Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap | Staatscourant 2001, 166 pagina 9 | Overig |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap | Staatscourant 2001, 166 pagina 9 | Overig |
10 juli 2001
R&B/OSA/2001/2596
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en de Minister van Financiën;
Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;
De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 25 mei 2000, nr. arc-2000.1313/2),
Besluiten:
De bij dit besluit gevoegde `selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Financiën en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein heffing van Rijksbelastingen over de periode 1940-1993' en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende selectielijst en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst.
Den Haag, 10 juli 2001.
De Staatssecretaris van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschappen,namens deze,
De Algemene Rijksarchivaris,
M.W.
van Boven.
De Minister van Financiën,namens deze,
Het
Hoofd Algemene Secretarie,
P.M.H. Waters.
Een belanghebbende kan tegen dit besluit beroep instellen bij de rechtbank te Den Haag. Voordat hij beroep instelt, moet hij binnen zes weken na de inwerkingtreding van dit besluit bij de Staatssecretaris een bezwaarschrift indienen. Dit bezwaarschrift moet worden gestuurd naar CFI/FJZ, ter attentie van het secretariaat van de Commissie voor de bezwaarschriften, Postbus 606, 2700 ML Zoetermeer.
Dit Basis Selectiedocument (BSD) vloeit voort uit een van de resultaten van afspraken, opgenomen in het convenant dat op 25 juni 1992, art. C2 en C3, afgesloten is tussen de secretaris-generaal van het ministerie van Financiën en de Algemene Rijksarchivaris. Tot de afspraken behoort o.a. het verrichten van een institutioneel onderzoek naar de taakontwikkeling van het ministerie in de periode na 1940. Die afspraken leiden tot het opstellen van het rapport institutioneel onderzoek `Belastingen: de geheiligde schuld'.
Het doel van dat rapport is een instrument te bieden dat leidt tot het formuleren van selectiecriteria ten aanzien van de handelingen, -op basis van wet- en regelgeving- van de minister van Financiën en andere actoren op het beleidsterrein van de heffing van rijkswege van belastingen d.m.v. de zogenaamde heffingswetten, met uitzondering van die wetten en regelingen die betrekking hebben op het heffen van accijnzen en invoerrechten, over de periode 1940-1993. De deelterreinen betrekking hebbende op de heffing van invoerrechten en accijnzen zijn in twee afzonderlijke rapporten institutioneel onderzoek beschreven waaruit ook weer afzonderlijke basis-selectiedocumenten zullen voortvloeien.
Eerder werden reeds de als `algemene wet- en regelgeving' aan te duiden wet- en regelgeving onderzocht op voorkomende handelingen en daarvan is verslag gedaan in het PIVOT-rapport `Belastingver(h)effend' en een daaropvolgend basis-selectiedocument.
De verplichting voor zorgdragers tot het opstellen van selectielijsten voor te bewaren en te vernietigen archiefbescheiden is neergelegd in art. 5 van de Archiefwet 1995.
Dit basis-selectiedocument bevat de uitkomsten van het selectieproces.
De selectiekeuzes die zijn neergelegd in dit basis-selectiedocument (BSD) verdeeld de handelingen, die in het rapport zijn opgenomen, in te bewaren, aan het Algemeen Rijksarchief over te dragen (neerslag van) handelingen èn in op termijn te vernietigen (neerslag van) handelingen. Dit voorliggende BSD geeft dus vorm aan het begrip selectielijsten, de vereisten daaraan en de te volgen vaststellingsprocedure zoals bedoeld in art. 2 t/m 5 van het Archiefbesluit.
Het taakgebied dat de minister van Financiën bestrijkt, is dat terrein van overheidsbemoeienis waar het beleid ten aanzien van het samenstel van inkomsten en uitgaven van de Nederlandse overheid wordt vormgegeven en uitgevoerd. Deze hoofdtaak van de minister van Financiën is te herleiden naar een aantal specifieke beleidsterreinen:
1. het financieel-economische beleid (nationaal en internationaal), dit beleidsterrein wordt voornamelijk vormgegeven door de Generale Thesaurie;
2. het begrotingsbeleid voor de Nederlandse overheid/ de Rijksbegroting wordt vormgegeven door het Directoraat-Generaal voor de Rijksbegroting;
3. het fiscale beleid (voorbereiding van het algemene fiscale beleid, van fiscale wetten en maatregelen en het sluiten en uitvoeren van belastingverdragen) is hoofdzakelijk opgedragen aan het Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken;
4. het beleid ten aanzien van en de uitvoering van de fiscale wetgeving ligt bij het Directoraat-Generaal der Belastingen.
De beleidsterreinen 3 en 4 die invulling en uitvoering geven aan het heffen, invorderen en de controle op de heffing van belastingen van rijkswege draagt van oudsher bij aan een belangrijk deel van de inkomsten. Hierbij kunnen een aantal hoofdtaken onderscheiden worden:
1. het voorbereiden en vaststellen van nationaal en internationaal belastingbeleid;
2. het zorgdragen voor de uitvoering van in internationaal verband overeengekomen bepalingen met betrekking tot de heffing en inning van belastingen;
3. het zorgdragen voor het beleid ten aanzien van de uitvoering van de belastingwetgeving;
4. het besturen van de Belastingdienst;
5. het uitvoeren (van bepalingen opgenomen in) de (belasting) wet- en regelgeving.
Overigens worden de inkomsten, ook die uit belastinggelden, ook gebruikt voor de financiering van andere overheidsbemoeiingen op andere beleidsterreinen.
Het fiscale beleid is niet alleen gericht op het verkrijgen van inkomsten maar heeft ook een sturende werking op andere gebieden. Zo kunnen bijvoorbeeld de bestedingen worden beïnvloed of de lastenverdeling over de bevolking. De economische sturing kan door middel van fiscale maatregelen worden vormgegeven. Voor de genoemde sturing kan bijvoorbeeld gebruik gemaakt worden van speciaal in het leven geroepen vrijstellingsregelingen of verhoging/verlaging van de belastingtarieven.
De hoofdlijnen van het fiscale beleid zijn vooral vastgelegd in een grote hoeveelheid wet- en regelgeving, nota's ten behoeve van de gedachtevorming van de ambtelijke leiding èn het parlement maar ook in rapporten van (interdepartementale) werkgroepen en commissies. Belangrijke lijnen in het beleid ten aanzien van de uitvoering van de fiscale wetgeving zijn neergelegd in instructies, leidraden en aanschrijvingen aan de Belastingdienst.
Grote herziening van het belastingstelsel kwam op gang nadat een staatscommissie onder leiding van dhr. van den Berge in 1948 werd geïnstalleerd. De adviezen van deze commissie leidden tot nieuwe fiscale wetgeving. De fiscale wetten van voor de oorlog, maar ook de fiscale besluiten die gedurende de oorlog onder leiding van de bezetter waren afgekondigd werden vervangen. De daadwerkelijke vervanging gebeurde in de periode tot aan 1970. De bepalingen van het formele recht werden uit de heffingswetten gehaald en in de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen opgenomen. In de jaren zeventig en tachtig weerspiegelen de maatschappelijke veranderingen steeds meer in de fiscale regelgeving (fiscale positie werkende gehuwde vrouw, oudedagsreserve). De belastingheffing bleef altijd een bron van nader studie en vereenvoudiging. Als bewijs kunnen hiervoor dienen rapportages van prof. mr. H.J. Hofstra (inflatieneutrale belastingheffing), W.J. van Bijsterveld (fraudebestrijding) en de commissies Oort en Stevens (vereenvoudigingsstudies). Voor een uitgebreidere beschrijving van het beleidsterrein en de ontwikkelingen daarop wordt verwezen naar de verschenen Pivot-rapportage no. 65 `Belastingen: de geheiligde schuld'.
Toetsing, beoordeling en de vaststelling van de selectielijst
De formulering en de waardering van de handelingen zijn voorgelegd aan beleidsmedewerkers en beleidsondersteunende medewerkers directies behorende tot genoemde Directoraten-Generaal. Verzocht is het voorgelegde te toetsen op volledigheid en juistheid. Naar aanleiding van de voorgelegde concepten zijn wijzigings- en aanvullingsvoorstellen besproken en uitgevoerd. Tevens is in de gesprekken uitleg gegeven over de doelstellingen m.b.t. de Pivot-rapportage Belastingen: De Geheiligde Schuld en deze hieruit voortkomende selectielijst. De directies van het Directoraat-Generaal der Belastingen die aan de toetsing meewerkten zijn: de Directie Directe Belastingen, de Directie Algemeen Fiscale Zaken, de Directie Verbruiksbelastingen en de Directie Planning, Financiën en Control. Van de zijde van het Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken werd medewerking verkregen van de directies Algemene Fiscale Politiek, Internationale Fiscale Zaken, Wetgeving Verbruiksbelastingen en Wetgeving Directe Belastingen.
Naast de hiervoor beschreven toetsing door beide Directoraten-Generaal werden op verzoek ook bijdragen geleverd door de Directie Financiën Publiekrechtelijke Lichamen behorend tot het Directoraat-Generaal der Rijksbegroting met betrekking tot de onroerendgoedbelasting,
De Algemene Secretarie leverde bijdragen vanuit de Multifunctionele Unit werkzaam voor het Directoraat-Generaal er Belastingen, de Multifunctionele Unit werkzaam voor het Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken. Ook de Stafunit Coördinatie Documentaire Informatievoorziening van de Algemene Secretarie leverde bijdragen aan de voorliggende selectielijst.
Per beleidsonderdelen namen de volgende personen de toetsing ter hand:
Namens de beleidsonderdelen:
Directoraat-Generaal voor de Rijksbegroting:
1. drs. M.L.J. Wijnands, beleidsmedewerker directie Financiën Publiekrechtelijke Lichamen;
2. mw. C.J.M. van Rhee, beleidsmedewerker directie Financiën Publiekrechtelijke Lichamen;
Directoraat-Generaal Fiscale Zaken:
3. mr. W. Buis, beleidsmedewerker directie Wetgeving Directe Belastingen;
4. mw. mr. G.J. van Es, beleidsmedewerker directie Wetgeving Verbruiksbelastingen;
5. mw. M.W. Smits, beleidsondersteunend medewerker directie Wetgeving Verbruiksbelastingen;
6. mw. J.W. van den Berg-Koelewijn, beleidsondersteunend medewerker directie Internationaal Fiscale Zaken;
Directoraat-Generaal der Belastingen:
7. J.M.L. van de Water, beleidsmedewerker directie Algemeen Fiscale Zaken;
8. mr. G.J. van Leijenhorst, plv. directeur directie Directe Belastingen;
9. G.P.F. Simons, beleidsmedewerker directie Directe Belastingen, afd. Fusies;
10. C.T.M. van der Zalm, beleidsmedewerker directie Directe Belastingen, afd. Winst;
11. mr. A.K. Visser, directie Directe Belastingen, Hoofd afd. Loon;
12. A.F. Schuurman, beleidsmedewerker directie Directe Belastingen;
13. G. Ezink, beleidsmedewerker directie Directe Belastingen;
14. A.H. Kort, beleidsmedewerker directie Directe Belastingen;
15. drs. H.G. Roodbeen, beleidsmedewerker directie Directe Belastingen;
16. mw. mr. W. van Taanom, beleidsmedewerker directie Verbruiksbelastingen;
17. drs. H.C. van der Sterre, beleidsmedewerker directie Planing, Finance & Control.
Aan de beoordelaars is verzocht handelingen verricht door het eigen organisatieonderdeel en van de actor Belastingdienst te bezien. Daarnaast is verzocht de contextbeschrijving en waardering op volledigheid en juistheid te beoordelen.
Namens de Afdeling Algemene Secretarie:
18. J. Visser, Hoofd Multifunctionele Unit Dir.-Gen. Fiscale Zaken;
19. Mw. Y.M.E. v.d. Hoeven-Schouten, Hoofd Multi-functionele Unit Dir.-Gen. Belastingen;
20. Mw. C.J.W.E. Keijzer-Neuteboom; Hoofd Sub-Unit Multifunctionele Unit Dir.-Gen. Belastingen;
21. R. Bachoe, Hoofd Subunit Multifunctionele Unit Dir.-Gen. Belastingen;
22. G.F. Makadoero, Hoofd Stafunit Coördinatie Documentaire Informatievoorziening;
23. P.C.A. Lamboo, Pivot-medewerker;
Gedurende de samenstelling van deze selectielijst is de voortgang en inrichting ook onderwerp van gesprek geweest in het zgn. toetsingsoverleg dat gedurende het Pivot-project dat bij het ministerie van Financiën plaatsvond gehouden werd. Aan dit overleg namen de Rijksarchiefdienst en namens het ministerie de Algemene Secretarie deel.
Op 17 januari 2000 is het ontwerp BSD namens de Minister van Financiën door het Hoofd van de Algemene Secretarie aan de Staatssecretaris van OC&W aangeboden, waarna deze het ter advisering heeft aangeboden aan de Raad voor Cultuur (RvC). Van het gevoerde driehoeksoverleg over de waarderingen van de handelingen is een verslag gemaakt, dat tegelijk met het ontwerp-BSD naar de RvC is verstuurd. Vanaf 26 januari 2000 lag de selectielijst gedurende acht weken ter publieke inzage bij de registratiebalie van het Algemeen Rijksarchief evenals in de bibliotheken van het Ministerie van Financiën, het Ministerie van OC&W en de rijksarchieven in de provincie, hetgeen was aangekondigd in de Staatscourant nr. 17 van 25 januari 2000.
Tijdens het driehoeksoverleg was, op verzoek van het Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap, ook een deskundige, op het beleidsterrein aanwezig. Van andere (historische) organisaties of individuele burgers is geen commentaar ontvangen.
In de vergadering van de Bijzondere Commissie Archieven van de RvC van 11 april 2000 is het ontwerp-BSD behandeld, waarbij ook het verslag van het driehoeksoverleg bij de voorbereiding van het advies is meegenomen.
Op 25 mei 2000 bracht de RvC advies uit (nr. arc-2000.1313/2), hetwelk geen aanleiding heeft gegeven tot wijziging in de ontwerp selectielijst.
Op het onderzochte gebied, de zgn. heffingswetten, spelen tal van actoren, binnen en buiten de rijksoverheid, een rol. Er is een aantal criteria gehanteerd bij het vaststellen of de aangetroffen handelingen van de aangetroffen actoren in deze rapportage opgenomen dienden te worden: 1. de actor dient onder de werking van de Archiefwet te vallen, 2. de betrokken actor maakt onderdeel uit van de organisatie van het ministerie van waaruit dit onderzoek plaatsvindt (commissies e.d.).
Onderstaand een opsomming van de actoren waarvan de handelingen, aangetroffen in wet- en regelgeving en rapporten, zijn opgenomen.
De minister van Financiën: belast met het formuleren van het beleid betreffende het heffen van belastingen, het beleid m.b.t. de uitvoering van de fiscale wet- en regelgeving, het uitvoeren van de wet en regelgeving en de besturing van de Belastingdienst;
De minister van Financiën te Londen: de minister zorgde voor de invoering van een verplichte inkomstenbelasting;
De Secretaris-Generaal van het Departement van Financiën: De Secretaris-Generaal nam hier te lande gedurende de oorlogsperiode de taken van de minister op zich. Een aantal besluiten waaruit handelingen zijn gedestilleerd bleven ook na de oorlog nog geruime tijd van toepassing daar waar dan aangegeven is dat de Secretaris-Generaal actor is, is in werkelijkheid de minister de verantwoordelijke actor de handelingen zijn in dit BSD ondergebracht bij de actor de minister van Financiën;
De Belastingdienst: zorgt voor de uitvoering van de belastingwetgeving (onder verantwoordelijkheid van de minister van Financiën) en is als actor afzonderlijk opgenomen i.v.m. de omvang van het handelen van de Dienst en de zelfstandigheid hierbij;
De Nederlandse instantie belast met inning van belastingen (in Londen): in de periode 1941-1944 belast met de heffing en inning van de verplichte inkomstenbelasting die door de minister van Financiën in Londen werd ingevoerd;
De Dienst van het Kadaster en Hypotheken: ressorteerde tot 1973 onder de minister van Financiën, vanaf 1973 werd de Dienst overgeheveld naar het ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, de Dienst geeft uittreksels uit de registers i.v.m. uitvoering van de Natuurschoonwet en verrichtte activiteiten i.v.m. de heffing van grondbelasting;
Werkgroepen, stuurgroepen, commissies niet ingesteld op grond van specifieke regelgeving en ressorterende onder de minister van Financiën (chronologisch opgesomd):
Departementale Werkgroepen: werden/worden belast met studie en advisering inzake het heffen van belastingen op grond van specifieke heffingswetten en worden (veelal) ingesteld door de minister van Financiën, om te vermijden dat een aantal werkgroepen die tijdens het onderzoek niet te achterhalen waren zijn algemene handelingen geformuleerd;
Commissie van advies inzake wettelijke regeling van de positie van adviseurs in belastingzaken,
Periode: 1955-1958
De Commissie adviseerde m.b.t. de wettelijke positie van belastingadviseurs en formuleerde een voorstel m.b.t. een af te nemen examen voor belastingadviseurs.
Leden: mr. T.Y. Boltjes, voorzitter;
prof. W.J. de Langen, plv. voorzitter;
P. den Boer, secretaris, ministerie van Financiën;
mr. H.M. van Ooijen, secretaris, Tariefcommissie;
Overige leden: mr. A.D. Belinfante (Justitie), J.B. Kloosterman (belastingconsulent), drs. G. Lasseur (Economische Zaken), F.T. Pesman (Belastingdienst), prof. A.M. van Rietschoten (buitengewoon hoogleraar UvA), mr. A. ten Sande (Financiën), B. Schippers (belastingconsulent), N.A. Theeuwes (belastingconsulent), mr. J.F. Udo (belastingconsulent), dr. P.G. van Vliet (Stichting Nederlandse associatie voor praktijkexamens), mr. H.F.J. Westerveld (inspecteur van het gymnasiaal en middelbaar onderwijs in de vijfde inspectie).
Adviescommissie voor een aantal fiscale vraagstukken, `Commissie Hofstra'.
Periode: 1966-1971
De commissie werd in 1966 ingesteld en bracht verschillende rapporten uit. De opdracht van de commissie was te onderzoeken en adviseren over veranderingen, die tevens tot vereenvoudiging zouden leiden, in de belastingwetgeving en de uitvoering daarvan. Daar de commissie adviseerde m.b.t. de zgn. `algemene belastingheffing' maar ook voorstellen tot wijziging in specifieke heffingswetten is de commissie als actor opgenomen in de Pivot-rapportage `Belastingver(h)effend' als in deze Pivot-rapportage.
Leden: prof. mr. H.J. Hofstra, voorzitter; mr. M. Reuvers, secretaris;
prof. mr. K.V. Antal, K.A.J. Bierlaagh, mr. P. den Boer, J.W. Brinkman, prof. dr. J.H. Christiaanse,
prof. mr. J.G. Detiger, D.J. Muller, A. Meering, A. Nooteboom, mr. W.L. Schenk, mr. J.J. Verseput.
In 1975 werd aan prof. mr. H.J. Hofstra verzocht een studie te wijden aan de herziening van de belastingheffing in verband met de inflatie. Het rapport `Inflatieneutrale belastingheffing' dat in 1978 aan de minister van Financiën werd aangeboden bevat zowel de neerslag van een studie die zowel meer `algemene aspecten' m.b.t. de belastingheffing als wel voorstellen tot wijziging van specifieke heffingswetten. Derhalve is de actor èn in de Pivot-rapportage `Belastingver(h)effend' als in deze rapportage opgenomen. De heer Hofstra werd bij de studie ter zijde gestaan door ambtenaren van het ministerie van Financiën, directies AFP, AFEP, DB en IFZ.
Werkgroep ter bestudering van de belastinguitgaven, `Werkgroep Tax-expenditures'.
Periode: 1977-1987
De werkgroep had als taak studie te verrichten naar in de Nederlandse fiscale wetgeving opgenomen bepalingen waaruit belastinguitgaven voortvloeien. Hierbij wordt gedoeld op bepalingen die lastenverlichtingen in zich houden en leiden tot verminderde belastinginkomsten dan wel (verborgen) subsidiëringen.
Leden: Ambtenaren van het ministerie van Financiën aangevuld met prof. drs. V. Halberstadt, mr. J. Verburg beiden hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Leiden.
Werkgroep Leidraad administratieve boeten
Periode: 1980
De departementale werkgroep kreeg als taak de Leidraad Administratieve Boeten 1971 kritisch te bezien ter bevordering van een optimale toepassing van deze wettelijke bepalingen op basis van een duidelijk landelijk beleid.
Van het handelen van de werkgroep is geen afzonderlijke handeling geformuleerd maar wordt in een meer algemene handeling die opgenomen is in dit rapport gevangen.
Leden: Ambtenaren van het ministerie van Financiën (voorzitter en secretaris directie AFZ) en van de Belastingdienst.
Werkgroep herstructurering inspecteursopleiding
Periode: 1980-1981
De werkgroep had tot taak de mogelijkheden tot en de wenselijkheid van het stichten van een instituut voor de opleiding tot inspecteur te onderzoeken.
Van het handelen van de werkgroep is geen afzonderlijke handeling geformuleerd maar wordt in een meer algemene handeling die opgenomen is in dit rapport gevangen.
Leden: Ambtenaren van het ministerie van Financiën en uit de belastingdienst, voorzitter. mr. J.N. van Lunteren; secretariaat: directie Personeel van de Belastingdienst.
Werkgroep analyse beroepschriften
Periode: 1981
De werkgroep had als taak om ter voorbereiding op mogelijk te treffen maatregelen het inventariseren en analyseren van de problematiek m.b.t. de beroepschriften alsmede het schenken van aandacht aan de behandeling van bezwaarschriften.
Van het handelen van de werkgroep is geen afzonderlijke handeling geformuleerd maar wordt in een meer algemene handeling die opgenomen is in dit rapport gevangen.
Leden: Departementale ambtenaren en ambtenaren uit de Belastingdienst. Het voorzitterschap en het secretariaat berustte bij de directie Organisatie van de Belastingdienst.
Werkgroep wegingsproblematiek vennootschapsbelasting
Periode: 1981-1986
De werkgroep was een voortzetting van de Werkgroep Randstadproblematiek die ingesteld werd door de Beleidsgroep Vennootschapsbelasting. De werkgroep had de taak te zoeken naar (aftrek)posten met zodanige kenmerken dat zij daardoor in zwaarte zijn te onderscheiden in het totale postenbestand, en te bezien of deze groep van posten per inspectie zodanig is te beschrijven dat hiermee een hulpmiddel kan worden geboden bij het vaststellen van de formaties.
Van het handelen van de werkgroep is geen afzonderlijke handeling geformuleerd maar wordt in een meer algemene handeling die opgenomen is in dit rapport gevangen.
Leden: Ambtenaren van het ministerie van Financiën en de Belastingdienst
Interdepartementale Werkgroep Fiscale Maatregelen ten bate van het Midden- en Kleinbedrijf
Periode: 1982-1983
De werkgroep werd ingesteld in 1982 naar aanleiding van het op 30 oktober 1982 aangeboden Regeerakkoord waarin werd aangekondigd dat de bewindslieden van Economische Zaken en van Financiën aan de hand van suggesties uit de nota's inzake het midden- en kleinbedrijf en startende ondernemingen alsook uit het rapport van de commissie Risicokapitaal met concrete voorstellen zullen komen.
Leden: mr. J.W.B. Westerburgen, voorzitter, ministerie van Financiën;
drs. C.J. Schulze, vice-voorzitter, ministerie van Economische Zaken;
mr. G.F.H. Müller, secretaris, ministerie van Financiën;
mw. mr. T. Bader-Witberg, secretaris, ministerie van Economische Zaken;
Overige leden ministerie van Financiën: mr. J.A. van Burik, mr. P.H.A. Dijckmeester, mr. R.J. van der Have, mw. mr. H. Neppérus, drs. J. Peters, mr. H.B.A. Verhoeven; Overige leden ministerie van Economische Zaken: dhr. J.A. Kloet, drs. J. Renes, drs. W. de Schrijver; Leden van het ministerie van Landbouw en Visserij: mr. M. van der Heijde en dr. N. Slot.
Werkgroep aanpak aanslagregeling
Periode: 1982-1983
Taak van de werkgroep was een studie te verrichten naar de methode van de heffing van de vennootschapsbelasting en de aanpak van de aanslagregeling door de Belastingdienst. De werkgroep werd ingesteld door de Beleidsgroep Vennootschapsbelasting. Van het handelen van de werkgroep is geen afzonderlijke handeling geformuleerd maar wordt in een meer algemene handeling die opgenomen is in dit rapport gevangen.
Leden: Ambtenaren van de Belastingdienst (o.a. de voorzitter en de secretaris) en van het ministerie van Financiën.
Werkgroep relatie fiscus-banken
Periode: 1983-...
De werkgroep heeft als taak onderzoek te verrichten of uit aangemelde voorgenomen maatregelen, die van invloed kunnen zijn op de positie van banken of de fiscus, onevenredig grote schade voor het vertrouwen in het bankwezen kunnen voortvloeien of daardoor een rechtmatige en doelmatige uitvoering van de belastingwetgeving ernstig kan worden belemmerd.
Van het handelen van de werkgroep is geen afzonderlijke handeling geformuleerd maar wordt in een meer algemene handeling die opgenomen is in dit rapport gevangen.
Leden: Departementale ambtenaren van de directies A.F.P., A.F.Z. en B.G.W.
Commissie tot verlichting van de administratieve verplichtingen voor het bedrijfsleven
Periode: 1984-1985
De commissie had tot taak te inventariseren, onderzoeken en het formuleren van voorstellen aangaande de vereenvoudiging van administratieve verplichtingen van ondernemingen. Het betreft onderzoek naar de sociale verzekerings- en belastingwetgeving (voornamelijk de loonbelasting). De commissie werd ingesteld door de Staatssecretaris van Economische Zaken. Het door de commissie samengestelde rapport `Heerendiensten' werd aan de Staatssecretaris van Economische Zaken aangeboden in 1985.
Leden: prof. dr. F.H.M. Grapperhaus; mr. G.H.F. Müller, secretaris, ministerie van Financiën; mr.drs. R.J.L. Noordhoek, secretaris, Federatie van Bedrijfsverenigingen/Detam; prof. dr. J.C.K.W. Bartel; J.R. Borst, ministerie van economische Zaken; drs. J.W. Buykx, ministerie van VROM,; drs. J.A.G.M. Dirks, ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; mr. M. van der Heijde, ministerie van Landbouw en Visserij; J.P. de Hek, ministerie van Financiën; drs. Th. L.C. Huyveneers, Centrale Ondernemersorganisaties; J.A. Kloet, ministerie van Economische Zaken; mr. J.P.M. Kommers, Raad voor het Midden- en Kleinbedrijf; prof. mr. L.J.M. de Leede; M.J.H. Moors, Centrale Ondernemersorganisaties; mr. J.L. Pagano Mirani, Centrale Ondernemersorganisaties; G.A. van Pelt, ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; drs. W.M.J. van der Snoek, Federatie van Bedrijfsverenigingen; drs. W. Vermeulen Naayen, Centrale Ondernemersorganisaties; drs. H.V. Vrind, Sociale Verzekeringsraad; J.B. van der Zanden, ministerie van Financiën.
Periode: 1984-1986?
De werkgroep had als taak onderzoek te verrichten of de voorraaddochter en de wijziging van het boekjaar ter optimalisering van de voorraadaftrek als oneigenlijk gebruik kunnen worden gekwalificeerd. De werkgroep had ook als taak de omvang van het oneigenlijk gebruik vast te stellen en te onderzoeken hoe dit tegen gegaan kon worden.
Van het handelen van de werkgroep is geen afzonderlijke handeling geformuleerd maar wordt in een meer algemene handeling die opgenomen is in dit rapport gevangen.
Leden: Ambtenaren van de directies WDB, DB en AFP.
Interdepartementale werkgroep fiscale jurisdictie Nederlands deel continentaal plat.
Periode: ...-1985
De werkgroep had als taak onderzoek te verrichten naar de mogelijkheid tot belastingheffing op (mijnbouw-)activiteiten die niet op het vaste land plaatsvinden maar op het Nederlandse deel van het continentaal plat.
Leden: Namens het ministerie van Financiën: dr. K. van der Heeden, voorzitter; drs. R.H. de Swart, secretaris; drs. J.J.P. de Goede, drs. V.I. Goedvolk, drs. J.C. de Groot, mr. J.M.H.M. Hermans, J.C. van Ofwegen RA, drs. J. Kruithof, F. Zevenhuijzen;
Namens het ministerie van Economische Zaken: drs. A.W.M. Ausems, mr. P.H.A. Dijckmeester, mr. H.G. de Maar, mw. mr. C.E.M.H. Meertens.
Commissie ter vereenvoudiging van de loonbelasting en de inkomstenbelasting, `Commissie Oort'.
Periode:1985-1986
Ingesteld bij Beschikking van de minister van Financiën, nr. 085-2500 d.d. 20-9-1985, Stcrt. van 23-9-1985 nr. 184.
De commissie kreeg de opdracht mee studie te verrichten naar mogelijkheden tot vereenvoudiging van met name de inkomsten en loonbelasting en daarover te adviseren aan de minister van Financiën.
Leden: dr. C.J. Oort, voorzitter; drs. H. Burger, secretaris; drs. H.P.A.M. van Arendonk, mr. P. den Boer, prof. mr. H.J. Hofstra, mr. C.A. de Kam, mr. H. Mobach, mr. W.F.C. Stevens, drs. N. Vogelaar.
H. Baron van Lawick, plv. lid-secretaris.
Secretariaat: drs. A.B.W.M. Hartman, mr. E.B. Jaspers, mr. H. Mooij.
Interdepartementale werkgroep fiscale aspecten van privatisering
Periode: 1985-1986
De werkgroep is ingesteld n.a.v. een besluit in de ministerraad van 12-7-1985 en kreeg als taak onderzoek te verrichten naar de fiscale aspecten die een rol spelen bij privatisering en aan te geven waar zich in dezen knelpunten voordoen. Voorts diende de werkgroep na te gaan in hoeverre binnen de fiscaliteit dan wel in het bredere budgettaire kader van de Rijksbegroting oplossingen kunnen worden gezocht.
Leden: Namens de minister van Financiën: mr. J.H.G. Brenninkmeijer, voorzitter (AFP); drs. F.W. Jongbloed, secretaris (AFP); drs. J.C.A. Bakker (DB), drs. ing. W. van Dijk (DGRB/IRF), drs. G.J. Gelderblom (DB), mr. R.J. van der Have (WDB), drs. H.G.M. Keyzer (DGRB/IRF), drs. L. Meyaard (Gen. Thes./AFEP), mr. G.D. van Norden (VB), mr. A.J. Peek (IB), mr. A. Th.L.M. van de Ven, mr. H.R. Wichers (WV); mr. P.H.A. Dijckmeester, ministerie van Economische Zaken; drs. F. Erkens, Verkeer en Waterstaat; drs. P.J.J. Steeghs, VROM; J.J. Urselmann, Landbouw en Visserij.
Stuurgroep Onroerend-goedbelastingen
Periode: 1985-1991
Leden: Benoemd door de minister van Financiën op voordracht van de ministers van VROM en Binnenlandse Zaken en de Vereniging van Nederlandsche Gemeenten.
De stuurgroep had als taak te adviseren over de beleidsvorming en uitvoering van de heffing van onroerend-goedbelastingen alsmede had de Stuurgroep een coördinerende taak m.b.t. de uitvoering van de heffing.
Werkgroep privatiseringsonderzoek DAR
Periode: 1986-1988
De werkgroep kreeg als taak onderzoek te verrichten naar de privatiseringsmogelijkheden van de automatiseringsactiviteiten van de Directie automatisering rijksbelastingen en welke varianten, onder aangeving van de wijze waarop, de mogelijkheden geëffectueerd zouden kunnen worden alsmede aangevende welke knelpunten, en oplossingen daarvoor, kunnen ontstaan in de sfeer van arbeidsvoorwaarden. Van het handelen van de werkgroep is geen afzonderlijke handeling geformuleerd maar wordt in een meer algemene handeling die opgenomen is in dit rapport gevangen.
Leden: Ambtenaren van het ministerie van Financiën (o.a. de secretaris, directie OvdB) en de Belastingdienst.
Periode: 1989-1991 (1992)
De werkgroep werd gevormd om de naar aanleiding van de invoering van de zgn. Oort-wetgeving opgekomen vragen m.b.t. te volgen praktijk te beantwoorden.
Leden: Ambtenaren van het ministerie van Financiën en de Belastingdienst.
Secretariaat: Ministerie van Financiën?
Projectgroep overdracht onroerend goedbelastingen
Periode: 1989-1992
Taak van de Projectgroep was het begeleiden van de overdracht van de heffing en de invordering van de onroerend goedbelastingen naar de gemeenten.
Leden: ministerie van Financiën (voorzitter en secretaris Directoraat Generaal der Rijksbegroting/directie Fipuli, DGBel. adj. secretaris), ministerie van Binnenlandse Zaken, Vereniging Nederlandse Gemeenten, gemeente Eindhoven, gemeente 's-Gravenhage.
Commissie voor de belastingherziening, `Commissie Stevens'
Periode: 1990-1991
Ingesteld: Beschikking van de minister van Financiën d.d. 4-4-1990 nr. AFP90/110.
De opdracht van de commissie betrof het opstellen van adviezen over de verdere vereenvoudiging en verbreding van het draagvlak van de loon- en inkomstenbelasting en ter stroomlijning van de belasting op ondernemingswinst.
Leden: mr. W.F.C. Stevens, voorzitter; prof. mr. C.A. de Kam, vice-voorzitter; mr. A. Overbosch, secretaris; mr. C.W.M. van Ballegooijen, prof. dr. J.C.K.W. Bartel, prof. mr. H.J. Hofstra, mw. mr. E.J.J.E. van Leeuwen-Schut, mr. H. Smit, dr. G. Zoutendijk.
Secretariaat: mr. B. de Bruin, Ministerie van Economische Zaken; drs. C.A. Laan, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; mr. E.J.A.H. Rouwenhorst, ministerie van Financiën.
Raden, commissies ingesteld op grond van bepalingen in de (fiscale) regelgeving en ressorterend onder de minister van Financiën
De Schattingscommissies: belast met taken betreffende de schatting en meting van (de belastbare) opbrengsten van gebouwde eigendommen i.v.m. de heffing van belasting;
De Hoofdcommissie voor de schatting van belastbare gebouwde eigendommen: belast met het toezicht op en de behandeling van bezwaren tegen door de schattingscommissies genomen beslissingen;
De Schattingscommissie incourante fondsen (gevestigd te 's-Gravenhage): adviseerde de inspecteurs van de Belastingdienst m.b.t. de in aanmerking te nemen waarde van effecten voor de vermogensaanwasbelasting;
De Commissie van Advies (m.b.t. herkapitalisatie van vennootschappen i.v.m. de heffing van de superdividendbelasting): adviseerde in de periode 1941-1950 de Secretaris-Generaal resp. de minister van Financiën bij de behandeling van verzoeken om afgifte van verklaringen van geen bezwaar tegen herkapitalisatie van vennootschappen;
De Voorlopige Raad voor de waardering van onroerende zaken, v.a. 1993, Stb. 83: de voorlopige Waarderingskamer.
Periode: 1991-
De taak van de Voorlopige Raad betreft het adviseren m.b.t.: het formuleren van vakbekwaamheidseisen voor taxateurs van onroerende zaken, het opstellen van een waarderingsinstructie, het ontwikkelen van een procedure t.b.v. de controle voorafgaand aan en volgend op de waardebepaling van onroerende zaken, het ontwikkelen van de procedure voor de uitwisseling van gegevens tussen de colleges van B. en W. en de afnemers, de wijze van verrekening van de ter zake van de uitvoering van een op te stellen wet inzake de waardering van onroerende zaken aan de afnemers in rekening te brengen kosten, aangelegenheden die verband houden met de waardering van onroerende zaken eventueel door tussenkomst door andere ministers.
Andere ministers dan de minister van Financiën, colleges, instellingen en diensten:
De minister van Economische Zaken: betrokken bij bepalingen m.b.t. investeringsregelingen in de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting,
De minister van Binnenlandse Zaken: betrokken bij de regelgeving en uitvoering daarvan van een inkomstenbelasting o.g.v. het Besluit van 4-2-1941 Stb. 402, de ondernemingsbelasting, de personele belasting en van kanselarijleges,
De minister van Landbouw en Visserij: i.v.m. de rangschikking van landgoederen o.g.v. de Natuurschoonwet 1928,
De minister van Onderwijs Kunsten en Wetenschappen: i.v.m. de beoordeling of bepaalde voorwerpen onder de heffing van de Vermogensheffing Ineens vielen en m.b.t. de rangschikking van landgoederen o.g.v. de Natuurschoonwet 1928,
De minister van Opvoeding/Wetenschap en Kutuurbescherming/Kultuurbehoud: i.v.m. de rangschikking van landgoederen o.g.v. de Natuurschoonwet 1928,
De minister van Cultuur/Recreatie en Maatschappelijk Werk: i.v.m. de rangschikking van landgoederen o.g.v. de Natuurschoonwet 1928,
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid/ en Volksgezondheid: i.v.m. het aanwijzen van pensioen- en spaarregelingen voor de loonbelasting; i.v.m. investeringsbepalingen in de inkomstenbelasting en i.v.m. de inhouding van omzetbelasting door onderaannemers,
De minister van Verkeer en Waterstaat: i.v.m. bepalingen m.b.t. de heffing van motorrijtuigenbelasting,
De minister van Volkshuisvesting/Ruimtelijke Ordening en Milieuhygiëne/Milieubeheer/ Volksgezondheid: i.v.m. investeringsbepalingen in de inkomstenbelasting en het stellen van regels m.b.t. uitlaatgassen i.v.m. de heffing van omzetbelasting;
De minister van Marine: i.v.m. de heffing en afdracht van loonbelasting;
De minister van Buitenlandse Zaken te Londen: i.v.m. de verplichte inkomstenbelasting;
De minister/staatssecretaris van Justitie: i.v.m. de instelling van het Scheidsgerecht voor de Vermogensaanwasbelasting;
De ministers wie het aangaan: i.v.m. de heffing rechten van legalisatie van handtekeningen alsmede m.b.t. het aanwijzen van lichamen die vrijgesteld worden van de vereveningsheffing;
De Provincies (GS, PS): Gedeputeerde Staten i.v.m. de indeling van gemeenten voor de heffing van personele belasting en bepalingen ing. wegenbeheer en de verdeling van belastingopbrengsten uit de motorrijtuigenbelastingwet 1926; Provinciale Staten i.v.m. bepalingen ing. wegenbeheer en de verdeling van belastingopbrengsten uit de motorrijtuigenbelastingwet 1926;
De Raad van State, afd. geschillen van bestuur: in de periode 1941-1950 belast met advisering m.b.t. de behandeling van beroepen inzake de heffing van opcenten op de winstbelasting;
De Nederlandsche Bank: betrokken bij een gehouden onderzoek o.g.v. de Wet Rentesteekproef i.v.m. de heffing van inkomstenbelasting;
Het Nederlandsch Clearinginstituut: dit instituut verleende ontheffingen voor verschuldigde geblokkeerde markenbelasting;
Het Centraal Bureau voor de Statistiek: betrokken bij een gehouden onderzoek o.g.v. de Wet Rentesteekproef i.v.m. de heffing van inkomstenbelasting;
De Boschraad: belast met advisering bij de rangschikking van landgoederen o.g.v. de Natuurschoonwet 1928;
Het Hoofd van het Staatstoezicht op de Bosschen, 1943-1947: belast met advisering bij de rangschikking van landgoederen o.g.v. de Natuurschoonwet 1928;
De Directeur van Staatsbosbeheer, 1948-1989: belast met advisering bij de rangschikking van landgoederen o.g.v. de Natuurschoonwet 1928;
De Landbouwvoorlichtingsdienst: belast met de advisering bij de behandeling van verzoeken m.b.t. vrijstelling van vennootschaps-, ondernemings- en vermogensbelasting o.g.v. de Vrijstellingsbeschikking belasting lichamen.
De Rijksinspecteurs van het Verkeer, 1954-1968: belast met de inning van omzetbelasting van binnenschippers;
Rijks- en Provinciale Waterstaat: in de periode 1940-1966 o.g.v. de Motorrijtuigenbelastingwet 1926 belast met het opsporen van overtredingen;
De Notarissen: vanaf 1989 aangewezen om o.g.v. de Successiewet 1956 processen-verbaal op te maken i.v.m. de aangifte van verschuldigde rechten alsmede o.g.v. de Registratiewetten 1917 en 1970 aangewezen repertoria bij te houden van alle opgemaakte akten waardoor controle op de heffing van registratierecht mogelijk is;
De Tariefcommissie: belast met de behandeling van beroepen en bezwaren m.b.t. o.a. de omzetbelasting;
De Arrondissementsrechtbanken: belast met rechtspraak en het afgeven van machtigingen o.g.v. enige heffingswetten, de handelingen van deze actor zijn in dit BSD ondergebracht onder de vermelding: Actor: De Kantonrechtbanken/De (Kanton)rechter/ Arrondissementsrechtbanken e.d.;
De Kantongerechten in de arrondissementen: o.a. belast met de rechtspraak en het afgeven van verklaringen i.v.m. het openen van kisten i.v.m. het heffen van successierecht de handelingen van deze actor zijn in dit BSD ondergebracht onder de vermelding: Actor: De Kantonrechtbanken/De (Kanton)rechter/ Arrondissementsrechtbanken e.d.;
De deurwaarders van bij de rechterlijke colleges en kantongerechten: belast met het bijhouden van een register van opgemaakte akten o.g.v. de Registratiewet 1917, voor de vermelding in de selectielijst is gekozen voor de thans geldende benaming van de actor: Gerechtsdeurwaarder;
Het Scheidsgerecht voor de vermogensaanwasbelasting (centrale kamer en kamers in den lande): belast bet de behandeling van bezwaren tegen aanslagen voor de vermogensaanwasbelasting;
De Uitvoeringsorganen der sociale zekerheid: uitkeringsinstanties en bedrijfsverenigingen (bijv. Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid (Sociaal Fonds Bouwnijverheid), Gemeenschappelijk Administratiekantoor (GAK)); adviseren de minister van Financiën betreffende de bewaring van de loonboekhouding o.g.v. de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1972 en 1990;
De Rijkscommissaris voor het Bezette Nederlands gebied: de Rijkscommissaris had gedurende de bezetting de bevoegdheid belastingverordeningen af te kondigen.
3. Organisatie van het ministerie van Financiën en de Belastingdienst m.b.t. de belastingheffing
De heffing van rijksbelastingen wordt in wetgevende zin maar ook in uitvoerende zin binnen het ministerie van Financiën ondergebracht bij twee directoraten-generaal. Het leeuwendeel van de voorbereiding van de wetgeving op fiscaal terrein wordt door het Directoraat-Generaal der Fiscale Zaken gedaan. Het betreft niet alleen voornemens van wetgeving die door de staatssecretaris van Financiën aan het parlement worden voorgelegd maar ook begeleiding van door het Parlement voorgestelde maatregelen op fiscaal terrein. Het Directoraat-Generaal der Fiscale Zaken is ontstaan in 1950 toen een Directeur-Generaal in algemene dienst werd aangesteld. Voor die tijd werd deze taak verricht door het Hoofd van de Administratie der Rijksbelastingen.
De naoorlogse wetgevingsherzieningen vergden echter zoveel capaciteit dat een aparte functie wenselijk werd geacht. Het Hoofd van de Administratie der Rijksbelastingen werd vanaf 1950 ook de hoedanigheid van directeur-generaal toegekend. De naam Administratie Rijksbelastingen zou rond 1958 gewijzigd worden in Directoraat-Generaal der Rijksbelastingen. De Administratie en zijn opvolger hebben door de tijd heen zich met name met de uitvoering en het beleid ten aanzien de uitvoering bezig gehouden. Enerzijds wordt uitvoering gegeven aan bepalingen in de fiscale wetgeving, al dan niet op verzoek van de belastingbetaler die zich tot de overheid wendt, anderzijds bestaat een de taak voor een belangrijk deel uit het geven van aanwijzingen aan de Belastingdienst met betrekking tot de uitvoering van de fiscale wetgeving. Tenslotte verricht het tegenwoordige Directoraat-Generaal veel werkzaamheden met betrekking tot het organisatorische gedeelte t.a.v. de Belastingdienst.
Vanaf 1950 is de organisatorische opzet binnen het Directoraat-Generaal der Fiscale Zaken niet vaak ingrijpend veranderd. Vanaf 1960 bestaat binnen het Directoraat-Generaal de directie Algemene Fiscale Politiek die met name belast is met het volgen van, het inspelen op en het ontwikkelen van de te voeren belastingpolitiek. De directie is op vele terreinen op het fiscale vlak te beschouwen als een soort `denktank'. In 1974 werden de taken met betrekking tot wetgevingszaken op het gebied van de verbruiksbelastingen en de douane uit elkaar gehaald en verdeeld over twee directies. In 1993 ziet een nieuwe organisatie-eenheid het licht die zich bezig gaat houden met de voorbereiding en studie naar wetgeving op het gebied de heffing van belastingen op milieugrondslag. Thans ressorteert deze onder de Afdeling Verbruiksbelastingen van het ministerie van Financiën.
Binnen de organisatorische opzet van de Administratie der Belastingen en, later, het Directoraat-Generaal der Belastingen zijn wat meer wijzigingen in de periode 1940-1989 waar te nemen. In 1940 bestond de Administratie uit 6 afdelingen die samen met de Belastingdienst en de Belastingacademie de organisatie compleet maakten. De afdelingen (later directies) Personeel van de Belastingdienst, Organisatie van de Belastingdienst, Directe Belastingen en tenslotte Indirecte Belastingen zijn, hoewel wel taken en de daaronder ressorterende bureau's zich wijzigden, tussen 1940 en 1989 blijven bestaan. Ook de afdelingen die uitvoering gaven aan de wetgeving op het gebied van verbruiksbelastingen (accijnzen) en douane (invoerrechten) zijn in die periode, zij het onder taak- en naamswijzigingen en al dan niet samengevoegd blijven bestaan.
In 1949 waren dat 9 afdelingen plus de Belastingdienst en de Belastingacademie. Vanaf 1949 tot 1979 bestond de afdeling/directie Algemene Juridische Zaken van de Belastingdienst. De taken van deze afdeling/directie vormden samen met een deel van de taken van de directie Directe Belastingen (invorderingszaken) de basis voor de in 1979 opgerichte afdeling, v.a. 1980 directie, Algemene Fiscale Zaken die ook een groot deel van internationale inlichtingen en bijstandszaken in het takenpakket heeft.
In de periode 1948-1956 maakt ook de afdeling Domeinen deel uit van de Administratie. De Dienst van het Kadaster en Hypotheken blijft in de periode 1948 tot 1970 onder de organisatie van de Administratie/Directoraat-Generaal horen. Na een periode waarin de dienst organisatorisch elders werd ondergebracht binnen het ministerie van Financiën wordt de dienst in de jaren '70 overgeheveld naar het ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening.
Tot 1983 werd de Belastingdienst bestuurd volgens het principe van management by instruction: d.m.v. resoluties e.d.. Na 1983 krijgen de belastingeenheden meer vrijheid om binnen bepaalde kaders hun beleid uit te stippelen. Zo worden er budgetten vastgesteld. Of dat beleid goed is wordt gecontroleerd door de Interne accountantsdiensten van de Belastingdienst. Uiteindelijk velt de directeur en als hoogste baas de Directeur-Generaal een oordeel. Dit kan ook omschreven worden als management by contention. Richtlijnen worden gegeven in een zgn. management-letter.
De Belastingdienst is belast met de uitvoering van de belastingwetten. Zo krijgt men tot het begin van de jaren negentig voor de heffing te maken met een van de vele inspecties, voor de inning krijgt men van doen met de ontvangers. De controle is in handen van de bureaus van Rijksaccountantsdienst. Vanaf 1990 wordt een nieuwe organisatiestructuur opgebouwd. Middels integratie van processen brengt men de heffing, controle en invordering binnen één kantoor. Men gaat over van de indeling naar soorten van belasting naar een meer klantgerichte indeling. De Belastingdienst is o.g.v. de verschillende fiscale wetten bevoegd tot het verrichten van allerlei activiteiten verband houdende met de heffing van belastingen. Hieronder worden ook teruggaven, het verlenen van vrijstellingen e.d. begrepen. Tot 1 januari 1993 is de Belastingdienst ook de instantie die de gemeentelijke belastingen heft. Veelal monden de procedures die de Belastingdienst volgt uit in een beschikking. Andere belangrijke onderdelen van de Belastingdienst zijn het Laboratorium, waar monsters van in te voeren goederen worden geanalyseerd, dat evenals de Centrale Douane-administratie en het Douane-informatiecentrum ressorteert onder de directie Rotterdam. Beide onderdelen spelen een rol bij de handelingen die opgenomen zullen worden in de PIVOT-rapportage dat verslag doet van het onderzoek naar het (deel)terrein douane en accijnzen. Het onderdeel genaamd de FIOD die belast is met de opsporing van overtredingen van de belastingwetten en inlichtingen verzamelt die belangrijk zijn bij het uitvoeren van de belastingwetten. Opleidingen ten behoeve van de Belastingdienst worden vanuit Utrecht georganiseerd en het Automatiseringscentrum bevindt zich in Apeldoorn. Vanuit Apeldoorn worden vele aanslagen geautomatiseerd verzonden. Ook het Centraal Bureau Motorrijtuigenbelasting opereert vanuit Apeldoorn.
4. Doelstelling bij het selecteren
De selectie richt zich voornamelijk op de organen van de overheid, voor zover de organen vallen onder de werking van de Archiefwet 1995. De Archiefwet definieert dit in artikel 1, sub b als volgt:
1. een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, of
2. een ander persoon of college met enig openbaar gezag bekleed.
De hoofddoelstelling van de selectie is een onderscheid te maken tussen te bewaren en te vernietigen gegevens. De `te Bewaren' gegevens zullen een `reconstructie van het overheidshandelen op hoofdlijnen ten opzichte van zijn omgeving' mogelijk moeten maken. Hieronder valt ook het handelen van het ene orgaan of commissie ten opzichte van andere organen. Zoals de minister van WVC bij de behandeling van de nieuwe Archiefwet in de Tweede Kamer (13-4-1994) heeft gemeld is het onderhavige BSD opgesteld tegen de achtergrond van de selectiedoelstelling van de Rijksarchiefdienst/PIVOT, die luidt: het mogelijk maken van de reconstructie van het overheidshandelen op hoofdlijnen. Door het Convent van rijksarchivarissen is deze doelstelling vertaald als het selecteren van handelingen van de overheid om bronnen voor de kennis van de Nederlandse samenleving en cultuur veilig te stellen voor blijvende bewaring.
5. De gewaardeerde handelingen
Het in kaart brengen van de handelingen in het rapport `Belastingen: de geheiligde schuld' is gedaan op basis van het 'Logisch Model' dat ontwikkeld is door drs. M. Beekhuis en drs. H.G. Oost. Dit model heeft als doel onderzoeken mogelijk te maken waarin het handelen van de overheid ten opzichte van haar omgeving kan worden weergegeven. Als definitie van de term `handeling' wordt gehanteerd: een complex van activiteiten, gericht op de omgeving, voor de verrichting waarvan een orgaan op grond van attributie of delegatie verantwoordelijkheid draagt en die door dat orgaan worden verricht of die onder verantwoordelijkheid van het orgaan door mandatering door een of meerdere organisaties of organisatieleden worden verricht.
Een aantal handelingen die opgenomen zijn in dit BSD wijst terug naar reeds eerder in de PIVOT-rapportage `Belastingver(h)effend' in kaart gebrachte handelingen en dus ook naar het naar aanleiding van dat rapport samengestelde BSD. Ten eerste omdat daarmee de onderlinge samenhang tussen de algemene wet- en regelgeving op het gebied van het heffen en invorderen van belastingen en die van de specifieke heffingswetten daarmee tot uitdrukking gebracht wordt ten tweede omdat daarmee uitdrukking gegeven wordt aan het uitgangspunt dat bij de latere selectie van gegevens de ordening van die gegevens, materieel gezien, bij elkaar geplaatst dienen te worden.
De indeling die in het rapport `Belastingen: de geheiligde schuld' gevolgd wordt is een indeling waarin de opsomming van handelingen hoofdzakelijk wordt toegedeeld naar 1) Belastingen van Inkomsten, winst en vermogen, vervolgens naar soort belasting; 2) Kostprijsverhogende belastingen, vervolgens naar belastingsoort; en 3) daarnaast enkele minder omvangrijke rubrieken. In dit BSD worden de handelingen echter primair toegedeeld naar de actoren die die handelingen verrichten en vervolgens is bij de onderverdeling de volgorde van het rapport aangehouden. In dit BSD is echter geen opsomming van (alle) producten die uit een handeling voortkomen opgenomen maar wordt volstaan met de aanduiding van 1) het nummer van de handeling (komt overeen met de nummering in het rapport), 2) de omschrijving van de handeling, 3) de periode waarbinnen de handeling verricht is/wordt met daarbij, indien bekend, een aanduiding van organisatieonderdelen, en 4) de grondslag of bron van het handelen en 5) de waardering van die handeling met daarbij, indien de handeling als te bewaren aangemerkt wordt, een aanduiding op grond van welk selectiecriterium een handeling als te bewaren is gewaardeerd.
Bij de handelingen die een uitvoerend karakter hebben en die mogelijk als te vernietigen zijn aangemerkt dient aangetekend te worden dat het selectiecriterium nummer 6 (zie de opgenomen lijst gehanteerde criteria) voor individuele gevallen van verrichting van die handelingen in aanmerking toegepast kan worden, in uitzonderlijke omstandigheden kan het voorkomen dat vanwege administratieve redenen de vernietigingstermijn opgeschort wordt.
De handelingnummers 291, 801 t/m 825 zijn niet gebruikt (het hoofdstuk kanselarijrechten is vervallen omdat dit een retributie is die van oudsher bij het ministerie van Buitenlandse Zaken hoort en waarvan niet vaststond of hij onder art. 104 van de grondwet te vatten is als zijnde een rijksbelasting/-heffing). Daar gedurende het overlegproces handelingen zijn toegevoegd is de nummering niet meer aaneensluitend. Hiervoor zijn de nummer 903 t/m 914 tussengevoegd.
6. De gehanteerde selectiecriteria
Voor het waarderen van de handelingen die de verschillende actoren verrichten is gebruik gemaakt van door de Rijksarchiefdienst/PIVOT geformuleerde criteria. Het zijn geen specifiek op een beleidsterrein toegesneden criteria. De formulering is er op gericht dat voor alle handelingen die gewaardeerd worden een zo objectief mogelijke afweging gemaakt kan worden. Overigens wordt de formulering van specifieke selectiecriteria niet uitgesloten. Hierna is in een schematische opstelling weergegeven welke selectiecriteria zijn gehanteerd. Het schema geeft weer hoe de criteria geformuleerd zijn en geven toelichting op de verschillende criteria en tenslotte is per criterium weergegeven wat de mogelijke neerslag die onder dat criterium thuishoort zou kunnen zijn, maar deze opsomming is niet uitputtend. Bij deze criteria dient nog aangetekend te worden dat ingevolge artikel 5, onder e, van het Archiefbesluit 1995 neerslag van bepaalde, als te vernietigen gewaardeerde handelingen betreffende personen en/of gebeurtenissen van bijzonder cultureel of maatschappelijk belang, van vernietiging uitgezonderd kan worden.
Bij de toetsing van de selectielijst door de vertegenwoordiger van het KNHG is gewezen op de bijzondere periode 1940-1945. Om tegemoet te komen aan het bijzondere karakter van neerslag uit die periode zijn de met V gewaardeerde handelingen in deze selectielijst voorzien van de periodeaanduiding 1945-.... zodat neerslag van mogelijk te vernietigen handelingen die in de periode 1940-1945 valt buiten de selectie blijft. Eerder verzocht ook de Algemeen Rijksarchivaris deze mogelijke neerslag van vernietiging uit te zonderen en zo snel mogelijk naar het Algemeen Rijksarchief over te brengen. Alle handelingen die geheel binnen de oorlogsperiode vallen hebben de waardering bewaren gekregen.
Handelingen die worden gewaardeerd met B(ewaren)
Selectiecriterium: 1. Handelingen die betrekking hebben op beleidsvoorbereiding, -bepaling en -evaluatie
toelichting: 1. Beleidsbepaling komt tot stand via parlementaire behandeling
2. Hieronder tevens begrepen handelingen gericht op politieke besluitvorming of waarbij een belangenafweging plaatsvindt.
3. Hieronder worden handelingen gericht op het sluiten van internationale verdragen en uitvoeringsregelingen
neerslag: Wetgevingsprocessen, beleidsformuleringsprocessen, processen m.b.t. het sluiten van internationale verdragen en overeenkomsten of uitvoeringsregelingen
Selectiecriterium: 2. Handelingen gericht op externe verantwoording en/of verslaglegging
toelichting: Verslaglegging naar andere actoren over het gevoerde beleid
neerslag: Jaarverslagen, jaarlijkse (voorgeschreven) controlerapporten
Selectiecriterium: 3. Adviezen gericht op de hoofdlijnen van het beleid
toelichting: Adviezen die gebruikt kunnen worden bij beleidsvoorbereiding, -bepaling of -evaluatie
neerslag: Adviezen en rapportages van commissies en overlegorganen.
Selectiecriterium: 4. Handelingen gericht op het stellen van regels direct gerelateerd aan de hoofdlijnen van het beleid
toelichting: Hieronder ook begrepen pseudo-wetgeving
neerslag: Ministeriële regelingen niet op een of enkele objecten of subjecten gerichte kb's en amvb's of uit wetgeving voortkomende nadere regelgeving.
Hieronder wordt ook begrepen pseudo-wetgeving middels aanschrijvingen of resoluties
Selectiecriterium: 5. Handelingen gericht op de (her)inrichting van de beleidsorganisatie, belast met primaire bedrijfsprocessen
neerslag: Reorganisatieprocessen, instelling en opheffing van beleidsorganen en directies
Selectiecriterium: 6. Uitvoerende handelingen die onmisbaar zijn voor de reconstructie van het overheidshandelen op hoofdlijnen
toelichting: 1. Hieronder worden begrepen handelingen die bepalend zijn voor de wijze waarop de uitvoering plaatsvindt en die direct gerelateerd zijn aan de hoofdlijnen van het overheidshandelen.
2. Hieronder worden ook begrepen precedenten of producten t.o.v. de omgeving die tot stand zijn gekomen in afwijking van gereglementeerde en voorgeschreven criteria of in bepaalde mate voorbeeldgevend zijn voor de uitvoering van de handeling
neerslag: Het 'beleidsarchief' van uitvoerende organisatie-eenheden.
Beschikkingen die van invloed zijn op de toekomstige uitvoering van die handeling
Selectiecriterium: 7. Uitvoerende handelingen die het algemeen democratisch functioneren mogelijk maken
toelichting: Hieronder begrepen de handelingen van Hoge Colleges van Staat, het beantwoorden van kamervragen
neerslag: Kroonbeschikkingen en adviezen van de Raad van State, Algemene Rekenkamer e.d.
Selectiecriterium: 8. Uitvoerende handelingen die onttrokken zijn aan democratische controle en direct zijn gerelateerd aan hoofdlijnen van beleid
toelichting: Hieronder worden ondermeer begrepen handelingen waarop de WOB niet van toepassing is.
Selectiecriterium: 9. Uitvoerende handelingen die direct zijn gerelateerd aan en/of direct voortvloeien uit voor Nederland bijzondere tijdsomstandigheden en incidenten
toelichting: Hierbij moet worden gedacht aan handelingen verricht in het kader van de Tweede Wereldoorlog, de politionele acties, de watersnoodramp van 1953, de gijzelingsacties e.d.
Voor wat betreft de selectie van neerslag van handelingen die betrekking hebben op de interne werking van organen (de huishouding van de organen zoals financiën) kan verwezen worden naar de waardering van die handelingen die opgenomen zijn in het basis-selectiedocument dat voortvloeit uit het institutionele onderzoeksrapport `Per slot van Rijksrekening'.
Indien bij daadwerkelijke selectie van neerslag met behulp van dit selectie-instrument neerslag aangetroffen wordt die een nieuw of aanvullen licht werpen op het handelen van een actor dient deze lijst aangevuld te worden en de archiefwettelijke procedure m.b.t. de vaststelling hiervan gevolgd te worden.
Selectielijst voor het beleidsterrein belastingen: heffingswetten op het gebied van belastingen naar inkomen, winst en vermogen en van kostprijsverhogende belastingen, met uitzondering van de invoerrechten en accijnzen, periode: 1940-
1. actor: de secretaris-generaal (1940-1945)/de minister van Financiën
Nummer: 1
Handeling: Het op verzoek verstrekken van informatie/inlichtingen m.b.t. de heffing en invordering van belastingen op grond van de belastingwetten en over de werkzaamheden van de Belastingdienst.
Periode: 1945-...: DGBel./DGFZ en de directie Voorlichting
Grondslag: Grondwetten 1938, 1948, 1953, 1956/1963 en 1972: art. 8, Grondwet 1983, art. 5,
Waardering: V, termijn: 5 jaar na verstrekking
10 jaar indien het politiek gevoelige onderwerpen betreft
Nummer: 2
Handeling: Het vervaardigen en uitgeven van voorlichtingsmateriaal m.b.t. de organisatie, wijze en veranderingen op het gebied van het heffen van belastingen ingevolge de belastingwetten.
Periode: 1945-...: Dir. Voorlichting/DGBel./OvdB
Grondslag: *
Waardering: V, termijn: 10 jaar na verspreiding
Nummer: – zie handeling 2 `Belastingver(h)effend'
Handeling: Het (mede-) voorbereiden, wijzigen en intrekken van wetten m.b.t. de heffing van rijksbelastingen.
Periode: 1945-1950: Adm. Rijksbel.
1950-1994: DGFZ
Grondslag: Grondwet art. 104 v.a. 1983/1987, art. 188 v.a. 1972, art. 181 v.a. 1948, art. 175 v.a. 1938,
Nummer: – zie handeling no. 3 `Belastingver(h)effend'
Handeling: Het mede-voorbereiden, wijzigen en intrekken en adviseren inzake bepalingen m.b.t. het heffen en invorderen van belastingen en andere heffingen in wet- en regelgeving die als eerstverantwoordelijke door andere ministeries opgesteld worden, alsmede advisering over ministerraadstukken hierover.
Periode: 1945-1950: Adm. Rijksbel.
1950-...: DGFZ
Grondslag: Grondwet art. 104 va. wijz. 1983/1987, art. 188 v.a. 1972, art. 181 v.a. 1948, art. 175 v.a. 1938
Nummer: 3
Handeling: Het opstellen van nota's, verrichten van studies i.v.m. het formuleren van het algemene beleid m.b.t. het heffen van belastingen van rijkswege.
Periode: 1945-...
Grondslag: Grondwet, art. 104 va. wijz. 1983/1987, art. 188 v.a. 1972, art. 181 v.a. 1948, art. 175 v.a. 1938,
Waardering: B, 1
Nummer: 903
Handeling: Het behandelen van verzoeken om inlichtingen van eenvoudige aard m.b.t. de uitvoering van de belastingwetten naar aanleiding van door belangenverenigingen en particulieren gestelde vragen aan de Vaste Kamercommissies van de Staten Generaal over in individuele gevallen genomen beslissingen.
Periode: 1945-...
Grondslag: *
Waardering: V, termijn: 10 jaar
Nummer: 904
Handeling: Het behandelen van verzoeken om inlichtingen m.b.t. de toepassing van de belastingwetten naar aanleiding van door belangenverenigingen en particulieren gestelde vragen aan de Vaste Kamercommissies van de Staten Generaal en welke een algemene strekking hebben of politiek gevoelige onderwerpen betreffen.
Periode: 1945-...
Grondslag: *
Waardering: B, 6
Nummer: – zie handeling 6 `Belastingver(h)effend'
Handeling: Het (mede-)opstellen, wijzigen en intrekken van maatregelen/besluiten en uitvoeringsvoorschriften (voor zover niet voortkomend uit de zgn. heffingsbesluiten) ingevolge uitgevaardigde Verordeningen en Wetten m.b.t. de heffing van belastingen dan wel van bepalingen in Besluiten opgemaakt onder verantwoordelijkheid van een ander ministerie.
Periode: 1940-1945: Admin. Rijksbel.
Grondslag: Verordening no. 3/1940 en Verordening no. 23/1940
Nummer: 5
Handeling: Het houden van toezicht en het treffen van maatregelen t.a.v. belastingconsulenten.
Periode: 1945-...: Adm. Rijksbel./DGBel./AJZ/AFZ
Grondslag: *
Waardering: V, termijn: 10 jaar na effectuering toezicht of het vervallen van genomen maatregelen t.a.v. individuele consulenten
Handelingen betreffende raden, stuurgroepen, commissies en werkgroepen
Nummer: 6
Handeling: Het (mede-)voorbereiden, wijzigen en intrekken van Wetten/Besluiten houdende instelling, wijziging en opheffing van colleges/raden van advies in zaken van wetgeving en bestuur van het Rijk.
Periode: 1945-...: Adm. Rijksbel./DGBel./DGFZ
Grondslag: Grondwet 1938 en 1948: art. 80, Grondwet 53, 1956/1962 en 1972: art. 87, Grondwet 1983: art. 79,
Waardering: B, 5
Nummer: – zie handeling nr. 157 `Belastingver(h)effend'
Handeling: Het instellen en opheffen van (interdepartementale) commissies en werkgroepen en het verzoeken tot het verrichten van onderzoeken op fiscaal terrein.
Periode: 1945-...: Adm. Rijksbel./DGBel./DGFZ./ o.a. Afd. Personeel
Grondslag: *
De instelling van commissies en werkgroepen gebeurt uit hoofde van de bevoegdheid van een minister m.b.t. een bepaald beleidsterrein.
Nummer: 8
Handeling: De ontvangst van (tussentijdse) rapporten en adviezen van ingestelde (interdepartementale) commissies en werkgroepen.
Periode: 1945-...
Grondslag: *
Waardering: B, 3
Nummer: 9
Handeling: Het benoemen, schorsen en ontslaan van leden van (interdepartementale) commissies en werkgroepen alsmede het doen van voordrachten hiertoe.
Periode: 1945-...
Grondslag: *
Deze handeling komt voort uit de algemene bevoegdheid van een minister. Vaak is het recht tot het doen van voordrachten ook neergelegd in Instellingsbeschikkingen, Reglementen, Statuten e.d.
Waardering: V, termijn: 75 jaar na geboortedatum
Nummer: 19
Handeling: Het goedkeuren van ingediende begroting voor de kosten van de commissie.
Periode: 1985-1986
Grondslag: Beschikking nr. 085-2500, Stcrt. 23-9-1985 nr. 184, betr. instelling van een commissie tot vereenvoudiging van de loonbelasting en de inkomstenbelasting, `Commissie Oort', art. 9.2,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na goedkeuring/vaststelling
Nummer: 22
Handeling: Het vragen van adviezen aan de Stuurgroep Onroerendgoedbelastingen omtrent aangelegenheden welke verband houden met de heffing van onroerendgoedbelastingen.
Periode: 1985-1991
Grondslag: Beschikking nr. 585-25890, instelling Stuurgroep Onroerend-goedbelastingen, art. 1,
Waardering: B, 3
Nummer: 27
Handeling: Het (her)benoemen, schorsen of ontslaan van leden van de Stuurgroep op voordracht van de ministers van VROM en Binnenlandse Zaken en van de Ver. van Ned. Gemeenten.
Periode: 1985-1991
Grondslag: Beschikking nr. 585-25890, instelling Stuurgroep onroerend-goedbelastingen, art. 2,
Waardering: V, termijn: 75 jaar na geboortedatum
Nummer: 35
Handeling: Het goedkeuren van door de commissie voor de belastingherziening voorgelegde begrotingen voor de kosten van de werkzaamheden en de goedkeuring van de rekening en verantwoording hierover.
Periode: 1990-1991
Grondslag: Beschikking van 4 april 1990 nr. AFP90/110, houdende instelling van een commissie voor de belastingherziening, `Commissie Stevens', art. 10.2.3,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na goedkeuring/vaststelling
Nummer: 41
Handeling: Het benoemen, schorsen en ontslaan al dan niet op eigen verzoek en de Raad gehoord van de voorzitter, leden en adviserende leden van de Raad voor de waardering van onroerende zaken en van de secretaris en het overige personeel van het secretariaat.
Periode: 1991-...: DGFZ-WV
Grondslag: Besluit van 7 november 1991, Stb. 565, art 3.1.5, 4, 7.2,
Waardering: V, 75 jaar na geboortedatum
Nummer: 47
Handeling: Het goedkeuren van de jaarlijkse begroting van de Raad voor de waardering van onroerende zaken.
Periode: 1991-...:DG..
Grondslag: Besluit van 7 november 1991, Stb. 565, art. 6,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na goedkeuring
Nummer: 50
Handeling: Het vaststellen en uitkeren van vergoedingen voor degenen die niet uit hoofde van hun ambt zitting hebben in de Raad voor de waardering van onroerende zaken of haar commissies.
Periode: 1991-...:DG...
Grondslag: Besluit van 7 november 1991, Stb. 565, art. 9,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na vaststelling en 10 jaar na uitbetaling
Handelingen ingevolge interne regelgeving
Nummer: – zie handeling 172 `Belastingver(h)effend'
Handeling: Het behandelen van, geven van machtigingen m.b.t. afhandeling van en het adviseren over ingevolge aanschrijvingen, instructies en leidraden betrekking hebbende op specifieke heffingswetten voorgelegde zaken m.b.t. de heffing van belastingen.
Periode: 1945-...: DGBel./alle directies/DGFZ
Grondslag: Verschillende aanschrijvingen, instructies en leidraden (interne regelgeving t.b.v. de Belastingdienst)
Nummer: – zie PIVOT-rapportage `Belastingver(h)effend' handeling no. 170
Handeling: Het geven wijzigen en intrekken van ambtelijke voorschriften en aanwijzingen aan de belastingadministratie.
NB
Deze handeling is ook opgenomen in het rapport `belastingver(h)effend' maar geldt ook voor de heffingswetten en betekent dat de Minister bevoegd is zijn belastingadministratie vanuit zijn bestuursverantwoordelijkheid aanwijzingen te geven. Deze aanwijzingen worden ook wel pseudo-wetgeving genoemd waarop de belastingplichtige, indien publicatie heeft plaatsgevonden, aanspraken en rechten kan ontlenen. De handeling is dus eigenlijk (materieel gezien te scharen onder die in het genoemde rapport.
Periode: 1945-...: DGFZ/DGBel.
Grondslag: *
Nummer: 905
Handeling: Het in Belastingdienstverband op landelijk niveau in verschillende overlegvormen maken van afspraken, evalueren en instrueren m.b.t. het te voeren beleid m.b.t. de uitvoering van de belastingwetten en het functioneren van de Belastingdienst.
Periode: 1945-...: DGFZ/DGBel.
Grondslag: *
Waardering: B, 4
Handelingen van wetten die aanvulling van meerdere belastingwetten beogen
Belastingherziening 1947 en 1950
NB Enige specifiek op de loonbelasting betrekking hebbende handelingen zijn geplaatst bij de opsomming m.b.t. die belasting.
Nummer: 54
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van uitvoeringsbepalingen t.a.v. deze wet.
Periode: 1947-1950: Adm. Rijksbel./DB
1950-...: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet Belastingherziening 1947, art. 13,
Waardering: B, 4
Nummer: 55
Handeling: Het stellen, wijzigen en intrekken van voorwaarden m.b.t. de waardering van de fiscale boekwaarde bedrijfsmiddelen voor de inkomstenbelasting bij overgang van een bedrijfsvermogen.
Periode: 1950-1991: Adm. Rijksbel./DGFZ/DB-WDB
Grondslag: Wet Belastingherziening 1950, art. 2.4c,
Waardering: B, 4
Nummer: 58
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van voorschriften ter uitvoering van de wet.
Periode: 1951-...
Grondslag: Wet op de herkapitalisatie 1951, art. 5.1,
Waardering: B, 4
Nummer: 59
Handeling: Het afwijzen of toewijzen van verzoeken om in bijzondere gevallen waarin middels uitdeling van dividend het kapitaal van een vennootschap vergroot wordt dan wel uitdeling in contanten geschiedt de heffing van inkomstenbelasting naar een ander tarief te doen.
Periode: 1951-...
Grondslag: Wet op de Herkapitalisatie 1951, art. 5.2,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 61
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van maatregelen ter uitvoering van de wet.
Periode: 1958-...
Grondslag: Wet op de herkapitalisatie 1957, art. 4,
Waardering: B, 4
Nummer: 62
Handeling: Het afwijzen of toewijzen van verzoeken om in bijzondere gevallen af te wijken van:
1. het tarief van de inkomstenbelasting die geheven wordt over dividend dat in aandelen of in contanten uitgedeeld wordt ter vergroting van het kapitaal der vennootschap.
2. het tarief van de inkomstenbelasting die geheven wordt over dividend voordat die in aandelen wordt uitgekeerd indien de vennootschap teruggaaf doet van gestort kapitaal nadat tevoren het maatschappelijk kapitaal door wijziging van de akte van oprichting is gewijzigd dan wel eigen aandelen middellijk of onmiddellijk verkrijgt,
3. verhoging van de aanslag in de vennootschapsbelasting welke opgelegd wordt na uitdeling van dividend in contanten of in aandelen.
Periode: 1958-...: DGBel.
Grondslag: Wet op de herkapitalisatie 1957, art. 4,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Wet van 7 augustus 1953, Stb. 400, houdende fiscale tegemoetkomingen in verband met de watersnoodramp
Nummer: 64
Handeling: Het vaststellen van een tijdstip na 31 januari 1953 waarop vrijstelling van omzetbelasting op de toegang tot sportwedstrijden, muziekuitvoeringen en theatervoorstellingen waarvan tenminste de helft van de toegangsprijs aan het Nationaal Rampenfonds wordt afgedragen en van tabaksaccijns van artikelen die om niet aan het Nationaal Rampenfonds en het Nederlandse Rode Kruis worden geleverd wordt ingetrokken.
Periode: 1953-..?..
Grondslag: Wet van 7 augustus 1953, art. 9,
Periode: 1953-..?..
Waardering: B, 4/9
Inkomsten-, loon- en vermogensbelasting
Wet van 16 augustus 1951, Stb. 378, tot wijziging van het Besluit op de inkomstenbelasting 1941, het Besluit op de Loonbelasting 1940 en de Wet op de vermogensbelasting 1892.
Nummer: 65
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van ministeriële regelingen ter uitvoering van de wet.
Periode: 1951-1965
Grondslag: Wet van 16 augustus 1951, art. 5.2,
Waardering: B, 4
Wet van 9 april 1959, Stb. 146, tot wijziging van de inkomstenbelasting en van de loonbelasting
Nummer: 66
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van een wet houdende het tijdstip van inwerkingtreding van de wet.
Periode: 1959:DGFZ/WDB
Grondslag: Wet van 9 april 1959, Stb. 146, art. III,
Waardering: B, 1
Wet van 28 december 1960, Stb. 568, houdende verlaging van de inkomstenbelasting en de loonbelasting
Nummer: 67
Handeling: Het opstellen van een wet waarbij het tijdstip bepaald wordt waarop de loonbelastingtabellen vervangen worden door die die de minister o.g.v. dit artikel opstelt.
Periode: 1960-1961: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet van 28 december 1960, art. III,
Waardering: B, 1
Wet van 10 februari 1965, Stb. 72, tot verlaging van de inkomstenbelasting en van de loonbelasting
Nummer: 68
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van een AMVB houdende bepalingen, dat tot een bepaald loon dat voor de onderscheidene tariefgroepen verschillend kan zijn, de inhouding van de (loon-) belasting, verschuldigd volgens de loonbelastingtabel, geheel of ten dele niet plaats vindt.
Periode: 1965- : DGFZ/WDB
Grondslag: Wet van 10 februari 1965, Stb. 72, art. IV.5,
Waardering: B, 4
Wet van 3 mei 1971, Stb. 287, houdende aanpassing van de fiscale wetgeving i.v.m. de regeling van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Nummer: 69
Handeling: Het voorbereiden van een Koninklijk Besluit houdende het tijdstip van inwerkingtreding van de wet.
Periode: 1971: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet van 3 mei 1971, Stb. 287, art. XLV,
Waardering: B, 4
Nummer: – zie voor deze handeling het hoofdstuk inz. inkomstenbelasting ingevolge de
Wet van 15 augustus 1955, Stb. 370, houdende wijziging van de inkomstenbelasting, van de loonbelasting en van de vennootschapsbelasting.
Handeling: Het opstellen en wijzigen van een tabel waarin uitgewerkt wordt wat aan inkomstenbelasting verschuldigd is door personen met een zuiver inkomen van f15.000,- of meer en die in tariefgroep III vallen.
Periode: 1955-1964:DGFZ/WDB
Grondslag: Wet van 15 augustus 1955, art. I,
Handelingen belastingen naar inkomen, winst en vermogen
Besluit van den Secretaris-Generaal van het Departement van Financiën van 5 december 1940 betreffende de loonbelasting, VB 224, b.w. per 1-7-1965 bij Wet 16 december 1964 Stb. 514.
Nummer: 70
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van (bindende) regels:
1. betreffende de geldswaarde, welke aan bepaalde inkomsten, die anders dan in geld worden genoten, moet worden toegekend.
2. houdende voorschriften nodig tot aanvulling en uitvoering van het Besluit.
3. houdende afwijkende voorschriften ter vergemakkelijking van de heffing van de belasting of van de controle op de heffing van de belasting;
4. houdende nadere voorschriften m.b.t. de verlening van ontheffing om dubbele belastingen op de aanslag te voorkomen.
Periode: 1945-1950: Adm. Rijksbel./DB
1950-1965: DGFZ/WDB
Grondslag: Besluit op de Loonbelasting 1940, art.
1. 5.2, vervallen bij wijz. Wet 24-12-1953 Stb. 589.
2+3 31.1a en b,
4. 42,
Waardering: B, 4
Nummer: 71
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van een ministeriële regeling:
1. betreffende het bepalen dat (aanspraken op) uitkeringen, en premies die daarvoor bestemd zijn, niet tot het regelmatige loon behoren alsmede dat gratificaties, verstrekkingen tot dekking van bijzondere kosten en uitkeringen door derden, welke niet voor een belangrijk deel door de werkgever bekostigt worden, wel/niet tot het loon gerekend worden m.b.t. de heffing van loonbelasting.
2. houdende bepalingen dat fooien en prestatiën van derden in bepaalde gevallen of groepen van gevallen geacht wordt te zijn genoten evt. dat een bepaald deel niet onder het loon wordt gerekend.
3. nopens de waardering van aanspraken en van ander niet in geld genoten loon.
4. m.b.t. het aan een werkgever opdragen het loon, dat zijn werknemers al dan niet door zijn tussenkomst van een door de minister aangewezen andere werkgever of derde ontvangen als door hem verstrekt loon aan te merken.
5. m.b.t. het aan een werkgever opdragen de loonbelasting te berekenen over het gezamenlijk bedrag van het loon dat zijn werknemers van hem en van een door de minister aangewezen werkgever genieten, en op de aldus berekende loonbelasting de door de andere werkgever ingehouden belasting in mindering te brengen.
6. betreffende het vaststellen, wijzigen en intrekken van bedragen, welke de bedragen vervangen die in dit Besluit worden genoemd, welke in mindering gebracht worden voor kinderen.
7. m.b.t. de beoordeling of een kind in belangrijke mate op kosten van de werknemer wordt onderhouden en of een kind buiten staat zal zijn om de helft te verdienen van hetgeen lichamelijk en geestelijk gezonde kinderen, die overigens in gelijke omstandigheden verkeren, kunnen verdienen.
Periode: 1953-1965: DGBel./DB
Grondslag: Besluit op de Loonbelasting 1940,
1. art. 6.2 v.a. Wijz. Wet van 24-12-1953 Stb. 589,
2. 6a v.a. Wijz. Wet d.d. 24-12-1953 Stb. 589
3. 6B v.a. Wijz. Wet d.d. 24-12-1953 Stb. 589
4. 7.5a v.a. Wijz. Wet d.d. 24-12-1953 Stb. 589
5. 7.5b v.a. Wijz. Wet d.d. 24-12-1953 Stb. 589
6. art. 8.8 v.a. wijz. Wet 9-4-1959 Stb. 146; gewijzigd bij wijz. Wet d.d. 26-4-1962 Stb. 163 in art. 8.11,
7. 8.8 v.a. wijz. Wet d.d. 26-4-1962 Stb. 163
Waardering: B, 4
Nummer: 72
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van AMVB's:
1. houdende regels waaraan spaarregelingen -niet zijnde pensioenregelingen- die ten doel hebben de bevordering van duurzaam bezit van de werknemers d.m.v. a) besparingen van werknemers welke door hun werkgever zijn ingehouden en van uitkeringen welke door hun werkgever naar gelang van de besparingen worden gedaan (premiespaarregeling); en d.m.v. b) van uitkeringen door de werkgever naar gelang zijn winst of van aan anderen toekomende winstuitkeringen (winstdelingsspaarregelingen); dienen te voldoen
2. houdende aanwijzingen waarop uitkeringen t.b.v. onroerende zaken dienen te worden besteed om als premiespaarregeling te worden aangemerkt.
3. houdende regels m.b.t. de wijze waarop werknemers van een uitkering kunnen genieten i.v.m. de erkenning van een winstdelingsregeling als spaarregeling.
4. betreffende afwijzing en aanwijzing van regelingen die aangemerkt worden als spaarregeling ondanks het feit dat zij niet geheel voldoen aan de voorwaarden welke bij AMVB in art. 6.4.5.6 zijn voorgeschreven.
5. houdende regels ter verzekering van het heffen van belasting over uitbetalingen `welke in afwijking van de spaarregeling aan de werknemer wordt gedaan'.
Periode: 1961-1965: DGFZ/WDB
Grondslag: Besluit op de Loonbelasting 1940,
1. art. 6.4 v.a. Wijz. Wet 26 oktober 1961, Stb. 459,
2. art. 6.5 v.a. Wijz. Wet 26 oktober 1961, Stb. 459,
3. art. 6.6 v.a. Wijz. Wet 26 oktober 1961, Stb. 459,
4. art. 6.7 a en b v.a. Wijz. Wet 26 oktober 1961, Stb. 459,
5. art. 6.7c v.a. Wijz. Wet van 26 oktober 1961, Stb. 459,
Waardering: B, 4
Nummer: 74
Handeling: Het vaststellen, wijzigen en intrekken van bijzondere loonbelastingtabellen en het aanbrengen van afrondingen daarin, waarin aanspraken op de Kinderbijslagwet en de aanspraak op verstrekkingen ing. de wettelijke Ziekenfondsverzekering alsmede hetgeen behoort te worden ingehouden wegens premie ing. de Ziektewet en de Werkloosheidswet of tot een bepaald bedrag dan wel met weglating van bestanddelen zijn verwerkt, ter berekening van de loonbelasting.
