Wijziging Regeling wapens en munitie

20 november 2001

5096963/DBZ/01

De Minister van Justitie,

Gelet op de artikelen 2, eerste lid, categorie I, onder 7° en categorie IV, onder 6°; 2, derde lid; 3a, derde lid; 4; 5; 7, eerste lid, onder a; 8, zevende en achtste lid; 9, vijfde lid; 10, eerste en tweede lid; 14, vierde lid; 15; 22, tweede lid; 26, derde, vierde en zesde lid; 27, derde en vierde lid; 28a, tweede lid; 31, vijfde lid; 33, eerste en tweede lid; 38, eerste lid; 39; 40; 41; 42, eerste en tweede lid; 45, eerste lid, onder 2° en 52, derde lid van de Wet wapens en munitie;

Besluit:

Artikel I

De Regeling wapens en munitie1 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 3 komt te luiden:

Artikel 3

Als voorwerpen van categorie I, onder 7°, die een ernstige bedreiging van personen kunnen vormen of die zodanig op een wapen gelijken dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn, worden aangewezen:

a. voorwerpen die voor wat betreft hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertonen met vuurwapens of met voor ontploffing bestemde voorwerpen;

b. voorwerpen vermeld op lijst a of lijst b van de bij deze regeling behorende bijlage I, alsmede niet in die bijlage genoemde voorwerpen die voor wat betreft hun vorm en afmetingen daarmee een sprekende gelijkenis vertonen;

c. lucht-, gas- en veerdrukwapens die zodanig zijn gewijzigd dat het dragen niet of minder zichtbaar is;

d. stiletto's, valmessen en vlindermessen waarvan het heft van een stootplaat is voorzien;

e. laserwapens die specifiek zijn ontworpen om permanente blindheid te veroorzaken;

f. werppennen.

B

Na artikel 8 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 8a

1. Een erkenninghouder die een vuurwapen van de categorie II of III of munitie vervaardigt, transformeert of in de uitoefening van een bedrijf uitwisselt, verhuurt of anderszins ter beschikking stelt, herstelt beproeft of verhandelt, stelt geen personen te werk die belast zullen worden met werkzaamheden dan nadat ten aanzien van deze personen een gunstig luidende verklaring omtrent het gedrag is verkregen.

2. De erkenninghouder stuurt een afschrift van de verklaring omtrent het gedrag zoals genoemd in het eerste lid aan de korpschef van het politiekorps in de regio waar de erkenninghouder dan wel een onderdeel daarvan is gevestigd.

C

In artikel 10 wordt na onderdeel d een onderdeel toegevoegd, luidende:

e. Slechts infrarood-, dan wel laserwapens, uitsluitend bestemd en geschikt voor simulatie-, dan wel recreatieve doeleinden, aan derden ter beschikking worden gesteld.

D

In artikel 12, tweede lid, wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel e door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

f. een registratie betreffende ter beproeving gegeven wapens en munitie.

E

In artikel 12 wordt onder vernummering van het achtste en negende lid tot negende en tiende lid een nieuw lid ingevoegd, luidende:

8. De in het tweede lid onder f genoemde registratie bevat kolomsgewijs en achtereenvolgens: het volgnummer, de datum van ontvangst, het aantal, een omschrijving van het wapen met vermelding van het fabrikaat, type, kaliber en nummer, een omschrijving van de munitie met vermelding van fabrikaat, type en kaliber, de naam en het adres van degene die ter beproeving heeft gegeven, de soort, het nummer en de afgevende instantie van het document waaruit de bevoegdheid blijkt van degene die ter beproeving heeft gegeven, gegevens betreffende de doorgifte van het wapen aan degene die het wapen ter beproeving heeft gegeven.

F

In artikel 13 wordt de zinsnede `het in bijlage 3 bij deze wet opgenomen model' vervangen door: het in bijlage III bij deze regeling opgenomen model.

G

Artikel 18, eerste lid, onderdeel h, vervalt.

H

In artikel 18 wordt, na het tweede lid, een lid ingevoegd, luidende:

3. de vrijstelling van het eerste lid, aanhef en onder a, geldt voor vuurwapens die na inwerkingtreding van dit artikel voor gebruik als zodanig ongeschikt zijn gemaakt uitsluitend indien uit een door een erkenninghouder of de in het bewijs van erkenning genoemde beheerder afgegeven en door de korpschef goedgekeurde verklaring blijkt dat het betreffende vuurwapen voor gebruik als zodanig ongeschikt is gemaakt op de wijze, beschreven in bijlage II van deze regeling.

I

Na artikel 18 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 18a

1. Van het verbod in artikel 22, eerste lid, van de wet, wordt vrijstelling verleend voor het vervoeren van munitie en onderdelen van munitie van categorie II, uitsluitend voor de houders van een verlof tot vervoer van munitie van categorie III.

