) op de waterbodem heeft afgezet. Zonder uitdrukkelijke vermelding zou het sediment wellicht niet worden gezien als `grond' en dus niet worden aangemerkt als baggerspecie. Ook over de status van het reinigingsresidu zou zonder vermelding twijfel kunnen rijzen.

Alle materiaal dat vrijkomt uit of via het gedeelte van de bodem dat behoort tot het Wvo-beheersgebied is baggerspecie. Het punt van vrijkomen is daarbij bepalend, en niet het punt in de bodem waar het materiaal zich voor het vrijkomen bevond. Materiaal uit de landbodem dat bij een diagonale boring vrijkomt via de waterbodem, is dus baggerspecie. Het omgekeerde geldt ook. Als vanuit de landbodem een tunnel wordt gegraven die onder water doorloopt, komt daarbij grond (geen baggerspecie) vrij zolang het punt van vrijkomen in de landbodem is gelegen.

Materiaal dat uit de landbodem (bodem buiten het Wvo-beheersgebied) wordt ontgraven, waarna die bodem vervolgens in het kader van bijvoorbeeld een verlegging van een rivier onderdeel wordt van de waterbodem, wordt aangemerkt als grond.

Baggerspecie die voorafgaand aan storten een bepaalde behandeling ondergaat, wordt verwerkt of tijdelijk wordt opgeslagen, blijft baggerspecie, tenzij er zodanige handelingen mee worden verricht dat moet worden gesproken van een nieuw product (vb. uit immobilisatie ontstaan granulaat of uit waterbodemklei geproduceerde bakstenen). Bij landfarming en rijpen blijft de ontwaterde of gerijpte baggerspecie dus baggerspecie en wordt derhalve niet als grond aangemerkt. Dit geldt voor de toepassing van de Wbm. Het Bsb kent geen onderscheid tussen grond en baggerspecie. Zodra baggerspecie wordt toegepast conform het Bsb, wordt baggerspecie als grond beschouwd.

Voor de gegeven definitie is vooral op praktische gronden (uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid) gekozen. Zij biedt namelijk een scherpe afgrenzing tussen baggerspecie en (andere) grond. Hiervoor is gekozen in weerwil van het meer technische bezwaar dat qua samenstelling gelijk materiaal hierdoor voor de Wbm soms als grond en soms als baggerspecie zal worden gezien, afhankelijk van het punt van vrijkomen.

Baggerspecie klasse 0

Baggerspecie is aan te merken als baggerspecie klasse 0, indien de baggerspecie voldoet aan de streefwaarde uit de bijlage behorende bij het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen. Van die streefwaarde kan worden afgeweken, indien ten aanzien van een partij verontreinigde baggerspecie aan de toetsingsregel als bedoeld in de bijlage 1 van deze regeling wordt voldaan. Deze toetsingsregel is (materieel) gelijk aan de toetsingsregel uit 3.4 van de bijlage behorende bij de Regeling vaststelling klasse-indeling onderhoudsspecie.

Artikel 2

Alle baggerspecie wordt in deze regeling aangemerkt als verontreinigde baggerspecie, met uitzondering van baggerspecie klasse 0. Omdat baggerspecie klasse 0 niet verontreinigd is, is de beoordeling van de reinigbaarheid niet aan de orde.

Dit betekent in het kader van de Wbm dat het servicecentrum voor baggerspecie klasse 0 geen verklaring van niet-reinigbaarheid van baggerspecie zal afgegeven. De baggerspecie is schoon. Als schone baggerspecie alsnog wordt gestort, is de Wbm van toepassing en moet afvalstoffenbelasting worden betaald. Het zandgehalte speelt daarbij geen rol. Overigens wordt schone baggerspecie gewoonlijk niet gestort, maar direct hergebruikt of nuttig toegepast.

Artikel 3

Op de vrijstelling van de adviesaanvraag in het kader van de Wbb is al ingegaan in § 3.1. De vrijstelling geldt niet bij toepassing door gedeputeerde staten van artikel 27 of 43 van de Wbb.

Gelet op artikel 27 Wbb moet degene die op of in de bodem handelingen verricht als bedoeld in artikel 6 t/m 11 Wbb en daarbij kennis neemt van een verontreiniging of aantasting van de bodem die door de handelingen worden veroorzaakt, zo spoedig mogelijk de verontreiniging of de aantasting bij gedeputeerde staten melden en daarbij aangeven welke maatregelen hij voornemens is te treffen of reeds heeft getroffen. Gedeputeerde staten kunnen voorts aanwijzingen geven met betrekking tot de (nader) te treffen maatregelen. Een maatregel kan een aanwijzing inhouden tot het inwinnen van advies aan het servicecentrum over de reinigbaarheid van grond, alsmede baggerspecie. Bovendien moeten gedeputeerde staten een dergelijk advies van het servicecentrum afwachten alvorens zij nadere aanwijzingen geven.