Periode: 1953-1965: DGFZ/WDB
Grondslag: Besluit op de Loonbelasting 1940, art. 7a v.a. Wijz. Wet d.d.24-12-1953 Stb. 589,
Waardering: B, 4
Nummer: 75
Handeling: Het vaststellen, wijzigen en intrekken van de loonbelastingtabellen.
Periode: 1945-1950: Adm. Rijksbel./DB
1950-1965: DGFZ/WDB
Grondslag: Besluit op de Loonbelasting 1940, art. 8.8 va. Wijz. Wet 27-12-1953 Stb. 598; gewijzigd bij wijz. Wet d.d. 26-4-1962 Stb. 163 in art. 8.11, 9.2,
Wet van 21 december 1950 Stb. K 595, art. 2,
Wet van 24 december 1953 Stb. 592, art. 2,
Wet van 15 Augustus 1955 Stb. 370, art. III,
Wet van 24 december 1959 Stb. 497, art. II,
Wet van 28 december 1960, art. III,
Wet van 10 februari 1965, art. IV,
Waardering: B, 4
Nummer: 76
Handeling: Het vaststellen, wijzigen en intrekken van modellen van formulieren i.v.m. de heffing van loonbelasting:
1. het model van de loonbelastingkaart die de werkgever elk kalenderjaar voor de werknemer dient aan te leggen,
2. het formulier waarop de werknemer gegevens verstrekt aan de werkgever ter invulling van de loonbelastingkaart,
3. het model van een loonstaat die de werkgever verplicht is voor elke werknemer bij te houden,
4. het formulier dat gebruikt dient te worden om aangifte te doen van het bedrag van uitbetaalde bedragen lonen en van ingehouden en afgedragen belasting,
5. het model van een verzamelloonstaat die moet worden bijgehouden door werkgevers met meer dan 1 werknemer en die opgemaakt wordt uit de loonstaten waarin gedurende een maand één of meer boekingen hebben plaatsgehad.
Periode: 1945-1965: DGFZ/WDB
Grondslag: Besluit op de Loonbelasting 1940,
1+2 art. 11.1.2; v.a. wijz. wet 15-8-1955 Stb. 370 gewijzigd in 11.9,
3. art. 17.1,
4. art. 19.1,
5. art. 17.2 v.a. wijz. d.d. 13-6-1942 VB 128 art. VII
Waardering: B, 4
Nummer: 77
Handeling: Het wel/niet verlenen van kwijtschelding of vermindering van verhoging van de loonbelasting o.g.v. dwaling of verschoonbaar verzuim.
Periode: 1951-1965: DGBel./DB
Grondslag: Besluit op de Loonbelasting 1940, art. 21a.1 v.a. wijz. 16-8-1951 Stb. 378,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 78
Handeling: Het wel/ niet tegemoetkomen aan onbillijkheden van overwegende aard voor bepaalde gevallen of groepen van gevallen bij de heffing van loonbelasting.
NB
Onder de werking van de AWR komt deze regeling terug in art. 63.
Periode: 1945-1962: Adm. Rijksbel./DGBel./DB
Grondslag: Besluit op de Loonbelasting 1940, art. 31.1c,
NB
Feitelijk buiten werking bij KB 18-8-1962, Stb. 319, inwerkingtreding AWR (art. 63 hardheidsclausule)
Toelichting: Het is mogelijk dat tegemoetkomingen aan groepen op voorhand is geregeld bij de verschillende uitvoeringsresoluties/uitvoeringsbeschikkingen: zie/raadpleeg evt. de te bewaren neerslag van handelingen o.g.v. dit Besluit.
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling/vervallen
Nummer: 79
Handeling: Het aanwijzen van ambtenaren die bevoegd zijn tot inzage van boeken en bescheiden of de controle op inhouding van de loonbelasting.
Periode: 1945-1950: Adm. Rijksbel./DB
1950-1962: DGFZ/WDB
Grondslag: Besluit op de Loonbelasting 1940, art. 29.1,
Feitelijk buiten werking bij KB 18-8-1962, Stb. 319, inwerkingtreding AWR.
Waardering: B, 4
Nummer: 80
Handeling: Het wel/niet toelaten van verdachten tot transactie om vervolging wegens strafbare feiten te voorkomen.
Periode: 1945-1962: Adm. Rijksbel/DGBel./DB
Grondslag: Besluit op de Loonbelasting 1940, art. 39.2,
NB Feitelijk buiten werking bij KB 18-8-1962, Stb. 319, inwerkingtreding AWR.
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 81
Handeling: Het samen met de minister van Sociale zaken afwijzen of toewijzen, onder voorwaarden en met aanwijzingen, van verzoeken om aangewezen te worden als pensioenregeling i.v.m. de heffing van loonbelasting.
Periode: 1945-1965: Adm. Rijksbel./DGBel./DB
Grondslag: Zesde Uitvoeringsbeschikking Loonbelasting 1940, Ned. Stcrt. 1941 no. 85, art. 1,
Uitvoeringsresolutie Loonbelasting 1947, art. 5,
Besluit op de Loonbelasting 1940, art. 6.3b v.a. Wijz. Wet d.d. 24-12-1953 Stb. 589,
Besluiten van de Commissie coördinatie sociale verzekering en loonbelasting,
Waardering: V, termijn: 20 jaar na intrekking/vervallen van de aanwijzing
Nummer: 83
Handeling: Het beslissen of een leider van orkest of troep wel of niet wordt geacht een zelfstandig beroep uit te oefenen, of deze gerechtigd is loonbelasting in te houden (te berekenen), loonbelastingkaarten aan te leggen en bezwaren in te dienen bij de inspecteur.
NB Voor wat betreft het geven van aanwijzingen m.b.t. de inhouding en het bijhouden van loonbelastingkaarten kunnen ook door de belastingdienst aanwijzingen worden verstrekt. In dit rapport is er voor gekozen om de activiteiten van de Belastingdienst uitsluitend op het niveau van de wetten en besluiten in kaart te brengen.
Periode: 1945-1965: Adm. Rijksbel/DGBel./DB
Grondslag: Zevende Uitvoeringsbeschikking Loonbelasting 1940 (Amusementsbedrijf enz.)Stcrt. 1941 no. 85, art. 4,
Beschikking Loonbelasting Artisten, art. 6.1.2,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na intrekking/verlopen van de toestemming
Nummer: 84
Handeling: Het vaststellen, wijzigen en intrekken van het model van de inrichting van het loonbelastingboekje dat losse arbeiders dienen aan te vragen en bij te houden i.v.m. de heffing van loonbelasting.
Periode: 1945-1950: Adm. Rijksbel./DB
1950-1965: DGFZ/WDB
Waardering: B, 4
Nummer: 85
Handeling: Het vaststellen dat bepaalde bedrijven wel/niet bevoegd zijn ter berekening van het op het loon van thuiswerkers verminderingen toe te passen.
Periode: 1945-1950: Adm. Rijksbel./DB
1950-1965: DGFZ./WDB
Grondslag: Twaalfde Uitvoeringsbeschikking Loonbelasting 1940 Stcrt. 1942 no. 250, art. 4.5,
Waardering: B, 4
Nummer: 86
Handeling: Het aanwijzen, onder het geven van nadere voorschriften en aanwijzingen m.b.t. de heffing van loonbelasting, door de Secretaris-Generaal van Financiën van aanspraken op uitkeringen van en van daaruit voortvloeiende uitkeringen aan werknemers in privaatrechtelijke dienstbetrekking.
Periode: 1945-1965: Adm. Rijksbel./DB
Grondslag: Vijftiende Uitvoeringsbeschikking Loonbelasting 1940 Stcrt. 1944 no. 83, art. 2,
Uitvoeringsresolutie Loonbelasting 1947, art. 4,
Uitvoeringsresolutie Loonbelasting 1953, art. 3,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na intrekking/aflopen van de toestemming
Nummer: 87
Handeling: Het, voorzien van voorwaarden en aanwijzingen, aan partijen opdragen om aan een werkgever op te dragen om bij de inhouding van loonbelasting van een aangewezen werkgever of een derde de door hen betaalde beloningen en praestatiën aan de werknemers van de opdragende werkgever te beschouwen als door hem uitbetaald loon en het opdragen om bij de berekening van de loonbelasting over het gezamenlijk bedrag van het loon rekening te houden met vermindering van bij de ander werkgever of derde ingehouden loonbelasting.
Periode: 1945-1965: Adm. Rijksbel./DB
Grondslag: Zestiende Uitvoeringsbeschikking Loonbelasting 1940 Stcrt. 1944 no. 118, art. 1,
Uitvoeringsresolutie Loonbelasting 1947, art. 7,
Besluit op de Loonbelasting 1940, art. 7.5a en b v.a. Wijz. Wet d.d. 24-12-1953 Stb. 589,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na intrekking/verlopen van de aanwijzing
Nummer: 88
Handeling: Het, na overleg met de minister van Buitenlandse Zaken, vaststellen welk gedeelte van vergoedingen van verblijfkosten die werknemers die niet binnen het Rijk wonen ontvangen is als loon ontvangen uit de kas van een Nederlands openbaar lichaam en moet worden aangemerkt voor de heffing van loonbelasting indien dit een bepaald bedrag voor de heffing van inkomstenbelasting te boven gaat.
Periode: 1946-1965: Adm. Rijksbel/DGBel./DB
Grondslag: Negentiende Uitvoeringsbeschikking op de Loonbelasting 1940 Stcrt. 1946 no. 206, art. 2.2,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na hernieuwing/beëindiging van de vaststelling
Nummer: 89
Handeling: Het vaststellen van het bedrag van de toelage die militairen der Zeemacht, bij regelmatige dienstverrichting buiten het Koninkrijk (met inbegrip van de overzeese gebiedsdelen), dat als verblijfsvergoeding in aanmerking genomen dient te worden voor de heffing van loonbelasting als zijnde verblijfskosten.
Periode: 1947-1949: Adm. Rijksbel./DGBel./DB
Grondslag: Een en Twintigste Uitvoeringsbeschikking Loonbelasting 1940 Stcrt. 1946 no. 98, art. 5.2; ingetrokken 1949 Stcrt. 239,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na hernieuwing/beëindiging van de vaststelling
Nummer: 91
Handeling: Het, na overleg met de minister wie het aangaat, aanwijzen van instellingen die i.v.m. de heffing van de loonbelasting worden gerekend tot instellingen die zijn vrijgesteld van de vereveningsheffing.
Periode: 1951-1965: Adm. Rijksbel./DGBel./DB
Grondslag: Vrijstellingsbeschikking Vereveningsheffing, art. 1.3,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na intrekking/beëindiging van de aanwijzing
Nummer: 93
Handeling: Het aanwijzen, onder voorwaarden en aanwijzingen, van regelingen als premiespaarregelingen of winstdelingsspaarregeling indien deze regelingen op slechts op ondergeschikte punten afwijken van de bepalingen in dit AMVB.
Periode: 1961-1965: DGBel./DB
Grondslag: Besluit premiespaarregeling en winstdelingsspaarregeling, art. 30,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na intrekking/beëindiging van de aanwijzing
Nummer: 94
Handeling: Het geven, wijzigen en intrekken van nadere regels in afwijking met dit besluit ten aanzien van aan een spaarregeling deelnemende werknemers, die overgaan in de dienst van een andere werkgever, en aldaar eveneens aan een spaarregeling deelnemen.
Periode: 1961-1965: DGFZ/WDB
Grondslag: Besluit premiespaarregelingen en winstdelingsspaarregelingen, art. 31,
Waardering: B, 4
Nummer: 97
Handeling: Het uitsluiten van regelingen als premiespaarregeling of winstdelingsspaarregeling indien de regeling niet wordt nageleefd of controle onvoldoende mogelijk is.
Periode: 1961-1965: DGBel./DB
Grondslag: Besluit premiespaarregeling en winstdelingsspaarregelingen, art. 34,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na uitsluiting
Nummer: 99
Handeling: Het, als overgangsmaatregel, aanwijzen van regelingen als (winstdelings-) spaarregeling voor de periode van 5 jaar na inwerkingtreding van dit Besluit onder voorwaarde de voorwaarden aan te passen aan dit Besluit.
Periode: 1961-1965: DGBel./DB
Grondslag: Besluit premiespaarregeling en winstdelingsspaarregelingen, art. 36,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na intrekking/beëindiging aanwijzing
Op zich staande handelingen uit wetten die o.a. het Besluit op de Loonbelasting 1940 en de Wet op de loonbelasting 1964 wijzigen.
Nummer: 101
Handeling: Het wijzigen en aanbrengen van afrondingen in tabellen opgenomen bij het Besluit Loonbelasting 1940 en de Uitvoeringsbeschikkingen.
Periode: 1947-1965 Adm. Rijksbel./DB
Grondslag: Wet Belastingherziening 1947, art. 8,
Waardering: B, 4
Nummer: 102
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van uitvoeringsbepalingen t.a.v. deze wet.
Periode: 1947-1950: Adm. Rijksbel./DB
1950-1965 DGFZ/WDB
Grondslag: Wet Belastingherziening 1947, art. 13,
Waardering: B, 4
Wet van 16 december 1964, Stb. 514, houdende vervanging van het Besluit op de Loonbelasting 1940 door een nieuwe wettelijke regeling (Wet op de loonbelasting 1960, bij inwerkingtreding 1964)
Nummer: 103
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van AMVB's:
1. m.b.t. het aanwijzen van groepen van gevallen waarvan de dienstbetrekking wordt beschouwd als zijnde in arbeidsverhouding en het aanwijzen als inhoudingsplichtige; v.a. wijz. wet d.d. 20-7-1967, Stb. 396: houdende regels ingevolge welke arbeidsverhouding eveneens als dienstbetrekking wordt beschouwd.
2. houdende, zo nodig van de bepalingen van de wet afwijkende, regelen m.b.t. aanvulling van in de wet geregelde onderwerpen en m.b.t. de heffing van loonbelasting van: binnenschippers en bemanningen, zeevarenden, losse arbeiders, huispersoneel, personen die anders dan de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep in aangenomen werk persoonlijk arbeid verricht en hen die hen daarbij helpen, degenen die krachtens overeenkomst met een ander tegen beloning geregeld zijn bemiddeling verleent tot het tot stand komen van overeenkomsten tussen personen en die ander en zich laat bijstaan door niet meer dan 2 personen, thuiswerkers en hen die daarbij helpen, degenen die als musicus of artiest optreedt dan wel als beroep een tak van sport beoefent, degene die een scholings- of omscholingscursus volgt, degenen die tegen beloning persoonlijke arbeid verricht en maatschappelijk met voorgaanden gelijk kan worden gesteld, andere groepen van werknemers ten aanzien waarvan zodanige regelen ter vergemakkelijking van de heffing van de belasting kunnen leiden.
NB Bij wetswijzigingen zijn ook nog andere personen toegevoegd.
Vanaf wijz. wet d.d. 20-7-1967 Stb. 396: houdende, afwijkende, regels inzake de heffing van de belasting van bepaalde groepen van werknemers alsmede andere in het kader van de wet passende nadere regels ter aanvulling van in de wet geregelde onderwerpen.
3. houdende regels ter vergemakkelijking van de heffing van inkomstenbelasting ingevolge welke de loonbelasting wordt geheven van natuurlijke personen die: a) termijnen van lijfrente of andere in rechte vorderbare, al dan niet van het leven afhankelijke, niet rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende periodieke uitkeringen of verstrekkingen geniet; m.i.v. wijz. wet 18-12-1985 Stb. 708: termijnen van lijfrente of andere periodieke uitkeringen of verstrekkingen geniet en b) andere periodieke uitkeringen of verstrekkingen van publiekrechtelijke aard of door rechtspersonen gedaan genieten; v.a. wijz. wet 18-12-1985 Stb. 708: uitkeringen geniet ter vervanging van gederfde of te derven periodieke uitkeringen of verstrekkingen.
4. houdende regels m.b.t. de inhoud van de mededeling, de aard en inhoud van de te verstrekken inlichtingen en de over te leggen stukken alsmede de termijnen hiervoor die bestuurders/lichamen met rechtspersoonlijkheid dienen te verstrekken i.v.m. het feit dat zij niet in staat zijn hun belasting te betalen.
5. m.b.t. de verhoging van het percentage waarmee het loon van niet in Nederland wonende artiesten kan worden verminderd indien de aftrekbare kosten hoger zijn dan de in dit artikel opgenomen vermindering.
Periode: 1965-...: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet op de loonbelasting 1964,
1. art. 4, 7,
2. art. 33.1,
3. art. 34, (`Ons')
4. art. 32a v.a. wijz. wet 21-5-1986 Stb. 276; vervallen bij wijz. wet 30-5-1990 Stb. 222,
5. art. 26a.2 v.a. wijz. wet 21-12-1989 Stb. 582,
Periode: 1965-...: DGFZ/WDB
Waardering: B, 4
Nummer: 105
Handeling: Het geven, wijzigen en intrekken van (nadere/bindende) regels/ministeriële regelingen:
1. betreffende het aanwijzen als inhoudingsplichtige van hen die niet binnen het Rijk wonen of gevestigd zijn doch binnen het Rijk een of meer personen in dienst hebben; v.a. wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122: `bij min. regeling'.
2. betreffende het aanwijzen van internationale organisaties en vertegenwoordigers en functionarissen daarvan die niet als inhoudingsplichtige voor de loonbelasting worden beschouwd. (v.a. wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122 `bij min. regeling')
3. betreffende het bepalen dat werknemers wier lonen uitbetaald door een door de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, t.b.v. de uitvoering van de sociale verzekeringswetten erkend administratiekantoor, voor de toepassing van deze wet geacht worden in dienstbetrekking te staan tot dat kantoor (v.a. wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122 `bij min. regeling').
4. houdende het aanwijzen als inhoudingsplichtige van andere personen dan de aangewezene of onthevene van de verplichting als inhoudingsplichtigen genoemd in art. 6 en 7 te fungeren, in overeenstemming met de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, m.b.t.: degene, die een thuiswerker als hulp bij het verrichten van de arbeid bijstaat (8.2a); degene, die als musicus of anderszins als artiest optreedt, dan wel als beroep een tak van sport beoefent (8.2b). (v.a. wijz. 27-4-1989 Stb. 122 `bij min. regeling')
5. betreffende het bepalen (v.a. wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122: `bij min. regeling') welke aanspraken, vergoedingen, verstrekkingen en uitkeringen die genoten worden niet tot het loon behoren.
6. m.b.t. de beoordeling in hoeverre vergoedingen geacht kunnen worden te strekken tot bestrijding van noodzakelijke kosten verband houdende met de dienstbetrekking; (v.a. wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122: `bij min. regeling').
7. m.b.t. het bedrag aan fooien en dergelijke prestaties van derden, dat in bepaalde gevallen of groepen van gevallen geacht wordt te zijn genoten en welk bedrag daarvan niet tot het loon behoort; (v.a. wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122: `bij min. regeling').
8. m.b.t. de waardering van aanspraken en van ander niet in geld genoten loon; (v.a. wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122: `bij min. regeling').
9. m.b.t. het opvoeren als aftrekpost van afschrijvingen op en de kosten van verzekering van goederen welke tot het verwerven van loon dienen.
10. volgens welke, ter zake van het regelmatig reizen van de werknemer tussen zijn woning of verblijfplaats en de plaats van zijn werkzaamheden, de kosten uitsluitend tot een door de minister te bepalen bedrag tot de aftrekbare kosten worden gerekend en vergoedingen, ter zake van dat reizen die niet strekken tot noodzakelijke kosten i.v.m. de dienstbetrekking gemaakt worden, wel/niet tot het loon behoren; v.a. wijz. 24-12-1970: voor afschrijving van kosten ter verwerving, inning en behoud van loon voor gevallen waarin de werknemer ten minste eenmaal per week naar dezelfde plaats pleegt te reizen (v.a. wijz. 23-4-1971: binnen door de minister aan te wijzen grote woongebieden tot niet meer dan tot een in de wet genoemd bedrag: zie afzonderlijke handeling).
11. betreffende het aanwijzen van grote woongebieden waarbinnen het regelmatige reizen tussen woon of verblijfplaats en de plaats van werkzaamheden gelijkgesteld wordt met reizen over een afstand van niet meer dan 10 km; v.a. wijz. 23-4-1971: de minister wijst grote woongebieden aan waarvoor de belastingaftrek voor reizen in het woon- werkverkeer tot een in de wet genoemd bedrag in aanmerking wordt genomen.
12. betreffende het bepalen dat van de werknemer die kinderaftrek geniet voor meer dan tien kinderen de belasting niet wordt geheven en boven een bepaald jaarloon geheven wordt naar een vast te stellen percentage.
13. volgens welke wordt beoordeeld of een werknemer buiten staat zal zijn om de helft, (v.a. wijz. wet d.d. 20-7-1967 Stb 396: 55%,) te verdienen van hetgeen lichamelijk en geestelijk gezonde werknemers, die overigens in gelijke omstandigheden verkeren, kunnen verdienen.
14. omtrent hetgeen onder overwerkloon wordt verstaan i.v.m. de heffing van loonbelasting volgens de tabel voor gratificaties en andere beloningen.
15. naar welke wordt beoordeeld of een kind in belangrijke mate op kosten van de werknemer onderhouden wordt en of een kind buiten staat zal zijn om de helft te verdienen van hetgeen lichamelijk en geestelijk gezonde kinderen, die in gelijke omstandigheden verkeren, kunnen verdienen.
16. waaraan inhoudingsplichtigen zijn gehouden m.b.t.:
a. het van de werknemer een opgave te verlangen van gegevens die van belang zijn voor de heffing;
b. het doorgeven van die gegevens aan een andere inhoudingsplichtige;
c. het voeren van een loonboekhouding;
d. het verstrekken van een opgave aan de inspecteur van door de werknemer genoten loon, de ingehouden belasting en andere gegevens van belang voor de heffing van loonbel, inkomstenbel. of schoolgeld (schoolgeld vervalt bij wet 7-7-1987 Stb. 343);
e. het aan de werknemer verstrekken van opgaven van genoten loon en ingehouden belasting en andere gegevens welke van belang kunnen zijn i.v.m. de heffing van loonbel. inkomstenbel. en schoolgeld (schoolgeld vervalt bij wet 7-7-1987 Stb. 343).
17. volgens welke werknemers zijn gehouden opgave te verstrekken van gegevens aan de inhoudingsplichtige die van belang zijn voor de heffing van loonbelasting (en v.a. 1985 is hierin begrepen) het fiscaal nummer.
18. het bepalen dat aftrekbare kosten, persoonlijke verplichtingen, buitengewone lasten en aftrekbare giften tot een ander bedrag buiten aanmerking te laten dan in de loonbelastingtabellen is opgenomen en voor zover bij Beschikking vastgesteld.
19. betreffende de heffing van belasting ingeval a) loon van meer dan een inhoudingsplichtige of mede loon van een derde dan wel over enig tijdvak meer dan een beloning genoten wordt, b) inhouding van geschatte bedragen gevolgd door periodieke afrekening.
20. naar welke wordt beoordeelt welke arbeid, bedoeld in het eerste lid art. 3 onder a en b, wordt uitgeoefend in een bedrijf of in een zelfstandig beroep, e.e.a. in overeenstemming met de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid.
21. m.b.t. het tot een bepaald bedrag aanmerken als extra uitgaven (ter zake van ziekte, invaliditeit en bevalling of voor een op medisch voorschrift gehouden dieet) als zijnde aftrekpost voor buitengewone lasten.
22. m.b.t. het tot een bepaald bedrag in aanmerking nemen van uitgaven ter zake van adoptie.
23. houdende het vaststellen, wijzigen en intrekken van het bedrag aan loon van vrouwelijke werknemers waar beneden werkgevers belasting dienen in te houden als in tariefgroep 1.
24. m.b.t. de verhoging van de belastingvrije som i.v.m. de verhoging van dat bedrag met kinderaftrek.
25. m.b.t. het tot een bepaald bedrag in aanmerking nemen als extra uitgaven (ter zake van ziekte, invaliditeit en bevalling, i.v.m. de aanschaf van kleding en beddengoed) als zijnde aftrekpost voor buitengewone lasten.
26. m.b.t. het aanwijzen van kinderdagverblijven waarvoor de kosten die eenoudergezinnen maken tot een bepaald percentage mogen opvoeren als aftrekpost voor buitengewone lasten.
27. betreffende het bepalen dat de verhoging van de belastingvrije som i.v.m. (aanvullende) kinderaftrek niet slechts in aanmerking genomen wordt voor zover dit bij beschikking door de inspecteur is vastgesteld.
28. m.b.t. het tot een bepaald bedrag in aanmerking nemen als buitengewone lasten van uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van eigen en aangehuwde kinderen en pleegkinderen, die jonger dan 27 jaar zijn en het bepalen dat in dat geval belastingplichtige geen recht heeft op kinderbijslag.
29. m.b.t. betaling van belasting door aannemers, waarvoor zij hoofdelijk aansprakelijk zijn, op door onderaannemers geopende g-rekeningen, in overleg met de minister van Sociale Zaken.
30. m.b.t. betaling van belasting door aannemers, waarvoor zij hoofdelijk aansprakelijk zijn, op door onderaannemers geopende g-rekeningen e.e.a in overeenstemming met de minister van Sociale Zaken .
31. m.b.t. het verlenen van teruggaaf van loonbelasting door de inspecteur indien een belastingplichtige afziet van het geldend maken van een toeslag op de belastingvrije som.
32. m.b.t. de inhoud waaraan verzoeken, inzake tariefgroepindeling, van ongehuwd samenwonenden moeten voldoen.
33. naar welke wordt beoordeeld of een kind in belangrijke mate op kosten van de werknemer wordt onderhouden i.v.m. het verlenen van een toeslag op de belastingvrije som.
34. m.b.t. het toedichten aan niet duurzaam van de werknemer gescheiden levende echtgenoot van loon in de vorm van periodieke uitkeringen van publiekrechtelijke aard, welke in het kalenderjaar van verstrekking genoten wordt.
35. m.b.t. de kosten van woon-werkverkeer voor gevallen waarin de werknemer ten minste eenmaal per week pleegt te reizen van zijn woon- of verblijfplaats naar de plaats(en) waar arbeid wordt verricht.
36. m.b.t. de inhoud van het verzoek dat belastingplichtige, zijnde ongehuwd en die duurzaam een gezamenlijke huishouding voert met een andere ongehuwde, kan indienen om in aanmerking te komen voor de basisaftrek.
37. m.b.t. de wijze waarop het uit gezamenlijke bedrag aan belastingen en premie volksverzekeringen dat is opgenomen in de tabellen het bedrag aan belasting kan worden afgeleid.
38. houdende vaststelling van het model van de loonbelastingverklaring welke werknemers dienen in te vullen t.b.v. de inhoudingsplichtige. (zie ook nrs. 16 en 17).
39. m.b.t. het aanmerken als kosten ter bestrijding van het verwerven van loon zijnde vergoedingen ter zake van woon-werkverkeer voor de gevallen waarin de enkele reisafstand meer beloopt dan 10 km die de werknemer ten minste een maal per week aflegt.
40. m.b.t. het de wijze van bepalen van het bedrag, verminderd met de prijs van een NS-abonnement, dat als aftrekbare kosten in aanmerking genomen wordt voor de kosten woon-werkverkeer voor zover de afstand meer beloopt dan 10 km, v.a. 1990: 30 km.
41. m.b.t. de vaststelling van een bedrag per kilometer voor vervoer per auto, anders dan per taxi, niet gedaan voor woon-werkverkeer of voor het vervullen van de dienstbetrekking in een ter beschikking gestelde auto dat in aanmerking genomen wordt, v.a. wijz. wet 18-12-1991: percentueel verminderd/verminderd met het rekenkundig gemiddelde van openbaar vervoerprijzen.
42. m.b.t. het bepalen van het jaarloon i.v.m. het in aanmerking nemen van kosten voor verhuizing.
43. houdende aanwijzing van uitkeringen, verstrekkingen en vergoedingen, welke ingevolge art. 11 niet tot het loon behoren, waarvoor loonboekhouding en daarbij te administreren gegevens moeten worden bijgehouden.
44. houdende voorwaarden waaraan zeevarenden moeten voldoen om in aanmerking te komen voor de zgn. zeedagenaftrek alsmede vaststelling van het bedrag dat per dag als zeedagenaftrek in aanmerking genomen wordt.
45. m.b.t. het aanmerken als loon van kosten voor het woon-werkverkeer over een enkele afstand van minder dan 10km die gemaakt worden als voor het verwerven van loon.
46. m.b.t. het afwijken inzake het aanmerken als loon van kosten voor woon-werkverkeer over meer dan de enkele afstand van 10 km voor gevallen van werknemers die met een niet door de inhoudingsplichtige ter beschikking gestelde auto pleegt te reizen.
47. betreffende het aanwijzen van gevallen en groepen van gevallen waarvan de dienstbetrekking als arbeidsverhouding wordt aangemerkt indien diegenen die door tussenkomst van degenen tot wie de arbeidsverhouding bestaat arbeid verricht t.b.v. derden.
48. houdende het vaststellen wijzigen en intrekken van het model van de verklaring die de leider of de vertegenwoordiger aan de inhoudingsplichtige afgeeft houdende mededeling van het loon van de artiest, die deel uitmaakt van een gezelschap, dat aan zijn optreden moet worden toegerekend.
49. betreffende, in overeenstemming met de minister van Sociale Zaken, het niet beschouwen als dienstbetrekking van de arbeidsverhouding van artiesten indien A) door beide ministers verklaard wordt dat artiesten werkzaamheden verrichten in de uitoefening van een bedrijf of zelfstandige uitoefening van een beroep B) de artiest is overeengekomen met een natuurlijke persoon dat t.b.v. diens persoonlijke aangelegenheden arbeid verricht wordt.
50. betreffende het aanwijzen, in overeenstemming met de minister van Sociale Zaken, van gevallen, groepen van gevallen waarin de dienstbetrekking niet wordt beschouwd als arbeidsverhouding m.b.t. uitzendkrachten.
51. betreffende het aanwijzen, in overeenstemming met de minister van Sociale Zaken, van gevallen, groepen van gevallen waarin de dienstbetrekking niet wordt beschouwd als arbeidsverhouding van degene die persoonlijke arbeid verricht op doorgaans ten minste 2 dagen p.w. tegen een bruto-inkomen dat een bepaald deel van het minimumloon over een week bedraagt dan wel van degenen, jonger dan 23 jaar waarvan het brutoloon, naar leeftijd vastgesteld, een bepaald deel van het minimum loon voor die leeftijdsgroep bedraagt.
52. betreffende, in overeenstemming met de minister van Sociale Zaken, het niet beschouwen als dienstbetrekking van de arbeidsverhouding van thuiswerkers, hulpen en personen die ten minste 2 dagen per week tegen een bepaald brutoloon dat een bepaald deel van het minimum loon bedraagt, ook indien men jonger is dan 23 jaar, voor hen die : a) arbeid verrichten in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep, b) het verrichten van de arbeid rechtstreeks overeengekomen zijn met een natuurlijk persoon t.b.v. diens persoonlijke aangelegenheden c) arbeid van overwegend geestelijke aard verrichten, d) werkzaam zijn in een arbeidsverhouding die in overwegende mater beheerst wordt door een familieverhouding.
53. betreffende het aanwijzen groepen van thuiswerkers en hun hulpen die persoonlijke arbeid verrichten op doorgaans ten minste 2 dagen p.w. tegen een bruto-inkomen dat een bepaald deel van het minimumloon over een week bedraagt dan wel van degenen, jonger dan 23 jaar, waarvan het brutoloon, naar leeftijd vastgesteld een bepaald deel van het minimum loon voor die leeftijdsgroep bedraagt en waarvan de dienstbetrekking niet wordt beschouwd als arbeidsverhouding.
Periode: 1965-...
Grondslag:
Wet op de loonbelasting 1964,
1. art. 6.2b,
2. art. 6.3; gewijzigd bij wijz. wet 13-12-1989 Stb. 554 in: art. 6.4,
3. art. 8.1,
4. art. 8.2,
5. art. 11.2,
6. art. 11.8; vervallen bij wijz. wet 27-4-1989 Stb. 123,
7. art. 12,
8. art. 13.2,
9. art. 14.2; v.a. wijz. wet d.d. 24-12-1970 Stb. 604 art. 15; vervallen bij wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122,
10. art. 15.1;
v.a. wijz. 24-12-1970 Stb 604 art. 15; vervallen bij wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122,
11. art. 15.3; vervallen bij wijz. wet 24-12-1970 Stb. 604,
art. 15.a v.a.wijz. wet 23-4-1971 Stb. 260; vervallen bij wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122,
12. art. 20.4; gewijzigd bij Wet d.d. 30-7-1965 Stb. 347 art IX in art. 20.5; gewijzigd bij wet d.d. 20-12-1968 Stb. 693 art. II in art. 20.6; vervallen bij wijz. wet d.d. 18-12-1969 Stb. 554 art. IV,
13. art. 21.2; vervallen en komt bij wijz. wet 16-11-1972 Stb. 614 terug in art. 23,
14. art. 22.5; vervallen bij wijz. wet 16-11-1972 Stb. 614 en komt terug in art. 26.5,
15. art. 25.4; v.a. wijz. wet 16-11-1972 Stb. 614 gewijzigd in: art. 22.4; vervallen bij wijz. wet 20-12-1984 Stb. 649,
16. art. 28.1; gewijzigd bij wijz. wet 30-10-1985 Stb. 591 in: art. 28; gewijzigd bij wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122 in: art. 28.1,
17. art. 29.1,
18. art. 30.1; v.a. wijz. wet 16-11-1972 Stb. 614: 30.2; gewijzigd bij wijz. wet 21-6-1980 Stb 334 in: art. 30.3; vervangen bij wijz. wet 20-12-1984 Stb. 649 door art. 30.2: zie afzonderlijke handeling,
19. art. 33.2,
20. art. 3.3 v.a. wijz. wet d.d. 20-7-1967, Stb. 396 art. XXII; vervallen bij wijz. d.d. ?,
21. art. 18.2c v.a. wijz. 24-12-1970 Stb. 604; gewijzigd bij wijz. wet 20-12-1979 Stb. 709 in: art. 18.3c; vervallen bij wijz. wet 20-12-1984 Stb. 649,
22. art. 18.3 v.a. wijz. 24-12-1970 Stb. 604; gewijzigd bij wijz. wet 20-12-1979 Stb. 709 in: art. 18.4; gewijzigd bij wijz. wet 30-3-1983 Stb. 146 in: art. 18.6; vervallen bij wijz. wet 20-12-1984 Stb. 649,
23. art. 28.2 v.a. wijz. 24-12-1970 Stb. 604; vervallen bij wijz. wet 16-11-1972 Stb. 614,
24. art. 20.5 v.a. wijz. wet 16-11-1972 Stb. 614; gewijzigd bij wijz. wet d.d. 14-9-1978 Stb. 465 in: art. 20.6; gewijzigd bij wijz. wet 20-12-1979 Stb. 709 in: art. 20.5; gewijzigd bij wijz. wet 20-12-1984 Stb. 649 in: art. 20.7; vervallen bij wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122,
25. art. 18.2d v.a. wijz. wet d.d. 19-12-1973 Stb. 630; gewijzigd bij wijz. wet 20-12-1979 Stb. 709 in: art. 18.3d; vervallen bij wijz. wet 20-12-1984 Stb. 649,
26. art. 18.1d v.a. wijz. wet 23-11-1977 Stb. 648; vervallen bij wijz. wet 20-12-1984 Stb. 649,
27. art. 20.5 v.a. wijz. wet d.d. 14-9-1978 Stb. 465; vervallen bij wijz. wet 20-12-1979 Stb. 709,
28. art. 18.2 v.a. wijz. wet 20-12-1979 Stb. 709; vervallen bij wijz. wet 20-12-1984 Stb. 649,
29. art. 32b.6 v.a. wijz. 4-6-1981 Stb. 370; gewijzigd bij wijz. wet 21-5-1986 Stb. 276 in: art. 32c.6; vervallen bij wijz. wet 30-5-1990 Stb. 222,
30. art. 32b.6 v.a. wijz. wet 4-6-1981 Stb. 370; vervallen bij wijz. wet 30-5-1990 Stb. 222,
31. art. 30.8 v.a. wijz. wet 5-7-1984 Stb. 313; gewijzigd bij wijz. wet 20-12-1984 Stb. 649 in 30.9; gewijzigd bij wijz. wet 18-12-1985 Stb. 700 in: 30.10 en tegelijkertijd vervallen,
32. art. 30.7 v.a. wijz. wet 20-12-1984 Stb. 649; gewijzigd bij wijz. wet 18-12-1985 Stb. 700 in: art. 30.8 en tegelijkertijd vervallen,
33. art. 22.10 v.a. wijz. wet 24-4-1986 Stb. 252; vervangen bij wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122 door : art. 22.8,
34. art. 2.7 v.a. wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122,
35. art. 14.5 v.a. wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122; vervallen bij wijz. wet 27-4-1989 Stb. 123,
36. art. 23.3 v.a. wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122,
37. art. 28.2 v.a. wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122,
38. art. 29.4 v.a. wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122,
39. art. 11.10 v.a. wijz. wet 27-4-1989 Stb. 123,
40. art. 15.2a v.a. wijz. wet 27-4-1989 Stb. 123,
41. art. 15.2c v.a. wijz. wet 27-4-1989 Stb. 123,
42. art. 15.4 v.a. wijz. wet 27-4-1989 Stb. 123; gewijzigd bij wijz. wet 4-7-1990 Stb. 355 in: art. 15.5; gewijzigd bij wijz. wet 18-12-1991 Stb. 716 in: 15.6,
43. art. 28.1c v.a. wijz. wet 27-4-1989 Stb. 123,
44. art. 17.3 v.a. wijz. wet 28-12-1989 Stb. 602,
45. art. 11.9 v.a. wijz. wet 4-7-1990 Stb. 355,
46. art. 11.12 v.a. wijz. wet 4-7-1990 Stb. 355,
Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965,
47. art. 2.3; v.a. wijz. 27-6-1967 Stb 346: art. 2.4; vervallen bij wijz. 28-12-1989 Stb. 603,
48. art. 5.3 v.a. wijz. d.d. 5-12-1969 Stb. 546,
49. art. 2.3 v.a. wijz. 14-12-1973 Stb. 629 ; vervallen bij wijz. 28-12-1989 Stb. 603,
50. art. 2a.2 v.a. wijz. 14-12-1973 Stb. 629; vervallen bij wijz. 28-12-1989 Stb. 603,
51. art. 2c.4 v.a. wijz. 14-12-1973 Stb. 629; vervallen bij wijz. 28-12-1989 Stb. 603,
52. art. 2e v.a. wijz. 14-12-1973 Stb. 629 ; vervallen bij wijz. 28-12-1989 Stb. 603,
53. art. 2b.5 v.a. wijz. 9-1-1981 Stb. 4; vervallen bij wijz. 28-12-1989 Stb. 603,
Waardering: B, 4
Nummer: 906
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van een AMVB aangevende dat afgeweken kan worden van de heffing van loonbelasting van het zuivere loon ten aanzien van personeel dat buiten het Rijk, in het land waar het werkzaam is, is aangeworven.
Periode: 1967-1989 (?): DGFZ/WDB
Grondslag: Wet op de loonbelasting 1964, art. 9.3 v.a. wijz. wet d.d. 20-7-1967 Stb. 396 art XXII; vervallen d.d.? (1989?),
Waardering: B, 4
Nummer: 107
Handeling: Het (gezamenlijk met de minister van Sociale Zaken) aanwijzen, onder te stellen voorwaarden die kunnen afwijken van de in de wet genoemde criteria, van regelingen of groepen van regelingen als pensioenregelingen waarvan de uitkering/premie niet tot het loon gerekend worden.
Periode: 1965-...: DGBel./DB
Grondslag: Wet op de loonbelasting 1964, art. 11.3b; v.a. wijz. wet 20-12-1984 Stb. 649: art. 11.3 (laatste volzin),
Besluiten van de Commissie coördinatie sociale verzekering en loonbelasting (gezamenlijk met de minister van Sociale Zaken),
Waardering: V, termijn: 20 jaar na intrekking/beëindiging van de aanwijzing
Nummer: 108
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van AMVB's:
1. houdende regels waaraan spaarregelingen dienen te voldoen om te worden beschouwt als premiespaarregeling of als winstdelingsspaarregeling.
2. houdende regels m.b.t. de besteding van de uitkering van de premiespaarregelingen van niet meer dan de helft van de besparingen van de werknemer ingeval deze gedurende tenminste vier kalenderjaren niet zijn opgenomen i.v.m. de erkenning als spaarregeling.
3. houdende regels m.b.t. de besteding, van de uitkeringen van de premiespaarregelingen, van niet meer dan het dubbele van de besparingen van de werknemer ingeval deze gedurende ten minste gedurende tien kalenderjaren niet zijn opgenomen t.b.v. onroerende zaken en de uitkeringen uitsluitend op die wijze daartoe kunnen worden besteed i.v.m. de erkenning als spaarregeling.
4. houdende regels m.b.t. de wijze waarop de werknemer van de uitkering ingevolge winstdelingsregelingen kan genieten i.v.m. het aanmerken als spaarregeling.
5. houdende regels m.b.t. A) aanwijzing van regelingen als spaarregelingen ook indien zij niet voldoen aan in het 4e, 5e en 6e lid gestelde eisen; B) uitsluiting van regelingen als spaarregeling ingeval zij niet dienstbaar zijn aan de bevordering van duurzaam bezit van werknemers in voldoend brede kring of bij herhaling niet worden nageleefd, alsmede ingeval omtrent de uitvoering daarvan geen administratie wordt gevoerd waaruit duidelijk blijkt dat aan de vereisten voor vrijstelling is voldaan; C) regels ter verzekering van het heffen van belasting over uitbetalingen welke in afwijking van de spaarregeling aan de werknemer worden gedaan.
6. aangevende de wijze waarop door de werknemer over geblokkeerde uitkeringen, van een spaarregeling die ten minste 7 jaar uitsluit, mag worden beschikt.
7. houdende regels m.b.t. het aanwijzen van regelingen als spaarloonregeling die voorziet in het in geblokkeerde vorm sparen van loon door bij die regeling aangewezen werknemers die tot een inhoudingsplichtige in dienstbetrekking staan.
8. houdende regels m.b.t. het ter beschikking stellen van spaarloon (volgens de erkende regeling) aan de werknemer ingeval a) waarin de dienstbetrekking is beëindigd en b) van verwerving van een eigen woning.
9. houdende regels m.b.t. uitsluiting van regelingen als spaarloonregeling en regels ter verzekering van het heffen van belasting over uitbetalingen welke in afwijking van de spaarloonregeling aan de werknemers worden gedaan.
Periode: 1965-...: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet op de loonbelasting 1964,
1. art. 11.4,
2. art. 11.5,
3. art. 11.5,
4. art. 11.6; vervallen bij wijz. wet 13-12-1972 Stb. 697 en gewijzigd in: zie 6,
5. art. 11.7,
6. art. 11.6 v.a. wijz. wet 13-12-1972 Stb. 697,
7. art. 34a.3 v.a. wijz. wet 13-12-1972 Stb. 697,
8. art. 34a.4 v.a. wijz. wet 13-12-1972 Stb. 697,
9. art. 34a.5 v.a. wijz. wet 13-12-1972 Stb. 697,
Waardering: B, 4
Nummer: 109
Handeling: Het van rechtswege vervangen van de in de wet genoemde bedragen die krachtens de wet inkomstenbelasting 1964 worden vastgesteld en mogen worden opgevoerd als aftrekbare kosten voor het woon- werkverkeer.
Periode: 1989-...: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet op de loonbelasting 1964, art. 17.3 v.a. wijz. wet 27-7-1989 Stb. 122; gewijzigd bij wijz. wet 28-12-1989 Stb. 602 in: art. 17.8,
Waardering: B, 1/4
Nummer: 110
Handeling: Het vaststellen wijzigen en intrekken van de tabellen:
1. v.d. inkomstenbelasting i.v.m. de loonbelastingheffing.
2. v.d. loonbelasting voor door hem aan te wijzen (groepen van) gevallen voor een loontijdvak van een maand, en zo nodig voor andere loontijdvakken, waarin positieve of negatieve bestanddelen zijn verwerkt; v.a. wijz. wet 27-4-1989 Stb 122: waarin het beloop en de belastingvrije sommen zijn verwerkt.
3. voor tantièmes, gratificaties en andere beloningen die eenmaal of eenmaal per jaar worden toegekend en waarin (v.a. wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122) het beloop, de belastingvrije sommen en een opsomming van de jaarlonen en het belastingpercentage worden opgenomen. (tabel bijzondere beloningen)
4. v.d. loonbelasting voor: zeevarenden, voor deelvissers, voor artiesten en voor aanneming van werk (later uitvoerders van aangenomen werk, hun hulpen en degenen die ing. art. 2.2. wier arbeidsverhouding als dienstbetrekking wordt beschouwd) en thuiswerk, degenen die bepaalde uitkeringen ontvangen, degenen die huursubsidie ontvangen (v.a. 1970, vervalt in 1985), degenen die t.b.v. een leerling een studietoelage ontvangen (v.a. 1974, vervalt in 1985), degenen die een uitkering ing. WW of WWV ontvangen (v.a. 1974 later vervallen), voor degenen die een uitkering krijgen uit een stakingskas (v.a. wijz. 9-2-1977 Stb. 55), voor degenen die uitkeringen ontvangen ingevolge de Algemene Bijstandswet.
5. v.d. loonbelasting voor huispersoneel en voor de bijzondere beloningen van huispersoneel.
Periode: 1965-...: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet op de loonbelasting 1964,
1. art. 20.1; vervallen bij wijz. wet 16-11-1972 Stb. 614, 20.4 v.a. wijz. wet 30-7-1965 Stb. 347 art. IX; vervallen bij wijz. wet. 16-11-1972 Stb. 614, art. 20.5 v.a. wijz. wet 20-12-1968 Stb. 693; vervallen bij wijz. wet 16-11-1972 Stb. 614,
2. art. 20.3; vervallen bij wijz. wet. 16-11-1972 Stb. 614, 20.4 v.a. wijz. wet 30-7-1965 Stb. 347 art. IX; vervallen bij wijz. wet 16-11-1972 Stb. 614, art. 20.5 v.a. wijz. wet d.d. 20-12-1968 Stb. 693; vervallen bij wijz. wet 16-11-1972 Stb. 614 en komt terug in art. 25.2.3,
3. art. 22; vervallen bij wijz. wet 16-11-1972 Stb. 614, 20.4 v.a. wijz. wet 30-7-1965 Stb. 347 art IX; vervallen bij wijz. wet 16-11-1972 Stb. 614, art. 20.5 v.a. wijz. wet d.d. 20-12-1968 Stb. 693; vervallen bij wijz. wet 16-11-1972 Stb. 614 en komt terug in art. 26.1,
Besluit Loonbelasting 1965,
4. art. 7.1,
5. art. 8.2; vervallen bij wijz. 28-12-1989 Stb. 603,
Wet van 10 februari 1965, Stb. 72, tot verlaging van de IB en de LB, art. VIII,
Wet van 19 december 1974, Stb. 774, (wijz. tarieven IB en LB), art. VII,
Periode: 1965-...: DGFZ/WDB
Waardering: B, 4
Nummer: 111
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van een wet:
1. houdende een (tarief)tabel waaruit voor een loontijdvak van een jaar de verschuldigde loonbelasting afgeleid kan worden.
2. houdende vaststelling van de jaarlijkse bedragen voor alleenstaande-ouderaftrek en aanvullende alleenstaande-ouderaftrek.
(worden jaarlijks van rechtswege gewijzigd door bedragen welke vastgesteld worden ing. de wet IB 1964)
Toelichting: De verplichting is bij de wijziging van de wet omgezet in in de wet opgenomen bedragen, zie de handeling betr. art. 20.6.
3. houdende vaststelling van het bedrag waarboven uitkeringen en verstrekkingen, bedoeld in art. 57a wet IB 1964, welke aangemerkt worden als jaarloon verminderd met de belastingvrije som met 20% belast worden.
NB Ingevolge art. 26.7 wordt het bedrag jaarlijks van rechtswege vervangen door het bedrag dat krachtens de Wet IB wordt vastgesteld.
Periode: 1989: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet op de loonbelasting 1964,
1. art. 20.1 v.a. wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122; vervallen bij wijz. wet 27-4-1989 Stb. 123 waarbij tevens de belastingtabellen zijn ingevoerd,
2. art. 20.5.6 v.a. wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122; vervallen bij wijz. wet 27-4-1989 Stb. 123,
3. v.a. wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122 art. 26.6, bij wijz. wet 27-4-1989 Stb. 123 is eerstens het bedrag opgenomen,
Waardering: B, 1
Nummer: 112
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van wetten:
1. die van rechtswege de jaarlijkse vaststelling van de bedragen van de basisaftrek betreffen. (bedragen worden jaarlijks van rechtswege vervangen door bedragen welke worden vastgesteld in de wet IB 1964)
2. houdende het van rechtswege jaarlijks vervangen van de bedragen genoemd in dit artikel, van verschuldigde belasting door in Nederland wonende en niet in Nederland wonende werknemers die niet onder de werking van art. 20a vallen, door bedragen die krachtens de wet IB 1964 worden vastgesteld.
3. houdende het jaarlijks van rechtswege wijzigen van het bedrag van de belastingvrije som door het bedrag dat krachtens art. 66 wet IB wordt vastgesteld houdende de grens waarboven uitkeringen en verstrekkingen (opgesomd in art. 57a.1.wet IB) worden belast.
Periode: 1989-...: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet op de loonbelasting 1964,
1. art. 20.4 v.a. wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122; gewijzigd bij wijz. wet 27-4-1989 Stb. 123 in: art. 20.3; gewijzigd d.d. ? in art. 20.6,
2. art. 20b.2 v.a. wijz. wet 27-4-1989 Stb. 123,
3. art. 26.7 v.a. wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122,
Waardering: B, 1
Nummer: 113
Handeling: Het (jaarlijks) van rechtswege wijzigen van de bedragen in art. 20 en art. 18.1b (vervallen bij wijz. wet 20-12-1984 Stb. 649) en art. 16 (vervallen bij wijz. wet 20-12-1984 Stb. 649) van de wet, o.g.v. wijziging van de bedragen in de wet IB, die ter verhoging van de belastingvrije som dienen, v.a. 1978 aangevuld: ... volgens regels gesteld in art. 54 wet IB m.b.t. de overgang van oude naar nieuwe prijsindexcijfers.
Periode: 1972-1989: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet op de loonbelasting 1964, art. 20.6 v.a. wijz. wet 16-11-1972 Stb. 614; gewijzigd bij wet 14-9-1978 Stb. 465 in art. 20.7; gewijzigd bij wijz. wet 20-12-1979 Stb. 709 in: art. 20.6; gewijzigd bij wijz. wet 20-12-1984 Stb. 649 in: art. 20.9; vervallen bij wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122, v.a. wet 23-12-1976 Stb. 689 art. III: art. 16.7; later art. 16.8, v.a. wijz. d.d. 19-12-1973 Stb. 630 art. 18.5; gewijzigd bij wijz. wet 20-12-1979 in: art. 18.6; gewijzigd bij wijz. wet 30-3-1983 Stb. 146 in: 18.8; gewijzigd bij wijz. wet 15-12-1983 Stb. 627 in: art. 18.9; vervallen bij wijz. wet 20-12-1984 Stb. 649,
Wet van 14-9-1978 Stb.465, art. XII,
Wet van 28-12-1978 Stb. 685, art. I,
Waardering: B, 1/4
Nummer: 114
Handeling: Het van rechtswege jaarlijks vervangen van de bedragen genoemd in dit artikel van verschuldigde belasting, door in Nederland wonende en niet in Nederland wonende werknemers die (grotendeels) binnenlands inkomen genieten, door bedragen die krachtens de wet IB 1964 worden vastgesteld.
Periode: 1989-...: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet op de loonbelasting 1964, v.a. wijz. wet 27-4-1989 Stb. 123: art. 20a.5,
Waardering: B, 1/4
Nummer: 115
Handeling: Het in bepaalde gevallen toewijzen of afwijzen van verzoeken om de bedragen in loonbelastingtabellen, die voor gevallen waarin voor kinderen tussen 16 en 28 jaar oud en die geheel of grotendeels door de werknemer onderhouden worden doch niet tot het huishouden horen als drie kinderen voor de kinderaftrek gelden, zijn vastgesteld, en waarin de premies voor volksverzekeringen zijn opgenomen, te vervangen door een nader vast te stellen bedrag.
Periode: 1965: DGBel/DB
Grondslag: Wet op de loonbelasting 1964, art. 25.8 vervallen bij wijz. wet d.d. 30-7-1965 Stb. 347 art. IX,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 116
Handeling: Het opstellen van regels m.b.t. de verhoging van het percentage waarmee het loon van niet in Nederland wonende artiesten kan worden verminderd indien de aftrekbare kosten hoger zijn dan het in dit artikel opgenomen bedrag van vermindering.
Periode: 1989: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet op de loonbelasting 1964 art. 26a.2 v.a. wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122; vervallen bij wijz. wet 21-12-1989 Stb. 582 ( wordt AMVB),
Waardering: B, 4
Nummer: 117
Handeling: Het vaststellen wijzigen en intrekken van een ministeriële regeling:
1. houdende tabellen waarin telkens de belasting en de premie voor de volksverzekeringen in één bedrag, v.a. wijz. wet 21-12-1989 Stb. 582: in één percentage, worden opgenomen.
2. houdende vaststelling van de berekeningswijze voor de tabellen waaruit het bedrag van de belasting en van de premie volksverzekering in één bedrag af te leiden zijn voor bij deze regeling aan te wijzen gevallen.
Periode: 1989-...: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet op de loonbelasting 1964,
1. art. 27.2 v.a. wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122,
2. art. 27.4 v.a. wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122,
Waardering: B, 4
Nummer: 118
Handeling: Het opstellen van regels m.b.t. het tijdstip waarop uitgaven ter zake van adoptie in aanmerking worden genomen in afwijking met de regel dat aftrekbare kosten, persoonlijke verplichtingen en aftrekbare giften in aanmerking worden genomen in het jaar dat zij worden betaald of verkregen.
Periode: 1983-..?..: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet op de loonbelasting 1964 art. 30.1 v.a. wijz. wet 15-12-1983 Stb. 627; vervallen bij wijz. d.d. ?,
Waardering: B, 4
Nummer: 119
Handeling: Het bepalen dat opgevoerde verminderingen, die niet zijn opgenomen in de loonbelastingtabellen, tot een ander bedrag in aanmerking mogen worden genomen dan dat door de inspecteur, na verzoek hiertoe, bij beschikking is vastgesteld.
Periode: 1984-1989: DGBel./DB
Grondslag: Wet op de loonbelasting 1964, v.a. wijz. wet 20-12-1984 Stb. 649: art. 30.2; vervallen bij wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 120
Handeling: Het voorbereiden van Koninklijke Besluiten:
1. houdende het tijdstip van inwerkingtreding van de wet.
2. houdende regelen voor het geval voor de intrekking van in art. 39 genoemde wetten verschillende termijnen worden gesteld bij inwerkingtreding van de wet loonbelasting 1964.
Periode: 1964: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet op de loonbelasting 1964, art. 40,
Waardering: B, 4
Nummer: 121
Handeling: Het vaststellen, wijzigen en intrekken van loonbelastingtabellen, voor het jaar 1971, in afwijking van art. 20, waarin negatieve bestanddelen ter zake van aftrekbare kosten over een loontijdvak voor een bedrag van ten hoogste f 100,- meer of minder zijn verwerkt.
Periode: 1970-...: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet van 24 december 1970, Stb. 604, houdende wijziging van de inkomstenbelasting en de loonbelasting, art. IV.d,
Waardering: B, 4
Nummer: 122
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van nadere bepalingen ter zake van de overgang naar het schijventarief.
Periode: 1972-...: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet van 16 november 1972, Stb. 614, tot wijziging van de wet loonbelasting 1964 (aanpassing aan de structuur tarief inkomstenbelasting: invoering schijventarief) art. II,
Waardering: B, 4
Nummer: 123
Handeling: Het wel/niet goedkeuren dat in een spaarfonds afgezonderd vermogen wordt aangewend voor de toekenning van loon, dat in het kalenderjaar 1973 in geblokkeerde vorm na 1 juli 1969 doch voor 1973 wordt gespaard ingevolge een spaarloonregeling als bedoeld in art. 34a wet loonbelasting 1964, onder voorwaarde dat over het in dat fonds gestorte vermogen de belasting wordt betaald.
NB Het betreft hier zgn. zwevende fondsen.
Periode: 1972-1973: DGBel./DB
Grondslag: Wet van 13 december 1972, Stb. 697, houdende begeleiding van spaarloon op het terrein van de belasting en premieheffing, art. V, (wijzigt o.a. de loonbelasting).
Waardering: B, 6
Toelichting: Deze handeling is een overgangshandeling geweest. Naar aanleiding hiervan is nieuwe wetgeving met betrekking tot het spaarloon tot stand gekomen. Het onderwerp spaarloon werd bestudeerd door de Commissie van Franeker en uitgewerkt door een ambtelijke werkgroep.
Nummer: 124
Handeling: Het geven van overgangsregels indien een ingediend wetsontwerp houdende wijz. van de indeling van de tariefgroepen in de inkomsten- en loonbelasting en inkomenstoerekening voor gehuwde belastingplichtigen m.i.v. 1-1-1984 kracht van wet krijgt.
Periode: 1983-...: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet van 15 december 1983, Stb. 627, houdende wijziging van de inkomsten- en loonbelasting, art. VI,
Waardering: B, 4
Nummer: 125
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van loonbelasting- en premietabellen voor het derde en vierde kwartaal 1984 indien een ingediend wetsontwerp m.b.t. de indeling in tariefgroepen en de inkomenstoerekening van gehuwden niet voor 1-1-1984 kracht van wet krijgt.
Periode: 1983-...: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet van 15 december 1983, Stb. 627, houdende wijz. van de loon- en inkomstenbelasting, art. VII,
Waardering: B, 4
Nummer: 126
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van overgangsregels i.v.m. de wijz. van de inkomsten- en loonbelasting voor in de privé-sfeer ontvangen en betaalde termijnen van lijfrenten en andere periodieke uitkeringen en verstrekkingen en in die sfeer betaalde premies voor lijfrenten.
Periode: 1984-....: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet van 30 december 1983, Stb. 690, art. XIV,
Waardering: B, 4
Nummer: 127
Handeling: Het vaststellen, wijzigen en intrekken van overgangsregels bij invoering van de wet.
Periode: 1984-...: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet van 20 december 1984, Stb. 649, tot wijziging van de inkomstenbelasting en de loonbelasting; derde fase tweeverdieners, art. X.2
Waardering: B, 4
Nummer: 128
Handeling: Het vervangen van bedragen genoemd in art. 54 Wet inkomstenbelasting die ook van toepassing zijn voor de heffing van de loonbelasting.
Periode: 1984-...: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet van 20 december 1984, Stb. 650, tot bestendiging voor 1985 van de verhoging van de inkomstenbelasting en de loonbelasting, art. 4,
Wet van 6 november 1986, Stb. 570, tot bestendiging voor 1987 van de verhoging van de inkomsten en loonbelasting, art. 3,
Waardering: B, 4
Nummer: 129
Handeling: Het bij ministeriële regeling stellen van afwijkende regels ter bevordering van een goede uitvoering van art. 62.2 Wet IB 1964 en van art. 27 Wet LB 1964 gedurende de eerste 5 jaar.
Periode: 1989-1994: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet van 27 april 1989 Stb. 122, Wet vereenvoudiging tariefstructuur en aftrekposten in de loon- en inkomstenbelasting, art. X,
Waardering: B, 4
Nummer: 130
Handeling: Het stellen, wijzigen en intrekken van ministeriële regelingen:
1. houdende regels inzake opgave aan de inspecteur m.b.t. door de werkgever op het loon van de werknemer ingehouden verrekeningsbijdrage zeevaart.
2. houdende regels verband houdende met de wijzigingen in de heffingsmaatstaf van de loonbelasting en de inkomstenbelasting als gevolg van deze wet.
3. houdende regels ter uitvoering van deze wet.
Periode: 1989-...: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet van 28 december 1989 Stb. 602, Wet faciliteit voor de zeevaart, art. VI, art. VIII,
Waardering: B, 4
Nummer: 131
Handeling: Het, in overeenstemming met de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid/later Werkgelegenheid ( v.a. 25-1-1993 vervalt de overeenstemming met Soc. Zaken), afwijzen of toewijzen van verzoeken om te verklaren dat de arbeidsverhouding van artiesten niet als dienstbetrekking wordt beschouwd indien: a) de artiest zijn werkzaamheden verricht in de uitoefening van een bedrijf of zelfstandige uitoefening van een beroep of b) de artiest het optreden rechtstreeks is overeengekomen met een natuurlijk persoon t.b.v. diens persoonlijke aangelegenheden. (fictieve dienstbetrekking artiest*)
Periode: 1965-...: DGBel./DB
Grondslag: Uitvoeringsbesluit Loonbelasting d.d. 17 mei 1965, Stb. 202, art. 2.2; v.a. wijz. 27-6-1967 Stb. 346: art. 2.3; *v.a. wijz. d.d. 14-12-1973 Stb. 629: art. 2.2,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na intrekking/verloop van de beschikking
Nummer: 133
Handeling: Het behandelen van verzoeken om het wel/niet afgeven, i.s.m. de minister van Sociale Zaken (v.a. 1-1-1992 vervallen), van inhoudingsplichtigenverklaringen voor door artiesten genoten loon.
Periode: 1965-...: DGBel./DB
Grondslag: Uitvoeringsbeschikking loonbelasting 1965, art. 2.2.; gewijzigd in Uitvoeringsbeschikking loonbelasting 1972 in: art. 5.2; gewijzigd in Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990 in: art. 4.3,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na intrekking/verloop van de verklaring
Nummer: 135
Handeling: Het aanwijzen en afwijzen van gevallen van inhoudingsplichtigen die de verplichtingen die m.b.t. inhouding en berekening van de loonbelasting conform art. 4-8 (art. 6-9 v.a. Uitv. Besch. LB 1972) van de beschikking moeten nakomen, onder voorwaarden, m.b.t. door de minister aan te wijzen loon.
Periode: 1965-1990: DGBel./DB
Grondslag: Uitvoeringsbeschikking loonbelasting 1965 d.d. 25 mei 1965 Stcrt. 98, art. 9; gewijzigd in:
Uitvoeringsbeschikking loonbelasting 1972, art. 10,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na intrekking/verloop van de aanwijzing
Nummer: 136
Handeling: Het wel/niet aanwijzen van regelingen houdende aanspraken op (eenmalige) uitkeringen en verstrekkingen (o.a. ter dekking van de kosten van bevallingen, bijzondere kosten van ziekte en invaliditeit voor werknemers) die niet als loon aangemerkt worden.
Periode: 1969-1976: DGBel./DB
Grondslag: Uitvoeringsbeschikking loonbelasting 1965, art. 10g v.a. wijz. 22-12-1969 nr. B69/21555; komt terug in de Uitvoeringsbeschikking loonbelasting 1972 art. 11h Stcrt. 253; vervallen v.a. wijz. 30-12-1976 Stcrt. 255,
Waardering: V, 10 jaar na intrekking/verloop van de aanwijzing
Nummer: 137
Handeling: Het aanwijzen van gevallen van aanspraken op uitkeringen en verstrekkingen waarvoor wel/niet tegemoet gekomen wordt om deze niet tot het loon te rekenen. (vrijgestelde aanspraken*)
Periode: 1969-...: DGBel./DB
Grondslag: Uitvoeringsbeschikking loonbelasting 1965, art. 10h v.a. wijz. 22-12-1969 nr. B69/21555; gewijzigd in:
Uitvoeringsbeschikking loonbelasting 1972, art. 11h; v.a. wijz. 30-12-1976 Stcrt. 255: art. 11g,
Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990, art. 5.d,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na beëindiging/intrekking van de aanwijzing
Nummer: 138
Handeling: Het aanwijzen van gevallen waarin de inhoudingsplichtige aan de werknemer het formulier van de werknemersverklaring ter invulling dient uit te reiken.
Periode: 1965-1990: DGBel./DB
Grondslag: Uitvoeringsbeschikking loonbelasting 1965, art. 31.1; komt terug in de Uitvoeringsbeschikking loonbelasting 1972 art. 36.1c; vervallen in de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990,
Waardering: V, termijn 10 jaar na intrekking/vervallen van de aanwijzing
Nummer: 139
Handeling: Het bepalen voor welk tijdstip werknemers het aan hen uitgereikte formulier werknemersverklaring ingevuld moeten doen toekomen (nadien: binnen een week of binnen een door de inspecteur te bepalen termijn).
Periode: 1965-1972: DGBel/DB
Grondslag: Uitvoeringsbeschikking loonbelasting 1965, art. 31.3,
Waardering: V, termijn: 10 jaar
Nummer: 140
Handeling: Het aan inhoudingsplichtigen, aan wie bekend is met de omstandigheid dat een werknemer geen recht heeft op kinderbijslag, wel/niet toestaan de aanvullende kinderaftrek (v.a. wijz. 29-9-1978 Stcrt. 190: de verhoging van de belastingvrije som) toe te passen zonder daartoe een verzoek aan de inspecteur te doen of een beschikking van de inspecteur te hebben ontvangen.
Periode: 1972-1980: DGBel./DB
Grondslag: Uitvoeringsbeschikking loonbelasting 1972, art. 23.3; vervallen m.i.v. 1-1-1980,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na toestemming/intrekken van toestemming
Nummer: 141
Handeling: Het, in overleg met uitvoeringsorganen van de sociale verzekering, aan inhoudingsplichtigen, die de loonberekening mechanisch of elektronisch verrichten, wel/niet toestaan (v.a. wijz. d.d. 29-12-1978 Stcrt. 253: onder voorwaarden) dat de loonboekhouding op een andere plaats wordt bewaard.
Periode: 1972-...: DGBel./DB
Grondslag: Uitvoeringsbeschikking loonbelasting 1972, art. 39.8,
Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990, art. 25.8,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na beëindiging/intrekking toestemming
Nummer: 143
Handeling: Het, onder voorwaarden, goedkeuren dat inhoudingsplichtigen loonbelastingkaarten bezigen van afwijkende modellen.
Periode: 1978-...: DGBel./DB
Grondslag: Uitvoeringsbeschikking loonbelasting 1972, v.a. wijz. 30-12-1977, Stcrt. 255: art. 41.2,
Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990, art. 27.2,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na vervallen/intrekking goedkeuring
Nummer: 144
Handeling: Het, i.s.m. de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, onder voorwaarden aanwijzen van regelingen als premiespaarregeling of winstdelingsspaarregeling die op slechts ondergeschikte punten afwijken van bepalingen in dit besluit.
Periode: 1965-...: DGBel./DB
Grondslag: Besluit premiespaarregelingen en winstdelingsspaarregelingen 1965, d.d. 24 juni 1965 Stb. 632; v.a. wijz. 21-12-1972 Stb. 719 genaamd: Besluit bedrijfsspaarregelingen, art. 30,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na beëindiging/intrekking van de aanwijzing
Nummer: 146
Handeling: Het, i.s.m. de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, en in afwijking met dit besluit voorbereiden, wijzigen en intrekken van regels t.a.v. aan een spaarregeling deelnemende werknemers die overgaan in de dienst van een andere werkgever en aldaar eveneens aan een spaarregeling deelnemen.
Periode: 1965-...: DGFZ/WDB
Grondslag: Besluit premiespaarregelingen en winstdelingsspaarregelingen 1965; v.a. wijz. 21-12-1972 genaamd: Besluit bedrijfsspaarregelingen, art. 31,
Waardering: B, 4
Nummer: 148
Handeling: Het uitsluiten, i.s.m. de minister van Sociale zaken en Volksgezondheid, van regelingen als premiespaarregeling of winstdelingsspaarregeling en (v.a. 1972) spaarloonregeling indien: A) de regeling bij herhaling niet wordt nageleefd en B) indien de administratie die bij de regeling gehouden wordt geen voldoende mogelijkheid tot controle op de naleving inhoudt.
Periode: 1965-...: DGBel./DB
Grondslag: Besluit premiespaarregelingen en winstdelingsspaarregelingen 1965, art. 34; va. wijz. 21-12-1972 Stb. 719: Regeling bedrijfsspaarregelingen art. 40,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na uitsluiting
Nummer: 150
Handeling: Het, in samenwerking met de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, voor een periode van 5 jaar, aanwijzen van op 1-1-1962 bestaande regelingen als premiespaarregeling of winstdelingsspaarregeling mits deze naar hun oordeel afwijkingen van de bepalingen van dit besluit hebben die door hen kunnen worden aanvaard.
Periode: 1965-...: DGBel./DB
Grondslag: Besluit premiespaarregelingen en winstdelingsspaarregelingen 1965, art. 37;v.a. wijz. 21-12-1972 Stb. 719: Regeling bedrijfsspaarregelingen art. 43,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na vervallen/intrekking van de aanwijzing
Besluit van 18 september 1941 te Londen, Stb. B 78, houdende de invoering van een verplichte inkomstenbelasting, vervallen 1942, Stb. C 33.
Nummer: 154
Handeling: Het, tot 5 jaar na de bezettingstijd, onderzoeken of belastingplichtige met juistheid heeft voldaan aan zijn belastingplicht en het evt. nemen van maatregelen welke het Nederlands recht voorziet.
Periode: 1945-1950
Grondslag: Besluit van 18 september 1941 te Londen, art. 10,
Waardering: B, 9
Besluit van 4 februari 1941, Stb. S 402, van de Secretarissen-Generaal van de Departementen van Financiën en Binnenlandsche Zaken tot regeling voor het jaar 1941 van de gevolgen voor de provinciën, het gemeentefonds en de gemeenten van de tot dusver bestaande belastingen naar het inkomen door een enkele inkomstenbelasting, vervallen 1944 Stb. E 93.
Nummer: 160
Handeling: Het doen van uitkeringen, uit de opbrengst van de nieuwe inkomstenbelasting aan elke provincie, aan het gemeentefonds en aan gemeenten uit het gemeentefonds.
Periode: 1941-1944: Gen. Thes./Begrotingszaken
Grondslag: Besluit van 4 februari 1941 Stb. S 402, art. 1.2, 2, 5, 7,
Waardering: B, 9
Nummer: 161
Handeling: Het vaststellen van de data, samen met de Secretaris-Generaal van Binnenlandsche Zaken, waarop uit de opbrengst van de nieuwe inkomstenbelasting over 1941 uitkeringen worden gedaan aan de provinciën.
Periode: 1941-1944: Adm. Rijksbel./DB- Gen. Thes./Begrotingszaken
Grondslag: Besluit van 4 februari 1941, Stb. 402, art. 1.2
Waardering: B, 4
Nummer: 163
Handeling: Het vaststellen van data, samen met de Secretaris-Generaal van Binnenlandsche Zaken, waarop gemeenten uit het gemeentefonds over de periode 1-5-1941 tot 31-12-1941 uitkering ontvangen van een bedrag samengesteld uit: 2/3e gedeelte v.d. uitkering ontvangen welke de gemeente over 1-5-1940 tot 30-4-1941 per in de gemeentefondsbelasting aangeslagen inwoner; een bedrag gelijk aan 50% van de jaarwedde van de burgemeester en de secretaris; o.g.v. een verdelingsformule uit de opbrengst van de gemeentefondsbelasting.
Periode: 1941-1944: Adm. Rijksbel./DB- Gen. Thes./Begrotingszaken
Grondslag: Besluit van 4 februari 1941, Stb. 402, art. 5.3,
Waardering: B, 4
Nummer: 165
Handeling: Het, samen met de Secretaris-Generaal van Binnenlandsche Zaken, vaststellen van data waarop gemeenten t.l.v. het begrotingsjaar een uitkering ontvangen uit het gemeentefonds waarbij bij de storting door de Staat in het gemeentefonds rekening wordt gehouden dat in de zuivere opbrengst begrepen is de heffing van opcenten bij het heffen van de nieuwe inkomstenbelasting.
Periode: 1941-1944: Adm. Rijksbel./DB-Gen. Thes./Begrotingszaken
Grondslag: Besluit van 4 februari 1941, Stb. 402, art. 7.3,
Waardering: B, 4
Nummer: 167
Handeling: Het, samen met de Secr.-Gen. van Binnenlandsche Zaken, vaststellen, wijzigen en intrekken van regels m.b.t. het verlenen van aanvullende steun i.v.m. verschillen in uitkering uit het gemeentefonds en hetgeen in het gemeentefonds is gestort.
Periode: 1941-1944: Adm. Rijksbel/DB- Gen.Thes.
Grondslag: Besluit van 4 februari 1941, Stb. 402, art. 8,
Waardering: B, 4
Nummer: 169
Handeling: Het, samen met de Secr.-Gen. van Binnenlandsche Zaken, bij beschikking vaststellen dat de bepalingen van dit Besluit afwijkend worden toegepast i.v.m. grenswijzigingen van gemeenten zodanig dat de strekking overeenkomstig is met het Besluit.
Periode: 1941-1944: Adm. Rijksbel./DB-Gen. Thes.
Grondslag: Besluit van 4 februari 1941 Stb. 402, art. 9,
Waardering: B, 6/9
Besluit op de inkomstenbelasting 1941
Nummer: 171
Handeling: Het in overeenstemming met de minister van Economische Zaken bepalen -hetzij in het algemeen hetzij voor bepaalde groepen van gevallen- dat vervroegde afschrijving voor (v.a. 1958: bepaalde) bedrijfsmiddelen, na 31-12-1952 maar voor 1-1-1958 (verlengd tot 1959, 1960) verworven, besteld of aanbesteed tot een bepaald bedrag van de aanschaffings- of voortbrengingskosten kan plaatsvinden; per 1-1-1959: de vervroegde afschrijving kan worden beperkt of buiten toepassing worden gesteld.
Periode: 1953-1964: DGFZ/WDB
Grondslag: Besluit op de inkomstenbelasting 1941, v.a. wijz. wet 24-12-1953 Stb. 591, art. 8.3,
Waardering: B, 4
Nummer: 173
Handeling: Het opstellen wijzigen en intrekken van wetsvoorstellen ter goedkeuring van de beschikking die de vervroegde afschrijving van bedrijfsmiddelen beperkt of buiten toepassing stelt.
Periode: 1959-1964: DGFZ/WDB
Grondslag: Besluit op de inkomstenbelasting 1941, v.a. wijz. wet 31-12-1958 Stb. 651, art. 8.4,
Waardering: B, 1
Nummer: 174
Handeling: Het bepalen dat voor bepaalde gevallen of groepen van gevallen de verplichtingen en voortbrengingskosten m.b.t. kosten voor verkrijging of vervreemding en verbetering van bedrijfsmiddelen, aangegaan tussen bloed- en aanverwanten of tussen gerechtigden tot een zelfde nalatenschap of huwelijksgemeenschap waartoe het bedrijfsmiddel behoort, buiten aanmerking blijven.
Periode: 1953-1964: DGBel./DB
Grondslag: Besluit op de inkomstenbelasting 1941, v.a. wijz. wet 24-12-1953 Stb. 591, art. 8a.8,
Waardering: V, termijn: 10 jaar
Nummer: 175
Handeling: Het in overeenstemming met de minister van Economische zaken bepalen dat verminderingen en bijtellingen van verplichtingen en voortbrengingskosten ter zake van verkrijging, vervreemding of verbetering van bedrijfsmiddelen worden beperkt of buiten toepassing worden gesteld.
Periode: 1959-1964: DGFZ/WDB
Grondslag: Besluit op de inkomstenbelasting 1941, v.a. wijz. wet 31-12-1958 Stb. 651, art. 8a.9,
Waardering: B, 4
Nummer: 177
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van wetsvoorstellen ter goedkeuring van getroffen beschikkingen betr. het bepalen dat verminderingen en bijtellingen van verplichtingen en voortbrengingskosten ter zake van verkrijging, vervreemding of verbetering van bedrijfsmiddelen worden beperkt of buiten toepassing worden gesteld.
Periode: 1959-1964: DGFZ/WDB
Grondslag: Besluit op de inkomstenbelasting 1941, v.a. wijz. wet 31-12-1958 Stb. 651, art. 8a.10,
Waardering: B, 1
Nummer: 178
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van (nadere/bindende) voorschriften/regels:
1. betreffende de waardering van bepaalde andere dan in geld genoten inkomsten; v.a. wijz. wet 24-12-1953 Stb. 589: betr. de waardering van aanspraken en van andere niet in geld genoten inkomsten;
2. m.b.t. het in mindering brengen op de inkomsten van uitgaven, nodig voor het vervullen van meer dan één dienstbetrekking en de afschrijvingen op gebouwen en verhuurde roerende goederen;
3. m.b.t. de verplichting tot het doen van vooruitbetaling door belastingplichtigen op rekening van op te leggen aanslagen;
4. nopens: A) de gevallen, waarin de inspecteur aan een ander dan de belastingplichtige een aangiftebiljet kan uitreiken, B) de gevallen waarin door of namens de belastingplichtige een schriftelijk verzoek om uitreiking van een aangiftebiljet dient te worden gedaan, C) de verdere met de aangifte verband houdende onderwerpen, welker regeling hem voorkomt;
5. welke nodig zijn tot aanvulling en ter uitvoering van dit Besluit;
6. ter vergemakkelijking van de heffing van de belasting of de controle daarvan en welke afwijken van dit Besluit;
7. m.b.t. het voldoen in 5 jaarlijkse termijnen van belasting, die door een overledene is verschuldigd ter zake van voordelen uit bedrijf of zelfstandig beroep, indien het zuiver vermogen in de zin van de Wet op de Vermogensbelasting 1892 voor ten minste de helft als bedrijfsvermogen moet worden aangemerkt;
8. nopens het bedrag aan fooien en dergelijke prestatiën van derden dat in bepaalde gevallen of groepen geacht wordt te zijn genoten alsmede het bepalen dat een bepaald gedeelte van het genoten bedrag niet tot het loon gerekend wordt;
9. m.b.t. de beoordeling, i.v.m. het hebben van aanspraak op kinderaftrek, of a) een kind in belangrijke mate op kosten van de belastingplichtige onderhouden wordt en b) of een kind buiten staat zal zijn om de helft te verdienen van hetgeen lichamelijk en geestelijk gezonde kinderen, in gelijke omstandigheden verkerend, kunnen verdienen.
Periode: 1945-1950: Adm. Rijksbel./DB
1950-1964: DGFZ/WDB
Grondslag: Besluit op de inkomstenbelasting 1941,
1. art. 13.3,
2. art. 14.4,
3. art. 44,
4. art. 52.3,
5. art. 59.1.2e, 59.2
6. art. 59.1.3e, 59.2,
7. art. 44a.1 v.a. wijz. wet 29-9-1950 Stb. K423,
8. art. 27 v.a. wijz. wet 24-12-1953 Stb. 589,
9. art. 47.3 v.a. wijz. wet 24-4-1962 Stb. 163,
Waardering: B, 4
Nummer: 180
Handeling: Het van toepassing verklaren van dit artikel voor bepaalde gevallen of groepen van gevallen van vervreemding van aandelen of winstbewijzen in het kader van een fusie niet conform art. 19.2 en 21 waarvoor niet art. 3-7 gelden en fusies waarbij een of meer hier te lande gevestigde vennootschappen niet alle of nagenoeg alle aandelen in en winstbewijzen van een andere vennootschap verkrijgen tegen eigen aandelen/winstbewijzen en indien zulks niet geschiedt teneinde, in financieel en economisch opzicht, de bedrijven duurzaam in eenheid samen te brengen.
NB zie ook de handelingen nrs. 247 (periode v.a. 1964) en 239 (periode v.a. 1992)
Periode: 1960-1964: DGBel./DB
Grondslag: Besluit op de inkomstenbelasting 1941, v.a. wijz. wet 24-12-1959 Stb. 499, art. 21a.6,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na intrekking/vervallen van de beslissing
Nummer: 181
Handeling: Het bepalen dat niet tot het loon behoren: 1) uitkeringen niet tot het regelmatige loon behorend zoals: gratificaties en andere voordelen voor zover zij van geringe betekenis zijn, 2) verstrekkingen tot dekking van bijzondere kosten: zoals ter zake van bevalling, ziekte en overlijden, 3) uitkeringen door derden, die niet voor een belangrijk deel door de werkgever worden bekostigd.
Periode: 1953-1964: DGFZ/WDB
Grondslag: Besluit op de inkomstenbelasting 1941, v.a. wijz. wet 24-12-1953 Stb. 589: art. 26b.2,
Waardering: B, 4
Nummer: 182
Handeling: Het aanwijzen van regelingen als pensioenregeling waarvan de uitkeringen niet tot het loon behoren.
Periode: 1953-1964: DGBel./DB
Grondslag: Besluit op de inkomstenbelasting 1941, v.a. wijz. wet 24-12-1953 Stb. 589: art. 26b.3,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na intrekking/vervallen van de aanwijzing
Nummer: 183
Handeling: Het bepalen in welke gemeente buitenlandse belastingplichtigen, alsmede binnenlandse belastingplichtigen, die geen vaste woongemeente hebben worden aangeslagen.
Periode: 1945-1950: Adm. Rijksbel./DB, 1950-1964: DGFZ/WDB
Grondslag: Besluit op de inkomstenbelasting 1941, art. 42.2,
Waardering: B, 4
Nummer: 184
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van de bij dit Besluit behorende tabellen van verschuldigde belasting.
NB
De wijzigingen van de tabellen geschiedde bij afzonderlijke wetten.
Periode: 1945-1950: Admin. Rijksbel./DB, 1950-1964: DGFZ/WDB
Grondslag: Besluit op de inkomstenbelasting art. 45,
Waardering: B, 1
Nummer: 185
Handeling: Het behandelen van verzoeken om het wel/niet verlenen van kwijtschelding van de verhoging de aanslag die is opgelegd na aanmaning een aangifte te doen welke niet is opgevolgd.
Periode: 1951-1964: DGBel./DB
Grondslag: Besluit op de inkomstenbelasting 1941, v.a. wijz. wet d.d. 16-8-1951 Stb. 378, art. 52.4,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 186
Handeling: Het bepalen dat voor buitenlandse belastingplichtigen, die voor de loonbelasting aanspraak hebben op kinderaftrek doch voor de inkomstenbelasting niet, een hoger bedrag met de aanslag mag worden verrekend.