2. Van het verbod in artikel 26, eerste lid, van de wet, wordt vrijstelling verleend voor het voorhanden hebben van munitie en onderdelen van munitie van categorie II, uitsluitend voor de houders van een verlof tot het voorhanden hebben van munitie van categorie III.

3. De vrijstellingen ingevolge het eerste en het tweede lid, gelden slechts voor zover:

a. de bevoegdheden van de houder van het verlof tot voorhanden hebben, onderscheidenlijk het verlof tot vervoer, met betrekking tot munitie van categorie II niet verder reiken dan die met betrekking tot de munitie van categorie III;

b. de munitie of onderdelen van munitie passen binnen de op het verlof omschreven specialisatie;

c. munitie met een kaliber boven de 12.7 mm (.50) niet voorzien is van brisante ladingen; en

d. munitie met een kaliber boven de 19 mm niet voorzien is van brisante ladingen en bovendien geen voortdrijvende ladingen bevat.

J

Artikel 29 komt te luiden:

Artikel 29

Van het verbod van artikel 27, eerste lid, van de wet wordt vrijstelling verleend voor:

a. het dragen van lucht-, gas- en veerdrukwapens van categorie IV aan personen aan wie deze overeenkomstig artikel 15 of artikel 16 van deze regeling ter beschikking worden gesteld. Artikel 15, tweede lid, onder b en c, en artikel 16, tweede lid, onder b en c, van deze regeling zijn van overeenkomstige toepassing;

b. het dragen van een wapen van categorie IV, onder 1°, aan personen ten aanzien van wie het wapen deel uitmaakt van hun duikuitrusting tijdens de beoefening van de duiksport.

K

Na artikel 51 wordt onder paragraaf 22 een nieuw artikel 51a ingevoegd, luidende:

Artikel 51a

1. In afwijking van het bepaalde in artikel 3, Rwm, worden als voorwerpen van categorie I, onder 7°, die een ernstige bedreiging van personen kunnen vormen of die zodanig op een wapen gelijken dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn, aangewezen:

a. voorwerpen die voor wat betreft hun vorm, afmetingen en kleur een sprekende gelijkenis vertonen met vuurwapens of met voor ontploffing bestemde voorwerpen;

b. voorwerpen vermeld op lijst a of lijst b van de bij deze regeling behorende bijlage I, alsmede niet in die bijlage genoemde voorwerpen die voor wat betreft hun vorm, afmetingen of kleur daarmee een sprekende gelijkenis vertonen;

c. lucht-, gas- en veerdrukwapens die zodanig zijn gewijzigd dat het dragen niet of minder zichtbaar is;

d. stiletto's valmessen en vlindermessen waarvan het heft van een stootplaat is voorzien;

e. laserwapens die specifiek zijn ontworpen om permanente blindheid te veroorzaken;

f. werppennen.

2. Dit artikel vervalt op 1 december 2002.

L

Artikel 57 komt te luiden:

Artikel 57

1. Artikel 8a van deze regeling geldt niet voor personen die op 31 juli 2001 in dienst waren bij een erkenninghouder.

2. Dit artikel vervalt op 1 december 2003.

M

Aan lijst a van de Regeling wapens en munitie behorende bij bijlage I worden in alfabetisch lexicografische volgorde de volgende voorwerpen toegevoegd:

stcrt-2001-230-p9-SC31895-1.gif

Aan lijst b van de Regeling wapens en munitie behorende bij bijlage I worden in alfabetisch lexicografische volgorde de volgende voorwerpen toegevoegd:

stcrt-2001-230-p9-SC31895-2.gif

N

Voorschrift 1 van model WM 16, bijlage III, komt als volgt te luiden:

1. De handelingen waartoe de erkenning strekt, moeten worden uitgevoerd onder de feitelijke leiding en in de directe aanwezigheid van de in dit bewijs van erkenning genoemde beheerder.

O

Onder vernummering van de voorschriften 2 tot en met 9 van model WM 16, bijlage III, in 3 tot en met 10 wordt een nieuw voorschrift 2 ingevoerd, luidende:

2. De beheerder ziet erop toe dat de voor hem handelende personen in rechtstreeks dienstverband staan met de erkenninghouder.