Ingevolge artikel 43 Wbb kunnen gedeputeerde staten bevelen geven om nader onderzoek te verrichten of om tijdelijke beveiligingsmaatregelen te treffen met betrekking tot het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt of de directe gevolgen daarvan zich voordoen. De bevelen kunnen tevens inhouden een bevel tot het inwinnen van advies bij het servicecentrum over de reinigbaarheid van de verontreinigde grond, alsmede baggerspecie.

Artikel 4

Voor de beoordeling van de reinigbaarheid van verontreinigde baggerspecie zijn gegevens noodzakelijk, waarmee het servicecentrum een betrouwbaar en representatief oordeel kan geven of een partij baggerspecie reinigbaar is. In bijlage 2 van deze regeling zijn de benodigde gegevens neergelegd. Voor het overige wordt verwezen naar § 5 en de toelichting op bijlage 2.

Artikel 5

Verontreinigde baggerspecie is reinigbaar, indien het zandgehalte groter of gelijk is dan 60 procent. Als het zandgehalte van de verontreinigde baggerspecie minder dan 60 procent bedraagt, is het storten van niet-reinigbare verontreinigde baggerspecie vrijgesteld van de afvalstoffenbelasting uit de Wbm.

Voor de bepaling van het zandgehalte is een representatieve bemonstering en analyse noodzakelijk op basis van de protocollen, richtlijnen of voorschriften vermeld in bijlage 1 van deze regeling. In aanvulling op deze protocollen, richtlijnen of voorschriften wordt het analysepakket uitgebreid met een analyse van het zandgehalte.

Nadat de baggerspecie is gereinigd, ontstaat zand en een residu. Voor het zand bevat de regeling geen reinigbaarheidscriteria. Verondersteld wordt dat dit zand (vrijwel) altijd herbruikbaar zal zijn.

Artikel 6

Dit artikel kent een drietal toetsingsgronden om te bepalen of het residu van de reiniging van baggerspecie generiek als niet-reinigbare verontreinigde baggerspecie wordt aangemerkt.

Gelet op onderdeel a dient het residu uitsluitend afkomstig te zijn van de reiniging van baggerspecie. Is gemengd materiaal gereinigd, dan is artikel 6 niet van toepassing.

Voorts dient de reiniging ingevolge onderdeel b plaats te hebben gevonden door middel van een geschikte scheidingsinstallatie of een geschikte sedimentatiebekken.

De beoordeling van de geschiktheid geschiedt voorafgaand aan de eerste aanvraag en wordt vervolgens van tijd tot tijd herhaald. Bij gebreke van geschiktheidscriteria zal deze beoordeling overigens voorlopig niet worden uitgevoerd. Het voornemen is om de criteria in de loop van 2002 te ontwikkelen. Nog bezien zal worden of deze criteria in (een bijlage bij) de Regeling zelf zullen worden opgenomen, of dat zij door het servicecentrum als beleidsregel zullen worden gehanteerd.

Een geschikte installatie en een geschikt bekken moeten bovendien voldoen aan een aantal verdere eisen, welke zijn vermeld in bijlage 3. Dat is geregeld in onderdeel c. Het verschil met onderdeel b is, dat de geschiktheid het rendement van de installatie betreft, terwijl onderdeel c de kwaliteitsborging betreft. Die borging garandeert met name dat uitsluitend baggerspecie wordt gereinigd.

Indien aan een of meer van de toepasselijke voorwaarden niet wordt voldaan, wordt het residu van de reiniging van baggerspecie niet aangemerkt als generiek niet-reinigbare verontreinigde baggerspecie. Over het storten van het residu moet in dat geval afvalstoffenbelasting worden betaald.

Artikel 7

In dit artikel is een overgangsregeling opgenomen ten behoeve van baggerspecie die voor 1 januari 2002 aanwezig is in een doorgangsdepot en ten behoeve van baggerwerk dat voor 1 januari 2002 schriftelijk is opgedragen. Hiermee wordt voorkomen dat extra onderzoeken ten behoeve van de beoordeling van de reinigbaarheid van de baggerspecie moeten worden uitgevoerd waaruit mogelijk onevenredige kostenstijgingen voortvloeien. Deze baggerspecie wordt tijdelijk door het servicecentrum generiek als niet-reinigbaar aangemerkt. Hiermee wordt de tot 1 januari 2002 voor de Wbm geldende regeling in feite nog enige tijd gecontinueerd. Dit artikel betreft alle baggerspecie, ook baggerspecie klasse 0.