Periode: 1945-1950: Adm. Rijksbel./DB, 1950-1965: DGFZ/WDB
Grondslag: Besluit op de inkomstenbelasting 1941, art. 53.3,
Waardering: B, 4
Nummer: 187
Handeling: Het aanwijzen van gevallen waarvoor het niet opleggen van aanslagen of het niet verlenen van teruggaaf voor de belastingplichtige zou leiden tot een bijzondere hardheid of tot een ongemotiveerd voordeel.
NB Na de inwerkingtreding van de AWR komt deze handeling terug in art. 63 van die wet. Zie handeling no. 68 van de PIVOT-rapportage `Belastingver(h)effend'
Periode: 1945-1964: Adm. Rijksbel./DGBel./DB
Grondslag: Besluit op de inkomstenbelasting 1941, art. 55.1.3e,
Waardering: B, 4
Nummer: 188
Handeling: Het opstellen wijzigen en intrekken van AMVB's:
1. houdende bepalingen m.b.t. verzekering der Belasting van personen die binnen het Rijk een bedrijf of beroep uitoefenen zonder een vaste woonplaats te hebben.
2. houdende regels waaraan spaarregelingen -niet zijnde pensioenregelingen- die ten doel hebbende bevordering van duurzaam bezit van de werknemers d.m.v. a) besparingen van werknemers welke door hun werkgever zijn ingehouden en van uitkeringen welke door hun werkgever naar gelang van de besparingen worden gedaan (premiespaarregeling); en d.m.v. b) van uitkeringen door de werkgever naar gelang zijn winst of van aan anderen toekomende winstuitkeringen (winstdelingsspaarregelingen); dienen te voldoen.
3. houdende aanwijzingen waarop uitkeringen t.b.v. onroerende zaken dienen te worden besteed om als premiespaarregeling te worden aangemerkt.
4. houdende regels m.b.t. de wijze waarop werknemers van een uitkering kunnen genieten i.v.m. de erkenning van een winstdelingsregeling als spaarregeling.
5. houdende afwijzing en aanwijzing van regelingen die aangemerkt worden als spaarregeling ondanks dat zij niet geheel voldoen aan de voorwaarden welke bij AMVB in art. 6.4.5.6 zijn voorgeschreven.
6. houdende regels ter verzekering van het heffen van belasting over uitbetalingen `welke in afwijking van de spaarregeling aan de werknemer wordt gedaan'.
Periode: 1945-1950: Adm. Rijksbel./DB, 1950-1964: DGFZ/WDB
Grondslag: 1. Besluit op de inkomstenbelasting 1941, art. 57 (waarin bepaalt wordt dat een aantal artikelen van de Wet IB 1914 van kracht blijven: art. 104),
2. art. 26b.4 v.a. Wijz. Wet 26 oktober 1961, Stb. 459,
3. art. 26b.5 v.a. Wijz. Wet 26 oktober 1961, Stb. 459,
4. art. 26b.6 v.a. Wijz. Wet 26 oktober 1961, Stb. 459,
5. art. 26b.7 a en b v.a. Wijz. Wet 26 oktober 1961, Stb. 459,
6. art. 26b.7c v.a. Wijz. Wet van 26 oktober 1961, Stb. 459,
Waardering: B, 4
Nummer: 189
Handeling: Het vaststellen, wijzigen en intrekken van voorschriften m.b.t. de inzage en van de vergoeding verschuldigd voor inzage en het nemen afschriften van kohieren van aanslagen in de inkomstenbelasting door bestuurders, ambtenaren en leden van kerkgenootschappen.
Periode: 1945-1950: Adm. Rijksbel./DB, 1950-1964: DGFZ/WDB
Grondslag: Besluit op de inkomstenbelasting 1941, art. 57 (waarin bepaald wordt dat een aantal artikelen van de Wet IB 1914 van kracht blijven: art. 107),
Waardering: B, 4
Nummer: 190
Handeling: Het verlenen van ontheffingen van de geheimhoudingsplicht i.v.m. de uitvoering van de wet.
NB
Na inwerkingtreding van de AWR komt deze handeling terug in die wet. Zie handeling no. 70 PIVOT-rapportage `Belastingver(h)effend'.
Periode: 1945-1964: Adm. Rijksbel/DGBel./AJZ
Grondslag: Besluit op de inkomstenbelasting 1941, art. 57 (waarin bepaalt wordt dat een aantal artikelen van de Wet IB 1914 van kracht blijven: art. 108),
Waardering: V, termijn: 10 jaar na de ontheffing
Nummer: 191
Handeling: Het verlenen van kwijtschelding of vermindering van de aanslag, van de aanslag tot navordering en van de verhoging van inkomstenbelasting o.g.v. dwaling of verschoonbaar verzuim.
Periode: 1945-1964: Adm. Rijksbel/DGBel./DB
Grondslag: Besluit op de inkomstenbelasting 1941, art. 57 (waarin bepaalt wordt dat een aantal artikelen van de Wet IB 1914 van kracht blijven: art. 110),
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 192
Handeling: Het laten vervolgen en het tot transactie toelaten van belastingplichtigen die belasting hebben ontdoken.
Periode: 1945-1964: Adm. Rijksbel./DGBel./DB
Grondslag: Besluit op de inkomstenbelasting 1941, art. 57 (waarin bepaalt wordt dat een aantal artikelen van de Wet IB 1914 van kracht blijven: art. 126),
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 193
Handeling: Het bepalen dat een voorheffing bij wijze van inhouding mede zal plaatsvinden m.b.t. andere inkomsten dan die welke onder de dividendbel. of loonbelasting vallen.
Periode: 1941-1950: Adm. Rijksbel./DB, 1950-1964: DGFZ/WDB
Grondslag: Besluit op de inkomstenbelasting 1941, art. 59.1.1e, 59.2
Waardering: B, 4
Nummer: 194
Handeling: Het, voor bepaalde gevallen of groepen van gevallen, tegemoetkomen aan onbillijkheden van overwegende aard welke zich bij de toepassing van dit Besluit voordoen.
NB Na inwerkingtreding van de AWR komt deze handeling terug in art. 63 van die wet. Zie handeling no. 68 van de PIVOT-rapportage `Belastingver(h)effend'.
Periode: 1945-1964: Adm. Rijksbel./DGBel./ DB
Grondslag: Besluit op de inkomstenbelasting 1941, art. 59.1.4e, 59.2,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling/vervallen
Nummer: 195
Handeling: Het bepalen dat bij het vaststellen van het zuiver inkomen over 1941/1942 ook inkomensbestanddelen van het jaar 1940 in aanmerking genomen worden.
Periode: 1941-1942: Adm. Rijksbel./DB
Grondslag: Besluit op de inkomstenbelasting, art. 60.1
Waardering: B, 4/9
Nummer: 196
Handeling: Het uitvaardigen, wijzigen en intrekken van overgangsbepalingen m.b.t. aanslagen in belastingen naar het inkomen over 1940/1941, voor zover zij betrekking hebben op laatste 4 maanden van dat jaar en verrekend worden met de belasting welke krachtens dit besluit wordt geheven, waarvoor ontheffing is verleend naar aanleiding van een verzoek ing. art. 42 Besluit Loonbelasting 1940.
Periode: 1941-1942: Adm. Rijksbel./DB
Grondslag: Besluit op de inkomstenbelasting 1941, art. 60.6
Waardering: B, 4/9
Nummer: 197
Handeling: Het afdoen van verzoeken m.b.t. het wel/niet aanwijzen als pensioenregeling welke andere uitkeringen doet dan ter verzorging voor invaliditeit, ouderdom, weduwen, en minderjarige kinderen en die niet tot het loon gerekend worden.
Periode: 1945-1953: Adm. Rijksbel./DGBel./DB
Grondslag: Derde Uitvoeringsbeschikking inkomstenbelasting 1941, art. 1, b.w. 1953 Stcrt. 30.
Waardering: V, termijn: 20 jaar na intrekking/vervallen van de aanwijzing of 20 jaar na afwijzing van het verzoek
Nummer: 198
Handeling: Het vaststellen, wijzigen en intrekken van het model van het belastingboekje dat de werknemer voor de aanvang van het jaar of de werkzaamheden dient aan te vragen.
NB
Zie ook de handeling bij het Besluit Loonbelasting 1940 inz. vaststelling model belastingboekje losse arbeiders.
Periode: 1946-1950: Adm. Rijksbel/DB, 1950-1964: DGFZ/WDB
Grondslag: Achtste Uitvoeringsbeschikking inkomstenbelasting 1941, art. 6
Waardering: B, 4
Nummer: 199
Handeling: Het desgevraagd wel/niet aanwijzen, onder evt. voorwaarden, als pensioenregeling van regelingen krachtens welke een werknemer of andere gerechtigden tegenover een werkgever, een fonds of verzekeringsmaatschappij, aanspraak of mede aanspraak heeft op enige andere uitkering dan pensioen.
Periode: 1953-: DGBel./DB
Grondslag: Uitvoeringsresolutie inkomstenbelasting 1953, art. 9 vervallen bij wijz. 30-12-1953 no. 6, Stcrt. 253
Waardering: V, termijn: 20 jaar na intrekking/vervallen van de aanwijzing of 20 jaar na afwijzing van het verzoek
Nummer: 200
Handeling: Het aanwijzen van ontvangkantoren der directe belastingen of der invoerrechten en accijnzen waar binnenschippers een bewijs kunnen verkrijgen waaruit blijkt dat zij hun verplichtingen ingevolge dit Besluit m.b.t. de inkomstenbelasting en de vermogensbelasting zijn nagekomen.
Periode: 1945-1964: Adm. Rijksbel./DGBel./O.v.d.B.
Grondslag: Besluit van 27 april 1929, Stb. 215, houdende bepalingen tot verzekering van de belasting naar inkomen en vermogen, te heffen van binnenschippers en van tot de bemanning van een binnenvaartuig behorend personen, die binnen het Rijk hun bedrijf of beroep uitoefenen, zonder een vast woon- of verblijfplaats te hebben, art. 1, b.w. 1953, ingetrokken 1963 Stb.52.
Schippersbesluit directe belastingen 1953, art. 1.2
Waardering: B, 4
Nummer: 201
Handeling: Het voorbereiden wijzigen en intrekken van een AMVB regelende in welke gevallen, in hoeverre en onder welke voorwaarden verminderingen van de onbelaste reserve gepaard mogen gaan met bijzondere afschrijvingen op onroerende goederen en andere zaken welke voor de uitoefening van een bedrijf worden gebruikt e.e.a. in verband met de heffing van inkomstenbelasting o.g.v. het Besluit op de inkomstenbelasting 1941 en vennootschapsbelasting o.g.v. Besluit vennootschapsbelasting 1942.
Periode: 1947-1950: Adm. Rijksbel./DB
Grondslag: Wet Belastingherziening 1947, art. 4.4, vervallen bij de Wet Belastingherziening 1950, Stb. K 423,
Waardering: B, 4
Nummer: 203
Handeling: Het vaststellen, wijzigen en intrekken van uitvoeringsbepalingen.
Periode: 1947-1950: Adm. Rijksbel./DB
Grondslag: Wet Belastingherziening 1947, art. 13, vervallen bij de Wet Belastingherziening 1950, Stb. K 423,
Waardering: B, 4
Nummer: 204
Handeling: Het opstellen van voorwaarden m.b.t. het niet hoger waarderen van bedrijfsmiddelen bij overgang tot het vermogen van een ander dan tevoren i.v.m. het bepalen van het zuiver bedrijfsvermogen.
Periode: 1950-19...: DGBel./DB
Grondslag: Wet van 29 september 1950, Stb. K423, Wet Belastingherziening 1950, art. 2.5c,
Waardering: V, termijn: 10 jaar
Nummer: 205
Handeling: Het opstellen wijzigen en intrekken van een aanvullende inkomstenbelastingtabel, voor personen met een bepaald inkomen, vallende in tariefgroep III.
Periode: 1950-...: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet van 21-12-1950, Stb. K 595, tot verlaging van de inkomstenbelasting en de loonbelasting, art. 1.3,
Wet van 24 december 1953, Stb. 592, tot verlaging van de inkomstenbelasting en de loonbelasting, art. 1,
Wet van 15 augustus 1955, Stb. 370, houdende wijziging van de inkomstenbelasting, de loonbelasting en de vennootschapsbelasting, art. I,
Wet van 28 december 1960, Stb. 598, houdende verlaging van de inkomstenbelasting en de loonbelasting, art. I.2.
Wet van 10 februari 1965, Stb. 72, tot verlaging van de inkomstenbelasting en de loonbelasting, art. III.2.
Waardering: B, 4
Nummer: 206
Handeling: Het bepalen, hetzij in het algemeen hetzij voor groepen van gevallen, in overleg met de minister van Economische Zaken, dat m.b.t. bedrijfsmiddelen welke na het in werking treden van deze wet zijn verworven, verbeterd, besteld of aanbesteed, de vervroegde afschrijving op de voet van art. 8.3 een bepaald bedrag van de aanschaffings- of voortbrengingskosten kan bedragen.
Periode: 1951-...: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet van 16 augustus 1951, Stb. 378, tot wijziging van de Besluiten inkomstenbelasting 1940, Loonbelasting 1940 en de Wet Vermogensbelasting 1892, art. 4,
Waardering: B, 4
Nummer: 208
Handeling: Het, in overeenstemming met de minister van Economische Zaken, ter zake van verwerving of verbetering van bedrijfsmiddelen waarvoor na een te bepalen tijdstip verplichtingen zijn aangegaan, bepalen dat deze verplichtingen buiten aanmerking blijven dan wel dat de vermindering en bijtelling ingevolge art. 8a Besluit IB ten dele wordt verleend.
Periode: 1958-...: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet van 31 juli 1957, Stb. 288, tot schorsing van de investeringsaftrek, v.a. wijz. wet 6-2-1958 Stb. 56: art. 3,
Waardering: B, 4
Nummer: 210
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van een AMVB's:
1. regelende de inwerkingtreding van de verlaging van de inkomstenbelasting.
2. bepalende dat de belasting verschuldigd volgens de inkomstenbelastingtabellen (beschreven in dit artikel) tot een bepaald inkomen, dat voor de onderscheidene tariefgroepen verschillend kan zijn, geheel of gedeeltelijk niet wordt geheven.
NB
Deze wet treft een gelijke regeling voor de loonbelasting (art. IV). Zie voor uitwerking voor de betreffende handeling bij de loonbelasting elders in dit rapport.
Periode: 1965-...: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet van 10 februari 1965, Stb. 72, tot verlaging van de inkomstenbelasting en de loonbelasting,
1. art. I.2,
2. art. II.3,
Waardering: B, 4
Nummer: 211
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van een AMVB bepalende dat de verlaging van de loon- en inkomstenbelasting op een eerder tijdstip dan 1-7-1967 ingaat.
Periode: 1966-...: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet van 29 december 1966, Stb. 595, houdende uitstel van de verlaging van de inkomstenbelasting en de loonbelasting, art. I.1,
Waardering: B, 4
Wet van 16 december 1964, Stb. 512, Wet op de inkomstenbelasting 1964, in werking per 1-1-1965.
Nummer: 212
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van een AMVB krachtens welke afgeweken kan worden van de bepaling dat de buiten het Rijk verblijf houdende Nederlander die in dienstbetrekking staat tot een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon, alsmede zijn echtgenote en minderjarige kinderen worden geacht binnen het Rijk te wonen.
Periode: 1967-1972: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, art. 2.2 v.a. wijz. wet 20-7-1967 Stb. 396; vervallen 26-1-1972 Stb. 43,
Waardering: B, 4
Nummer: 213
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van een AMVB dat bepaald dat een Nederlander die militair is geacht wordt blijvend buiten het Rijk werkzaam te zijn zodat voor de heffing van inkomstenbelasting de Nederlander geacht wordt niet woonachtig te zijn binnen het Rijk.
Periode: 1972-1989: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, art. 2.2 onder b v.a. wijz. wet 26-1-1972 Stb. 43; vervallen bij wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122,
Waardering: B, 4
Nummer: 215
Handeling: Het afwijzen of toewijzen, onder voorwaarden, van verzoeken om premies en betalingen voor pensioenvoorzieningen ten laste van de winst te mogen brengen. (comming-backservicebetalingen pensioenvoorziening directeur/aandeelhouder*)
Periode: 1975-...: DGBel./DB
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, v.a. wijz. wet 10-12-1975 Stb. 680: art. 9a.5,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 217
Handeling: Het, in overeenstemming met de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieuhygiëne (eerstverantwoordelijke) en na overleg met de minister van Economische Zaken, aanwijzen van bedrijfsmiddelen die in het belang zijn van de bescherming van het milieu waarvoor vervroegde afschrijving van aanschaffings-en voortbrengingskosten via aftrek in de inkomstenbelasting is toegestaan.
Periode: 1991-...: DGFZ/
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, v.a. wijz. wet 19-7-1991 Stb. 425, art. 10.3,
Waardering: B, 4
Nummer: 219
Handeling: Het, in overeenstemming met de minister van Economische Zaken, bepalen dat de afschrijving, mits vervroegd, van een derde van de voortbrengingskosten van een bedrijfsmiddel (1975: gebouwen verworven na 17-11-1974 maar voor 22-4-1975: 2/5e van de aanschaffings- of voortbrengingskosten, gebouwen verworven of verbeterd na 21-4-1975: de helft van de aanschaffings-of verbeteringskosten; termijnen zijn verschillende malen verlengd), in het algemeen of voor bepaalde groepen van bedrijfsmiddelen -en (v.a. 1969 ook:) voor zoveel het gebouwen betreft mede voor gebouwen of groepen van gebouwen in bepaalde gebieden, wordt beperkt of buiten toepassing wordt gesteld.
Toelichting Bij invoering van de Wet Investeringsrekening (WIR) zijn de bepalingen m.b.t. tegemoetkomingen i.v.m. investeringen opnieuw geformuleerd en uitgebreid. De handelingen die hier uit voortvloeien zijn terug te vinden bij de uitwerking van art. 61 e.v.
Periode: 1965-1978: DGFZ/WDB
Grondslag: 1. Wet op de inkomstenbelasting 1964, art. 10.4; vervallen bij wijz. wet 29-6-1978 Stb. 368 (WIR),
2. Wet van 12-2-1969, Stb. 84, art. II (NB wanneer dit artikel toegepast wordt i.v.m. beperking of buiten toepassing verklaren van vervroegde afschrijving van verworven en verbeterde gebouwen, niet zijnde woonhuizen, in bepaalde gebieden hoeft de beschikking niet meer bij wet goedgekeurd te worden zoals art. 10.5 voorschrijft)
Waardering: B, 4
Nummer: 221
Handeling: Het, na overleg met de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieuhygiëne (eerstverantwoordelijk) en de minister van Economische Zaken, intrekken of beperken van het toestaan van vervroegde afschrijving in de inkomstenbelasting op aanschaffings- en voortbrengingskosten voor bedrijfsmiddelen die van belang zijn voor de bescherming van het milieu.
Periode: 1991-...: DGFZ
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, v.a. wijz. wet 19-7-1991, Stb. 353, art. 10.4,
Waardering: B, 4
Nummer: 224
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van voorstellen van wet tot goedkeuring van de ministeriële regeling die uitgevaardigd wordt ter beperking of buiten toepassing stelling van vervroegde afschrijving van een derde van de voortbrengingskosten voor bedrijfsmiddelen.
Periode: 1965-1978: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, art. 10.5; vervallen bij wijz. wet 29-6-1978 Stb. 368,
Waardering: B, 1
Nummer: 225
Handeling: Het voorbereiden van voorstellen van wet houdende goedkeuring van de ministeriële regelingen waarin de vervroegde afschrijving, via aftrek in de inkomstenbelasting voor aanschaffings- en voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen die van belang zijn voor de bescherming van het milieu, beperkt of buiten toepassing wordt gesteld.
Periode: 1991-....: DGFZ/
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, v.a. wijz. wet 19-7-1991 Stb. 425, art. 10.5,
Waardering: B, 1
Nummer: 226
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van ministeriële regelingen:
1. betreffende het vaststellen van de termijn waarbinnen de accountantsverklaring moet worden ingediend om voor de toepassing van vervroegde afschrijving van aanschaffings- en voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen welke in het belang zijn van de bescherming van het milieu via aftrek in de inkomstenbelasting in aanmerking te komen.
2. houdende het, in overeenstemming met de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieuhygiëne, stellen van regels m.b.t. de (accountants-)verklaring van juistheid van gegevens die ingediend moet worden om voor de toepassing van vervroegde afschrijving, via aftrek in de inkomstenbelasting, in aanmerking te komen van aanschaffings- en voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen welke in het belang zijn van de bescherming van het milieu.
Periode: 1991-...: DGFZ/
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964,
1. art. 10.7 v.a. wijz. wet 19-7-1991 Stb. 425,
2. art. 10.8 v.a. wijz. wet 19-7-1991 Stb. 425,
Waardering: B, 4
Nummer: 228
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van ministeriële regelingen betreffende wijziging van de percentages van het investeringsbedrag dat ten laste van de winst gebracht mag worden als zijnde investeringsaftrek.
Periode: 1989-...: DGFZ/
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, art. 11.3, v.a. wijz. wet 28-12-1989 Stb. 601,
Waardering: B, 4
Nummer: 229
Handeling: Het voorbereiden van wetten ter goedkeuring van ministeriële regelingen waarin de percentages van het investeringsbedrag gewijzigd worden die ten laste van de winst mogen worden gebracht als zijnde investeringsaftrek.
Periode: 1990-...: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, v.a. wijz. wet 28-12-1989 Stb. 601, art. 11.4,
Waardering: B, 1
Nummer: 230
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van ministeriële regelingen betreffende toevoeging aan de in de wet vermelde lijst van bedrijfsmiddelen waarvoor een bepaald percentage van het investeringsbedrag ten laste van de winst gebracht mag worden als zijnde investeringsaftrek.
Periode: 1989-...: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, art. 11.6, v.a. wijz. wet 28-12-1989 Stb. 601,
Waardering: B, 4
Nummer: 231
Handeling: Het bepalen dat, in bepaalde gevallen, investeringen (in bedrijfsmiddelen) niet buiten aanmerking blijven ingeval: a) verplichtingen aangegaan zijn tussen bloed- en aanverwanten in de rechte linie en in de 2e graad van de zijlinie, b) verplichtingen zijn aangegaan tussen gerechtigden tot nalatenschap of huwelijksgemeenschap waartoe het bedrijfsmiddel hoort, c) verplichtingen zijn aangegaan tussen degene die voor tenminste een derde gedeelte van het nominaal gestorte kapitaal aandeelhouder is in een vennootschap welker kapitaal geheel in aandelen is verdeeld.
Periode: 1965-1978: DGBel./DB
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, art. 11.7; vervallen bij wijz. wet 29-6-1978 Stb. 368,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 232
Handeling: Het bepalen dat ingeval: 1) voor bedrijfsmiddelen bestemd voor het drijven van een (gedeelte) van een onderneming, een regeling t.v.v. dubbele belasting van toepassing is, 2) verplichtingen zijn aangegaan tussen bloed- en aanverwanten in rechte lijn of 2e graad van de zijlijn, tussen echtgenoten alsmede tussen belastingplichtige en degene die in aanmerking komt voor de overdracht van de basisaftrek, 3) verplichtingen aangegaan tussen gerechtigden tot een nalatenschap waartoe een bedrijfsmiddel hoort, 4) verplichtingen die zijn aangegaan tussen degene die ten minste voor 1/3 gedeelte van het nominaal gestorte kapitaal aandeelhouder is of de laatste 5 jaar is geweest in een n.v. welker kapitaal in aandelen is verdeeld, het bedrijfsmiddel of de investering wel/niet in aanmerking genomen mogen worden voor de investeringsaftrek. (ontheffing uitsluiting bedrijfsmiddelen voor investeringsaftrek*)
Periode: 1990-....: DGBel./DB
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, v.a. wijz. wet 28-12-1989 Stb. 601, art. 11.8,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 233
Handeling: Het bepalen dat met het investeren in bedrijfsmiddelen (bestemd voor de bosbouw/verbetering van grond of) bestemd voor het drijven van een onderneming waarop een regeling t.v.v. dubbele belasting van toepassing is, tot de door de minister vast te stellen bedragen, wel/niet wordt gelijkgesteld met het wijzigen van de bestemming van een bedrijfsmiddel zodanig dat het bedrijfsmiddel voortaan gebruikt wordt voor het drijven van een onderneming in Nederland, zodat investeringsaftrek kan worden toegestaan. (fictieve investeringen*)
Periode: 1990-...: DGBel./DB
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, v.a. wijz. wet 28-12-1989 Stb. 601, art. 11.9,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 234
Handeling: Het, in overeenstemming met de minister van Economische Zaken, bepalen dat de investeringsaftrek in het algemeen of voor bepaalde groepen van bedrijfsmiddelen wordt beperkt of buiten toepassing wordt gesteld.
Periode: 1965-1978: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, art. 11.10; vervallen bij wijz. wet 29-6-1978 Stb.368,
Waardering: B, 4
Nummer: 236
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van wetsvoorstellen tot goedkeuring van uitgegeven ministeriële regelingen die de investeringsaftrek in het algemeen of voor bepaalde groepen van bedrijfsmiddelen beperken of buiten toepassing stellen.
Periode: 1965-1978: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, art. 11.11; vervallen bij wijz. wet 29-6-1978 Stb. 368,
Waardering: B, 1
Nummer: 237
Handeling: Het, in bijzondere gevallen, afwijzen of toewijzen van verzoeken tot het verlengen van termijnen voor 1) het niet afgegeven zijn van een zeebrief of het niet geregistreerd zijn in het centraal visserij-register 6 maanden nadat het zeeschip in gebruik had kunnen zijn, 2) het niet afgegeven zijn van een zeebrief of het niet geregistreerd zijn in het centraal visserijregister binnen 6 jaren na aanvang van het kalenderjaar waarin de investering heeft plaatsgevonden, 3) het vervallen van de zeebrief, tenzij aansluitend een nieuwe wordt uitgereikt, het intrekken van een zeebrief of het doorhalen in het centraal visserijregister; m.b.t. gelijkstelling aan vervreemding i.v.m. het verlenen van investeringsaftrek voor de Nederlandse Koopvaardij.
Periode: 1973-1978: DGBel./DB
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, v.a. wijz. wet 14-3-1973 Stb. 92: art. 11.14; vervallen bij wijz. wet 29-6-1978 Stb. 368,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 238
Handeling: Het bepalen dat het wijzigen van de bestemming van een zaak wel/niet wordt gelijkgesteld met vervreemding zodat investeringen in bedrijfsmiddelen wel/niet in aanmerking komen voor investeringsaftrek. (fictieve vervreemding*)
Periode: 1990-....: DGBel./DB
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, v.a. wijz. wet 28-12-1989 Stb. 601, art. 11a.2,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 239
Handeling: Het afwijzen of toewijzen, onder voorwaarden, van verzoeken om de inspecteur te machtigen dit artikel toe te passen (m.b.t. het bepalen van winst uit vervreemding van aandelen/winstbewijzen, het aanwezig achten van aandelenfusie, hetgeen onder een vennootschap verstaan wordt, het te boek stellen van winst uit vervreemding) ingeval een vennootschap geen onderneming drijft.
NB zie ook de handelingen nrs. 180 en 247
Periode: 1992-...: DGBel./DB
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, v.a. wijz. wet 10-9-1992 Stb. 491, art. 14b.7,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 240
Handeling: Het afwijzen of toewijzen van verzoeken, onder het stellen van voorwaarden, inzake het als niet als gestaakt bedrijf beschouwen ingeval een niet in de vorm van een NV en v.a. 1971 een NV/BV met beperkte aansprakelijkheid gedreven onderneming wordt omgezet in een wel in zodanige vorm gedreven onderneming mits de oprichters in het aandelenkapitaal geheel/nagenoeg geheel in dezelfde verhouding gerechtigd zijn, i.v.m. het bepalen van de winst ter heffing en invordering van de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting en (v.a. 1990) het vaststellen van de investeringsaftrek. (geruisloze overgang)
Periode: 1965-...: DGBel./DB
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, art. 18.1,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 241
Handeling: Het afwijzen of toewijzen, onder voorwaarden, van verzoeken af te wijken met het heffen van inkomstenbelasting (vrijstelling) ingeval in rechtstreeks verband met en uiterlijk 6 maanden na het staken van een onderneming periodieke uitkeringen of verstrekkingen van lijfrenten worden bedongen mits a) deze toekomen aan de gewezen ondernemer (v.a. 1989: de belastingplichtige), zijn echtgenote en minderjarige kinderen/pleeg- of (v.a. 1989) stiefkinderen of b) indien deze niet eindigen bij het overlijden van gerechtigden en voor zover zij aan de kinderen/pleeg of stiefkinderen en tevens een einde nemen bij hun meerderjarigheid.
NB
In de periode 1972-1989 konden ook verzoeken ingediend worden door degenen die voldeden aan:
c) v.a. 1972: voor zover toekomend aan belastingplichtigen de verstrekkingen niet later ingaan dan op 65-jarige leeftijd en indien toekomend aan anderen niet later ingaand dan 6 maanden na staking van het bedrijf,
Geen verzoeken konden worden ingediend indien:
d) de verstrekkingen zijn bedongen van een binnen het Rijk wonend natuurlijk persoon v.a. 1989 niet zijnde de echtgenoot die, een als binnenlands belastingplichtige aan de venn. bel. onderworpen lichaam dat, dan wel verzekeraar die de verplichting tot het doen van uitkeringen of verstrekkingen rekent tot het vermogen van zijn binnen het Rijk gedreven onderneming.
Periode: 1965-1991: DGBel./DB
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, art. 19.3; gewijzigd bij wijz. wet 16-11-1972 Stb. 612 in: art. 19.4b; gewijzigd v.a. wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122 in: art. 19.5; vervallen bij wijz. wet 12-12-1991 Stb. 697,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandelen
Nummer: 242
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van regels nopens de waardering van uitkeringen en verstrekkingen/aanspraken welke bedongen worden bij de staking van een onderneming, i.v.m. vrijstelling.
Periode: 1972-1989: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, art. 19.3 v.a. wijz. wet 5-7-1972 Stb. 401; gewijzigd bij wijz. wet 16-11-1972 Stb. 612 in: art. 19.4a; vervallen bij wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122,
Waardering: B, 4
Nummer: 243
Handeling: Het beslissen op verzoeken om het gehanteerde percentage van de waardering van voordeel uit het bezit van aandelen, beleggingen in effecten, onroerend goed of hypothecaire schuldvorderingen voor de heffing van inkomstenbelasting buiten toepassing te laten of te verlagen omdat het in aanmerking te nemen voordeel meer bedraagt dan het bedrag dat uit de in het voorafgaande jaar genoten had kunnen worden als dat voordeel in dat jaar ter beschikking was gesteld. (fictief rendement)
Periode: 1969-...: DGBel./DB
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, v.a. wijz. wet 8-10-1969 Stb. 445: art. 29a.3; vervangen bij wijz. wet 21-6-1980 Stb. 334 door: art. 29a.5,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 244
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van ministeriële regelingen houdende afwijkende regels ter zake van het beschouwen als genoten inkomsten van verkregen buiten het Rijk, op het tijdstip waarop zij ontvangen of verrekend zijn of ter beschikking van belastingplichtige zijn gesteld of rentedragend zijn geworden, dan wel vorderbaar en tevens inbaar zijn geworden.
Periode: 1965-1989: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, art. 33.3; gewijzigd 8-10-1969 in: art. 33.4; vervallen 27-4-1989 Stb. 122,
Waardering: B, 4
Nummer: 245
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van (nadere) regels/ministeriële regelingen:
1. nopens de waardering van aanspraken en van andere niet in geld genoten inkomsten.
2. m.b.t. afschrijving van aftrekbare kosten tot verwerving, inning en behoud van inkomsten en afschrijvingen op goederen welke tot het verwerven van inkomsten dienen.
3. volgens welke ter zake van het regelmatig reizen van de belastingplichtige tussen zijn woning of verblijfplaats en de plaats van zijn werkzaamheden uitsluitend een door de minister te bepalen bedrag tot de aftrekbare kosten wordt gerekend en vergoedingen ter zake van dat reizen in afwijking van de Wet loonbelasting geheel of gedeeltelijk tot het loon (v.a. 1967: inkomsten uit arbeid) gerekend worden.
4. betreffende het aanwijzen van grote woongebieden waarbinnen het reizen gelijkgesteld wordt met reizen over een afstand van niet meer dan 10km.
5. naar welke, i.v.m. de kinderaftrek, wordt beoordeeld of a) een kind in belangrijke mate op kosten van belastingplichtige wordt onderhouden en b) een kind buiten staat (v.a. 1976: ten gevolge van ziekte of gebreken) zal zijn om de helft (1967: 55%) te verdienen van hetgeen lichamelijk en geestelijk gezonde kinderen en die in gelijke omstandigheden verkeren kunnen verdienen.
6. betreffende het vaststellen van de termijn waarbinnen verzoeken aan de inspecteur gericht moeten worden om bestanddelen van het belastbaar inkomen van een gehuwde, niet duurzaam gescheiden vrouw, en van bestanddelen de niet volgens huwelijksvermogensrecht gemeen zijn naar de echtgenoot om te slaan.
7. betreffende het aanwijzen (v.a. 1989: bij min. regeling) van de gemeente waar de buitenlandse belastingplichtige alsmede de binnenlandse belastingplichtige die binnen het Rijk, v.a. 1989: in Nederland, geen vaste woongemeente heeft wordt aangeslagen.
8. betreffende het bepalen dat t.a.v. buitenlandse belastingplichtigen die bij de heffing van de loonbelasting kinderaftrek genieten, doch bij de inkomstenbelasting niet, dat een hoger bedrag aan loonbelasting als verrekenbaar wordt beschouwd.
9. m.b.t. het niet opleggen van een aanslag of achterwege laten van verrekening van loonbelasting van inkomsten welke langer dan een maand samenvallen, hetzij van meer dan van één inhoudingsplichtige genoten, hetzij mede van de zijde van de echtgenote van de belastingplichtige zijn opgekomen, en waarop de Wet loonbelasting 1964 art. 33.2 (heffing van belasting indien loon van meer dan één inhoudingsplichtige of derde genoten wordt; inhouding van geschatte bedragen met periodieke afrekening) toepassing heeft gevonden.
10. welke in acht genomen dienen te worden bij het aan bestuurders en ambtenaren van kerkgenootschappen op daartoe gedaan verzoek verstrekken van inlichtingen nopens het inkomen van de leden van hun kerkgenootschap alsmede het vaststellen van de vergoeding waartegen de inlichtingen worden verstrekt.
11. naar welke wordt beoordeeld, i.v.m. het evt. aanmerken als inkomsten uit arbeid, in hoeverre vergoedingen geacht kunnen worden te zijn verstrekt tot bestrijding van noodzakelijke reis- of verblijfkosten in het woon-werkverkeer, (v.a. 1990:) rekening houdend met prijzen openbaar vervoer, i.v.m. arbeid, (v.a. 1989 Stb. 123 tot wijz. wet 4-7-1990 Stb. 355) evt. houdende afwijkende regels voor groepen van gevallen waarvoor de regeling tot een bijzondere hardheid zou leiden.
NB m.i.v. 1992 worden de bedragen jaarlijks vastgesteld.
12. m.b.t. het bedrag dat beschouwt wordt/in aanmerking genomen wordt als aftrekbare kosten die dienen ter verwerving inning en behoud van inkomsten: kosten voor gevallen waarin de belastingplichtige ten minste eenmaal per week naar dezelfde plaats pleegt te reizen (woon-werkverkeer), rekening houdend met abonnementsprijzen openbaar vervoer, en (v.a. wijz. 27-4-1989 Stb. 122) afschrijvingen op goederen (v.a. wijz. 27-4-1989 Stb. 123 worden m.b.t. afschrijvingen op goederen afzonderlijke min. regels gegeven o.g.v. art. 35.2: zie 35).
NB M.i.v. 1992 worden de bedragen jaarlijks vastgesteld.
13. volgens welke de vaststelling van bedragen m.b.t. het aanmerken als voor aftrek van buitengewone lasten in aanmerking komende kosten van extra uitgaven voor een op medisch voorschrift gehouden dieet als uitgaven verband houdende met ziekte, invaliditeit en bevalling dient te geschieden.
14. houdende regels tot vaststelling van het bedrag dat in aanmerking genomen wordt als aftrekpost voor buitengewone lasten voor uitgaven ter zake van adoptie nadat de rechtbank uitspraak heeft gedaan waarbij het verzoek tot adoptie is toegewezen.
15. houdende aanwijzing van grote woongebieden waarbinnen het reizen i.v.m. woon-werkverkeer gelijkgesteld wordt met een afstand van niet meer dan 10km en waarvoor een in de wet bepaald bedrag in aftrek gebracht mag worden.
16. m.b.t. verhoging, evt. afwijkend van de wet, van de belastingvrije som i.v.m. kinderaftrek.
17. volgens welke de vaststelling van het bedrag dat als extra uitgaven voor kleding en beddengoed als uitgaven ter zake van ziekte, invaliditeit en bevalling als buitengewone lasten kunnen worden aangemerkt moet worden vastgesteld.
18. betreffende het aanwijzen van kinderdagverblijven waarvan de kosten voor éénoudergezinnen voor een deel in aanmerking genomen kunnen worden als buitengewone lasten.
19. inzake de heffing van de belasting m.b.t. het bij de berekening rekening houden met de vermeerdering en vermindering wegens investeringsbijdragen en desinvesteringsbetalingen, zo nodig (v.a. 1989 Stb. 122) afwijkend van in de wet gestelde regels.
20. betreffende het bepalen welke belastingplichtigen worden geacht geen recht te hebben op kinderbijslag ing. de Alg. Kinderbijslagwet en waarvan de buitengewone lasten voor uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van eigen en aangehuwde kinderen en pleegkinderen van 27 jaar en ouder en van andere bloed- en andere aanverwanten in rechte linie of 2e graad van de zijlinie in aanmerking genomen worden.
21. m.b.t. bepaling van het bedrag dat in aanmerking genomen wordt als buitengewone lasten i.v.m. uitgaven tot voorziening in de kosten in het levensonderhoud van eigen en aangehuwde kinderen en pleegkinderen, jonger dan 27 jaar.
22. betreffende het jaarlijks vaststellen (v.a. 1989: bij min. regeling) van het percentage van voordeel dat men geacht wordt minimaal genoten te hebben uit aandelen welke als belegging in niet in het Rijk, v.a. 1989: in Nederland, gevestigde vennootschappen in bezit zijn en dat in aanmerking genomen wordt voor de heffing van inkomstenbelasting.
23. betreffende het vaststellen (v.a. 1989: bij min. regeling) van de verhoging van het percentage van voordeel dat men geacht wordt minimaal genoten te hebben uit aandelen welke als belegging in niet in het Rijk (v.a. 1989: in Nederland) gevestigde vennootschappen in bezit zijn en dat in aanmerking genomen wordt voor de heffing van inkomstenbelasting indien de bezittingen van de vennootschap uitsluitend of hoofdzakelijk bestaan uit banktegoeden, of schuldvorderingen.
24. m.b.t. het aan wijzen (v.a. 1989: bij min. regeling) van effectenbeurzen waarvoor het percentage van voordeel op aandelen dat men geacht wordt genoten te hebben, van de daaraan genoteerde kredietinstellingen, hypotheekbanken, verzekeringsmaatschappijen en vennootschappen die andere werkzaamheden verrichten dan beleggen, buiten toepassing blijft voor de heffing van inkomstenbelasting.
25. betreffende het aanwijzen (v.a. 1989: bij min. regeling) van participatiemaatschappijen waarvoor geldt dat indien men opbrengst uit belegging daarin als onzuiver inkomen aanmerkt de dividendvrijstelling wordt verhoogt.
26. m.b.t. het tijdstip waarop uitgaven ter zake van adoptie in aanmerking worden genomen.
27. volgens welke de inspecteur teruggaaf en voorlopige teruggaaf van belastingen kan verlenen tot ten hoogste het bedrag waarop de vermindering vermoedelijk zal worden vastgesteld, vooruitlopend op de vaststelling van de beschikking.
28. m.b.t. de inhoud van het verzoek dat belastingplichtige, die ongehuwd is maar wel een gezamenlijke huishouding voert, in kan dienen om in aanmerking te komen voor de voetoverheveling of de alleenverdienerstoeslag.
29. m.b.t. het verzoek dat belastingplichtige kan indienen m.b.t. (voorlopige) teruggaaf van de voetoverheveling.
30. betreffende het aanwijzen van (v.a. 1989: bij min. regeling) op het inkomen van de uitkeringsgerechtigden afgestemde uitkeringen en (v.a. 1992) verstrekkingen, die geacht kunnen worden te strekken tot bestrijding van bepaalde noodzakelijke kosten van huur van een woning/woonwagen of van bepaalde noodzakelijke kosten i.v.m. opleiding/studie van kinderen en (v.a. 1988) de meerkosten hiervan indien de kinderen uitwonend zijn of voor (v.a. 1988) de bestrijding van bepaalde noodzakelijke kosten die overeenkomen met de normen van de Algemene Bijstandswet en (v.a. 1989) van bepaalde noodzakelijke kosten van huishoudelijke hulp, welke niet behoren tot inkomsten in de vorm van bepaalde periodieke uitkeringen en verstrekkingen voor de heffing van inkomstenbelasting. (vrijgestelde periodieke uitkeringen en verstrekkingen)
31. naar welke wordt beoordeeld of een kind in belangrijke mate op kosten van de belastingplichtige wordt onderhouden i.v.m. het vaststellen van de belastingplichtigheid en het verlenen van kinderaftrek.
32. naar welke wordt beoordeeld of een kind in belangrijke mate wordt onderhouden i.v.m. de toepassing van art. 46: de vaststelling van de buitengewone lasten, art. 55 en 56: het genieten en overdragen van de basisaftrek en alleenstaande-ouderaftrek.
33. inzake de vaststelling van het bedrag dat per afgelegde kilometer als buitengewone lasten in aanmerking genomen wordt voor uitgaven voor reizen t.b.v. opleiding/studie voor een beroep of uitgaven voor reizen (art. 46.3), per auto, i.v.m. regelmatig bezoek van ziek en invalide verpleegde mensen.
34. m.b.t. tot de inhoud van verzoeken, door belastingplichtigen bedoeld in art. 55 en 56, tot overdracht van de basisaftrek.
35. houdende aanwijzing van groepen van belastingplichtigen waarvoor het achterwege laten van het opleggen van een aanslag en het achterwege laten van de verrekening van voorheffing tot een bijzondere hardheid of tot een ongerechtvaardigd voordeel zou leiden.
36. houdende de termijn waarbinnen belastingplichtige aangifte gedaan moet hebben zodat niet wordt overgegaan tot het achterwege laten van het opleggen van een aanslag of van verrekening van voorheffingen o.g.v. in art. 64.1 genoemde criteria.
37. houdende regels ingevolge welke wel een aanslag wordt opgelegd en verrekening van voorheffingen plaatsvindt m.b.t. aan inhouding van loonbelasting onderworpen inkomsten over loontijdvakken welke langer dan een maand samenvallen uit meer dan een dienstbetrekking of van meer dan een inhoudingsplichtige zijn genoten voor inkomsten ter zake waarvan art. 33.2a Wet loonbelasting toepassing heeft gevonden.
38. houdende regels m.b.t. de inhoud van verzoeken om middelingsteruggaaf.
39. houdende regels m.b.t. afschrijvingen op goederen welke als aftrekbare kosten (op de inkomsten drukkende kosten) in aanmerking worden genomen.
40. houdende vaststelling van het bedrag dat per kilometer als aftrekbare kosten in aanmerking genomen wordt voor vervoer per auto, anders dan per taxi, niet gedaan voor woon-werkverkeer of gedaan met een i.v.m. arbeid beschikbaar gestelde auto.
41. houdende vaststelling van het bedrag per kilometer dat een ondernemer van tot zijn privé-vermogen behorende of door hem in privé gehuurde personenauto's/motorrijtuigen als bedoeld in art. 50 Wet OB 1968 als aftrekpost mag opvoeren.
42. betreffende afwijking, verhoging dan wel verlaging, van het in de wet vast gestelde percentage van de waarde van rechten, verkregen krachtens testament, dat tot inkomsten uit vermogen gerekend wordt ingeval een ander dan de belastingplichtige ter zake daarvan uiterlijk tot bij een in deze regeling vast te stellen tijdstip is gerechtigd, indien het met dergelijke rechten te behalen rendement daartoe aanleiding geeft.
43. houdende vaststelling van het bedrag per zeedag dat in aftrek gebracht mag worden indien belastingplichtige als kapitein, scheepsofficier of scheepsgezel van een zeeschip werkzaam is en aan de voorwaarden, gesteld bij min. regeling, voldoet.
44. met betrekking tot de inhoud van de openbaar-vervoerverklaring, die kan worden ingediend i.v.m. reiskostenaftrek i.v.m. arbeid, waaruit blijkt dat vervoersbewijzen zijn verstrekt over trajecten met een enkele reis in het woon-werkverkeer van meer dan 30 kilometer.
45. houdende regels volgens welke, onder daarbij te stellen voorwaarden, op verzoek van de belastingplichtige het voordeel uit de vervreemding van aandelen of winstbewijzen buiten aanmerking blijft.
46. betreffende het stellen, wijzigen en intrekken van regels volgens welke personen en lichamen, als bedoeld in art. 49 AWR, opgave dienen te doen aan de inspecteur van in het afgelopen kalenderjaar gedane betalingen aan thuiswerkers, hulpen van thuiswerkers of personen die tegen beloning persoonlijke arbeid verrichten, ter zake van anders dan bij het drijven van een onderneming en anders dan in dienstbetrekking verrichte werkzaamheden en diensten.
47. houdende regels die verband houden met de wijzigingen in de heffingsmaatstaf van de loon- en inkomstenbelasting als gevolg van de invoering van de Wet faciliteiten zeescheepvaart en de uitvoering daarvan.
Periode: 1965-...: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964,
1. art. 34; gewijzigd ? in art. 34.2,
2. art. 35; vervallen bij wijz. wet 24-12-1970 Stb . 604 (vervangen door: zie 12),
3. art. 36.1; vervallen bij wijz. wet 24-12-1970 Stb. 604 (vervangen door: zie 12),
4. art. 37.3; vervallen bij wijz. wet 30-12-1983 Stb. 690,
5. art. 56.4; vervallen bij wijz. wet 20-12-1979 Stb. 709,
6. art. 61.3; vervallen bij wijz. wet 16-11-1972, Stb. 613,
7. art. 62.3; gewijzigd bij wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122 in: art. 62.4,
8. art. 63.3; v.a. wijz. wet 24-12-1970 Stb. 604: art. 63.2; vervallen bij wet 19-12-1973 Stb. 633,
9. art. 65.3; vervallen bij wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122,
10. art. 86.1; vervallen bij wijz. wet 3-6-1987 Stb. 294,
11. art. 23.2 v.a. wijz. wet 1-2-1967 Stb. 68; vervangen bij wijz. wet 27-4-1989 Stb. 123 door art. 23.4, en art. 23.3 v.a. wijz. wet 4-7-1990 Stb. 355,
12. art. 36 v.a. wijz. wet 24-12-1970 Stb. 604; gewijzigd bij wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122 in art. 36.2; v.a. wijz. wet 27-4-1989 Stb. 123: art. 36.2a,
13. art. 46.2c v.a. wijz. wet 24-12-1970 Stb. 604; gewijzigd bij wijz. wet 20-12-1979 Stb. 709 in: art. 46.3c,
14. art. 46.3 v.a. wijz. wet 24-12-1970 Stb. 604; v.a. wijz. wet ? 46.4; later art. 46.6,
15. art. 36a v.a. wijz. wet 23-4-1971 Stb. 260,
16. art. 53.5 bij wijz. wet 16-11-1972 Stb. 613 is de tekst opnieuw vastgesteld; vervallen bij wijz. wet 20-12-1979 Stb. 709,
17. art. 46.2d v.a. wijz. wet 19-12-1973 Stb. 630, gewijzigd bij wijz. wet 20-12-1979 Stb. 709 in: art. 46.3d,
18. art. 46.1d v.a. wijz. wet 23-11-1977 Stb. 648; vervallen bij wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122,
19. art. 68a v.a. wijz. wet 29-6-1978 Stb. 368 (WIR); vervallen bij wijz. wet 28-12-1989 Stb. 601,
20. art. 46.2 v.a. wijz. wet 20-12-1979 Stb. 709,
21. art. 46.2 v.a. wijz. wet 20-12-1979 Stb. 709,
22. art. 29a.1 v.a. wijz. wet 21-6-1980 Stb. 334,
23. art. 29a.1+5d v.a. wijz. wet 21-6-1980 Stb. 334,
24. art. 29a.4 v.a. wijz. wet 21-6-1980 Stb. 334,
25. art. 47b.2 v.a. wijz. wet 24-6-1981 Stb. 387,
26. art. 46.10 v.a. wijz. wet 15-12-1983 Stb. 627,
27. art. 52.3 v.a. wijz. wet 8-11-1984 Stb. 531,
28. art. 53a.2 v.a. wijz. wet 20-12-1984 Stb. 649; vervallen bij wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122 een gelijke handeling komt terug in art. 56.3: zie 30,
29. art. 62b.3 v.a. wijz. wet 20-12-1984 Stb. 649; vervallen bij wijz. 27-4-1989 Stb. 122,
30. art. 30b v.a. wijz. wet. 6-3-1985 Stb. 121; gewijzigd bij wijz. wet 24-2-1988 Stb. 70 in: 30b.d,
31. art. 56.8 v.a. wijz. wet 24-4-1986 Stb. 252; vervallen wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122 en vervangen door: zie 28,
32. art. 2.3 v.a. wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122,
33. art. 46.8 v.a. wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122,
34. art. 56.3 v.a. wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122,
35. art. 64.2 onder f v.a. wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122,
36. art. 64.2 onder g v.a. wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122,
37. art. 64.3 v.a. wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122,
38. art. 66a v.a. wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122,
39. art. 35.2 v.a. wijz. wet 27-4-1989 Stb. 123; gewijzigd bij wijz. wet 12-12-1991 Stb. 697 in art. 35.3,
40. art. 36.2c v.a. wijz. wet 27-4-1989 Stb. 123,
41. art. 8b.2 onder 2b v.a. wijz. wet 27-4-1989 Stb. 124,
42. art. 25a.5 v.a. wijz. wet 28-12-1989, Stb. 599,
43. art. 37.3, v.a. wijz. wet 28-12-1989 Stb. 602,
44. art. 36.7, v.a. wijz. wet 4-7-1990 Stb. 355,
45. art. 40a, v.a. wijz. wet 7-3-1991 Stb. 94,
46. Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 1964, v.a. wijz. 27-6-1967 Stb. 347: art. 3a; vervallen bij wijz. 25-2-1988, Stb. 71,
47. Wet van 28-12-1989, Stb. 602, Wet faciliteit zeescheepvaart, art. VIII,
Waardering: B, 4
Nummer: 246
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van ministeriële regelingen houdende afwijkende regels m.b.t. het tijdstip van het in aanmerking nemen van aftrekbare kosten betrekking hebbende op buiten het Rijk verkregen inkomsten.
Periode: 1965-1989: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, art. 38.2; gewijzigd bij wijz. wet 21-6-1980 Stb. 334 in; art. 38.4; vervallen bij wijz. wet d.d. 27-4-1989 Stb. 122,
Waardering: B, 4
Nummer: 247
Handeling: Het afwijzen of toewijzen, onder voorwaarden, van verzoeken een fusie aanwezig te achten afwijkend van het bepaalde dat indien een of meer binnen het Rijk (v.a. 1989: in Nederland) gevestigde vennootschappen tegen uitreiking van eigen aandelen of winstbewijzen alle of nagenoeg alle winstbewijzen van een andere vennootschap verwerven, teneinde de onderneming van die vennootschap en die van een andere in financieel en economisch opzicht duurzaam in eenheid samen te brengen (aandelenfusie).
NB Het is ook mogelijk dat een afwijking wordt toegestaan indien naast de verwerving van (alle) aandelen sprake is van een geringe bijbetaling in contanten.
Zie ook de handelingen nrs. 180 en 239
Periode: 1965-1992: DGBel./DB
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, art. 40.4; vervallen bij wijz. wet 10-9-1992 Stb. 491,
NB zie v.a. 1992 de handeling ing. art. 14b.7
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 248
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van een AMVB houdende vaststelling van het bedrag dat een belastingplichtige maximaal aan belastbaar inkomen mag hebben om in aanmerking te komen voor verrekening van het verschil tussen hetgeen ter zake van de inkoop van aandelen, welke uitsluitend aan binnen het Rijk wonende personen kunnen worden uitgegeven, en hetgeen op de aandelen is gestort en welk bedrag dan niet tot inkomsten uit vermogen wordt gerekend.
Periode: 1969-1971: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, art. 44c v.a. wijz. wet 8-10-1969 Stb. 445; vervallen 23-4-1971 Stb. 418,
Waardering: B, 4
Nummer: 249
Handeling: Het jaarlijks vervangen van de in de wet genoemde bedragen: a) die als oudedagsreserve mogen worden toegevoegd, b) waarmee de oudedagsreserve afneemt.
NB
Het betreft hier een voorgenomen handeling. Bij het van kracht worden van de wet van 16-11-1972, Stb. 612, is de verplichting neergelegd in art. 54.
Periode: 1972-: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, v.a. wijz. wet 16-11-1972 Stb. 612, art. 44m,
Waardering: B, 1
Nummer: 250
Handeling: Het afwijzen of toewijzen van verzoeken van belastingplichtigen, onder voorwaarden, inzake het wel/niet aanmerken als negatieve persoonlijke verplichting, i.v.m. het in aanmerking nemen als aftrekpost, indien een lijfrenteverplichting overgaat naar een verzekeraar als bedoeld in de Wet Toezicht Verzekeringsbedrijf of zijnde een lichaam onderworpen aan de Wet op de heffing vermogensoverschotten pensioenfondsen welke laatste is vervangen bij inwerkingtreding van die wet door: een lichaam dat vrijgesteld is van belasting ing. de Wet vennootschapsbelasting mits de lijfrenteverplichting overgaat aan een in Nederland wonend natuurlijk persoon dan wel een in Nederland gevestigd lichaam of mits de lijfrente verplichting overgaat op een niet in Nederland gevestigd pensioenfonds/lichaam dat het levensverzekeringbedrijf uitoefent i.v.m. de aanvaarding van een dienstbetrekking. (negatieve persoonlijke verplichting)
Periode: 1991-...: DGBel./DB
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, v.a. wijz. wet 12-12-1991 Stb. 697, art. 45c.5,
Waardering: V, 10 jaar na afhandeling
Nummer: 251
Handeling: Het jaarlijks vaststellen van bedragen en percentages, die (v.a. 1988) aan het begin van het jaar worden gesteld op het dan geldende premiepercentage voor de verplichte verzekering ing. de Ziekenfondswet nadat dit percentage is verhoogd met een door onze minister te bepalen opslag terzake van de nominale premie, waarboven 1) uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van eigen en aangehuwde alsmede pleegkinderen, 2) uitgaven ter zake van ziekte, invaliditeit, bevalling, adoptie en overlijden van belastingplichtige, diens echtgenoot, kinderen en bepaalde bloedverwanten, 3) uitgaven ter zake van opleiding of studie voor een beroep, als buitengewone lasten in aangemerkt worden.
Periode: 1973-1989: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, v.a. wijz. wet 19-12-1973 Stb. 630: art. 46.6; gewijzigd bij wijz. wet 20-12-1979 Stb. 709 in: art. 46.7; gewijzigd bij wijz. wet. 30-3-1983 Stb. 146 in: art. 46.9; gewijzigd bij wijz. wet 15-12-1983 Stb. 627 in: art. 46.11; vervallen bij wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122,
Waardering: B, 4
Nummer: 252
Handeling: Het wel/niet aanwijzen van giften aan niet in Nederland gevestigde instellingen als aftrekbare giften voor de inkomstenbelasting.
Periode: 1991-....: DGBel./DB
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, v.a. wijz. wet 22-5-1991 Stb. 263, art. 47.5,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 253
Handeling: Het wijzigen en intrekken van de bij de wet behorende inkomstenbelastingtabel en een (v.a. 1970, Stb. 604) aanvullende tabel voor belasting verschuldigd door personen, vallende onder tariefgroep III, met een bepaald max. inkomen of meer.
Periode: 1965-1971: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, art. 53; vervallen bij wijz. wet 23-4-1971 Stb. 259 (toelichting: v.a. de wetswijziging worden de tabellen jaarlijks vastgesteld bij ministeriële regeling waarbij rekening gehouden wordt met het prijsindexcijfer. Hiervoor is een aparte handeling opgenomen: handeling nummer 254)
Waardering: B, 1
Nummer: 254
Handeling: Het jaarlijks wijzigen van de loonbelastingtabellen.(invoering automatische inflatieaanpassing)
Periode: 1971-1972: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, v.a. wijz. wet 23-4-1971 Stb. 259: art. 53.2.4, v.a. wijz. wet 16-11-1972 Stb. 612 wordt de tabel ingevolge art. 54 gewijzigd daarnaast wordt hierin ook de jaarlijkse aanpassing van andere bedragen geregeld en daarom is hier een aparte handeling opgenomen. Voor voorgaande periode zie handeling no. 253.
Waardering: B, 4
Nummer: 255
Handeling: Het voorbereiden van wetsvoorstellen tot vaststelling van de belastingtabel.
Periode: 1989-: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, v.a. wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122, art 53.1; vervallen bij wijz. wet 27-4-1989 Stb. 123,
Waardering: B, 1
Nummer: 256
Handeling: Het voorbereiden van wetten
1. houdende vaststelling van de basisaftrek (lid 4, v.a. Stb. 123: lid 3), de alleenstaande-ouderaftrek (lid 5, v.a. Stb. 123: lid 4) en de aanvullende alleenstaande-ouderaftrek (lid 6, v.a. Stb. 123: lid 5).
2. houdende vaststelling van het bedrag waar beneden de in dit artikel genoemde bestanddelen van het belastbaar inkomen, verminderd met bestanddelen genoemd in art. 57a en 58 niet belast worden (57.1) en houdende vaststelling van het percentage volgens welke het gedeelte van de belastbare som dat krachtens het eerste lid niet op de voet van de belastingtabel belast wordt (57.2).
3. houdende vaststelling van het bedrag waar beneden bestanddelen, genoemd in dit artikel, van de belastbare som, verminderd met de daarvan genoemde bestanddelen in art. 58, niet belast worden op de voet van de belastingtabel.
4. houdende vaststelling tot welk bedrag de belastbare som niet belast wordt op de voet van de belastingtabel indien de zuivere inkomsten voortvloeien uit herkapitalisatie van een lichaam.
5. houdende vaststelling van het bedrag waarboven toch een aanslag wordt opgelegd en voorheffingen worden verrekend indien de aan inhouding van loonbelasting onderworpen inkomsten over loontijdvakken welke langer dan een maand samenvallen uit meer dan een dienstbetrekking of van meer dan een inhoudingsplichtige zijn genoten.
6. houdende vaststelling van het bedrag waarboven de zuivere inkomsten ter zake van de afkoop of omzetting van aanspraken op periodieke uitkeringen niet op de voet van de belastingtabel belast worden.
7. houdende vaststelling van het tijdstip tot wanneer verschuldigde premies en premievervangende belastingen ingevolge de AOW en AWW alsmede bij aanslag opgelegde en verhaalde premies ingevolge AWBZ, de AAW en de Alg. Kinderbijslagwet als persoonlijke verplichtingen aangemerkt worden.
Periode: 1989: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964,
1. art. 53.4-6 v.a. wijz. wet 27-4-1989; gewijzigd bij wijz. wet 27-4-1989 Stb. 123 in: art. 53.3-5 en bij dezelfde wet vervallen doordat in de wet de betreffende bedragen ingevuld worden,
2. art. 57.1 en 57.2 v.a. wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122; beiden vervallen bij wijz. wet 27-4-1989 Stb. 123 en worden ingevuld middels het vast te stellen bedrag en percentage,
3. art. 57a.1 v.a. wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122; vervallen bij wijz. wet 27-4-1989 Stb. 123 waarbij het bedrag wordt vastgesteld,
4. art. 58.1 v.a. wijz. 27-4-1989 Stb. 122; vervallen bij wijz. wet 27-4-1989 Stb.123 waarbij het bedrag wordt vastgesteld,
5. art. 64.2c onder 1 v.a. wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122; vervallen bij wijz. wet 27-4-1989 Stb. 123 waarbij het bedrag wordt vastgesteld,
6. art. 75.2 v.a. wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122; vervallen bij wijz. wet 27-4-1989 Stb. 123 waarbij voor de eerste maal het bedrag wordt vastgesteld, vervolgens wordt het bedrag bij min. regeling vastgesteld,
7. Wet van 27 april 1989, Stb. 122, tot herziening van de belastingheffing n.a.v. de voorstellen van de commissie tot vereenvoudiging van de loonbelasting en de inkomstenbelasting (Commissie Oort), (Wet vereenvoudiging tariefstructuur en aftrekposten in de loon- en inkomstenbelasting), art. IX.1.
Periode: 1989: DGFZ/WDB
Waardering: B, 1
Nummer: 257
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van ministeriële regelingen naar welke, i.v.m. de invaliditeitsaftrek, wordt beoordeeld of een belastingplichtige buiten staat zal zijn om de helft (1967: 55%) te verdienen van hetgeen lichamelijk of geestelijk gezonde belastingplichtigen en die in gelijke omstandigheden verkeren kunnen verdienen.
Periode: 1965-1982: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, art. 53.6; gewijzigd bij wijz. wet 20-12-1979 Stb 709 in: art. 53.5; vervallen bij wijz. wet 29-12-1982 Stb. 738,
Waardering: B, 4
Nummer: 258
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van regels m.b.t. de inhoud van het verzoek dat echtgenoten in kunnen dienen, indien een van beiden is ingedeeld in tariefgroep I, om in aanmerking te komen voor de voetoverheveling.
Periode: 1984-1989: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting, art. 53b.3 v.a. wijz. wet 20-12-1984 Stb. 649; vervallen bij wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122 (een gelijke handeling komt terug in art. 56.3),
Waardering: B, 4
Nummer: 259
Handeling: Het jaarlijks wijzigen van in de wet genoemde bedragen van: 1) het in aanmerking te nemen deel van de winst als zijnde bestanddeel van het inkomen voor de in de onderneming werkende echtgenoot (art. 5, vervallen 20-12-1984 Stb. 649), 2) de minimale of maximale toevoeging aan de oudedagsreserve (art. 44e), 3) afname van de oudedagsreserve i.v.m. genoten winst (art. 44f), 4) verschuldigde belasting in de belastingtabel, de belastingvrije sommen voor de tariefgroepen, alsmede de indeling hierin, en de verhogingen hiervan i.v.m. kinderaftrek arbeidsongeschiktheidsaftrek, alleenstaande-oudertoeslag of het bereiken van de 65-jarige leeftijd (art. 53), 5) voor vrijstellingen voor stamrechten bedongen bij het beëindigen van een onderneming (art. 19, v.a. 1977), rekening houdend bij de berekening met het recht op kinderbijslag van de belastingvrije som wegens kinderaftrek voor indeling in bepaalde tariefgroepen (art, 53.4a.-d.) en de tabelcorrectiefactor waarbij het prijsindexcijfer wordt gehanteerd (Uitv. Besluit art. 1b, m.i.v. 1974), 6) in aanmerking te nemen investeringen en de percentages die in acht genomen worden voor de in aanmerking te nemen investeringsbijdrage (art. 61a, 61b en 61c: v.a. 1978), 7) in aanmerking te nemen kosten als aftrekpost voor uitgaven ter zake van arbeidsongeschiktheid of ouderdom (art. 46.4, v.a. 30-3-1983), 8) de grens waarboven de alleenstaande-oudertoeslag wordt verhoogd (art. 53.5; v.a. 1984), 9) de zelfstandigenaftrek (art. 44m: v.a. 1984), 10). de meewerkendenaftrek (art. 44n, v.a. wijz. wet 20-12-1984 Stb. 649)
Periode: 1972-1989: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, v.a. wijz. wet 16-11-1972 Stb. 612, art. 54.1; vervallen 27-4-1989 Stb. 122, m.i.v. 1990 geldt een nieuwe tariefstructuur in de Wet van 27-4-1989 Stb. 122 art. 53 wordt aangekondigd dat de nieuwe belasting tabellen en de vaststelling van belastingvrije sommen en basisaftrek bij wet worden vastgesteld, in praktische zin zal het wijzigen hiervan geschieden bij min. regelingen die ook andere bedragen in de wet wijzigen conform art. 66b en art. 66c: zie afzonderlijke handelingen bij art. 53, 66b en 66c.
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 1964, v.a. wijz. 19-12-1973, Stb. 639, art. 1b; vervallen bij wijz. Besluit 20-12-1979 Stb. 719,
Waardering: B, 1/4
Nummer: 260
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van regels m.b.t. de wijze waarop bij de wijze van toepassing overgegaan wordt van de oude naar de nieuwe situatie als voor de berekening van de tabelcorrectiefactor de basis voor de daarbij gebruikte prijsindexcijfers (v.a. 1987: als gepubliceerd in de Maandstatistiek der prijzen) gewijzigd is.
Periode: 1978-1989: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, art. 54.2 v.a. wijz. wet 28-12-1978 Stb. 685; vervallen bij wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122,
Waardering: B, 4
Nummer: 261
Handeling: Het bepalen dat de jaarlijkse aanpassing van in de wet genoemde bedragen, mits de beschikking is genomen, voor wat betreft de bedragen genoemd in art. 5 (vervallen 1985), 44n (v.a. 1985) en 53 worden vervangen door bedragen die berekend worden met toepassing van een in die beschikking aangewezen factor, welke in zoverre van de tabelcorrectiefactor afwijkt dat deze ten hoogste een vijfde minder van 1 verschilt dan de tabelcorrectiefactor van 1 verschilt.
Periode: 1973-1989: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, v.a. wijz. wet 16-11-1972 Stb. 613: art. 54.3; vervallen bij wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122,
Waardering: B, 4
Nummer: 262
Handeling: Het afwijzen en toewijzen op van verzoeken om, afwijkend van de voorwaarden in de wet, herkapitalisatie van een lichaam aanwezig te achten met dien verstande dat t.a.v. binnen het Rijk gevestigde lichamen een afwijking van de voorwaarde dat het gestorte kapitaal ten minste 25% vergroot wordt slechts is toegestaan indien het lichaam verschillende soorten nominaal gestort kapitaal heeft die niet op gelijke voet in de herkapitalisatie worden betrokken en afwijkend van het feit dat een bepaald bedrag aan dividend is uitgekeerd indien de kapitaalvergroting plaatsvindt met het oog op of na een fusie. (afwijkende voorwaarden gefacilieerde herkapitalisatie*)
Periode: 1965-...: DGBel./DB
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, art. 58.5; gewijzigd bij wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122 in: art. 58.6,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 263
Handeling: Het afwijzen of toewijzen, onder te stellen voorwaarden, van verzoeken m.b.t. de vermeerdering van verschuldigde belasting met 40% van de waarde in het economisch verkeer op stamrecht dat is bedongen en dat niet aan in de wet genoemde voorwaarden voldoet. (stamrechtvrijstelling)
Periode: 1972-1991: DGBel./DB
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, v.a. wijz. wet 16-11-1972 Stb. 612, art. 59a.2; vervallen bij wijz. wet 12-12-1991 Stb. 697,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 265
Handeling: Het in overeenstemming met de ministers van Economische Zaken en Sociale Zaken (v.a. 1989: bij min. regeling) verhogen of verlagen of (v.a. 1980) op nihil stellen of (v.a. 1989) afwijken van de percentages, o.g.v. conjuncturele overwegingen (1978-1980), van het (aangewezen (v.a. 1985)) gedeelte van het investeringsbedrag dat wordt aangemerkt als investeringsbijdrage voor de verwerving of verbetering van in de wet genoemde bedrijfsmiddelen en voortbrengingskosten, v.a. 1980: in het algemeen of voor bepaalde groepen van bedrijfsmiddelen.
Periode: 1978-1989: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, v.a. wijz. wet 29-6-1978 Stb. 368, art. 61a.3; verv. 28-12-1989 Stb. 601,
Waardering: B, 4
Nummer: 268
Handeling: Het voorbereiden van wetsvoorstellen ter goedkeuring van ministeriële regelingen betreffende het verhogen of verlagen van de percentages, o.g.v. conjuncturele overwegingen, van het gedeelte van het investeringsbedrag dat wordt aangemerkt als investeringsbijdrage voor de verwerving of verbetering van in de wet genoemde bedrijfsmiddelen en voortbrengingskosten.
Periode: 1978-1989: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, v.a. wijz. wet 29-6-1978 Stb. 368 (WIR) vervallen 28-12-1989 Stb. 601, art. 61a.4, 61f.3 vervallen 23-12-1987 Stb. 624,
Waardering: B, 1
Nummer: 269
Handeling: Het afwijzen of toewijzen van verzoeken om voor bedrijfsmiddelen en verplichtingen van belastingplichtigen uitzondering te maken en rekening te houden met de investeringsbijdrage bij de heffing van inkomstenbelasting.
Periode: 1978-1989: DGBel./DB
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, v.a. wijz. wet 29-6-1978 Stb. 368 (WIR), art. 61a.7 vervallen 28-12-1989 Stb. 601,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 270
Handeling: Het afwijzen of toewijzen van verzoeken om investeringen in bedrijfsmiddelen, tot door de minister vastgestelde bedragen, gelijk te stellen met investeringen die in aanmerking komen voor het in aanmerking nemen van de investeringsbijdrage indien de bestemming van bedrijfsmiddelen zich wijzigt en hoofdzakelijk voor binnenlands gebruik worden aangewend.
Periode: 1978-1989: DGBel./DB
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, v.a. wijz. wet 29-6-1978 Stb. 368, art. 61a.8; vervallen 28-12-1989 Stb. 601,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 271
Handeling: Het afwijzen of toewijzen van verzoeken om vervreemding niet gelijk te stellen met het onttrekken van een zaak aan een onderneming zodat de bestemming van een zaak/de bedrijfsmiddelen gebruikt wordt/worden a) voor de uitoefening van een bosbedrijf en door personen/lichamen die dat bedrijf uitoefenen, b) voor het drijven van een onderneming door personen/lichamen waarop een regeling t.v.v. dubbele belasting van toepassing is.
Periode: 1978-1989: DGBel./DB
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, v.a. wijz. wet 28-6-1978 Stb. 368 (WIR), art. 61b.3; gewijzigd bij wijz. wet 23-12-1987 Stb. 623 in: art. 61b.2; vervallen 28-12-1989 Stb. 601,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 272
Handeling: Het afwijzen of toewijzen van verzoeken om verlenging van in de wet genoemde termijnen voor a) het gelijkstellen van het ongedaan maken van investeringen met het niet in gebruik nemen van gebouwen, installaties en luchtvaartuigen, b) het gelijkstellen van het ongedaan maken van investeringen met het niet afgegeven zijn van zeebrieven of het niet geregistreerd staan in het centraal visserij-register; v.a. wijz. wet 29-4-1986 Stb. 215: de minister kan bepalen dat de investering geacht wordt te zijn gedaan in het jaar van ingebruikname van het bedrijfsmiddel en dat het percentage dat gebruikt wordt bij de berekening van de investeringsbijdrage gelijk is aan het percentage als is toegepast bij berekening van desinvesteringsbijdrage; v.a. wijz. 21-12-1988 is de investeringsbijdrage voor zeeschepen afgeschaft.
Periode: 1978-1989: DGBel./DB
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting, v.a. wijz. wet 29-6-1978 Stb. 368 (WIR), art. 61b.9; gewijzigd bij wijz. wet 16-1-1985 Stb. 81 in: art. 61b.6; gewijzigd bij wijz. wet 23-12-1987 Stb. 623 in: art. 61b.5; vervallen 28-12-1989 Stb. 601,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 273
Handeling: Het samen met de ministers van Economische Zaken (eerstverantwoordelijk) en Sociale Zaken voorbereiden, wijzigen en intrekken een AMVB houdende aanwijzing van gemeenten, waarvoor m.b.t. investeringen in gebouwen, installaties, luchtvaartuigen, zeeschepen en overige bedrijfsmiddelen het percentage van het investeringsbedrag dat in aanmerking genomen wordt voor de investeringsbijdrage, alsmede waarvoor het percentage dat o.g.v. conjuncturele overwegingen daarvoor is vastgesteld, wordt verhoogd i.v.m. de sociaal-economische toestand en werkgelegenheid in de aangewezen gemeenten.
Periode: 1978-1984: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, art. 61d.1 v.a. wijz. wet 29-6-1978 (WIR); vervallen bij wijz. wet 5-7-1984 Stb. 366,
Waardering: B, 4
Nummer: 277
Handeling: Het, samen met de ministers van Economische Zaken en van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, voorbereiden, wijzigen en intrekken van een AMVB houdende aanwijzing van gemeenten en gebieden waarvoor m.b.t. investeringen in gebouwen en installaties het percentage van het investeringsbedrag dat in aanmerking genomen wordt voor de investeringsbijdrage, alsmede waarvoor het percentage dat o.g.v. conjuncturele overwegingen daarvoor is vastgesteld, wordt verhoogd o.g.v. hun functie in het kader van het beleid inzake de ruimtelijke ordening.
Periode: 1978-1984: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, art. 61e.1 v.a. wijz. wet 29-6-1978 Stb. 368; vervallen 5-7-1984 Stb. 366,
Waardering: B, 4
Nummer: 282
Handeling: Het aanwijzen, in overeenstemming met de ministers van Economische Zaken (eerstverantwoordelijk) en van Volksgezondheid en Milieuhygiëne, van categorieën investeringen (v.a. 1985: van investeringen) van voor een goed leefmilieu van belang zijnde investeringen evt. onder het stellen van voorwaarden m.b.t. de bestemming waarop de investering betrekking heeft, welke in aanmerking genomen worden voor het vaststellen van het percentage van het investeringsbedrag dat aangemerkt wordt als investeringsbijdrage waarmee voor de belastingheffing rekening gehouden wordt.
Periode: 1980-1987: DGFZ/
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, v.a. wijz. wet 25-6-1980 Stb. 386, art. 61ea.1.5; v.a. wijz. wet 16-1-1985 Stb. 81 gewijzigd in: art. 61ea.1.3; vervallen bij wijz. wet 23-12-1987 Stb. 624,
NB m.i.v. 1991, Stb. 425, komt deze handeling in min of meer dezelfde vorm terug in art. 10.3. Hiervan is een aparte handeling opgenomen.
Waardering: B, 4
Nummer: 287
Handeling: Het aanwijzen, in overeenstemming met de ministers van Economische Zaken (eerstverantwoordelijk), van categorieën investeringen (v.a. 1985: aanwijzing van investeringen) van voor een doelmatig gebruik van energie van belang zijnde investeringen evt. onder het stellen van voorwaarden m.b.t. de bestemming waarop de investering betrekking heeft, welke in aanmerking genomen worden voor het vaststellen van het percentage van het investeringsbedrag dat aangemerkt wordt als investeringsbijdrage waarmee voor de belastingheffing rekening gehouden wordt.
Periode: 1980-1987: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, v.a. wijz. wet 25-6-1980 Stb. 386, art. 61eb.2; vervallen bij wijz. wet 23-12-1987 Stb. 624,
Waardering: B, 4
Nummer: 288
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van regels houdende vaststelling, in overeenstemming met de ministers van Economische Zaken en van Sociale Zaken, van het gezamenlijk maximum van de percentages dat m.b.t. investeringen in gebouwen en installaties o.g.v. de artikelen 61a, 61d, 61e, 61ea en 61eb voor de berekening van de investeringsbijdrage geldt.
Periode: 1978-1987: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, art. 61f, v.a. wijz. wet 29-6-1978 Stb. 368; vervallen bij wijz. wet 23-12-1987 Stb. 624,
Waardering: B, 4
Nummer: 291 vervallen
Nummer: 292
Handeling: Het jaarlijks vervangen van het bedrag waar beneden geen aanslag wordt opgelegd of verrekening van voorheffingen plaatsvindt. (aanslaggrens)
Periode: 1972-...: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, v.a. wijz. wet 29-11-1972 Stb. 695: art. 64.4; bij het van kracht worden van de wet vernummerd in: art. 64.3; vervallen bij wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122 en komt bij die wijzigingswet terug in: art. 66c.1,
Waardering: B, 4
Nummer: 293
Handeling: Het aanwijzen van groepen van gevallen waarvoor geen aanslag wordt vastgesteld of verrekening van loonbelasting niet achterwege blijft indien dit voor de belastingplichtige tot een bijzondere hardheid of tot een ongerechtvaardigd voordeel zou leiden.
Periode: 1965-1989:
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, art. 65.1c; gewijzigd bij wijz. wet 16-11-1972 Stb. 613 in: 65.1d; gewijzigd 29-6-1978 Stb. 378 in: art. 65.1e; gewijzigd 20-12-1984 Stb. 649 in: art. 65.1g; vervallen 1989 Stb. 122,
Waardering: B, 4/6
Nummer: 294
Handeling: Het vaststellen van termijnen waarbinnen het Rijk woonachtige belastingplichtigen/binnenlandse belastingplichtigen aangifte gedaan dient te worden.
Periode: 1965-1989: DGFZ/WDB
Grondslag: 1. Wet op de inkomstenbelasting 1964, art. 65.4; v.a. wijz. wet 24-12-1970 Stb. 601 vervangen door: art. 65.1b; gewijzigd v.a. wijz. wet 28-6-1978 Stb. 378 in: art. 65.1c; gewijzigd v.a. wijz. wet 20-12-1984 Stb. 649 in: art. 65.1d vervallen 1989 Stb. 122,
2. art. 63a v.a. wijz. wet 24-12-1970 Stb. 604; gewijzigd bij wet 29-6-1978 Stb. 368 in: 63.2.b; vervallen bij wijz. wet 30-12-1983 Stb. 688,
Waardering: B, 4
Nummer: 295
Handeling: Het jaarlijks, bij ministeriële regeling, wijzigen van in de art. 11.1-2 (v.a. wijz. wet 28-12-1989 Stb. 601), 11a (v.a. wijz. 28-12-1989 Stb. 601), 19; vervallen bij wijz. wet 12-12-1991 Stb. 697, 37, 44e, 44m, 45.1b.4; v.a. wijz. wet 12-12-1991 Stb 697 vervangen door: 45.1, 45a.2.3.5 v.a. wijz. wet 12-12-1991 Stb. 697, 53, 53a v.a. wijz. 27-4-1989 Stb. 123, 53b v.a. wijz. 27-4-1989 Stb. 123, 57, 57a, 58, 61a (vervallen bij wijz. 28-12-1989 Stb. 601), 61b (vervallen bij wijz. 28-12-1989 Stb. 601), 61c (vervallen bij wijz. 28-12-1989 Stb. 601), 64.2.4 en 75.2; gewijzigd bij wijz. wet 12-12-1991 Stb. 697 in: 75.2.3 genoemde bedragen waarbij bij de berekening de tabelcorrectie factor wordt gehanteerd. (inflatiecorrectie*)
Periode: 1989-...: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, v.a. wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122, art. 66b.1 (regelt de vervanging van bedragen die voorheen voornamelijk ingevolge art. 54 werden aangepast),
Wet van 28-12-1989, Stb.611, Wet tijdelijke handhaving leeftijdsgrens verzekerings- en premieplicht AAW), art. VI,
Waardering: B, 1/4
Nummer: 296
Handeling: Het jaarlijks wijzigen van het in de wet genoemd bedrag dat bij de vaststelling van inkomsten uit arbeid i.v.m. kamerverhuur niet (vrijgesteld) als winst uit onderneming in aanmerking genomen wordt en van het bedrag dat bij de vaststelling van inkomsten uit vermogen i.v.m. kamerverhuur niet (vrijgesteld) in aanmerking genomen wordt waarbij voor de berekening van de bedragen de zgn. kamerverhuurvrijstellingcorrectiefactor gehanteerd wordt.
Periode: 1993-...: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, v.a. wijz. wet 27-5-1993 Stb. 310, art. 66d.1,
Waardering: B, 4
Nummer: 297
Handeling: Het (mede-)opstellen, wijzigen en intrekken van AMVB's:
1. houdende nadere regelen betreffende het op verzoek verlenen van een teruggaaf ingeval de belastingplichtige binnen het Rijk woont en gedurende een tijdvak van drie aaneengesloten hele kalenderjaren winst uit een zelfde onderneming dan wel inkomsten uit een zelfde dienstbetrekking heeft genoten, voor zover de belasting die over dat tijdvak is geheven het verschuldigde belastingbedrag indien de winst of inkomsten gelijkmatig aan die drie jaren zou zijn toegerekend met een bepaald bedrag overtreft, onder de voorzieningen die de Kroon nodig oordeelt i.v.m. de samenloop van andere bepalingen, strekkende tot matiging van de gevolgen van het heffen van belastingen per kalenderjaar.
2. betreffende het verstrekken van inlichtingen door in art. 49 AWR bedoelde personen en lichamen van schriftelijke inlichtingen betr. feiten waarvan de kennisneming van belang kan zijn voor het bepalen van het inkomen van derden.
3. houdende andere in het kader van deze wet passende nadere regelen ter aanvulling van in de wet geregelde onderwerpen. (algemene delegatiebevoegdheid*)
4. volgens welke, onder daarbij te stellen voorwaarden, voor de heffing van de inkomstenbelasting de werkzaamheden, rechten en verplichtingen van een NV v.a. 1971: nv/bv met beperkte aansprakelijkheid, welker bezittingen uitsluitend of hoofdzakelijk bestaan uit op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoederen en welker landgoederen en welker werkzaamheden uitsluitend of hoofdzakelijk bestaan uit de instandhouding van die landgoederen, worden beschouwd als werkzaamheden, rechten en verplichtingen van haar gezamenlijke verplichtingen.
5. houdende regels ter tegemoetkoming aan het bezwaar, dat de winst in het bij het in werking treden van de wet verstreken gedeelte van een niet met het kalenderjaar samenvallend boekjaar, welke winst geacht kan worden reeds onder de werking van het Besluit inkomstenbelasting 1941 te zijn belast, door de werking van art. 20 andermaal aan inkomstenbelasting wordt onderworpen.
6. welke de wijze bepaalt waarop de verhouding van de tabelcorrectiefactor (is de verhouding tussen het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie betrekking hebbende op de 18e t/m de 7e aan het kalenderjaar voorafgaande maand en het gemiddelde van die prijsindexcijfers, betrekking hebbende op 30e t/m 10e aan het kalenderjaar voorafgaande maand) wordt gezuiverd van de invloed van wijzigingen in de bij dit AMVB aangewezen tarieven van kostprijsverhogende belastingen en door de overheid verleende kostprijsverlagende subsidies.