P

In bijlage III wordt na model WM 30 een nieuw model WM 31 toegevoegd, luidende:

WM 31. Model Ontvangstbewijs als bedoeld in artikel 13 van de Regeling wapens en munitie

A: naam erkenninghouder:

erkenningnummer:

adres:

postcode en woonplaats:

telefoonnummer:

naam beheerder:

B: naam vergunninghouder:

nummer bevoegdheidsdocument:

afgevende instantie:

adres:

postcode en woonplaats:

telefoonnummer:

De hierboven onder A vermelde erkenninghouder/beheerder verklaart dat hij van de onder B genoemde vergunninghouder de hieronder vermelde wapens in ontvangst heeft genomen:

stcrt-2001-230-p9-SC31895-3.gif

Datum:

Handtekening erkenninghouder/beheerder:

Handtekening vergunninghouder:

Artikel II

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 december 2001.

Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 20 november 2001.
De Minister van Justitie,A.H. Korthals.

1 Stcrt. 1997, 129; laatstelijk gewijzigd bij de Regeling van de Minister van Justitie van 28 december 1999, Stcrt. 253.

Toelichting algemeen

De Wet Wapens en Munitie (Stb. 1986, 41; hierna Wwm) laat nadere uitwerking van een aantal wettelijke bepalingen over aan de Minister van Justitie. De huidige Regeling Wapens en Munitie (Rwm), welke in 1997 in werking is getreden, voorziet hierin. In 1999 heeft na een evaluatie een eerste herziening van de Rwm (Stcrt. 1999, 253) plaatsgevonden. Bij die wijziging is aangekondigd dat de wijziging uit twee tranches zou bestaan. Onderhavige wijziging vormt de tweede tranche. Op basis van een in het voorjaar 2000 gehouden consultatieronde is een aantal onderwerpen in deze wijziging opgenomen. Na deze tweede tranche is reeds voorzien in een derde achtereenvolgende wijziging van de Rwm omdat een aantal onderwerpen nadere uitwerking vergt. Daarnaast zal in verband met een gezamenlijke wijziging van de In- en uitvoerwet en de Wwm (wederuitvoer van strategische goederen) de Rwm eveneens een wijziging moeten ondergaan. Tenslotte zijn er verschillende ontwikkelingen, zoals de uitwerking van de aanbevelingen van de werkgroepen die zijn ingesteld door het Landelijk platform vuurwapens, die mogelijk een nadere aanpassing van de Rwm tot gevolg kunnen hebben.

Deze wijziging omvat een aantal onderwerpen. In dit algemene gedeelte van de toelichting wordt een aantal daarvan kort toegelicht. Een belangrijke wijziging in deze herziening vormt het loslaten van het criterium kleur in artikel 3 van de Rwm. Dit betekent dat de kleur van een voorwerp in het geheel niet meer bepalend is voor het beantwoorden van de vraag of er sprake is van een sprekende gelijkenis met vuurwapens of voor ontploffing bestemde voorwerpen. Reden hiervoor is, dat het criterium `kleur' geen onderscheidend vermogen meer heeft. Dit is het gevolg van de ontwikkeling van vuurwapens, welke zijn uitgevoerd in andere dan voor vuurwapens gebruikelijke kleuren, zoals die sinds het begin van de ontwikkeling van vuurwapens worden gebruikt. Voor een uitgebreide toelichting op dit punt wordt verwezen naar de specifieke toelichting op dit onderdeel.

Een tweede onderwerp vormt de toetsing van de betrouwbaarheid van de medewerkers van erkenninghouders. Tot op heden werden deze medewerkers niet getoetst op betrouwbaarheid. Dit is een ongewenste situatie aangezien deze medewerkers in het kader van het verhandelen van wapens wel in contact (kunnen) komen met die wapens, dan wel de administratie beheren op basis waarvan controles plaatsvinden. Om die reden is er voor gekozen de erkenninghouder te verbieden personen te werk te stellen zonder dat een verklaring omtrent het gedrag is overgelegd.

De overige wijzigingen sluiten aan bij diverse ontwikkelingen in de praktijk. Artikel 18 is aangepast en een artikel 18a is toegevoegd. De huidige redactie van artikel 18 bleek niet geheel duidelijk. De wijziging sluit aan bij de oorspronkelijke bedoeling van dit artikel. In artikel 29 is een vrijstelling opgenomen voor het dragen van een mes als onderdeel van de duikuitrusting. De lijst met voorwerpen op bijlage I van de regeling is aangevuld op basis van de adviezen van de Werkgroep Advies Wet wapens en munitie. Tot slot is het model ontvangstbewijs, zoals bedoeld in artikel 13 van de Rwm, vastgesteld en opgenomen in bijlage III.

Toelichting op onderdelen

Artikel I

A

Op grond van artikel 2, eerste lid, categorie I, onder 7°, kunnen voorwerpen, die een ernstige bedreiging van personen kunnen vormen of die zodanig op een wapen gelijken dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn, door de Minister van Justitie worden aangewezen als wapen van categorie I. De aanwijzing van voorwerpen vindt plaats in artikel 3 van de Regeling.

