De Minister van Justitie,
Handelende in overeenstemming met de betrokken Ministers;
Gelezen het verzoek van de korpschef van de regiopolitie Utrecht en het
daaropvolgende advies van de Hoofdofficier van Justitie te Utrecht;
Gelet op:
- artikel 142, eerste lid, onder b, van het Wetboek van Strafvordering;
- artikel 8, zevende lid, van de Politiewet 1993;
- het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar;
Besluit:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder de buitengewoon opsporingsambtenaar:
de buitengewoon opsporingsambtenaar bedoeld in artikel 2.
Artikel 2
De ambtenaren van politie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder
b, van de Politiewet 1993, van het Bureau Operationele Ondersteuning van de
regiopolitie Utrecht, belast met opsporingstaken, zijn aangewezen als buitengewoon
opsporingsambtenaar.
Artikel 3
1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot de opsporing van
alle strafbare feiten.
De opsporingsbevoegdheid dient te worden beperkt tot de taken en werkzaamheden,
zoals is beschreven in een door mij geaccordeerde functieomschrijving van
de medewerker bureau operationele ondersteuning.
2. De opsporingsbevoegdheid geldt voor het grondgebied van de politieregio
Utrecht.
Artikel 4
1. Het College van procureurs-generaal is bevoegd tot de beëdiging
van de buitengewoon opsporingsambtenaar.
2. Op grond van dit besluit kunnen maximaal 20 personen als buitengewoon
opsporingsambtenaar worden beëdigd.
Artikel 5
1. Als toezichthouder van de buitengewoon opsporingsambtenaar is aangewezen
de Hoofdofficier van Justitie bij het arrondissementsparket te Utrecht.
2. Als direct toezichthouder van de buitengewoon opsporingsambtenaar is
aangewezen de korpschef van het regiopolitie Utrecht.
Artikel 6
1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd bij de opsporing van
de in artikel 3, eerste lid, genoemde strafbare feiten gebruik te maken van
de bevoegdheden, bedoeld in artikel 8, eerste en derde lid, van de Politiewet
1993. Hij gedraagt zich overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 7 van de
Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon
opsporingsambtenaar.
2. De buitengewoon opsporingsambtenaar kan gedurende de uitoefening van
zijn taak als buitengewoon opsporingsambtenaar uitgerust zijn met:
a. handboeien van een door de ministers van Justitie en van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties goedgekeurd merk en type;
b. een korte wapenstok van een door de ministers van Justitie en van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties goedgekeurd merk en type.
Artikel 7
1. De korpschef van de regiopolitie Utrecht brengt jaarlijks, voor 1 april,
over het jaar daaraan voorafgaand aan de Minister van Justitie verslag uit
over:
a. het aantal buitengewoon opsporingsambtenaren dat op 31 december werkzaam
was binnen de dienst;
b. de door die buitengewoon opsporingsambtenaren verrichte activiteiten;
c. de stand van zaken met betrekking tot de opleiding van die buitengewoon
opsporingsambtenaren, waarbij in ieder geval wordt aangegeven hoeveel personen
in het verslagjaar zijn aangemeld voor het door de Minister van Justitie goedgekeurde
examen en hoeveel personen in dat jaar voor dat examen zijn geslaagd;
d. de stand van zaken met betrekking tot de intern door de regiopolitie
Utrecht verzorgde en tot de onderhavige functie gerichte aanvullende opleiding(en)
van die buitengewoon opsporingsambtenaren, waarbij in ieder geval wordt aangegeven
welke personen in dat jaar aan de aanvullende opleidingen hebben deelgenomen.
2. Dit verslag dient te worden toegezonden aan de toezichthouder, als
bedoeld in artikel 5 van dit besluit, alsmede aan het Ministerie van Justitie,
directie Bestuurszaken, afd. IBB/BOA, Postbus 20300, 2500 EH Den Haag.
Artikel 8
Na inwerkingtreding van dit besluit berusten de krachtens het Besluit
BOA medewerker bureau operationele ondersteuning van de Regiopolitie Utrecht
vastgestelde besluiten op dit besluit.
Artikel 9
De op naam gestelde akten van beëdiging en de overige benoemingsbescheiden,
welke zijn uitgevaardigd op het in artikel 8 van dit besluit omschreven besluit,
zijn van kracht tot aan de in die akten en overige benoemingsbescheiden vermelde
geldigheidsdatum.
Artikel 10
Het Besluit BOA medewerker bureau operationele ondersteuning van de Regiopolitie
Utrecht, kenmerk 96/6025-104546/Asd, d.d. 19 augustus 1996 wordt ingetrokken.
Artikel 11
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na publicatie
van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met
30 augustus 2001 en vervalt op 30 augustus 2006.
Artikel 12
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar
medewerkers bureau operationele ondersteuning van de regiopolitie Utrecht
2001.
Dit besluit zal in de Staatscourant en het Algemeen Politieblad worden
geplaatst.
Binnen zes weken na publicatie van dit besluit kan een belanghebbende
daartegen een bezwaarschrift indienen bij de Minister van Justitie, directie
Bestuurszaken, afdeling IBB/BOA, Postbus 20300, 2500 EH Den Haag. Het bezwaarschrift
dient te zijn gemotiveerd.
De korpschef van de regiopolitie Utrecht heeft bij brief van 19 juli 2001,
kenmerk 01/2163/BOA verzocht om verlenging met een periode van vijf jaar van
het besluit tot aanwijzing van de medewerkers bureau operationele ondersteuning
van het de regiopolitie Utrecht.
Er worden een aantal inhoudelijke c.q. technische en tekstuele wijzigingen
in onderhavig besluit doorgevoerd.
In artikel 4, eerste lid, wordt het College van procureurs-generaal aangewezen
als de instantie die bevoegd is tot beëdiging van buitengewoon opsporingsambtenaren.
Deze bevoegdheid is per 1 juni 1999 aan het College van procureurs-generaal
toegekend.
Gezien het aantal wijzigingen dat in het onderhavig besluit is doorgevoerd,
is ervoor gekozen besloten om een geheel nieuwe categoriale aanwijzing te
concipiëren in plaats van de bestaande door middel van wijzigingsbesluiten
aan te passen.
Ten aanzien van de akten van de buitengewoon opsporingsambtenaren van
de medewerkers operationele ondersteuning van de regiopolitie Utrecht welke
zijn uitgevaardigd op het in artikel 8 van dit besluit omschreven besluit,
is besloten dat deze van kracht blijven tot de in die akten vermelde geldigheidsdatum.