7. houdende regelen omtrent hetgeen onder het prijsindexcijfer der lonen wordt verstaan (dat gehanteerd wordt bij de berekening van het bedrag waar beneden geen aanslag wordt opgelegd).
8. houdende de wijze van berekening van de bedragen voor verhoging van de belastingvrije sommen i.v.m. kinderaftrek, zodanig dat de wijziging van de kinderbijslag en de kinderaftrek overeenkomt met de berekeningswijze waarbij de te vervangen bedragen vermenigvuldigt worden met de tabelcorrectiefactor.
9. houdende regels m.b.t. de berekening van het mogelijk te door een ander dan belastingplichtige te behalen rendement uit rechten, verkregen bij testament, dat aanleiding geeft het percentage dat gerekend wordt als zijnde inkomsten uit vermogen. (percentage forfaitair rendement*)
10. houdende regels m.b.t. het bepalen of er een tekort is aan opgebouwde oudedagsvoorzieningen of nabestaandenvoorzieningen i.v.m. de bepaling van de hoogte van het bedrag dat in aanmerking genomen wordt i.v.m. aftrek voor de inkomstenbelasting. (voorziening voor tekorten*)
Periode: 1965-...: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964,
1. art. 67; vervallen bij wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122,
2. art. 67; vervallen bij wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122,
3. art. 67,
4. art. 68,
5. art. 74.2; vervallen bij wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122,
6. art. 53.3 v.a. wijz. wet 23-4-1971 Stb. 259; gewijzigd en opnieuw vastgesteld m.i.v. 1973 bij wetten 16-11-1972 Stbldn. 612 en 613 in: art. 52.2; vervangen in wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122 door art. 66b.2,
7. art. 64.5 v.a. wijz. wet 29-11-1972 Stb. 695; bij het van kracht worden van de wet vernummerd in: art. 64.4; vervangen bij wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122 door art. 66c.2,
8. art. 54.1 v.a. wijz. wet 19-12-1973 Stb. 631; vervallen bij wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122,
9. art. 25a.5 v.a. wijz. wet 28-12-1989, Stb. 599,
10. art. 45a.3 v.a. wijz. wet 12-12-1991, Stb. 697,
Waardering: B, 4
Nummer: 298
Handeling: Het afwijzen of toewijzen, onder voorwaarden, op d.t.v. de inspecteur ingezonden verzoeken de inspecteur te machtigen bij fusie behaald voordeel buiten aanmerking te laten bij de vaststelling van het verschuldigde bedrag aan inkomstenbelasting.
NB
Zgn. standaardvoorwaarden worden bij resolutie/aanschrijving gesteld (pseudo-wetgeving) en via de Staatscourant bekendgemaakt. In individuele gevallen kan de minister afwijken van de standaardvoorwaarden.
Periode: 1992-...: DGBel./DB
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, v.a. wijz. wet 10-9-1992 Stb. 491, art. 68a.1,
Wet van 10-9-1992 Stb. 491, art. IV
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 299
Handeling: Het afwijzen of toewijzen, onder voorwaarden, van verzoeken af te wijken van het maximum bedrag van aftrekbare premies voor lijfrenten dat als persoonlijke verplichting in aanmerking genomen wordt.
Periode: 1991-...: DGBel./DB
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, v.a. wijz. wet 12-12-1991 Stb. 697, art. 75.3,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 300
Handeling: Het voorbereiden wijzigen en intrekken van Koninklijke Besluiten houdende het tijdstip van inwerkingtreding van de wet en indien de inwerkingtreding voor verschillende bepalingen verschillend is worden regelen gegeven m.b.t. ingevolge art. 91 ingetrokken of vervallen bepalingen van het Besluit inkomstenbelasting 1941, de Wet inkomstenbelasting 1914, de zevende Uitvoeringsbeschikking inkomstenbelasting 1941 en de Tweede Uitvoeringsbeschikking inkomstenbelasting 1941.
Periode: 1965-...: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, art. 95,
Waardering: B, 1/4
Nummer: 301
Handeling: Het in de bepalingen betreffende de aanhaling van de Wet inkomstenbelasting 1960, de Wet Loonbelasting 1960, de Wet Vermogensbelasting 1960, de Wet vennootschapsbelasting 1960 en de Wet Dividendbelasting 1960 vervangen van het jaartal 1960 door het jaartal waarin zij in het Staatsblad geplaatst worden.
Periode: 1965-1989: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting, art. 96; vervallen bij wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122,
Waardering: B, 1
Nummer: 302
Handeling: Het vaststellen, wijzigen en intrekken van een bij deze wet behorende inkomstenbelastingtabel die de wijziging van de o.g.v. art. 53 bijgehouden tabel voor tenminste 2/3 deel verwerkt.
Periode: 1969-...: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet van 18 december 1969, art. II,
Waardering: B, 1/4
Nummer: 303
Handeling: Het stellen, wijzigen en intrekken van nadere bepalingen ter zake van de overgang naar een andere tariefstructuur.
Periode: 1972-1973: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet van 16 november 1972, Stb. 613, tot wijziging van de structuur van het tarief in de inkomstenbelasting, art. III.2,
Waardering: B, 4
Nummer: 304
Handeling: Het stellen van nadere bepalingen ter zake van de overgang door deze wet (m.b.t. het tarief en daarmee samenhangende structurele voorzieningen).
Periode: 1973-1974: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet van 19 december 1973, Stb. 631, wijziging van de inkomsten- en de loonbelasting i.v.m. het belastingplan 1974, art. VI,
Waardering: B, 4
Nummer: 305
Handeling: Het voor 1974 vaststellen van de in art. 53.3.4 opgenomen belastingvrije sommen voor de tariefgroepen, voor de verhoging wegens kinderaftrek en voor belastingplichtigen die volgens dit art. lid 4 zijn opgenomen in tariefgroep 3 en 4.
Periode: 1974: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet van 20 juni 1974 Stb. 363, art III,
Waardering: B, 4
Nummer: 306
Handeling: Het vaststellen, wijzigen en intrekken van de belastingtabellen voor het 2e t/m 4e kwartaal 1975.
Periode: 1975: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet van 26 maart 1975, Stb. 130, art. 4,
Waardering: B, 4
Nummer: 307
Handeling: Het vervangen, aan het begin van het kalenderjaar, van de bedragen opgenomen in art. 5 en art. 53 waarbij bij de berekening met een andere factor gewerkt wordt dan met de voorgeschreven tabelcorrectiefactor die bedoeld wordt in art. 54.
Periode: 1976-...: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet van 21 december, 1976, Stb 689 tot wijziging van de inkomstenbelasting en de loonbelasting, art. II zoals gewijzigd bij Wet van 21-12-1977, Stb. 698 art. II,
Beschikking Beperking Tariefbijstelling voor 1975, art. 1,
Beschikking Beperking Tariefbijstelling voor 1977, art. 1,
Beschikking Beperking Tariefbijstelling voor 1978, art. 1,
Beschikking tot wijz. van de Bijstellingsbeschikking 1982 d.d. 27-10-1982 nr. 082-2475 Stcrt. 208.
Waardering: B, 4
Nummer: 308
Handeling: Het opstellen van een regeling houdende wijziging van in art. 87a.3.4 genoemde data die in aanmerking genomen moeten worden bij de berekening van rente begrepen in kapitaalsuitkeringen, i.v.m. de inwerkingtreding van de wet.
Periode: 1977: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet van 23-11-1977, Stb. 647, m.b.t. het belasten van rente uit kapitaalsuitkeringen uit levensverzekeringen, art. II
Waardering: B, 4
Nummer: 309
Handeling: Het, voor het kalenderjaar 1979, vervangen van de bedragen van belastingvrije sommen voor degenen die volgens art. 53.4 ingedeeld zijn in tariefgroep 3 en recht hebben op kinderaftrek.
Periode: 1978-1979: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet van 14-9-1978 Stb. 465, art. XII.1,
Waardering: B, 4
Nummer: 310
Handeling: Het stellen, wijzigen en intrekken van regels ter zake van overgang bij wijziging van in de wet genoemde bedragen.
Periode: 1983-...: DGFZ/
Grondslag: Wet van 15-12-1983, Stb. 627, art. VI.2,
Waardering: B, 4
Nummer: 311
Handeling: Het vaststellen, wijzigen en intrekken van overgangsmaatregelen i.v.m. de invoering fiscale regels m.b.t. tweeverdieners.
Periode: 1984-1985: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet van 20-12-1984 Stb. 649, art. X,
Waardering: B, 4
Nummer: 312
Handeling: Het voor het kalenderjaar 1985 vaststellen van belastingtabellen en bedragen van belastingvrije sommen conform art. 54 wet IB i.v.m. de verlenging van de tijdelijke verhoging van de loon- en inkomstenbelasting alsmede i.v.m. het van kracht worden van de wet `derde fase tweeverdieners'.
Periode: 1984: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet van 20-12-1984, Stb. 650, art. 3, 4,
Waardering: B, 4
Nummer: 313
Handeling: Het, voor het kalenderjaar 1987, vaststellen van belastingtabellen en bedragen van belastingvrije sommen conform art. 54 wet IB i.v.m. de verlenging van de tijdelijke verhoging van de loon- en inkomstenbelasting.
Periode: 1986-1987: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet van 6-11-1986, Stb. 570, art. 3,
Waardering: B, 4
Nummer: 314
Handeling: Het bij min. regeling, stellen van nadere, zo nodig afwijkende, regels m.b.t. het heffen van belasting en premie volksverzekeringen bij wege van één aanslag, ingeval belastingplichtige ook premieplichtig is.
Periode: 1989-...: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet van 27 april 1989, Stb. 122, tot herziening van de belastingheffing n.a.v. de voorstellen van de commissie tot vereenvoudiging van de loonbelasting en de inkomstenbelasting (Commissie Oort), (Wet vereenvoudiging tariefstructuur en aftrekposten in de loon- en inkomstenbelasting), art. X,
Waardering: B, 4
Nummer: 315
Handeling: Het bij ministeriële regeling vervangen van de in art. 42a gestelde tabel en de daarbij gehanteerde correctiefactor voor de vaststelling van het huurwaardeforfait ingeval het percentage dat in de Huurprijzenwet (art. 18.1) voor verhoging/verlaging van de huurprijzen lager/hoger is dan 51/2%.
Periode: 1991-...: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet van 4 juli 1991, Stb. 352, art. V,
Waardering: B, 4
Nummer: 316
Handeling: Het jaarlijks bij min. regeling vervangen van het bedrag dat ten hoogste in aanmerking genomen wordt als factor, voorstellende het persoonlijk inkomen vermeerderd met premies en bijdragen uit hoofde van een pensioenregeling en de ingehouden bijdragen ingevolge de Wet op de loonbelasting niet tot het loon behoren, bij de voorzieningentoets.
Periode: 1992-...: DGFZ/WDB
Grondslag: Uitvoeringsbesluit op de inkomstenbelasting 1964, v.a. wijz. 22-6-1992, Stb. 340, art. 3.8,
Waardering: B, 4
Wetten die verband houden met de uitvoering en toepassing van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 voor zover niet opgenomen bij de wijzigingswetten
Nummer: 318
Handeling: Het doen verrichten van een steekproefonderzoek naar de mate van overeenstemming tussen de in het kader van de inkomstenbelastingheffing aangegeven inkomsten wegens genoten rente uit tegoeden en de werkelijk genoten renten door belastingplichtigen.
NB Hierbij hoort ook het geven van aanwijzingen en het verstrekken van gegevens aan de Nederlandsche Bank en het Centraal Bureau voor de Statistiek)
Periode: 1985-1986:
Grondslag: Wet van 21 mei 1985, Stb. 270, Wet Rentesteekproefonderzoek 1984/1985, art. 2.1, 3.1, 7
Waardering: B, 1
Nummer: 322
Handeling: Het treffen van maatregelen betreffende de waarborging van de geheimhouding van verzamelde gegevens gebruikt bij het rentesteekproefonderzoek.
Periode: 1985-1986
Grondslag: Wet van 21 mei 1985, Stb. 270, Wet Rentesteekproefonderzoek 1984/1985, art. 10,
Waardering: B, 4/6
Besluit op de Dividendlasting 1941
Nummer: 325
Handeling: Het opstellen van voorwaarden waaraan vennootschappen welke uitsluitend ten doel hebben de verkrijging, het beheer, het bezit en de vervreemding hetzij van effecten hetzij van effecten en andere zaken welke naar hun aard bron van inkomen kunnen zijn, om voor vrijstelling van dividendbelasting in aanmerking te komen.
Periode: 1945-1965: Adm. Rijksbel./DGBel.
Grondslag: Besluit op de Dividendlasting 1941, v.a. wijz. bij Besluit 27-5-1942 VB. 65, art. 2a. onder 2B; gewijzigd bij wijz. wet 27-6-1963 Stb. 374 in: art. 2.1 onder 2B,
Waardering: B, 4
Nummer: 326
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van een AMVB houdende vaststelling van het maximum bedrag aan inkomen dat bij de uitdeling op aandelen/effecten dat vrijgesteld van dividendbelasting is als de uitdelingen door naamloze vennootschappen welke ten doel hebben de verkrijging, het bezit, het beheer en vervreemding welke naar hun aard bron van inkomen kunnen zijn en zijn gedaan aan natuurlijke personen binnen het Rijk welke onderworpen zijn aan de inkomstenbelasting.
Periode: 1963-...: DGFZ/WDB
Grondslag: Besluit op de Dividendlasting 1941, v.a. wijz. wet 27-6-1963, Stb. 374, art. 2a.2,
Waardering: B, 4
Nummer: 327
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van voorwaarden waaraan vennootschappen moeten voldoen om voor vrijstelling van dividendbelasting, op uitdeling op aandelen/
effecten welke ten doel hebben de verkrijging, het bezit, het beheer en de vervreemding bron van inkomsten te zijn en welke aandelen niet duurzaam gehouden kunnen worden door een ander dan degene aan wie ze zijn uitgegeven of na ontbinding van een huwelijk door de gewezen echtgenoot en welke aandelen uitgegeven zijn aan binnen het Rijk aan inkomstenbelasting onderworpen natuurlijke personen, in aanmerking te komen.
Periode: 1963-...: DGBel./
Grondslag: Besluit op de Dividendlasting 1941, v.a. wijz. wet 27-6-1963, Stb. 374, art. 2a.2,
Waardering: B, 4
Nummer: 329
Handeling: Het vaststellen van het aangifteformulier voor de dividendbelasting.
Periode: 1945-1965: Adm. Rijksbel. DB/DGFZ WDB (1950-..
Grondslag: Besluit op de Dividendlasting 1941, art. 5.3,
Waardering: B, 4
Nummer: 330
Handeling: Het geven van voorschriften en (nadere) regels:
1. m.b.t. de afdracht van de dividendbelasting.
2. m.b.t. het boeken in een register, door degene die de opbrengst verschuldigd is, van de gegevens die nodig zijn voor het berekenen van de dividendbelasting.
3. m.b.t. de dividendnota die degene die de opbrengst uitkeert dient te overhandigen aan degene die de opbrengst geniet en de belasting verschuldigd is.
4. welke nodig zijn ter uitvoering en ter aanvulling van het Besluit.
Periode: 1945-1965: Adm. Rijksbel. DB/DGFZ WDB (1950-..
Grondslag: Besluit op de Dividendlasting 1941,
1. art. 5.3,
2. art. 6,
3. art. 7.3,
4. art. 15,
Waardering: B, 4
Nummer: 331
Handeling: Het wel/niet verlenen van vrijstelling van de verplichting een dividendnota uit te reiken aan degene die de opbrengst verschuldigd is aan rechthebbenden.
Periode: 1945-1965: Adm. rijksbel./DGBel.
Grondslag: Besluit op de Dividendlasting 1941, art. 7.4,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na vervallen/intrekken van de vrijstelling of afhandeling van de weigering
Nummer: 332
Handeling: Het niet/wel toestaan dat vennootschappen minder dan een in de beschikking vastgesteld percentage van de bruto-opbrengst van haar beleggingen uitkeert en waarvoor dividendbelasting, vennootschapsbelasting, registratierecht en zegelrecht op de uitdeling verschuldigd is.
Periode: 1963-...: DGBel./DB
Grondslag: Beschikking fiscale faciliteiten voor bezitsvorming m.b.t. effecten d.d. 10-9-1963, art. 4,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Wet op de dividendbelasting 1965, d.d. 23-12-1965, Stb. 621, in werking per 1-1-1966.
Nummer: 333
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van een AMVB houdende vaststelling van het bedrag dat ten hoogste is vrijgesteld van dividendbelasting op uitdelingen op aandelen die uitsluitend kunnen worden uitgegeven aan binnen het Rijk wonende natuurlijke personen in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting en welke uitdelingen door vennootschappen uitsluitend ten doel hebben de verkrijging, het bezit, het beheer en de vervreemding van effecten bron van inkomen te zijn.
Periode: 1966-1971: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet op de dividendbelasting 1965, art. 4.1 onder A; vervallen bij wijz. wet 23-4-1971 Stb. 418,
Waardering: B, 4
Nummer: 334
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van voorwaarden (v.a. 1989: bij min. regeling) waaraan vennootschappen moeten voldoen om voor vrijstelling, van dividendbelasting op uitdeling op aandelen/effecten welke ten doel hebben de verkrijging, het bezit, het beheer en de vervreemding bron van inkomsten te zijn en welke aandelen niet duurzaam gehouden kunnen worden door een ander dan degene aan wie ze zijn uitgegeven of na ontbinding van een huwelijk door de gewezen echtgenoot; v.a. 1976: indien afgegeven aan gehuwden niet duurzaam gescheiden met een gezamenlijk inkomen belast als bepaald in de Wet inkomstenbelasting, en welke aandelen zijn afgegeven aan binnen het Rijk (v.a. 1989: in Nederland) aan inkomstenbelasting onderworpen natuurlijke personen, in aanmerking te komen. (vrijstelling uitdelingen bijzondere beleggingsinstellingen*)
Periode: 1966-...: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet op de dividendbelasting 1965, art. 4.1,
Waardering: B, 4
Nummer: 335
Handeling: Het afwijzen of toewijzen, onder te stellen voorwaarden, van verzoeken de heffing van dividendbelasting achterwege te laten t.a.v. de opbrengsten van aandelen, winstbewijzen en winstdelende obligaties waartoe gerechtigd zijn nv's als bedoeld in art. 11 Besluit Vennootschapsbelasting 1942 (Beleggingsmaatschappijen); v.a. 1969: beleggingsinstellingen als bedoeld in art. 28 Wet venn. bel. 1969.
Periode: 1966-1981: DGBel.
Grondslag: Wet op de dividendbelasting 1965, art. 4.2; vervallen bij wijz. wet 17-12-1981 Stb. 749,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 337
Handeling: Het stellen, wijzigen en intrekken van (nadere) regels (v.a. 1989: bij min. regeling):
1. m.b.t. de door de inhoudingsplichtige uit te reiken dividendnota aan degene aan wie de opbrengst wordt uitbetaalt, het administratiekantoor dat de opbrengst doorbetaalt aan certificaathouders of degene wiens beroep het kopen of innen van dividendbewijzen gewoonlijk behoort.
2. betreffende het vaststellen (v.a. 1989: bij min. regeling) van de termijn waarbinnen aangifte gedaan dient te worden.
3. houdende het vaststellen, wijzigen en intrekken van het aangifteformulier voor de dividendbelasting.
4. m.b.t. de voorwaarden voor het in aanmerking komen van de dividendvrijstelling in de inkomstenbelasting t.a.v. de opbrengst van aandelen en winstbewijzen gehouden door werknemers van de inhoudingsplichtige of van een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap als bedoeld in art. 11 Wet loonbelasting 1964 en die aandelen en winstbewijzen genoten door werknemers als loon of zijn vrijgesteld ing. art. 11 Wet loonbelasting.
Periode: 1966-...: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet op de dividendbelasting 1965,
1. art. 9.1,
2. art. 10; gewijzigd bij wijz. wet 17-12-1981 Stb. 749 in: art. 10.1,
3. art. 10; gewijzigd bij wijz. wet 17-12-1981 Stb. 749 in: art. 10.1+2; gewijzigd bij wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122 in: art. 10.3,
4. art. 4.3 v.a. wijz. wet 1-11-1993 Stb. 573,
Waardering: B, 4
Nummer: 338
Handeling: Het stellen, wijzigen en intrekken van overgangsregels m.b.t. aanspraken op uitkeringen ingevolge op 31-12-1993 bestaande premiespaarregelingen en winstdelingsspaarregelingen alsmede m.b.t. reeds op die datum toegekend spaarloon i.v.m. de heffing van inkomsten-, loon-, vennootschaps- en dividendbelasting.
Periode: 1993-....: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet van 1 november 1993 Stb. 573, art. IX,
Waardering: B, 4
Superdividendbelasting (dividendbeperking)
Nummer: 340
Handeling: Het afwijzen/ toewijzen, na advisering door een commissie van advies, op bezwaren tegen beslissingen van de inspecteur wel/niet een verklaring af te geven dat geen bezwaar bestaat tegen herkapitalisatie door vennootschappen.
Periode: 1945-1950
Grondslag: Besluit Dividendbeperking 1941, art. 10.4,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 341
Handeling: Het instellen van een commissie van advies die de Secretaris-Generaal adviseert bij de behandeling van bezwaren inzake afgifte van verklaringen van geen bezwaar tegen herkapitalisatie van vennootschappen i.v.m. de heffing van belasting op de herkapitalisatie en van de zgn. superdividendbelasting op de uitdelingen daarop.
Periode: 1941
Grondslag: Besluit Dividendbeperking 1941, art. 10.4,
Waardering: B, 5
Nummer: 343
Handeling: Het geven, wijzigen en intrekken van voorschriften tot aanvulling en ter uitvoering van het besluit.
Periode: 1945-1950
Grondslag: Besluit Dividendbeperking 1941, art. 25,
Waardering: B, 4
Nummer: 344
Handeling: Het wel/ niet tegemoetkomen aan onbillijkheden van overwegende aard, voor gevallen of groepen van gevallen, welke zich voordoen bij de toepassing van het besluit.
Periode: 1945-1950
Grondslag: Besluit Dividendbeperking 1941, art. 25,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling/vervallen
Nummer: 345
Handeling: Het wel/niet toelaten van verdachten tot transactie om zodoende strafvervolging te voorkomen.
Periode: 1945-1950
Grondslag: Besluit Dividendbeperking 1941, art. 34,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 346
Handeling: Het afwijzen of toewijzen, in bijzondere gevallen, van verzoeken de termijnen waarvoor een besluit tot herkapitalisatie genomen wordt te verlengen tot een te bepalen datum gelegen na 1-4-1942.
Periode: 1945-1950
Grondslag: Eerste aanvullingsbesluit dividendbeperking 1941, art. 14.2,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 347
Handeling: Het afwijzen of toewijzen van verzoeken, onder daarbij te stellen voorwaarden, om niet zichtbare reserves te mogen aanwenden voor herkapitalisatie.
Periode: 1945-1950
Grondslag: Eerste aanvullingsbesluit dividendbeperking 1941, art. 15.2,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 348
Handeling: Het afwijzen of toewijzen van verzoeken om gedeeltelijke of gehele teruggaaf van inkomsten-, dividend-, superdividend-, winst- en (v.a. wijz. 1942) vennootschapsbelasting ingeval de vennootschap binnen 5 jaar na herkapitalisatie besluit tot terugbetaling op aandelen over te gaan.
Periode: 1945-1950
Grondslag: Eerste aanvullingsbesluit dividendbeperking 1941, art. 24.2,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 349
Handeling: Het goedkeuren van bijschrijvingen op of de uitreiking van aandelen t.l.v. in de vennootschap aanwezige winst i.v.m. het niet aanmerken als dividend voor de toepassing van de wet.
Periode: 1950-1953: DGBel./DB
Grondslag: Wet op de Dividendbeperking 1950, art. 4.1 onder a,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 350
Handeling: Het goedkeuren van uitloting of inkoop van winstbewijzen i.v.m. het niet aanmerken daarvan als dividend voor de toepassing van de wet.
Periode: 1950-1953: DGBel./DB
Grondslag: Wet op de Dividendbeperking 1950, art. 4.1 onder d,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 352
Handeling: Het afwijzen of toewijzen, onder voorwaarden, van verzoeken van dividendbeperkingsplichtige vennootschappen ontheffing te verlenen van het verbod winstbewijzen uit te geven of, in het voordeel van de houders van zodanige effecten, wijziging te brengen in de op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet daaraan verbonden rechten alsmede het toestaan dat hiertoe een ander tijdstip wordt aangehouden.
Periode: 1950-1953: DGBel./DB
Grondslag: Wet op de Dividendbeperking 1950, art. 17.2,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 353
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van voorschriften welke nodig zijn ter uitvoering van de wet.
Periode: 1950-1953: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet op de Dividendbeperking 1950, art. 19 onder 1e,
Waardering: B, 4
Nummer: 354
Handeling: Het wel/niet voor gevallen of groepen van gevallen tegemoetkomen aan onbillijkheden van overwegende aard welke zich voordoen bij de uitvoering van de wet.
Periode: 1950-1953: DGBel/DB
Grondslag: Wet op de Dividendbeperking 1950, art. 19 onder 2e,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling/vervallen
Nummer: 355
Handeling: Het afwijzen of toewijzen van verzoeken om aandelen waarvoor ingevolge statutaire bepalingen niet meer dan een bepaald percentage als dividend wordt uitgekeerd (preferente niet-winstdelende aandelen) en de uitkeringen op zodanige aandelen voor de toepassing van deze wet als schulden onderscheidenlijk als rente van schulden te beschouwen.
Periode: 1950-1953: DGBel./DB
Grondslag: Wet op de Dividendbeperking 1950, art. 19 onder 3e,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 356
Handeling: Het verlenen van ontheffing van de beperkingen (opgelegd in art. 5-8) m.b.t. de hoogte van uit te keren dividenden en wijziging van de hoogte van de som waarover superdividendbelasting geheven wordt, voor zover de minister dit in 's Lands belang acht.
Periode: 1950-1953: DGBel./DB
Grondslag: Wet op de Dividendbeperking 1950, art. 19 onder 4e,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 357
Handeling: Het wel/niet toelaten van verdachten van overtreding van de wet tot transactie.
Periode: 1950-1953: DGBel.
Grondslag: Wet op de Dividendbeperking 1950, art. 27.2,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 359
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van bepalingen m.b.t. de heffing van de commissarissenbelasting.
Periode: 1945-1969: Adm. Rijksbel. DB/DGFZ WDB (1950-..
Grondslag: Besluit op de Commissarissenbelasting 1941, art. 9.2,
Waardering: B, 4
Kansspelbelasting (tot 1964: Loterijbelasting)
Nummer: 361
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van (nadere) regels:
1. m.b.t. het bijhouden van een register door inhoudingsplichtigen waarin de gegevens geboekt worden die van belang zijn voor de heffing van de kansspelbelasting.
2. m.b.t. de door degene die de belasting moet inhouden uit te reiken nota, aan degene aan wie de prijs betaalbaar is gesteld, waaruit de inhouding blijkt.
Periode: 1961-...: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet op de kansspelbelasting,
1. art. 7.1, 5b v.a. wijz. wet 26-3-1981 Stb. 143,
2. art. 7.2,
Waardering: B, 4
Nummer: 907
Handeling: Het verrichten van onderzoeken of nieuwe kansspelen aangemerkt moeten worden als kansspel voor de heffing van belasting.
Periode: 1961-...: DGBel./DB
Grondslag: Wet op de kansspelbelasting, art. 2 e.v.
Waardering: B, 6
Successie-, schenkings- en overgangsrecht
Nummer: 362
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van AMVB's:
houdende aanvullende en afwijkende regels, m.b.t. de heffing van successie- en schenkingsrecht, van nalatenschappen en schenkingen door ingezetenen die binnen een in de wet genoemde termijn na het verlaten van het Rijk overlijden of schenkingen doen alsmede m.b.t. vermindering met hetgeen in het buitenland reeds is betaald aan belasting, t.a.v. 1) de termijnen binnen welke verplichtingen moeten worden nagekomen of rechten kunnen worden uitgeoefend, 2) de plaats waar en de ambtenaren tegenover wie verplichtingen moeten worden nagekomen of rechten moeten worden uitgeoefend, 3) de verplichting om, indien het leggen van conservatoir beslag niet mogelijk is, zekerheid te stellen, 4) de regeling van de wijze waarop de in den vreemde betaalde belasting verrekend wordt.
Periode: 1945-1956: Adm. Rijksbel.-Afd. Ind. Bel. en Afd. OvdB
Grondslag: Successiewet, art. 3.5,
Waardering: B, 4
Nummer: 363
Handeling: Het aanwijzen van de ambtenaren bij wie aangifte gedaan dient te worden en aan wie (voor de afgifte) aangetoond moet worden dat schulden reeds bestonden voordat degene overleden was over wiens nalatenschap successierecht geheven wordt i.v.m. de aftrek van het verschuldigde recht.
Periode: 1945-1956: Adm. Rijksbel./IB
Grondslag: Successiewet, art. 7, 50, 51,
Waardering: B, 4
Nummer: 365
Handeling: Het aanwijzen van het kantoor waar aangifte gedaan dient te worden indien een stichting die een schenking verkrijgt is opgericht door meer dan één persoon en die personen in de kring van meerdere kantoren wonen.
Periode: 1945-1956: Adm. Rijksbel./IB
Grondslag: Successiewet, art. 15,
Waardering: B, 4
Nummer: 367
Handeling: Het opdracht geven aan vier makelaars of commissionairs prijscouranten op te maken aan de hand waarvan de waarde van effecten kan worden bepaald i.v.m. de heffing van successierecht.
Periode: 1945-1956: Adm. Rijksbel./IB
Grondslag: Successiewet, art. 47,
Waardering: V, termijn: 10 jaar
NB in de aanhef van de Prijscourant die als bijvoegsel van de Staatscourant bekend
gemaakt werd werden de namen van de makelaars/commissionairs genoemd.
Nummer: 369
Handeling: Het wel/niet afgeven van bijzondere volmachten volgens welke belastingplichtigen de eed of verklaring, m.b.t. de aangifte voor het successie- of schenkingsrecht, mogen afleggen bij de kantonrechter van hun keuze.
Periode: 1945-1956: Adm. Rijksbel./IB
Grondslag: Successiewet, art. 55,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 370
Handeling: Het beoordelen of bijzondere opdrachten m.b.t. hetgeen geërfd of verkregen wordt door gemeenten of provinciën aan de making niet het karakter ontneemt van te zijn geschiedt in het algemeen belang i.v.m. de vrijstelling van successierecht.
Periode: 1945-1956: Adm. Rijksbel./IB
Grondslag: Successiewet, art. 79,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 371
Handeling: Het beoordelen of bijzondere opdrachten m.b.t. hetgeen door schenking verkregen wordt door gemeenten of provinciën aan de making niet het karakter ontneemt van te zijn geschiedt in het algemeen belang e.e.a. in verband met de vrijstelling van schenkingsrecht.
Periode: 1945-1956: Adm. Rijksbel./IB
Grondslag: Successiewet, art. 80,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 372
Handeling: Het afwijzen en toewijzen van verzoeken om kwijtschelding of vermindering van rechten van successie en schenking, voor in dit artikel opgenomen gevallen, en van verhogingen en boetes.
Periode: 1945-1956: Adm. Rijksbel./IB
Grondslag: Successiewet, art. 82,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 373
Handeling: Het op verzoek, in bijzondere gevallen niet vallende onder art. 82, wel/niet verlenen van kwijtschelding of vermindering van rechten.
Periode: 1945-1956: Adm. Rijksbel./IB
Grondslag: Successiewet, art. 82a,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling/vervallen
Nummer: 374
Handeling: Het afwijzen of toewijzen van verzoeken de termijn van aangifte, beëdiging en betaling te verlengen.
Periode: 1945-1956: Adm. Rijksbel./IB
Grondslag: Successiewet, art. 83,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 375
Handeling: Het vaststellen van het percentage van verschuldigde interest indien verlenging van de termijn van aangifte of betaling wordt verlengd.
Periode: 1945-1956: Adm. Rijksbel.-Afd. Ind. Bel.
Grondslag: Successiewet, art. 83,
Waardering: B, 4
Nummer: 376
Handeling: Het, in bijzondere gevallen, vaststellen dat geen of een lagere interest verschuldigd is bij verlenging van de termijn van aangifte of betaling of bij invordering, teruggave, kwijtschelding en vermindering van rechten.
Periode: 1945-1956: Adm. Rijksbel./IB
Grondslag: Successiewet, art. 83 (vlg. toelichting ed. Schuurman en Jordens),
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 377
Handeling: Het op verzoek verlenen van vergunningen om, t.a.v. het recht verschuldigd wegens verkrijging van een rente, de betalingen in termijnen zonder bijbetaling van interest te verrichten.
Periode: 1945-1956: Adm. Rijksbel./IB
Grondslag: Successiewet, art. 90,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 378
Handeling: Het afwijzen en toewijzen van verzoeken om machtigingen te verlenen om inzage, inlichtingen en uittreksels te verstrekken uit/van de memories van aangifte van successie en schenking en de bijlagen daarbij.
Periode: 1945-1956: Adm. Rijksbel./IB
Grondslag: Successiewet, art. 94,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 379
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van AMVB's:
1. houdende aanvullende en afwijkende regels, ter zake van de heffing van successie- en schenkingsrecht, van nalatenschappen en schenkingen door ingezetenen die binnen een in de wet genoemde termijn na het verlaten van het Rijk overlijden of doen alsmede m.b.t. vermindering met hetgeen in het buitenland reeds is betaald aan belasting, betreffende: 1) de termijnen binnen welke verplichtingen moeten worden nagekomen of rechten kunnen worden nagekomen, 2) de regeling van de wijze waarop in het buitenland betaalde belasting verrekend wordt, 3) de verplichting om, zo het leggen van conservatoir beslag niet mogelijk is, zekerheid te stellen.
2. houdende (i.v.m. heffing van het recht van overgang) vaststelling dat in de Staat, waarin de erflater of schenker bij overlijden en schenking woonplaats had, hetzij zodanige andere vermogensbestanddelen; v.a. wijz. 1966 Stb. 275: bezittingen, nagelaten of geschonken door niet in die Staat wonenden, middelijk of onmiddellijk onderworpen zijn aan een belasting die gelijksoortig is aan het recht van overgang, dan wel voor de regeling van die belasting dergelijke schulden niet mogen worden afgetrokken.
3. houdende regels m.b.t. de bepaling van de waarde (1956-1984: voor de volle of met fedëi-commis bezwaarde eigendom) van periodieke uitkeringen i.v.m. de bepaling van het belastbare bedrag voor de heffing van successie-, schenkings- en overgangsrecht. (waardering periodieke uitkeringen*)
4. houdende vaststelling van het percentage van de waarde van periodieke uitkeringen (1956-1984: die bepaald is overeenkomstig onder I letter e (zie 3); 1984-..:overeenkomstig de voorgaande leden te bepalen waarde) dat in aanmerking genomen wordt bij de bepaling van het belastbaar bedrag voor de heffing van successie-, schenkings- en overgangsrecht over het genot van vruchtgebruik van die uitkeringen. (waardering vruchtgebruik*)
5. houdende regels welke ten doel hebben te bevorderen dat het vermogen van rechtspersonen die materiële en geestelijke belangen van werknemers en hun familie willen bevorderen blijvend worden aangewend voor nastreving van dat doel.
6. houdende voorwaarden m.b.t. het invorderbaar stellen in 5 jaarlijkse termijnen van opgelegde aanslagen voor de rechten van successie en schenking wegens verkrijgingen bestaande uit ondernemingsvermogen.
Periode: 1956-...:DGBel./IB, DGFZ/WV+D, WV
Grondslag: Successiewet 1956,
1. art. 3.4; vervallen d.d. 8-11-1984, Stb. 545,
2. art. 5.2 (onder 2e),
3. art. 21 onder I letter e; gewijzigd bij wijz. wet 8-11-1984 in: art. 21.6,
4. art. 21 onder II; gewijzigd bij wijz. wet 8-11-1984 Stb. 545 in: art. 21.8,
5. art. 34,
6. art. 59a.1 v.a. wijz. wet 8-11-1984 Stb. 544; vervallen v.a. wijz. wet 30-5-1990 Stb. 222,
Waardering: B, 4
Nummer: 380
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van een Koninklijk Besluit houdende nadere regels aangaande de heffing van het recht van overgang van de waarde van vermogensbestanddelen; v.a. 1966: bezittingen.
Periode : 1956-...:DGBel./IB, DGFZ/WV+D, WV
Grondslag: Successiewet 1956, art. 5.2,
Waardering: B, 4
Nummer: 381
Handeling: Het opdracht geven aan vier makelaars of commissionairs prijscouranten op te maken aan de hand waarvan de waarde van effecten (1956-1984: in volle of met fidëi-commis bezwaarde eigendom) kan worden bepaald i.v.m. de bepaling van het belastbaar bedrag voor de heffing van successie- schenkings- en overgangsrecht. (waardering courante effecten*)
Periode: 1956-...: DGBel./IB, DGFZ/WV+D, WV
Grondslag: Successiewet 1956, art. 21 no. I onder B; gewijzigd bij wet 8-11-1984 Stb. 545 in: art. 21.3,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afloop van de opdracht
Nummer: 382
Handeling: Het beoordelen of opdrachten bij makingen aan provinciën en gemeenten niet het karakter aan die makingen ontnemen als te zijn geschied in het algemeen belang i.v.m. de vrijstelling van successierecht.
Periode: 1956-1984: DGBel./IB
Grondslag: Successiewet 1956, art. 32; vervallen bij wijz. wet 8-11-1984 Stb. 545,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 383
Handeling: Het beoordelen of bijzondere opdrachten bij schenkingen aan provinciën en gemeenten het karakter van het algemeen belang van die schenkingen ontneemt i.v.m. de verlening van vrijstelling van schenkingsrecht.
Periode: 1956-1984: DGBel./IB
Grondslag: Successiewet 1956, art. 33; vervallen v.a. wijz. wet 8-11-1984 Stb. 545,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 384
Handeling: Het afwijzen of toewijzen, onder te stellen voorwaarden, van verzoeken de heffing van schenkingsrecht achterwege te laten ter zake van de omzetting van een rechtspersoon die niet aan de voorwaarden in het B.W. voldoet naar een rechtspersoon die daaraan wel voldoet (B.W. art. 2.1.10).
Periode: 1976-1989: DGBel./IB
Grondslag: Successiewet 1956, v.a. wijz. wet 8-4-1976 Stb. 229, art. 33.3; vervallen bij wijz. wet 25-10-1989 Stb. 491,
Bijstellingsregelingen inkomsten- en vermogensbelasting, rechten van successie, van schenking en van overgang, 1986, 1987, 1988, 1989,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 385
Handeling: Het jaarlijks vervangen van de tarieven en bedragen van vrijstellingen van successie- en schenkingsrecht. (aanpassing aan inflatiecorrectie)
NB
Deze jaarlijkse wijzigingen zijn gekoppeld aan de bepalingen in de Wet inkomstenbelasting 1964. Zie elders in dit rapport de handelingen m.b.t. art. 46, 54; v.a. 1989 Stb 122 vervangen door: 66b, en 64 van die wet.
Periode: 1980-...: DGFZ/WV
Grondslag: Successiewet 1956, v.a. wijz. wet 17-12-1980 Stb. 686, art. 35a,
Waardering: B, 4
Nummer: 386
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van regels/ministeriële regelingen:
1. m.b.t. het doen van schriftelijke aangifte t.b.v. de heffing van rechten van successie, schenking en overdracht en de vermelding van evt. nadere gegevens ( art. 39, 41).
2. m.b.t. het delegeren aan de Belastingdienst van het afwijzen of toewijzen van verzoeken om in bijzonder gevallen de termijn van het doen van aangifte te verlengen.
3. m.b.t. het delegeren van -onder het stellen, wijzigen en intrekken van aanwijzingen- aan de Belastingdienst, m.b.t. het afwijzen/toewijzen van verzoeken om in bijzondere gevallen of (v.a. 1980) ingeval van verkrijging van niet ter beurze genoteerde aandelen in een onderneming of vermogen uitstel de onderneming in gevaar zou brengen, uitstel van betaling en (v.a. 1980) betaling in termijnen toe te staan van successie-, schenkings- en overgangsrecht.
4. betreffende het vaststellen van de interest die verschuldigd is over het bedrag aan rechten indien de termijn van aangifte verstreken is.
5. volgens welke gegevens, door verzekeraars en degenen die uitkeringen van levensverzekering of derdenbeding doen, dienen te worden verstrekt welke voor de uitvoering van de wet van belang zijn.
6. betreffende het opstellen, wijzigen en intrekken van voorschriften, o.a. betreffende de plaats waar en de ambtenaren tegenover wie verplichtingen nagekomen moeten worden of rechten kunnen worden uitgeoefend alsmede m.b.t. de woonplaats, ter uitvoering van de wet.
Periode: 1956-...: DGBel./IB, DGFZ/WV+D, WV
Grondslag: Successiewet 1956,
1. art. 36; vervallen bij wijz. wet 8-11-1984 Stb. 545, 39, 41, 73,
2. art 48; vervallen 8-11-1984 Stb. 545,
3. art. 65; vervallen bij wijz. wet 30-5-1990 Stb. 222,
4. art. 70; vervallen bij wijz. wet 26-3-1987 Stb. 120,
5. art. 75.1,
6. art. 80; vervallen 8-11-1984 Stb. 545,
Waardering: B, 4
Nummer: 388
Handeling: Het afwijzen of toewijzen van verzoeken om in bijzonder gevallen de termijn van het doen van aangifte te verlengen.
NB De wetstekst spreekt van `door of namens de minister...'. In praktijk is deze handeling aan de Belastingdienst overgelaten bij delegatie in de Uitvoeringsbeschikking. Derhalve is daartoe een aparte handeling opgenomen.
Periode: 1956-1984: DGBel./IB
Grondslag: Successiewet 1956, art. 48; vervallen 8-11-1984 Stb. 545,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 389
Handeling: Het vaststellen, wijzigen en intrekken van het formulier van aangifte voor de heffing van rechten van successie, schenking en overgang waarbij verzoeken om vermindering kunnen worden ingediend.
Periode: 1984-...: DGFZ/WV
Grondslag: Successiewet 1956, art. 53, v.a. wijz. wet 8-11-1984 Stb. 545,
Waardering: B, 4
Nummer: 391
Handeling: Het afwijzen/toewijzen van verzoeken, om in bijzondere gevallen of (v.a. 1980) ingeval van verkrijging van niet ter beurze genoteerde aandelen in een onderneming of vermogen uitstel de onderneming in gevaar zou brengen, uitstel van betaling en ( v.a. 1980) betaling in termijnen toe te staan van successie-, schenkings- en overgangsrecht.
NB De wetstekst spreekt van `door of namens de minister...'. In praktijk is deze handeling aan de Belastingdienst overgelaten bij delegatie in de Uitvoeringsbeschikking. Derhalve is daartoe een aparte handeling opgenomen.
Periode: 1956-1990: DGBel./Afd. Ind. Bel.
Grondslag: Successiewet 1956, art. 65; vervallen bij wijz. wet 30-5-1990 Stb. 222,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 392
Handeling: Het afwijzen of toewijzen van verzoeken om gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van successie-, schenkingsrecht voor verkrijgingen en schenkingen genoemd in dit artikel (verkrijging en schenking van voorwerpen van kunst en wetenschap, schenking van middelen voor voorziening in ouderdom en invaliditeit, schenking i.v.m. kosten van opleiding en studie, schenking aan verenigingen en stichtingen die kunst of wetenschap willen bevorderen, schenkingen ten algemene nutte of voor bijzondere gebeurtenissen alsmede v.a. 1984 voor verkrijgingen door: een andere Staat indien het recht meer bedraagt dan dat in Nederland, een staatkundig onderdeel of plaatselijk publiekrechtelijk lichaam, een in een andere Staat gevestigde vereniging of stichting van voorwerpen van kunst en wetenschap). (kwijtschelding*)
Periode: 1956-...: DGBel./Afd. Ind. Bel., VB
Grondslag: Successiewet 1956, art.67; gewijzigd bij wijz. wet 8-11-1984 Stb. 545 in: art. 67.1, 67.2 v.a. wijz. wet 8-11-1984 Stb. 545,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 393
Handeling: Het afwijzen of toewijzen van verzoeken om in bijzondere gevallen gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van successie- en schenkingsrecht te verlenen voor gevallen niet vallende onder art. 67 (verkrijging en schenking van voorwerpen van kunst en wetenschap, schenking van middelen voor voorziening in ouderdom en invaliditeit, schenking i.v.m. kosten van opleiding en studie, schenking aan verenigingen en stichtingen die kunst of wetenschap willen bevorderen, schenkingen ten algemene nutte of voor bijzondere gebeurtenissen).
Periode: 1956-1984: DGBel./Afd. Ind. Bel.
Grondslag: Successiewet 1956, art. 68; vervallen 8-11-1984 Stb. 545, (m.i.v. deze wijziging is deze handeling vervangen door die o.g.v. art. 63 en 66 van de AWR)
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 396
Handeling: Het wel/niet verlenen van ontheffing van de geheimhoudingsverplichtingen die m.b.t. de uitvoering van de Successiewet 1956 opgelegd zijn.
Periode: 1956-1984: DGBel./
Grondslag: Successiewet 1956, art. 79.3; vervallen 8-11-1984 Stb. 545 (de ontheffing wordt verleend o.g.v. art. 67 AWR),
Waardering: V, 10 jaar na beëindiging van de ontheffing
Nummer: 397
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van het model van het aangifteformulier voor de heffing van successierecht.
Periode: 1956-1984:DGBel/IB, DGFZ/WV+D, WV
Grondslag: Uitvoeringsbeschikking Successiewet 1956, art. 16; vervallen 1984 zie vanaf die datum de handeling o.g.v. art. 53 Successiewet 1956,
Waardering: B, 4
Nummer: 398
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van een AMVB houdende regels m.b.t. de wijze waarop zekerheid dient te worden gesteld door buitenlandse verzekeraars i.v.m. het nakomen van de verplichtingen uit hoofde van de Successiewet.
Periode: 1945-1987: Adm. Rijksbel.
Grondslag: Wet van 23 Mei 1917, Stb. 436, tot het stellen van waarborgen, dat buitenlandsche verzekeraars de hun bij de Successiewet opgelegde verplichtingen zullen nakomen, art. 1,
Waardering: B, 4
Nummer: 399
Handeling: Het aanmerken van hier te lande wonende of gevestigde personen als vertegenwoordigers van buitenlandse verzekeraars.
Periode: 1945-1987:
Grondslag: Wet van 23 Mei 1917, Stb. 436, tot het stellen van waarborgen, dat buitenlandsche verzekeraars de hun bij de Successiewet opgelegde verplichtingen zullen nakomen, art. 2, 3, 4, 5, 6,
Besluit van 10 September 1917, Stb. 583, tot regeling van de wijze waarop de zekerheid, bedoeld in art. 1, der wet van 23-5-1917 Stb, 436, wordt gesteld en opgeheven, art. 5,
Product: Beschikkingen/Kennisnemingen/publicaties in de Stcrt.
Waardering: V, termijn: 10 jaar na beëindiging
Nummer: 400
Handeling: Het toestaan van de wijze waarop door buitenlandse verzekeraars zekerheid is gesteld, het mede-opstellen van akten hiertoe, het door deskundigen laten (her)taxeren van onroerend goed waarvan de hypotheek als onderpand dient en het toestaan van wijzigingen en opheffing in de wijze van zekerheidsstelling.
Periode: 1945-1987:
Grondslag: Besluit van 10 September 1917, Stb. 583, tot regeling van de wijze waarop de zekerheid, bedoeld in art. 1, der wet van 23-5-1917 Stb, 436, wordt gesteld en opgeheven, art. 2, 6, art. 16 en 17 (taxatie onr. goedhyp.), art. 18 en 19 (opheffing),
Waardering: V, termijn: 10 jaar na beëindiging
Nummer: 401
Handeling: Het verhalen/vorderen van bedragen op door buitenlandse verzekeraars gesteld onderpand ingeval verplichtingen ing. art. 87 van de Successiewet niet nagekomen worden alsmede het vergoeden van rente op gesteld onderpand.
Periode: 1945-1987:
Grondslag: Besluit van 10 September 1917, Stb. 583, tot regeling van de wijze waarop de zekerheid, bedoeld in art. 1, der wet van 23-5-1917 Stb, 436, wordt gesteld en opgeheven, art. 3, 4, 7,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na verhaal
Nummer: 402
Handeling: Het vaststellen en wijzigen van de verhouding tussen het nominale bedrag van de inschrijvingen in de Grootboeken van de Nationale Schuld en het bedrag waarvoor die inschrijvingen geacht worden waarborg te geven.
Periode: 1945-1987:
Grondslag: Besluit van 10 September 1917, Stb. 583, tot regeling van de wijze waarop de zekerheid, bedoeld in art. 1, der wet van 23-5-1917 Stb, 436, wordt gesteld en opgeheven, art. 8,
Waardering: B, 4
Nummer: 403
Handeling: Het aanwijzen van een kantoor van de Nederlandsche Bank waar effecten en schatkistpapier, die als onderpand ter zekerheidsstelling dienen, gedeponeerd dienen te worden.
Periode: 1945-1987:
Grondslag: Besluit van 10 September 1917, Stb. 583, tot regeling van de wijze waarop de zekerheid, bedoeld in art. 1, der wet van 23-5-1917 Stb, 436, wordt gesteld en opgeheven, art. 11, 14,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na beëindiging
Nummer: 404
Handeling: Het aan buitenlandse verzekeraars wel/niet toestaan van ruiling van in pand gegeven effecten tegen andere effecten.
Periode: 1945-1987:
Grondslag: Besluit van 10 September 1917, Stb. 583, tot regeling van de wijze waarop de zekerheid, bedoeld in art. 1, der wet van 23-5-1917 Stb, 436, wordt gesteld en opgeheven, art. 13,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na beëindiging
Nummer: 405
Handeling: Het vaststellen, wijzigen en intrekken van de modellen van de formulieren waarmee gemeenten opgaven aan de Belastingdienst verstrekken van de hen bekende overlijdensgevallen.
Periode: 1945-...: Adm. Rijksbel./DGBel.
Grondslag: K.B. van 18 oktober 1933, nr. 32, Besluit inzending sterflijsten.
Waardering: B, 4
Nummer: 406
Handeling: Het stellen, wijzigen of intrekken van algemene regelen bepalende dat het bedrag waarover het recht geheven wordt, wordt verminderd tot het bedrag, dat overeenkomt met dat, waarmede de erfgenaam of legataris is gebaat.
Periode: 1945-1956: Admin. Rijksbel.
Grondslag: Besluit van den Secretaris-Generaal van het Departement van Financiën van 14 November 1940, Stcrt. 234, betreffende de waarde van zaken, waarover recht van successie verschuldigd is, art. 2,
Waardering: B, 4
Nummer: 407
Handeling: Het in bijzondere gevallen vaststellen dat het bedrag waarover het recht geheven wordt, wordt verminderd tot het bedrag, dat overeenkomt met dat, waarmede de erfgenaam of legataris is gebaat.
Periode: 1945-1956: Admin. Rijksbel.
Grondslag: Besluit van den Secretaris-Generaal van het Departement van Financiën van 14 November 1940, Stcrt. 234, betreffende de waarde van zaken, waarover recht van successie verschuldigd is, art. 2,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 408
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van voorschriften:
1. tot aanvulling en uitvoering van de bepaling van de bedrijfsopbrengst voor ondernemingen die onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting of de inkomstenbelasting.
2. tot aanvulling en uitvoering van afleiding van het bedrijfskapitaal uit de waarde van het bedrijfsvermogen verminderd of vermeerderd met 1) schulden, 2) bezit in onroerend goed of 3) bezit in het kapitaal van ondernemingen, voor zoveel betreft de ondernemingen onderworpen aan de vennootschapsbelasting overeenkomstig het Besluit op de Vermogensbelasting en voor zoveel de andere ondernemingen betreft overeenkomstig de Wet op de Vermogensbelasting 1892 is bepaald.
3. omtrent de wijze waarop de inspecteur schriftelijke kennisgevingen doet aan gemeenten betreffende van het vastgestelde grondbedrag, de verdeling daarvan (met elementen) de toe te passen vermenigvuldigingscijfers, de elementen van de elementen van de verdeling van het samengesteld grondbedrag met de toe te passen vermenigvuldigingscijfers alsmede betreffende de verwerping van eerder door gemeenten gedane aanspraken op het samengestelde grondbedrag.
4. tot aanvulling en uitvoering van 1) het doen van aangifte, 2) het vaststellen van het samengestelde grondbedrag en van de aanslag in de belasting, 3) de rechtsmiddelen, 4) het navorderen van de belasting, 5) het toepassen van verhoging van de aanslag, 6) het herstellen van onjuiste aanslagen, 7) de kwijtschelding of vermindering, 8) de strafbepalingen en de geheimhouding van zijn toepassing, voor zoveel betreft de ondernemingen onderworpen aan de vennootschapsbelasting: de bepalingen welke voor die belastinggelden en voor zoveel de overige ondernemingen betreft: de bepalingen welke daarvoor ingevolge het Besluit op de inkomstenbelasting 1941 gelden.
5. volgens welke de belastingplichtigen gehouden zijn tot het doen van vooruitbetalingen in de loop van het belastingjaar op rekening van de op te leggen aanslagen.
6. betreffende het samen met de Secretaris-Generaal van het Departement van Binnenlandse Zaken opstellen, wijzigen en intrekken van voorschriften welke noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het Besluit op de Ondernemingsbelasting 1942 (krachtens uitbreiding van het artikel in 1944, VB 45, zijn de departementen ook bevoegd in de voorschriften verplichtingen op te leggen aan andere personen dan de belastingplichtige).
7. ter vergemakkelijking van de heffing of de controle van de ondernemingsbelasting en welke afwijken van het besluit (krachtens deze voorschriften kunnen ook aan anderen dan de belastingplichtige verplichtingen opgelegd worden).
Periode: 1945-1950: Adm. Rijksbel./DB
Grondslag: Besluit op de Ondernemingsbelasting 1942,
1. art. 7.2,
2. art. 11.6,
3. art. 22.4,
4. art. 26.2,
5. art. 29,
6. art. 33,
7. art. 31.1 onder 1 v.a. 1944 VB 45,
Waardering: B, 4
Nummer: 410
Handeling: Het, gezamenlijk met de Secretaris-Generaal van het Departement van Binnenlandse Zaken, voor elk geval afzonderlijk vaststellen welk gedeelte van de aanslagen in de ondernemingsbelasting van ondernemingen met bedrijfsinrichtingen die zich over meer dan één gemeente uitstrekken t.b.v. van de door de inspecteur aangewezen gemeente toekomt aan de andere gemeente.
Periode: 1945-1950: Adm. Rijksbel./DB
Grondslag: Besluit op de Ondernemingsbelasting 1942, art. 30,
Waardering: V, termijn: 10 jaar
Nummer: 412
Handeling: Het, bij de heffing van de ondernemingsbelasting, wel/niet tegemoetkomen voor gevallen of groepen van gevallen aan onbillijkheden van overwegende aard welke zich bij de toepassing van het besluit mochten voordoen.
Periode: 1945-1950: Adm. Rijksbel.
Grondslag: Besluit op de Ondernemingsbelasting 1942, art. 31; gewijzigd 1944 Vb 45 45 in: art. 31.1,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling/vervallen
Nummer: 413
Handeling: Het samen met de Secretaris-Generaal van het Departement van Binnenlandse Zaken opstellen, wijzigen en intrekken van voorschriften m.b.t. de uitkering aan de gemeenten van hetgeen haar ingevolge dit besluit toekomt.
Periode: 1945-1950: Gen. Thes.,Dienst der Rijksbegroting, bur. Gemeentefinanciën,
Grondslag: Besluit op de Ondernemingsbelasting 1942, art. 32,
Waardering: B, 4
Nummer: 416
Handeling: Het, samen met de Secretaris-Generaal van het Departement van Binnenlandsche Zaken, vaststellen in welke mate en op welke wijze de voor het belastingjaar 1942 geheven belasting aan de gemeenten wordt uitgekeerd.
Periode: 1942
Grondslag: Besluit op de Ondernemingsbelasting 1942, art. 34.2,
Waardering: B, 4
Nummer: 418
Handeling: Het, samen met de Secretaris-Generaal van het Departement van Binnenlandsche Zaken, uiterlijk 28-2-1943 vaststellen, voor het belastingjaar 1943, van het vermenigvuldigingscijfer dat wordt gehanteerd bij de vermenigvuldiging van het samengestelde grondbedrag hetwelk aan de gemeente is toegekend e.e.a. ten behoeve van de van elke gemeente verschuldigde belasting.
Periode: 1942-1943: Adm. Rijksbel./DB
Grondslag: Besluit op de Ondernemingsbelasting 1942, art. 34.3,
Waardering: B, 4
Nummer: 421
Handeling: Het, samen met de Secretaris-Generaal van het Departement van Binnenlandsche Zaken, voor het belastingjaar 1944 vaststellen van het vermenigvuldigingscijfer op 3, waarmee het samengestelde grondbedrag wordt vermenigvuldigt t.b.v. van de heffing van ondernemingsbelasting welke van elke gemeente verschuldigd is, in het geval in de gemeentelijke verordening een hoger cijfer is opgenomen dan 3.
Periode: 1944-1945
Grondslag: Besluit van den Secretaris-Generaal van het Departement van Binnenlandsche Zaken en de wnd. Secretaris-Generaal van het Departement van Financiën van 29 Juli 1944, B.Z. no. 1 B.B., betr. vaststelling van het vermenigvuldigingscijfer voor de Ondernemingsbelasting over het dienstjaar 1944., Stcrt. 143, art. 1.1,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 422
Handeling: Het afwijzen/toewijzen van verzoeken om gelijkgesteld te worden met instellingen werkzaam op het gebied van de volkshuisvesting om zodoende vrijgesteld te worden van de heffing van vennootschapsbelasting, vermogensbelasting en ondernemingsbelasting.
Periode: 1945-1950: Adm. Rijksbel./DB
Grondslag: Beschikking van de Ministers van Binnenlandsche Zaken en van Financiën van 17 November 1945, Afd. D.B., no. 9, tot vaststelling van de Vrijstellingsbeschikking belasting lichamen, Stcrt. 129 (de beschikking is ook gegrond op art. 34 Besluit Vennootschapsbelasting 1942, art. 22 Besluit Vermogensbelasting 1942), art. 1.2,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na vervallen/intrekking
Nummer: 423
Handeling: Het ramen, (in delen) uitkeren, verrekenen en het doen van mededelingen daaromtrent aan gemeenten m.b.t. het uitkeren van de opbrengst van de ondernemingsbelasting.
Periode: 1947-1950: Gen. Thes., Dienst der Rijksbegroting, bur. Gemeentefinanciën.
Grondslag: Beschikking van de Ministers van Binnenlandsche Zaken en van Financiën van 21 maart 1947 no. 260, Stcrt. 64, betreffende de uitkeering aan gemeenten wegens ondernemingsbelasting, art. 1, 2, 3, 4,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na uitkering
Nummer: 424
Handeling: Het afwijzen of toewijzen van verzoeken van gemeenten een afwijkende regeling te treffen indien de raming, verdeling of verrekening van de opbrengsten uit de ondernemingsbelasting mocht leiden tot onjuistheden of onbillijkheden van overwegende aard.
Periode: 1947-1950: Gen. Thes., Dienst der Rijksbegroting, bur. Gemeentefinanciën,
Grondslag: Beschikking van de Ministers van Binnenlandsche Zaken en van Financiën van 21 maart 1947 no. 260, Stcrt. 64, betreffende de uitkeering aan gemeenten wegens ondernemingsbelasting, art. 5,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling/vervallen
Nummer: 426
Handeling: Het mede-voorbereiden van een Koninklijk Besluit houdende goedkeuring de verordening houdende de vaststelling door de gemeente Eindhoven van het vermenigvuldigingscijfer voor de ondernemingsbelasting over 1945.
Periode: 1947: Gen. Thes., Dienst der Rijksbegroting, bur. Gemeentefinanciën,
Grondslag: Wet van 27 juni 1947, Stb. H 209, houdende afwijking van artikel 19 van het Besluit op de Ondernemingsbelasting 1942 t.b.v. de gemeente Eindhoven, art. 1,
Waardering: B, 4
Nummer: 427
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van besluiten waarbij, met redenen omkleed, bepaald wordt dat andere rechtspersonen ofschoon zij niet uitsluitend publiekrechtelijke lichamen tot aandeelhouders, deelgenoten of leden hebben gelijk gesteld worden met die lichamen waarvan de winstbelasting wordt geheven.
Periode: 1940-1950: Adm. Rijksbel./DB
Grondslag: Besluit op de Winstbelasting 1940, art. 2.2,
Waardering: B, 4
Nummer: 429
Handeling: Het vaststellen, wijzigen en intrekken van het formulier van het aangiftebiljet voor de winstbelasting.
Periode: 1945-1950: Adm. Rijksbel./DB
1950-1969: DGFZ/WDB
Grondslag: Besluit op de Winstbelasting 1940, art. 10.2, 39,
Waardering: B, 4
Nummer: 430
Handeling: Het toewijzen of afwijzen op bezwaren, de Raad van State gehoord, tegen de bepaling van de gemeente waarin het lichaam wordt geacht gevestigd te zijn voor het opleggen van een aanslag.
Periode: 1945-1969: DGBel./DB
Grondslag: Besluit op de Winstbelasting 1940, art. 11.3,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 431
Handeling: Het afwijzen of toewijzen, onder daarbij te stellen voorwaarden, van verzoeken om de heffing van winstbelasting volgens dit besluit te laten geschieden alsof een naamloze vennootschap is opgegaan in een lichaam als bedoeld in art. 1 indien en voor zolang alle aandelen van die naamloze vennootschap in het bezit zijn van dat lichaam. (fiscale eenheid)
Periode: 1945-1969: Adm. Rijksbel./DGBel./DB
Grondslag: Besluit op de Winstbelasting 1940, art. 27,
Waardering: Bij afwijzing: V, termijn: 10 jaar na afwijzing
Bij toewijzing:V, termijn: 10 jaar nadat de beschikking belang heeft verloren
NB een beschikking kan ook nu nog van belang zijn omdat de fiscale eenheid nog
bestaat.
Nummer: 432
Handeling: Het wel/niet verlenen van ontheffing van de geheimhoudingsplicht aan ambtenaren en deskundigen ten behoeve van de uitvoering van dit besluit.
NB
De ontheffing van de geheimhoudingsplicht is in algemene zin opnieuw geregeld bij de Algemene wet inzake Rijksbelastingen, art. 67, welke in 1959 in werking is getreden.
Periode: 1945-1959 (1969): Adm. Rijksbel./DGBel.
Grondslag: Besluit op de Winstbelasting 1940, art. 28.3,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na beëindiging van de ontheffing
Nummer: 433
Handeling: Het wel/niet toelaten tot transactie van belastingplichtigen die de bepalingen van het besluit overtreden om strafvervolging te voorkomen.
Periode: 1945-1969: Adm. Rijksbel/DGBel./DB
Grondslag: Besluit op de Winstbelasting 1940, art. 36.2,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 434
Handeling: Het wel/niet toestaan dat verrekening van aftrek van reeds in Nederlandsch-Indië, Suriname, Curaçao of in het buitenland reeds betaalde belasting of van genoten zuiver voordeel uit deelgerechtigdheid op andere wijze plaatsvindt zolang art. 8 van dit besluit buiten werking is.
Periode: 1945-...: Adm. Rijksbel/DGBel./DB
Grondslag: Besluit op de Winstbelasting 1940, art. 41.5,
Waardering: B, 4
Nummer: 436
Handeling: Het afwijzen en toewijzen, de Raad van State gehoord, van beroepen ingediend door gemeenten tegen de kennisgeving van de inspecteur m.b.t. de verdeling van geheven opcenten en het zorgdragen voor evt. verrekening.
Periode: 1945-1951
Grondslag: Besluit van 26-7-1940, VB 84, van de S.G's van de Departementen van Financiën en Binnenlandsche Zaken in zake het heffen van opcenten op de winstbelasting t.b.v. de gemeenten, art. 4.4.7,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 439
Handeling: Het afwijzen of toewijzen van verzoeken om voor bepaalde gevallen de termijn voor het vaststellen van het zuiver vermogen en het bedrag aan winst (bij overgang) van lichamen te verlengen.
Periode: 1945-1951: Adm. Rijksbel./DB
Grondslag: Besluit van 7 November 1941, Stcrt. 221, Besluit van den Secretaris-Generaal van het Departement van Financiën betreffende het verlengen van de termijn voor het vaststellen van het zuiver vermogen en van het daarin begrepen bedrag aan winst aanwezig bij den aanvang van het eerste jaar waarvan winstbelasting geheven wordt, art. 1.2,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Besluit op de vennootschapsbelasting 1942
Nummer: 440
Handeling: Het geven van richtlijnen m.b.t. de vrijstelling van vennootschapsbelasting van rechtspersoonlijkheid bezittende t.b.v. het personeel ingestelde pensioenfondsen, begrafenisfondsen, ziektefondsen, werkeloosheidsfondsen en ondersteuningsfondsen welke binnen het Rijk dan wel in Ned. Indië, Suriname of Curaçao zijn gevestigd.
Periode: 1945-1969
Grondslag: Besluit op de Vennootschapsbelasting 1942, art. 5.1 onder 3, 5.2 onder 3,
Waardering: B, 4
Nummer: 441
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van AMVB's:
houdende het maximumbedrag aan inkomen dat in aanmerking genomen wordt van personen binnen het Rijk aan wie door nv's, binnen het Rijk, welke uitsluitend ten doel hebben het bezit, beheer en vervreemding van effecten hetzij effecten en andere zaken welke naar hun aard bron van inkomen zijn i.v.m. het verlenen van vrijstelling van vennootschapsbelasting.
Periode: 1963-1969: DGFZ/WDB
Grondslag: Besluit op de Vennootschapsbelasting 1942, art. 5.1 onder 4a, v.a. wijz. wet 27-6-1963 Stb. 374,
Waardering: B, 4
Nummer: 442
Handeling: Het opstellen van voorwaarden waaraan vennootschappen, welke uitsluitend ten doel hebben de verkrijging, het beheer, het bezit en de vervreemding hetzij van effecten hetzij van effecten en andere zaken welke naar hun aard bron van inkomen kunnen zijn, om voor vrijstelling van vennootschapsbelasting in aanmerking te komen, moeten voldoen.
Periode: 1963-1969: DGFZ/WDB
Grondslag: Besluit op de vennootschapsbelasting 1942, v.a. wijz. wet 27-6-1963 Stb. 374, art. 5.1 onder 4b,
Waardering: B, 4
Nummer: 443
Handeling: Het afgeven van verklaringen, ingeval een aanmerkelijk belang niet aanwezig is, dat het aandelenbezit van belastingplichtige een deelneming vertegenwoordigt en dat het aanhouden van deze deelneming in de normale lijn van het bedrijf ligt of het algemeen belang daarbij gediend is (geweest) i.v.m. het buiten beschouwing laten van dividend, voor zover niet in mindering gebracht van de boekwaarde van de aandelen, bij de vrijstelling van de verschuldigde vennootschapsbelasting.
Periode: 1945-1969 Adm. Rijksbel/DGBel.-DB
Grondslag: Besluit op de Vennootschapsbelasting 1942, art. 10.3,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 444
Handeling: Het bepalen of en in hoeverre voor beleggingsmaatschappijen een deelneming i.v.m. aanmerkelijk belang voor de vrijstelling van vennootschapsbelasting waarbij dividend buiten beschouwing blijft en of voor deze maatschappijen indien geen aanmerkelijk belang aanwezig is, verklaringen kunnen worden afgegeven dat het aandelenbezit een deelneming vertegenwoordigt dan wel in de lijn van de normale uitoefening van het bedrijf ligt of het algemeen belang gediend is geweest bij de deelneming.
Periode: 1945-1969: Adm. Rijksbel.-Db/DGFZ-WDB, 1950-
Grondslag: Besluit op de Vennootschapsbelasting 1942, art. 11.1,
Waardering: B, 4
Nummer: 445
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van (nadere) regels en voorschriften:
1. m.b.t. de bij het bepalen van de winst in aanmerking te nemen posten als zijnde bedrijfskosten bij verzekeringsondernemingen ter zake van lopende verzekeringsovereenkomsten i.v.m. door de techniek van het verzekeringsbedrijf geboden vergroting van reserves.
2. volgens welke de belastingplichtigen gehouden zijn tot het doen van vooruitbetalingen op rekening van de op te leggen aanslagen.
3. ter aanvulling en ter uitvoering van het Besluit.
4. ter vergemakkelijking van de heffing van de belasting of van de controle op de heffing van de belasting en welke afwijkend van het Besluit zijn.
Periode: 1945-1969 Adm. Rijksbel.-DB/DGFZ-WDB
Grondslag: Besluit op de Vennootschapsbelasting 1942,
1. art. 13.3 onder B,
2. art. 25,
3. art. 34.1 onder 1,
4. art. 34.1 onder 2,
Waardering: B, 4
Nummer: 446
Handeling: Het vaststellen van de gemiddelde rentevoet, die geldt voor obligatiën t.l.v. Nederlandse openbare lichamen, die gebruikt dient te worden bij de berekening van de interest over het zuivere vermogen bij door openbare lichamen uitgeoefende bedrijven i.v.m. het aanmerken van bedrijfskosten bij het bepalen van de winst waarover vennootschapsbelasting geheven wordt.
Periode: 1956-1969: DGFZ/WDB
Grondslag: Besluit op de Vennootschapsbelasting 1942, v.a. wijz. wet 28-6-1956 Stb. 356, art. 13.5,
Waardering: B, 4
Nummer: 447
Handeling: Het afwijzen of toewijzen van verzoeken van beleggingsmaatschappijen het bedrag van de minimaal belastbare som te verhogen tot het bedrag dat vrijgesteld wordt voor de vennootschapsbelasting vanwege aandelenbezit dat aangemerkt wordt als deelneming.
Periode: 1942-1945 Adm. Rijksbel./DGBel. DB
Grondslag: Besluit op de Vennootschapsbelasting 1942, art. 19.5; vervallen bij wijz. K.B. 6-10-1945 Stb. F 219,
Product: Beschikkingen
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 449
Handeling: Het aanwijzen van de gemeente waarin buitenlandse belastingplichtigen, alsmede binnenlandse belastingplichtigen die hun bedrijf rondvarend of rondtrekkend uitoefenen, worden aangeslagen.
Periode: 1945-1969: Adm. Rijksbel. DB/DGFZ WDB (1950-
Grondslag: Besluit op de Vennootschapsbelasting 1942, art. 24.3,
Waardering: B, 4
Nummer: 450
Handeling: Het vaststellen, wijzigen en intrekken van het aangifteformulier van de vennootschapsbelasting.
Periode: 1945-1969: Adm. Rijksbel. DB/DGFZ WDB (1950-
Grondslag: Besluit op de Vennootschapsbelasting 1942, art. 29.2,
Waardering: B, 4
Nummer: 451
Handeling: Het wel/niet tegemoetkomen aan onbillijkheden van overwegende aard voor bepaalde gevallen of groepen van gevallen.
NB
De hardheidsclausule is vanaf 1959 geregeld in de AWR.
Periode: 1945-1959/1969: Adm. Rijksbel./DGBel. DB
Grondslag: Besluit op de Vennootschapsbelasting 1942, art. 34.1 onder 3,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling/vervallen
Nummer: 452
Handeling: Het herroepen en/of vervangen van voorwaarden die zijn gesteld
in Beschikkkingen, genomen krachtens art. 27 van het Besluit op de Winstbelasting 1940, ingeval die voorwaarden niet met het Besluit op de Vennootschapsbelasting 1942 of met hierop gegronde bepalingen verenigbaar zijn, of door het invoeren van de vennootschapsbelasting hun belang hebben verloren (fiscale eenheid).
(NB de beschikkingen krachtens art. 27 Besluit Winstbelasting bevatten voorwaarden, van verzoeken om de heffing van winstbelasting volgens dit besluit te laten geschieden alsof een naamloze vennootschap is opgegaan in een lichaam als bedoeld in art. 1 indien en voor zolang alle aandelen van die naamloze vennootschap in het bezit zijn van dat lichaam)
Periode: 1945-1969: Adm. Rijksbel./DGBel. DB
Grondslag: Invoeringsbesluit Vennootschapsbelasting 1942, art.14.1,
Waardering: V, termijn: 10 jaar nadat de oorspronkelijke beschikking belang heeft verloren
Nummer: 453
Handeling: Het afwijzen of toewijzen van verzoeken van lichamen welke het hypotheek- of bankbedrijf uitoefenen de belasting met de helft te verminderen indien op het geplaatste aandelenkapitaal gemiddeld 75 ten honderd is gestort.
Periode: 1945-1947: Adm. Rijksbel./DB
Grondslag: Eerste aanvullingsbeschikking vennootschapsbelasting 1942, art. 4; vervallen bij invoering van de achtste aanvullingsbeschikking d.d. 27-9-1947 Stcrt. 187,
Waardering: V, 10 jaar na afhandeling
Nummer: 454
Handeling: Het afwijzen of toewijzen, onder voorwaarden, van verzoeken van vennootschappen die voor de heffing van inkomstenbelasting t.a.v. al haar aandeelhouders als niet bestaande wordt aangemerkt, de in art. 1.1 gestelde voorwaarde, dat het bestaan van een vennootschap voor de heffing van de vennootschapsbelasting wordt aangenomen zodra een handelszaak t.n.v. een n.v. in een handelsregister, niet van toepassing is.
Periode: 1947-...: Adm. Rijksbel./DGBel. DB
Grondslag: Achtste aanvullingsbeschikking Vennootschapsbelasting 1942, art. 1.3,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 455
Handeling: Het afwijzen of toewijzen van verzoeken van instellingen om gelijkgesteld te worden met instellingen werkzaam op de voet van de Woningwet in het belang van de volkshuisvesting i.v.m. het recht op vrijstelling van vennootschapsbelasting.
NB Zie ook de gelijke handeling bij de vermogensbelasting 1942 (II).
Periode: 1945-...: Adm. Rijksbel./DGBel. DB
Grondslag: Vrijstellingsbeschikking belasting voor lichamen d.d. 17-11-1945, art. 1.2,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na vervallen/hernieuwing van de toewijzing
Nummer: 456
Handeling: Het afwijzen en toewijzen van verzoeken goed te keuren dat het saldo dat bij liquidatie van coöperatieve verenigingen bestaat in overleg met de landbouwvoorlichtingsdienst wordt aangewend voor de paardenfokkerij i.v.m. vrijstelling van vennootschaps-, ondernemings- en vermogensbelasting.
Periode: 1948-...: Adm. Rijksbel./DGBel. DB
Grondslag: Vrijstellingsbeschikking belasting lichamen, v.a. wijz. 3-5-1948 no. 159, Stcrt. 159, art. 1.7 onder C
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 458
Handeling: Het afwijzen of toewijzen van verzoeken om goedkeuring van wijzigingen in reglementen en statuten van verenigingen die zich de verbetering van het landbouwpaard ten doel stellen i.v.m. het in aanmerking komen voor vrijstelling van vennootschapsbelasting.
Periode: 1954/1956-...: DGBel./DB
Grondslag: Vrijstellingsbeschikking Vennootschapsbelasting, v.a. 1954/1956, art. 1.7c onder 5
Waardering: V, termijn: 10 jaar na vervallen/wijziging van de reglementen
Nummer: 459
Actor: de Minister
Handeling: Het afwijzen of toewijzen, in bijzondere gevallen, van verzoeken de termijn waarbinnen statuten en reglementen dienen te voldoen aan de voorwaarden, voor de heffing van vennootschapsbelasting, opgenomen in deze beschikking te verlengen tot een te bepalen tijdstip na 1-7-1946.
NB Zie gelijke handeling bij de vermogensbelasting 1942 (II)
Periode: 1946-1956: Adm. Rijksbel./DGBel. DB
Grondslag: Vrijstellingsbeschikking belasting lichamen, v.a. wijz. 7-5-1946 no. 201, Stcrt. 112, art. 3.2; vervallen (1954/1956)
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 460
Handeling: Het afwijzen of toewijzen, in bijzondere gevallen, van verzoeken van besloten effectenmaatschappijen om minder dan het in de beschikking gestelde percentage van de genoten dividenden aan de aandeelhouders uit te keren en ontheffing te verlenen van de verplichting een lijst van namen van aandeelhouders en van aandelen aan de inspecteur te overleggen.
Periode: 1954-1969: DGBel./DB
Grondslag: Beschikking beleggingsinstellingen, v.a. 1954, art. 4.2,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 461
Handeling: Het afwijzen of toewijzen, in bijzondere gevallen, van verzoeken af te mogen wijken van de aan de duplicaat-kwitantie, die aan de inspecteur dient te worden overlegd i.v.m. teruggaaf van vennootschapsbelasting en vermogensbelasting na het uitkeren van dividenden, gestelde eisen.
Periode: 1947-1954: Adm. Rijksbel./DGBel. DB
Grondslag: Beschikking Beleggingsinstellingen van 18-12-1947 Stcrt. 249, art. 4.7; vervallen 1954,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 462
Handeling: Het afwijzen of toewijzen, onder voorwaarden, van verzoeken dat t.a.v. een algemene beleggingsmaatschappij de heffing van venn. belasting en vermogensbelasting plaats vindt alsof deze maatschappij m.i.v. een bepaalde datum was gesplitst in een moeder- en een dochtermaatschappij waarbij activa bij de dochtermij. behoren, de moedermij. wordt aangemerkt als effectenbeleggingsmij. en de dochtermij. al haar winst uitkeert.
Periode: 1947-1969: Adm. Rijksbel./DGBel. DB
Grondslag: Beschikking Beleggingsmaatschappijen d.d. 18-12-1947 Stcrt. 249, art. 5,
Waardering: V, 10 jaar na intrekking/vervallen van de beschikking
Nummer: 463
Handeling: Het afwijzen of toewijzen, onder daarbij te stellen voorwaarden, van verzoeken om tijdelijk af te wijken van de voorwaarden in art, 5 eerste lid onderdeel 4 letter a geformuleerde voorwaarden, voor vennootschappen welke uitsluitend ten doel hebben de verkrijging, bezit, beheer en vervreemding van hetzij effecten hetzij effecten en andere zaken welke naar hun aard bron van inkomen kunnen zijn, i.v.m. de vrijstelling van vennootschapsbelasting.
Periode: 1963-...: DGBel./DB
Grondslag: Wet van 27-6-1963, Stb. 374, fiscale faciliteiten bezitsvorming m.b.t. effecten, art. V,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Wet op de vennootschapsbelasting 1969
Nummer: 464
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van AMVB's:
1. betreffende, onder daarbij te stellen voorwaarden, vrijstelling van vennootschapsbelasting voor lichamen en instellingen die aan de vereisten, zoals gesteld in dit artikel, voldoen.
2. houdende regels ter aanvulling van in de wet geregelde onderwerpen.
Periode: 1969-...: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet vennootschapsbelasting 1969,
1. art. 5,
2. art. 29,
Waardering: B, 4
Nummer: 465
Handeling: Het afwijzen of toewijzen van verzoeken om instellingen gelijk te stellen met lichamen die op de voet van de Woningwet werkzaam zijn in het belang van de volkshuisvesting en die o.g.v. een AMVB kunnen worden vrijgesteld van de vennootschapsbelasting.
Periode: 1969-...: DGBel./DB
Grondslag: Wet vennootschapsbelasting 1969, art. 5.d,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na vervallen van de goedkeuring
Nummer: 466
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van Koninklijke Besluiten betreffende, onder daarbij te stellen voorwaarden, vrijstelling van vennootschapsbelasting van lichamen bij welke de behartiging van een algemeen maatschappelijk belang op de voorgrond staat en het streven naar winst ontbreekt of bijkomstig is.
Periode: 1969-...: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet vennootschapsbelasting 1969, art. 6.1,
Waardering: B, 4
Nummer: 467
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van regels m.b.t. het bepalen van de winst van lichamen bij welke de behartiging van een algemeen maatschappelijk belang voorop staat.
Periode: 1969-...: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet op de vennootschapsbelasting 1969, art. 6.2,
Waardering: B, 4
Nummer: 468
Handeling: Het afwijzen of toewijzen van verzoeken om verplichtingen door vennootschappen als gesteld in lid 2, welke zijn aangegaan voor de toepassing van de investeringsaftrek, als bedoeld in art. 11 Wet inkomstenbelasting 1964, buiten aanmerking blijven. (uitgesloten verplichtingen investeringsaftrek*)
Periode: 1969-1978: DGBel./DB
Grondslag: Wet vennootschapsbelasting 1969, art. 8.3; vervallen bij wijz. wet 29-6-1978 Stb. 638 (WIR),
Waardering V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 469
Handeling: Het bepalen dat t.a.v. 1) lichamen die aangemerkt zijn als beleggingsinstelling, 2) lichamen welker feitelijke werkzaamheid bestaat in het beleggen van vermogen of overeenkomende werkzaamheid, 3) ondernemingen van publiekrechtelijke lichamen, 4) lichamen als bedoeld in art. 10 Wet belastingherziening 1950, art. 14a van de Wet inkomstenbelasting 1964 (aftrek van vermogen bij de bepaling van de winst) geheel of gedeeltelijk geen toepassing vindt. (uitsluiting vermogensaftrek*)
Periode: 1986-...: DGBel./DB
Grondslag: Wet vennootschapsbelasting 1969, v.a. wijz. wet 1-5-1986 Stb. 247, art. 8.4; gewijzigd bij wijz. wet 28-12-1989 in: art. 8.8,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 470
Handeling: Het bepalen dat bij de heffing van de vennootschapsbelasting toepassing van art. 11 van de Wet inkomstenbelasting (het opvoeren van aftrekposten voor investeringen ten laste van de winst) niet mogelijk is voor aangegane verplichtingen door een vennootschap welker kapitaal geheel of gedeeltelijk in aandelen is verdeeld: 1) ter zake van de verwerving van een onderneming tegen uitreiking van aandelen, 2) tegenover een persoon of lichaam dat voor tenminste 1/3 gedeelte van het nominaal gestorte kapitaal in de laatste 5 jaar aandeelhouder is geweest, 3) tegenover een andere vennootschap welker kapitaal in aandelen is verdeeld indien de belastingplichtige in die vennootschap voor 1/3 aandeelhouder is geweest gedurende de laatste 5 jaar. (uitgesloten verplichtingen investeringsaftrek*)
Periode: 1989-...: DGBel./DB
Grondslag: Wet vennootschapsbelasting 1969, v.a. wijz. wet 28-12-1989 Stb. 601, art. 8.5,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 471
Handeling: Het stellen, wijzigen en intrekken van (nadere, zo nodig afwijkende) regels:
1. betreffende het vaststellen van het percentage rente berekend over het vermogen dat bij de bepaling van de winst van ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen in aftrek gebracht kan worden voor de vennootschapsbelasting. (van de winst aftrekbare rente*)
2. betreffende het vaststellen van het maximum inlegbedrag per spaarder waarvoor bij de bepaling van de winst van de beheerder van die spaargelden het genoten voordeel met het beleggen van die inleggelden die voordelen buiten aanmerking blijven voor de verschuldigde vennootschapsbelasting.