Artikel 3 is op een aantal punten gewijzigd. Zo is het criterium kleur verwijderd, de opbouw veranderd en zijn er twee nieuwe onderdelen toegevoegd.

De opbouw van artikel 3 is gewijzigd. In onderdeel a is het algemene criterium `een sprekende gelijkenis' opgenomen (het oude onderdeel b), in onderdeel b wordt verwezen naar de lijsten a en b van bijlage II (het oude onderdeel a). Met deze wijziging in opbouw wordt benadrukt dat bij het bepalen of een voorwerp een sprekende gelijkenis vertoont met vuurwapens of voor ontploffing bestemde voorwerpen eerst gebruik moet worden gemaakt van het algemene criterium en pas in tweede instantie van de in bijlage II van de Rwm opgenomen lijsten a en b.

Onderdeel a bevat een algemene bepaling, waarin het criterium kleur niet meer is opgenomen. Dit betekent dat thans enkel nog de criteria vorm en afmetingen bepalend zijn voor de vraag of een voorwerp een gelijkenis vertoond met bestaande vuurwapens of voor ontploffing bestemde voorwerpen. Het voorwerp behoeft niet een gelijkenis te vertonen met één specifiek vuurwapen of voor ontploffing bestemd voorwerp. Bepalend is of de voorwerpen gelijken op vuurwapens of voor ontploffing bestemde voorwerpen in het algemeen en in zoverre voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn.

De voorwaarden die gelden om te voldoen aan het criterium `sprekende gelijkenis' zijn primair de vorm van het voorwerp en in mindere mate `de afmetingen'. De vorm moet voldoen aan die van vuurwapens of voor ontploffing bestemde voorwerpen in het algemeen. De afmetingen moeten in het algemeen overeenkomen met de afmetingen van bestaande vuurwapens of voor ontploffing bestemde voorwerpen van dit soort. Dat wil zeggen dat een verschil van enkele centimeters vaak niet van belang is. Het criterium `afmetingen' is ondergeschikt aan het criterium `vorm'. Dit vanwege het feit dat de laatste jaren steeds meer vuurwapens op de markt zijn verschenen met totaal uiteenlopende afmetingen.

Het criterium `kleur' is verwijderd aangezien het geen onderscheidend vermogen meer heeft. Deze situatie vloeit voort uit de ontwikkeling van vuurwapens, uitgevoerd in andere dan tot voor kort voor vuurwapens gebruikelijke kleuren. Het betreft hier vuurwapens die gedeeltelijk, grotendeels of nagenoeg geheel uitgevoerd zijn in bijvoorbeeld de kleuren rood, groen, of geel. Lucht-, gas- en veerdrukwapens werden reeds eerder geproduceerd in deze (tot voor kort) ongebruikelijke kleuren. Deze voorwerpen waren op grond van het oude artikel 3, aanhef en onder a, in eerste instantie niet te categoriseren als categorie I en derhalve een categorie IV-wapen. Dit was een uiterst onwenselijke situatie, aangezien deze voorwerpen door vorm en afmetingen, ondanks hun afwijkende kleur, in verschillende omstandigheden toch hun bedreigend karakter bleken te behouden. Bovendien zijn in de praktijk diverse malen wapens aangetroffen die met een verfbus waren overgespoten, waardoor ze niet, of zeer moeilijk, van een echt wapen in originele kleur te onderscheiden waren.

Er is een overgangsregeling gecreëerd teneinde te voorkomen dat bezitters van een wapen van categorie IV van het ene op het andere moment een wapen van categorie I voorhanden hebben, hetgeen verboden is. Let wel, deze overgangsregeling houdt niet meer in dan dat de oude regelgeving gedurende de overgangstermijn op dit punt van toepassing blijft. Concreet betekent dit dat de meeste voorwerpen in tot voor kort ongebruikelijke kleuren, door de ontwikkelingen op de vuurwapenmarkt ook onder de werking van dit overgangsartikel een wapen van categorie I kunnen zijn. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de toelichting op dit overgangsartikel.

Het nieuwe onderdeel b is vrijwel identiek aan het oude onderdeel a. De wijziging houdt voornamelijk verband met de reeds beschreven veranderde opbouw van artikel 3. Een juiste toepassing van het nieuwe onderdeel a kan leiden tot een andere functie van onderdeel b. In plaats van een aanvullend karakter zullen de lijsten dan een meer illustratief karakter krijgen. Bijkomend voordeel hiervan is dat plotselinge categoriewisselingen, zoals dat in de oude situatie veelvuldig heeft plaatsgevonden wanneer de lijsten a en b werden aangevuld, minder vaak zullen voorkomen. Indien een voorwerp op grond van onderdeel a reeds als categorie I moet worden beschouwd, zal de plaatsing van dit voorwerp op lijst a of b hier immers geen verandering in teweeg brengen.