Eerste lid

Alle baggerspecie die voor 1 januari 2002 aanwezig is in een doorgangsdepot, is vrijgesteld van de afvalstoffenbelasting, mits die baggerspecie voor 1 februari 2002 is aangemeld bij het servicecentrum. Daarbij dienen bescheiden aan het servicecentrum te worden overlegd waaruit blijkt dat het betrokken materiaal baggerspecie betreft die voor 1 januari 2002 in het doorgangsdepot ligt, en waaruit voorts blijkt welke hoeveelheid het betreft. Baggerspecie die voor 1 januari 2002 is gestort, en in 2002 elders wordt herstort, valt buiten deze overgangsvoorziening.

Tweede lid

Baggerwerken die vóór 1 januari 2002 schriftelijk zijn opgedragen en waarvan vóór 1 februari 2002 kennis is gegeven aan het servicecentrum door middel van overlegging van de desbetreffende bescheiden, wordt eveneens als niet-reinigbaar aangemerkt. De bescheiden zullen doorgaans bestaan uit de schriftelijke opdracht.

Er zijn instanties die een doorlopende opdracht aan een aannemer hebben verstrekt, waarin is vastgelegd dat deze aannemer verschillende baggerwerkzaamheden in een bepaalde periode (in 2002) zal uitvoeren. Aan het tweede lid van artikel 7 is voldaan indien deze doorlopende opdracht voor 1 januari 2002 schriftelijk is verleend en zij voor 1 februari 2002 aan het servicecentrum is gemeld. Als in een doorlopende opdracht niet is aangegeven wat de precieze locaties en te baggeren lagen zijn, dient bij de melding in elk geval een werkomschrijving te worden overlegd. De verklaring voor de betrokken specie kan ook na 1 februari 2002 worden aangevraagd, onder verwijzing naar de gedane melding.

Voorts zijn er instanties die baggerwerkzaamheden uitvoeren in eigen beheer. Als schriftelijke opdracht kan in dit geval een baggerplan voor 2002 gelden, waarin wordt beschreven waar baggerspecie zal worden verwijderd. Duidelijk moet blijken door wie het baggerplan is vastgesteld.

Derde lid

Artikel 7 komt te vervallen per 1 januari 2003. Vindt het storten van de betrokken specie plaats na 1 januari 2003 dan zal een nieuwe verklaring van niet-reinigbaarheid bij het servicecentrum moet worden aangevraagd. Daarop is de gewone regeling van toepassing. Als de baggerspecie dan reinigbaar blijkt te zijn, moet afvalstoffenbelasting ingevolge de Wbm worden betaald.

Artikel 8

Tot 1 juli 2002 behoeven de reinigers nog geen goedgekeurd kwaliteitsborgingsysteem beschikbaar te hebben, en behoeft de organisatie nog niet aan de nieuwe eisen te zijn aangepast. Als voorwaarde geldt wel dat voor 1 februari 2002 een plan van aanpak aan het servicecentrum is overgelegd. In dat plan van aanpak moet zijn beschreven hoe zal worden gezorgd dat er op 1 juli 2002 een goedgekeurd kwaliteitsborgingsysteem is. Dit systeem zal aangeven op welke wijze het naleven van bijlage 3 is gewaarborgd. Tevens moet worden aangegeven hoe in afwachting daarvan zal worden voldaan aan de administratieve en proceseisen van bijlage 3, welke terstond van toepassing zijn. Ook de maatwerkbepaling van onderdeel 5 van bijlage 3 is overigens meteen van toepassing.

Toelichting bijlagen

Bijlage 1

Met betrekking tot de begrippen en het bepalen of baggerspecie is aan te merken als klasse 0, is aangesloten bij het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen en de Regeling vaststelling klasse-indeling onderhoudsspecie. De interventiewaarden zijn te vinden in de Regeling vaststelling klasse-indeling onderhoudsspecie.

Ad A. Nog te ontgraven baggerspecie

Om te toetsen of voldaan is aan de streefwaarden, moeten vóór het ontgraven van de baggerspecie monsters worden genomen. Daarbij kan altijd gebruik worden gemaakt van NVN 5720. Voorts zijn er enkele landelijk geldende protocollen die in bepaalde gevallen mogen worden gebruikt. Daarnaast zijn er protocollen voor een specifieke toepassing. Zij mogen worden toegepast door de instanties en in de gevallen als in het betrokken document aangegeven.