3. betreffende het vaststellen dat een aandelenbezit of een bezit van bewijzen van deelgerechtigdheid, dat geen deelneming vertegenwoordigt, met een deelneming gelijk wordt gesteld. (gelijkstelling voor deelnemingsvrijstelling)
4. betreffende het aanwijzen van de gemeente waarin buitenlandse- en binnenlandse belastingplichtigen zonder vast plaats van vestiging voor de vennootschapsbelasting worden aangeslagen.
5. inzake de heffing van de vennootschapsbelasting indien bij de berekening van de belasting art. 23b (vermindering en vermeerdering wegens investeringsbijdragen en desinvesteringsbetalingen) toepassing vindt.
6. volgens welke de inspecteur een voorlopige teruggaaf van vennootschapsbelasting kan verlenen tot ten hoogste het bedrag waarop de vermindering vermoedelijk zal worden vastgesteld.
7. betreffende het bepalen, wijzigen en intrekken van de termijn waarbinnen aangifte gedaan wordt zodat, ook indien bij de berekening van de belasting en de verrekening van de voorheffingen niet leiden tot een positief bedrag, een aanslag opgelegd wordt. (nihilaanslag*)
Periode: 1969-...: DGFZ./WDB
Grondslag: Wet vennootschapsbelasting 1969,
1. art. 9.1 onder G,
2. art. 12.3; vervallen bij wijz. wet 6-3-1985 Stb. 120,
3. art. 13.8; vervallen 1990 Stb. 173,
4. art. 24.3,
5. art. 29a v.a. wijz. wet 29-6-1978 Stb. 368 (WIR); vervallen bij wijz. wet 28-12-1989 Stb. 601,
6. art. 21.3 v.a. wijz. wet 8-11-1984 Stb. 531, en art. 23b.3 v.a. 1 mei 1986 wijz. wetten 29-4-1986 Stb. 215 en 216; vervallen 1989 Stb. 491,
7. art. 25a.2 v.a. wijz. wet 8-11-1984 Stb. 531,
Waardering: B, 4
Nummer: 472
Handeling: Het afwijzen of toewijzen, onder daarbij te stellen voorwaarden, van verzoeken om af te wijken om ter zake van een vervreemding van een deelneming, aan een met de belastingplichtige en het lichaam verbonden lichaam voor zover een vordering is afgewaardeerd t.l.v. de in Nederland belastbare winst en indien de vordering wordt overgebracht of vervreemd of omgezet, niet te rekenen tot de winst van de belastingplichtige tot een bedrag gelijk aan de afwaardering van de vordering. (omzetting afgewaardeerde en prijsgegeven vorderingen*)
Periode: 1990-...: DGBel./DB
Grondslag: Wet vennootschapsbelasting 1969, v.a. wijz. wet 25-4-1990 Stb. 173, art. 13b.3,
Waardering: V, termijn: 20 jaar na afhandeling
Nummer: 474
Handeling: Het wel/niet verlenen van ontheffing van het verbod om binnen drie jaar na overdracht van de onderneming in het kader van een bedrijfsfusie aan een ander lichaam de bij de overdracht verkregen aandelen in dat lichaam te mogen vervreemden (ontheffing vervreemdingsverbod van aandelen na bedrijfsfusie).
Periode: 1992-...: DGBel./DB
Grondslag: Wet vennootschapsbelasting 1969, v.a. wijz. wet 10-9-1992 Stb. 491, art. 14.1,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 475
Verwijzing: de handeling wordt ook verricht door de Belastingdienst, zie betreffende selectielijst
Handeling: Het afwijzen of toewijzen van verzoeken, onder daarbij te stellen standaardvoorwaarden, om de winst die gemaakt wordt bij overdracht van (een onderdeel van) een onderneming buiten het kader van een fusie buiten aanmerking te laten. (vrijstelling overdrachtswinst bedrijfsfusie)
Periode: 1969-...: DGBel./DB
Grondslag: Wet vennootschapsbelasting 1969, art. 14.2; v.a. wijz. wet 10-9-1992 Stb. 491 opnieuw geformuleerd in: art. 14.3, Stb. 422,
Waardering: V, termijn 10 jaar na het afgeven van de Beschikking of machtiging
Ingeval aanschrijvingen/gepubliceerde Besluiten volgen op de genomen beslissingen is handeling `het geven, wijzigen van ambtelijke voorschriften...etc, Handeling no. 170 PIVOT-rapportage `Belastingver(h)effend' van toepassing: B, 4.
Nummer: 476
Verwijzing: de handeling wordt ook verricht door de Belastingdienst, ze betreffende selectielijst
Handeling: Het afwijzen of toewijzen, onder te stellen voorwaarden, van verzoeken om zolang alle aandelen van een dochtermaatschappij in het bezit zijn van een moedermaatschappij de vennootschapsbelasting te heffen alsof de dochtermaatschappij in de moedermaatschappij is opgegaan, en (v.a. 1989, Stb. 125)om de belasting van een centrale maatschappij en haar ledenmaatschappijen te heffen alsof de ledenmaatschappijen in de centrale maatschappij zijn opgegaan (fiscale eenheid coöperaties).
Periode: 1969-...: DGBel./DB
Grondslag: Wet vennootschapsbelasting 1969, art. 15.1, art. 15a.1 v.a. wijz. wet 27-4-1989 Stb. 125 (fiscale eenheid),
Waardering: V, termijn: 10 jaar nadat de beschikking belang heeft verloren
Ingeval aanschrijvingen/gepubliceerde Besluiten volgen op de genomen beslissingen is handeling `het geven, wijzigen van ambtelijke voorschriften...etc, Handeling no. 170 PIVOT-rapportage `Belastingver(h)effend' van toepassing: B, 4.
Nummer: 477
Handeling: Het aanwijzen van giften aan kerkelijke, charitatieve, culturele, wetenschappelijke of het algemeen nut beogende instellingen welke wel/niet als aftrekpost bij de vennootschapsbelasting in aanmerking genomen worden. (aanwijzing aftrekbare giften*)
NB
Indien (nieuwe) instellingen worden aangewezen wordt hiervan middels aanschrijvingen mededeling gedaan aan de Belastingdienst zodat bij het opleggen van aanslagen hiermee rekening gehouden kan worden.
Periode: 1991-...: DGBel./DB
Grondslag: Wet vennootschapsbelasting 1969, v.a. wijz. wet 22-5-1991 Stb. 263, art. 16.3,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na vervallen van de aanwijzing
Nummer: 478
Handeling: Het afwijzen of toewijzen van verzoeken om af te wijken van de hoogte van het percentage van de te heffen vennootschapsbelasting bij verhoging, verkleining of het ongedaan maken van het gestorte kapitaal van een vennootschap door herkapitalisatie en het vaststellen van het bedrag van kapitaalsverkleining. (herkapitalisatieregeling)
Periode: 1969-...: DGBel./DB
Grondslag: Wet vennootschapsbelasting 1969, art. 23.5; gewijzigd bij wijz. wet 6-3-1985 Stb. 120 in: art. 23.4,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 479
Handeling: Het afwijzen of toewijzen, onder voorwaarden, van verzoeken om de vermeerdering van de vennootschapsbelasting die wordt opgelegd, indien een stamrecht als bedoeld in art. 19 en 44j niet meer aan de voorwaarden voldoet of wordt beleend, verpand, vervreemd of afgekocht of degene die het stamrecht heeft bedongen niet meer aan de voorwaarden voldoet, achterwege te laten.
Periode: 1972-1976: DGBel./DB
Grondslag: Wet vennootschapsbelasting 1969, v.a. wijz. wet 16-11-1972 Stb. 612, art. 23a.2; vervallen bij wijz. wet 18-12-1975 Stb. 705,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 481
Handeling: Het afwijzen of toewijzen van verzoeken, onder voorwaarden, om ontheffing van de toepassing van het tweede lid tweede volzin; v.a. 1985: vervallen (het achten dat een investering in gebouwen en installaties wordt beschouwt als zijnde vervreemd als binnen 5 jaar het aandelenkapitaal zodanig is verdeeld dat bij zodanige verdeling ten tijde van de investering geen bijdrage zou zijn verleend) en het vierde lid; v.a. 1985: het eerste lid (het buiten aanmerking laten van bepaalde aangegane verplichtingen) van dit artikel voor het vaststellen van de vennootschapsbelasting.
Periode: 1978-1991: DGBel./DB
Grondslag: Wet vennootschapsbelasting 1969, v.a. wijz. wet 29-6-1978 Stb. 368, art. 23d.5; gewijzigd 16-1-1985 Stb. 81 in: art. 23d.3; gewijzigd bij wijz. wet. 6-3-1985 art. VI in: art. 23d.2; vervallen 1989 Stb. 491,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 482
Handeling: Het afwijzen of toewijzen van verzoeken te bepalen dat voorlopige aanslagen vennootschapsbelasting (geheel of gedeeltelijk) op een later tijdstip invorderbaar zijn.
Periode: 1969-1990: DGBel./DB, AFZ
Grondslag: Wet vennootschapsbelasting 1969, art. 26.2; vervallen bij wijz. wet 30-5-1990 Stb. 222,
Waardering: V, 10 jaar na afhandeling
Nummer: 483
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van AMVB's:
1. houdende nadere, van de wet afwijkende, regels m.b.t. de heffing van de vennootschapsbelasting van beleggingsinstellingen.
2. houdende regels krachtens welke aan beleggingsinstellingen een tegemoetkoming wordt gegeven ter zake van buiten het Rijk ( v.a. 1990: buiten Nederland) door inhouding geheven belasting naar de aan die instelling opgekomen opbrengst van effecten en (v.a. 1990) van schuldvorderingen en welke krachtens de Belastingregeling Koninkrijk of verdragen t.v.v. dubbele belasting verrekenbaar zou zijn met de inkomstenbelasting. (tegemoetkoming buitenl. bronbelasting beleggingsinstellingen*)
3. houdende bepaling van het gedeelte van de winst dat niet later dan acht maanden na afloop van het jaar ter beschikking wordt gesteld van aandeelhouders/houders van bewijzen van deelgerechtigdheid, zijnde een van de voorwaarden om als beleggingsinstelling te worden aangemerkt van nv's, bv's met beperkte aansprakelijkheid en fondsen voor gemene rekening.
4. houdende regels, onder daarbij te stellen voorwaarden, betreffende de koersverschillenreserve in de zin van art. 2 Beschikking Beleggingsmaatschappijen.
5. houdende regels, onder daarbij te stellen voorwaarden, ingevolge welke een algemene beleggingsmaatschappij, die krachtens een beschikking o.g.v. art. 5 Beschikking Beleggingsmaatschappijen wordt geacht te zijn gesplitst in een moedermij. en een dochtermij., de aan de dochtermij. toegerekende vermogensbestanddelen kan inbrengen in een op te richten NV of BV met beperkte aansprakelijkheid tegen uitreiking van aandelen zonder dat ter zake venn. bel. registratierecht, schenkingsrecht of omzetbel. is verschuldigd.
6. houdende regels, onder daarbij te stellen voorwaarden, t.a.v. binnen het Rijk gevestigde nv's welker feitelijke werkzaamheid, sedert 1942, bestaat in het beleggen van vermogen in onroerende goederen en waarvan de aandelen eigendom zijn van natuurlijke personen teneinde de overgang naar de regeling voor beleggingsinstellingen m.i.v. het jaar waarin voor het eerst belasting wordt geheven te vergemakkelijken.
Periode: 1969-...: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet op de vennootschapsbelasting 1969,
1. art. 28.1 onder a,
2. art. 28.1 onder b,
3. art. 28.2 onder b,
4. art. 31.3a,
5. art. 31.3b,
6. art. 31.3c,
Waardering: B, 4
Nummer: 484
Handeling: Het afwijzen of toewijzen, onder te stellen voorwaarden, van verzoeken om in bijzondere gevallen af te wijken van de in het 2e lid opgenomen voorwaarden waaraan nv's, bv's met beperkte aansprakelijkheid en fondsen voor gemene rekening dienen te voldoen om aangemerkt te worden als beleggingsinstelling voor de heffing van vennootschapsbelasting. (afwijking voorwaarden aanmerking als beleggingsinstelling*)
Periode: 1969-...: DGBel./DB
Grondslag: Wet vennootschapsbelasting 1969, art. 28.3,
Waardering: V, termijn: 20 jaar na afhandeling
Nummer: 485
Handeling: Het afwijzen of toewijzen, onder voorwaarden, van verzoeken om (art. 28a `oud') bij een omzetting als is bedoeld in de artn. 19 en 20 Boek 2 BW de nieuw gevormde rechtspersoon voor de heffing van de vennootschapsbelasting als een voortzetting van de oorspronkelijke rechtspersoon aan te merken dan wel (art. 28a, lid 3) bij een omzetting op de voet van art. 18 Boek 2 BW voor de heffing van de vennootschaps-, de inkomsten- en de dividendbelastingen afwijkingen toe te staan van lid 1 en lid 2.
Periode: 1976-...: DGBel./DB
Grondslag: Wet vennootschapsbelasting 1969, v.a. wijz. wet 8-4-1976 Stb. 229, art. 28a; gewijzigd bij wijz. wet 25-10-1989 Stb. 491: art. 28a.3,
Waardering: V, termijn: 20 jaar na afhandeling
Nummer: 486
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van AMVB's:
1. houdende regels m.b.t. bij verzekeringsondernemingen toelaatbaar te achten reserves.
2. houdende regels, onder daarbij te stellen voorwaarden, betreffende de egalisatiereserve in de zin van de Zesde aanvullingsbeschikking Vennootschapsbelasting 1942.
Periode: 1969-...: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet op de vennootschapsbelasting 1969,
1. art. 29,
2. art. 31.3d,
Waardering: B, 4
Nummer: 487
Verwijzing: de handeling wordt ook door de Belastingdienst verricht, zie betreffende selectielijst
Handeling: Het afwijzen of toewijzen, onder voorwaarden, op verzoek van de belastingplichtige om de inspecteur te machtigen om het bij een juridische fusie behaalde voordeel voor de heffing van de vennootschapsbelasting buiten aanmerking te laten.
Periode: 1992-...: DGBel./DB
Grondslag: Wet vennootschapsbelasting 1969, v.a. wijz. wet 10-9-1992 Stb. 491, art. 29a,
Waardering: V, termijn: 20 jaar na afgeven van de Beschikking of de machtiging
Ingeval aanschrijvingen/gepubliceerde Besluiten volgen op de genomen beslissingen is de handeling `het geven, wijzigen van ambtelijke voorschriften...etc, Handeling no. 170 PIVOT-rapportage `Belastingver(h)effend' van toepassing: B, 4.
Nummer: 488
Handeling: Het afwijzen of toewijzen van verzoeken om indien de reserve het vermogen, verminderd met de boekwaarde van het bezit aan effecten en onroerend goed, overtreft het meerdere niet aan de winst toe te moeten voegen. (herbeleggingsreserve*)
Periode: 1970-...: DGBel./DB
Grondslag: Besluit Beleggingsinstellingen d.d. 29-4-1970, Stb. 190, art. 4.4,
Waardering: V, termijn: 20 jaar na afhandeling
Ingeval aanschrijvingen/gepubliceerde Besluiten volgen op de genomen beslissingen (beleidsmatige voorwaarden) is de handeling `het geven, wijzigen van ambtelijke voorschriften...etc, Handeling no. 170 PIVOT-rapportage `Belastingver(h)effend' van toepassing: B, 4.
Nummer: 489
Handeling: Het afwijzen of toewijzen, onder voorwaarden, van verzoeken om af te wijken van in art. 28.1b. gestelde voorwaarden, m.b.t. tegemoetkoming ter zake van buiten het Rijk door inhouding geheven belasting van beleggers en beleggingsinstellingen of af te wijken van de in het Besluit voorgeschreven wijze van berekening van de tegemoetkoming, i.v.m. de heffing van vennootschapsbelasting. (tegemoetkoming buitenlandse bronbelasting*)
Periode: 1970-...: DGBel./DB
Grondslag: Besluit Beleggingsinstellingen d.d. 29-4-1970 Stb. 190, art. 6.5,
Waardering: V, termijn: 20 jaar na afhandeling/intrekking beschikking
Ingeval aanschrijvingen/gepubliceerde Besluiten volgen op de genomen beslissingen (beleidsmatige voorwaarden) is de handeling `het geven, wijzigen van ambtelijke voorschriften...etc, Handeling no. 170 PIVOT-rapportage `Belastingver(h)effend' van toepassing: B, 4.
Nummer: 490
Handeling: Het afwijzen of toewijzen, onder voorwaarden, van verzoeken om een algemene beleggingsmaatschappij, die krachtens een beschikking o.g.v. art. 5 Beschikking Beleggingsmaatschappijen wordt geacht te zijn gesplitst in een moedermij. en een dochtermij., de aan de dochtermij. toegerekende vermogensbestanddelen in te brengen in een op te richten NV of BV met beperkte aansprakelijkheid tegen uitreiking van aandelen zonder dat ter zake venn. bel. registratierecht, schenkingsrecht of omzetbel. is verschuldigd.
Periode: 1970-(1990?): DGBel./DB
Grondslag: Besluit Beleggingsinstellingen d.d. 29-4-1970 Stb. 190, art. 11.2; vervallen (1990?),
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 491
Handeling: Het nemen van een beslissing, ingeval geschil bestaat, over de teboekstelling in de openingsbalans door de Rijkspostspaarbank van vermogensbestanddelen tegen historische kostprijs met zodanige afschrijving en lagere waardering als ware de Rijkspostspaarbank vennootschapsbelastingplichtig ware geweest.
Periode: 1978
Grondslag: Wet van 21-12-1977 Stb. 697, tot onderwerping van de Rijkspostspaarbank aan de vennootschapsbelasting, art. II,
Waardering: B, 6
Nummer: 492
Handeling: Het afwijzen of toewijzen, onder voorwaarden, van verzoeken om, afwijkend van de Wet inkomstenbelasting en de Wet vennootschapsbelasting en de Invorderingswet 1990, de inspecteur te machtigen in gevallen van fusie of splitsing als bedoeld in de Richtlijn 90/434/EEG het behaalde voordeel uit die fusies of splitsing buiten aanmerking te laten.
Periode: 1992-...: DGBel. en DGFZ
Grondslag: Wet van 10-9-1992 Stb. 491, art. IV,
Waardering: V, termijn: 20 jaar na afhandeling
Ingeval aanschrijvingen/gepubliceerde Besluiten volgen op de genomen beslissingen (beleidsmatige delegatie in algemene zin) is de handeling `het geven, wijzigen van ambtelijke voorschriften.etc, Handeling no. 170 PIVOT-rapportage `Belastingver(h)effend' van toepassing: B, 4.
Nummer: 494
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van Koninklijke besluiten, de Raad van State gehoord, betreffende door belastingplichtigen ingebrachte bezwaren tegen de plaats (gemeente) waarin zij voor de vermogensbelasting zijn aangeslagen.
Periode: 1945-1964: Adm. Rijksbel./
Grondslag: Wet Vermogensbelasting 1892, art. 12.3,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 495
Handeling: Het aanwijzen van gemeenten waarin belastingplichtigen voor de vermogensbelasting worden aangeslagen.
Periode: 1945-1964: Adm. Rijksbel./DGFZ
Grondslag: Wet Vermogensbelasting 1892, art. 12.4,
Waardering: B, 4
Nummer: 496
Handeling: Het stellen, wijzigen en intrekken van (nadere) regels:
1. m.b.t. het verschaffen van inlichtingen uit de archieven door ambtenaren van het Departement van Financiën aan de inspecteur.
2. naar welke wordt beoordeeld of: a) een kind in belangrijke mate op kosten van de belastingplichtige wordt onderhouden en b) een kind buiten staat zal zijn om de helft te verdienen van hetgeen lichamelijk of geestelijk gezonde kinderen kunnen verdienen.
Periode: 1945-1964: Adm. Rijksbel./DGFZ
Grondslag: Wet Vermogensbelasting 1892,
1. art. 13,
2. art. 10.6 v.a. wijz. wet 26-4-1962 Stb. 163,
Waardering: B, 4
Nummer: 497
Handeling: Het verstrekken van inlichtingen, uit de archieven, aan de inspecteur benodigd voor het heffen van vermogensbelasting.
Periode: 1945-1964: Adm. Rijksbel./DGBel.
Grondslag: Wet Vermogensbelasting 1892, art. 13,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 498
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van AMVB's:
1. betreffende de inrichting en vaststelling van het formulier van het aangiftebiljet voor de vermogensbelasting.
2. betreffende de vaststelling van het formulier van een bijzonder aangiftebiljet voor aangifte van de vermogensbelasting door gehuwde vrouwen die het beheer over enig vermogen hebben.
3. houdende bepalingen tot verzekering der vermogensbelasting van personen die niet binnen het Rijk een vaste woonplaats hebben.
Periode: 1945-1964: Adm. Rijksbel./DGFZ
Grondslag: Wet Vermogensbelasting 1892,
1. art. 14,
2. art. 16,
3. art. 52bis,
Waardering: B, 4
Nummer: 499
Handeling: Het, al dan niet o.g.v. dwaling of verschoonbaar verzuim, kwijtschelding of vermindering verlenen van de aanslag, de aanslag tot navordering en de verhogingen daarop voor de vermogensbelasting, en, (1940-1944) evt. onder bepaling dat openbaarmaking van de aanslag tot navordering achterwege te laten.
Periode: 1945-1964: Adm. Rijksbel./DGBel.
Grondslag: Wet Vermogensbelasting 1892, art. 37,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 500
Handeling: Het wel/niet toelaten tot transactie, zolang geen dagvaarding is uitgereikt, indien bekeurde belastingplichtige geen opzettelijke ontduiking van vermogensbelasting heeft willen begaan.
Periode: 1945-1964: Adm. Rijksbel./DGBel.
Grondslag: Wet Vermogensbelasting 1892, art. 55quinquies,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 501
Handeling: Het, in elke provincie, aanwijzen van ontvangkantoren der directe belastingen waar binnenschippers en hun bemanningen zich voor de heffing van vermogensbelasting dienen aan te melden.
Periode: 1945-...: Adm. Rijksbel.
Grondslag: Besluit Binnenschippers van 27-4-1929 Stb. 215, art. 1, b.w. 1953 Stb. 52,
Schippersbesluit directe belastingen 1953, art. 1,
Waardering: B, 4
Nummer: 502
Handeling: Het geven, wijzigen en intrekken van voorschriften verband houdende met de heffing van de vermogensbelasting o.g.v. de Wet Vermogensbelasting 1892:
1. ter aanvulling en uitvoering van het Besluit.
2. m.b.t. de bepaling van de waarde van bezittingen, i.v.m. buitengewone omstandigheden, afwijkend van art. 7 van de wet.
Periode: 1945-1964: Adm. Rijksbel./DGFZ
Grondslag: Besluit van 9-8-1941 VB 166,
1. art. 4 onder 1,
2. art. 4 onder 2,
Waardering: B, 4
Nummer: 503
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van uitvoeringsbepalingen t.a.v. deze wet.
Periode: 1947-1950: Adm. Rijksbel./DB
1950-...: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet Belastingherziening 1947, art. 13,
Waardering: B, 4
Nummer: 504
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van een AMVB houdende regels volgens welke voor personeel dat buiten het Rijk, in het land waar het werkzaam is, is aangeworven afgeweken kan worden van de regel deze niet als woonachtig binnen het Rijk te achten. (fictieve belastingplicht*)
Periode: 1967-1972: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet op de vermogensbelasting 1964, art. 2.2 v.a. wijz. wet 20-7-1967 Stb. 396; vervallen wijz. wet 26-1-1972 Stb. 43,
Waardering: B, 4
Nummer: 505
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van een AMVB bepalende dat een Nederlander die militair is geacht wordt blijvend buiten het Rijk werkzaam te zijn zodat voor de heffing van vermogensbelasting de Nederlander geacht wordt geacht wordt niet woonachtig te zijn binnen het Rijk. (fictieve belastingplicht*)
Periode: 1972-1989: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet op de vermogensbelasting 1964, art. 2.2. v.a. wijz. Wet 26-1-1972 Stb. 43; vervallen bij wijz. Wet 27-4-1989 Stb. 122,
Waardering: B, 4
Nummer: 506
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van AMVB's:
1. nopens het in aanmerking nemen van, (v.a. 1989 Stb. 122:) van de waarde van, a) rechten op en verplichtingen tot periodieke uitkeringen en verstrekkingen, b) niet op goederen gevestigde rechten belast met een uiterlijk op een vast tijdstip eindigend recht van vruchtgebruik (v.a. 1989 Stb. 599), c) rechten van vruchtgebruik die niet op goederen zijn gevestigd en die uiterlijk op een vast tijdstip eindigen (v.a. 1989 Stb. 599), bij het heffen van vermogensbelasting. (waardering periodieke uitkeringen, verstrekkingen, tijdelijke genotsrechten*)
2. houdende regelen volgens welke, onder daarbij te stellen voorwaarden, voor de heffing van de vermogensbelasting de werkzaamheden, rechten en verplichtingen van een NV., (v.a. 1971:) NV of BV met beperkte aansprakelijkheid, welker bezittingen uitsluitend of hoofdzakelijk bestaan uit op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoederen en welker werkzaamheden uitsluitend of hoofdzakelijk bestaan uit de instandhouding van die landgoederen, worden beschouwd als werkzaamheden, rechten en verplichtingen van haar gezamenlijke aandeelhouders.
Periode: 1964-...: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet Vermogensbelasting 1964,
1. art. 10.2,
2. art. 24,
Waardering: B, 4
Nummer: 507
Handeling: Het stellen, wijzigen en intrekken van (nadere) regels:
1. naar welke wordt beoordeeld of een belastingplichtige buiten staat zal zijn om de helft (v.a. wijz. wet 20-7-1967 Stb. 396: 55%) te verdienen van hetgeen lichamelijk en geestelijk gezonde belastingplichtigen, in gelijke omstandigheden, kunnen verdienen.
2. naar welke wordt beoordeeld of: a) een kind in belangrijke mate op kosten van de belastingplichtige wordt onderhouden en b) een kind buiten staat zal zijn om de helft te verdienen van hetgeen lichamelijk of geestelijk gezonde kinderen kunnen verdienen, i.v.m. het in aanmerking komen voor kinderaftrek voor de vermogensbelasting.
3. betreffende het vaststellen, wijzigen en intrekken van een termijn waarbinnen verzoeken, gericht aan de inspecteur, ingediend moeten worden om de aanslag voor de vermogensbelasting om te slaan naar de echtgenoten.
4. betreffende het aanwijzen, (v.a. 1989 Stb. 122: bij ministeriële regeling) van de gemeente waar buitenlandse belastingplichtigen, alsmede binnenlandse belastingplichtigen die binnen het Rijk geen vaste woongemeente hebben, worden aangeslagen.
Periode: 1964-...: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet Vermogensbelasting 1964,
1. art. 14.4; gewijzigd bij wijz. wet 19-12-1973 Stb. 633 in: art. 14.5; vervallen bij wijz. wet 17-12-1981 Stb. 748,
2. art. 16.4; vervallen bij wijz. wet 17-12-1980 Stb. 685,
3. art. 17.3; vervallen bij wijz. wet 19-12-1973 Stb. 633,
4. art. 19.3; gewijzigd bij wijz. wet 19-12-1973 in: art. 18.3; vervallen bij wijz. wet 4-3-1993 Stb. 153,
Waardering: B, 4
Nummer: 509
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van regels m.b.t. de wijze waarop bij de wijze van toepassing overgegaan wordt van de oude naar de nieuwe situatie als voor de berekening van de tabelcorrectiefactor de basis voor de daarbij gebruikte prijsindexcijfers (v.a. 1987:) als gepubliceerd in de Maandstatistiek der prijzen gewijzigd is.
Periode: 1980-1989: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet Vermogensbelasting 1964, art. 14c v.a. wijz. wet 17-12-1980 Stb. 685; vervallen bij wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122,
Waardering: B, 4
Nummer: 510
Handeling: Het jaarlijks wijzigen van in de Wet inkomstenbelasting in de art. 7.2, 8, 14.3.4, 14a en 14b genoemde bedragen die gehanteerd worden voor de heffing en vrijstelling van vermogensbelasting. (inflatiecorrectie*)
Periode: 1980-...: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet Vermogensbelasting 1964, v.a. wijz. wet. 17-12-1980 Stb. 685, art. 14c; vervallen en bij wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122 vervangen door: art. 22a,
Waardering: B, 4
Nummer: 511
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van een AMVB houdende, passende in het kader van de wet, nadere regelen ter aanvulling van in de wet geregelde onderwerpen.
Periode: 1964-...: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet op de vermogensbelasting 1964, art. 23,
Waardering: B, 4
Vermogensbelasting 1942 (vermogensbelasting II)
Nummer: 512
Handeling: Het afgeven van verklaringen, ingeval een aanmerkelijk belang niet aanwezig is, dat het aandelenbezit van belastingplichtige een deelneming vertegenwoordigt en dat het aanhouden van deze deelneming in de normale lijn van het bedrijf ligt of het algemeen belang daarbij gediend is (geweest) i.v.m. het buiten beschouwing laten van dividend, voor zover niet in mindering gebracht van de boekwaarde van de aandelen, bij de vrijstelling van de verschuldigde vermogensbelasting.
Periode: 1945-1950: Adm. Rijksbel/DGBel.
Grondslag: Besluit op de Vermogensbelasting 1942, art. 8.1,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 513
Handeling: Het bepalen of en in hoeverre voor beleggingsmaatschappijen een deelneming i.v.m. aanmerkelijk belang vrijstelling van vennootschapsbelasting, waarbij dividend buiten beschouwing blijft en of voor deze maatschappijen indien geen aanmerkelijk belang aanwezig is, verklaringen kunnen worden afgegeven dat het aandelenbezit een deelneming vertegenwoordigt dan wel in de lijn van de normale uitoefening van het bedrijf ligt of het algemeen belang gediend is geweest bij de deelneming.
Periode: 1945-1950
Grondslag: Besluit op de Vermogensbelasting 1942, art. 8.1,
Waardering: B, 4
Nummer: 515
Handeling: Het vaststellen van de plaats waar buitenlandse belastingplichtigen en binnenlandse belastingplichtigen die hun bedrijf rondvarend of rondtrekkend uitoefenen worden aangeslagen.
Periode: 1945-1950: Adm. Rijksbel./DB
Grondslag: Besluit Vermogensbelasting 1942 (II), art. 13.2,
Waardering: B, 4
Nummer: 516
Handeling: Het vaststellen, wijzigen en intrekken van het aangifteformulier voor de vermogensbelasting.
NB Het formulier wordt gelijktijdig met dat van de Vennootschapsbelasting vastgesteld: zie art. 29.2 Besluit Vennootschapsbelasting 1942.
Periode: 1945-1950: Adm. Rijksbel./DB
Grondslag: Besluit Vermogensbelasting (II), art. 17.2,
Waardering: B, 4
Nummer: 517
Handeling: Het stellen, wijzigen en intrekken van een regeling betreffende het opleggen van (voorlopige) aanslagen door de inspecteur en de behandeling van bezwaren hiertegen door belastingplichtigen.
Periode: 1945-1950: Adm. Rijksbel./DB
Grondslag: Besluit Vermogensbelasting (II) 1942, art. 19,
Waardering: B, 4
Nummer: 518
Handeling: Het stellen, wijzigen en intrekken van (nadere) regels:
1. ter aanvulling en ter uitvoering van dit Besluit.
2. houdende afwijkende voorschriften ter vergemakkelijking van de heffing van de vermogensbelasting (II) en de controle daarop.
Periode: 1945-1950: Adm. Rijksbel./
Grondslag: Besluit Vermogensbelasting (II) 1942,
1. art. 22.1 onder 1,
2. art. 22.1 onder 2,
Waardering: B, 4
Nummer: 519
Handeling: Het wel/niet tegemoetkomen, voor bepaalde gevallen of groepen van gevallen, aan onbillijkheden van overwegende aard welke zich bij de toepassing van dit Besluit voordoen.
Periode: 1945-1950: Adm. Rijksbel./
Grondslag: Besluit Vermogensbelasting (II) 1942, art. 22.1 onder 3,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling/vervallen
Nummer: 520
Handeling: Het afwijzen of toewijzen van verzoeken van instellingen om gelijkgesteld te worden met instellingen werkzaam op de voet van de Woningwet in het belang van de volkshuisvesting i.v.m. het recht op vrijstelling van vermogensbelasting.
NB Zie ook de gelijke handeling bij het Besluit op de vennootschapsbelasting 1942.
Periode: 1945-: Adm. Rijksbel./DGBel.
Grondslag: Vrijstellingsbeschikking belasting voor lichamen d.d. 17-11-1945, art. 1.2,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling of vervallen van de goedkeuring
Nummer: 521
Handeling: Het afwijzen of toewijzen, in bijzondere gevallen, van verzoeken om de termijn waarbinnen statuten en reglementen dienen te voldoen aan de voorwaarden voor de heffing van vermogensbelasting (II), opgenomen in deze beschikking, te verlengen tot een te bepalen tijdstip na 1-7-1946.
NB Zie gelijke handeling bij de vennootschapsbelasting 1942
Periode: 1946-1956: Adm. Rijksbel./DGBel.
Grondslag: Vrijstellingsbeschikking belasting lichamen, v.a. wijz. 7-5-1946 no. 201, Stcrt. 112, art. 3.2; vervallen (1954/1956),
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 522
Handeling: Het geven, wijzigen en intrekken van voorschriften en (nadere) regels:
1. nopens de in aanmerking te nemen waarde van ingegane lijfrenten bij de bepaling van het eindvermogen voor de vermogensaanwasbelasting.
2. betreffende het opmaken, op last van de minister, van de prijscourant o.g. waarvan buitenlandse effecten na de peildatum 31-12-1943 worden gewaardeerd voor de vermogensaanwasbelasting.
3. voor gevallen waarin de belastingplichtige niet of niet binnen de daarvoor gestelde termijnen in staat is, anders dan met buitengewoon bezwaar, de belasting te betalen.
4. ter uitvoering van de Wet.
5. nopens de waardering van bepaalde, in het eindvermogen opgenomen, zaken.
Periode: 1946-
Grondslag: Wet Vermogensaanwasbelasting,
1. art. 11.2,
2. art. 13.1 onder B2; vervallen bij wijz. wet 15-7-1948 Stb. I 303,
3. art. 49.1,
4. art. 56 onder a,
5. art. 56 onder b,
Waardering: B, 4/9
Nummer: 524
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van een wet in zake de waardebepaling van effecten voor de vermogensaanwasbelasting.
Periode: 1946-...: Adm. Rijksbel./DGFZ
Grondslag: Wet Vermogensaanwasbelasting, art. 13.1 letter B onder 4; gewijzigd bij wijz. 15-7-1948 Stb. I 303 in: art. 13 onder B,
Waardering: B, 1/9
Nummer: 525
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van AMVB's houdende regels om de waardedaling t.g.v. de oorlogsomstandigheden van gronden in mindering van het vermogen te brengen.
Periode: 1946-...: Adm. Rijksbel./DGFZ
Grondslag: Wet Vermogensaanwasbelasting, art. 17.4,
Waardering: B, 4/9
Nummer: 526
Handeling: Het afwijzen of toewijzen, onder voorwaarden, van verzoeken de waardering van het eindvermogen op de peildata te herzien indien met behulp van het stelsel tot waardering van het zuivere vermogen in gevallen dat lichamen alle aandelen van belastingplichtigen bezaten voor de heffing van winstbelasting en vennootschapsbelasting is gevolgd.
Periode: 1946-...: Adm. Rijksbel./DGBel.
Grondslag: Wet Vermogensaanwasbelasting, art. 22.9,
Waardering: B, 9
Nummer: 527
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van KB's houdende aanwijzing van landen waar effecten betaalbaar gesteld waren die uitgegeven zijn door of t.l.v. aldaar gevestigde publiekr. lichamen dan wel door of t.l.v. hier te lande gevestigde rechtspersonen en vennootschappen waarvoor t.a.v. natuurlijke personen en lichamen de belastbare som van de vermogensaanwasbelasting wordt verminderd.
Periode: 1946-...: Adm. Rijksbel./DGFZ
Grondslag: Wet Vermogensaanwasbelasting, art. 28,
Waardering: B, 4/9
Nummer: 528
Handeling: Het, met redenen omkleed, wel/niet besluiten dat rechtspersonen worden gelijkgesteld aan rechtspersonen van wie uitsluitend publiekrechtelijke lichamen aandeelhouders, deelgenoten of leden zijn i.v.m. de heffing van de vermogensaanwasbelasting.
Periode: 1946-...: Adm. Rijksbel./DGBel.
Grondslag: Wet Vermogensaanwasbelasting, art. 30 onder c,
Waardering: B, 9
Nummer: 529
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van een KB houdende regelen aangaande de heffing van de vermogensaanwasbelasting m.b.t. natuurlijke personen en lichamen die niet volgens hoofdstuk 1 als belastingplichtigen zijn aan te merken of die niet hier te lande gevestigd zijn en aldaar onderworpen zijn aan een soortgelijke belasting.
Periode: 1946-...: Adm. Rijksbel./DGFZ
Grondslag: Wet Vermogensaanwasbelasting, art. 31.2,
Waardering: B, 4/9
Nummer: 530
Handeling: Het vaststellen, wijzigen en intrekken van het formulier van het aangiftebiljet voor de vermogensaanwasbelasting.
Periode: 1946-...: Adm. Rijksbel./DGFZ
Grondslag: Wet Vermogensaanwasbelasting, art. 34.3,
Waardering: B, 4/9
Nummer: 531
Handeling: Het instellen van de centrale kamer van het scheidsgerecht voor de vermogensaanwasbelasting en van kamers van het scheidsgerecht onder aanwijzing van de standplaatsen der kamers alwaar belastingplichtigen na uitspraken van de raden van beroep der directe belastingen of de Hoge Raad in beroep kunnen gaan.
Periode: 1946-...: Adm. Rijksbel./DGFZ
Grondslag: Wet Vermogensaanwasbelasting, art. (41,) 42,
Waardering: B, 1/9
Nummer: 533
Handeling: Het doen van voordrachten, samen met de minister van Justitie, aan de Koningin m.b.t. de benoeming van de voorzitter, plv. voorzitter, leden, plv. leden en secretarissen van het scheidsgerecht voor de vermogensaanwasbelasting.
Periode: 1946-...: Adm. Rijksbel./DGFZ
Grondslag: Wet Vermogensaanwasbelasting, art. 42.1
Waardering: B, 9
Nummer: 536
Handeling: Het, al dan niet o.g.v. dwaling of verschoonbaar verzuim, kwijtschelding of vermindering verlenen van de aanslag en/of de aanslag tot navordering en de verhogingen daarop voor de vermogensaanwasbelasting.
Periode: 1946-...: Adm. Rijksbel./DGBel.
Grondslag: Wet Vermogensaanwasbelasting, art. 45,
Waardering: B, 9
Nummer: 537
Handeling: Het vaststellen van de koers van obligatiën t.l.v. de Staat en van inschrijvingen op het Grootboek der Nationale Werkelijke Schuld waarmee aanslagen in de vermogensaanwasbelasting kunnen worden voldaan.
Periode: 1946-...: Adm. Rijksbel./DGFZ
Grondslag: Wet Vermogensaanwasbelasting, art. 48.1,
Waardering: B, 4/9
Nummer: 538
Handeling: Het wel/niet tegemoetkomen, voor bepaalde gevallen of groepen van gevallen, aan onbillijkheden van overwegende aard welke zich bij de toepassing van de wet mochten voordoen.
Periode: 1946-...: Adm. Rijksbel./DGBel.
Grondslag: Wet Vermogensaanwasbelasting, art. 56 onder c,
Waardering: B, 9
Nummer: 539
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van AMVB's houdende regels krachtens welke aan binnenlandse belastingplichtigen ter zake van bestanddelen van de vermogensaanwas, welke tevens elders zijn onderworpen aan een soortgelijke belasting en die geheven wordt tussen 1-5-1939 en 1-1-1947, een aftrek op de ingevolge deze wet verschuldigde vermogensbelasting kan worden verleend.
Periode: 1946-...:
Grondslag: Wet Vermogensaanwasbelasting, art. 57.1,
Waardering: B, 4/9
Nummer: 540
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van KB's ter bekrachtiging van verdragen t.v.v. dubbele belasting indien bij zulke verdragen ook t.b.v. de vermogensaanwasbelasting en gelijksoortige elders geheven belastingen in uitwisseling van gegevens is voorzien.
Periode: 1946-...: Adm. Rijksbel/DGFZ
Grondslag: Wet Vermogensaanwasbelasting, art. 58,
Waardering: B, 1/9
Nummer: 542
Handeling: Het wel/niet toelaten tot transactie van verdachten van overtreding van de wet.
Periode: 1946-...: Adm. Rijksbel./DGBel.
Grondslag: Wet Vermogensaanwasbelasting, art. 64.2,
Waardering: B, 9
Nummer: 543
Handeling: Het jaarlijks vaststellen van vacatiegelden van de voorzitters, secretarissen en leden van het scheidsgerecht alsmede afwikkeling van de declaraties door of namens hen ingediend inclusief de declaraties van geraadpleegde deskundigen.
Periode: 1946-...:
Grondslag: Besluit van 13 oktober 1948, Stb. I 450, tot uitvoering van art. 42 van de Wet op de vermogensaanwasbelasting (regeling van het vacatiegeld; beloning van de secretarissen), art. 2, 3, 4, 5,
Waardering: B, 9
Nummer: 544
Handeling: Het beslissen van verzoeken, evt. onder voorwaarden, m.b.t. uitstel van betaling van de vermogensaanwasbelasting en van de Vermogensheffing Ineens indien de aanslagen gezamenlijk meer dan f 10.000,- belopen en het machtigen van de directeur m.b.t. afdoening van verzoeken.
Periode: 1947-...: Adm. Rijksbel.
Grondslag: Beschikking van 14-10-1947, Stcrt. 202, Uitstelbeschikking Vermogensheffingen, art. 3.1, 4,
Waardering: B, 9
Nummer: 545
Handeling: Het beslissen, in zeer bijzondere gevallen, dat i.v.m. verleend uitstel van betaling van de vermogensaanwasbelasting en de Vermogensheffing Ineens, de berekende interest niet hoeft te worden betaald, wordt kwijtgescholden of wordt terugbetaald.
Periode: 1947-...: Adm. Rijksbel.
Grondslag: Beschikking van 14-10-1947, Stcrt. 202, Uitstelbeschikking Vermogensheffingen, art. 5.3,
Waardering: B, 9
Nummer: 547
Handeling: Het benoemen en ontslaan van de voorzitter, leden, plv. leden en de secretaris van de Schattingscommissie incourante fondsen.
Periode: 1949-...:
Grondslag: Beschikking van 29-7-1949 no. 201, Stcrt. 148, Schattingscommissie incourante fondsen, art. 3, 4,
Waardering: B,9
Nummer: 548
Handeling: Het vaststellen van de vergoedingen en beloningen voor de niet ambtelijke leden, plv. leden en de secretaris van de commissie.
Periode: 1949-...:
Grondslag: Beschikking van 29-7-1949 no. 201, Stcrt. 148, Schattingscommissie incourante fondsen, art. 6,
Waardering: B, 9
Nummer: 549
Handeling: Het afwijzen of toewijzen, onder voorwaarden, van verzoeken om uitstel of kwijting van bedragen voor belastingschuldigen van de vermogensaanwasbelasting en de Vermogensheffing Ineens i.v.m. het niet binnen de termijn of anders dan met buitengewoon bezwaar kunnen voldoen van de schuld.
Periode: 1950-...: DGBel.
Grondslag: Beschikking van 4-7-1950 no. 220, Stcrt. 128, ter uitvoering van art. 49, eerste lid, letter b, van de Wet Vermogensaanwasbelasting en art. 34, eerste lid, letter b, van de Wet Vermogenheffing ineens, art. 3, 4,
Waardering: B, 9
Nummer: 550
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van Koninklijke Besluiten houdende regels betreffende de heffing van de belasting van vermogensbestanddelen van buitenlandse belastingplichtigen die niet behoren aan de Staat waar die belastingplichtige gevestigd is en de bestanddelen niet aan een gelijksoortige belasting zijn onderworpen.
Periode: 1947: Adm. Rijksbel.
Grondslag: Wet Vermogenheffing ineens, art. 3.2,
Waardering: B, 4/9
Nummer: 551
Handeling: Het, samen met de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, afwijzen of toewijzen van verzoeken om voorwerpen niet tot het vermogen te rekenen voor de Vermogensheffing Ineens na het beoordelen of voorwerpen van kunstwaarde of wetenschappelijke waarde zijn en geschikt zijn om in bruikleen geven aan musea, onder daarbij te stellen regels, en indien belastingplichtige aannemelijk heeft kunnen maken dat hij de voorwerpen reeds op 9 mei 1940 in bezit had.
Periode: 1947: Adm. Rijksbel.
Grondslag: Wet Vermogenheffing ineens, art. 8.1,
Waardering: B, 9
Nummer: 553
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van een AMVB:
1. houdende regels om de waardedaling, t.g.v. de oorlogsomstandigheden, van gronden in mindering op het vermogen te brengen.
2. houdende regels krachtens welke, aan binnenlandse belastingplichtigen ter zake van bestanddelen van het zuiver vermogen welke tevens elders zijn onderworpen aan een soortelijke belasting, een aftrek krachtens deze wet kan worden verleend.
Periode: 1947: Adm. Rijksbel.
Grondslag: Wet Vermogenheffing ineens,
1. art. 11.3,
2. art. 19.1,
Waardering: B, 4/9
Nummer: 554
Handeling: Het geven, wijzigen en intrekken van voorschriften en (nadere) regels:
1. betreffende de in aanmerking te nemen waarde van zaken bezeten in vruchtgebruik, zaken in blote eigendom, lijfrenten en pensioenen i.v.m. de Vermogensheffing Ineens.
2. betreffende het opmaken, op last van de minister, van de prijscourant o.g. waarvan buitenlandse effecten worden gewaardeerd voor de Vermogensheffing Ineens.
3. betreffende de berekening van de korting die belastingplichtige krijgt over het meerdere indien hij in de eerste termijn meer betaalt dan noodzakelijk.
4. voor gevallen waarin belastingschuldige niet binnen de termijn, anders dan met buitengewoon bezwaar, in staat is de Vermogensheffing Ineens te betalen.
5. volgens welke belastingschuldigen, wier vermogen voor tenminste een derde gedeelte als bedrijfsvermogen moet worden aangemerkt, de aanslag onder voorwaarden in vijf termijnen mag voldoen.
6. ter uitvoering van de wet.
7. nopens de waardering van bepaalde zaken.
Periode: 1947: Adm. Rijksbel.
Grondslag: Wet Vermogenheffing ineens,
1. art. 13,
2. art. 14.1,
3. art. 32.2,
4. art. 34.1,
5. art. 34.2,
6. art. 39 onder a,
7. art. 39 onder b,
Waardering: B, 4/9
Nummer: 556
Handeling: Het voorbereiden van KB's betreffende de bekrachtiging van verdragen t.v.v. dubbele belasting waarin ook t.b.v. de Vermogensheffing Ineens en gelijksoortige belastingen elders bepalingen m.b.t. de uitwisseling van gegevens zijn opgenomen.
Periode: 1947: Adm. Rijksbel.
Grondslag: Wet Vermogenheffing ineens, art. 20,
Waardering: B, 1/9
Nummer: 557
Handeling: Het vaststellen, wijzigen en intrekken van het formulier van het aangiftebiljet voor de Vermogensheffing Ineens.
Periode: 1947: Adm. Rijksbel.
Grondslag: Wet Vermogenheffing ineens, art. 23.3,
Waardering: B, 4/9
Nummer: 558
Handeling: Het bepalen van de koers waartegen de aanslag Vermogensheffing Ineens kan worden voldaan met obligatiën t.l.v. de Staat of inschrijvingen in het Grootboek der Nationale Werkelijke Schuld.
Periode: 1947: Adm. Rijksbel.
Grondslag: Wet Vermogenheffing ineens, art. 33.1,
Waardering: B, 4/9
Nummer: 559
Handeling: Het afwijzen of toewijzen, onder voorwaarden, van verzoeken van belastingschuldigen wier vermogen voor tenminste een derde uit bedrijfsvermogen bestaat om aanslagen Vermogensheffing Ineens in acht termijnen te mogen betalen.
Periode: 1947: Adm. Rijksbel.
Grondslag: Wet Vermogenheffing ineens, art. 34.3,
Product: Beschikkingen
Waardering: B, 9
Nummer: 560
Handeling: Het wel/niet tegemoetkomen, voor gevallen of groepen van gevallen, aan onbillijkheden van overwegende aard welke zich bij de uitvoering van de wet mochten voordoen.
Periode: 1947: Adm. Rijksbel.
Grondslag: Wet Vermogenheffing ineens, art. 39 onder c,
Waardering: B, 9
Nummer: 561
Handeling: Het wel/niet toelaten tot transactie van verdachten van overtreding van de Wet Vermogenheffing ineens.
Periode: 1947: Adm. Rijksbel.
Grondslag: Wet Vermogenheffing ineens, art. 45.2,
Waardering: B, 9
Nummer: 562
Handeling: Het aanwijzen van instellingen en kantoren die de tegenwaarde van eigendommen van ingezetenen over mogen maken uit Duitsland naar Nederland en waarover de Rijksbelasting bij uitbetaling wordt ingehouden.
Periode: 1940-1941
Grondslag: Geblokkeerde Markenbelastingbesluit 1940, art. 1.2,
Waardering: B, 4/9
Nummer: 563
Handeling: Het aanwijzen van zaken die gelijkgesteld worden met beleggingen en vorderingen waarvan de tegenwaarde vanuit Duitsland naar Nederland overgemaakt kunnen worden en waarover een Rijksbelasting wordt ingehouden.
Periode: 1940-1941
Grondslag: Geblokkeerde Markenbelastingbesluit 1940, art. 2.1,
Waardering: B, 4/9
Nummer: 564
Handeling: Het aanwijzen van zaken die niet worden gelijkgesteld met vorderingen en beleggingen waarvan de tegenwaarde vanuit Duitsland naar Nederland overgemaakt kunnen worden en waarover een Rijksbelasting wordt ingehouden.
Periode: 1940-1941
Grondslag: Geblokkeerde Markenbelastingbesluit 1940, art. 2.2,
Waardering: B, 4/9
Nummer: 565
Handeling: Het wel/niet verlenen van kwijtschelding of teruggave van ingehouden belasting indien kan worden aangetoond dat de belegging of vordering voor inwerkingtreding van het besluit verworven is tegen een hoger bedrag als het na de inhouding van de belasting overblijvende bedrag.
Periode: 1940-1941
Grondslag: Geblokkeerde Markenbelastingbesluit 1940, art. 3.3,
Waardering: B, 9
Nummer: 908
Handeling Het opstellen van voorschriften voor de uitvoering van het besluit.
Periode: 1940-1941
Grondslag: Geblokkeerde Markenbelastingbesluit 1940, art. 5,
Waardering: B, 4/9
Nummer: 567
Handeling: Het wel/niet toestaan van uitzonderingen voor de heffing van geblokkeerde markenbelasting 1941 aan eigenaren, bezitters of schuldeisers van beleggingen en vorderingen welke in het Duitsche Rijk zijn gelegen en waarvan na terugtreding, vervreemding, rechtsovergang of aflossing de tegenwaarde overgemaakt wordt naar Nederland.
Periode: 1941
Grondslag: Geblokkeerde Markenbelastingbesluit 1941, art. 2.3,
Waardering: B, 9
Nummer: 568
Handeling: Het wel/niet verlenen van gedeeltelijke of gehele kwijtschelding of teruggave van geblokkeerde markenbelasting aan gevallen of groepen van gevallen vanwege onbillijkheden van overwegende aard i.v.m. bijzondere omstandigheden.
Periode: 1941
Grondslag: Geblokkeerde Markenbelastingbesluit 1941, art. 3.3,
Waardering: B, 9
Nummer: 570
Handeling: Het vaststellen, wijzigen en intrekken van het aangifteformulier voor de geblokkeerde markenbelasting 1941.
Periode: 1941
Grondslag: Geblokkeerde Markenbelastingbesluit 1941, art. 4.3,
Waardering: B, 4/9
Nummer: 571
Handeling: Het vaststellen, wijzigen en intrekken van voorschriften ter uitvoering en aanvulling van het geblokkeerde markenbesluit 1941.
Periode: 1941
Grondslag: Geblokkeerde Markenbelastingbesluit 1941, art. 7,
Waardering: B, 4/9
Nummer: 572
Handeling: Het vaststellen, wijzigen en intrekken van voorschriften ter uitvoering van dit besluit m.b.t. de opheffing van de geblokkeerde markenbelasting.
Periode: 1941
Grondslag: Verordening 29-8-1941, VB 169, opheffing Geblokkeerde Markenbelastingbesluit 1941, art. 4,
Waardering: B, 4/9
Wet van den 16den april 1896, Stb. 72, ter regeling der personeele belasting. b.w. m.i.v. 1-6-1951 Stb. 1950 no. K 598.
Nummer: 573
Handeling: Het stellen van regels m.b.t. het uitkeren van de zuivere opbrengst van de personele belasting aan de gemeenten.
Periode: 1945-1951
Grondslag: Wet op de Personeele belasting 1896, art. 1,
Waardering: B, 4/9
Nummer: 575
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van een AMVB houdende vaststelling van het formulier benodigd voor het beschrijven voor de personeele belasting.
Periode: 1945-1951: Adm. Rijksbel./DB
Grondslag: Wet op de Personeele Belasting 1896, art. 40,
Waardering: B, 4
Nummer: 576
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van Koninklijke Besluiten m.b.t. ingediende bezwaren tegen door gemeenten opgelegde aanslagen naar de grondslagen huurwaarde, meubilair, dienstboden, paarden, motorrijtuigen, pleziervaartuigen en biljarten.
Periode: 1945-1951: Adm. der Belastingen/DB
Grondslag: Wet op de Personeele Belasting 1896, art. 48,
Waardering: B, 4
Nummer: 577
Handeling: Het aanwijzen van ambtenaren en deskundigen die de waarde van het meubilair, de motorrijtuigen en de pleziervaartuigen opnemen.
Periode: 1945-1951: Adm. Rijksbel.
Grondslag: Wet op de Personeele Belasting 1896, art. 50.2,
Waardering: B, 4
Nummer: 578
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van een Koninklijk Besluit regelende de beloning voor door deskundigen verrichte werkzaamheden.
Periode: 1945-1951: Adm. der Rijksbel./DB
Grondslag: Wet op de Personeele Belasting 1896, art. 53,
Waardering: B, 4
Nummer: 579
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van voorschriften m.b.t. het toezicht op het gebruik/bezit van motorrijtuigen en pleziervaartuigen i.v.m. evt. teruggave van belasting.
Periode: 1945-1951: Adm. der Rijksbel./DB
Grondslag: Wet op de Personeele Belasting 1896, art. 63.2a,
Waardering: B, 4
Nummer: 580
Handeling: Het afwijzen of toewijzen van verzoeken om in bijzondere gevallen vanwege dwaling of onwillig verzuim kwijtschelding te verlenen van de verdubbeling en van de verhoging van de belasting welke is opgelegd i.v.m. verkeerde aangifte.
Periode: 1945-1951: Adm. Rijksbel./DB
Grondslag: Wet op de Personeele Belasting 1896, art. 67,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 582
Handeling: Het tot transactie toelaten van verdachten indien bij de bekeurde geen opzet tot ontduiking van belasting heeft bestaan.
Periode: 1945-1951:Adm. Rijksbel. /DB
Grondslag: Wet op de Personeele Belasting 1896, art. 76,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Wet van 21 december 1950, Stb. K 598, op de personele belasting, i.w. 1-6-1951, b.w. m.i.v. 1-6-1979 Stb. 1970 no. 608.
Nummer: 584
Handeling: Het samen met de minister van Binnenlandse Zaken, Gedeputeerde Staten gehoord, voor één of meerdere jaren indelen in een andere klasse of klassen ter bevordering van de gelijkmatigheid van de klasse-indeling van gemeenten ter heffing van de personele belasting.
Periode: 1951-1979
Grondslag: Wet op de personele belasting 1950, art. 5.4,
Waardering: B, 6
Nummer: 588
Handeling: Het bepalen van de voorwaarden waaronder verzamelingen van kunst en wetenschap en de voorwerpen ter plaatsing van die verzamelingen die ter bezichtiging worden gesteld, waaronder verzamelingen die niet als meubilair voor de heffing van personele belasting worden aangemerkt, waaraan voldaan moet worden om voor de heffing van de personele belasting als zodanig te worden aangemerkt.
Periode: 1951-1979:DGBel./DB
Grondslag: Wet op de personele belasting 1950, art. 11.3,
Waardering: B, 4
Nummer: 589
Handeling: Het vaststellen van het formulier van het aangiftebiljet.
Periode: 1951-1979:DGBel./
Grondslag: Wet op de personele belasting 1950, art. 25.2,
Waardering: B, 4
Nummer: 590
Handeling: Het, o.g.v. dwaling of verschoonbaar verzuim, verlenen van kwijtschelding of vermindering van verhogingen van opgelegde personele belasting.
Periode: 1951-1979:DGBel/DB
Grondslag: Wet op de personele belasting 1950, art 39,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 592
Handeling: Het wel/niet verlenen van ontheffing van de geheimhoudingsplicht om gegevens m.b.t. de toepassing van de wet te mogen verstrekken indien anders dan nodig is dan i.v.m. de uitvoering van de wet.
NB
Vanaf 1959 is de geheimhoudingsontheffing opgenomen in de AWR
Periode: 1951-1959 (1979):DGBel.
Grondslag: Wet op de personele belasting 1950, art. 44,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na beëindiging ontheffing
Nummer: 593
Handeling: Het wel/niet tot transactie toelaten van verdachten van overtreding van de verplichtingen voortvloeiend uit de wet.
Periode: 1951-1979: DGBel.
Grondslag: Wet op de personele belasting 1950, art. 51,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 594
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van een AMVB houdende voorschriften aangaande de vaststelling van de huurwaarde van gebouwen welke zijn tot stand gekomen op of na 27-12-1940.
Periode: 1951-1979: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet op de personele belasting 1950, art. 52,
Waardering: B, 4
Besluit van 24 januari 1944 no. 57 van den Secretaris-Generaal van het Departement van Financiën betreffende de personeele belasting van perceelen, welke in verband met evacuatie van overheidswege in gebruik zijn gegeven, b.w. m.i.v. 1-6-1951 Stb. 1950 no. K 598.
Nummer: 595
Handeling: Het wel/niet tegemoetkomen aan gevallen of groepen van gevallen m.b.t. onbillijkheden van overwegende aard welke zich voordoen bij de heffing van personele belasting van percelen welke in verband met evacuatie van overheidswege in gebruik zijn gegeven.
Periode: 1944-1951
Grondslag: Besluit van 24 januari 1944 no. 57, art. 3,
Waardering: B,9
Nummer: 597
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van AMVB's:
1. houdende regels inzake de voorwaarden waaraan onroerend goed moet voldoen om te kunnen worden aangemerkt als een landgoed;
2. houdende vaststelling welke bescheiden, naast een beschrijving van de karakteristieke verschijningsvorm van het onroerend goed alsmede uittreksels uit de kadastrale legger en kadastrale plans, bij een verzoek om rangschikking moeten worden overgelegd alsmede houdende regels betreffende de inhoud van de beschrijving en van de andere bescheiden en de voorwaarden m.b.t. het kosteloos afgeven van de bedoelde uittreksels.
Periode: 1989-... DGBel./VB
Grondslag: Natuurschoonwet 1928,
1. art. 1.3; v.a. 1989 Stb. 205,
2. art. 2.2; v.a. 1989 Stb. 205,
Waardering: B, 4
Nummer: 598
Handeling: Het samen met de ministers van Landbouw en Visserij (1940-1943/7), van Opvoeding, Wetenschap en Kultuurbescherming (1943-1947) van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen (1947-1965), van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk (1965-1982) en van Landbouw en Visserij (1982-...) afwijzen en toewijzen, onder het stellen van voorwaarden o.a. welke van belang zijn voor het behoud van het landgoed (v.a. 1947) en (v.a. 1956:) onder goedkeuring van regelen m.b.t. de openstelling voor het publiek en (v.a. 1989:) m.b.t. de termijn waarbinnen geen hernieuwd verzoek tot rangschikking mag worden gedaan, van verzoeken om onroerend goed; v.a. 1989: onroerende zaken aan te merken als een landgoed waarvoor het voortbestaan belangrijk wordt geacht voor het behoud van het natuurschoon alsmede het, al dan niet op verzoek, verlengen, wijzigen, controleren van de naleving van de voorwaarden en het intrekken van de toewijzing. (rangschikking*)
Periode: 1945-...: Adm. Rijksbel./DGBel.-Afd. Ind., VB Bel., VB
Grondslag: Natuurschoonwet 1928, art. 2, 3, 7, 8 v.a. 1956 Stb. 362; voorgaande artikelen zijn m.i.v. 1989 Stb. 205 vervangen door art. 2.1.3, 3, 4, 7, 8.3,
Waardering: V, termijn: 25 jaar na vernieuwing of vervallen van de rangschikkingsbeschikking
Nummer: 610
Handeling: Het afwijzen en toewijzen van verzoeken om verklaringen af te geven aan eigenaren dat door hem voorgenomen handelingen niet zullen leiden tot intrekking van de rangschikking van het landgoed onder de Natuurschoonwet.
Periode: 1989-...: DGBel./VB
Grondslag: Natuurschoonwet 1928, v.a. 1989 Stb. 205, art. 3.5,
Waardering: V, termijn: 25 jaar na hernieuwing of vervallen van de rangschikking
Nummer: 613
Handeling: Het afwijzen en toewijzen van verzoeken om in bijzondere gevallen af te wijken van de in dit artikel voorgeschreven berekeningswijze, herrekening, betaling en vordering van rechten van successie, schenking en overgang van de waarde van verkregen landgoederen en de openstellingsvoorwaarden voor landgoederen waarvan het voortbestaan van belang geacht wordt voor het behoud van natuurschoon.
Periode: 1945-...: Adm. Rijksbel./DGBel.- Afd. Ind. Bel., VB
Grondslag: Natuurschoonwet 1928, art. 8; genummerd 1989 Stb. 205 door: art. 8.3,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 614
Handeling: Het beoordelen of naamloze vennootschappen en andere rechtspersoonlijkheid bezittende lichamen en (v.a. 1971:) rechtspersonen, aan wie landgoederen waarvan is bepaald dat het voortbestaan van belang is voor het behoud van natuurschoon zijn overgedragen onder bezwarende titel, hoofdzakelijk ten doel hebben landgoederen in stand te houden of nog steeds deze doelstelling hebben i.v.m. vermindering/vrijstelling van de rechten van overdracht en van registratie.
Periode: 1945-...: Adm. Rijksbel./DGBel.-Afd. Ind. Bel., VB
Grondslag: Natuurschoonwet 1928, art. 9bis; gewijzigd in 1989 Stb. 205 in: art. 9a , 9quater; gewijzigd in 1989 Stb. 205 in: art. 9c,
Waardering: V, termijn: 25 jaar na hernieuwing of vervallen van de rangschikking
Nummer: 615
Handeling: Het vaststellen dat de heffing van vermogensbelasting, inkomstenbelasting en personele belasting m.b.t. de waarde van landgoederen, waarvoor bepaald is dat het voortbestaan van belang is voor het behoud van natuurschoon, ingaat met het belastingjaar volgend op de indiening van een verzoek tot rangschikking van een landgoed of eindigt bij het belastingjaar volgend op de mededeling van eigenaren van landgoederen dat zij niet langer met hun landgoederen gerangschikt willen zijn in de zin van de wet.
Periode: 1945-1989: Adm. Rijksbel./DGBel.-Afd. Ind. Bel., VB,
Grondslag: Natuurschoonwet 1928, art. 10; vervallen 1989 Stb. 205,
Waardering: V, termijn: 25 jaar na hernieuwing of vervallen van de rangschikking
Kostprijsverhogende belastingen
Grondbelasting en aanverwante wetten
Wet van 26 mei 1870, Stb. 82, betrekkelijk de grondbelasting, i.w. 1-1-1871, b.w. 1989 Stb. 491.
Nummer: 618
Handeling: Het opstellen van voorschriften m.b.t. het verrichten van metingen en het opnemen van de uitkomsten in kadastrale stukken.
Periode: 1945-1989: Adm. der Rijksbel./DGBel.-DB
Grondslag: Wet Grondbelasting van 26 mei 1870, Stb. 82, art. 10,
Waardering: B, 4
Nummer: 619
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van aanwijzingen van deskundigen die voorlichting geven bij schatting door een Rijksambtenaar van eigendommen die ontstaan, belastbaar worden of wijziging ondergaan.
Periode: 1945-1989:Admin. Rijksbel/DGBel.-DB
Grondslag: Wet Grondbelasting van 26 mei 1870, Stb. 82, art. 11,
Waardering: B, 4
Nummer: 620
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van K.B.'s houdende:
1. regels betreffende vergoeding van reis- en verblijfkosten van deskundigen die voorlichting geven bij schattingen.
2. vaststelling van het model voor aangiften wegens gebouwde en ongebouwde eigendommen na verstrijken van de perioden vermeld in de artikelen 26-31 en 34-36 van de Wet.
Periode: 1945-1950: Admin. Rijksbel./DGBel.-DB
1950-1989: DGFZ/WDB
Grondslag: Wet Grondbelasting van 26 mei 1870, Stb. 82,
1. art. 11,
2. art. 38,
Waardering: B, 4
Nummer: 621
Handeling: Het vaststellen van het formulier voor de beëdiging van deskundigen die door Gedeputeerde Staten benoemd worden i.v.m. hermetingen en herschattingen van de eigendommen.
Periode: 1945-1989:Admin. Rijksbel./DGBel.
Grondslag: Wet Grondbelasting van 26 mei 1870, Stb. 82, art. 17,
Waardering: B, 4
Nummer: 623
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van Koninklijke besluiten welke beschikken op verzoekschriften c.q. in bijzondere gevallen m.b.t. verlenging van de termijn van aangifte voor drooggemaakte of omdijkte eigendommen.
Periode: 1945-1989:Admin. Rijksbel/DGBel./DB
Grondslag: Wet Grondbelasting van 26 mei 1870, Stb. 82, art. 36a v.a. wijz. Wet van 6 maart 1957 Stb. 93, 41,
Waardering: V, termijn: 10 jaar
Wet van den 2den mei 1897, Stb. 124, tot herziening van de belastbare opbrengst der gebouwde eigendommen.
Nummer: 624
Handeling: Het verdelen van Nederland in schattingsdistricten.
Periode: 1945-.?.;Admin. Rijksbel./DGBel.
Grondslag: Wet van 2 mei 1897, art. 9
Waardering: B, 4
Nummer: 625
Handeling: Het instellen en opheffen van schattingscommissies.
Periode: 1945-.?./Admin. Rijksbel./DGBel.
Grondslag: Wet van 2 mei 1897, art. 9,
Waardering: B, 5
Nummer: 626
Handeling: Het benoemen, schorsen en ontslaan van voorzitters en plaatsvervangers van de schattingscommissies.
Periode: 1945-.?.: Admin. Rijksbel./DGBel./
Grondslag: Wet van 2 mei 1897, art. 10,
Waardering: B,5
Nummer: 629
Handeling: Het instellen en opheffen van een Hoofdcommissie die toezicht uitoefent op de schattingscommissies.
Periode: 1945-.?.: Admin. Rijksbel./DGBel.
Grondslag: Wet van 2 mei 1897, art. 12,
Waardering: B, 5
Nummer: 630
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van Koninklijke Besluiten houdende benoeming, ontslag of schorsing van de voorzitter, de secretaris, de leden en hun plaatsvervangers van de hoofdcommissie.
Periode: 1945-.?.: Admin. Rijksbel./DGBel.
Grondslag: Wet van 2 mei 1897, art. 12
Waardering: B,5
Nummer: 633
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van Koninklijke Besluiten regelende de beloning en vergoeding van reis- en verblijfkosten van voorzitters, leden en hun plaatsvervangers van zowel de hoofdcommissie als van de schattingscommissies.
Periode: 1945-.?.: Admin. Rijksbel./DGBel.
Grondslag: Wet van 2 mei 1897, art. 18,
Waardering: B, 4
Nummer: 634
Handeling: Het regelen van de beloning van deskundigen die krachtens deze wet worden aangewezen of benoemd.
Periode: 1945-.?.: Admin. Rijksbel./DGBel.
Grondslag: Wet van 2 mei 1897, art. 18,
Waardering: B, 4
Nummer: 636
Handeling: Het stellen van regels volgens welke gegevens ter beschikking gesteld mogen worden aan de commissies.
Periode: 1945-.?.: Admin. Rijksbel./DGBel.
Grondslag: Wet van 2 mei 1897, art. 20,
Waardering: B, 4
Nummer: 638
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van AMVB's:
1. houdende vaststelling van het formulier dat dient om gegevens op te nemen m.b.t. de gegevens van de te schatten gebouwde eigendommen.
2. regelende de vaststelling van kosten voor herschatting.
Periode: 1945-1950:Adm. Rijksbel./DB
1950-...:DGFZ/WDB
Grondslag: Wet van 2 mei 1897,
1. art. 21,
2. art. 33,
Waardering: B, 4
Nummer: 641
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van (jaarlijkse) wetten die het bedrag der belasting vaststellen.
Periode: 1945-...: Admin. Rijksbel./DGFZ
Grondslag: Wet van 2 mei 1897, art. 36,
Waardering: B, 1
Wet van den 15den juli 1907, houdende bepalingen in verband met de herziening van de belastbare opbrengst der gebouwde eigendommen.
Nummer: 643
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van een Koninklijk Besluit houdende vaststelling van een bijzondere beloning, ten laste van het dienstjaar 1907, voor buitengewone werkzaamheden i.v.m. de herziening.
Periode: 1945-.?
Grondslag: Wet van 15 juli 1907, art. 4,
Waardering: B, 4
Besluit op de omzetbelasting 1940
Nummer: 645
Handeling: Het stellen, wijzigen en intrekken van (nadere) richtlijnen, voorschriften en regels:
1. m.b.t. de omrekening van buitenlandse waarden
2. welke in acht genomen moeten worden i.v.m. de vrijstelling van inkomstenbelasting.
3. welke in acht genomen moeten worden i.v.m. de vrijstelling van belasting bij invoer (invoerbelasting).
4. nopens de teruggaaf van omzetbelasting en invoerbelasting, evt. naar algemene maatstaf.
5. nodig ter uitvoering van het Besluit.
6. afwijkend van het Besluit ter vergemakkelijking van de heffing van de belasting of van de controle op de heffing.
7. krachtens welke door of vanwege hem aangewezen handelaren, al dan niet op verzoek, worden aangemerkt als fabrikant van op de voet van deze regelingen ingeslagen goederen.
8. welke in acht genomen moeten worden i.v.m. vrijstelling van omzetbelasting en belasting bij invoer (invoerbelasting) voor de levering van brandstoffen.
Periode: 1945-1954: Adm. Rijksbel. ACC./DGFZ WV+D
Grondslag: Besluit Omzetbelasting 1940,
1. art. 5.6
2. art. 11, 12,
3. art. 13,
4. art. 15.3,
5. art. 28 onder 1,
6. art. 28 onder 2,
7. art. 28 onder 4 v.a. wijz. 20-6-1941 VB 118,
8. art. 14.1.2, v.a. wijz. wet 1953 Stb. 586,
Waardering: B, 4
Nummer: 646
Handeling: Het aanwijzen van leveringen van goederen waarvoor een in dit lid genoemde afwijkend (verhoogd) tarief omzetbelasting ook/niet van toepassing is.
NB
Vanaf wijz. Wet Belastingherziening gebeurt de aanwijzing ook bij Koninklijk Besluit: zie afzonderlijke handeling.
Periode: 1945-1954: Adm. Rijksbel. ACC./DGFZ WV+D
Grondslag: Besluit Omzetbelasting 1940, art. 6.1; gewijzigd bij wijz. Besluit 21-7-1941 VB118 in: art. 6.2; gewijzigd bij Wet Belastingherziening 1947 in: art. 6.2 onder c,
Waardering: B, 4
Nummer: 647
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen van Koninklijke Besluiten houdende het aanwijzen van leveringen van goederen waarvoor een in dit lid genoemde (afwijkend) tarief omzetbelasting ook/niet van toepassing is.
Periode: 1947-1954: Adm. Rijksbel. ACC./DGFZ WV+D
Grondslag: Besluit Omzetbelasting 1940, art. 6.2 onder B; v.a. wijz. wet 21-12-1950 Stb. K592: art. 6.2 onder d,
Waardering: B, 4
Nummer: 648
Handeling: Het vaststellen van een tijdvak, anders dan een kwartaal, waarover de omzetbelasting dient te worden afgedragen.
Periode: 1945-1954: Adm. Rijksbel. ACC./DGFZ WV+D
Grondslag: Besluit Omzetbelasting 1940, art. 8.1, 9.1,
Waardering: B, 4
Nummer: 650
Handeling: Het vaststellen, wijzigen en intrekken van het formulier van aangifte voor de af te dragen omzetbelasting.
Periode: 1945-1954: Adm. Rijksbel. ACC./DGFZ WV+D
Grondslag: Besluit Omzetbelasting 1940, art. 9.1,
Waardering: B, 4
Nummer: 651
Handeling: Het aanwijzen van goederen, waarvan bij visitatie niet kan worden aangetoond dat zij bestemd zijn als grondstof voor een fabrikant of als handelswaar voor een groot- of kleinhandelaar of (v.a. 1941:) dat zij bestemd zijn voor de onderneming, waarvoor het tarief van de invoerbelasting niet van toepassing is.
NB Vanaf de Wet Belastingherziening 1947 geschiedt de aanwijzing bij Koninklijk Besluit: zie afzonderlijke handeling.
Periode: 1945-1947: Adm. Rijksbel. ACC./DGFZ WV+D
Grondslag: Besluit Omzetbelasting 1940, art. 10.4; vervallen bij Wet Belastingherziening 1947 Stb. H171,
Waardering: B, 4
Nummer: 652
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van Koninklijke Besluiten betreffende het aanwijzen van goederen, waarvan bij visitatie niet kan worden aangetoond dat zij bestemd zijn voor de onderneming, waarvoor het in dit lid opgenomen (afwijkend) tarief van de invoerbelasting wel/niet van toepassing is.
Periode: 1947-1954: Adm. Rijksbel. ACC./DGFZ WV+D
Grondslag: Besluit Omzetbelasting 1940, v.a. wijz. Wet Belastingherziening 1947 Stb. H171, art. 10.4,
Waardering: B, 4
Nummer: 653
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van een AMVB regelende, in het belang van binnenlandse uitgevoerde takken van bedrijf, verhoging van de in dit artikel opgenomen tarieven van invoerbelasting.
Periode: 1950-1954: DGFZ/WV+D
Grondslag: Besluit Omzetbelasting 1940, v.a. wijz. wet 21-12-1950 Stb. K592, art. 10.6,
Waardering: B, 4
Nummer: 654
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van Koninklijke Besluiten betreffende aanwijzing van goederen met het karakter van weeldegoederen ter aanvulling van de bij dit besluit horende tabel van goederen waarvoor een verhoogd tarief omzetbelasting en invoerbelasting van toepassing is.
Periode: 1947-...: Adm. Rijksbel. ACC./DGFZ WV+D
Grondslag: Besluit Omzetbelasting 1940, v.a. wijz. wet Wet Belastingherziening 1947 Stb. H171, art. 10a.2, (art. 10a.1a),
Waardering: B, 4
Nummer: 655
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van wetten houdende goedkeuring van Koninklijke Besluiten betreffende aanwijzing van goederen met het karakter van weeldegoederen ter aanvulling van de bij dit besluit horende tabel van goederen waarvoor een verhoogd tarief omzetbelasting en invoerbelasting van toepassing is.
Periode: 1947-...: Adm. Rijksbel. ACC./DGFZ WV+D
Grondslag: Besluit Omzetbelasting 1940, v.a. wijz. wet Wet Belastingherziening 1947 Stb. H171, art. 10a.3,
Waardering: B, 1
Nummer: 656
Handeling: Het voorbereiden wijzigen en intrekken van Koninklijke Besluiten houdende aanwijzing van goederen waarvoor, indien de voorschriften in acht genomen worden, vrijstelling van omzetbelasting van toepassing is.
Periode: 1947-1954: Adm. Rijksbel. ACC./DGFZ WV+D
Grondslag: Besluit Omzetbelasting 1940, v.a. wijz. Wet Belastingherziening 1947 Stb. H171, art. 12.2a,
Waardering: B, 4
Nummer: 657
Handeling: Het aanwijzen van gevallen en werkzaamheden, diensten en goederen, die indien aan de regels voldaan wordt, in aanmerking komen voor vrijstelling van de omzetbelasting.
Periode: 1945-1954: Adm. Rijksbel./ACC.
Grondslag: Besluit Omzetbelasting 1940, art. 12.4, 12.7, 12.8, 12.19, 12.20, 12.24,
Waardering: B, 4
Nummer: 658
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van Koninklijke Besluiten m.b.t. het aanwijzen van grondstoffen, v.a. 1950: goederen, waarvoor, mits de regels daartoe in acht genomen worden, vrijstelling wordt van invoerbelasting.
Periode: 1947-...: Adm. Rijksbel. ACC./DGFZ WV+D
Grondslag: Besluit Omzetbelasting 1940, v.a. wijz.wet Wet Belastingherziening 1947 Stb. H171 , art. 13.1 onder 2a,
Waardering: B, 4
Nummer: 659
Handeling: Het aanwijzen van grondstoffen waarvoor, mits de regels daartoe in acht genomen worden, vrijstelling wordt van invoerbelasting.
Periode: 1945-...: Adm. Rijksbel./ACC.
Grondslag: Besluit Omzetbelasting 1940, v.a. wijz. 20-6-1941 VB 118, art. 13.1 onder 3,
Waardering: B, 4
Nummer: 660
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van een AMVB, in het belang van binnenlands uitgeoefende takken van bedrijf, houdende vaststelling van een ander tarief invoerbelasting voor in het eerste lid van dit artikel bedoelde goederen.
Periode: 1950-1954: DGFZ/WV+D
Grondslag: Besluit Omzetbelasting 1940, v.a. wijz. wet 21-12-1950 Stb. K592, art. 13.3,
Waardering: B, 4
Nummer: 661
Handeling: Het bepalen, met inachtneming van wederkerigheid, dat bij invoer uit een bepaald land heffing van invoerbelasting niet of naar een lagere heffingsvoet plaatsvindt dan wel (v.a. 1941) regelingen te treffen waardoor t.a.v. de levering van goederen de heffing achterwege blijft.
Periode: 1945-1954: Adm. Rijksbel. ACC./DGFZ WV+D
Grondslag: Besluit Omzetbelasting 1940, art. 17; v.a. wijz. Besluit 20-6-1941: art. 17.1, 17.2 v.a. Besluit 20-6-1941 VB118,
Waardering: B, 4
Nummer: 663
Handeling: Het wel/niet bepalen t.a.v. het bedrijf van een fabrikant dat daarin een fabrieksafdeling en een handelsafdeling worden onderscheiden.
Periode: 1945-1954: Adm. Rijksbel./ACC.
Grondslag: Besluit Omzetbelasting 1940, art. 24,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 664
Handeling: Het voor bepaalde gevallen of groepen van gevallen wel/niet tegemoetkomen aan onbillijkheden van overwegende aard.
Periode: 1945-1954: Adm. Rijksbel./DGBel. ACC.
Grondslag: Besluit Omzetbelasting 1940, art. 28 onder 3,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling/vervallen
Nummer: 665
Handeling: Het afwijzen of toewijzen van verzoeken om o.g.v. regelingen, opgesteld ingevolge dit art. onder 4, aangemerkt te worden als fabrikant van ingeslagen goederen.
Periode: 1945-1954: Adm. Rijksbel./DGBel. ACC.
Grondslag: Besluit Omzetbelasting 1940, art. 28 onder 4,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 666
Handeling: Het wel/niet toelaten tot transactie van verdachten die de regels en bepalingen uit hoofde van dit Besluit.
Periode: 1945-1954: Adm. Rijksbel./DGBel. ACC.
Grondslag: Besluit Omzetbelasting 1940, art. 35,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 667
Handeling: Het vaststellen van bepalingen welke de overgang regelen van de heffing ingevolge de Omzetbelastingwet 1933 naar de heffing ingevolge dit Besluit.
Periode: 1945-1954: Adm. Rijksbel./DGBel. ACC.
Grondslag: Besluit Omzetbelasting 1940, art. 36,
Waardering: B, 4
Nummer: 668
Handeling: Het vaststellen van overgangsbepalingen i.v.m. dit besluit.
Periode: 1945-1954: Adm. Rijksbel./ACC.
Grondslag: Besluit d.d. 21-6-1941 tot wijz. van het Besluit Omzetbelasting 1940, art. 2,
Waardering: B, 4
Nummer: 669
Handeling: Het stellen, wijzigen en intrekken van aanvullende bepalingen ter uitvoering van de Wet.
Periode: 1950-1956: DGFZ/WV+D
Grondslag: Wet van 29-11-1950 Stb. K528, wijziging omzetbelasting m.b.t. sigaren en sigaretten, art. 3,
Waardering: B, 4
Nummer: 670
Handeling: Het stellen, wijzigen en intrekken van aanvullende bepalingen ter uitvoering van de Wet.
Periode: 1950-1954: DGFZ/WV+D
Grondslag: Wet van 21-12-1950 Stb. K592, houdende verhoging en technische wijziging van de omzetbelasting art. 3,
Waardering: B, 4
Nummer: 671
Handeling: Het stellen, wijzigen en intrekken van aanvullende bepalingen ter uitvoering van de Wet.
Periode: 1953-1954: DGFZ/WV+D
Grondslag: Wet van 2-1-1953 Stb. 1, tot wijziging in de heffing van omzetbelasting t.a.v. tijdschriften art. II,
Waardering: B, 4
Nummer: 672
Handeling: Het stellen, wijzigen en intrekken van aanvullende bepalingen ter uitvoering van de Wet.