De onderdelen c en d zijn niet gewijzigd.

Onderdeel e is nieuw. Dit onderdeel houdt verband met het op 10 oktober 1980 te Genève tot stand gekomen Verdrag inzake het verbod of de beperking van het gebruik van bepaalde conventionele wapens die geacht worden buitensporig leed te veroorzaken of een niet-onderscheidende werking te hebben (Conventionele wapensverdrag, Trb. 1981, 154; laatstelijk Trb. 1996, 68; verder te noemen: CWV). Het CWV is in werking getreden op 2 december 1983. Op 18 juni 1987 heeft Nederland het verdrag bekrachtigd.

Het verdrag is een raamverdrag met afzonderlijke protocollen voor verschillende soorten conventionele wapens. Het verdrag regelt onder meer de werkingssfeer, toetreding en toetsing. De protocollen bevatten bepalingen over specifieke categorieën conventionele wapens. De afzonderlijke protocollen dienen door de bij het verdrag aangesloten staten te worden goedgekeurd.

Protocol IV van het Verdrag verbiedt het gebruik en de overdracht van laserwapens die specifiek zijn ontworpen om permanente blindheid te veroorzaken. Dit protocol is op 13 oktober 1995 te Wenen tot stand gekomen en daarna door Nederland geratificeerd.

Uit de memorie van toelichting bij de Goedkeuringswet d.d. 12 maart 1998 (TK, vergaderjaar 1997-1998, 25 925 (R 1614), nr. 3) blijkt dat de tenuitvoerlegging van het op 13 oktober 1995 te Wenen tot stand gekomen Aanvullend Protocol inzake blindmakende laserwapens (Protocol IV) geen nieuwe wetgeving vereist, aangezien artikel 8 van de Wet Oorlogsstrafrecht dermate ruim geformuleerd is dat de verplichtingen voortvloeiende uit Protocol IV ook onder de aldaar genoemde `wetten en gebruiken' van oorlog zijn te vatten.

Immers, deze blindmakende laserwapens zijn eerst en vooral oorlogswapens (zie paragraaf 8 van de memorie van toelichting bij de goedkeuringswet), waarop het oorlogs(straf)recht van toepassing is. De handhaving van het Oorlogsstrafrecht, en daarmee het zwaartepunt van de handhavingsinspanning, berust bij de Minister van Defensie.

Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen zouden dergelijke (kostbare en vaak omvangrijke) wapens(ystemen) in handen kunnen vallen van particulieren, die daarmee vervolgens de democratische rechtsstaat c.q. de openbare (rechts)orde bedreigende handelingen zouden kunnen begaan. Om dergelijke (bijna theoretische, maar niet volledig ondenkbare) situaties, welke buiten het bereik van het Oorlogs(straf)recht vallen, het hoofd te kunnen bieden is nadere regelgeving vereist (zie paragraaf 11 memorie van toelichting bij de goedkeuringswet) in zoverre, dat blindmakende laserwapens bij ministeriële regeling door de Minister van Justitie op grond van artikel 2, eerste lid (Categorie I), onder ten zevende, van de Wet wapens en munitie, zullen worden aangewezen als zijnde `voorwerpen die een ernstige bedreiging van personen kunnen vormen'. Hiermee zijn bedoelde wapens categorie I wapens. Aldus zal het bepaalde bij of krachtens de Wet wapens en munitie van toepassing zijn op deze wapens.

Middels het nieuwe onderdeel e wordt uitvoering gegeven aan protocol IV van bovengenoemd verdrag. Onder permanente blindheid wordt in dit kader verstaan het onomkeerbaar en ongeneeslijk verlies van gezichtsvermogen dat een ernstig invaliderende uitwerking heeft zonder een kans op verbetering. Ernstig invaliderend is een gezichtsvermogen van minder dan 20/200 op de schaal van Snellen, gemeten met beide ogen.

Het nieuwe onderdeel f wijst een werppen aan als een wapen van categorie I. Dit overeenkomstig het advies van de Werkgroep Advies Wet wapens en munitie. Een werppen is een soort kort en rank gevormd metalen of hard kunststof voorwerp, voorzien van een scherpe punt, dan wel meerdere snijdende delen. Het wordt van origine gebruikt bij diverse Japanse vechtsporten en behoort tot dezelfde soort wapens als de werpster. Als verzamelnaam wordt ook wel de term `Shaken' of `Shuriken' gebruikt. De werppen, wordt, evenals de werpster, geacht een ernstige bedreiging voor personen te kunnen vormen, terwijl het geen enkel maatschappelijk nut dient.