Hieronder volgt een korte weergave het toepassingsbereik van de protocollen, richtlijnen en voorschriften. Voor uitvoeriger informatie wordt verwezen naar het betrokken document.

- NVN 5720. Dit protocol kan gehanteerd worden voor alle waterbodems, met uitzondering van uiterwaarden.

- Ministeriële regeling vaststelling klasse-indeling onderhoudsspecie (Ministerie van VROM). Deze regeling is beperkt tot de vaststelling of baggerspecie over land mag worden verspreid volgens het Besluit vrijstelling stortverbod buiten inrichtingen.

- Protocol voor het oriënterend onderzoek (Ministerie van VROM). Het protocol heeft geen betrekking op oppervlaktewateren groter dan 1 km2.

- Protocol voor het nader onderzoek deel 1 (Ministerie van VROM). Het protocol heeft geen betrekking op oppervlaktewateren groter dan 1 km2.

- Monstercampagne Rotterdamse havens en vaarwegen (Rijkswaterstaat Directie Zuid-Holland en Gemeentelijk havenbedrijf Rotterdam). De monstercampagne wordt uitgevoerd door Gemeentelijk Havenbedrijf Rotterdam in samenwerking met Rijkswaterstaat Directie Zuid-Holland. Voor anderen is er geen reden om de waterbodem in het betreffende gebied te onderzoeken, omdat het gehele gebied waarop de `richtlijn' betrekking heeft al door GHR en RWS-DZH wordt onderzocht.

- Richtlijn Milieuchemisch onderzoek Maaswerken (Rijkswaterstaat). Deze richtlijn heeft alleen betrekking op grootschalige gebieden, waar het verontreinigingspatroon samenhangt met het sedimentatiepatroon van rivierafzettingen. De Richtlijn is opgesteld voor grootschalig bodemonderzoek in het kader van het Zandmaas en Grensmaas project, maar kan in voorkomende gevallen ook worden toegepast in andere grootschalige riviergebieden.

- Tussenrichtlijn onderzoeksstrategie uiterwaarden in het beheersgebied van Rijkswaterstaat (Directie Oost Nederland). Deze Richtlijn heeft alleen betrekking op diffuus verontreinigde uiterwaarden in het beheersgebied van RWS-DON (in het kader van de taak van het bevoegd gezag Wbb, Wvo en BsB).

- Bemonsteringsprotocol Gelderland (Provincie Gelderland). Dit Protocol is van toepassing op de regionale wateren (niet-rijkswateren) in de provincie Gelderland.

- Nota uitwerking baggerbeleid II (Provincie Zuid-Holland). De NUB II is een handleiding hoe om te gaan met baggerspecie uit niet-rijkswateren in de provincie Zuid-Holland.

- Voorschriften behorende bij de vergunning Wet milieubeheer van het depot Amerikahaven te Amsterdam. De Vergunningverlener voor het depot is de gemeente Amsterdam (gedelegeerd bevoegd gezag, namens Gedeputeerde Staten). Depotbeheerder is Gemeentelijk Havenbedrijf Amsterdam. Volgens de voorschriften van de vergunning kan baggerspecie uit de gemeente Amsterdam, een deel van het Noordzeekanaal en een deel van het IJmeer in de Amerikahaven worden gestort. Voor andere wateren met `Amsterdamse belangen' kan baggerspecie worden geaccepteerd na aanvullende toetsing op doelmatigheid. Dit geldt voor baggerspecie uit het Amsterdam-Rijnkanaal uit het traject tussen Amsterdam en Wijk bij Duurstede.

Ad B. Behandelde baggerspecie

Na behandeling van de baggerspecie zijn een of meer nieuwe partijen ontstaan.

Bij de bemonstering daarvan moet worden uitgegaan van een bemonsteringsstrategie als bedoeld in de normatieve bijlagen B.10 en B.11 van de NEN 5740.

Bijlage 2

Voor een algemene toelichting op de aanvraaggegevens in verschillende situaties wordt verwezen naar § 5 van deze toelichting.

In de lijst van aanvraaggegevens van bijlage 2 wordt een onderscheid gemaakt in project- en partijgegevens. In onderdeel B worden de projectgegevens omschreven. Een project kan worden beschouwd als een baggerwerk of een geheel van baggerwerken en kan meer dan één partij omvatten. Het volledige overzicht van uitgevoerde onderzoeken is speciaal toegeschreven op saneringen. Het overzicht kan bestaan uit een lijst van de titels van de onderzoeken Het servicecentrum zal de projecten steekproefsgewijs toetsen. Daartoe kunnen de desbetreffende onderzoeken worden opgevraagd.