Periode: 1953-1954: DGFZ/WV+D
Grondslag: Wet van 9-5-1953 Stb. 199, houdende afschaffing van het omzetbelastingtarief van dertig ten honderd, art. II,
Waardering: B, 4
Nummer: 673
Handeling: Het stellen, wijzigen en intrekken van aanvullende bepalingen ter uitvoering van de Wet.
Periode: 1953-1954: DGFZ/WV+D
Grondslag: Wet van 24-12-1953 Stb. 586, houdende vrijstelling van omzetbelasting van huisbrand en schoeisel, art. II,
Waardering: B, 4
Nummer: 674
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van Koninklijke Besluiten om de bij de wet behorende tabellen van goederen, waarvoor in de wet genoemde (afwijkende) percentages voor de heffing van omzetbelasting of van belasting bij invoer van toepassing zijn, te wijzigen en aan te vullen.
Periode: 1954-1968: DGFZ/WV+D
Grondslag: Wet Omzetbelasting 1954, art. 3.3, 3.5, 14.2.3, 15.1.2,
Waardering: B, 4
Nummer: 675
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van wetten houdende goedkeuring van Koninklijke Besluiten om de bij de wet behorende tabellen van goederen, waarvoor in de wet genoemde (afwijkende) percentages voor de heffing van omzetbelasting of van belasting bij invoer van toepassing zijn, te wijzigen en aan te vullen.
Periode: 1954-1968: DGFZ/WV+D, WDV
Grondslag: Wet Omzetbelasting 1954, art. 3.4, 14.3, 15.2.3,
Waardering: B, 1
Nummer: 676
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van (nadere) voorschriften en regels/ministeriële regelingen:
1. betreffende het ter voorkoming van verstoring van concurrentieverhoudingen aanwijzen van gevallen waarin het verpakken van goederen, om die voor de verkoop in het klein gereed te maken, wel als een bewerking aan te merken zodat die goederen gelijkgesteld worden met de bij de wet horende in tabel III opgenomen goederen.
2. houdende het vaststellen van het tijdvak, anders dan een kalenderkwartaal, waarover aangifte en afdracht van verschuldigde omzetbelasting dient te worden gedaan.
3. houdende het vaststellen, wijzigen en intrekken van het aangifteformulier voor de omzetbelasting.
4. met betrekking tot de wijze waarop degenen die mede hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de omzetbelasting in voorkomende gevallen de belasting dienen te voldoen.
5. houdende het aanwijzen van gevallen van de levering van goederen om niet die in aanmerking komen voor vrijstelling van omzetbelasting.
6. waaraan lichamen en fondsen moeten voldoen die de tegenwaarde voldoen van diensten welke worden verricht door psychologen, logopaedisten en masseurs alsmede de leveringen van genees- en verbandmiddelen waarvoor vrijstelling van omzetbelasting van toepassing is.
7. houdende het aanwijzen van gevallen van het geven van voordrachten en dergelijke werkzaamheden, tegen een vergoeding die in hoofdzaak dient ter dekking van de kosten, die in aanmerking komen voor vrijstelling van omzetbelasting.
8. houdende het vaststellen van de gemiddelde kleinhandelsprijs i.v.m. de heffing van omzetbelasting voor natte pruimtabak op de voet van voor de tabaksaccijns geldende bepalingen.
9. krachtens welke door of vanwege de minister aangewezen handelaren worden aangemerkt als fabrikant van de op de voet van deze regels ingeslagen goederen; v.a. 1966 van de in de regels omschreven goederen.
10. betreffende de bevoegdheden van de inspecteur belast met de heffing van de omzetbelasting.
11. inzake het bepalen dat het in dit art. genoemde tarief van de omzetbelasting voor levering van goederen door fabrikanten aan particulieren ook van toepassing is als de goederen op andere wijze worden besteld dan schriftelijk en onder vermelding dat de goederen voor particulier gebruik zijn.
12. inzake het aanwijzen van ondernemers waarvoor bepaald kan worden dat de belasting verschuldigd wordt op het tijdstip waarop, ter zake van verrichting van levering van goederen de voldoening van tegenwaarde en ter zake van levering van diensten, de voldoening van de vergoeding heeft plaats gehad.
Periode: 1954-1968: DGFZ/WD+V, WDV
Grondslag: Wet Omzetbelasting 1954,
1. art. 7.3,
2. art. 20.1.2; vervallen bij wijz. wet 23-12-1965 Stb. 661,
3. art. 20.3; gewijzigd bij wet 23-12-1965 Stb. 661 in: art. 28a,
4. art. 20.4; vervallen bij wijz. wet 23-12-1965 Stb. 661,
5. art. 24 no. 10,
6. art. 24 no. 36 onder B,
7. art. 24 no. 39,
8. art. 31.1; vervallen wijz. wet 25-6-1964 Stb. 207,
9. art. 32.2 onder b, (en art. 40.2 onder B Uitvoeringsbesluit)
10. art. 49,
Uitvoeringsbesluit Omzetbelasting 1954,
11. art. 3,
12. art. 5.2; v.a. wijz. Besluit 24-3-1966 Stb. 105: art. 5a,
Waardering: B, 4
Nummer: 677
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van AMVB's:
1. welke, indien zulks niet tot verstoring van de concurrentieverhouding kan leiden t.a.v. takken van bedrijf waarin fabrikanten goederen leveren zowel aan ondernemers als aan particulieren, waarin een (afwijkend) percentage van heffing voor leveringen wordt vastgesteld.
2. houdende voorwaarden en regels m.b.t. de vrijstelling van omzetbelasting.
3. houdende vaststelling van het maximum jaarbedrag, voor leveringen en diensten verricht door kunstenaars, schrijvers, personen belast met het geven van onderricht of die een tak van sport als beroep bedrijven, waarboven geen vrijstelling van omzetbelasting genoten kan worden.
4. houdende aanwijzing, in gevallen waarin t.o.v. van ondernemers die wel winst beogen geen ernstige verstoring van de concurrentieverhoudingen optreedt of van leveringen en diensten van sociale en culturele aard verricht door ondernemers die geen winst beogen en die in aanmerking komen indien de voorwaarden en regels in acht worden genomen, voor het in aanmerking komen van vrijstelling van omzetbelasting.
5. houdende aanvulling van de bij de wet behorende tabel V van leveringen door handelaren van goederen die, indien de voorwaarden en regels in aanmerking worden genomen, voor vrijstelling van omzetbelasting in aanmerking komen.
6. houdende aanwijzing van door handelaren geleverde goederen die, voor zover de levering onmiddellijk volgende op de invoer van die goederen wordt verricht in een zeehavenplaats of de eerste levering hier te lande buiten een zeehavenplaats plaats vindt, voor vrijstelling van omzetbelasting in aanmerking komen indien de voorwaarden en regels in acht worden genomen.
7. houdende aanwijzing van gevallen van levering van goederen, waarin voor die goederen bij invoer heffing van omzetbelasting achterwege blijft, die in aanmerking komen voor vrijstelling van omzetbelasting indien de voorwaarden en regels in acht worden genomen.
8. houdende aanwijzing van diensten van vervoersondernemingen t.b.v. diensten in het post- telefoon- en telegraafverkeer die, indien de voorwaarden en regels in acht worden genomen, worden vrijgesteld van omzetbelasting.
9. houdende aanwijzing van het onderwijs dat, indien de voorwaarden en regels in acht worden genomen, voor vrijstelling van omzetbelasting in aanmerking komt.
10. houdende aanwijzing van gebieden van zeehavenplaatsen waar goederen mogen worden opgeslagen, waarvoor, indien de voorwaarden en regels in acht genomen worden, vrijstelling van omzetbelasting van toepassing kan zijn.
11. houdende aanwijzing van havens en haveninrichtingen waar goederen opgeslagen mogen worden waarvoor, indien de voorwaarden en regels in acht genomen worden, vrijstelling van omzetbelasting van toepassing kan zijn.
12. houdende aanwijzing van, in opdracht en voor rekening van een buitenlander, verrichte behandeling van goederen welke geen aardverandering met zich meebrengen en indien de goederen na de behandeling door degene die de dienst heeft verricht rechtstreeks worden uitgevoerd, die voor vrijstelling van omzetbelasting in aanmerking komen mits de voorwaarden en regels in acht genomen worden.
13. houdende voorwaarden en regels die in acht genomen dienen te worden om in aanmerking te komen voor de vrijstelling van omzetbelasting bij invoer.
14. houdende aanwijzing van grondstoffen waarvoor, indien de voorwaarden en regels in acht genomen worden, vrijstelling van omzetbelasting bij invoer van toepassing is.
15. houdende regels nopens het bedrag van teruggaaf van omzetbelasting (o.a. aan ondernemers die goederen in ongebruikte staat uitvoeren of opslaan in een entrepot).
16. houdende voorschriften m.b.t. de uitvoering van het artikel (de heffing van omzetbelasting van tabaksproducten).
17. houdende voorschriften, nodig tot aanvulling, en (1954-1965) ter uitvoering, van de wet.
18. houdende, van de wet afwijkende, voorschriften ter vergemakkelijking van de heffing of de controle op de heffing van omzetbelasting.
Periode: 1954-1968: DGFZ/WV+D, WDV
Grondslag: Wet Omzetbelasting 1954,
1. art. 13.4,
2. art. 23, 24,
3. art. 23 no. 2,
4. art. 23 no. 5,
5. art. 24 no. 2,
6. art. 24 no. 6,
7. art. 24 no. 9,
8. art. 24 no. 17,
9. art. 24 no. 23 onder b,
10. art. 24 no. 28,
11. art. 24 no. 28,
12. art. 24 no. 29,
13. art. 25.1,
14. art. 25.1 letter b,
15. art. 26.2,
16. art. 31.2,
17. art. 32.1 onder a,
18. art. 32.1 onder b,
Waardering: B, 4
Nummer: 679
Handeling: Het afwijzen of toewijzen van verzoeken om t.a.v. een bedrijf van een fabrikant dat daarin een fabrieksafdeling en een handelsafdeling zullen worden onderscheiden.
Periode: 1954-1968: DGBel./VB
Grondslag: Wet Omzetbelasting 1954, art. 29,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 680
Handeling: Het wel/niet tegemoetkomen voor gevallen of groepen van gevallen aan onbillijkheden van overwegende aard welke zich bij de toepassing van de wet voordoen.
Periode: 1954-1968: DGBel./VB
Grondslag: Wet Omzetbelasting 1954, art. 32.2 onder a,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling/vervallen
Nummer: 681
Handeling: Het afwijzen of toewijzen van verzoeken van handelaren om aangewezen te worden als fabrikant van ingeslagen goederen.
Periode: 1954-1968: Adm. Rijksbel./VB
Grondslag: Wet Omzetbelasting 1954, art. 32.2 onder b,
Waardering: V, termijn: 10 jaar
Nummer: 683
Handeling: Het wel/niet toelaten tot transactie van verdachten van overtreding van de in deze wet gestelde bepalingen.
Periode: 1948-1965:DGBel./VB
Grondslag: Wet Omzetbelasting 1954, art. 48.2; vervallen bij wijz. wet 23-12-1965 Stb. 665,
Wet van 28-12-1956, Stb.646, houdende vrijstelling van omzetbelasting voor textielproducten en verhoging van enkele belastingen, art. XX.3,
NB
v.a. 1965 is voor dit handelen de AWR van kracht geworden. zie Pivot-rapportage `Belastingver(h)effend'
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 684
Handeling: Het vaststellen, wijzigen en intrekken van bepalingen welke de overgang regelen van de belasting ingevolge het Besluit op de Omzetbelasting 1940 naar de bepalingen ingevolge deze wet.
Periode: 1954-...: DGFZ/WV+D
Grondslag: Wet Omzetbelasting 1954, art. 50,
Waardering: B, 4
Nummer: 685
Handeling: Het aanwijzen van fabrikanten waarvoor nadere voorschriften gelden i.v.m. de vrijstelling van omzetbelasting op de levering van goederen door een fabrikant aan degene die als fabrikant van die goederen kan worden aangemerkt.
Periode: 1954-1968: DGBel./VB
Grondslag: Uitvoeringsbesluit Omzetbelasting 1954, art. 13.3,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 686
Handeling: Het vaststellen, wijzigen en intrekken van een opdrachtsformulier waarin de opdrachtgever verklaart dat hij fabrikant is van de geleverde goederen die o.g.v. art. 24 onder 3 worden vrijgesteld van omzetbelasting.
Periode: 1954-1968: DGFZ/WV+D, WDV
Grondslag: Uitvoeringsbesluit Omzetbelasting 1954, art. 13.3,
Waardering: B, 4
Nummer: 687
Handeling: Het bepalen dat vrijstelling van omzetbelasting voor de levering van goederen door een handelaar aan een particulier ook mag plaatsvinden als de goederen niet schriftelijk besteld worden onder vermelding dat ze voor particulier gebruik zijn.
Periode: 1954-1968: DGBel./VB
Grondslag: Uitvoeringsbesluit Omzetbelasting 1954, art. 15.2,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 688
Handeling: Het aanwijzen van organisaties (zonder winstoogmerk) die films e.d. gebruiken van opvoedkundige, wetenschappelijke of culturele aard en van organisaties en instellingen die voorwerpen laten vervaardigen voor opvoeding en wederinschakeling van blinden waarvoor bij invoer de heffing van omzetbelasting achterwege blijft.
Periode: 1955-1968: DGBel./VB
Grondslag: Uitvoeringsbesluit Omzetbelasting 1954, v.a. wijz. 20-7-1955 Stb. 319,
1. art. 22 onder 7,
2. art. 22 onder 8,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 689
Handeling: Het aanwijzen van gevallen waarin vrijstelling van omzetbelasting van toepassing is, indien in opdracht en voor rekening van een buitenlander de verrichte behandeling van goederen welke geen aardverandering met zich brengt en indien die goederen na die behandeling door degene die de dienst heeft verricht, worden uitgevoerd.
Periode: 1954-1968: DGBel./VB
Grondslag: Uitvoeringsbesluit Omzetbelasting 1954, art. 32,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 690
Handeling: Het opstellen van ministeriële regelingen betreffende:
1. het opstellen, wijzigen en intrekken van een lijst van goederen waarvoor de aan fabrikanten te verlenen teruggaaf van omzetbelasting een in de lijst vermeld percentage van de verkoopprijs van uitgevoerde goederen bedraagt.
2. het opstellen, wijzigen en intrekken van een lijst van grondstoffen en hulpstoffen, gebruikt voor de voortbrenging van uitgevoerde goederen, waarvoor de aan fabrikanten te verlenen teruggaaf van omzetbelasting wordt vermeerderd met een in de lijst vermeld percentage bij levering van goederen aan particulieren.
3. het opstellen, wijzigen en intrekken van een lijst van goederen, waarvoor de aan handelaren te verlenen teruggaaf van omzetbelasting vermeerderd wordt met een in de lijst vermeld percentage bij levering van goederen door fabrikanten aan particulieren.
Periode: 1958-...: DGFZ/WV+D, WDV
Grondslag: Uitvoeringsbesluit Omzetbelasting 1954,
1. art. 41.1, v.a. wijz. 29-4-1958, Stb. 231,
2. art. 41.3 onder c, v.a. wijz. 29-4-1958 Stb. 231,
3. art. 42.2 onder c, v.a. wijz. 29-4-1958 Stb. 231,
Waardering: B, 4
Nummer: 691
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van afwijkende regels m.b.t. de teruggaaf van omzetbelasting voor gevallen waarin het bedrag aan omzetbelasting hetwelk bij de voortbrenging van goederen in bepaalde takken van bedrijf verbruikte grondstoffen/hulpstoffen dat is geheven hoger is dan dat bij uitvoer wordt teruggeven.
Periode: 1954-1968: DGFZ/WV+D, WDV
Grondslag: Uitvoeringsbesluit Omzetbelasting 1954, art. 43,
Waardering: B, 4
Nummer: 692
Handeling: Het wel/niet verlenen van machtigingen m.b.t. het achterwege laten van de heffing of teruggave van omzetbelasting in gevallen die ingevolge de wet vrijgesteld zijn.
Periode: 1966-1968: DGBel./VB
Grondslag: Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1954, v.a. wijz. 24-3-1966 Stb. 105, art. 44b.2,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 693
Handeling: Het wel/niet verlenen van een hogere teruggaaf van omzetbelasting in gevallen waarin het bedrag aan omzetbelasting, geheven van grondstoffen/hulpstoffen gebruikt bij de voortbrenging van goederen in bepaalde takken van bedrijf of door bepaalde ondernemers, belangrijk hoger is dan het bedrag aan omzetbelasting dat bij uitvoer teruggeven wordt.
Periode: 1958-...: DGBel./VB
Grondslag: Uitvoeringsbesluit Omzetbelasting 1954, v.a. wijz. 29-4-1958 Stb. 231, art. 44c,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 694
Handeling: Het machtigen van de inspecteur om in bepaalde (afwijkende) gevallen vrijstelling van omzetbelasting te verlenen voor voordrachten en dergelijke werkzaamheden tegen vergoeding die hoofdzakelijk dienen ter dekking van de kosten.
Periode: 1954-1968: DGBel./VB
Grondslag: Uitvoeringsbeschikking Omzetbelasting 1954, art. 9.2,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 696
Handeling: Het geven, wijzigen en intrekken van voorschriften ter uitvoering van deze wet.
Periode: 1955-...: DGFZ/WV+D, WDV
Grondslag: 1. Wet van 15-8-1955, Stb. 368, tot wijziging van de Wet omzetbelasting 1954, art. II,
2. Wet van 15-8-1955, Stb. 372, houdende wijziging van de bij de Wet omzetbelasting behorende tabellen, art. III,
3. Wet van 28-12-1956, Stb.646, houdende vrijstelling van omzetbelasting voor textielproducten en verhoging van enkele belastingen, art. XVIII,
4. Wet van 31 juli 1957, Stb. 283, houdende tijdelijke wijziging van de omzetbelasting, art. 2,
Wet van 6 februari 1958, Stb. 52, tot tijdelijke verhoging van omzetbelasting van enige goederen, art. II,
5. Wet van 28 december 1960, Stb. 570, houdende voorzieningen m.b.t. de tijdelijke maatregelen op het gebied van de indirecte belastingen, art. VI,
6. Wet van 27 juni 1962, Stb. 225, houdende wijziging van de Wet omzetbelasting 1954, art. II,
7. Wet van 23 december 1965, Stb. 614, tot verhoging van de omzetbelasting bij invoer voor enige goederen, art. II.
8. Wet van 29 december 1966, Stb. 592, tot verhoging van de omzetbelasting (heffing opcenten), art. II, vervallen bij Wet omzetbelasting 1968 Stb. 329,
Waardering: B, 4
Nummer: 697
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van een KB:
1. betreffende het bij teruggaaf wegens uitvoer in aanmerking nemen van reeds voor de gebruikte bedrijfsmiddelen betaalde belasting bij de voortbrenging van goederen en het vaststellen van heffing van omzetbelasting voor de invoer van goederen i.v.m. vermindering van de druk tussen de omzetbelasting op ingevoerde en nationale goederen.
2. betreffende verhoging van de omzetbelasting bij invoer van grond- en hulpstoffen die gebruikt worden bij de voortbrenging van goederen hier te lande alsmede het vaststellen van een heffing indien de invoer van die goederen is vrijgesteld i.v.m. de belasting op grondstoffen e.e.a. ter vermindering van het verschil in druk tussen de omzetbelasting op ingevoerde goederen en nationale goederen.
Periode: 1967-...: DGFZ/WDV
Grondslag: Wet van 13 december 1967, Stb. 614, houdende voorzieningen op het gebied van de teruggaaf van omzetbelasting bij uitvoer en de heffing van omzetbelasting bij invoer,
1. art. 1.1.2,
2. art. 1.3,
Waardering: B, 4
Nummer: 698
Handeling: Het vaststellen welke banden (voor motorrijtuigen, motorrijwielen e.d.) de vereiste geschiktheid bezitten.
Periode: 1957-...: DGFZ/WV+D, WDV
Grondslag: 1. Bijzondere bepaling 2 op post 2 van de bij de Wet omzetbelasting 1954 behorende tabel IIa, v.a. wijz. wet 31-7-1957 Stb. 283, vervallen? 1960?
2. Bijz. bepaling bij post 22 van de bij de Wet omzetbelasting 1954 Tabel III; ingevoegd als post 22a bij wijz. wet 28-12-1960 Stb. 570,
Waardering: B, 4
Nummer: 699
Handeling: Het vaststellen van gevallen waarin een redelijkerwijze niet noodzakelijke verpakking aanwezig is.
Periode: 1954-1968: DG...
Grondslag: Tabel III behorende bij de Wet omzetbelasting 1954, onder 64 bij bijz. bepaling.
Waardering: B, 4
Nummer: 701
Handeling: Het stellen, wijzigen en intrekken van (nadere) regels/ (v.a. 1992) min. regelingen:
Toelichting: m.i.v. 1993 zijn de zinsneden ` bij door de minister te stellen regelen...' e.d. vervangen door: `bij ministeriële regeling te stellen regels....'.
1. houdende het stellen, wijzigen en intrekken van voorwaarden (v.a. 1993: bij min. regeling) i.v.m. bij de inspecteur in te dienen verzoeken m.b.t. het buiten aanmerking laten van de bepaling dat goederen, verhandeld over een veiling, worden geacht aan en door de houder van de veiling te zijn geleverd. (ABC-contracten)
2. betreffende het bepalen (v.a. 1993 `bij min. regeling') dat publiekrechtelijke lichamen die prestaties verrichten, welke ook door ondernemers verricht kunnen worden, als ondernemer worden aangemerkt voor de heffing van omzetbelasting, bijz. verbruiksbelasting op personenauto's (1969-1992) en (v.a.1982-1992) bijz. verbruiksbelasting van motorrijwielen.
3. betreffende het stellen, wijzigen en intrekken van voorwaarden (m.i.v. 1993 `bij min. regeling') waaronder in geval van levering van een roerend goed of (v.a. 1991:) roerende zaak tegen inruil van een goed van dezelfde soort de waarde van het ingeruilde goed niet in de waarde van de vergoeding is begrepen waarover de omzetbelasting wordt geheven.
4. houdende het stellen, wijzigen en intrekken van voorwaarden waaraan verhuurders van onroerend goed als bedrijfsmiddel aan ondernemers moeten voldoen wanneer deze bij de inspecteur een verzoek om vrijstelling van omzetbelasting indienen.
5. betreffende het aanwijzen van gevallen (m.i.v. 1993 `bij min. regeling) waarvoor voor voordrachten e.d., tegen vergoedingen ter dekking van de kosten en indien wordt voldaan aan de bij AMVB gestelde voorwaarden, vrijstelling van omzetbelasting wordt verleend.
6. houdende het stellen, wijzigen en intrekken van voorwaarden (m.i.v. 1993 `bij min. regeling') waaraan de ondernemer dient te voldoen om de belasting die hem in rekening is gebracht bij de invoer van goederen, diensten en (m.i.v. 1993) bij intracommunautaire verwervingen in aftrek te mogen brengen voor de heffing van omzetbelasting.
7. omtrent de aftrek van belasting, ingeval goederen en diensten door de ondernemer mede worden gebezigd anders dan in het kader van zijn onderneming of t.b.v. prestaties als bedoeld in art. 11. ( m.i.v. 1993 `bij min. regeling')
8. houdende het opstellen, wijzigen en intrekken van voorwaarden (m.i.v. 1993 :' bij min. regeling') m.b.t. het aanwijzen van ondernemers en lichamen (als bedoeld in de AWR) andere dan ondernemers waarvan bij de invoer van goederen t.b.v. henzelf de omzetbelasting, de bijzondere verbruiksbelasting op personenauto's (1969-1992) en (v.a. 1982-1992) de bijzondere verbruiksbelasting van motorrijwielen wordt geheven.
9. inzake de toerekening van de vermindering van de verschuldigde belasting in gevallen waarin de ondernemer, na toepassing van art. 15 (het in aftrek brengen van belasting), in een kalenderjaar niet minder of meer verschuldigd is dan het in dit art. genoemde bedrag.
10. volgens welke een ondernemer, die o.g.v. lid 1 van dit art. (vermindering van belasting ingeval de in aftrek gebrachte belasting niet hoger of lager is dan een bepaald bedrag) geen belasting hoeft te voldoen, op verzoek kan worden ontheven van de verplichtingen krachtens art. 34 en 35 (het houden van aantekening van en het uitreiken van facturen voor geleverde goederen) van de wet.
11. volgens welke de aangewezen ondernemers, die niet aan ondernemers leveren of diensten bewijzen, op het tijdstip waarop de vergoeding wordt voldaan omzetbelasting verschuldigd zijn die berekend wordt over de vergoeding.
12. betreffende de a) vrijstelling onder in de wet genoemde voorwaarden van de heffing, b) het in aftrek brengen van in rekening gebrachte bedragen, c) verzoeken om ontheffing van de vrijstelling en het in aftrek brengen van in rekening gebrachte bedragen, m.b.t. de omzetbelasting van leveringen van goederen, diensten en bedrijfsmiddelen van landbouwers, veehouders, tuinbouwers en bosbouwers. (zgn. landbouwregeling)
13. houdende het stellen, wijzigen en intrekken van voorwaarden (m.i.v. 1993: `bij min. regeling') waaronder, bij overdracht van een onderneming aan degene die de onderneming voortzet, ter zake van leveringen en diensten geen omzetbelasting verschuldigd is.
14. houdende het vaststellen, wijzigen en intrekken (m.i.v. 1993: `bij min. regeling') van het formulier van aangifte van de omzetbelasting en de bijzondere verbruiksbelasting op personenauto's waarbij een verzoek om teruggaaf kan worden gedaan.
15. welke de ondernemer in acht moet nemen bij het houden van aantekening van door hem en aan hem verrichte leveringen van goederen en verrichte diensten, van de invoer en uitvoer van goederen (m.i.v. 1993) in en uit de EG en (m.i.v. 1993) van door hem verrichtte intracommunautaire verwervingen. (verplichting tot boekhouding).
16. betreffende het voor bepaalde (groepen van) ondernemers verlenen van ontheffing van de administratieve verplichtingen (het uitreiken en bewaren van facturen, bewaren van de btw-identificatienummers van degenen aan wie de levering wordt verricht, bewaren van gegevens die aantonen dat een vervoermiddel nieuw is) die zij hebben bij het verrichten van leveringen en diensten.
17. betreffende de teruggaaf van de bijzondere verbruiksbelasting van personenauto's a) die bestemd zijn voor vervoer van personen tegen betaling (1972-1987) b) die bestemd zijn voor openbaar vervoer of taxivervoer (1988-...).
18. betreffende het stellen wijzigen en intrekken van voorwaarden (m.i.v. 1993 `bij min. regeling') waaraan, voor leveringen anders dan van onroerende goederen of (v.a. 1991:) onroerende zaken en van rechten waaraan deze zijn onderworpen en mits de ondernemer die de levering verricht gezamenlijk met degene aan wie wordt geleverd een verzoek bij de inspecteur hebben gedaan, moeten voldoen om voor de vrijstelling van omzetbelasting in aanmerking te komen.
19. houdende het opstellen, wijzigen en intrekken van voorwaarden (m.i.v. 1993 `bij min. regeling') waaraan, voor de verhuur van onroerende goederen of (v.a. 1991) onroerende zaken anders dan gebouwen en gedeelten daarvan welke als woning worden gebruikt en mits de verhuurder en de huurder een gezamenlijk verzoek aan de inspecteur hebben gedaan, moet worden voldaan om voor vrijstelling van omzetbelasting in aanmerking te komen.
20. omtrent de wijze waarop een ondernemer, die niet binnen het Rijk/ (v.a. 1991:) in Nederland woont of is gevestigd en aldaar geen vaste inrichting heeft, moet aantonen ondernemer te zijn in de zin van art. 7 van deze wet i.v.m. het doen van verzoeken om teruggaaf van omzetbelasting, de bijzondere verbruiksbelasting op personenauto's en (v.a. 1982) de bijzondere verbruiksbelasting van motorrijwielen.
21. betreffende het wijzigen/vervangen (m.i.v. 1993:'bij min. regeling') van de bedragen 1) waar beneden geen teruggaaf (op verzoek) van omzetbelasting wordt gedaan aan niet binnen het Rijk gevestigde ondernemers in gevallen waarin de aftrek meer bedraagt dan de verschuldigde belasting, 2) waarboven verzoeken om teruggaaf gedaan kunnen worden door niet in het Rijk gevestigde ondernemers.
22. betreffende het bepalen van de wijze en te stellen voorwaarden en beperkingen (m.i.v. 1993; `bij min. regeling') m.b.t. het wel/niet verlenen van ontheffing van de omzetbelasting verschuldigd ter zake van de levering van goederen t.b.v. natuurlijke personen die anders dan als ondernemer goederen uitvoeren.
23. m.b.t. de indiening en behandeling van verzoeken van ondernemers en rechtspersonen ontheffing te verlenen van de omzetbelasting a) voor levering van goederen binnen het Rijk, b) bij de invoer van goederen en c) intracommunautaire verwerving van goederen in Nederland.
24. omtrent de wijze waarop, i.v.m. de heffing van omzetbelasting, moet worden aangetoond of een vervoermiddel als nieuw aangemerkt dient te worden.
25. houdende het bedrag waarboven bij levering van goederen die worden vervoerd vanuit een andere EG-Lid-Staat dan die van aankomst van de goederen de omzet belasting niet geheven wordt op de plaats van aankomst van dat vervoer.
26. betreffende i.v.m. het indienen en behandelen van verzoeken m.b.t. het niet toepassen van de bepaling (lid 4) dat boven een bij min. regeling vastgesteld bedrag de heffing van omzetbelasting, voor goederen die worden vervoerd vanuit een andere EG-Lid-Staat dan die van aankomst van de goederen, niet geheven wordt op de plaats van aankomst van dat vervoer.
27. houdende voorwaarden en beperkingen m.b.t. het verlenen van vrijstelling van omzetbelasting bij intracommunautaire verwervingen van goederen waarvoor a) de levering in het binnenland in elk geval is vrijgesteld, b) bij invoer in elk geval van toepassing zou zijn, c) in elk geval recht zou bestaan op teruggaaf van omzetbelasting.
28. houdende regels welke de ondernemer in acht moet houden bij het bijhouden van een register van: a) goederen die door of voor hem of voor zijn rekening naar een ander Lid-Staat zijn vervoerd en gebruikt worden voor doeleinden genoemd in art. 3a.2 d-g, b) de goederen die hem uit een andere Lid-Staat door of voor rekening van een aldaar gevestigde ondernemer zijn toegezonden met het oog op een levering van een door die ondernemer vervaardigde onroerende zaak. (boekhoudverplichting)
29. houdende regels volgens welke rechtspersonen, andere dan ondernemers, gehouden zijn aantekening te houden van de door hem verrichte intracommunautaire verwerving van goederen.
30. houdende vaststelling van het formulier van de lijst die ondernemers dienen bij te houden vermeldende a) de afnemers aan wie goederen zijn geleverd behorende onder Tabel II letter a post 6, b) ondernemers in een andere EG-Lid-Staat waarnaar goederen zijn vervoerd die door de ondernemer zijn vervaardigd (art. 3.1 onder c), c)gegevens van belang voor de heffing van de omzetbelasting m.b.t. intracommunautaire verwervingen van goederen in andere Lid-Staten.
31. betreffende het aanwijzen (m.i.v. 1993: 'bij min. regeling') van groepen van antiquiteiten die, mits ouder dan honderd jaar en niet als massaproduct aan te merken, behoren onder letter a, Tabel I, post 29 letter d.
32. houdende het stellen, wijzigen en intrekken van voorwaarden t.a.v. de verpakking van goederen die voor de heffing van omzetbelasting ingedeeld worden in Tabel I, letter a, post 39.
33. betreffende het stellen, wijzigen en intrekken van regels (m.i.v. 1993: `bij min. regeling') inzake de toepassing van de post Tabel 1, letter a, no. 32 betr. gas en minerale oliën voor het telen van tuinbouwproducten.
34. betreffende het aanwijzen van gevallen (m.i.v. 1993: 'bij min. regeling') als reizigersbagage of als zending waaraan handelskarakter vreemd is die niet tot de post in deze tabel horen.
35. houdende aanwijzing van (soorten) goederen die mogen worden gebracht naar of zich kunnen bevinden in een ander entrepot dan een douane-entrepot.
36. betreffende het aanwijzen (m.i.v. 1993: 'bij min. regeling') van met doorlopende posten gelijk te stellen bedragen betreffende niet belastbare of vrijgestelde prestaties welke niet tot de vergoeding (het totale bedrag dat m.u.v. de omzetbelasting in rekening wordt gebracht bij leveringen) behoren.
37. betreffende het aanwijzen van organisaties en instellingen waarvoor voor de levering van goederen en diensten teruggaaf van belasting wordt verleend.
38. betreffende het aanwijzen van verbandmiddelen (merkartikelen) welke als geneesmiddelen, als bedoeld in letter a post 33 van de bij de wet behorende Wet Tabel I, worden aangemerkt.
39. betreffende het geven, wijzigen en intrekken van nadere voorschriften (m.i.v. 1993: 'bij min. regeling') m.b.t. de wijze waarop de aanspraak op toepassing van het tarief van nihil wordt aangetoond.
40. betreffende het opstellen, wijzigen en intrekken van voorwaarden (m.i.v. 1993: 'bij min. regeling') , waaraan lichamen in de zin van de AWR anders dan ondernemers moeten voldoen, om voor teruggaaf van omzetbelasting, de (v.a. 1982) bijz. verbruiksbelasting van motorrijwielen en (v.a. 1982) de bijzondere verbruiksbelasting van personenauto's in aanmerking te komen.
41. betreffende het vaststellen (m.i.v. 1993: `bij min. regeling') van percentages van de kostenvergoeding die de werkgever bij de omzetbelasting in aftrek mag brengen (voor zover niet behorend tot de loonbelasting) in gevallen waarin een werknemer zijn/haar auto gebruikt voor de onderneming van zijn werkgever.
42. m.b.t. de toepassing van de vrijstelling van omzetbelasting voor de in dit artikel aangewezen instellingen, verenigingen e.d. die diensten verlenen aan hun leden of zelfstandige groeperingen.
43. m.b.t. het heffen van omzetbelasting, van aannemers en onderaannemers van arbeid, in gevallen waarin buiten dienstbetrekking arbeid van stoffelijke aard tegen betaling wordt verricht en in gevallen waarin arbeid wordt verricht door uitgeleend personeel. (zgn. verleggingsregeling)
Periode: 1969-...: DGFZ/WV en andere directies van het DGFZ
Grondslag: Wet Omzetbelasting 1968,
1. art. 3.4,
2. art. 7.3, (50.10; gewijzigd in 50.15 m.i.v. 1988, 50a.4: 1969-1992; art. 50 en 50a zijn vervallen en afzonderlijk geregeld bij wet van 24-12-1992 Stb. 709)
3. art. 8.3,
4. art. 11 letter/onderdeel b, 3e; vervallen v.a. wijz. wet 28-12-1977 Stb. 677,
5. art. 11 letter/onderdeel p; gewijzigd bij wijz. wet 28-12-1977 Stb. 677 in: art. 11.1 letter/onderdeel p,
6. art. 15.1 letter/onderdeel b 1e; gewijzigd bij wijz. wet 24-12-1992 Stb. 713 in: art. 15.1 letter/onderdeel c 1e,
7. art. 15.3; gewijzigd bij wijz. wet 24-12-1970 Stb. 606 in: art. 15.4; gewijzigd bij wijz. wet 28-12-1977 Stb. 677 in: art. 15.5; gewijzigd bij wijz. wet 24-12-1993 Stb. 713 in: art. 15.6,
8. art. 23.1, (50.10; m.i.v. 1-1-1988 gewijzigd in: 50.15, 50a.4; art. 50 en 50a zijn vervallen bij wet 24-12-1992 en hierbij in een nieuwe wet geregeld)
9. art. 25.2,
10. art. 25.3,
11. art. 26,
12. art. 27.5; v.a. wijz. wet 28-12-1977 Stb. 677: art. 27.7; gewijzigd bij wijz.wet 24-12-1992 Stb. 713 in: art. 27.9,
13. art. 31,
14. art. 33.2,
15. art. 34; vervangen bij wijz. wet 24-12-1992 Stb. 713 door: art. 34.1,
16. art. 35.5,
17. art. 50.7a v.a. wijz. wet 29-11-1972 Stb. 690; gewijzigd bij wijz. wet 18-12-1987 Stb. 580 in: art. 50.12; vervallen bij wijz. wet 24-12-1992 Stb. 709 en geregeld bij afzonderlijke wet),
18. art. 11.1 letter/onderdeel a 2e, v.a. wijz. wet 28-12-1977 Stb. 677,
19. art. 11.1 letter/onderdeel b, 5e, v.a. wijz. wet 28-12-1978 Stb. 677,
20. art. 33.6 v.a. wijz. wet 19-11-1980 Stb. 610, (50.10 m.i.v. 1-1-1988 gewijzigd in 50.15, 50a.4; art. 50 en 50a zijn vervallen bij wijz. wet 24-12-1992 Stb. 709 en geregeld bij afzonderlijke wet),
21. art. 33.5 v.a. wijz. wet 30-9-1986 Stb. 479,
22. art. 24.2 v.a. wijz. wet 21-12-1988 Stb. 616,
23. art. 1a.3 v.a. wijz. wet 24-12-1992 Stb. 713,
24. art. 2a.2 v.a. wijz. wet 24-12-1992 Stb. 713,
25. art. 5a.4 v.a. wijz. wet 24-12-1992 Stb. 713,
26. art. 5a.5 v.a. wijz. wet 24-12-1992 Stb. 713,
27. art. 17e v.a. wijz. wet 24-12-1992 Stb. 713,
28. art. 34.2 v.a. wijz. wet 24-12-1992 Stb. 713,
29. art. 34.3 v.a. wijz. wet 24-12-1992 Stb. 713,
30. art. 37a.3 v.a. wijz. wet 24-12-1992 Stb. 713,
31. Bij de Wet behorende Tabel I, letter a, post 29 onder letter d,
32. Bij de Wet behorende Tabel I, letter a, post 39; vervallen 1989,
33. Bij de Wet behorende Tabel I, letter A, post 32 v.a. Wet van 21 december 1977, Stb. 703, tot verhoging van tabaksfabrikaten, alsmede verhoging van de omzetbelasting op een aantal energiedragers,
34. Bij de Wet behorende Tabel II, letter a, post 2 onder bijzondere bepaling,
35. Bij de Wet behorende Tabel II, letter a, post 8 v.a. wijz. wet 24-12-1992 Stb. 713,
Uitvoeringsbesluit Omzetbelasting 1968,
36. art. 4 onder c,
37. art. 10.1 (letters c en d; gewijzigd 1979 in a en c; later a en d); vervallen bij wijz. Besluit 1988 Stb. 285,
38. art. 11.2; vervallen bij wijz. Besluit 21-12-1988 Stb. 617,
39. art. 12.3; gewijzigd bij wijz. Besluit 24-12-1992 Stb. 714 in: art. 12.5,
40. art. 13,
41. art. 23,
42. art. 9.3 v.a. wijz. 28-12-1978, Stb. 684; vervallen 1988,
43. art. 24b.10 v.a. wijz. 19-6-1982 Stb. 357; gewijzigd bij wijz. Besluit 21-12-1988 Stb. 617 in: art. 24b.8, art. 24ba.2 v.a. wijz. 21-12-1988 Stb. 617,
Waardering: B, 4
Nummer: 702
Handeling: Het aanwijzen, v.a. 1993: bij min. regeling, van verrichtingen door ondernemers binnen hun bedrijf, in gevallen waarin die verrichtingen door andere ondernemers zouden worden gedaan, alsmede aanwijzing van verrichtingen door niet aannemers waarvoor, ter voorkoming van verstoring van de concurrentieverhoudingen, de omzetbelasting niet (geheel) in aftrek gebracht kan worden. (interne prestaties aanwijzen als diensten*)
Periode: 1969-...: DGFZ/WDV, WV
Grondslag: Wet Omzetbelasting 1968, art. 4.2, 4.3 tot wijz. wet 28-12-1977 Stb. 677,
Waardering: B, 4
Nummer: 703
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van voorwaarden, m.i.v. 1993 `bij min. regeling', m.b.t. het toestaan dat lichamen (in de zin van de AWR), die anders dan als ondernemer prestaties verrichten t.b.v. ondernemers die de omzetbelasting, de bijzondere verbruiksbelasting op personenauto's (1969-1992) en (v.a. 1982-1992) de bijzonder verbruiksbelasting van motorrijwielen krachtens deze wet in aftrek zouden kunnen brengen, als ondernemer worden aangemerkt.
Periode: 1969-...: DGFZ/WDV, WV
Grondslag: Wet Omzetbelasting 1968, art. 7.5, (50.10; gewijzigd in 50.15 m.i.v. 1988, 50a.4; art. 50 en 50a zijn vervallen bij wijz. wet 24-12-1992 Stb. 709 en geregeld bij afzonderlijke wet),
Waardering: B, 4
Nummer: 704
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van AMVB's:
1. houdende bepaling m.b.t. het niet/wel tot de vergoeding behoren waarover bij levering van goederen, diensten en (m.i.v. 1993) intracommunautaire verwervingen omzetbelasting geheven wordt bij: a) de korting voor contante betaling, kosten van verpakking, vracht- en assurantiekosten, uitschotten van belasting en andere met doorlopende posten gelijk te stellen bedragen; b) lasten m.b.t.: met grondrente bezwaarde eigendom, rechten van erfpacht, opstal, erfdienstbaarheid (v.a. 1991) of beklemming, appartementen, lidmaatschapsrechten e.d.; c) lasten die in vermindering gebracht worden van de vergoeding verbonden aan: eigendom, bezwaard met recht van erfpacht, opstal, erfdienstbaarheid (v.a. 1991) of beklemming. (aftrekposten*)
2. houdende voorwaarden waaraan levering van goederen, diensten en (m.i.v. 1993) intracommunautaire verwervingen, genoemd in de bij de wet behorende tabel II, moeten voldoen om voor het in dit artikel genoemde percentage omzetbelasting in aanmerking te worden genomen. (tarief*)
3. houdende aanwijzing van gevallen waarin tevens omzetbelasting verschuldigd is over de waarde van ter beschikking gestelde stoffen naar een percentage dat het verschil is met het percentage (indien hoger) dat verschuldigd is door degene die het goed ter vervaardiging van de stoffen levert of (m.i.v. 1993) intracommunautair verwerft.
4. houdende vaststelling van voorwaarden m.b.t. vrijstelling van omzetbelasting voor levering van goederen en diensten genoemd in dit artikel.
5. houdende aanwijzing van leveringen en diensten van sociale of culturele aard, mits de ondernemer geen winst beoogt en niet een verstoring van de concurrentieverhoudingen t.o.v. ondernemers die wel winst beogen, die onder de bij AMVB gestelde voorwaarden van omzetbelasting worden vrijgesteld.
6. houdende aanwijzing van diensten van vervoersondernemingen, t.b.v. het post-, telegraaf- en telefoonverkeer, die onder de bij AMVB gestelde voorwaarden van omzetbelasting worden vrijgesteld.
7. houdende aanwijzing, van verstrekkingen van onderwijs, die onder de bij AMVB gestelde voorwaarden van omzetbelasting worden vrijgesteld onder bepaling t.a.v. ondernemers dat de vrijstelling slechts toepassing vindt indien zij geen winst beogen (en tot 1977: of maken).
8. houdende voorwaarden waaronder de belasting, voor de invoer van goederen, behorende onder de bij de wet horende tabel II, letter a, post 3, op nihil gesteld wordt.
9. houdende het niet van toepassing verklaren van de regeling dat (op verzoek) teruggaaf wordt verleend van omzetbelasting voor bedragen die nog niet zijn betaald of ontvangen t.g.v. korting wegens contante betaling ter zake van leveringen en diensten waarvoor vergoedingen niet zijn ontvangen of de vergoeding is verminderd en van vergoedingen waarvoor vooraftrek heeft plaatsgevonden.
10. houdende aanwijzing van gevallen waarin, onder voorwaarden, heffing van omzetbelasting bij invoer van goederen achterwege blijft en ingeval van binnenlandse levering van de goederen een verzoek om teruggaaf kan worden ingediend.
11. houdende nadere, zo nodig van de wet afwijkende, regelen welke tot vergemakkelijking van de heffing van de omzetbelasting en (1969-1992) bijzondere verbruiksbelasting op personenauto's kunnen leiden.
12. houdende nadere, in het kader van de wet passende, regelen ter aanvulling van in de wet geregelde onderwerpen.
13. houdende nadere regels m.b.t. de vaststelling van het bedrag, verminderd met omzetbelasting, dat bij de verkoop van personenauto's aan niet-ondernemers in rekening wordt gebracht en waarover de bijzondere verbruiksbelasting voor personenauto's wordt berekend.
14. houdende voorwaarden, waaraan ondernemers moeten voldoen bij het uitvoeren van personenauto's, om voor het op nihil stellen van de bijzondere verbruiksbelasting voor personenauto's in aanmerking te komen.
15. houdende het buiten toepassing stellen van de vrijstelling van omzetbelasting voor gevallen waarin de levering, van goederen en diensten door werknemers- en werkgeversorganisaties alsmede door organisaties van politieke, godsdienstige, vaderlandslievende, levensbeschouwelijke of liefdadige aard aan hun leden tegen contributie plaatsvindt, zou leiden tot verstoring van de concurrentieverhoudingen.
16. houdende aanwijzing van diensten, door zelfstandige groeperingen van personen of lichamen (die prestaties verrichten waarvoor zij zijn vrijgesteld of geen ondernemer zijn) verleend aan hun leden en nodig zijn voor het doen van prestaties en zij van de leden slechts terugbetaling vorderen van hun aandeel in de gezamenlijke uitgaven, waarvoor vrijstelling van omzetbelasting van toepassing is mits geen verstoring van de concurrentieverhoudingen optreedt.
17. houdende nadere regels m.b.t. de inhoud van de mededeling die lichamen (in de zin van de AWR) of hun bestuurders moeten doen aan de ontvanger ingeval men niet tot betaling in staat is alsmede m.b.t. de aard en inhoud van de te verstrekken inlichtingen, de over te leggen stukken en de termijnen hiertoe.
18. houdende aanwijzing van gevallen en houdende regels m.b.t. het heffen van de omzetbelasting van degene aan wie de levering wordt verricht of de dienst wordt bewezen e.e.a. teneinde de inning van de belasting meer te waarborgen.
19. houdende bepaling in welke gevallen ondernemers, die niet in Nederland wonen of gevestigd zijn en aldaar geen vaste inrichting hebben, verplicht zijn een fiscaal vertegenwoordiger aan te stellen die voor de heffing van de belasting in zijn plaats treedt.
20. houdende regels m.b.t. de gegevens waaraan een verzoek voor een vergunning, om op te mogen treden als fiscaal vertegenwoordiger voor een ondernemer, moet voldoen.
21. houdende regels m.b.t. de voorwaarden waaronder een vergunning, om op te mogen treden als fiscaal vertegenwoordiger voor een ondernemer, wordt verleend, gewijzigd of ingetrokken.
NB m.i.v. 1993 zijn in de zinsneden `wordt door Ons bij AMVB...' en
` Wij kunnen bij AMVB.' de woorden `Ons' en `Wij' vervallen. `Ons' en `Wij' zouden kunnen impliceren dat de actor is: de Kroon of de Koningin. In praktijk bereidt de betreffende vakminister de AMVB voor.
Periode: 1969-...: DGFZ/WDV, WV
Grondslag: Wet Omzetbelasting 1968,
1. art. 8.6, art. 17c.2 v.a. wijz. wet 24-12-1992 Stb.713,
2. art. 9.2 letter/(v.a. 1993) onderdeel b, art. 17d v.a. wijz. wet 24-12-1992 Stb.713,
3. art. 10, art. 17d v.a. wijz. wet 24-12-1992 Stb.713,
4. art. 11 (aanhef); gewijzigd bij wijz. wet 28-12-1977 Stb. 677 in: art. 11.1,
5. art. 11 letter/ v.a. 1993: onderdeel f; gewijzigd bij wijz. wet 28-12-1977 Stb. 677 in: art. 11.1 letter/onderdeel f,
6. art. 11 letter/onderdeel m; vervallen bij wijz. Wet 28-12-1978 Stb. 677,
7. art. 11 letter/onderdeel o, 2e; gewijzigd bij wijz. wet 28-12-1977 Stb. 677 in: art. 11.1 letter/onderdeel o, 2e,
8. art. 20.2 letter b,
9. art. 29.3,
10. art. 30; vervallen bij wijz. wet 19-5-1988 Stb. 248,
11. art. 39 letter/onderdeel a,
12. art. 39 letter/onderdeel b,
13. art. 50.5; gewijzigd bij wijz. wet 18-12-1987 Stb. 580 in: art. 50.8; vervallen bij wijz. wet 24-12-1992 Stb. 709 en geregeld bij afzonderlijke wet),
14. art. 50.7; gewijzigd bij wijz. wet 18-12-1987 Stb. 580 in: art. 50.10; v.a. 1988 gewijzigd in: art. 50.11; vervallen bij wijz. wet 24-12-1992 Stb. 709 en geregeld bij afzonderlijke wet),
15. art. 11.1 letter/onderdeel t v.a. 1979,
16. art. 11.1 letter/onderdeel u v.a. 1979,
17. art. 41b.1 v.a. wijz. wet 21-5-1985 Stb. 276,
18. art. 12.3 v.a. wijz. wet 21-12-1988 Stb. 616,
19. art. 33a.2 v.a. wijz. wet 21-12-1988 Stb. 616,
20. art. 33a.4 v.a. wijz. wet 21-12-1988 Stb. 616,
21. art. 33a.6 v.a. wijz. wet 21-12-1988 Stb. 616,
Waardering: B, 4
Nummer: 705
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van KB's: inzake het in bepaalde gevallen geheel/gedeeltelijk uitsluiten van de aftrek van belasting ter voorkoming dat, ingeval (ingevoerde) goederen gebruikt worden voor het voeren van een zekere staat en voor het bevredigen van behoeften van anderen dan ondernemers of t.b.v. prestaties als bedoeld in art. 11, de belasting niet (geheel) drukt. (uitsluiting aftrek voorbelasting*)
Periode: 1969-...: DGFZ/WDV, WV
Grondslag: Wet Omzetbelasting 1968, art. 16.1,
Waardering: B, 4
Nummer: 706
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van wetten houdende goedkeuring van KB's inzake het in bepaalde gevallen geheel/gedeeltelijk uitsluiten van de aftrek van belasting ter voorkoming dat, ingeval (ingevoerde) goederen gebruikt worden voor het voeren van een zekere staat of voor het bevredigen van behoeften van anderen dan ondernemers of t.b.v. prestaties als bedoeld in art. 11, de belasting niet (geheel) drukt.
Periode: 1968-...: DGFZ/WDV, WV
Grondslag: Wet Omzetbelasting 1968, art. 16.2.3,
Waardering: B, 1
Nummer: 707
Handeling: Het opstellen, intrekken en wijzigen van een ministeriële regeling betreffende de toepassing van hetgeen volgens dit artikel onder invoer van goederen verstaan en begrepen wordt alsmede hetgeen onder (onttrekking aan) een douaneregeling verstaan wordt i.v.m. de heffing van omzetbelasting.
Periode: 1992-...: DGFZ/WV
Grondslag: Wet Omzetbelasting 1968, art. 18.5 v.a. wijz. wet 24-12-1992 Stb. 713,
Waardering: B, 4
Nummer: 708
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van voorwaarden ( m.i.v. 1993 `bij min. regeling') m.b.t. het verlenen van vrijstelling van omzetbelasting voor: a) goederen waarvoor bij invoer aanspraak op vrijstelling van invoerrecht bestaat, b) (1985-1992) wederinvoer van goederen na bewerking in een Lidstaat van de EG zonder dat recht op aftrek of teruggaaf is ontstaan, c) de invoer van goederen waarvan de levering in het binnenland in elk geval is vrijgesteld, d) (m.i.v. 1993) de tijdelijke invoer van goederen met het oog op evt. verkoop, als bedoeld in de Zeventiende Richtlijn, e) de invoer van goederen die worden vervoerd naar een andere Lidstaat wanneer degene die de goederen heeft ingevoerd levert met toepassing van Tabel II, letter a, post 6. (vrijstelling bij invoer*)
Periode: 1985-...: DGFZ/WV
Grondslag: Wet Omzetbelasting 1968, v.a. wijz. wet tarief van invoerrechten d.d. 5-6-1985 Stb. 313, art. 21; dit artikel is m.i.v. 1993 vervangen door een nieuw met meer op de EG betrekking hebbende bepalingen,
Waardering: B, 4
Nummer: 709
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van een ministeriële regeling betreffende het verlenen, onder te stellen voorwaarden en beperkingen, van afschrijving of teruggaaf van bij invoer verschuldigde omzetbelasting in gevallen waarin aanspraak bestaat/zou bestaan op afschrijving of teruggaaf van invoerrecht indien de goederen ingevoerd worden uit een ander EEG-land of in andere gevallen i.v.m. redenen van billijkheid.
Periode: 1992-...: DGFZ/WV
Grondslag: Wet op de Omzetbelasting 1968, art. 22.2 v.a. wijz. wet 24-12-1992 Stb. 713, (verwijzing: zie ook voor de periode 1992 handeling o.g.v. art. 22.3),
Waardering: B, 4
Nummer: 710
Handeling: Het verlenen, onder te stellen voorwaarden en beperkingen, van afschrijving of teruggaaf van bij invoer verschuldigde omzetbelasting in gevallen waarin aanspraak bestaat/zou bestaan op afschrijving of teruggaaf van invoerrecht indien de goederen ingevoerd worden uit een ander EEG-land of in andere gevallen i.v.m. redenen van billijkheid.
Periode: 1992: DGBel./VB
Grondslag: Wet Omzetbelasting 1968, v.a. wijz. wet 19-12-1991 Stb. 740, art. 22.3; m.i.v. wijz. wet 24-12-1992 Stb. 713 gewijzigd en opnieuw geformuleerd: de handeling is opnieuw geformuleerd bij ` het stellen, wijzigen en intrekken van nadere regels en min. regelingen....'
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 711
Handeling: Het afwijzen of toewijzen, onder voorwaarden, van verzoeken m.b.t. het aanwijzen van ondernemers en lichamen (als bedoeld in de AWR) andere dan ondernemers waarvan bij de invoer van goederen t.b.v. henzelf de omzetbelasting, de bijzondere verbruiksbelasting op personenauto's (1969-1992) en (v.a. 1982-1992) de bijzondere verbruiksbelasting van motorrijwielen wordt geheven. (verleggingsregeling*)
Periode: 1969-1992: DGFZ/WV, DGBel./VB
Grondslag: Wet Omzetbelasting 1968, art. 23.1; vervallen bij wijz. wet 24-12-1992 Stb. 713, (50.10; m.i.v. 1-1-1988 gewijzigd in: 50.15, 50a.4; art. 50 en 50a zijn vervallen bij wet 24-12-1992 en hierbij in een nieuwe wet geregeld),
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 712
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van regels, voorzover nodig in overeenstemming met de minister van Sociale Zaken, betreffende de betaling van omzetbelasting in gevallen waarin de hoofdelijk aansprakelijke aannemer schriftelijk met een onderaannemer is overeengekomen dat deze de belasting, en andere betalingen, via een speciale rekening (G-rekening) zal voldoen.
Periode: 1981-1990: DGFZ/WV
Grondslag: Wet Omzetbelasting 1968, v.a. wijz. wet 4-6-1981 Stb. 370, art. 41b.6; gewijzigd bij wijz. wet 21-5-1986 Stb. 276 in: art. 41d.6; b.w. 1990 Stb. 222,
Waardering: B, 4
Nummer: 714
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van regels betreffende de teruggaaf van omzetbelasting.
Periode: 1969-...: DGFZ/WDV, WV
Grondslag: Wet op de omzetbelasting 1968, art. 43.2,
Waardering: B, 4
Nummer: 715
Handeling: Het verlenen, onder voorwaarden, van teruggaaf van omzetbelasting voor bedrijfsmiddelen waarvoor ondernemers een in dit artikel genoemd percentage op de belasting in aftrek mogen brengen en die vervolgens worden geleverd. (investeringsheffing)
Periode: 1969-...: DGBel./VB
Grondslag: Wet Omzetbelasting 1968, art. 45.3,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 716
Handeling: Het wijzigen (v.a. 1992 Stb. 422: `bij min. regeling') van de in dit artikel genoemde percentages van aftrek van omzetbelasting voor goederen die als bedrijfsmiddelen door ondernemers worden gebruikt en van de percentages van teruggaaf van omzetbelasting op de bedrijfsmiddelen die ondernemers vervolgens leveren.
Periode: 1969-...: DGFZ/WDV, WV
Grondslag: Wet Omzetbelasting 1968, art. 45.4.5,
Waardering: B, 4
Nummer: 717
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van wetsvoorstellen tot goedkeuring van de beschikkingen (v.a. 1992 Stb. 422 `min. regeling') houdende het wijzigen van de in dit artikel genoemde percentages van aftrek van omzetbelasting voor goederen die als bedrijfsmiddelen door ondernemers worden gebruikt en van de percentages van teruggaaf van omzetbelasting op de bedrijfsmiddelen die ondernemers vervolgens leveren. (investeringsheffingen)
Periode: 1969-...: DGFZ/WDV, WV
Grondslag: Wet Omzetbelasting 1968, art. 45.5,
Waardering: B, 1
Nummer: 718
Handeling: Het, m.i.v. een bepaald tijdstip, bepalen dat voor in dit lid genoemde goederen de aftrek voor de omzetbelasting op goederen die voor de ondernemer bestemd zijn als bedrijfsmiddel buiten werking wordt gesteld.
Periode: 1970-...: DGFZ/WDV, WV
Grondslag: Wet Omzetbelasting 1968, v.a. wijz. wet 18-12-1969 Stb. 547, art. 45.6,
Waardering: B, 4
Nummer: 719
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van KB's houdende wijziging van de in art. 3 van de Wet Accijns Tabaksfabrikaten genoemde tarieven i.v.m. de invoering van de Wet Omzetbelasting 1968.
Periode: 1968: DGFZ/WDV
Grondslag: Wet Omzetbelasting 1968, art. 47; vervallen bij Wet 20-12-1968 Stb. 690,
Waardering: B, 4
Nummer: 911
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van regels m.b.t. hetgeen wordt verstaan onder de lengte en hoogte van de laadruimte in personenauto's i.v.m. de heffing van de bijzondere verbruiksbelasting van personenauto's.
Periode: 1987-1992: DGFZ/WV
Grondslag: Wet op de Omzetbelasting 1968, art. 50.5 v.a. wijz. wet 18-12-1987 Stb. 580; vervallen bij wijz. wet 24-12-1992 Stb. 709 en geregeld bij afzonderlijke wet),
Waardering: B, 4
Nummer: 720
Handeling: Het vaststellen, wijzigen en intrekken van overgangsbepalingen bij invoering en wijziging van de bepalingen van de Wet omzetbelasting 1968.
Periode: 1969-...: DGFZ/WDV, WV
Grondslag: 1. Wet Omzetbelasting 1968, art. 54.2,
2. Wet van 24-12-1970, Stb. 606, tot wijz. van de omzetbelasting, art. 3,
3. Wet van 18 december 1975, Stb. 710, tot wijziging van de Wet omzetbelasting, art. III,
4. Wet van 21 december 1977, Stb. 703, tot verhoging van tabaksfabrikaten, alsmede verhoging van de omzetbelasting op een aantal energiedragers, art. IV,
5. Wet van 28 december 1978, Stb. 677, tot wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968, art. II,
6. Wet van 20 december 1979, Stb. 704, tot verhoging van de belasting van sigaretten en kerftabak, art. III,
7. Wet van 30 juni 1982, Stb. 434, tot invoering van een bijzondere verbruiksbelasting van motorrijwielen en wijziging van de bijzondere verbruiksbelasting van personenauto's, art. V,
8. Wet van 15 december 1983, Stb. 624, houdende nadere wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 (tariefsverhoging), art. II,
Waardering: B, 4
Nummer: 721
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van een AMVB houdende aanwijzing van geneesmiddelen en verbandartikelen welke behoren tot de post.
Periode: 1969-...: DGFZ/WDV, WV
Grondslag: Bij de Wet behorende Tabel I, letter a, post 33,
Waardering: B, 4
Nummer: 722
Handeling: Het, i.v.m. voorkoming van verstoring van concurrentieverhoudingen, aanwijzen (m.i.v. 1993: `bij min. regeling') van leveringen en diensten van sociale of culturele aard die niet/wel voor vrijstelling van omzetbelasting in aanmerking komen.
Periode: 1989-...: DGFZ/WV
Grondslag: Uitvoeringsbesluit Omzetbelasting 1968, v.a. wijz. 15-3-1989 Stb. 66, art. 7.2,
Waardering: B, 4
Nummer: 723
Handeling: Het controleren van statuten en jaarstukken (v.a. 1994 om de 5 jaar) van instellingen die leveringen van sociale en culturele aard verrichten en vrijgesteld zijn van omzetbelasting.
Periode: 1989-...: DGBel./VB
Grondslag: Uitvoeringsbesluit Omzetbelasting 1968, v.a. wijz. 15-3-1989 Stb. 66, art. 7.3,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na controle
Nummer: 724
Handeling: Het aanwijzen (m.i.v. 1993:'bij min. regeling') van diensten bestaande uit het ter beschikking stellen van personeel waarvoor de vrijstelling van omzetbelasting m.b.t. het verlenen van diensten aan leden of zelfstandige groeperingen i.v.m. voorkoming van de verstoring van concurrentieverhoudingen niet van toepassing is.
Periode: 1988-...: DGFZ/WV
Grondslag: Uitvoeringsbesluit Omzetbelasting 1968, v.a. 1988, art. 9.3,
Waardering: B, 4
Nummer: 725
Handeling: Het vaststellen (m.i.v. 1993: `bij min. regeling) van het percentage van de som van de winkelwaarde van zelfvervaardigde goederen of groepen van goederen waarmee die som wordt verhoogd zodat de prijs waarvoor de goederen worden verkocht zo dicht mogelijk wordt benaderd. (forfaitaire berekening bij toepassing kasstelsel*)
Periode: 1969-...: DGFZ/WDV, WV
Grondslag: Uitvoeringsbesluit Omzetbelasting 1968, art. 17.2,
Waardering: B, 4
Nummer: 726
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van voorschriften (m.i.v. 1993: `bij min. regeling') m.b.t. het aantonen van de aanspraak op aftrek van voorbelasting door belastingplichtigen die ontheffing hebben gekregen van de verplichting tot uitreiking van facturen. (aftrek voorbelasting bij ontheffing factureringsplicht*)
Periode: 1969-...: DGFZ/WDV, WV
Grondslag: Uitvoeringsbesluit Omzetbelasting 1968, art. 22,
Waardering: B, 4
Nummer: 727
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van het aangifteformulier dat ingediend moet worden bij invoer van goederen uit de Benelux-landen. (opgave Benelux 50)
Periode: 1984-1992: DGFZ/WD+WV
Grondslag: Uitvoeringsbeschikking Omzetbelasting 1968, v.a. wijz.27-6-1984 nr. 084-1509 Stcrt. 124, art. 16b; vervallen bij wijz. 24-12-1992 Stcrt. 252,
Waardering: B, 4
Nummer: 728
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van regels m.b.t. vee behorend tot Tabel I, letter a, post 16 en 21 waarvoor voor levering de veehouders o.g.v. art. 27 a) niet worden aangemerkt als ondernemers, b) een deel van het in rekening gebrachte bedrag in aftrek kunnen brengen, c) verzoeken tot de inspecteur kunnen richten om wel als ondernemer aangemerkt te worden.
Periode: 1973-...: DGFZ/WV
Grondslag: Wet van 19-12-1973, Stb. 638, tot wijz. van de Wet Omzetbelasting 1968, art. II,
Waardering: B, 4
Nummer: 729
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van een AMVB houdende voorwaarden waaraan personenauto's moeten voldoen om voor de heffing van de bijzondere verbruiksbelasting te vallen onder een verlaagd tarief.
Periode: 1986-1989: DGFZ/WV
Grondslag: Wet van 26 maart 1986, Stb. 112, houdende tijdelijke fiscale maatregelen ter bevordering van het gebruik van ongelode benzine en van beperkt schone personenauto's, art. 3.1,
Waardering: B, 4
Nummer: 730
Handeling: Het jaarlijks vaststellen van de tabel houdende (verlaagde) tarieven voor de bijzondere verbruiksbelasting van personenauto's die als (beperkt) schoon zijn aan te merken.
Periode: 1986-1989: DGFZ/WV
Grondslag: Wet van 26 maart 1986, Stb. 112, houdende tijdelijke fiscale maatregelen ter bevordering van het gebruik van ongelode benzine en van beperkt schone personenauto's, art. 4,
Waardering: B, 4
Nummer: 731
Handeling: Het aanwijzen van gevallen waarvoor na het ombouwen van personenauto's naar een staat waarvoor geen verlaagd tarief van de bijzondere verbruiksbelasting van toepassing is toch het verlaagde tarief van kracht blijft.
Periode: 1986-1989: DGFZ/WV,
Grondslag: Wet van 26 maart 1986, Stb. 112, houdende tijdelijke fiscale maatregelen ter bevordering van het gebruik van ongelode benzine en van beperkt schone personenauto's, art. 5.1,
Waardering: B, 4
Nummer: 732
Handeling: Het samen met de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer opstellen, wijzigen en intrekken van regels m.b.t. de vaststelling van de uitworp van verontreinigde uitlaatgassen volgens een vastgestelde procedure i.v.m. het toelaten van personenauto's waarvoor een verlaagd tarief van de bijzondere verbruiksbelasting van toepassing kan zijn.
Periode: 1986-1989: DGFZ/WV
Grondslag: Besluit voorwaarden schone en beperkt schone personenauto's d.d. 26-3-1986, Stb. 113, art. 1.7,
Waardering: B, 4
Nummer: 734
Handeling: Het vaststellen, wijzigen en intrekken van regels ter uitvoering van de vaststelling dat personenauto's aan te merken zijn als schoon of beperkt schoon i.v.m. de toepassing van een (verlaagd) tarief van de bijzondere verbruiksbelasting.
Periode: 1986-1989: DGFZ/WV
Grondslag: Besluit voorwaarden schone en beperkt schone personenauto's d.d. 26-3-1986, Stb. 113, art. 1.8,
Waardering: B, 4
Nummer: 735
Handeling: Het opmaken van het verslag dat binnen 5 jaar aan de Staten-Generaal uitgebracht moet worden m.b.t. de werking van de bepalingen die door de wet zijn ingevoegd in de Wet op de loonbelasting 1964, de Wet op de omzetbelasting 1968 en de Invorderingswet 1845 eventueel houdende voorstellen tot verbetering.
Periode: 1986-1991: DGFZ/
Grondslag: Wet van 21 mei 1986, Stb. 276, houdende nadere wijziging van enige sociale verzekeringswetten, de Wet betreffende verplichte deelneming ineen bedrijfspensioenfonds alsmede van enige fiscale wetten i.v.m. het misbruik van rechtspersonen, art. XI,
Waardering: B, 1
Nummer: 912
Handeling: Het opstellen van uitvoeringsregels voor de berekening van verminderde bijzondere verbruiksbelasting van personenauto's.
Periode: 1989-1993
Grondslag: Wet van 2 februari 1989, Stb. 17, tijdelijke fiscale maatregelen betreffende auto en milieu, art. 2.13,
Waardering: B, 4
Nummer: 913
Handeling: Het aanwijzen van gevallen waarin het ongedaan maken van het schone karakter van een personenauto geen gevolgen heeft voor de heffing van de bijzondere verbruiksbelasting voor personenauto's.
Periode: 1989-1993
Grondslag: Wet van 2 februari 1989, Stb. 17, tijdelijke fiscale maatregelen betreffende auto en milieu, art. 3.1,
Waardering B, 4
Nummer: 736
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van AMVB's houdende nadere van de Wet op de omzetbelasting 1968 afwijkende regels i.v.m. afschaffing van de fiscale grenzen en aanpassing aan de Europese regelgeving.
Periode: 1992-...: DGFZ/WV
Grondslag: Wet van 24-12-1992, Stb. 713, houdende wijziging van de Wet op de omzetbelasting i.v.m. de afschaffing van de fiscale grenzen, art. II,
Waardering: B, 4
Belasting van personenauto's en motorrijwielen (BPM), in werking per 1-1-1993
Nummer: 737
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van ministeriële regelingen:
1. houdende regels m.b.t. hetgeen wordt verstaan onder de lengte, de breedte en de hoogte van de laadruimte.
2. houdende regels m.b.t. hetgeen verstaan wordt onder terreinauto's.
3. houdende regels ingevolge welke andere (op motorrijwielen gelijkende) motorrijtuigen gelijk gesteld worden met motorrijwielen voor de heffing van de belasting.
4. houdende regels volgens welke de belasting, in afwijking van eerder in de wet gestelde bepalingen, niet behoeft te worden voldaan vóór de aanvang van het gebruik van de weg.
5. houdende voorwaarden waaronder de inspecteur, op verzoek/ (v.a. 1993 Stb. 690:) op aanvraag van ondernemers die regelmatig om opgave van kentekens verzoeken die op naam van een ander worden gesteld, vergunningen/(v.a. wijz. 1993 Stb 690:) beschikkingen kan verlenen de belasting per tijdvak te voldoen.
6. regelende welke voorzieningen, behorende tot een bijzonder uitvoering, van motorrijtuigen niet tot catalogusprijs horen waarover de belasting bepaald wordt.
7. houdende de verhoging van het percentage dat bij aanschaf van gebruikte personenauto's en motorrijwielen dat bij berekening van de verschuldigde belasting in mindering gebracht wordt voor elke maand die dat gebruikte motorrijwiel of personenauto in gebruik is geweest.
8. houdende regels ter uitvoering van de AMVB waarbij, onder te stellen voorwaarden en beperkingen, vrijstelling van belasting wordt verleend voor uit een ander land afkomstige personenauto's en motorrijwielen die voor specifieke doeleinden dan wel onder specifieke omstandigheden naar Nederland zijn gebracht.
9. houdende nadere regels m.b.t. de hoogte van het bedrag van te stellen zekerheid door degenen (ondernemers die regelmatig kentekens opvragen die op naam van een ander worden gesteld) die van de inspecteur vergunning hebben de belasting per tijdvak te mogen voldoen.
10. houdende regels t.b.v. de uitvoering van de AMVB dat regels bevat ter verzekering van de juiste toepassing van de wet ter aanvulling van in de wet geregelde onderwerpen.
11. houdende regels, zonodig afwijkend van de Wet, die tot 1 juli 1993 de overgang van de krachtens de Wet op de omzetbelasting 1968 geheven bijzondere verbruiksbelasting van personenauto's en motorrijwielen naar de krachtens deze wet geheven belasting vergemakkelijken.
12. houdende regels m.b.t.: a) de wijze waarop de hoogte en breedte van de laadruimte en de cabine worden vastgesteld alsmede op welke wijze het verschil in hoogte tussen cabine en laadruimte wordt vastgesteld, b) de constructie-technische afwerking van de laadruimte, c) de hoogte, de plaats, de constructiewijze en bevestigingswijze van de vaste wand.
Periode: 1993-
Grondslag: Wet belasting van personenauto's en motorrijtuigen 1992,
1. art. 3.4; gewijzigd en aangevuld bij wijz. wet 16-12-1993 Stb. 673 in: art. 3.5; zie nieuwe formulering onder: 11,
2. art. 3.5; vervallen bij wijz. wet 16-12-1993 Stb. 673,
3. art. 4.2,
4. art. 6.3,
5. art. 8.1; gewijzigd bij wijz. wet 23-12-1993 Stb. 690 in: art. 8,
6. art. 9.9,
7. art. 10.2,
8. art. 14.2,
9. art. 17.3,
10. art. 20.2,
11. art. 34,
12. art. 3.5 v.a. wijz. wet 16-12-1993 Stb. 673,
Waardering: B, 4
Nummer: 739
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van Algemene Maatregelen van Bestuur:
1. waarbij, onder te stellen voorwaarden en beperkingen, vrijstelling van belasting wordt verleend voor uit een ander land afkomstige personenauto's en motorrijwielen die voor specifieke doeleinden dan wel onder specifieke omstandigheden naar Nederland zijn gebracht.
2. houdende voorwaarden en beperkingen waaronder, op verzoek/(v.a. wijz. 1993 Stb. 690:) op aanvraag, teruggaaf van belasting van personenauto's en motorrijwielen kan worden verleend.
3. houdende voorwaarden en beperkingen waaronder, op verzoek/(v.a. wijz. 1993 Stb. 690:) op aanvraag, teruggaaf van belasting in drie termijnen kan worden gegeven voor personenauto's en motorrijwielen waarvoor vergunningen beschikkingen zijn afgeven en bestemd zijn voor openbaar vervoer of taxivervoer.
4. houdende regels ter verzekering van de juiste toepassing van de wet ter aanvulling van in de wet geregelde onderwerpen.
Periode: 1993-...: DGFZ/WV
Grondslag: Wet belasting van personenauto's en motorrijtuigen 1992,
1. art. 14.1,
2. art. 15.1,
3. art. 16.1,
4. art. 20.1,
Waardering: B, 4
Motorrijtuigenbelastingwet 1926
Nummer: 741
Handeling: Het aanwijzen van mengsels/stoffen die, onder voorwaarden, toegevoegd mogen worden aan de stoffen die volgens de wet als benzine worden aangemerkt.
Periode: 1945-1966: Adm. Rijksbel./DB, DGFZ/WV+D, WDV
Grondslag: Motorrijtuigenbelastingwet 1926, art. 3a.2 onder c; gewijzigd bij wet 25-6-1964 Stb. 207 in: art. 3a.2 onder d,
Waardering: B, 4
Nummer: 743
Handeling: Het vaststellen in welke bijzondere gevallen het vergund wordt om gedurende ten hoogste 60 dagen per jaar, vanaf het tijdstip dat de belastingkaart wordt afgegeven, met motorrijtuigen op de openbare weg mag worden gereden tegen vergoeding van een vierde van hetgeen aan motorrijtuigenbelasting over een heel jaar verschuldigd zou zijn verhoogd met een in de wet genoemd percentage/(v.a. 1951:) bedrag.
Periode: 1945-1966: Adm. Rijksbel./DGFZ, afd Wetgeving Verbruiksbelastingen en Douane, WDV
Grondslag: Motorrijtuigenbelastingwet 1926, art. 4.4,
Waardering: B, 4
Nummer: 744
Handeling: Het afwijzen en toewijzen van verzoeken om in bijzondere gevallen te bepalen dat een rechtspersoonlijkheid bezittende vennootschap, vereniging of stichting wordt beschouwd als openbaar lichaam waarvoor voor de motorrijtuigen (t.b.v. politie, brandweer, ziekenvervoer, ontsmettingsdienst, keuringsdienst van waren, vleeskeuringsdienst, voor vernietiging van aan besmettelijke ziekten overleden vee of het wegenonderhoud) worden vrijgesteld van motorrijtuigenbelasting.
Periode: 1945-1966: Adm. Rijksbel./DGBel./ACC., VB
Grondslag: Motorrijtuigenbelastingwet 1926, art. 6.2,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na intrekken/vervallen van de beschikking
Nummer: 745
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van AMVB's:
1. betreffende, onder de nodige voorzieningen, het verlenen van gedeeltelijke of gehele vrijstelling van motorrijtuigenbelasting aan niet binnen het Rijk wonende of gevestigde houders van motorrijtuigen, met inachtneming van het beginsel van wederkerigheid.
2. houdende voorschriften ter uitvoering van de wet, indien hierin niet is voorzien.
Periode: 1945-1966: Adm. Rijksbel./ afd. Accijnzen/DGFZ-afd. Verbruiksbelastingen. en Douanewetgeving, WDV
Grondslag: Motorrijtuigenbelastingwet 1926,
1. art. 6.3,
2. art. 42,
Waardering: B, 4
Nummer: 746
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van Koninklijke Besluiten houdende verlening, geheel of gedeeltelijk, van vrijstelling van motorrijtuigenbelasting voor bijzondere gevallen.
Periode: 1945-1966: Adm. Rijksbel./afd. accijnzen/DGFZ/ afd. Verbruiksbelastingen. en Douanewetgeving, WDV
Grondslag: Motorrijtuigenbelastingwet 1926, art. 6.4,
Waardering: B, 4
Nummer: 747
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van het aangifteformulier en de uit te geven belastingkaarten voor de motorrijtuigenbelasting.
Periode: 1945-1966: Adm. Rijksbel.-afd. accijnzen/DGFZ-WV+D, WDV
Grondslag: Motorrijtuigenbelastingwet 1926, art. 10.1,
Waardering: B, 4
Nummer: 748
Handeling: Het vaststellen van de wijze waarop op de belastingkaart dient te worden aangetekend op welke dagen men rijdt in gevallen waarin het de belastingplichtige (o.g.v. art. 4.4) vergund wordt om gedurende ten hoogste 60 dagen per jaar, vanaf het tijdstip dat de belastingkaart wordt afgegeven, met motorrijtuigen op de openbare weg mag worden gereden tegen vergoeding van een vierde van hetgeen aan motorrijtuigenbelasting over een heel jaar verschuldigd zou zijn.
Periode: 1945-1966/Adm. Rijksbel. ACC./DGFZ-WV+D, WDV
Grondslag: Motorrijtuigenbelastingwet 1926, art. 17.2,
Waardering: B, 4
Nummer: 751
Handeling: Het wel/niet toelaten van nog niet gedagvaarde overtreders van de motorrijtuigenbelastingwet.
Periode: 1945-1966: Adm. Rijksbel./DGBel. ACC., VB
Grondslag: Motorrijtuigenbelastingwet 1926, art. 24.3,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 752
Handeling: Het aanwijzen van de ontvanger die, na een veroordelingen inzake niet gedane aangifte motorrijtuigenbelasting door niet binnen het Rijk wonenden of gevestigden, het verschuldigde vaststelt, dwangbevelen uitvoert en als eiser bij de arrondissementsrechtbank optreedt.
Periode: 1945-1966: Adm. Rijksbel./ACC., DGFZ/WV=D, WDV
Grondslag: Motorrijtuigenbelastingwet 1926, art. 27,
Waardering: B, 4
Nummer: 773
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van voorwaarden en bepalingen waaraan fabrikanten en handelaren die vrijstelling van motorrijtuigenbelasting, voor hun van de handelsvoorraad deel uitmakende motorrijtuigen die uitsluitend voor de uitoefening van het bedrijf gebruikt worden, is verleend dienen te voldoen.
Periode: 1945-1966: Adm. Rijksbel./ACC., DGFZ/WV+D, WDV
Grondslag: Besluit van den 9den juli 1927, no. 29, tot uitvoering van art. 6, vierde lid, der Motorrijtuigenbelastingwet, art. 1,
Waardering: B, 4
Nummer: 774
Handeling: Het ontzeggen van de toepassing van de vrijstelling van motorrijtuigenbelasting voor degenen die misbruik maakt van de daarvoor gestelde voorwaarden.
Periode: 1945-1966: Adm. Rijksbel./DGBel./ACC., VB
Grondslag: Besluit van den 9den juli 1927, no. 29, tot uitvoering van art. 6, vierde lid, der Motorrijtuigenbelastingwet, art. 4,
Waardering: V, termijn: 10 jaar
Nummer: 775
Handeling: Het vaststellen van de route van niet meer dan 500 meter waarlangs met motorrijtuigen gereden mag worden waarvoor gehele of gedeeltelijke vrijstelling van motorrijtuigenbelasting is verkregen.
Periode: 1948-1966: Adm. Rijksbel./DGBel. ACC., VB
Grondslag: Koninklijk Besluit van 11-5-1948, no. 17, Stcrt. 112,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 776
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van nadere voorwaarden waaronder vrijstelling wordt verleend van motorrijtuigenbelasting voor motorrijtuigen welke voor reparatie zijn bij reparateurs.
Periode: 1948-1958: Adm. Rijksbel. ACC., DGFZ/WV+D, WDV
Grondslag: Besluit van 15-7-1948, no. 29, Stcrt. 152, art. 1, b.w. 1958, Stb. 384.
Waardering: B, 4
Nummer: 777
Handeling: Het ontzeggen van de vrijstelling van motorrijtuigenbelasting voor motorrijtuigen welke in reparatie zijn bij reparateurs in gevallen waarin misbruik wordt gemaakt van de gestelde voorwaarden.
Periode: 1948-1958: DGBel./ACC,, VB
Grondslag: Besluit van 15-7-1948, no. 29, Stcrt. 152, art. 7, b.w. 1958 Stb. 384.
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 778
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van voorwaarden waaronder gedeeltelijke vrijstelling wordt verleend voor motorrijtuigen samengesteld uit een chassis en een mechanisch werktuig die zich met een snelheid van 12 km per uur over de openbare weg kunnen voortbewegen.
Periode: 1950-1966: DGFZ/afd. Verbruiksbel. en Douanewetgeving, WDV
Grondslag: Koninklijk Besluit d.d. 14 juni 1950, no. 33, Stcrt. 120, art. 1,
Waardering: B, 4
Nummer: 779
Handeling: Het vaststellen en wijzigen van de tijdvakken waarvoor aan in de Overzeese Rijksdelen wonende of gevestigde houders van motorrijtuigen vrijgesteld worden van motorrijtuigenbelasting.
Periode: 1953-1966:DGFZ/WV+D, WDV
Grondslag: Koninklijk Besluit van 1-6-1953, Stb. 251, inzake vrijstelling van motorrijtuigenbelasting voor de in de Overzeese Rijksdelen wonende of gevestigde houders van motorrijtuigen, art. 1,
Waardering: B, 4
Nummer: 780
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van uitvoeringsvoorschriften m.b.t. in bovengenoemde KB's getroffen maatregelen inzake (gedeeltelijke) vrijstelling van motorrijtuigenbelasting voor houders woonachtig of gevestigd in andere landen.
Periode: 1945-1966: DGFZ/ WV+D, WDV
Grondslag: Besluit van 28 mei 1930, Stb. 213, houdende vrijstelling van motorrijtuigenbelasting voor in Zwitserland wonende of gevestigde houders van motorrijtuigen, art. 3.
Besluit van 18 juli 1930, Stb. 291, houdende vrijstelling van motorrijtuigenbelasting voor in Luxemburg gevestigde houders van motorrijtuigen, art. 3.
Besluit van 9 oktober 1930, Stb. 399, houdende vrijstelling van motorrijtuigenbelasting voor in Noorwegen wonende houders van motorrijtuigen, art. 3.
Besluit van 16 juni 1932, Stb. 300, houdende vrijstelling van motorrijtuigenbelasting van in Japan wonende of gevestigde houders van motorrijtuigen, art. 3.