B

Op dit moment worden aan de werknemers van erkenninghouders geen betrouwbaarheids- en/of vakbekwaamheidseisen gesteld. Dit zou kunnen betekenen dat ook `onbetrouwbare' werknemers werkzaam zijn bij een erkenninghouder en daarmee toegang hebben tot vuurwapens en daarover kunnen beschikken. Dit is een onwenselijke situatie. Het kan zelfs aanleiding zijn een erkenning in te trekken omdat in die situatie voor misbruik gevreesd moet worden. Immers, het gedrag van medewerkers kan (mede) aanleiding zijn voor het aannemen van `vrees voor misbruik'. Om het ontstaan van een dergelijke situatie te voorkomen zal een erkenninghouder aan de werknemer om een verklaring omtrent het gedrag moeten vragen voordat hij de desbetreffende persoon te werk stelt. Dit geldt niet alleen voor de werknemers die direct met de vuurwapens in aanraking komen, maar ook voor het administratieve personeel.

De minister heeft op grond van artikel 10, tweede lid van de wet de mogelijkheid om voor categorieën van erkenninghouders verschillende eisen te stellen. De noodzaak om eisen te stellen liggen met name bij de vuurwapens van categorie II en III. Om die reden wordt een artikel 8a aan de regeling toegevoegd waarbij het een erkenninghouder niet is toegestaan personen te werk te stellen zonder dat daarvoor vooraf een verklaring omtrent het gedrag is verkregen. Een afschrift van de verklaring omtrent het gedrag moet aan de korpschef worden gezonden van de politieregio waar de erkenninghouder dan wel een onderdeel van diens onderneming/bedrijf is gevestigd.

C

Aan erkenninghouders worden op grond van artikel 10 eerste lid van de WWM en artikel 9 RWM eisen gesteld aan de vakbekwaamheid. In het huidige artikel 10 RWM zijn vrijstellingen opgenomen van de vakbekwaamheid voor bepaalde soorten bedrijven. Het vakbekwaamheidsdiploma is van weinig nut voor personen die alleen infrarood/laser `wapens' ter beschikking willen stellen voor simulatie. Hierbij kan gedacht worden aan: Fire Arms Training System (in gebruik bij onder andere politie en leger) of het gebruik voor recreatieve doeleinden zoals het kleiduivenschieten met infrarood wapens. Bij deze systemen betreft het volledig omgebouwde wapens waarbij zich in de loop een infraroodlamp/laser bevindt die een lichtbundel produceert. De reflectie van deze lichtbundel op een reflector (bijvoorbeeld op een kleiduif) wordt opgevangen en met behulp van een computer wordt bepaald of het doel is geraakt. Omdat deze wapens vaak wel voor afdreiging geschikt zijn, dient onder andere het ter beschikking stellen van deze wapens voor verhuur wel door een erkenning te worden gedekt. In de erkenning worden nadere voorwaarden en beperkingen gesteld die van toepassing zijn op het ter beschikking stellen van dergelijke wapens.

Diverse erkenningen zijn afgegeven waarbij voor dit type activiteiten met betrekking tot deze voorwerpen aan de aanvrager een ontheffing van de vakbekwaamheidseisen is verleend. Aangezien deze wapens geen direct fysiek gevaar opleveren voor de gebruiker en de erkenninghouder, is het voldoen aan de vakbekwaamheidseisen niet noodzakelijk. Opname van deze vrijstelling in de RWM leidt tot meer uniformiteit onder de erkenninghouders en voorkomt onnodige administratieve belasting bij zowel de ontheffingaanvrager als verlener.

D

Ingevolge artikel 9, van de Wet wapens en munitie, is het beproeven van wapens en munitie een erkenningsplichtige handeling indien dit geschiedt in de uitoefening van een bedrijf. Hiervan moet op grond van artikel 12, eerste lid, van deze regeling een register bijgehouden worden. In artikel 12, tweede lid, is de inrichting van dit register nader uitgewerkt. Middels onderhavige wijziging is ten aanzien van het beproeven vastgesteld dat hiervan een afzonderlijke registratie moet worden bijgehouden.

E

De afzonderlijke registratie van het beproeven, zoals opgenomen in het nieuwe tweede lid van artikel 12, heeft dezelfde opbouw en bevat dezelfde gegevens als de registratie betreffende het in bewaring of ter reparatie gegeven wapens en munitie.

F

Voor een toelichting op dit onderdeel wordt verwezen naar de toelichting op onderdeel P van deze regeling.

G

De vrijstelling voor het doen binnenkomen of uitgaan, vervoeren, voorhanden hebben en overdragen van munitie en onderdelen van munitie van categorie II, voor houders van een verlof tot voorhanden hebben van munitie van categorie III, is uit artikel 18 verwijderd. In een nieuw artikel is deze vrijstelling, overeenkomstig de oorspronkelijke bedoelingen van het oude onderdeel h, in een andere, beperkte en meer nauw omschreven, vorm gegoten.