Onderdeel C betreft de partijgegevens. In de regel wordt een te baggeren locatie ingedeeld in afzonderlijk te baggeren partijen (vakken). Deze indeling is veelal gebaseerd op enerzijds praktische uitvoerbaarheid van gescheiden baggeren en anderzijds op een relatief homogene samenstelling in chemische (klasse-indeling) en fysische (zandgehalte) zin. De geselecteerde baggervakken kunnen in dit kader als afzonderlijke partijen worden beschouwd en als zodanig ter beoordeling aan het servicecentrum worden voorgelegd.

De indicatie van de hoeveelheid in ton en m3 inclusief onderbouwing (4e gedachtestreepje) wordt bepaald in de vorm van de geografische ligging van de partij alsmede de dikte van de te baggeren laag. De vermelding van mogelijke verontreinigingen (9e gedachtestreepje) dient ter onderbouwing van de klasse-indeling en het percentage zand en moet het servicecentrum in staat stellen te controleren of de klasse-indeling en het percentage zand correct zijn weergegeven in de adviesaanvrage.

De gegevens van onderhoudsspecie en van saneringsspecie die aan het servicecentrum worden overlegd mogen niet ouder zijn dan 2 jaar respectievelijk 5 jaar. De termijn van 5 jaar voor saneringsspecie is gebaseerd op de procedures die de Wet bodembescherming voorschrijft. Gelet op de termijn vanaf het bemonsteren tot en met de start van het baggerwerk, is de termijn voor onderhoudsspecie op 2 jaar gesteld. Indien het servicecentrum dit verlangt, wordt ook een door een onafhankelijke derde verrichte contra-expertise overgelegd.

Ingevolge onderdeel D kan het servicecentrum op de voet van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de aanvrager verzoeken aanvullende gegevens te verstrekken, indien het servicecentrum van mening is dat onvoldoende gegevens zijn verstrekt om de adviesaanvrage in behandeling te nemen. Van onvoldoende gegevens zal onder meer sprake zijn als de wijze van bemonstering niet aan de gestelde eisen heeft voldaan.

Voor het verstrekken van de gegevens dient gebruik te worden gemaakt van het daartoe door het servicecentrum vastgestelde formulier. Dit zal in het reglement van het servicecentrum worden geregeld.

Bijlage 3

In de regeling wordt het residu van de scheiding van baggerspecie onder voorwaarden generiek als niet-reinigbare baggerspecie aangemerkt. Dit betekent dat er geen inhoudelijk reinigbaarheidscriterium is waarop het residu van scheiding van baggerspecie wordt beoordeeld. Wel moet worden aangetoond dat het residu daadwerkelijk afkomstig is van de scheiding van baggerspecie. Bijlage 3 schrijft daartoe een kwaliteitsborgingsysteem voor met eisen voor het proces van het scheiden en de beheersing daarvan. De eisen zijn erop gericht dat op de locatie waar wordt gereinigd alle activiteiten met baggerspecie fysiek en administratief gescheiden zijn van activiteiten met andere afvalstoffen.

Het kwaliteitsborgingsysteem kent organisatorische, administratieve en proceseisen. De organisatorische eisen zijn erop gericht dat alle relevante informatie met betrekking tot de bewerking van baggerspecie geordend en betrouwbaar wordt vastgelegd. De administratieve eisen zijn er enerzijds op gericht dat wordt vastgelegd dat inkomende partijen daadwerkelijk baggerspecie betreffen en anderzijds dat de baggerspecie daadwerkelijk is gescheiden. De registratie van de hoeveelheden dient om inzicht te verkrijgen in de verhouding tussen enerzijds de ingenomen hoeveelheid baggerspecie (in tonnen droge stof) en anderzijds de afgescheiden hoeveelheid zand en residu (in tonnen droge stof). De proceseisen hebben betrekking op het apart opslaan en verwerken van baggerspecie en het apart opslaan en afvoeren van het zand en het residu uit baggerspecie.

Het kwaliteitsborgingsysteem dient te zijn goedgekeurd door het servicecentrum en de Belastingdienst en moet twee maal per jaar worden goedgekeurd door het servicecentrum. Bij gebreke van de goedkeuring kan geen verklaring van niet-reinigbaarheid worden afgegeven.

In bepaalde gevallen zal niet aan alle eisen kunnen worden voldaan. Dat geldt met name in gevallen waarin het zandscheiden plaatsvindt binnen de stortinrichting zelf. In dat geval mogen maatwerkafspraken worden gemaakt met het servicecentrum en de Belastingdienst. Deze afspraken dienen van een overeenkomstige zwaarte te zijn als de `gewone' eisen.