Besluit van 17 juni 1932, Stb. 302, houdende vrijstelling van motorrijtuigenbelasting voor in Oostenrijk wonende of gevestigde houders van motorrijtuigen. gewijzigd 1949 Stb. J. 470, art. 3.
Besluit van 6 juni 1934, Stb. 268, houdende vrijstelling van motorrijtuigenbelasting voor in Duitsland gevestigde houders van motorrijtuigen, art. 3.
Besluit van 4 april 1933, Stb. 133, houdende vrijstelling van motorrijtuigenbelasting voor in Italië wonende of gevestigde houders van motorrijtuigen, art. 4.
Besluit van 6 juni 1934, Stb. 305, houdende vrijstelling van motorrijtuigenbelasting voor in Portugal wonende of gevestigde houders van motorrijtuigen, art. 3.
Besluit van 6 november 1935, Stb. 644, houdende vrijstelling van motorrijtuigenbelasting voor in Liechtenstein wonende of gevestigde houders van motorrijtuigen, art. 3.
Besluit van 11 november 1935, Stb. 646 houdende vrijstelling van motorrijtuigenbelasting aan in Tsjecho-Slowakije wonende of gevestigde houders van motorrijtuigen. gewijzigd 11-11-1949, art. 3.
Besluit van 22 januari 1936, Stb. 441, houdende vrijstelling van Motorrijtuigenbelasting voor in Denemarken wonende of gevestigde houders van motorrijtuigen. gewijzigd 3-12-1956, Stb. 604, art. 3.
Besluit van 6 april 1936, Stb. 445, houdende vrijstelling van motorrijtuigenbelasting van in Spanje wonende of gevestigde houders van motorrijtuigen, art. 3.
Besluit van 19 november 1938, Stb. 450, houdende vrijstelling van motorrijtuigenbelasting voor in Frankrijk gevestigde of wonende houders van motorrijtuigen, art. 3.
Besluit van 2 september 1950, Stb. K 383, houdende vrijstelling van motorrijtuigenbelasting voor in België wonende of gevestigde houders van motorrijtuigen, art. 2.
Waardering: B, 4
Nummer: 781
Handeling: Het ontzeggen van het recht op vrijstelling van motorrijtuigenbelasting van fabrikanten en handelaren ingeval misbruik gemaakt wordt van de voorwaarden in dit Besluit.
Periode: 1957-1958: DGBel./VB
Grondslag: Besluit van 29 december 1956, Stb. 670, houdende gedeeltelijke vrijstelling van motorrijtuigenbelasting voor fabrikanten van en handelaren in motorrijtuigen, art. 5, b.w. 1958 Stb. 384
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 782
Handeling: Het ontzeggen van de gedeeltelijke vrijstelling van motorrijtuigenbelasting aan fabrikanten, handelaren en reparateurs die misbruik hebben gemaakt van de voorwaarden als opgenomen in dit besluit.
Periode: 1958-1966: DGBel./VB
Grondslag: Besluit van 28 juli 1958, Stb, 384, houdende gedeeltelijke vrijstelling van motorrijtuigenbelasting voor fabrikanten van, handelaren in en reparateurs van motorrijtuigen, art. 6,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 783
Handeling: Het ontzeggen van het recht op gedeeltelijke vrijstelling (van de verhoging) van de motorrijtuigenbelasting voor grensoverschrijdend vervoer i.v.m. misbruik van de bepalingen van dit Besluit.
Periode: 1966: DGBel./VB
Grondslag: Besluit van 24 maart 1966, Stb. 107, houdende gedeeltelijke vrijstelling van de verhoging van de motorrijtuigenbelasting voor grensoverschrijdend vervoer, art. 6,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 784
Handeling: Het afwijzen of toewijzen van verzoeken om gedurende ten hoogste 60 dagen per jaar, vanaf het tijdstip dat de belastingkaart wordt afgegeven, met motorrijtuigen op de openbare weg te mogen rijden tegen vergoeding van een vierde van hetgeen aan motorrijtuigenbelasting over een heel jaar verschuldigd zou zijn.
Periode: 1945-1966: Adm. Rijksbel./DGBel/DB
Grondslag: Beschikking van 13-11-1934 ter uitvoering van art. 4.4 Motorrijtuigenbelastingwet Stcrt. 219, par. 7,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 785
Handeling: Het aanwijzen van rechtspersoonlijkheid bezittende verenigingen die voor aangesloten kermisreizigers en circusexploitanten verklaringen mogen afgeven welke overlegd dienen te worden bij het aanvragen van de zgn. zestigdagenkaarten voor de motorrijtuigenbelasting.
Periode: 1955-1966: DGBel./
Grondslag: Uitvoeringsbeschikking Motorrijtuigenbelastingwet Zestigdagenkaarten, art. 4,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na vervallen/intrekking van de aanwijzing
Nummer: 786
Handeling: Het afwijzen en toewijzen van verzoeken om vanwege bijzondere gevallen, niet genoemd in art. 1 en van deze Beschikking, het vergund wordt om gedurende ten hoogste 60 dagen per jaar, vanaf het tijdstip dat de belastingkaart wordt afgegeven, met motorrijtuigen op de openbare weg mag worden gereden tegen vergoeding van een vierde van hetgeen aan motorrijtuigenbelasting over een heel jaar verschuldigd zou zijn verhoogd met een in de wet genoemd bedrag.
Periode: 1955-1966: DGBel.
Grondslag: Uitvoeringsbeschikking Motorrijtuigenbelastingwet Zestigdagenkaarten, art. 8,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 787
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van bepalingen en regels ter uitvoering van de Wet.
Periode: 1951-1966: DGFZ/afd. Verbruiksbel. en Douanewetgeving/afd. WV+D
Grondslag: 1. Wet van 16 augustus 1951, Stb. 380, tot verhoging van de motorrijtuigenbelasting, art. 3,
2. Wet van 15 augustus 1955, Stb. 373, houdende wijziging van de motorrijtuigenbelasting, art. II,
3. Wet van 25 maart 1964, Stb. 89, houdende tijdelijke verhoging van het bijzondere invoerrecht op benzine, art. VII,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966
Nummer: 788
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van regels/ministeriële regelingen:
1. houdende voorwaarden betreffende het toestaan dat niet voor elk motorrijtuig afzonderlijk dient te worden betaald door fabrikanten, handelaren en reparateurs.
2. betreffende het vaststellen van hetgeen onder cushionbanden, massieve banden en metalen banden wordt verstaan i.v.m. de bepaling van de hoogte van de motorrijtuigenbelasting.
3. Het aanwijzen van mengsels van stoffen die begrepen worden onder het begrip benzine/ minerale oliën (v.a. 1972).
4. betreffende het vaststellen, wijzigen en intrekken van het formulier waarbij om teruggaaf van motorrijtuigenbelasting verzocht kan worden.
5. betreffende het vaststellen van het bewijsstuk dat getoond moet kunnen worden voor motorrijtuigen: a) waarvoor de belasting niet afzonderlijk geheven wordt, b) waarvan de houder niet binnen het Rijk woont of gevestigd is c) die geen kenteken voeren, d)waarmee één of meer, niet zijnde motorrijtuigen, worden voortbewogen.
6. betreffende het, na overleg met de minister van Verkeer en Waterstaat, opstellen, wijzigen en intrekken van voorschriften m.b.t. de nummerplaten voor rij- of voertuigen waarvoor vrijstelling van de motorrijtuigenbelasting wordt verleend.
7. betreffende nadere bepalingen omtrent de formaliteiten en de termijnen die belanghebbenden in acht dienen te nemen voor het verkrijgen van teruggaaf van motorrijtuigenbelasting.
Periode: 1966-...: DGFZ/WV
Grondslag:
Wet motorrijtuigenbelasting 1966,
1. art. 3.2,
2. art. 5.3; vervallen bij wijz. wet 18-12-1975 Stb. 713,
3. art. 6.2; gewijzigd bij wijz. wet 29-11-1972 Stb. 696 in: art. 6.3; gewijzigd bij wijz. wet 20-11-1980 Stb. 640 in: art. 6.4,
4. art. 14.3,
Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1966,
5. art. 14,
6. art. 11.1 v.a. wijz. 7-12-1971 Stb. 724,
7. art. 13.3 v.a. wijz.18-12-1984, Stb. 639,
Waardering: B, 4
Nummer: 789
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van AMVB's:
1. houdende voorwaarden m.b.t. het verlenen van vrijstelling van motorrijtuigenbelasting.
2. houdende voorwaarden waaronder, voor bijzondere gevallen of groepen van gevallen, gehele of gedeeltelijke vrijstelling van motorrijtuigenbelasting kan worden verleend.
3. houdende regels ingevolge welke in de daarbij te bepalen gevallen niet met een motorrijtuig op de openbare weg mag worden gereden/de weg mag worden gebruikt (v.a. 1975) zonder een aangewezen bewijsstuk waaruit blijkt dat de motorrijtuigenbelasting is voldaan of is verschuldigd.
Periode: 1966-...: DGFZ/WV
Grondslag: Wet motorrijtuigenbelasting 1966,
1. art. 9.1,
2. art. 9.4,
3. art. 12,
Waardering: B, 4
Nummer: 790
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van Koninklijke Besluiten betreffende het verlenen van gehele of gedeeltelijke vrijstelling van motorrijtuigen belasting waarvan de houder niet hier te lande woont of is gevestigd, e.e.a. met inachtneming van het begrip wederkerigheid.
Periode: 1966-...: DGFZ/WV
Grondslag: Wet motorrijtuigenbelasting 1966, art. 9.3,
Waardering: B, 4
Nummer: 791
Handeling: Het opstellen wijzigen en intrekken van (nadere) regels afwijkende van hoofdstuk II van de AWR, betreffende de aangifte.
Periode: 1966-...: DGFZ/
Grondslag: Wet motorrijtuigenbelasting 1966, art. 11,
Waardering: B, 4
Nummer: 794
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van de afrondingen die aangebracht mogen worden bij de berekening van de motorrijtuigenbelasting, vermeerderingen daarop en de opcenten die daar door de provincies op geheven mogen worden, alsmede (v.a. 1975 Stb. 713) bij berekening van de teruggaaf en van de verhoging.
Periode: 1971-...: DGFZ/WDV, WV
Grondslag: Wet motorrijtuigenbelasting 1966, v.a. wijz. wet 24-12-1970 Stb. 608, art. 20a,
Waardering: B, 4
Nummer: 795
Handeling: Het vaststellen, wijzigen en intrekken van overgangsbepalingen i.v.m. de invoering van deze Wet.
Periode: 1966-...: DGFZ/WDV, WV
Grondslag: Wet motorrijtuigenbelasting 1966, art. 24.3,
Waardering: B, 4
Nummer: 796
Handeling: Het afwijzen of toewijzen van verzoeken om voor bepaalde gevallen of groepen van gevallen van motorrijtuigen, gehouden door een openbaar lichaam en gebezigd voor de defensie, de politie, de brandweer of de reinigingsdienst, af te wijken van de voorwaarden voor de vrijstelling van motorrijtuigenbelasting.
Periode: 1966-...: DGBel./VB
Grondslag: Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1966, art. 3.2,
Waardering: V, termijn: 10 jaar
Nummer: 798
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van regels ter uitvoering van de Wet.
Periode: 1969-...: DGFZ/WDV, WV
Grondslag: Wet van 18 december 1969, Stb. 548, tot wijziging van de motorrijtuigenbelasting, art. IV,
Waardering: B, 4
Nummer: 799
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van voorwaarden m.b.t. het verlenen van vrijstelling van motorrijtuigenbelasting (voor ten hoogste 10 jaar) voor motorrijtuigen welke gehouden worden i.v.m. invaliditeit door personen die op het moment van inwerkingtreding van deze wet ouder waren dan 65 jaar.
Periode: 1983-...: DGFZ/WV
Grondslag: Wet van 23 februari 1983, Stb. 94, houdende intrekking van de vrijstelling van motorrijtuigenbelasting wegens invaliditeit, art. I.3,
Waardering: B, 4
Nummer: 800
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van ministeriële regelingen:
1. houdende voorwaarden m.b.t. motorrijtuigen en de omvang en samenstelling van wagenparken waarvoor verzoeken ingediend kunnen worden om deze voor de heffing van de motorrijtuigenbelasting niet te beschouwen als personenauto als bedoeld in de Wet belasting van personenauto's en motorrijwielen.
2. houdende voorwaarden m.b.t. de behandeling van verzoeken van belastingplichtigen, die in bezit zijn van een invalidenparkeerkaart inzake vrijstelling van motorrijtuigenbelasting, waarvoor door de hantering van de definitie van personenauto uit de Wet belasting van personenauto's en motorrijwielen voor de voertuigen wel belasting verschuldigd zou zijn.
Periode: 1993-...: DGFZ/WV
Grondslag: Wet van 16 december 1993, Stb. 673, tot wijziging van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 i.v.m. verruiming van het begrip personenauto,
1. art. VII.4,
2. art. VII.5,
Waardering: B, 4
Nummer: 829
Handeling: Het vaststellen, wijzigen en intrekken van formaatzegels en beurszegels en de waarden die zij vertegenwoordigen.
Periode: 1945-1970: Admin. Rijksbel./DGFZ
Grondslag: Zegelwet 1917, art. 2,
Toelichting: De redactie van het artikel geeft niet woordelijk weer dat op basis van dit artikel ook de vorm en waarde van de verschillende zegels wordt vastgesteld. Er zijn echter wel ministeriële regelingen getraceerd die op basis van dit artikel vaststelling hiervan doen. Derhalve is er toch een handeling geformuleerd.
Waardering: B, 4
Nummer: 830
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van een ministeriële regeling:
1. inzake het vaststellen, wijzigen en intrekken van de bijzondere merktekens, de afmetingen van het papier, de vorm der plakzegels en die der stempels welke worden gebruikt voor de zegeling van papier i.v.m. de heffing van het zegelrecht.
2. betreffende het vaststellen van de wijze waarop plakzegels moeten worden gebruikt.
3. inzake het vaststellen van de wijze waarop 's Rijksambtenaren doen blijken van de voldoening van zegelrechten van de stukken die ter zegeling worden aangeboden.
Periode: 1945-1970: Adm. Rijksbel./DGBel.-Afd. Ind. Bel. en Afd. OvdB/DGFZ
Grondslag: Zegelwet 1917,
1. art. 3.3,
2. art. 5.3,
3. art. 7.3,
Waardering: B, 4
Nummer: 832
Handeling: Het aanstellen of machtigen tot verkoop of uitgifte van gezegeld papier of plakzegels.
Periode: 1945-1970: Adm. Rijksbel./
Grondslag: Zegelwet 1917, art. 4.1,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na beëindiging aanstelling/aanwijzing
Nummer: 833
Handeling: Het vaststellen van voorwaarden waaronder machtiging wordt verleend om, in aan te wijzen gevallen waarin de zegeling d.m.v. plakzegel zou kunnen plaatsvinden, de voldoening van het zegelrecht op een andere nader te bepalen wijze te voldoen.
Periode: 1945-1970: Adm. Rijksbel./DGFZ
Grondslag: Zegelwet 1917, art. 8,
Waardering: B, 4
Nummer: 834
Handeling: Het aanwijzen van ambtenaren, anders dan de in art. 83 bedoelde ambtenaren, aan wie zonder beperking inzage gegeven dient te worden in boekhouding en bescheiden i.v.m. de heffing van zegelrecht.
Periode: 1945-1970: Adm. Rijksbel./DGFZ
Grondslag: Zegelwet 1917, art. 18.1,
Waardering: B, 4
Nummer: 914
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van regels m.b.t. de verschuldigdheid van (evenredig) zegelrecht op aantekeningen in contractboekjes, op afrekeningen van verschuldigde premies en op (contract-)polissen.
Periode: 1945-1970: Adm. Rijksbel./DGFZ
Grondslag: Zegelwet 1917, art. 48a.1,
Waardering: B, 4
Nummer: 835
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van ministeriële regelingen:
1. betreffende het aanwijzen van de hoofdambtenaren aan wie belastingplichtigen na schatting door rijksambtenaren kunnen aantonen dat de oorspronkelijke schatting van verschuldigd zegelrecht die in eerste instantie op het stuk gesteld is correct is i.v.m. de voorkoming van verhoging van het zegelrecht met een boete.
2. betreffende het aanwijzen van rijksambtenaren die bevoegd zijn verklaringen af te geven dat zegeling van effecten, met de bijzondere stempel, achterwege kan blijven en dat zegeling zonder betaling plaats kan vinden.
Periode: 1945-1970: Adm. Rijksbel./DGBel.-Afd. Ind. Bel./DGFZ
Grondslag: Zegelwet 1917,
1. art. 56a.1,
2. art. 67.6,
Waardering: B, 4
Nummer: 836
Handeling: Het vaststellen, wijzigen en intrekken van regels:
1. m.b.t. het zegelen tegen verminderd recht en het aantonen van het recht daartoe, door belastingplichtige, van pandbrieven die eerder ingetrokken pandbrieven vervangen.
2. m.b.t. het bepalen van de verkoopwaarde, schatting en afronding van de berekening daarvan voor buitenlandse effecten waarover zegelrecht verschuldigd is.
3. m.b.t. het aantonen door belastingplichtigen dat effecten waarvan bewijzen van overneming of certificaten zijn uitgegeven behoorlijk gezegeld zijn alsmede m.b.t. het voldoen van het zegelrecht.
4. m.b.t. het in mindering brengen van zegelrecht dat betaald is voor voorlopige bewijzen (van effecten) op het bedrag dat aan recht betaald moet worden wanneer de stukken welke ter vervanging van de voorlopige bewijzen worden uitgegeven ter zegeling worden aangeboden alsmede teruggave indien volgens deze regels kan worden aangetoond dat de vervangende stukken reeds behoorlijk gezegeld en uitgegeven zijn in Nederlandsch-Indië, Suriname of Curaçao.
5. m.b.t. het aantonen dat de vervanging van effecten door nieuwe stukken niet het gevolg is van verandering in de rechtsbetrekkingen en dat de oude stukken behoorlijk gezegeld zijn i.v.m. het niet opnieuw verschuldigd zijn van zegelrecht bij de vervanging.
Periode: 1945-1970: Adm. Rijksbel./DGFZ
Grondslag: Zegelwet 1917,
1. art. 60.1 onder c,
2. art. 60a.4.5.7,
3. art. 62.3,
4. art. 65.1.3,
5. art. 67.1,
Waardering: B, 4
Nummer: 837
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van regels aan welke verklaringen moeten voldoen, die ingeleverd dienen te worden bij de zegeling van akten van lening waarvoor (buitenlandse) effecten worden uitgegeven, en die nodig zijn bij de berekening van het zegelrecht.
Periode: 1950-1970: DGFZ
Grondslag: Zegelwet 1917, art.63.6 v.a. wijz. Wet van 21 December 1950,Stb. K 597,
Waardering: B, 4
Nummer: 838
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van een AMVB houdende het maximum bedrag aan zuiver inkomen (volgens de inkomstenbelasting) dat bij uitgifte van effecten in aanmerking genomen wordt om te bepalen dat geen zegelrecht verschuldigd is.
NB Zie de gelijke handelingen bij: de Vennootschapsbelasting, de Dividendbelasting en het Registratierecht.
Periode: 1963-1970: DGFZ/WDB
Grondslag: Zegelwet 1917, v.a. wijz. wet 27-6-1963 Stb. 374, art. 68.1 letter e,
Waardering: B, 4
Nummer: 839
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van voorwaarden waaraan vennootschappen moeten voldoen om bij de uitgifte/storting en plaatsing van effecten vrijstelling te genieten van zegelrecht beneden een maximum bedrag aan zuivere inkomsten (volgens de inkomstenbelasting).
Periode: 1963-1970
Grondslag: Zegelwet 1917, v.a. wijz. wet 27-6-1963 Stb. 374, art 68.1 letter e.
Waardering: B, 4
Nummer: 840
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van regels:
1. inzake het aanwijzen van verenigingen waarvan natuurlijke en rechtspersonen, vennootschappen onder firma en die en commandite lid moeten zijn om voor de heffing van zegelrecht (beursbelasting) (op effectennota's) aangemerkt te worden als effectenhandelaar.
2. omtrent de inrichting van de effectennota en het dubbel, het gebruik der zegels, de bewaring der dubbelen, de wijze van het in rekening brengen van het zegelrecht (beursbelasting) en de vermelding daarvan op het dubbel.
3. m.b.t. tot het aangeven van de wijze van ontvangst en het gebezigde zegel op nota's en dubbelen daarvan voor effectentransacties waarvoor reeds eerder een nota is verzonden i.v.m. vrijstelling van zegelrecht (Beursbelasting).
Periode: 1945-1970: Adm. Rijksbel./DGFZ
Grondslag: Zegelwet 1917,
1. art. 75.6,
2. art. 77.2.3,
3. art. 79.1,
Waardering: B, 4
Nummer: 841
Handeling: Het niet/wel, onder voorwaarden, tegemoetkomen aan verzoeken, in gevallen waarin de aard van de verrichtingen of de aard van het bedrijf van de effectenhandelaar daartoe aanleiding geeft, onder te stellen voorwaarden vrijstelling te verlenen van de verplichting tot het afgeven van effectennota's indien deze nota's niet aan zegelrecht (Beursbelasting) onderworpen zouden zijn.
Periode: 1945-1970: Adm. Rijksbel./DGBel.
Grondslag: Zegelwet 1917, art. 80.4,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na intrekken/vervallen van de ontheffing
Nummer: 842
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van ministeriële regelingen:
1. houdende het opstellen, wijzigen en intrekken van voorwaarden waaronder, in aan te wijzen gevallen, machtiging wordt verleend tot inwisseling van gezegeld papier en tot inwisseling van plakzegels.
2. houdende regels/voorwaarden waaronder uitstel van betaling van zegelrecht kan worden verleend.
3. betreffende het vaststellen en wijzigen van de rentevoet van de interest die belastingplichtigen zijn verschuldigd indien uitstel van betaling is verleend.
Periode: 1945-1970: Adm. Rijksbel.-afd. Ind. Bel. en afd. OvdB/DGFZ
Grondslag: Zegelwet 1917,
1. art. 90.2,
2. art. 91a.1,
3. art. 91a.3,
Waardering: B, 4
Nummer: 843
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van Koninklijke Besluiten houdende vrijstelling van zegelrecht voor bepaalde soorten niet aan evenredig recht onderworpen stukken.
Periode: 1945-1970: Adm. Rijksbel.-afd. Ind. Belastingen/DGFZ-WDV
Grondslag: Zegelwet 1917, art. 91.1,
Waardering: B, 4
Nummer: 844
Handeling: Het afwijzen of toewijzen van verzoeken om kwijtschelding, vermindering of teruggaaf van zegelrecht op effecten indien vervanging van de stukken of het stellen van aantekeningen een gevolg is van een in overleg met de houders van de stukken tot stand gekomen regeling verband houdende met de ongunstige toestand waarin degene ten wiens laste de stukken zijn of in wiens kapitaal of winst de stukken gerechtigheid aanduiden verkeert.
Periode: 1945-1970: Adm. Rijksbel./DGBel.
Grondslag: Zegelwet 1917, art. 91.2,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 845
Handeling: Het in bijzondere gevallen verlenen van kwijtschelding, vermindering en teruggaaf van zegelrecht en boeten.
Periode: 1945-1970: Adm. Rijksbel./DGBel.
Grondslag: Zegelwet 1917, art. 91.3,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 846
Handeling: Het afwijzen of toewijzen van verzoeken om kwijtschelding van interest op verschuldigd zegelrecht waarvoor men uitstel van betaling heeft verkregen.
Periode: 1945-1970: Adm. Rijksbel./DGBel.
Grondslag: Zegelwet 1917, art. 91a.4,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 847
Handeling: Het afgeven van vergunningen voor het mogen afdragen van zegelrecht op afrekening.
Periode: 1945-1970: Adm. Rijksbel./DGBel.
Grondslag: Resolutie van den Minister van Financiën, d.d. 19 Mei 1937, no. 187, houdende Algemeene Uitvoeringsregelen Zegelwet 1917, par. 17 onder b. en c., 18, 21,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afloop van de vergunning
Nummer: 848
Handeling: Het op verzoek wel/niet verlenen van vergunningen houdende het gelijkstellen van lichamen en instellingen met publiekrechtelijke lichamen, Rijks- Provinciale- of Gemeentelijke bedrijven i.v.m. de voldoening van zegelrecht op afrekening.
Periode: 1945-1970: Adm. Rijksbel./DGBel.
Grondslag: Resolutie van den Minister van Financiën, d.d. 19 Mei 1937, no. 187, houdende Algemeene Uitvoeringsregelen Zegelwet 1917, par. 17 onder d., 21,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afloop van de vergunning
Nummer: 849
Handeling: Het afwijzen of toewijzen, onder aanwijzing van de te gebruiken machine, van verzoeken vergunning te verlenen zegelrecht en couponbelasting te voldoen in gevallen waar in plaats van plakzegels machinaal gezegeld is.
Periode: 1945-1970: Admin. Rijksbel./DGBel.
Grondslag: 1. Resolutie d.d. 19 Mei 1937, no. 188, houdende regelen voldoening zegelrecht en couponbelasting door middel van machines, I par. 1,
2. Beschikking van 1 Februari 1951, no. 259, Regelen voldoening zegelrecht d.m.v. machines, I par. 1,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afloop van de vergunning
Nummer: 850
Handeling: Het aangaan en intrekken van overeenkomsten met leveranciers houdende de aanwijzing van machines waarmee en de voorwaarden waaronder, in plaats van het gebruik van plakzegels, gezegeld mag worden en waarvoor zegelrecht en couponbelasting geheven wordt.
Periode: 1945-1970
Grondslag: 1. Resolutie d.d. 19 Mei 1937, no. 188, houdende regelen voldoening zegelrecht en couponbelasting door middel van machines, I par. 1, 8,
2. Beschikking van 1 Februari 1951, no. 259, Regelen voldoening zegelrecht d.m.v. machines, I par. 1, 8,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na vervallen van de overeenkomst
Nummer: 851
Handeling: Het in afzonderlijke beschikkingen aanwijzen van gevallen waarin toestemming verleend wordt om machinaal stukken te zegelen als het plakzegel door de handtekening van de gebruiker van de machine zou worden vernietigd.
Periode: 1945-1970: Admin. Rijksbel./DGBel.
Grondslag: 1. Resolutie d.d. 19 Mei 1937, no. 188, houdende regelen voldoening zegelrecht en couponbelasting door middel van machines, I par. 3,
2. Beschikking van 1 Februari 1951, no. 259, Regelen voldoening zegelrecht d.m.v. machines, I par. 3,
Waardering: V, 10 jaar na vervallen/intrekking van de toestemming
Nummer: 852
Handeling: Het afwijzen of toewijzen van verzoeken voorgelegd door leveranciers van zegelmachines veranderingen te mogen aanbrengen in de machines of in de stempelafdrukken.
Periode: 1945-1970: Admin. Rijksbel./DGBel.
Grondslag: 1. Resolutie d.d. 19 Mei 1937, no. 188, houdende regelen voldoening zegelrecht en couponbelasting door middel van machines, I par. 7,
2. Beschikking van 1 Februari 1951, no. 259, Regelen voldoening zegelrecht d.m.v. machines, I par. 7,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 853
Handeling: Het aanwijzen van een afwijkende gangbare coupure voor bepaalde soorten effecten voor de berekening van de verkoopwaarde waarover zegelrecht is verschuldigd alsmede vaststelling van de beurs waarvan de notering van het effect voorrang krijgt.
Periode: 1945-1970: Adm. Rijksbel./DGBel.
Grondslag: Resolutie van den Minister van Financiën d.d. 10 Mei 1937, no. 190, houdende Uitvoeringsregelen Effectenzegel, par. 2,
Waardering: B, 4
Nummer: 854
Handeling: Het wel/niet verlenen van machtigingen, houdende voorwaarden en aangevende de wijze waarop m.b.t. de inrichting van de effectennota en het dubbel, het gebruik der zegels, de bewaring der dubbelen, de wijze van het in rekening brengen van het zegelrecht (beursbelasting) en de vermelding daarvan op het dubbel afgeweken mag woorden door effectenhandelaren.
Periode: 1945-1970: Adm. Rijksbel./DGBel.
Grondslag: Resolutie van den Minister van Financiën d.d. 19 Mei 1937, no. 191, houdende Uitvoeringsregelen Beurszegel, par. 2.6,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na vervallen van de machtiging
Nummer: 855
Handeling: Het vaststellen van de openingstijden van de kantoren waar akten ter registratie kunnen worden en (v.a. Besluit S.G. d.d. 10-3-1942, nr. 183, Stcrt. 55) het beperken van de openstellingstijden in bijzondere gevallen.
Periode: 1945-1971:
Grondslag: Registratiewet 1917, art. 9,
Waardering: B, 4
Nummer: 856
Handeling: Het vaststellen van de wijze waarop de registratie van akten in registers worden geregistreerd.
Periode: 1945-1971:
Grondslag: Registratiewet 1917, art. 12,
Waardering: B, 4
Nummer: 858
Handeling: Het vaststellen, wijzigen en intrekken van de vorm van de verklaring die de Rijksambtenaar plaatst op geregistreerde akten.
Periode: 1945-1971:
Grondslag: Registratiewet 1917, art. 14,
Waardering: B, 4
Nummer: 860
Handeling: Het afwijzen en toewijzen van verzoeken om inlichtingen uit, het verkrijgen van inzage in en het verkrijgen van uittreksels uit de registers van registratie alsmede het machtigen van de rijksambtenaar (de belastingdienst) daartoe.
Periode: 1945-1971
Grondslag: Registratiewet 1917, art. 17,
Waardering: V, termijn: 10 jaar
Nummer: 863
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van Koninklijke Besluiten:
1. houdende het aanwijzen van de ambtenaren die belast zijn met de waarmerking en nummering van de bladen van de registers die dagelijks bijgehouden dienen te worden door notarissen en deurwaarders van rechterlijke colleges en kantongerechten.
2. houdende regels ter waarborging van de voldoening van verschuldigde rechten voor aan te wijzen van voor bederf vatbare goederen die worden verkocht en waarvoor a) voor de verkoop geen aangifte hoeft te wordend gedaan, b) geen verklaring van verkoop ter registratie hoeft te worden aangeboden.
Periode: 1945-1971
Grondslag: Registratiewet 1917,
1. art. 20,
2. art. 60,
Waardering: B, 4
Nummer: 866
Handeling: Het opstellen wijzigen en intrekken van (nadere) regels m.b.t. verklaringen, die opgemaakt worden na het sluiten van een overeenkomst tot overdracht van onroerende zaken doch voordat een akte opgemaakt wordt, aanwijzende de staat en de verkoopwaarde der onroerende zaken op het tijdstip van levering.
Periode: 1945-1971
Grondslag: Registratiewet 1917, art. 72a,
Waardering: B, 4
Nummer: 867
Handeling: Het aanwijzen van ambtenaren der registratie die, indien geen gebruik wordt gemaakt van een procureur, de Staat vertegenwoordigt voor de burgerlijke rechter ingeval van geschillen over invordering en terugvordering van rechten en de waardering van onroerende zaken.
Periode: 1945-1971
Grondslag: Registratiewet 1917, art. 94,
Waardering: V, termijn: 10 jaar
Nummer: 868
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van een AMVB:
1. houdende vrijstelling van recht voor bepaalde soorten van niet aan evenredig recht onderworpen akten.
2. houdende het bedrag aan zuivere inkomsten/(v.a. 1965 Stb. 620:) belastbaar inkomen in de zin van de inkomstenbelasting waar beneden voor akten waaruit plaatsing of storting op aandelen blijkt vrijstelling van registratierecht genoten wordt. (deze handeling komt ook voor bij de vennootschapsbelasting, dividendbelasting, zegelwet en na 1970 bij belastingen van rechtsverkeer)
Periode: 1945-1971
Grondslag: Registratiewet 1917,
1. art. 99.1,
2. art. 101.1 letter p v.a. wijz. wet. 27-6-1963 Stb. 374,
Waardering: B, 4
Nummer: 869
Handeling: Het afwijzen of toewijzen van verzoeken tot het verlenen van kwijtschelding, vermindering of teruggave van registratierecht in gevallen waarin onroerend goed onder bezwarende titel is verkregen en vooraf gebouwen en beplantingen door verzoeker zijn gesticht, alsmede betreffende het verlenen van kwijtschelding, vermindering of teruggave van recht en boeten in bijzondere gevallen.
Periode: 1945-1971
Grondslag: Registratiewet 1917, art. 99.2.3,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 870
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van voorwaarden waaraan vennootschappen moeten voldoen om bij de registratie van akten m.b.t. de uitgifte/storting en plaatsing van effecten vrijstelling van registratierecht te genieten (door belastingplichtige) beneden een maximum bedrag aan zuiver inkomen (volgens de inkomstenbelasting).
Periode: 1963-1971
Grondslag: Registratiewet 1917, art. 101.1 letter p v.a. wijz. wet 27-6-1963 Stb. 374,
Waardering: B, 4
Nummer: 871
Handeling: Het aanwijzen van de kantoren der registratie waar opgaven dienen te worden ingeleverd van de dag en opbrengst van openbare verkopingen van voor bederf vatbare goederen waarvoor geen aangifte vooraf gedaan dient te worden of na afloop een akte of verklaring ter registratie dient te worden aangeboden en het aanwijzen van ontvangers welke zijn belast met het toezicht op de openbare verkopingen.
Periode: 1945-1971
Grondslag: Besluit d.d. 4-5-1917, Stb. 384, houdende bepalingen tot uitvoering van de Wet van 22-3-1917 tot heffing van rechten van registratie, art. 4, 9,
Waardering: B, 4
Nummer: 872
Handeling: Het afwijzen of toewijzen van verzoeken van vennootschappen en verenigingen te bepalen dat van openbare verkopingen van voor bederf vatbare goederen waarvoor geen aangifte vooraf gedaan dient te worden of na afloop een akte of verklaring ter registratie dient te worden aangeboden.
Periode: 1945-1971
Grondslag: Besluit d.d. 4-5-1917, Stb. 384, houdende bepalingen tot uitvoering van de Wet van 22-3-1917 tot heffing van rechten van registratie, art. 5,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 873
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van regels/ministeriële regelingen:
1. ter zake van het aanwijzen van de inspecteurs die de registers, waarin akten worden geregistreerd, bijhouden.
2. betreffende het aanwijzen van de ambtenaren aan wie notarissen A) inlichtingen moeten verstrekken ter controle van de naleving van de bepalingen van deze wet, B) inzage te verstrekken in akten en registers, C) moeten toestaan uittreksels uit registers en akten te maken en bescheiden voor onderzoek mee te nemen.
3. betreffende het bepalen a) aan welke ambtenaren van de Rijksbelastingdienst aanbieding ter registratie alsmede wanneer en op welke wijze de betaling van de kosten moet geschieden en welke inspecteur bevoegd is t.a.v. de verplichtingen van notarissen, b) van de dagen en uren waarop de kantoren voor het aanbieden van akten ter registratie en voor de betaling van de kosten zijn geopend, c) hoe de inrichting van de registers van registratie is en de wijze waarop de registratie geschiedt, d) van de wijze waarop van de registratie op de geregistreerde akten blijkt, e) van de inrichting en wijze van bijhouding van het (dagelijks) door notarissen bij te houden repertorium van opgemaakte akten.
Periode: 1971-...:
Grondslag: Registratiewet 1970,
1. art. 1,
2. art. 8,
3. art. 13,
Waardering: B, 4
Nummer: 878
Handeling: Het wel/niet verlenen van ontheffing van de geheimhoudingsplicht aan ambtenaren belast met de uitvoering van de Registratiewet 1970.
Periode: 1972-...
Grondslag: Registratiewet 1970, art. 10.3,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na beëindiging ontheffing
Nummer: 879
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van een AMVB betreffende a) de vaststelling van tarieven voor 1) het registreren van akten en 2) het verlenen van inzage in en het verstrekken van uittreksels uit de registers van registratie, b) het verlenen van ontheffing van de verplichting tot aanbieding ter registratie van bepaalde soorten van akten.
Periode: 1971-...: DGFZ/WD+V-WV
Grondslag: Registratiewet 1970, art. 12,
Waardering: B, 4
Nummer: 880
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van (nadere) regels/ministeriële regelingen:
1. welke bij aangifte in acht genomen moeten door vennootschappen, lichamen en verenigingen en (v.a. 1989) coöperaties bij het verstrekken van gegevens welke van belang zijn voor de heffing van de overdrachtsbelasting.
2. welke er toe strekken dat de overdrachtsbelasting, ter zake van een verkrijging waarvan een notariële akte is opgemaakt, wordt voldaan ter gelegenheid van de aanbieding van die akte ter registratie.
3. betreffende het vaststellen, wijzigen en intrekken van het aangifteformulier voor de overdrachtsbelasting waarbij een verzoek tot teruggaaf gedaan kan worden.
4. volgens welke de effectenhandelaar verplicht is ter zake van zijn aan- en verkopen van effecten een genummerde en gedagtekende nota uit te reiken en een dubbel daarvan te bewaren i.v.m. de in te houden en af te dragen beursbelasting.
5. betreffende het vaststellen, wijzigen en intrekken van voorwaarden waaronder aan effectenhandelaren ontheffing verleend kan worden van de regels m.b.t. uitreiken van genummerde en gedagtekende nota's en het bewaren van dubbelen daarvan.
6. welke de effectenhandelaar moet aanhouden m.b.t. het houden van aantekening van aan- en verkopen van effecten i.v.m. de heffing van de beursbelasting.
Periode: 1970-...: DGFZ/WV
Grondslag: Wet belastingen van rechtsverkeer,
1. art. 4.2, (v.a. 1990: `bij min. regeling')
2. art. 18.1,(v.a. 1990: `bij min. regeling')
3. art. 19.2,
4. art. 49.1; vervallen bij wet 21-6-1990 Stb. 334,
5. art. 49.3; vervallen bij wijz. wet 21-6-1990 Stb. 334,
6. art. 49.4; vervallen bij wet 21-6-1990 Stb. 334,
Waardering: B, 4
Nummer: 881
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van een AMVB:
1. houdende regels m.b.t. het bepalen van de waarde van periodieke schuldplichtigheid voor de heffing van overdrachtsbelasting.
2. houdende voorwaarden volgens welke voor verkrijgingen (in de wet genoemd) vrijstelling van overdrachtsbelasting wordt genoten.
3. houdende nadere regels betreffende de plaats waar het voorwerp van de verzekering zich bevindt i.v.m. de heffing van de assurantiebelasting.
4. houdende voorwaarden m.b.t. de berekening van de kapitaalsbelasting over de nominale waarde van de toegekende aandelen in een overgenomen lichaam, verminderd met de nominale waarde van de ingebrachte aandelen in het overgenomen lichaam dan wel bij inbreng van ander vermogen een evenredig deel van de nominale waarde van het in aandelen verdeelde kapitaal van het overdragende lichaam.
5. houdende voorwaarden waaronder, ter zake van het bijeenbrengen van kapitaal in een lichaam dat dit kapitaal doorgeeft aan een ander lichaam waarin het alle aandelen bezit, een lager tarief van de kaptaalsbelasting geldt.
6. houdende voorwaarden m.b.t. vrijstelling van kapitaalsbelasting m.b.t. het bijeenbrengen van kapitaal.
7. houdende voorwaarden waaronder, voor de aankoop en verkoop van effecten, vrijstelling van beursbelasting genoten wordt.
8. houdende nadere, zonodig van de wet afwijkende, regelen ter vergemakkelijking van de heffing van overdrachtsbelasting, assurantiebelasting, kapitaalsbelasting en de beursbelasting. (v.a. 1990: regels die tot vergemakkelijking van de heffing kunnen leiden)
9. houdende andere in het kader van de wet passende nadere regels ter aanvulling van de geregelde onderwerpen.
Periode: 1970-...: DGFZ/WV
Grondslag: Wet belastingen van rechtsverkeer,
1. art. 11.3,
2. art. 15.1,
3. art. 21.2; vervallen bij wijz. wet 20-6-1990 Stb. 332,
4. art. 35.4; vervallen bij wijz. wet 28-12-1989,
5. art. 36.2,
6. art. 37; gewijzigd bij wijz. wet 28-12-1989 in: art. 37.1,
7. art. 45; vervallen bij wet 21-6-1990 Stb. 334,
8. art. 53 onder a,
9. art. 53 onder b,
Waardering: B, 4
Nummer: 882
Handeling: Het beoordelen of rechtspersonen wel/niet hoofdzakelijk ten doel hebben monumenten in stand te houden i.v.m. het recht op vrijstelling van overdrachtsbelasting.
Periode: 1972-...: DGBel./IB, VB
Grondslag: 1. Wet belastingen van rechtsverkeer, art. 15.1 letter p,
2. Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer, art. 5.2 onder b,
Waardering: V, termijn: 25 jaar na afhandeling
Nummer: 884
Handeling: Het stellen, wijzigen en intrekken van nadere voorwaarden (v.a. 1990 Stb. 332: bij min. regeling)
1. m.b.t. het verlenen van vrijstelling van kapitaalsbelasting aan lichamen voor aandelen a) afgegeven aan personen die niet meer dan een in de Wet inkomstenbelasting genoemd belastbaar ( v.a. 1976: gezamenlijk) inkomen hebben, b) niet gehouden kunnen worden door anderen dan aan wie ze zijn afgegeven of diens (gewezen) echtgenoot.
2. m.b.t. het verlenen van vrijstelling van beursbelasting op effecten a) afgegeven aan personen die niet meer dan een in de Wet inkomstenbelasting genoemd (v.a. 1976: gezamenlijk) belastbaar inkomen hebben, b) niet gehouden kunnen worden door anderen dan aan wie ze zijn afgegeven of diens (gewezen) echtgenoot.
Periode: 1970-...: DGBel./IB, DGFZ/WV
Grondslag: Wet Belastingen van rechtsverkeer,
1. art. 37 onder b 2e; gewijzigd bij wijz. wet 28-12-1989 in: art. 37.1 onder c 2e,
2. art. 45; vervallen bij wet 21-6-1990 Stb. 334,
Waardering: B, 4
Nummer: 885
Handeling: Het wel/niet verlenen van ontheffingen aan effectenhandelaren van de regels m.b.t. uitreiken van genummerde en gedagtekende nota's en het bewaren van dubbelen daarvan.
Periode: 1972-1990: DGBel./IB, VB
Grondslag: Wet Belastingen van rechtsverkeer, art. 49.3; vervallen bij wijz. wet 21-6-1990 Stb. 334,
Waardering: V, termijn 10 jaar na vervallen van de ontheffing
Nummer: 886
Handeling: Het voorbereiden van een wet houdende wijziging van andere wetten i.v.m. de invoering van de Wet Belastingen van rechtsverkeer.
Periode: 1970-...: DGFZ/WV
Grondslag: Wet Belastingen van rechtsverkeer, art. 60.3,
Waardering: B, 1
Nummer: 887
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van regels houdende nadere bepalingen ter zake van de overgang naar deze wet.
Periode: 1970: DGFZ/WV
Grondslag: Wet belastingen van rechtsverkeer, art. 60.4,
Waardering: B, 4
Nummer: 888
Handeling: Het aanwijzen van makelaars in assurantiën, door wiens tussenkomst door makelaars verzekeringen worden gesloten, waarvan de assurantiebelasting wordt geheven.
Periode: 1970-...: DGBel. IB, DGFZ/WV
Grondslag: Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer, art. 7; gewijzigd bij wijz. 20-12-1971 Stb. 764 in: art. 9,
Waardering: B, 4
Nummer: 889
Handeling: Het afwijzen of toewijzen, onder voorwaarden, van verzoeken de bepaling buiten toepassing te laten dat alsnog kapitaalsbelasting verschuldigd wordt als aandelen verworven middels een fusie of interne reorganisatie door het lichaam dat de aandelen heeft verworven worden vervreemd.
Periode: 1972-1974: DGBel./IB
Grondslag: Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer, art. 11; gewijzigd bij wijz. 20-12-1971 Stb. 764 in: art. 14; vervallen bij wijz. 25-3-1974 Stb. 124,
Waardering: V, termijn: 10 jaar
Nummer: 890
Handeling: Het afwijzen of toewijzen van verzoeken om vrijstelling van de verbruiksbelasting voor zware stookolie aan degenen die een stookinstallatie zodanig gebruiken dat zij aan in de wet genoemde criteria m.b.t. de uitworp van zwaveldioxide en ontzwavelingspercentage voldoen.
Periode: 1992-...: DGBel./
Grondslag: Wet van 24 juni 1992, Stb. 317, Wet verbruiksbelastingen van brandstoffen, geheven naar een milieugrondslag, art. II.2
Waardering: V, termijn: 10 jaar
Nummer: 891
Handeling: Het opstellen wijzigen en intrekken van regels m.b.t.:
1. de wijze waarop wordt vastgesteld of belastingplichtigen voldoen aan in de wet genoemde voorwaarden ter zake van de uitworp van zwaveldioxide en het ontzwavelingspercentage bij gebruik van stookinstallaties voor (zware) stookolie.
2. de wijze waarop wordt vastgesteld of belastingplichtigen voldoen aan in de wet genoemde voorwaarden ter zake van de uitworp van zwaveldioxide en het ontzwavelingspercentage bij gebruik van stookinstallaties voor kolen.
Periode: 1992-...: DGFZ/WDB, v.a. 1993: WM
Grondslag: Wet van 24 juni 1992, Stb. 317, Wet verbruiksbelastingen van brandstoffen, geheven naar een milieugrondslag,
1. art. II.2,
3. art. II.3,
Waardering: B, 4
Nummer: 892
Handeling: Het afwijzen of toewijzen van verzoeken om teruggaaf van de verbruiksbelasting van kolen aan degenen die voldoen aan in de wet gestelde voorwaarden m.b.t. de uitworp van zwaveldioxide en het ontzwavelingspercentage.
Periode: 1992-...: DGBel./
Grondslag: Wet van 24 juni 1992, Stb. 317, Wet verbruiksbelastingen van brandstoffen, geheven naar een milieugrondslag, art. II.3,
Waardering: V, termijn: 10 jaar
Handelingen ingevolge internationale wet- en regelgeving
De hierna opgenomen handelingen hebben betrekking op verdragen/overeenkomsten die betrekking hebben op specifieke belastingen doch niet zo zeer zijnde verdragen t.v.v. dubbele belastingen. Voor de meer algemene of meerdere belastingen betreffende verdragen en de wettelijke goedkeuringen daarvan raadplege men de PIVOT-rapportage `Belastingver(h)effend'. In verband met latere rangschikking van de gegevens wordt waar nodig verwezen naar die handelingen.
Voor verdragen ter voorkoming van dubbele belastingen kan eveneens verwezen worden naar de handelingen in het rapport `Belastingver(h)effend'.
Hierbij kunnen ook gerekend worden:
Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk ter voorkoming van dubbele belasting m.b.t. rechten van overgang van vermogen door overlijden d.d. 15-10-1948.
Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Zwitserse Bondsstaat t.v.v. dubbele belasting op het gebied van Successiebelastingen d.d. 12-11-1951.
Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Zweden t.v.v. dubbele belasting en het vaststellen van regelen voor wederzijdse administratieve hulp m.b.t. rechten terzake van nalatenschappen d.d. 25-4-1952.
Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Finland tot het vermijden van dubbele belasting en tot het vaststellen van regelen voor wederzijdse administratieve hulp m.b.t. rechten terzake van nalatenschappen d.d. 29 maart 1954.
Nummer: 894
Handeling: Het (mede-)voorbereiden, wijzigen en intrekken van internationale verdragen (en protocollen) en overeenkomsten m.b.t. de heffing en inning van specifieke belastingen.
Periode: 1945-...: Adm. Rijksbel./DGFZ IFZ, WV
Grondslag: Grondwet 1983/1987 art. 91, Grondwet 1815 art. 58, GW 1848 art. 59, GW 1887 art. 58, GW 1922/1938/1948/1972, art. 60,
Waardering: B, 1
Nummer: 895
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van goedkeuringswetten i.v.m. gesloten internationale verdragen en overeenkomsten m.b.t. de heffing en inning van specifieke belastingen.
Periode: 1945-...: Adm. Rijksbel./DGFZ IFZ, WV
Grondslag: Grondwet 1983/1987 art. 91, Grondwet 1815 art. 58, GW 1848 art. 59, GW 1887 art. 58, GW 1922/1938/1948/1972 art. 60,
Waardering: B, 1
Nummer: 896
Handeling: Het opstellen, van het internationaal belastingcarnet in de nationale taal dat ingevuld en getoond moet worden i.v.m. de internationaal geregelde vrijstelling voor belastingheffing van vreemde motorrijtuigen alsmede het opstellen van uitvoeringsvoorschriften.
Periode: 1945-...: Adm. Rijksbel./DGFZ- afd. WV+D
Grondslag: Verdrag van Genève van 30 maart 1931 nopens de belastingheffing van vreemde motorrijtuigen,
Goedkeuringswet 1-11-1933, Stb. 560,
Waardering: B, 1
Nummer: – zie handeling nr. 179 `Belastingver(h)effend'
Handeling: Het mede-voorbereiden van Besluiten, Richtlijnen en beleidsvoornemens van de EEG en daaronder ressorterende Comités, werkgroepen en overlegvormen, alsmede het voeren van overleg en uitwisseling van beleidsvoornemens met andere Lid-Staten m.b.t. de heffing en invordering van (specifieke) belastingen.
Periode: 1957-...: DGFZ
Grondslag: Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, art. 99, 100,
Organisatiebeschikkingen verschillende directies behorende tot het DGFZ
Nummer: 897
Handeling: Het in beroep gaan en het voeren van verweer bij het Europese Hof van Justitie inzake door de Gemeenschap genomen beslissingen, het niet nakomen van beslissingen door Lid-Staten en de EG en tegen door natuurlijke rechtspersonen aangespannen beroepen m.b.t. de heffing en invordering van belastingen.
Periode: 1957-...: DGFZ/AFP
Grondslag: EEG-verdrag, art. 169, 170, 173,
Waardering: B, 6
Nummer: – zie handeling nr. 182 `Belastingver(h)effend'
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van uitvoeringsvoorschriften, m.b.t. het heffen en invorderen van (specifieke) belastingen en het voorkomen van fraude, ingevolge de EG-richtlijnen, voorzover niet rechtstreeks afkomstig uit nationale wetgeving.
Grondslag: EG-richtlijnen
Nummer: 898
Handeling: Het in kennis stellen van de EEG van voorgenomen maatregelen nodig voor het opvolgen van Richtlijnen, Besluiten van de EG alsmede het voeren van overleg hierover en verwerken van de uitkomsten daarvan.
Periode: 1957-...: DGFZ
Grondslag: Richtlijnen, Besluiten, Reglementen van de EEG
Waardering: B, 1
Nummer: – zie handeling nr. 179 `Belastingver(h)effend'
Handeling: Het mede-voorbereiden, wijzigen en intrekken van reglementen van comités van de EG.
Periode: 1957-
Grondslag: EG-richtlijnen
Nummer: – zie handeling nr. 184 `Belastingver(h)effend'
Handeling: Het aanwijzen, benoemen en ontslaan van leden van commissies die in EG-verband arbitrair optreden m.b.t. de uitvoering van de heffing van specifieke belastingen nadat Lid-Staten onderling geen oplossing hebben kunnen vinden voor door belastingplichtigen voorgelegde problemen.
Periode: 1957-...:
Grondslag: Richtlijnen-EG
Nummer: 899
Handeling: Het voorleggen van geschillen met andere Lid-Staten inzake de heffing en inning van specifieke belastingen aan arbitraire commissies en instanties van de EG, voorzover niet gegrond op nationale wetgeving.
Periode: 1957-...:
Grondslag: Richtlijnen EG
Waardering: B, 6
Nummer: – zie handeling nr. 179 `Belastingver(h)effend'
Handeling: Het in kennis stellen van andere Lid-Staten en van organen en instanties van de EG van aanpassing van nationale wetgeving en uitvoeringsvoorschriften welke zijn aangebracht op voorschrift in EG-richtlijnen
Periode: 1957-
Grondslag: EG-richtlijnen
De handelingen hebben betrekking op verdragen/overeenkomsten die betrekking hebben op specifieke belastingen. Voor de meer algemene of meerdere belastingen betreffende verdragen en de wettelijke goedkeuringen daarvan zie de Pivot-rapportage `Belastingver(h)effend'. In verband met latere rangschikking van de gegevens wordt waar nodig verwezen naar die handelingen.
Nummer: – zie handeling nr. 181 `Belastingver(h)effend'
Handeling: Het verstrekken en ontvangen van gegevens aan en van de Beneluxpartijen i.v.m. de heffing van omzetbelasting.
Periode: 1964-...: DGFZ/IFZ/WV+D, DGBel./AFZ
Grondslag: Verdrag van 25 mei 1964 tot wederzijdse bijstand tussen België, het Groothertogdom Luxemburg en Nederland inzake de heffing van omzetbelasting, de overdrachtstaxe en soortgelijke belastingen.
Nummer: 900
Handeling: Het, gezamenlijk met de Beneluxlanden, oprichten van diensten die belast zijn met de heffing van de omzetbelasting alsmede het bepalen van de werkwijze van die diensten.
Periode: 1964-...: DGFZ/IFZ/WV+D
Grondslag: Verdrag van 25 mei 1964 tot wederzijdse bijstand tussen België, het Groothertogdom Luxemburg en Nederland inzake de heffing van omzetbelasting, de overdrachtstaxe en soortgelijke belastingen, art. 11,
Waardering: B, 1
Nummer: 901
Handeling: Het voorbereiden wijzigen en intrekken van een AMVB houdende, bij wijze van proef, van de Wet Omzetbelasting afwijkende regels welke ertoe strekken dat de omzetbelasting waaraan de invoer vanuit de Beneluxlanden is onderworpen, kan worden geheven van degene die de goederen betrekt.
Periode: 1966-...: DGFZ/WV+D
Grondslag: Wet van 16 maart 1966, Stb. 123, houdende goedkeuring van het Benelux Bijstandsverdrag inzake omzetbelasting alsmede voorzieningen ter vergemakkelijking van het Beneluxgoederenverkeer, art. 2,
Actor: de Minister
Waardering: B, 4
Nummer: 902
Handeling: Het afwijzen en toewijzen van verzoeken om aangewezen te worden als ondernemer/ publiekrechtelijk lichaam/vereniging of stichting die, i.v.m. uitvoer naar de Beneluxlanden, in aanmerking komt voor vrijstelling of teruggaaf van de omzetbelasting.
Periode: 1966-...: DGBel./VB en douane
Grondslag: Besluit omzetbelasting bijzondere regelingen III, d.d. 18-7-1966, Stb. 333, art. 5,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
2. Actor: de minister van Financiën te Londen
Nummer: 4
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van Besluiten (K.B.'s en AMVB's) gedurende het verblijf van de Koningin en regering in Londen tijdens de bezettingstijd.
Periode: 1940-1945
Grondslag: *
Waardering: B, 1/9
Nummer: 153
Handeling: Het, tot 5 jaar na de bezettingstijd, onderzoeken of belastingplichtige met juistheid heeft voldaan aan zijn belastingplicht en het evt. nemen van maatregelen welke het Nederlands recht voorziet.
Periode: 1940-1945
Grondslag: Besluit van 18 september 1941 te Londen, art. 10,
Waardering: B, 9
Nummer: 155
Handeling: Het o.g.v. bijzondere omstandigheden gehele of gedeeltelijke kwijtschelding of vermindering verlenen van de belastingplicht.
Periode: 1941-1942
Grondslag: Besluit van 18 september 1941 te Londen, art. 11,
Waardering: B, 9
Nummer: 156
Handeling: Het, in overleg met de minister van Buitenlandsche Zaken te Londen, vaststellen van uitvoeringsvoorschriften.
Periode: 1941-1942
Grondslag: Besluit van 18 september 1941 te Londen, art. 13,
Waardering: B, 4/9
Nummer: 158
Handeling: Het, samen met de minister van Buitenlandsche Zaken te Londen, aanwijzen welke instantie in elk land belast is met de inning der verplichte inkomstenbelasting.
Periode: 1941-1942
Grondslag: Besluit van 18 september 1941 te Londen, art. 13,
Waardering: B, 4/9
Handelingen ingevolge interne regelgeving
Nummer: 51
Handeling: Het afdoen van verzoeken inzake vrijstelling en teruggaaf van belastingen ingevolge specifieke belastingwetten, welke volgens de heffingswet behandeld dienen te worden door de minister maar waarvan de afdoening bij aanschrijving is gedelegeerd.
Periode: 1945-...
Grondslag: verschillende aanschrijvingen
bijv. aanschrijving Vennootschapsbelasting inz. toepassing art. 23a.2 Wet vennootschapsbelasting 1969 bij overdracht stamrechtverplichting.
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling van eenmalige vrijstellingen en teruggaven
V, termijn: 10 jaar na beëindiging/hernieuwing van beschikkingen die bepaalde of onbepaalde tijd werkingskracht hebben
Nummer: 52
Handeling: Het binnen de dienst maken van afspraken, studies, evaluaties en het opstellen van richtlijnen/instructies m.b.t./van het te voeren beleid bij de uitvoering van de heffingswetten.
Periode: 1945-...
Grondslag: *
Waardering: B, 4
Handelingen van wetten die aanvulling van meerdere belastingwetten beogen
Nummer: 53
Handeling: Het in verband met de heffing, inning en navordering van opcenten op de aanslagen in de grondbelasting wegens gebouwde eigendommen, de vermogensbelasting, de inkomstenbelasting, de dividend- en tantièmebelasting, het zegelrecht (vervallen 1950), de rechten van successie, overgang en schenking, het registratierecht (vervallen 1950), de gedistilleerdaccijns, de accijns op suiker en de accijns op wijn afgeven van verklaringen, beschikkingen en machtigingen betreffende de berekening en het opleggen van opcenten, alsmede het verrichten van de administratieve afhandeling daarvan.
Periode: 1945-1951
Grondslag: Wet van 27-12-1938 Stb. 413, art. 4, 5, 6, 7, 8, 9 vervallen 1950, 10, 11 vervallen 1950, 12,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na het belastingjaar
Wet van 29 september 1950, Stb. K423, houdende verzachtingen voor de berekening van de belastingen naar inkomen en winst (Wet Belastingherziening 1950) b.w. 1991 Stb. 697.
Nummer: 56
Handeling: Het in verband met de heffing, inning en navordering van inkomstenbelasting en vermogensbelasting afgeven van verklaringen, beschikkingen en machtigingen betreffende:
1. vervroegde afschrijvingen op investeringen;
2. de herwaardering van bedrijfsmiddelen;
3. de vaststelling van het zuiver vermogen;
4. teruggaaf van de belasting;
5. de kosten in aanmerking te nemen als kosten van verwerving.
Periode: 1950-1964
Grondslag: Wet Belastingherziening 1950, art. 4: vervalt bij Wet houdende vervanging van het besluit op de inkomstenbelasting 1941 door een nieuwe wettelijke regeling (wet op de inkomstenbelasting 1964, 11, 12, 14,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na het belastingjaar
Nummer: 57
Handeling: Het i.v.m. de heffing, inning en navordering van inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting afgeven van machtigingen, beschikkingen en verklaringen, en het verrichten van de administratieve afhandeling hiervan, betreffende:
1. de vergroting van het kapitaal door uitdeling van dividend;
2. het tijdig doen van de aangifte;
3. bezwaar en beroep.
Periode: 1951-...
Grondslag: Wet op de herkapitalisatie 1951, art. 1, 2,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na het belastingjaar
Nummer: 60
Handeling: Het i.v.m. de heffing, inning en navordering van inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting afgeven van machtigingen, beschikkingen en verklaringen betreffende:
1. het vergroten van het kapitaal door uitdeling van dividend in aandelen of in contanten
2. de behandeling van bezwaar en beroep tegen genomen beslissingen.
Periode: 1958-...
Grondslag: Wet op de herkapitalisatie 1957, art. 1, 2, 3,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na het belastingjaar
Wet van 7 augustus 1953, Stb. 400, houdende fiscale tegemoetkomingen in verband met de watersnoodramp
Nummer: 63
Handeling: Het, naar aanleiding van de watersnoodramp 1953 i.v.m. de heffing inning en navordering van loon-, inkomsten- en vennootschapsbelasting afgeven van machtigingen, beschikkingen en verklaringen betreffende:
1. de teruggaaf van belasting;
2. herberekening en toestaan van aftrekbare giften.
Periode: 1953-..?..
Grondslag: Wet van 7 augustus 1953, art. 2, 5, 8,
Waardering: B, 9
Handelingen belastingen naar inkomen, winst en vermogen
Besluit van den Secretaris-Generaal van het Departement van Financiën van 5 december 1940 betreffende de loonbelasting, VB 224, b.w. per 1-7-1965 bij Wet 16 december 1964 Stb. 514.
Nummer: 73
Handeling: Het ingevolge het Besluit op de Loonbelasting 1940 heffen, innen en navorderen van belasting d.m.v. het afgeven van machtigingen, beschikkingen en verklaringen, en het verrichten van de administratieve afhandelen hiervan, betreffende:
1. het opleggen van (voorlopige) aanslagen en navorderingsaanslagen;
2. het opleggen van boetes en het toelaten van transacties;
3. het verlenen van vrijstellingen;
4. het verlenen van verminderingen en teruggaven;
5. het verlenen van ontheffingen;
6. het opleggen van (administratieve) verplichtingen;
7. het vaststellen van data;
8. het verrichten van controle;
9. het verlenen van vergunningen.
Periode: 1945-1965
Grondslag: Besluit op de Loonbelasting 1940, art. 7.1 v.a. Tweede wijziging d.d. 13-6-1942 VB 69, art. 7.3, 8a.1 v.a. wijz. d.d. 30-10-1942 VB 128 art. 1, 11, 12, 13.1, 13.4 v.a. wijz. d.d. 21-7-1941 VB 157 art. 13.5, 14.1, 14a v.a. wijz. Wet d.d. 26-6-1952 Stb. 376 art. I, 15., 16.1 v.a. wijz. d.d. 30-10-1942 VB 128 art. VI, 17.2 vervallen bij wijz. d.d. 30-10-1942 VB 128 art VII, art. 17.4.6, 18, 19 div. leden o.a. gewijzigd bij Derde Wijzigingsbesluit d.d. 30-10-1942 VB 128 art. IX, 20, 21 verschillende leden o.a. gewijz. d.d. 30-10-1942 VB 128 art. X, art. 21a v.a. wijz. 30-10-1942 VB 128 art. XII, 22, 24, 25, 29, 30, 30a v.a. wijz. Wet van 24-12-1953 Stb. 589, 38, 39.2,
NB De art. 17.6, 29, 30, 30a, 38 en 39 zijn feitelijk buiten werking gekomen bij KB van 18-8-1962, Stb. 319 inzake inwerkingtreding AWR.
Waardering: V, 10 jaar na het belastingjaar
Nummer: 104
Handeling: Het i.v.m. de heffing, inning en navordering van loonbelasting, op grond van de Wet loonbelasting 1964, verlenen van machtigingen, beschikkingen en verklaringen betreffende:
1. het achterwege laten van de heffing i.v.m. dubbele heffing;
2. het tijdstip van in aanmerking te nemen aftrekbare kosten;
3. de overdracht van de basisaftrek;
4. de vaststelling van normaal tarief van het wereldinkomen;
5. de aanwijzing als inhoudingsplichtige;
6. de vermindering van loonbelasting;
7. de vaststelling van een dienstbetrekking;
8. vaststelling van aftrekbare kosten, vergoedingen en aanspraken;
9. vaststelling en waardering van loonbestanddelen en verstrekkingen;
10. de loonbelastingverklaring;
11. de bij te houden loonadministratie;
12. de verstrekking van het sociaal-fiscaal nummer;
13. het verlenen van vrijstellingen;
14. vergunning tot voorlopige uitbetaling;
15. vaststelling van de tariefgroep.
Periode: 1965-...
Grondslag: Wet op de loonbelasting 1964, art. 6.2b, 23.2; vervallen bij wijz. wet 16-11-1972 Stb. 614, 27.3; gewijzigd bij wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122 in: art. 27.7, 30.1 v.a. wijz. wet. 16-11-1972 Stb. 614: 30.2; gewijzigd bij wijz. wet 21-6-1980 Stb. 334 in: art. 30.3; vervangen bij wijz. wet 20-12-1984 Stb. 649 door art. 30.2, 30.5 v.a. wijz. wet 16-11-1972 Stb. 614; gewijzigd bij wijz. wet 21-6-1980 Stb. 334 in: art. 30.6; gewijzigd bij wijz. wet in: art. 30.7; gewijzigd bij wijz. Wet 18-12-1985 Stb. 700 in 30.8 en tegelijkertijd vervallen, 30.7 v.a. wijz. wet 5-7-1984 Stb. 313; gewijzigd bij wijz. wet 20-12-1984 Stb. 649 in: art. 30.8; gewijzigd bij wijz. wet 18-12-1985 Stb. 700 in 30.9 en tegelijkertijd vervallen, art. 30a v.a. wijz. wet 18-12-1985 Stb. 700, art. 32a v.a. wijz. wet 21-5-1986 Stb. 276; vervallen bij wijz. wet 30-5-1990 Stb. 222, art. 22.2 v.a. wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122, art. 23.3 v.a. wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122, art. 20a.3 v.a. wijz. wet 27-4-1989 Stb. 123,
Wet. van 30 december 1983, Stb. 690, art. XI.3, XIII.3
Waardering: V, termijn: 10 jaar na het belastingjaar
Besluit op de inkomstenbelasting 1941
Nummer: 179
Handeling: Het ingevolge het Besluit op de inkomstenbelasting 1941 heffen, innen en navorderen van belasting d.m.v. het afgeven van machtigingen, beschikkingen en verklaringen, en het verrichten van de administratieve afhandeling hiervan, betreffende:
1. het opleggen van (voorlopige) aanslagen en navorderingsaanslagen;
2. het opleggen van boetes en het toelaten van transacties;
3. het verlenen van vrijstellingen;
4. het verlenen van verminderingen en teruggaven;
5. het verlenen van ontheffingen;
6. het opleggen van verplichtingen;
7. het vaststellen van data;
8. het verrichten van controle;
9. het verlenen van vergunningen.
Periode: 1945-1964
Grondslag: Besluit op de inkomstenbelasting 1941, art. 20.1 v.a. wijz. wet 29-12-1950, 21a v.a. wijz. wet 24-12-1959 Stb. 499, 31.5, 36.3, 42.3, 42a v. wijz. wet 24-12-1953 Stb. 591, 44, 48, 51.1, 51a.1 v.a. wijz. wet 26-6-1952 Stb. 376, 52.2, 52.4 v.a. wijz. wet d.d. 16-8-1951 Stb. 378, 53.2, 54.2, 56.1.2, 57 (dit artikel bepaalt dat een aantal artikelen van de Wet IB 1914 van kracht blijven. In die artikelen zijn activiteiten van o.a. de belastingdienst opgenomen: art. 70, 73, 74, 75, 76, 91, 92, 106, 109, 113, 125, 126)
Wet van 29-9-1950, Stb. K 423, Wet Belastingherziening 1950, art. 14
Waardering: V, termijn: 10 jaar na het belastingjaar
Nummer: 202
Handeling: Het i.v.m. de heffing van inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, vermogensbelasting, omzetbelasting afgeven van machtigingen, beschikkingen en verklaringen betreffende:
1. vermindering en vaststelling van de onbelaste reserve;
2. afschrijvingen op onroerende goederen en bedrijfsmiddelen.
Periode: 1947-1950
Grondslag: Wet Belastingherziening 1947, art. 4.6, vervallen bij de Wet Belastingherziening 1950, Stb. K 423,
Waardering: V, termijn: 10 jaar
Wet van 16 december 1964, Stb. 512, Wet op de inkomstenbelasting 1964
Nummer: 214
Handeling: Het i.v.m. de heffing, inning en navordering van inkomstenbelasting o.g.v. de Wet op de inkomstenbelasting 1964 afgeven van machtigingen, beschikkingen en verklaringen, en het verrichten van de administratieve afhandeling hiervan, betreffende:
1. de meewerkendenaftrek;
2. de investeringsaftrek;
3. aandelenruil;
4. het doorschuiven van ondernemingsvermogen;
5. geruisloze overgang;
6. winst bij geruisloze overgang bij omzetting;
7. aftrekposten waarmee het onzuiver inkomen verminderd wordt;
8. vrijstelling van stamrechten bij bedrijfsbeëindiging en stakingswinst;
9. de vaststelling van inkomsten uit arbeid en inkomsten uit dienstbetrekking;
10. winst en inkomen uit aanmerkelijk belang;
11. winst uit aanmerkelijk belang i.v.m. fusie;
12. aandelenruil;
13. oudedagsreserve;
14. lijfrentepremie als persoonlijke verplichting;
15. het tijdstip van lijfrenteverplichting;
16. samenvoeging en overdracht van buitengewone lasten;
17. verliescompensatie;
18. overdracht van de basisaftrek;
19. herkapitalisatie;
20. verlies uit aanmerkelijk belang;
21. verrekening van voorheffing;
22. middeling;
23. landbouwvrijstelling;
24. lijfrentevrijstelling;
25. (des)investeringsbijdragen en
-aftrek.
Periode: 1965-...
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, art. 3.7.8 v.a. wijz. wet 20-12-1984 Stb. 649, art. 5.7.8 v.a. wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122, art. 8, 11.1. v.a. wijz. wet 28-12-1989 Stb. 610, 11.13 v.a wijz. wet 14-3-1973 Stb. 92; vervallen bij wijz. wet 30-9-1986 Stb. 478, 14b.6 v.a. wijz. wet 10-9-1992 Stb. 491, 15.3, 17, 18, 22 v.a. wijz. wet 27-5-1993 Stb. 310, 39, 40, 40a v.a. wijz. wet 7-3-1991 Stb. 94, 44g, 44e.5, 44f.1 v.a. wijz. wet 12-12-1991 Stb.697, 44f.2 vervallen bij wijz. wet 12-12-1991 Stb. 697, 44g.4 v.a. wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122, 44h; vervallen bij wijz. wet 12-12-1991 Stb. 697, 44k v.a. wijz. wet 12-12-1991 Stb. 697, 44l; vervallen bij wijz. wet 12-12-1991 Stb. 697, 45a v.a. wijz. wet 12-12-1991 Stb. 697, 45b v.a. wijz. wet 12-12-1991 Stb. 697, 46a v.a. wijz. 20-12-1984 Stb. 649, 52, 53a v.a. wijz. 20-12-1984 Stb. 649; vervallen 27-4-1989 Stb. 122, 53b v.a. wijz. wet 20-12-1984 Stb. 649; vervallen 27-4-189 Stb. 122, 56.5 v.a. wijz. wet 30-12-1984 Stb. 690; vervangen 27-4-1989 Stb. 122 door: 55.4, 56 v.a. 27-4-1989 Stb. 122, 57, 58.6, 60.2, 61, 61d v.a. wijz. wet 25-6-1980 Stb. 389, 62, 61b v.a. wijz. wet 20-12-1984 Stb. 649, 63.2, 64.2, 65.1; gewijzigd v.a. wijz. 24-12-1970 Stb. 604 door: 65.4, 66.2 v.a. wijz. 20-12-1984 Stb. 649, 66.3, 66a v.a. wijz. 27-4-1989 Stb. 122, 68a v.a. wijz. wet 10-9-1992 Stb. 491, 69.5, 70.2, 75 v.a. wijz. wet 12-12-1991 Stb. 697, 79.1 v.a. wijz. wet 7-3-1991 Stb. 94, 83 v.a. wijz. wet 16-1-1985 Stb. 81; vervallen bij wijz. 28-12-1989 Stb. 601,
Wet van 30-12-1983 Stb. 690, art. XI.3,
Wet van 27-4-1989 Stb. 123, art. IV,
Wet van 10-9-1992 Stb. 491, art. IV,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na belastingjaar
Wetten die verband houden met de uitvoering en toepassing van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 voor zover niet opgenomen bij de wijzigingswetten
Nummer: 317
Handeling: Het beoordelen van verzoeken om verhoging van de belastingvrije som i.v.m. kosten voor kinderopvang.
Periode: 1984
Grondslag: Wet van 20-12-1984, Stb. 648, art. 1,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 319
Handeling: Het aanleveren van gegevens (opgave van te onderzoeken belastingplichtigen e.d.) aan de Minister i.v.m. met het rentesteekproefonderzoek.
Periode: 1985
Grondslag: Wet van 21 mei 1985, Stb. 270, Wet Rentesteekproefonderzoek 1984/1985, art. *
Waardering: V, termijn: 10 jaar na verwerking van de gegevens in het rapport
Dividendbelasting
Nummer: 328
Handeling: Het ingevolge het Besluit Dividendbelasting 1941 heffen, innen en navorderen van belasting d.m.v. het afgeven van machtigingen, beschikkingen en verklaringen, en het verrichten van de administratieve afhandeling hiervan, betreffende:
1. het opleggen van (voorlopige) aanslagen en navorderingsaanslagen en de afdracht;
2. het opleggen van boetes en toelaten van transacties;
3. het verlenen van vrijstellingen;
4. het verlenen van verminderingen en teruggaven;
5. het verlenen van ontheffingen;
6. het opleggen van verplichtingen;
7. het vaststellen van data;
8. het verrichten van controle;
9. het verlenen van vergunningen
Periode: 1945-1965
Grondslag: Besluit op de Dividendlasting 1941, art. 5.2, 8, 9, 11,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na belastingjaar
Nummer: 336
Handeling: Het i.v.m. de heffing, inning en navordering van dividendbelasting 1965 afgeven van machtigingen, beschikkingen en verklaringen, en het verrichten van de administratieve afhandeling hiervan, betreffende:
1. de ontvangst van schriftelijke opgave van gegevens m.b.t. moedermaatschappijen;
2. de zekerheidstelling voor de dividendbelasting;
3. de afgifte van bewijzen van afdracht;
4. de teruggaaf van dividendbelasting;
5. de ontheffing van verplichting tot uitreiking van dividendnota's.
Periode: 1966-...
Grondslag: Wet op de dividendbelasting 1965, art. 4a.3 en art. 4b v.a. wijz. wet 10-9-1992 Stb. 518, art. 7.4, 10,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na belastingjaar
Superdividendbelasting (dividendbeperking)
Nummer: 339
Handeling: Het i.v.m. het heffen, innen en navorderen van de zgn. superdividendbelasting op herkapitalisatie, door uitdelingen van vennootschappen die hun aandelenkapitaal hebben geherkapitaliseerd, d.m.v. het afgeven van machtigingen, beschikkingen en verklaringen, en het verrichten van de administratieve afhandeling hiervan, betreffende:
1. het opleggen van (voorlopige) aanslagen en navorderingsaanslagen;
2. het opleggen van boetes en toelaten van transacties;
3. het verlenen van vrijstellingen;
4. het verlenen van verminderingen en teruggaven;
5. het verlenen van ontheffingen;
6. het opleggen van verplichtingen;
7. het vaststellen van data;
8. het verrichten van controle;
9. het verlenen van vergunningen.
Periode: 1945-1950
Grondslag: Besluit Dividendbeperking 1941, art. 10, 16, 17, 18, 19, 33, 34,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na belastingjaar
Nummer: 351
Handeling: Het i.v.m. de heffing, inning en navordering van de superdividendbelasting afgeven van verklaringen, beschikkingen en machtigingen, en de het verrichten van de administratieve afhandeling hiervan, betreffende:
1. herkapitalisatie;
2. vermindering en teruggave;
3. het verlenen van vrijstelling;
4. het verlenen van ontheffing;
5. het vaststellen van data;
6. het opleggen van (voorlopige) aanslagen en navorderingsaanslagen;
7. het opleggen van boetes en toelaten van transacties;
Periode: 1950-1953
Grondslag: Wet op de Dividendbeperking 1950, art. 10, 12, 13, 14, 26, 27,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na belastingjaar
Nummer: 358
Handeling: Het in verband met de heffing, inning en navordering van commissarissenbelasting afgeven van verklaringen, beschikkingen en machtigingen, en de administratieve afhandeling hiervan, betreffende:
1. de inhouding, de afdracht, en het opleggen van (voorlopige) aanslagen en navorderingsaanslagen;
2. het opleggen van boetes en toelaten van transacties;
3. het verlenen van vrijstelling;
4. het verlenen van vermindering en teruggaaf;
5. het verlenen van ontheffing;
6. het opleggen van verplichtingen;
7. het vaststellen van data;
8. het verrichten van controle;
9. het verlenen van vergunningen.
Periode: 1945-1969
Grondslag: Besluit op de Commissarissenbelasting 1941, art. 3.3, 6.4,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na het belastingjaar
Kansspelbelasting (tot 1964: Loterijbelasting)
Nummer: 360
Handeling: Het i.v.m. de heffing, inning en navordering van kansspelbelasting afgeven van verklaringen, beschikkingen en machtigingen, en het verrichten van de administratieve afhandeling hiervan, betreffende:
1. de belastingplicht;
2. de vaststelling of een gelegenheid een kansspel is waarvoor belasting dient te worden afgedragen;
3. de vaststelling of een kansspel een binnenlands of een buitenlands kansspel is;
4. het voorwerp van de belasting, van welke prijs belasting moet worden betaald;
5. het verlenen van vrijstelling;
6. de verrekening van kansspelbelasting over verschillende tijdvakken;
7. het bijhouden, en controleren daarvan, van een register;
8. de ontvangst en afdracht van de belasting;
9. het uitreiken van nota's;
10. het opleggen van boetes.
Periode: 1961-...
Grondslag: Wet op de kansspelbelasting, art. 6, 8,
Uitvoeringsbeschikking kansspelbelasting, art. 4,
Leidraad Kansspelbelasting,
Instructie kansspelbelasting,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na het belastingjaar
Successie-, schenkings- en overgangsrecht
Nummer: 366
Handeling: Het i.v.m. de heffing, inning en navordering van rechten van successie, schenking en overgang op grond van de Successiewet afgeven van machtigingen, beschikkingen en verklaringen, en het verrichten van de administratieve afhandeling hiervan, betreffende:
1. de vordering van de aangifte;
2. de vaststelling van de woonplaats;
3. weigering van de aangifte;
4. de termijn van de aangifte;
6. het opleggen en uitreiken van de (voorlopige)aanslag;
7. het vragen van nadere inlichtingen;
8. het ambtshalve opleggen van een aanslag;
9. het opleggen van een navorderingsaanslag;
10. teruggave, vermindering en verrekening van verschuldigd recht;
11. de behandeling van bezwaren tegen de aanslag;
12. de vaststelling van aanslagen die in 5 jaarlijkse termijnen voldaan kunnen worden;
13. het leggen van conservatoir beslag i.v.m. zekerheidstelling;
14. betaling in termijnen;
15. verjaring van de aanslag;
16. kwijtschelding;
17. het vorderen van bewijzen van volmacht tot het voeren van bezwaar;
18. de ontheffing van de geheimhoudingsplicht.
Periode: 1945-1956
Grondslag: Successiewet, art. 24, 26, 28, 29, 30, 34, 35, 36, 45, 46, 50, 56, 58, 59, 60, 61, 62, 64, 75, 76, 77, 78, 83, 85, 87, 90, 92,
NB Toelichting: Bij de activiteiten van de Belastingdienst behoort ook het ontvangen en beoordelen van memories van aangifte van successie- en schenkingsrecht. Hiervan worden klappers opgemaakt. Bij K.B. van 20-9-1949 no. 20 werd vastgelegd dat overbrenging naar de Rijksarchiefbewaarplaats na 100 jaar zou plaatsvinden. Na inwerkingtreding van de Archiefwet 1962 werd de ambtelijke afspraak gemaakt dat overbrenging i.p.v. na 50 jaar na 75 jaar (+ 10) zou plaatsvinden ( brief min. van C.R.M. d.d. 16-3-1973/ dir. M.M.A/Ar. 167.240.) Ontheffing van de geheimhoudingsplicht wordt door de minister van Financiën (tot 100 jaar) verleend o.g.v. art. 67 van de AWR.
Waardering: V, termijn: 10 jaar m.u.v. memories van successie- en schenkingsrecht
Nummer: 387
Handeling: Het i.v.m. de heffing, inning en navordering van rechten van successie, schenking en overgang op grond van de Successiewet 1956 afgeven van machtigingen, beschikkingen en verklaringen, en het verrichten van de administratieve afhandeling hiervan, betreffende:
1. de vordering van de aangifte;
2. de vaststelling van de woonplaats;
3. weigering van de aangifte;
4. de termijn van aangifte;
5. de verlenging van de termijn van aangifte;
6. het opleggen en uitreiken van de (voorlopige) aanslag;
7. het vragen van nadere inlichtingen;
8. het ambtshalve opleggen van een aanslag;
9. het opleggen van een navorderingsaanslag;
10. teruggave, vermindering en verrekening van verschuldigd recht;
11. behandeling van bezwaren tegen de aanslag;
12. vaststelling van aanslagen die in 5 jaarlijkse termijnen voldaan kunnen worden;
13. het leggen van conservatoir beslag i.v.m. zekerheidstelling;
14. betaling in termijnen;
15. verjaring van de aanslag;
16. kwijtschelding;
17. het vorderen van bewijzen van volmacht tot het voeren van bezwaar;
18. de ontheffing van de geheimhoudingsplicht.
Periode: 1956-...
Grondslag: Successiewet 1956, art. 37; vervallen bij wijz. wet 8-11-1984 Stb. 545, 38; vervallen bij wijz. wet 8-11-1984 Stb. 545, 43; vervallen 8-11-1984 Stb. 545, 44; vervallen 8-11-1984 Stb. 454, 45 v.a. 8-11-1984 Stb. 545, 46 v.a. 8-11-1984 Stb. 545, 48; vervallen 8-11-1984 Stb. 545, 49; vervallen 8-11-1984 Stb. 545, 50; vervallen 8-11-1984 Stb. 545, 51; vervallen 8-11-1984 Stb. 545, 52; vervallen 8-11-1984 Stb. 545 (navordering vindt plaats o.g.v. hoofdstuk III AWR), 53, 54; vervallen 1984 Stb. 545 (behandeling bezwaarschriften geschieden o.g.v. hoofdstuk V AWR), 55; vervallen 1984 Stb. 545 (behandeling bezwaarschriften geschieden o.g.v. hoofdstuk V AWR), 56; vervallen 1984 Stb. 545 (behandeling bezwaarschriften geschieden o.g.v. hoofdstuk V AWR), 59a v.a. wijz. wet 8-11-1984 Stb. 544; vervallen v.a. wijz. wet 30-5-1990 Stb. 222, 64; vervallen 30-5-1990 Stb. 222, 65; vervallen 30-5-1990 Stb. 222, 66; vervallen 8-11-1984 Stb. 545, 67, 68; vervallen 8-11-1984 Stb. 545 (zie voortaan art. 63 AWR), 69; vervallen 8-11-1984 Stb. 545 (vervangen door art. 41 AWR), 74, 79; vervallen bij wijz. wet 8-11-1984 Stb. 545 (voortaan geschiedt de activiteit o.g.v. art. 67 AWR),
Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956, art. 1, 2, 3, 10a; v.a. 1985 en vervallen v.a. 1990,
Uitvoeringsbeschikking Successiewet 1956, art. 3, 4,
Toelichting: Bij de activiteiten van de Belastingdienst behoort ook het ontvangen en beoordelen van memorie van aangifte van successie- en schenkingsrecht. Hiervan worden klappers opgemaakt. Bij K.B. van 20-9-1949 no. 20 werd vastgelegd dat overbrenging naar de Rijksarchiefbewaarplaats na 100 jaar zou plaatsvinden. Na inwerkingtreding van de Archiefwet 1962 werd de ambtelijke afspraak gemaakt dat overbrenging i.p.v. na 50 jaar na 75 jaar (+ 10) zou plaatsvinden ( brief min. van C.R.M. d.d. 16-3-1973/ dir. M.M.A/Ar. 167.240.). Ontheffing van de geheimhoudingsplicht wordt door de minister van Financiën (tot 100 jaar) verleend o.g.v. art. 67 van de AWR. Bij wet van 8-11-1984, Stb. 545,is de Successiewet 1956 aangepast aan de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Dit houdt in dat veel van de activiteiten van de inspecteur nu geschieden o.g.v. die wet.