H

Middels deze wijziging wordt de bewijslast ten aanzien van de toepasbaarheid van de vrijstelling voor vuurwapens die vanaf heden voor gebruik als zodanig ongeschikt worden gemaakt expliciet gelegd bij de bezitter van het vuurwapen. Op deze manier wordt getracht te voorkomen dat wapens buiten de registratie kunnen worden geplaatst zonder dat aan de voorwaarden hiervoor is voldaan. De verklaring van de erkende wapenhandelaar zal, indien de korpschef deze heeft goedgekeurd, als bewijs kunnen dienen dat het betreffende wapen op de juiste wijze ongeschikt is gemaakt voor gebruik.

I

Deze bepaling houdt verband met de hiervoor reeds besproken verwijdering van onderdeel h uit het eerste lid van artikel 18 van de regeling. Voornaamste doel van de wijziging is de reikwijdte van de vrijstelling aan te laten sluiten bij de oorspronkelijke bedoeling ervan. De doelstelling van het oude onderdeel was immers aan verlofhoudende verzamelaars van munitie van categorie III tevens de mogelijkheid te geven, wanneer dit binnen hun specialisatiegebied past, munitie van categorie II voorhanden te hebben zonder hiervoor een ontheffing bij de minister te hoeven vragen. De vrijstelling van de categorie II-munitie diende echter in geen geval verder te reiken dan de bevoegdheden van de verlofhouder ten aanzien van zijn munitie van categorie III. Vooral deze laatste voorwaarde schiep in de oude situatie onduidelijkheid, aangezien dit in tegenspraak leek met de aanhef van artikel 18, waarin voor verscheidene handelingen werd vrijgesteld.

Teneinde de eis te waarborgen dat op grond van deze vrijstelling niet meer bevoegdheden worden verkregen ten aanzien van munitie van categorie II, dan de betreffende verlofhouder heeft ten aanzien van munitie van categorie III, is de reikwijdte van de vrijstelling thans expliciet beperkt gebleven tot het voorhanden hebben en vervoer van munitie en onderdelen van munitie van categorie II. Een verlofhouder beschikt op grond van een verlof immers nooit over meer, dan juist deze bevoegdheden. De vrijstelling is ten aanzien van deze twee handelingen opgesplitst in afzonderlijke delen. Een vrijstelling voor vervoer van munitie en onderdelen van munitie van categorie II, uitsluitend voor de houders van een verlof tot vervoer van munitie van categorie III en een vrijstelling tot het voorhanden hebben van munitie en onderdelen van munitie van categorie II, uitsluitend voor de houders van een verlof tot het voorhanden hebben van munitie van categorie III. Voor beide vrijstellingen gelden een aantal voorwaarden. Deze voorwaarden zijn niet gewijzigd. Dit betekent onder andere dat de vrijstelling niet geldt indien het verzamelaars betreft die hetzij in het geheel niet over een verlof tot voorhanden hebben van munitie van categorie III beschikken, hetzij wel zo'n verlof hebben, maar munitie van categorie II voorhanden wensen te hebben die geen relatie heeft met hun verzameling munitie van categorie III, althans buiten de desbetreffende specialisatie valt.

J

Lid a is het huidige artikel 29, hierin is geen verandering opgetreden. Lid b is een aanvulling op het oude artikel 29. In het kader van de duiksport wordt gebruik gemaakt van een zogenaamd duikersmes. Een duikersmes wordt gekenmerkt door een snijkant aan beide zijden van het lemmet. Deze messen vallen onder categorie IV onder 1o van de WWM. Op grond van artikel 27 eerste lid WWM is het dragen van een wapen uit categorie IV verboden. Voor het dragen van een dergelijk mes is dan ook een verlof nodig op grond van artikel 29, derde lid WWM. Op grond van artikel 27, vierde lid WWM kan de Minister van Justitie vrijstelling verlenen van het verbod tot dragen van een wapen uit categorie IV met betrekking tot onder andere sportbeoefening. Het beoefenen van de duiksport valt onder de mogelijkheid van de vrijstelling. Gelet op het feit dat het dragen van een mes tijdens het beoefenen van de duiksport, de duiker de mogelijkheid biedt om zich te redden uit levensbedreigende situaties, is een vrijstelling wenselijk. De politie blijkt in de praktijk bovendien zeer verschillend om te gaan met het dragen van messen door duikers. Een vrijstelling kan op dit punt duidelijkheid verschaffen. Op grond van artikel 6 WWM kan de minister voorwaarden verbinden en beperkingen stellen aan de vrijstelling. De vrijstelling is in die zin beperkt dat het dragen is toegestaan direct tijdens het beoefenen van de duiksport. Dit betekent dat een duiker vanaf het moment dat hij ter beoefening van de duiksport zijn duikuitrusting aantrekt tot het moment dat hij deze weer uittrekt, een duikersmes mag dragen.

