Ambtstoelage burgemeesters

11 december 2001

Nr. BK01/98962

DGOB/Kabinetszaken

Aan: de burgemeesters, de gemeentebesturen, de commissarissen van de Koningin

Onderwerp: Ambtstoelage burgemeesters

Doelstelling: Informatie over beleid

Juridische grondslag: Artikel 66 van de Gemeentewet en artikel 16 van het Rechtspositiebesluit burgemeesters 1994

Relaties met andere circulaires: 19 december 2000, nr. BW2000/103039

Ingangsdatum: 1 januari 2002

Geldig tot: nadere berichtgeving

1. Ambtstoelage burgemeesters

In artikel 16, tweede lid, van het Rechtspositiebesluit burgemeesters 1994 is bepaald dat de ambtstoelage van burgemeesters per 1 januari van elk jaar wordt herzien aan de hand van de consumentenprijsindex geldend voor de maand september van het voorafgaande kalenderjaar.

De genoemde consumenteprijsindex voor 2001 is bepaald op 117.6. In 2000 was dat indexcijfer bepaald op 112.3.

Dit houdt in dat de bedragen van de ambtstoelage per 1 januari 2002 worden verhoogd met 4.7%.

Voor uw informatie meld ik u dat het indexcijfer is gebaseerd op gegevens van het CBS van medio november 2001.

Met ingang van 1 januari 2002 worden de bedragen genoemd in artikel 16, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit burgemeesters 1994 als volgt gewijzigd:

stcrt-2001-248-p10-SC32405-1.gif

2. Algemene informatie over de eurobedragen

Bij besluit van 14 september 2001, Staatsblad 2001, 415, zijn de guldenbedragen in de officiële regelingen reeds omgerekend naar eurobedragen.

Dit geldt ook voor de guldenbedragen van bovengenoemde ambtstoelage.

Om te komen tot de eurobedragen die met ingang van 1 januari 2002 gelden, zijn deze eurobedragen verhoogd met de bovengenoemde indexcijfers (3,6% resp. 4,7%).

3. Ambtstoelage in relatie met het jaarinkomen dat aan het ABP wordt verstrekt

De ambtstoelage mag niet worden meegenomen bij de vaststelling van het jaarinkomen dat jaarlijks aan het ABP wordt verstrekt.

In dat kader wijs ik u op het volgende.

Op grond van het Pensioenreglement Stichting Pensioenfonds ABP wordt onder inkomen verstaan het tot een jaarbedrag te herleiden vast salaris dat op 1 januari van het desbetreffende jaar voor de deelnemer geldt, vermeerderd met de vakantie-uitkering over dat salaris.

Naast het vaste salaris en de daarbij behorende vakantie-uitkering dienen vaste toelagen eveneens te worden betrokken bij de vaststelling van het jaarinkomen. Dit voor zover de toelagen als beloning voor verrichtte arbeid gelden en niet op grond van een kostenvergoeding ter compensatie van door de deelnemer (werknemer) gemaakte kosten worden verstrekt.

Het jaarinkomen vormt de basis voor de berekeningsgrondslag waarnaar de pensioenaanspraken worden berekend.

De ambtstoelage heeft het karakter van een onkostenvergoeding. Het feit dat de ambtstoelage is gebruteerd en onderhevig aan belastingwetgeving doet daaraan niets af.

Op grond daarvan mag de ambtstoelage niet worden meegenomen bij de vaststelling van het jaarinkomen dat jaarlijks aan ABP wordt verstrekt.

In 2001 is dat in een aantal gevallen wel gebeurd. In voorkomend geval dient dit te worden gecorrigeerd. Om deze correctie te realiseren moet contact worden opgenomen met het ABP.

Contactpersoon bij het ABP voor deze aangelegenheid is de heer B. Cordewener, telefonisch te bereiken onder nummer 045 - 579 45 52.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,voor deze,
de directeur-generaal Openbaar Bestuur,
L.A.M. van Halder.

Naar boven