K

Deze overgangsregeling is opgenomen teneinde zowel particulieren als handelaren de mogelijkheid te geven de lucht-, gas- en veerdrukwapens, die ingevolge de wijziging van artikel 3 van deze regeling plotseling onder categorie I zouden vallen, van de hand te kunnen doen zonder in strijd te handelen met de in de Wwm opgenomen verbodsbepalingen ten aanzien van deze categorie wapens. Let wel, deze overgangsregeling houdt niet meer in dan dat de oude regelgeving op dit punt gedurende een jaar van toepassing blijft. Ten aanzien van de voorwerpen die reeds onder de tekst van het oude artikel 3 een categorie I-wapen waren, verandert er derhalve niets. Gelet op de ontwikkelingen op de vuurwapenmarkt betekent dit concreet dat de meeste voorwerpen in tot voor kort ongebruikelijke kleuren ook onder de werking van dit overgangsartikel een wapen van categorie I kunnen zijn. Zo is bijvoorbeeld een voorwerp in de kleur rood dat ook qua vorm en afmeting een sprekende gelijkenis vertoont met vuurwapens een wapen van categorie I. Dit vanwege het feit dat er verscheidene vuurwapens in deze kleur zijn geproduceerd.

L

Artikel 8a heeft tot gevolg dat personen die werkzaam zijn bij een erkenninghouder zoals genoemd in dit artikel en waarvoor geen verklaring omtrent het gedrag wordt verkregen, niet meer werkzaam mogen zijn bij de betreffende erkenninghouder. Om de mogelijkheid te bieden om een andere functie te zoeken geeft dit artikel de mogelijkheid om tot 1 december 2003 werkzaam te zijn bij de erkenninghouder zonder verklaring omtrent het gedrag te hebben verkregen en ondertussen naar een functie te zoeken buiten de organisatie van de erkenninghouder.

M

Artikel 2, eerste lid, aanhef en categorie I, onder 7°, van de Wet wapens en munitie, bepaalt dat als wapens in de zin van deze wet worden aangemerkt de door de Minister van Justitie aangewezen voorwerpen die een ernstige bedreiging van personen kunnen vormen of die zodanig op een wapen gelijken dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn.

Artikel 3 van de Regeling wapens en munitie, aanhef en onder a, bepaalt onder meer dat als voorwerpen van categorie I, onder 7°, worden aangewezen de voorwerpen vermeld op lijst a of b van de bij deze regeling behorende bijlage I.

De Minister van Justitie wijzigt op advies van de Advieswerkgroep wapens en munitie regelmatig deze lijsten a en b. In het onderhavig besluit zijn de recente voorstellen van de Werkgroep Advies Wet wapens en munitie overgenomen.

N en O

Een erkenning wordt onder enkele, veelal vaststaande, voorschriften en beperkingen verleend. Zo wordt onder meer bepaald dat de handelingen waartoe de erkenning strekt onder de feitelijke leiding van de beheerder dienen te worden verricht. Een ander voorschrift is dat de beheerder erop toe moet zien dat de voor hem handelende personen de bepalingen, gesteld bij of krachtens de Wet wapens en munitie, naleven. In de praktijk zijn onduidelijkheden ontstaan over de betekenis van de begrippen `feitelijk leiding geven' en `de voor hem handelende personen'. Teneinde duidelijkheid te scheppen zijn de voorwaarden van de erkenning aangepast. Het begrip `feitelijk leiding geven' is nader uitgewerkt door expliciet aan te geven dat de beheerder bij de te verrichten handelingen aanwezig moet zijn. Middels het nieuwe voorschrift 2 is een uitwerking gegeven aan het begrip `de voor hem handelende personen'. Aangegeven is dat er sprake moet zijn van een rechtstreeks dienstverband.

P

Artikel 13 bepaalt dat de erkende, dan wel de beheerder, zoals bedoeld in artikel 9, derde lid, van de Wet wapens en munitie, bij verkrijging van wapens van categorie III van personen die door middel van een verlof tot voorhanden hebben, dan wel een jachtakte, bevoegd zijn deze wapens voorhanden te hebben, een ontvangstbewijs aan deze personen dient te verstrekken. Dit ontvangstbewijs is echter nooit officieel vastgesteld. Het model van dit ontvangstbewijs wordt daarom thans opgenomen in bijlage III van de Regeling wapens en munitie.

Den Haag, 20 november 2001.

De Minister van Justitie,

A.H. Korthals.

Naar boven