Waardering: V, termijn: 10 jaar na het belastingjaar m.u.v.memories van successie- en schenkingsrecht
Nummer: 409
Handeling: Het i.v.m. het heffen, omslaan en verdelen van de ondernemingsbelasting ten behoeve van gemeenten, op grond van het Besluit Ondernemingsbelasting 1942, afgeven van machtigingen, beschikkingen en verklaringen, en het verrichten van de administratieve afhandeling hiervan, betreffende:
1. het opleggen van aanslagen, navorderingsaanslagen en de indiening van aangiften;
2. het verrichten van vooruitbetalingen;
3. het vaststellen van de grondbedragen;
4. behandeling van bezwaren;
5. de aanwijzing van gemeenten;
6. verrekening en uitkering aan gemeenten.
Periode: 1945-1950
Grondslag: Besluit op de Ondernemingsbelasting 1942, art. 16, 17, 20, 22, 27, 28,
Eerste Uitvoeringsbeschikking Ondernemingsbelasting 1942, art. 3, 4, 7, 9,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na het belastingjaar
Nummer: 428
Handeling: Het i.v.m. de heffing, inning en navordering van winstbelasting afgeven van machtigingen, beschikkingen en verklaringen, en het verrichten van de administratieve afhandeling hiervan, betreffende:
1. het indienen van de aangifte;
2. het opleggen van aanslagen en navorderingsaanslagen;
3. het aanwijzen als belastingplichtige;
4. het beschouwen van vennootschappen als zijnde een fiscale eenheid;
5. verrekening van belasting;
6. het behandelen van bezwaren;
7. het opleggen van boetes en toelaten van transacties;
8. de termijn voor het vaststellen van het zuiver vermogen.
Periode: 1945-1969
Grondslag: Besluit op de Winstbelasting 1940, art. 10, 11.1, 12, 13, 14, 15, 17, 18, 20, 25, 26, 29, 35, 36 (het doen van aangifte vanwege de Minister en het toelaten tot transactie), 39,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na het belastingjaar
Nummer: 435
Handeling: Het i.v.m. het heffen van en verdelen van geheven opcenten op de winstbelasting over gemeenten die daar aanspraak op maken afgeven van machtigingen, beschikkingen en verklaringen, en het verrichten van de administratieve afhandeling daarvan, betreffende:
1. het opleggen van aanslagen en navorderingsaanslagen;
2. de verdeling van de opcenten.
Periode: 1945-1951
Grondslag: Besluit van 26-7-1940, VB 84, de S.G.'s van de Departementen van Financiën en Binnenlandsche Zaken in zake het heffen van opcenten op de winstbelasting t.b.v. de gemeenten, art. 4, 5,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na het belastingjaar
Nummer: 438
Handeling: Het i.v.m. de berekening en heffing van opcenten op de winstbelasting t.b.v. het Rijk afgeven van machtigingen, beschikkingen en verklaringen, en het verrichten van de administratieve afhandeling daarvan, betreffende:
1. het opleggen van aanslagen;
2. de gehanteerde berekeningsmethode.
Periode: 1945-1951
Grondslag: Besluit van 11 December 1940, VB 228, van den Secretaris-Generaal van het Departement van Financiën in zake het heffen van opcenten op de winstbelasting t.b.v. het Rijk, art. 1,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na het belastingjaar
Besluit op de vennootschapsbelasting 1942
Nummer: 448
Handeling: Het i.v.m. de heffing, inning en navordering van de vennootschapsbelasting, op grond van het Besluit Vennootschapsbelasting 1942, afgeven van verklaringen, beschikkingen en machtigingen, en het verrichten van de administratieve afhandeling daarvan, betreffende:
1. de aangifte en het opleggen van (voorlopige) aanslagen en navorderingsaanslagen;
2. het verlenen van vrijstellingen en daartoe in aanmerking te nemen belangen en voorwaarden;
3. in aanmerking te nemen posten (reserves, bedrijfskosten e.d.);
4. vooruitbetalingen;
5. de vaststelling van de belastbare som;
6. aanwijzing van gemeenten waar aangifte gedaan moet worden;
7. de behandeling van bezwaren;
8. het verlenen van ontheffingen;
9. gelijkstelling met andere instellingen;
10. de aanwending van bedrijfssaldi voor bepaalde doeleinden;
11. de vaststelling van termijnen voor in te dienen verzoeken;
12. de teruggaaf van belasting;
13. het opleggen van boetes.
Periode: 1945-1969
Grondslag: Besluit op de Vennootschapsbelasting 1942, art. 24, 25, 29, 30, 32, 35, 36,
Uitvoeringsbesluit Vennootschapsbelasting 1942, art. 12,
Eerste aanvullingsbeschikking vennootschapsbelasting 1942, art. 3, b.w. 1947 Stcrt. 187.
Derde aanvullingsbeschikking vennootschapsbelasting 1942, art. 3, 4, 5, b.w. 1947 Stcrt. 187.
Vijfde aanvullingsbeschikking Vennootschapsbelasting 1942, art. 4, 5, 7, b.w. 1947 Stcrt. 187.
Achtste aanvullingsbeschikking Vennootschapsbelasting 1942, art. 6, 7, 8,
Beschikking nieuwe onbelaste reserve, 1951 Stcrt. 234, art. 1,2,
Beschikking vaststelling aanloopverliezen d.d. 21-5-1954, no. 197, Stcrt. 98, art. 1, 2,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na het belastingjaar
Wet op de Vennootschapsbelasting 1969
Nummer: 473
Handeling: Het i.v.m. de heffing, inning en navordering van de vennootschapsbelasting, op grond van de Wet vennootschapsbelasting 1969, afgeven van machtigingen, beschikkingen en verklaringen, en het verrichten van de administratieve afhandeling hiervan, betreffende:
1. het in aanmerking nemen van liquidatieverliezen en deelnemingsvrijstellingen;
2. de in aanmerking te nemen winst bij bedrijfsfusies;
3. het aanmerken als fiscale eenheid van moeder- en dochtermaatschappijen;
4. het aanmerken als fiscale eenheid van coöperaties/ centrale maatschappijen en ledenmaatschappijen;
5. de (voorlopige) teruggaaf en verrekening van aanloopverliezen;
6. de vaststelling en berekening van nihilaanslagen;
7. vrijstellingen en navorderingen i.v.m. buitenlandse bronbelasting;
8. goedkeuring en herziening m.b.t. het toestaan van een beleggingsreserve;
9. de vaststelling van onbelaste reserves;
10. de vaststelling van egalisatiereserves (verzekeraars);
11. het afzien van vrijstelling door vrijgestelde lichamen.
Periode: 1969-...
Grondslag: Wet vennootschapsbelasting 1969, art. 13d.9.10 v.a. wijz. wet 25-4-1990 Stb. 173, 14 v.a. wijz. 1992 Stb. 491, 15, 15a v.a. wet 27-4-1989 Stb. 125, 21, 25a v.a. wijz. wet 8-11-1984 Stb. 531,
Besluit Beleggingsinstellingen d.d. 29-4-1970, art. 6.3.4, 8, 11,
Besluit reserves verzekeraars d.d. 18-7-1972 Stb. 414, art. 15.4.5, 23b v.a. wijz. wet 29-6-1978 Stb. 368 (WIR),
Uitvoeringsbeschikking Vennootschapsbelasting at. 4a, 4b,
Wet van 10-9-1992 Stb. 491, art. IV,
Waardering: V, termijn: 10 jaar m.u.v. beschikkingen fiscale eenheid (art. 15): 10 jaar nadat de beschikking belang heeft verloren
Nummer: 475
Verwijzing: de handeling wordt ook door de minister verricht, zie betreffende selectielijst
Handeling: Het afwijzen of toewijzen van verzoeken, onder daarbij te stellen standaardvoorwaarden, om de winst die gemaakt wordt bij overdracht van (een onderdeel van) een onderneming buiten het kader van een fusie buiten aanmerking te laten. (vrijstelling overdrachtswinst bedrijfsfusie)
Periode: 1969-...: DGBel./DB
Grondslag: Wet vennootschapsbelasting 1969, art. 14.2; v.a. wijz. wet 10-9-1992 Stb. 491 opnieuw geformuleerd in: art. 14.3, Stb. 422,
Toelichting: Zogenaamde standaardvoorwaarden worden bij Aanschrijving vastgesteld en bekend gemaakt aan de Belastingdienst. De standaardvoorwaarden worden ook gepubliceerd in de Staatscourant. Vanaf wijz. wet 1992 Stb, 491 kan de minister de inspecteur machtigen de beschikkingen af te geven. Vanaf medio 1993 is de afdoening van een deel van de verzoeken gedelegeerd aan de Belastingdienst.
Waardering: V, termijn 10 jaar na het afgeven van de Beschikking of machtiging
Ingeval aanschrijvingen/gepubliceerde Besluiten volgen op de genomen beslissingen is handeling `het geven, wijzigen van ambtelijke voorschriften... etc, Handeling no. 170 PIVOT-rapportage `Belastingver(h)effend' van toepassing: B, 4.
Nummer: 476
Verwijzing: de handeling wordt ook door de minister verricht, zie betreffende selectielijst
Handeling: Het afwijzen of toewijzen, onder te stellen voorwaarden, van verzoeken om zolang alle aandelen van een dochtermaatschappij in het bezit zijn van een moedermaatschappij de vennootschapsbelasting te heffen alsof de dochtermaatschappij in de moedermaatschappij is opgegaan, en (v.a. 1989, Stb. 125)om de belasting van een centrale maatschappij en haar ledenmaatschappijen te heffen alsof de ledenmaatschappijen in de centrale maatschappij zijn opgegaan (fiscale eenheid coöperaties).
Periode: 1969-...: DGBel./DB
Grondslag: Wet vennootschapsbelasting 1969, art. 15.1, art. 15a.1 v.a. wijz. wet 27-4-1989 Stb. 125 (fiscale eenheid),
Toelichting: Zogenaamde standaardvoorwaarden worden bij Aanschrijving vastgesteld en bekend gemaakt aan de belastingdienst. De standaardvoorwaarden worden ook gepubliceerd in de Staatscourant.
Vanaf 1982 is de afdoening van een deel van de verzoeken gedelegeerd aan de Belastingdienst.
Waardering: V, termijn: 10 jaar nadat de beschikking belang heeft verloren
Ingeval aanschrijvingen/gepubliceerde Besluiten volgen op de genomen beslissingen is handeling `het geven, wijzigen van ambtelijke voorschriften...etc, Handeling no. 170 PIVOT-rapportage `Belastingver(h)effend' van toepassing: B, 4.
Nummer: 487
Verwijzing: de handeling wordt ook door de minister verricht, zie betreffende selectielijst
Handeling: Het afwijzen of toewijzen, onder voorwaarden, op verzoek van de belastingplichtige om de inspecteur te machtigen om het bij een juridische fusie behaalde voordeel voor de heffing van de vennootschapsbelasting buiten aanmerking te laten.
Periode: 1992-...: DGBel./DB
Grondslag: Wet vennootschapsbelasting 1969, v.a. wijz. wet 10-9-1992 Stb. 491, art. 29a,
Toelichting: Zogenaamde standaardvoorwaarden worden bij Aanschrijving vastgesteld en bekendgemaakt aan de Belastingdienst. De standaardvoorwaarden worden ook in de Staatscourant gepubliceerd.
Vanaf medio 1994 is de afdoening van een deel van de verzoeken gedelegeerd aan de Belastingdienst.
Waardering: V, termijn: 20 jaar na afgeven van de Beschikking of de machtiging
Ingeval aanschrijvingen/gepubliceerde Besluiten volgen op de genomen beslissingen is de handeling `het geven, wijzigen van ambtelijke voorschriften...etc, Handeling no. 170 PIVOT-rapportage `Belastingver(h)effend' van toepassing: B, 4.
Nummer: 493
Handeling: Het i.v.m. de heffing, inning en navordering van de vermogensbelasting 1892 afgeven van machtigingen, beschikkingen en verklaringen, en het verrichten van de administratieve afhandeling hiervan, betreffende:
1. het opleggen van aanslagen en navorderingsaanslagen;
2. de plaats waarin men wordt aangeslagen;
3. het verkrijgen van inlichtingen;
4. de beoordeling van in aanmerking te nemen kosten en vermogensbestanddelen;
5. de behandeling van bezwaren;
6. het verlenen van kwijtschelding, teruggaaf en vermindering;
7. het opleggen van boetes en toelaten tot transacties.
Periode: 1945-1964
Grondslag: Wet Vermogensbelasting 1892, art. 10.8 v.a. wijz. wet 16-8-1951 Stb. 381, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 24, 24bis, 24ter, 25, 26, 28, 38, 39, 40, 41, 46, 47; vervallen 1944 Stcrt. 36, 49, 52ter, 53, 55quater, 55quinquies,
Besluit Binnenschippers d.d. 27-4-1929 Stb. 215, art. 1, b.w. 1953 Stb. 52.
Schippersbesluit directe belastingen 1953, art. 1, 2, 3, 4, 6,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na het belastingjaar
Nummer: 508
Handeling: Het i.v.m. de heffing, inning en navordering van vermogensbelasting 1964 afgeven van machtigingen, beschikkingen en verklaringen, en het verrichten van de administratieve afhandeling hiervan, betreffende:
1. vrijstellingen en teruggaaf bij samenvallende vermogens- en inkomstenbelasting (80%-regeling);
2. vaststelling van de woonplaats;
3. vaststelling van nihilaanslagen;
4. verhaalsmogelijkheden toegerekende bedragen echtgenoten en kinderen
5. in aanmerking te nemen vermogensbestanddelen (lijfrenten, pensioenen
Periode: 1964-...
Grondslag: Wet Vermogensbelasting 1964, art. 14.5; gewijzigd bij wijz. wet 19-12-1973 Stb. 633 in art. 14.6, 17; vervallen bij wijz. wet 19-12-1973 Stb. 633, 14.5.6 v.a. wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122, 19; gewijzigd bij wijz. wet 19-12-1973 Stb. 633 in art. 18, 19 v.a. wijz. wet 19-12-1973 Stb. 633, 20, 25; vervallen bij wijz. wet 27-4-1989 Stb. 122,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na belastingjaar
Vermogensbelasting 1942 (vermogensbelasting II)
Nummer: 514
Handeling: Het i.v.m. de heffing, inning en navordering van de vermogensbelasting 1942 (II) afgeven van machtigingen, beschikkingen en verklaringen, en het verrichten van de administratieve afhandeling hiervan, betreffende:
1. het opleggen van (voorlopige) aanslagen en navorderingsaanslagen;
2. het in aanmerking nemen van aanmerkelijk belang;
3. het verlenen van vrijstellingen;
4. de behandeling van bezwaren;
5. gelijkstelling met andere instellingen;
6. de vaststelling van termijnen voor het voldoen aan voorwaarden.
Periode: 1945-1950
Grondslag: Besluit Vermogensbelasting 1942 (II), art. 13, 14, 16, 17, 24.2,
Eerste aanvullingsbesluit Vermogensbelasting, art. 5,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na het belastingjaar
Nummer: 523
Handeling: Het i.v.m. de heffing, inning en navordering van de vermogensaanwasbelasting afgeven van machtigingen, beschikkingen en verklaringen, en het verrichten van de administratieve afhandeling hiervan, betreffende:
1. het opleggen van (voorlopige) aanslagen en navorderingsaanslagen;
2. in aanmerking te nemen waarde van lijfrenten;
3. de waardering van (buitenlandse) effecten;
4. de waardering van in het eindvermogen opgenomen (andere) zaken;
5. vermindering i.v.m. waardedaling;
6. de behandeling van verzoeken om herwaardering van het eindvermogen op peildata;
7. de gelijkstelling van rechtspersonen;
8. de aanwijzing als belastingplichtige;
9. de behandeling van bezwaar en beroep;
10. het verlenen van kwijtscheldingen en verminderingen;
11. voldoening van belastingschuld met bewijzen nationale schuld;
12. betreffende verrekening en aftrek wegens elders belaste bestanddelen;
13. overtredingen van de belastingwet, het opleggen van boetes en het toelaten tot transacties;
14. het verlenen van uitstel van betaling.
Periode: 1946-...
Grondslag: Wet Vermogensaanwasbelasting, art. 12, 15, 18, 22, 26, 29, 32, 33, 34, 36, 38, 40, 45, 54, 63, 64,
Beschikking 14-10-1947, art. 1, 3, 5, 6,
Beschikking van 4-7-1950 no. 220, Stcrt. 128, art. 2, 4,
Waardering: B, 9
Nummer: 555
Handeling: Het i.v.m. de heffing, inning en navordering van de Vermogensheffing Ineens afgeven van machtigingen, beschikkingen en verklaringen, en het verrichten van de administratieve afhandeling hiervan, betreffende:
1. het opleggen van (voorlopige) aanslagen en navorderingsaanslagen;
2. de behandeling van verzoeken bepaalde voorwerpen niet tot het vermogen te rekenen;
3. de beoordeling/toelaten van waardedaling van gronden;
4. de aftrek van elders belaste vermogenswaarden;
5. de in aanmerking te nemen waardering van (andere) zaken;
6. de berekening van kortingen;
7. het verlenen van uitstel van betaling;
8. de vaststelling van betalingstermijnen;
9. de voldoening van belasting met inschrijvingen nationale schuld;
10. het opleggen van boetes en toelaten tot transacties.
Periode: 1947
Grondslag: Wet Vermogenheffing ineens, art. 16, 18, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 30, 32, 37, 44, 45,
Beschikking van 4-7-1950 no. 220, Stcrt. 128, art. 2, 4,
Waardering: B, 9
Nummer: 566
Actor: de Belastingdienst: Inspectie der Geblokkeerde Markenbelasting rechtstreeks ressorterend onder het Departement van Financiën (ingesteld bij beschikking d.d. 9-11-1940, Stcrt. 220), en de Ontvanger der directe belastingen
Handeling: Het i.v.m. de heffing, inning en navordering van de geblokkeerde markenbelasting 1940 afgeven van machtigingen, beschikkingen en verklaringen, en het verrichten van de administratieve afhandeling daarvan, betreffende:
1. het opleggen van aanslagen en navorderingsaanslagen;
2. gelijkstelling van zaken met beleggingen en vorderingen die naar Nederland overgemaakt kunnen worden;
3. het verlenen van kwijtscheldingen en teruggaven;
4. het verlenen van ontheffingen.
Periode: 1940-1941
Grondslag: Geblokkeerde Marken-belastingbesluit 1940, art. 3, 4,
Tweede Beschikking ter Uitvoering van de Geblokkeerde Markenbelasting 1940, art. 7, 8, 9, 10, 11, 13,
Derde Beschikking ter Uitvoering van de Geblokkeerde Markenbelasting 1940, art. 1, 2,
Waardering: B, 9
Nummer: 569
Handeling: Het i.v.m. de heffing, inning en navordering van de geblokkeerde markenbelasting 1941 afgeven van machtigingen, beschikkingen en verklaringen, en het verrichten van de administratieve afhandeling daarvan, betreffende:
1. het opleggen van aanslagen en navorderingsaanslagen;
2. gelijkstelling van zaken met beleggingen en vorderingen die naar Nederland overgemaakt kunnen worden;
3. het verlenen van kwijtscheldingen en teruggaven;
4. het verlenen van ontheffingen.
Periode: 1941
Grondslag: Geblokkeerde Markenbelastingbesluit 1941, art. 4,
Waardering: B, 9
Nummer: 574
Handeling: Het i.v.m. de heffing, inning en navordering van de personele belasting 1892 afgeven van machtigingen, beschikkingen en verklaringen, en het verrichten van de administratieve afhandeling hiervan, betreffende:
1. het opleggen van (voorlopige) aanslagen en navorderingsaanslagen;
2. de behandeling van bezwaren;
3. het opnemen van de waarde;
4. het verlenen van kwijtschelding;
5. het opleggen van verhogingen;
6. het toelaten tot transacties.
Periode: 1945-1950
Grondslag: Wet op de Personeele Belasting 1896, art. 31 bis.3 v.a. Besluit van den Secretaris-Generaal van het Departement van Financiën van 2 juli 1941 betreffende wijziging van art. 31bis.3.d, van de Wet op de Personeele Belasting 1896 (art. 2) ingetrokken bij Besluit van 8 mei 1942 Stcrt. no. 99, 31bis.5 ingetrokken bij Besluit van 8 mei 1942 Stcrt. 99, 33bis vervallen bij Besluit van 8 mei 1942 Stcrt. 99, 34, 40, 41, 42, 43, 44 vervallen bij Besluit van 8 mei 1942 Stcrt. 99, 45 vervallen bij Besluit van 8 mei 1942 Stcrt. 99, 47 vervallen bij Besluit van 8 mei 1942 Stcrt. 99, 49 (vaststelling van de aanslag), 50, 51, 51bis, 54, 55, 56, 63, 66bis, 69, 70.3 vervallen bij Besluit van 8 mei 1942 Stcrt. 99, 70.4, 72, 74, 75, 76,
Besluit van 15 augustus 1945, Stb. F 139, tot wijziging, tot wijziging van de Wet op de Personeele Belasting 1896, art. 2, 4,
Waardering: V, termijn: 10 jaar
Wet van 21 december 1950, Stb. K 598, op de personele belasting, i.w. 1-6-1951, b.w. m.i.v. 1-6-1979 Stb. 1970 no. 608.
Nummer: 587
Handeling: Het i.v.m. de heffing, inning en navordering van de personele belasting 1950 afgeven van machtigingen, beschikkingen en verklaringen, en het verrichten van de administratieve afhandeling hiervan, betreffende:
1. de berekening en het opleggen van (voorlopige) aanslagen en navorderingsaanslagen;
2. ontheffing van het in aanmerking nemen van bepaalde voorwerpen voor de heffing van de belasting;
3. de behandeling van bezwaar en beroep;
4. het verlenen van kwijtschelding, teruggaaf en vermindering;
5. het verkrijgen van toegang tot percelen;
6. de geheimhoudingsplicht;
7. het opleggen van boetes en toelaten tot transacties;
8. de vaststelling van de huurwaarde.
Periode: 1951-1979
Grondslag: Wet op de personele belasting 1950, art. 8.1, 11.3, 17, 25, 27.2, 29, 30, 31, 32, 33, 35, 36, 37, 38, 39, 40.3, 41, 42, 43, 51,
Waardering: V, termijn: 10 jaar
Nummer: 612
Handeling: Het i.v.m. de heffing, inning en navordering van rechten successie, schenking, overgang, rechten van overdracht en registratie en kapitaalsbelasting over de waarde van verkregen landgoederen waarvan het voortbestaan van belang geacht word voor het behoud van natuurschoon afgeven van machtigingen, beschikkingen en verklaringen, en het verrichten van de administratieve afhandeling hiervan, betreffende:
1. de vaststelling van de waarde van landgoederen;
2. de invordering, vermindering en herrekening van rechten/belasting.
Periode: 1945-1984:
Grondslag: Natuurschoonwet 1928, art. 7, 8, 9; de activiteiten vastgelegd geschieden na. wijz. wet 1984 Stb. 545 o.g.v. de AWR, 11 tot c.a. 1970 (kadaster geeft kosteloos extracten uit en de hypotheekbewaarder kan rechten vorderen),
Waardering: V, termijn: 10 jaar
Kostprijsverhogende belastingen
Grondbelasting en aanverwante wetten
Wet van 26 mei 1870, Stb. 82, betrekkelijk de grondbelasting, i.w. 1-1-1871, b.w. 1989 Stb. 491
Nummer: 617
Verwijzing: de handeling is ook in de selectielijst van de Dienst van het Kadaster en Hypotheken
opgenomen omdat de dienst vanaf ca. 1970 niet meer onder de Belastingdienst ressorteerde maar als zelfstandig orgaan onder het ministerie van VROM.
Handeling: Het i.v.m. de heffing, inning en navordering van grondbelasting afgeven van machtigingen, beschikkingen en verklaringen, en het verrichten van de administratieve afhandeling hiervan, betreffende:
1. het berekenen en opleggen van (voorlopige) aanslagen en navorderingsaanslagen;
2. het schatten en meten;
3. de behandeling van bezwaar en beroep;
Periode: 1945-1989
Grondslag: Wet Grondbelasting van 26 mei 1870, Stb. 82, art. 9, 11, 13, 15, 16 v.a. wijz. Wet van 17 mei 1956 Stb. 323, 17 v.a. wijz. Wet van 17 mei 1956 Stb. 323, 18 v.a. wijz. Wet van 17 mei 1956 Stb. 323, 19, 20, 22, 23, 24, 39, 43, 44 v.a. wijz. Wet van 17 mei 1956 Stb. 323, 46, 50, 51 v.a. wijz. Wet van 17 mei 1956 Stb. 323, 52, 53, 54 v.a. wijz. Wet van 17 mei 1956 Stb. 323, 56,
Waardering: V, termijn: 10 jaar m.u.v. basisregistrerende tekeningen en kaarten die gebruikt zijn bij het opnemen en schatten voor de belasting en die voor historisch onderzoek van belang kunnen zijn.
Wet van den 2den mei 1897, Stb. 124, tot herziening van de belastbare opbrengst der gebouwde eigendommen.
Nummer: 635
Handeling: Het ter beschikking stellen van gegevens aan de commissies zodat zij hun (her)schatting van de gebouwde eigendommen kunnen maken.
Periode: 1945-..?.
Grondslag: Wet van 2 mei 1897, art. 20
Waardering: V, termijn: 10 jaar
Nummer: 637
Handeling: Het i.v.m. de herziening van de belastbare opbrengst van gebouwde eigendommen afgeven van machtigingen, beschikkingen en verklaringen, en het verrichten van de administratieve afhandeling daarvan, betreffende:
1. herschatting en hermeting;
2. het (her)berekenen en opleggen van aanslagen en navorderingsaanslagen;
3. de behandeling van bezwaar en beroep.
Periode: 1945-...
Grondslag: Wet van 2 mei 1897, art. 21, 22, 35,
Waardering: V, termijn: 10 jaar m.u.v. basisregistrerende kaarten en tekeningen
Wet van den 21sten mei 1931, Stb. 203 (Verz. no. 3938) tot het verlenen van tijdelijke vrijstelling van grondbelasting voor drooggemaakte Zuiderzeegronden, b.w. 1957, Stb. 93, alsmede de feitelijke wijziging van de wet bij Besluit van de Secretaris-Generaal van het Departement van Financiën van 7 oktober 1941 Stcrt. 213.
Nummer: 644
Handeling: Het i.v.m. de heffing, inning en navordering van grondbelasting en verlenen van vrijstelling na vaststelling en verstrijken van de vrijstellingsperiode voor gebouwde en ongebouwde eigendommen in de drooggemaakte Zuiderzeegebieden afgeven van machtigingen, beschikkingen en verklaringen betreffende:
1. het berekenen en opleggen van aanslagen en navorderingsaanslagen;
2. het verlenen van vrijstellingen en ontheffingen;
3. het vaststellen en verlengen van de vrijstellingsduur.
Periode: 1945-1957
Grondslag: Wet van 21 mei 1931, Stb. 203, art. 1, 2, 3,
Waardering: V, termijn: 10 jaar m.u.v. basisregistrerende kaarten en tekeningen
Besluit op de omzetbelasting 1940
Nummer: 649
Handeling: Het i.v.m. de heffing, inning en navordering van omzetbelasting1940 en invoerbelasting afgeven van machtigingen, beschikkingen en verklaringen, en het verrichten van de administratieve afhandeling hiervan, betreffende:
1. de omrekening van buitenlandse waarden;
2. het verlenen van vrijstelling;
3. het verlenen van teruggaaf;
4. het aanwijzen van handelaren die aangemerkt worden als fabrikant;
5. het vaststellen van het belastingtijdvak;
6. de uitreiking en ontvangst van formulieren en certificaten;
7. het visiteren van goederen;
8. het aanwijzen van goederen als weeldegoederen;
9. het vaststellen welke werkzaamheden, diensten, grondstoffen en goederen voor vrijstelling in aanmerking komen;
10. het achterwege laten van de heffing;
11. de behandeling van bezwaar en beroep;
12. het uitvoeren van controles;
13. het opleggen van boetes en toelaten tot transacties;
14. het afwikkelen van aangiften, afdrachten, het opleggen van aanslagen en navorderingsaanslagen.
Periode: 1945-1954
Grondslag: Besluit Omzetbelasting 1940, art. 8.3, 9, 10.4, 14; vervallen wijz. Besluit 20-6-1941 VB 118, 15, 16, 18, 19, 20, 21, 22, 24, 27, 34, 35,
Verschillende Uitvoeringsresoluties/ Min. Regelingen.
Waardering: V, termijn: 10 jaar
Nummer: 678
Handeling: Het i.v.m. de heffing, inning en navordering van omzetbelasting 1954 en belasting bij invoer afgeven van machtigingen, beschikkingen en verklaringen, en het verrichten van de administratieve afhandeling hiervan, betreffende:
1. het afwikkelen van aangiften, afdrachten, het opleggen van aanslagen en navorderingsaanslagen;
2. het gelijkstellen van goederen;
3. het te hanteren belastingtijdvak;
4. de wijze van voldoening van de belasting;
5. het verlenen van vrijstellingen, teruggaven en verminderingen;
6. het stellen van voorwaarden;
7. vaststelling van/ vergelijking met de kleinhandelsprijs;
8. het aanmerken van handelaren als fabrikant;
9. het vaststellen van de wijze van levering;
10. het vaststellen van onderscheid in fabrieks- en handelsafdelingen;
11. de behandeling van bezwaar en beroep;
12. het opleggen van boetes en het toelaten tot transacties;
13. het uitvoeren van controles;
14. het uitgeven, terugontvangen en behandelen van certificaten en formulieren.
Periode: 1954-1968
Grondslag: Wet Omzetbelasting 1954, art. 21, 26, 27, 28, 29, 32.2 onder b, 37 vervallen 1965 Stb. 661, 38 vervallen 1965 Stb. 661, 40 vervallen 1965 Stb. 661, 41 vervallen 1965 Stb. 661, 43 vervallen 1965 Stb. 661, 47 vervallen 1965 Stb. 661, 48 vervallen 1965 Stb. 661,
Uitvoeringsbesluit Omzetbelasting 1954, art. 4, 6, 7, 9, 14.5 v.a. 1955, 18, 19, 19b v.a. 1956, 20, 21, 21a v.a. 1958, 23 vervallen 1966 Stb. 105, 25, 26, 27, 28, 28a v.a. 1955, 28b v.a. 1955, 39 v.a. 1958, 43 v.a. 1958, 45, 47, 49, 50, 51, 52,
Besluit omzetbelasting bijzondere regelingen I, art. 1, 3, 6, 25 v.a. 1955, 36 v.a. 1958,
Besluit omzetbelasting bijzondere regelingen II, art. 3, 6, 7, 12a v.a. 1960, 14, 27 vervallen 1955,
Overgangsbeschikking omzetbelasting 1954, art. 4,
Overgangsbeschikking omzetbelasting bijzondere regelingen II, art. 15,
Overgangsbeschikking omzetbelasting tabaksfabrikaten d.d. 22-12-1954, Stcrt. 248, art. 2, 3, 4, 5, 7, 10,
Uitvoeringsbeschikking Omzetbelasting 1954, art. 6, 9, 11 vervallen 1958,
Overgangsbeschikking omzetbelasting september 1955, art. 10,
Wet van 28-12-1956, Stb.646, houdende vrijstelling van omzetbelasting voor textielproducten en verhoging van enkele belastingen, art. XXI,
Overgangsbeschikking omzetbelasting februari 1958, d.d. 7-2-1958 nr. D8/653, Stcrt. 27, art. 6,
Overgangsbeschikking omzetbelasting januari 1961, art. 12, 13,
Waardering: V, 10 jaar
Nummer: 700
Handeling: Het i.v.m. de heffing, inning en navordering van de omzetbelasting, de bijzondere verbruiksbelasting op personenauto's (art. 33, 50.10; m.i.v. 1-1-1988 gewijzigd in: 50.15; vervallen 24-12-1992 Stb. 709) en (v.a. 1982, art. 50a; vervallen 24-12-1992 Stb. 709) de bijzondere verbruiksbelasting van motorrijwielen bij levering en invoer van goederen en diensten afgeven van machtigingen, beschikkingen en verklaringen, en het verrichten van de administratieve afhandeling hiervan, betreffende:
1. ontheffing m.b.t. verwerving van intracommunautaire goederen;
2. ontheffing m.b.t. verzending/vervoer van goederen naar een andere lidstaat;
3. het beschouwen als een fiscale eenheid voor de heffing van omzetbelasting van meerdere ondernemers;
4. het aanwijzen van ondernemers voor de heffing van belasting van invoer (verleggingsregeling);
5. teruggaaf en ontheffing i.v.m. uitvoer en opslag;
6. ontheffing van de landbouwregeling en daaraan verbonden administratieve verplichtingen;
7. teruggaaf wegens niet vergoede/afgenomen diensten;
8. teruggaaf i.v.m. intracommunautaire verwervingen;
9. verstrekking van vergunning tot fiscaal vertegenwoordiger van buitenlandse ondernemers;
10. de inlevering van lijsten van afnemers;
11. het leveren van bewijs van uitvoer van motorrijtuigen;
12. teruggaaf bij uitvoer;
13. vaststelling van het percentage belasting voor zelfvervaardigde goederen;
14. de vaststelling van beginvoorraden aan het begin van het belastingtijdvak;
15. de teruggaaf van belasting wegens reis- en verblijfkosten;
16. de datum van ingang en beeïndiging van verleende ontheffingen;
17. de uitsluiting van de veilingregeling;
18. uitzondering van de ontheffing van vrijstelling van levering;
19. uitzondering van de ontheffing van vrijstelling van verhuur voor onroerende zaken;
20. verlegging met individuele vergunning;
21. verlegging bij personenauto's;
22. verstrekking en afhandeling van certificaten van uitvoer;
23. voorlopige vermindering;
24. ontheffing van administratieve verplichtingen en factuurverplichtingen;
25. aanwijzen als ondernemer voor de omzetbelasting;
26. ontheffing van boekhoudverplichtingen;
27. teruggaaf bij invoer van minerale oliën;
28. toepassing van de kleine ondernemersregeling;
29. de aangifte en afdracht, het berekenen en opleggen van aanslagen en navorderingsaanslagen.
Periode: 1969-...
Grondslag: 1. Wet Omzetbelasting 1968, art. 1a.3 v.a. wijz. wet 24-12-1992 Stb. 713, 5a.5 v.a. wijz. wet 24-12-1992 Stb. 713, art. 7.4 v.a. wijz. wet 21-12-1988 Stb. 616, 23 v.a. wijz. wet 24-12-1992 Stb. 713, art. 24 v.a. wijz. wet 28-12-1977 Stb. 677, 27, 29, 30 v.a. wijz. wet 24-12-1992 Stb. 713, 33, 33a v.a. wijz. wet 24-12-1992 Stb. 713, 37a v.a. wijz. wet 24-12-1992 Stb. 713, 41b v.a. wijz. wet 21-5-1986 Stb. 276, 50.10; gewijzigd bij wijz. wet 18-12-1987 Stb. 580 in: art. 50.15; vervallen bij wijz. wet 24-12-1992 Stb. 709 en geregeld bij afzonderlijke wet, 50a v.a. wijz. wet 30-6-1982 Stb. 343; vervallen bij wijz. wet 24-12-1992 Stb. 709 en geregeld bij afzonderlijke wet,
2. Uitvoeringsbesluit Omzetbelasting 1968, art. 12, 17, 18, 24, 24c v.a. wijz. 24-12-1992 Stb. 714,
3. Uitvoeringsbeschikking Omzetbelasting 1968, art. 1a v.a. wijz. 24-12-1992 Stcrt.252, 2, 2b v.a. wijz. 24-12-1992 Stcrt. 252, 6, 6a v.a. wijz. 29-12-1978 no. 078-2400 Stcrt. 253, 8 vervallen 1-1-1979 Stcrt. 1978 no. 253, 13, 13a v.a. 1979, 16a v.a. wijz. 24-12-1992 Stcrt. 252, 18, 18a v.a. wijz. 26-7-1979 no. 079-1543 Stcrt. 145 (bijz. verbr. bel.) 20, 22, 23, 24, 25, 26, 30a v.a. wijz. 4-12-1980 Stcrt. 245, 31, 34b, 36c v.a. wijz. 27-12-1972 B72/28002 Stcrt. 251,
4. Overgangsbeschikking Omzetbelasting 1968, art. 7,
5. Teruggaafbeschikking Omzetbelasting 1968, art. 7,
6. Wet van 30 juni 1982, Stb. 434, tot invoering van een bijzondere verbruiksbelasting van motorrijwielen en wijziging van de bijzondere verbruiksbelasting van personenauto's, art. II,
7. Regeling vrijstellingen belastingen bij invoer, art. art. 2, 4, 5, 7, 8, 19, 20, 23, 28, 31, 65, 87, 91, 92, 108,
8. Regeling schone en beperkt schone personenauto's, art. 2, 3,
9. Regeling d.d. 24-12-1992, Stcrt. 252, art. 10,
10. Verschillende (toelichtende) resoluties en aanschrijvingen.
Waardering: V, termijn: 10 jaar
Belasting van personenauto's en motorrijwielen (BPM)
Nummer: 738
Handeling: Het i.v.m. de heffing, inning en navordering van de belasting op personenauto's en motorrijwielen afgeven van machtigingen, beschikkingen en verklaringen, en het verrichten van de administratieve afhandeling hiervan, betreffende:
1. controle op bezit, registratie en betaling;
2. het verlenen van toestemming de belasting per tijdvak te voldoen;
3. teruggaaf van belasting;
4. vrijstelling van belasting;
5. zekerheidstelling;
6. het opleggen van boetes;
7. aanhouding en onderzoek.
Periode: 1993-...
Grondslag: 1. Wet belasting van personenauto's en motorrijtuigen 1992, art. 6.4, 8, 15, 16, 17, 17 a v.a. wijz. wet 16-12-1993 Stb. 673, 18, 19,
2. Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto's en motorrijwielen, art. 2, 3,
3. Uitvoeringsregeling belasting van personenauto's en motorrijwielen, art. 6, 9,
Waardering: V, 10 jaar
Motorrijtuigenbelastingwet 1926
Nummer: 742
Handeling: Het i.v.m. het heffen, innen en navorderen van de motorrijtuigenbelasting 1926 afgeven van machtigingen, beschikkingen en verklaringen, en het verrichten van de administratieve afhandeling hiervan, betreffende:
1. het berekenen en het opleggen van aanslagen en navorderingsaanslagen;
2. de afgifte van de zgn. zestigdagenkaart;
3. het verlenen en ontzeggen van vrijstellingen;
4. de behandeling van bezwaar en beroep;
5. het opleggen van dwangbevelen;
6. het vaststellen van de route van max. 500m waarlangs met vrijstelling van belasting gereden mag worden;
7. de controle op het betalen van belasting en op verleende vrijstellingen;
8. de betaling van belasting binnen bepaalde tijdvakken.
Periode: 1945-1966
Bron: 1. Motorrijtuigenbelastingwet 1926, art. 4, 9, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 16bis, 16ter, 16quater, 16quinquies, 16sexies, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 29,
2. Wet van 16-8-1951, Stb. 380, tot verhoging van de motorrijtuigenbelasting, art. 2,
3. Beschikking van 13-11-1934 ter uitvoering van art. 4.4 Motorrijtuigenbelastingwet Stcrt. 219, par. 3, 6,
4. Koninklijk Besluit van 11-5-1948, no. 17, Stcrt. 112,
5. Beschikking van 17 november 1934, Stcrt. 223, par. 3, 4,5, 6, 7,
6. Beschikking van 10-11-1954, no. 158, Stcrt. 220, tot vaststelling van de Uitvoeringsbeschikking Motorrijtuigenbelastingwet Zestigdagenkaarten, art. 4, 5, 7, 8,
7. Uitvoeringsbeschikking vrijstelling motorrijtuigenbelasting buitenlanders, art. 1, 4, 5,
8. Besluit van 28-7-1958, Stb. 384, houdende gedeeltelijke vrijstelling van motorrijtuigenbelasting voor fabrikanten van, handelaren in en reparateurs van motorrijtuigen, art. 5,
9. Wet van 25 maart 1964, Stb. 89, houdende tijdelijke verhoging van het bijzondere invoerrecht op benzine, art. VIII,
10. Besluit van 24 maart 1966, Stb. 107, houdende gedeeltelijke vrijstelling van de verhoging van de motorrijtuigenbelasting voor grensoverschrijdend vervoer, art. 2, 3,
Waardering: V, termijn: 10 jaar
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966
Nummer: 792
Handeling: Het i.v.m. de heffing, inning en navordering van de motorrijtuigenbelasting 1966 afgeven van machtigingen, beschikkingen en verklaringen, en het verrichten van de administratieve afhandeling hiervan, betreffende:
1. verrekening van belasting bij vervanging van het motorrijtuig;
2. teruggaaf;
3. het aanhouden en onderzoeken van motorrijtuigen;
4. naheffing van motorrijtuigenbelasting;
5. vrijstelling van de belasting bij proefritten;
6. vrijstelling voor openbare lichamen;
7. vrijstelling voor taxivoertuigen;
8. vrijstelling voor motorrijtuigen die niet meer dan 500m rijden;
9. vrijstelling voor motorrijtuigen die niet harder dan 16 km per uur kunnen rijden;
10. teruggaaf i.v.m. vervoer van het motorrijtuig per rail;
11. vrijstelling voor aanhangwagens;
12. vrijstelling bij vergunning.
Periode: 1966-...
Bron: 1. Wet motorrijtuigenbelasting 1966, art. 13, 14, 15, 16,
2. Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1966, art. 2, 3, 5, 5a v.a. 1972, 6, 7, 9 vervallen in 1972, 10, 11, 13, 15,
3. Uitvoeringsbeschikking Algemene wet inzake Rijksbelastingen, art. 22,
4. Uitvoeringsbeschikking motorrijtuigenbelasting 1966, art. 2, 5,
5. Uitvoeringsbeschikking vrijstelling van motorrijtuigenbelasting wegens invaliditeit, d.d. 4-3-1983, no. 083/578, Stcrt. 45, art. I,
6. Wet van 16 december 1993, Stb. 673, tot wijziging van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 i.v.m. verruiming van het begrip personenauto, art. VII.4, VII.5,
Waardering: V, termijn: 10 jaar
Nummer: 831
Handeling: Het i.v.m. de heffing, inning en navordering van zegelrecht afgeven van machtigingen, beschikkingen en verklaringen, en het verrichten van de administratieve afhandeling hiervan, betreffende:
1. het zegelen van papier, berekenen , vaststellen , innen en navorderen van zegelrecht;
2. het uitreiken van plakzegels en omwisseling daarvan;
3. de wijze van betaling van zegelrecht;
4. verkoop en uitgifte van plakzegels;
5. controle van boekhoudingen en verklaringen;
6. de vaststelling, schatting en berekening van verkoopwaarden;
7. het verminderen van zegelrecht;
8. het vaststellen van de belastingplicht;
9. het verlenen van uitstel van betaling;
10. vaststelling van verschuldigde rente;
11. de afdracht van zegelrecht op rekening;
12. kwijtschelding en teruggaaf van zegelrecht;
13. gelijkstelling met andere lichamen en instellingen;
14. machinale zegeling.
Periode: 1945-1970
Grondslag: 1. Zegelwet 1917, art. 4.1, 7, 7a, 18, 21, 22, 45, 48, 51, 52, 54, 56, 56a, 56b, 60, 60a, 63, 67, 72, 76, 78, 83, 84, 85, 91a, 98,
2. Resolutie van den Minister van Financiën, d.d. 19 Mei 1937, no. 187, houdende Algemeene Uitvoeringsregelen Zegelwet 1917, o.a. par. 10, 10a v.a. 1950, 17, 20 en verschillende andere paragrafen waarin zegelwerkzaamheden opgedragen worden,
3. Resolutie d.d. 19 Mei 1937, no. 188, houdende regelen voldoening zegelrecht en couponbelasting door middel van machines, par. 1, 2, 4,
4. Resolutie van den Minister van Financiën d.d. 10 Mei 1937, no. 190, houdende Uitvoeringsregelen Effectenzegel, par. 1, 4, 5, 7, 8, 9, 9b, 9c, 9d, 9f, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18,
5. Resolutie van den Minister van Financiën d.d. 19 Mei 1937, no. 192, houdende Uitvoeringsregelen inwisseling en uitstel zegelrecht, par. 1, 2, 5, 6, 7, 8, 9,
6. Beschikking van 1 Februari 1951, no. 259, Regelen voldoening zegelrecht d.m.v. machines, I par. 2 (Rijkskantoormachine Centrale), par. 4,
Waardering: V, termijn: 10 jaar
Nummer: 857
Handeling: Het bijhouden van de registers ( de registers van de Belastingdienst) waarin akten worden geregistreerd.
Periode: 1945-1971
Grondslag: Registratiewet 1917,
art. 12 ( bijhouden registers),
art. 13 ( vorderen van vertalingen, verlenging termijn),
art. 14 ( vermelding verklaring op de akte),
art. 15 ( registratie meerdere akten als één akte),
art. 16 ( waarmerken renvooien en nummeren akten),
art. 18 ( het afgeven van ontvangstbewijzen),
art. 26 ( afgeven van verklaringen)
art. 44, 45e, 45f, 45j, 45k, 50, 51, 53, 54, 56, 57, 72a, 73, 78, (aanbiedingen ter registratie/ontvangst van akten en verklaringen),
art. 64 (aantekening verschuldigd bedrag),
art. 73a (inzage en controle van boeken i.v.m. ingeleverde verklaringen),
art. 76, 77 (weigering registratie)
Resolutie d.d. 4 juli 1929, no. 153, gewijzigd bij Resolutie d.d. 21-8-1934, no. 29.
Waardering: B, 6
Nummer: 859
Handeling: Het verstrekken van inlichtingen en uittreksels uit- en het verlenen van inzage in de registers waarin akten worden geregistreerd.
Periode: 1945-1971
Grondslag: Registratiewet 1917, art. 17,
Waardering: V, termijn: 10 jaar
Nummer: 864
Handeling: Het jaarlijks controleren van door notarissen en deurwaarders bijgehouden registers waarin dagelijks de opgemaakte akten worden ingeschreven.
Periode: 1945-1971
Grondslag: Registratiewet 1917, art. 23,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na controle
Nummer: 865
Handeling: Het i.v.m. het heffen, innen en navorderen van registratierecht 1917, rechten van overdracht en rechten op geplaatst kapitaal afgeven van machtigingen, beschikkingen en verklaringen, en het verrichten van de administratieve afhandeling hiervan, betreffende:
1. het verlenen van vrijstellingen, verminderingen en teruggaven;
2. het verlenen van ontheffingen;
3. de vaststelling van de waarde;
4. het plaatsen van aantekeningen;
5. het doen van aangifte bij openbare verkoop;
6. de wijze van betaling;
7. het uitvoeren van controle
Periode: 1945-1971
Grondslag: 1. Registratiewet 1917, art. 31, 37, 43, 45f, 45h, 45j, 45k, 59, 64, 66, 68, 75, 76, 86a, 95, 96, 97,
2. Besluit d.d. 4-5-1917, Stb. 384, houdende bepalingen tot uitvoering van de Wet van 22-3-1917 tot heffing van rechten van registratie, art. 4, 5, 8,
Waardering: V, termijn: 10 jaar
Nummer: 874
Handeling: Het bijhouden/wijzigen van de registers waarin akten worden geregistreerd.
Periode: 1972-...
Grondslag: Registratiewet 1970, art. 1, 6,
Waardering: B, 6
Nummer: 876
Handeling: Het jaarlijks nazien van de door notarissen dagelijks bijgehouden repertoria waarin de opgemaakte akten zijn ingeschreven en het controleren van de naleving van de bepalingen van de wet evt. door het maken van uittreksels en het vorderen van (inzage van) bescheiden.
Periode: 1972-...
Grondslag: Registratiewet 1970, art. 7.2, 8, 9,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na controle
Nummer: 877
Handeling: Het afwijzen of toewijzen van verzoeken tot het verstrekken van inlichtingen, inzage en uittreksels uit/in de registers waarin akten worden geregistreerd.
Periode: 1972-...
Grondslag: Registratiewet 1970, art. 10.2,
Waardering: V, termijn: 10 jaar
Nummer: 883
Handeling: Het i.v.m. de heffing, inning en navordering van overdrachtsbelasting, assurantiebelasting, kapitaalsbelasting en (tot 1990) beursbelasting afgeven van verklaringen, beschikkingen en machtigingen, en het verrichten van de administratieve afhandeling hiervan, betreffende:
1. teruggaaf van belasting;
2. teruggaaf ingeval premie niet is ontvangen of teruggegeven;
3. aangifte onroerendgoedlichamen;
4. aangifte door coöperatieve flatverenigingen;
5. betaling en vaststelling.
Periode: 1972-...
Grondslag: 1. Belastingen van rechtsverkeer, art. 19, 29, 50,
2. Uitvoeringsbeschikking Belastingen van rechtsverkeer, art. 2, 3, art. 11.5; vervallen 1990 Stcrt. 123,
3. Overgangsbeschikking Belastingen van rechtsverkeer d.d. 31-8-1971, no. B71/13008, Stcrt. 169, art. 12.2, 13,
4. Beschikking bijzondere beleggingsinstellingen, art. 3,
Waardering: V, termijn: 10 jaar
Nummer: 893
Handeling: Het i.v.m. de vaststelling, heffing, inning en navordering van de bijzondere verbruiksbelastingen naar een milieugrondslag afgeven van machtigingen, beschikkingen en verklaringen, en het verrichten van de administratieve afhandeling hiervan, betreffende:
1. teruggaaf van belasting;
2. vermindering van belasting;
3. administratieve verplichtingen;
4. controle.
Periode: 1992-...
Grondslag: 1. Uitvoeringsregeling verbruiksbelastingen van brandstoffen, geheven naar een milieugrondslag nr. WDB92/190 d.d. 21-8-1992, Stcrt. 164, art. 6.2; b.w. 1993 Stcrt. 40,
2. Uitvoeringsregeling verbruiksbelastingen van brandstoffen, geheven naar een milieugrondslag (1993) nr. WM93/16 d.d. 25-2-1993, Stcrt. 40, art. 5.2,
Waardering: V, termijn: 10 jaar
Handelingen ingevolge internationale wet- en regelgeving
Nummer: – zie handeling nr. 180 `Belastingver(h)effend'
Handeling: Het verrichten van activiteiten i.v.m. de heffing van specifieke belastingen o.g.v. richtlijnen, besluiten e.d. van de EG en haar instellingen voor zover (nog) niet op genomen in nationale wetgeving en uitvoeringsvoorschriften of opgenomen in bilaterale verdragen met andere Lid-Staten m.b.t. specifieke belastingen.
Periode: 1957-...
Grondslag: Richtlijnen EG
Nummer: – zie handeling nr. 180 `Belastingver(h)effend'
Handeling: Het verrichten van activiteiten i.v.m. de heffing van omzetbelasting in samenwerking met de Beneluxlanden.
Periode: 1964-...
Grondslag: Verdrag van 25 mei 1964 tot wederzijdse bijstand tussen België, het Groothertogdom Luxemburg en Nederland inzake de heffing van omzetbelasting, de overdrachtstaxe en soortgelijke belastingen.
Nummer:– zie handeling nr. 181 `Belastingver(h)effend'
Handeling: Het verstrekken en ontvangen van gegevens aan en van de Beneluxpartijen i.v.m. de heffing van omzetbelasting.
Periode: 1964-...: DGFZ/IFZ/WV+D, DGBel./AFZ
Grondslag: Verdrag van 25 mei 1964 tot wederzijdse bijstand tussen België, het Groothertogdom Luxemburg en Nederland inzake de heffing van omzetbelasting, de overdrachtstaxe en soortgelijke belastingen.
4. Actor: de Nederlandse instantie belast met inning van belastingen
Nummer: 152
Handeling: Het verrichten van activiteiten verband houdende met de inning van de verplichte inkomstenbelasting van Nederlanders buiten het bezette gebied.
Periode: 1941-1942
Grondslag: Besluit van 18 september 1941 te Londen, art. 7, 8, 10,
Waardering: B, 9
5. Actor: departementale werkgroepen
Nummer: 7
Handeling: Het adviseren, inventariseren en rapporteren m.b.t. fiscale aangelegenheden i.v.m. voorgenomen maatregelen/ te nemen maatregelen en m.b.t. de inrichting en het functioneren van de Belastingdienst.
Toelichting: Van een groot aantal (interne) werkgroepen is geen naam, instellingsbeschikking of taakopdracht (binnen het tijdsbestek dat voor het vervaardigen van deze Pivot-rapportage beschikbaar is) te achterhalen. Daarop is een algemene handeling geformuleerd waardoor eventuele neerslag van de handelingen van die (interne) werkgroepen te selecteren valt.
Periode: 1945-...
Grondslag: *
De verschillende instellingsbeschikkingen en taakopdrachten
Waardering: B, 3
6. Actor: de Commissie van advies inzake wettelijke regeling betreffende de positie van adviseurs in belastingzaken
Nummer: 10
Handeling: Het onderzoeken van en het doen van voorstellen m.b.t. een wettelijke regeling betreffende de adviseurs in belastingzaken.
Periode: 1955-1958
Grondslag: Rapport van de Commissie van advies inzake wettelijke regeling betreffende de positie van adviseurs in belastingzaken, 1958
Waardering: B, 3
7. Actor: de Adviescommissie voor een aantal fiscale vraagstukken `Commissie Hofstra'
Nummer: – zie handeling `Belastingver(h)effend' no. 159
Handeling: Het in opdracht van de minister van Financiën onderzoeken van en adviseren over fiscale vraagstukken met als uiteindelijk resultaat aanpassing in de fiscale wetgeving (n.a.v. voorstellen van de commissie).
NB Deze handeling komt ook voor in de Pivot-rapportage `Belastingver(h)effend'. De reden dat de handeling ook in deze handelingenopsomming voor komt is gelegen in het feit dat de commissie ook onderzoek deed en adviseerde m.b.t. problematiek verband houdende met de heffingswetten die in dit rapport behandelt worden. De opdracht aan de commissie werd in 1968 door de Staatssecretaris van Financiën (F.H.M. Grapperhaus) uitgebreid. Voor de ordening van de neerslag van deze commissie wordt verwezen naar het handelingnummer uit het rapport `Belastingver(h)effend'.
Periode: 1966-1971
NB Aanvankelijk stond de commissie onder voorzitterschap van mr. A.J. van Soest (1966-1967).
Grondslag: Beschikking d.d. 10-6-1966 no. 185, Afd. Personeel
8. actor: Commissie ter bestudering van de belastingheffing van zelfstandigen in
vergelijking met die van loontrekkenden, `Commissie Van Soest'
Nummer: – zie handeling `Belastingver(h)effend' no. 164
Handeling: Het onderzoeken, adviseren en het doen van voorstellen tot wijziging van de fiscale wetgeving t.a.v. ongelijkheden bij de verdeling van de belastingdruk, verschillen in inkomensbesteding en economische functievervulling m.b.t. zelfstandigen en loontrekkenden.
NB
De handeling is evenals in de PIVOT-rapportage `Belastingver(h)effend' opgenomen omdat de commissie naast de algemene aspecten van haar opdracht ook adviseerde inzake wijziging van specifieke heffingswetten (bijv. inkomstenbelasting).
Periode: 1969-1971
Grondslag: Beschikking van 24 januari 1969, no. 135, Stcrt. 19, Instelling `Commissie van Soest' (Commissie ter bestudering van de belastingheffing van zelfstandigen in vergelijking met die van loontrekkenden).
9. Actor: Werkgroep Besparingen: `Commissie Van Franeker'
Nummer: – zie handeling `Belastingver(h)effend' no. 165
NB Deze handeling is destijds opgenomen in de PIVOT-rapportage `Belastingver(h)effend' i.v.m. met de motivering van de instelling van de Commissie Franeker die van algemene aard waren. De uiteindelijke adviezen van de Commissie hebben geleid tot wijziging van meerdere heffingswetten.
Handeling: Het onderzoeken en adviseren m.b.t. de mogelijkheden om d.m.v. wijzigingen in de wetgeving inzake de heffing van belastingen en sociale verzekeringspremies besparingen te bevorderen zowel bij werknemers als zelfstandigen (bijvoorbeeld door spaarloon).
Periode: 1969-1971
Grondslag: Brief van de minister van Financiën aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid d.d. 27 mei 1969 no. B69/7005, betreffende gezamenlijke instelling van de Werkgroep Besparingen (Commissie van Franeker).
10. Actor: prof. mr. H.J. Hofstra
Nummer: – zie handeling `Belastingver(h)effend' no. 160
Handeling: Het onderzoeken van en adviseren over de wenselijkheid en de praktische mogelijkheden tot een herziening van de belastingheffing in verband met de inflatie.
Periode: 1975-1978
Grondslag: Brief aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal d.d. 5 maart 1975
11. Actor: de Werkgroep ter bestudering van de belastinguitgaven, `Werkgroep Tax expenditures'
Nummer: 11
Handeling: Het onderzoeken van de bepalingen die in de Nederlandse fiscale wetgeving zijn opgenomen die belastinguitgaven tot gevolg hebben.
NB Met belastinguitgaven wordt gedoeld op maatregelen die in de vorm van belastingverlichtingen tot verborgen uitgaven (subsidie) leiden.
Periode: 1977-1987
Bron: Rapport belastinguitgaven in de Nederlandse inkomstenbelasting en de loonbelasting.
Waardering: B, 3
12. Actor: de Interdepartementale Werkgroep Fiscale Maatregelen ten bate van het Midden- en Kleinbedrijf
Nummer: 12
Handeling: Het verrichten van onderzoek en het formuleren van voorstellen voor fiscale maatregelen gericht op lastenverlichting voor het bedrijfsleven i.v.m. het regeringsbeleid gericht op herstel van de marktsector en het stimuleren van de investeringen.
Periode: 1982-1983
Grondslag: Rapport van de Interdepartementale Werkgroep Fiscale Maatregelen ten bate van het Midden- en Kleinbedrijf, mei 1983,
Waardering: B, 3
13. Actor: prof. mr. D. Simons
Nummer: 13
Handeling: Het verrichten van studie naar het doen vervallen van het begrip `enig feit' als bedoeld in art. 16 AWR en de invoering van een verhoging wegens opzet of grove schuld in het kader van de vaststelling van aanslagen.
Periode: 1983-1985
Grondslag: Rapport van studie naar vervallen nieuw feit en invoering van verhoging bij primitieve aanslag d.d. 6-6-1984,
Waardering: B, 3
14. Actor: de Commissie tot verlichting van administratieve verplichtingen voor het bedrijfsleven, `Commissie Grapperhaus'
Nummer: 14
Handeling: Het inventariseren van opgelegde administratieve verplichtingen van bedrijven en onderzoeken hoe deze verminderd kunnen worden, het formuleren van toetsingscriteria waaraan administratieve verplichtingen moeten voldoen dan wel het op andere wijze aangeven hoe structurele vereenvoudiging kan worden bereikt en het doen van voorstellen ter zake.
Periode: 1984-1985
Grondslag: Rapport `Heerendiensten' van de commissie tot verlichting van administratieve verplichtingen voor het bedrijfsleven, `Commissie Grapperhaus', ingesteld bij beschikking door de Staatssecretaris van Economische Zaken op 12 april 1984, art. 2,
Waardering: B, 3
15. Actor: de Interdepartementale werkgroep fiscale jurisdictie continentaal plat
Nummer: 15
Handeling: Het bestuderen en adviseren m.b.t. mogelijkheid van belastingheffing op (mijnbouw-)activiteiten op het Nederlands deel van het continentaal plat van de Noordzee.
Periode: 1985
Grondslag: Rapport Belastingheffing en Continentaal Plat
Waardering: B, 3
16. actor: de Interdepartementale werkgroep fiscale aspecten van privatisering
Nummer: 16
Handeling: Het inventariseren/onderzoeken van de fiscale aspecten die een rol spelen bij privatiseringen, het aangeven waar zich in dezen knelpunten voordoen en het adviseren hoe deze knelpunten, binnen de fiscaliteit dan wel in het bredere budgettaire kader van de Rijksbegroting, opgelost kunnen worden.
Periode: 1985-1986
Grondslag: Rapport fiscale aspecten van privatisering, mei 1986.
Waardering: B, 3
17. Actor: de Commissie tot vereenvoudiging van de loonbelasting en de inkomstenbelasting; de zgn. `Commissie Oort'
Nummer: 17
Handeling: Het opstellen van voorstellen ter vereenvoudiging van de loonbelasting en de inkomstenbelasting.
Periode: 1985-1986
Grondslag: Beschikking d.d. 20-9-1985 nr. 085-2500, Stcrt. 23-9-1985 nr. 184, betr. instelling van een commissie tot vereenvoudiging van de loonbelasting en de inkomstenbelasting, `Commissie Oort', art. 2, art. 5 (de commissie derden kan horen), art. 7 (de commissie brengt op verzoek van de Minister tussentijds verslag uit),
Waardering: B, 3
Nummer: 18
Handeling: Het bij de minister van Financiën ter goedkeuring indienen van begrotingen van kosten van de commissie.
Periode: 1985-1986
Grondslag: Beschikking d.d. 20-9-1985 nr. 085-2500, Stcrt. 23-9-1985 nr. 184, betr. instelling van een commissie tot vereenvoudiging van de loonbelasting en de inkomstenbelasting, `Commissie Oort', art. 9.2,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na goedkeuring/vaststelling
18. actor: Stuurgroep onroerend-goedbelastingen
Nummer: 20
Handeling: Het, gevraagd of uit eigener beweging, adviseren van de ministers van Binnenlandse Zaken en van Financiën omtrent aangelegenheden welke verband houden met de heffing van onroerend-goedbelastingen.
Periode: 1985-1991
Grondslag: Beschikking nr. 585-25890, instelling Stuurgroep Onroerend-goedbelastingen, art. 1,
Waardering: B, 3
Nummer: 23
Handeling: Het coördineren van de aan de uitvoering van de ogb verbonden werkzaamheden.
Periode: 1985-1991
Grondslag: Beschikking nr. 585-25890, instelling Stuurgroep onroerend-goedbelastingen, art. 1,
Waardering: B, 3/6
Nummer: 24
Handeling: Het op verzoek van gemeenten uitbrengen van adviezen m.b.t. de uitvoering van de heffing van de ogb, voor zoveel de verzoeken van algemene aard zijn.
Periode: 1985-1991
Grondslag: Beschikking nr. 585-25890, instelling Stuurgroep onroerend-goedbelastingen, art. 1,
Waardering: B, 3
Nummer: 25
Handeling: Het coördineren van een overleg tussen de Rijksbelastingdienst en de gemeenten, waarin uitsluitend aangelegenheden worden behandeld, welke de geautomatiseerde verwerking van de ogb betreffen.
Periode: 1985-1991
Grondslag: Beschikking nr. 585-25890, instelling Stuurgroep onroerend-goedbelastingen, art. 1,
Waardering: B, 3/6
Nummer: 26
Handeling: Het adviseren inzake de in de Handleiding ogb op te nemen voorschriften m.b.t. de uitwisseling van gegevens tussen de gemeenten en de Rijksbelastingdienst.
Periode: 1985-1991
Grondslag: Beschikking nr. 585-25890, instelling Stuurgroep onroerend-goedbelastingen, art. 1,
Waardering: B, 3
Nummer: 28
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van een reglement dat de werkwijze van de Stuurgroep regelt.
Periode: 1985-1991
Grondslag: Beschikking nr. 585-25890, instelling Stuurgroep onroerend-goedbelastingen, art. 3,
Waardering: B, 5
Nummer: 29
Handeling: Het instellen van werkgroepen ter voorbereiding van door de Stuurgroep uit te brengen adviezen en de benoeming van niet-leden daarin.
Periode: 1985-1991
Grondslag: Beschikking nr. 585-25890, instelling Stuurgroep onroerend-goedbelastingen, art. 4.2,
Waardering: B, 5
Nummer: 31
Handeling: Het jaarlijks uitbrengen van een verslag aan de ministers van Financiën en van Binnenlandse Zaken omtrent de verrichte werkzaamheden.
Periode: 1985-1991
Grondslag: Beschikking nr. 585-25890, instelling Stuurgroep onroerend-goedbelastingen, art. 5,
Waardering: B, 2
19. Actor: Werkgroepen ingesteld door de Stuurgroep onroerend-goedbelastingen
Nummer: 30
Handeling: Het voorbereiden van adviezen welke door de Stuurgroep onroerend-goedbelastingen uitgebracht worden.
Periode: 1985-1991
Grondslag: Beschikking nr. 585-25890, instelling Stuurgroep onroerend-goedbelastingen, art. 4.2,
Waardering: B, 3
Nummer: 32
Handeling: Het beantwoorden van vragen van technische en organisatorische aard i.v.m. de vereenvoudiging van de wetgeving o.g.v. voorstellen van de Commissie Oort.
Periode: 1989-1991 (1992)
Grondslag: Aanschrijving d.d. 5-6-1989 nr. OB89/1959 onder punt 2,
Waardering: B, 3/6
21. Actor: Commissie voor de belastingherziening, `Commissie Stevens'
Nummer: 33
Handeling: Het opstellen van adviezen over de verdere vereenvoudiging en verbreding van het draagvlak van de loon- en inkomstenbelasting en ter stroomlijning van de belasting op ondernemingswinst.
Periode: 1990-1991
Grondslag: Beschikking van 4 april 1990 nr. AFP90/110, houdende instelling van een commissie voor de belastingherziening, `Commissie Stevens', art. 2, art. 6 (de commissie kan zich tot derden wenden voor inlichtingen of hen horen), art. 8 (de commissie brengt op verzoek van de minister tussentijds verslag uit),
Waardering: B, 3
Nummer: 34
Handeling: Het opstellen en ter goedkeuring van de minister van Financiën voorleggen van begrotingen van kosten van de werkzaamheden van de commissie alsmede het afleggen van rekening en verantwoording.
Periode: 1990-1991
Grondslag: Beschikking van 4 april 1990 nr. AFP90/110, houdende instelling van een commissie voor de belastingherziening, `Commissie Stevens', art. 10.2.3,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na goedkeuring/vaststelling
22. Actor: Projectgroep overdracht onroerend-goedbelastingen
Nummer: 36
Handeling: Het voorbereiden van het bestuurlijk overleg tussen de Staatssecretarissen van Financiën, Binnenlandse Zaken en de Ver. Ned. Gemeenten m.b.t. de overdracht van de heffing en invordering van de ogb alsmede het uitvoeren van de in dat overleg genomen besluiten.
Periode: 1989-1992
Grondslag: Beschikking 31-3-1989 no. Fip89./400
Waardering: B, 3
Nummer: 37
Handeling: Het opstellen en uitwerken van technisch-organisatorische voorwaarden voor de overdracht van de taken m.b.t. heffing en invordering van de ogb.
Periode: 1989-1992
Grondslag: Beschikking 31-3-1989 no. Fip89./400
Waardering: B, 3
Nummer: 38
Handeling: Het opstellen van een draaiboek dat er in voorziet dat alle gemeenten vanaf het belastingjaar 1992 zelf de heffing en invordering van de onroerend-goedbelastingen uitvoeren of zoveel eerder als in incidentele gevallen mogelijk is.
Periode: 1989-1992
Grondslag: Beschikking 31-3-1989 no. Fip89./400
Waardering: B, 3
Nummer: 39
Handeling: Het opstellen van een evaluatie van de overdracht van taken betreffende het heffen en invorderen van onroerende goedbelastingen naar de gemeenten.
Periode: 1989-1992
Grondslag: Beschikking 31-3-1989 no. Fip89./400
Waardering: B, 3
23. Actor: Commissie van Advies (m.b.t. herkapitalisatie van vennootschappen i.v.m. de heffing van de superdividendbelasting)
Nummer: 342
Handeling: Het adviseren van de Secretaris-Generaal/ de Minister bij de behandeling van bezwaren inzake afgifte van verklaringen van geen bezwaar tegen herkapitalisatie van vennootschappen i.v.m. de heffing van de zgn. superdividendbelasting op de uitdelingen daarop.
Periode: 1945-1950
Grondslag: Besluit Dividendbeperking 1941, art. 10.4,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na advisering
24. Actor: de Schattingscommissies
Wet van den 2den mei 1897, Stb. 124, tot herziening van de belastbare opbrengst der gebouwde eigendommen.
Nummer: 628
Handeling: Het vaststellen van de belastbare opbrengsten, en het behandelen van bezwaren daartegen, van gebouwde eigendommen.
Periode: 1945-..?.
Grondslag: Wet van 2 mei 1897, art. 11, 21, 22, 26, 27, 28, 30, 31, 37,
Waardering: V, termijn: 10 jaar m.u.v. basisregistrerende kaarten en tekeningen die gebruikt zijn bij de opneming/schatting van de belasting en die voor later historisch onderzoek van belang kunnen zijn
Nummer: 639
Handeling: Het in overleg met andere schattingscommissies ter opstellen van richtlijnen t.b.v. de gelijkmatigheid der schattingen.
Periode: 1945-..?.
Grondslag: Wet van 2 mei 1897, art. 24
Waardering: B, 4
Wet van den 15den juli 1907, houdende bepalingen in verband met de herziening van de belastbare opbrengst der gebouwde eigendommen.
Nummer: 642
Handeling: Het schatten van gebouwde eigendommen die bij de herziening ing. de Wet van 2 mei 1897 Stb. 124 niet zijn inbegrepen doch vóór de onder art. 35 van die wet aantekening zijn ontstaan of belastbaar geworden en niet vallende onder art. 25 van de wet van 26 mei 1870 Stb. 82.
Periode: 1945-..?.
Grondslag: Wet van 15 juli 1907, art. 2,
Waardering: V, termijn: 10 jaar m.u.v. basisregistrerende kaarten en tekeningen
25. Actor: de Hoofdcommissie voor de schatting van belastbare gebouwde eigendommen
Wet van den 2den mei 1897, Stb. 124, tot herziening van de belastbare opbrengst der gebouwde eigendommen.
Nummer: 631
Handeling: Het beslissen op verzoeken om herschatting van gebouwde eigendommen.
Periode: 1945-..?.
Grondslag: Wet van 2 mei 1897, art. 13, 32,
Waardering: V, termijn: 10 jaar na afhandeling
Nummer: 632
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van voorschriften ter bevordering van richtige en tijdige uitvoering van de bepalingen van de wet door de schattingscommissies.
Periode: 1945-..?..
Grondslag: Wet van 2 mei 1897, art. 14,
Waardering: B, 4
Nummer: 640
Handeling: Het beslissen, op verzoek van de voorzitters der schattingscommissies, op uiteindelijke indeling in een categorie indien de schattingscommissies hier geen interne overeenstemming krijgen.
Periode: 1945-..?.
Grondslag: Wet van 2 mei 1897, art. 25
Waardering: V, 10 jaar na afhandeling
26. Actor: de schattingscommissie incourante fondsen (gevestigd te `s-Gravenhage)
Nummer: 546
Handeling: Het op verzoek van de inspecteur, evt. na verzoek van belastingplichtige, waarderen van effecten i.v.m. de in aanmerking te nemen waarde voor de vaststelling van de aanslag vermogensaanwasbelasting.
Periode: 1949-...
Grondslag: Beschikking van 29-7-1949 no. 201, Stcrt. 148, Schattingscommissie incourante fondsen, art. 2, 5, 8, 9, 10, 11, 12,
Waardering: B, 9
27. Actor: de Voorlopige Raad voor de waardering van onroerende zaken/de Voorlopige Waarderingskamer (ingesteld bij: Besluit van 7 november 1991, Stb. 565, tot instelling van een voorlopige raad voor de waardering van onroerende zaken)
Nummer: 40
Handeling: Het adviseren m.b.t.:
het formuleren van vakbekwaamheidseisen voor taxateurs van onroerende zaken, het opstellen van een waarderingsinstructie,
het ontwikkelen van een procedure t.b.v. de controle voorafgaand aan en volgend op de waardebepaling van onroerende zaken,
het ontwikkelen van de procedure voor de uitwisseling van gegevens tussen de colleges van B. en W. en de afnemers,
de wijze van verrekening van de ter zake van de uitvoering van een op te stellen wet inzake de waardering van onroerende zaken aan de afnemers in rekening te brengen kosten,
aangelegenheden die verband houden met de waardering van onroerende zaken eventueel door tussenkomst door andere ministers,
NB Ten aanzien van belasting wegens gebouwde en ongebouwde eigendommen kan het volgende opgemerkt worden.
De meeste in de Vuga opgenomen wet- en regelgevingen liggen in het verlengde van de Gemeentewet. De Gemeentewet is in eerste instantie de verantwoordelijkheid van de minister van Binnenlandse Zaken. Het ligt voor de hand dat de handelingen, ook van de minister van Financiën, derhalve in kaart gebracht worden bij het Pivot-onderzoek dat bij Binnenlandse Zaken gehouden wordt.
Periode: 1991-
Grondslag: Besluit van 7 November 1991, Stb. 565, art. 2.1
Waardering:
Nummer: 45
Handeling: Het instellen van commissies en benoemen van haar leden en van externe deskundigen ter vervulling van de taken van de Raad voor de waardering van onroerende zaken.
Periode: 1991-...
Grondslag: Besluit van 7 november 1991, Stb. 565, art. 5,
Waardering:
Nummer: 46
Handeling: Het opstellen van een jaarlijkse begroting.
Periode: 1991-...
Grondslag: Besluit van 7 november 1991, Stb. 565, art. 6,
Waardering:
Nummer: 48
Handeling: Het voordragen voor benoeming, schorsing of ontslag van de secretaris en andere personeelsleden van het secretariaat van de Raad voor de waardering van onroerende zaken aan de minister.
Periode: 1991-...
Grondslag: Besluit van 7 november 1991, Stb. 565, art. 7.2,
Waardering:
Nummer: 49
Handeling: Het opstellen van regels m.b.t. de werkwijzen van de Raad voor de waardering van onroerende zaken zelf, het secretariaat en de commissies van de Raad.
Periode: 1991-...
Grondslag: Besluit van 7 november 1991, Stb. 565, art. 8,
Waardering:
28. Actor: de secretaris-generaal (1940-1945)/de minister van Binnenlandse Zaken
Nummer: 21
Handeling: Het vragen van adviezen aan de Stuurgroep Onroerend-goedbelastingen omtrent aangelegenheden welke verband houden met de heffing van onroerend-goedbelastingen.
Periode: 1985-1991
Grondslag: Beschikking nr. 585-25890, instelling Stuurgroep Onroerend-goedbelastingen, art. 1,
Waardering:
Nummer: 42
Handeling: Het doen van voordrachten tot het benoemen van adviserende leden van de Raad voor de waardering van onroerende zaken.
Periode: 1991-...
Grondslag: Besluit van 7 november 1991, Stb. 565, art. 4,
Waardering:
Nummer: 162
Handeling: Het vaststellen van de data, samen met de Secretaris-Generaal van Financiën, waarop uit de opbrengst van de nieuwe inkomstenbelasting over 1941 uitkeringen worden gedaan aan de provinciën.
Periode: 1941-1944:
Grondslag: Besluit van 4 februari 1941, Stb. 402, art. 1.2
Waardering:
Nummer: 164
Handeling: Het vaststellen van data, samen met de Secretaris-Generaal van Binnenlandsche Zaken, waarop gemeenten uit het gemeentefonds over de periode 1-5-1941 tot 31-12-1941 uitkering ontvangen van een bedrag samengesteld uit: 2/3e gedeelte v.d. uitkering ontvangen welke de gemeente over 1-5-1940 tot 30-4-1941 per in de gemeentefondsbelasting aangeslagen inwoner; een bedrag gelijk aan 50% van de jaarwedde van de burgemeester en de secretaris; o.g.v. een verdelingsformule uit de opbrengst van de gemeentefondsbelasting.
Periode: 1941-1944
Grondslag: Besluit van 4 februari 1941, Stb. 402, art. 5.3,
Waardering:
Nummer: 166
Handeling: Het, samen met de Secretaris-Generaal van Financiën, vaststellen van data waarop gemeenten t.l.v. het begrotingsjaar een uitkering ontvangen uit het gemeentefonds waarbij bij de storting door de Staat in het gemeentefonds rekening wordt gehouden dat in de zuivere opbrengst begrepen is de heffing van opcenten bij het heffen van de nieuwe inkomstenbelasting.
Periode: 1941-1944
Grondslag: Besluit van 4 februari 1941, Stb. 402, art. 7.3,
Waardering:
Nummer: 168
Handeling: Het, samen met de Secr.-Gen. van Financiën, vaststellen, wijzigen en intrekken van regels m.b.t. het verlenen van aanvullende steun i.v.m. verschillen in uitkering uit het gemeentefonds en hetgeen in het gemeentefonds is gestort.
Periode: 1941-1944
Grondslag: Besluit van 4 februari 1941, Stb. 402, art. 8,
Waardering:
Nummer: 170
Handeling: Het, samen met de Secr.-Gen. van Financiën, bij beschikking vaststellen dat de bepalingen van dit Besluit afwijkend worden toegepast i.v.m. grenswijzigingen van gemeenten zodanig dat de strekking overeenkomstig is met het Besluit.
Periode: 1941-1944
Grondslag: Besluit van 4 februari 1941 Stb. 402, art. 9,
Waardering:
Nummer: 411
Handeling: Het, gezamenlijk met de Secretaris-Generaal van het Departement van Financiën, voor elk geval afzonderlijk vaststellen welk gedeelte van de aanslagen in de ondernemingsbelasting van ondernemingen met bedrijfsinrichtingen die zich over meer dan één gemeente uitstrekken t.b.v. van de door de inspecteur aangewezen gemeente toekomt aan de andere gemeente.
Periode: 1945-1950
Grondslag: Besluit op de Ondernemingsbelasting 1942, art. 30,
Waardering:
Nummer: 414
Handeling: Het samen met de Secretaris-Generaal van het Departement van Financiën opstellen, wijzigen en intrekken van voorschriften m.b.t. de uitkering aan de gemeenten van hetgeen haar ingevolge dit besluit toekomt.
Periode: 1945-1950:
Grondslag: Besluit op de Ondernemingsbelasting 1942, art. 32,
Waardering:
Nummer: 415
Handeling: Het samen met de Secretaris-Generaal van het Departement van Financiën opstellen, wijzigen en intrekken van voorschriften welke noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het Besluit op de Ondernemingsbelasting 1942 (krachtens uitbreiding van het artikel in 1944, VB 45, zijn de departementen ook bevoegd in de voorschriften verplichtingen op te leggen aan andere personen dan de belastingplichtige).
Periode: 1945-1950:
Grondslag: Besluit op de Ondernemingsbelasting 1942, art. 33,
Waardering:
Nummer: 417
Handeling: Het, samen met de Secretaris-Generaal van het Departement van Financiën, vaststellen in welke mate en op welke wijze de voor het belastingjaar 1942 geheven belasting aan de gemeenten wordt uitgekeerd.
Periode: 1942
Grondslag: Besluit op de Ondernemingsbelasting 1942, art. 34.2,
Waardering:
Nummer: 419
Handeling: Het, samen met de Secretaris-Generaal van het Departement van Financiën vaststellen, voor het belastingjaar 1943, van het vermenigvuldigingscijfer dat wordt gehanteerd bij de vermenigvuldiging van het samengestelde grondbedrag hetwelk aan de gemeente is toegekend e.e.a. ten behoeve van de van elke gemeente verschuldigde belasting.
Periode: 1942-1943:
Grondslag: Besluit op de Ondernemingsbelasting 1942, art. 34.3,
Waardering:
Nummer: 420
Handeling: Het, samen met de Secretaris-Generaal van het Departement van Financiën, voor het belastingjaar 1944 vaststellen van het vermenigvuldigingscijfer op 3, waarmee het samengestelde grondbedrag wordt vermenigvuldigd t.b.v. van de heffing van ondernemingsbelasting welke van elke gemeente verschuldigd is, in het geval in de gemeentelijke verordening een hoger cijfer is opgenomen dan 3.
Periode: 1944-1945
Grondslag: Besluit van den Secretaris-Generaal van het Departement van Binnenlandsche Zaken en de wnd. Secretaris-Generaal van het Departement van Financiën van 29 Juli 1944, B.Z. no. 1 B.B., betr. vaststelling van het vermenigvuldigingscijfer voor de Ondernemingsbelasting over het dienstjaar 1944., Stcrt. 143, art. 1.1,
Waardering:
Nummer: 425
Handeling: Het voorbereiden van een Koninklijk Besluit houdende goedkeuring de verordening houdende de vaststelling door de gemeente Eindhoven van het vermenigvuldigingscijfer voor de ondernemingsbelasting over 1945.
Periode: 1947
Grondslag: Wet van 27 juni 1947, Stb. H 209, houdende afwijking van artikel 19 van het Besluit op de Ondernemingsbelasting 1942 t.b.v. de gemeente Eindhoven, art. 1,
Waardering:
Nummer: 583
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van Koninklijke Besluiten houdende vaststelling van gemeentelijke verordeningen m.b.t. de heffing van personele belasting.
Periode: 1945-1950
Grondslag: Wet op de Personeele Belasting 1896, art. 78,
Waardering:
Nummer: 585
Handeling: Het samen met de minister van Financiën, Gedeputeerde Staten gehoord, voor één of meerdere jaren indelen in een andere klasse of klassen ter bevordering van de gelijkmatigheid van de klasse-indeling van gemeenten ter heffing van de personele belasting.
Periode: 1950-1979
Grondslag: Wet op de personele belasting 1950, art. 5.4,
Waardering:
29. Actor: de minister van Verkeer en Waterstaat
Nummer: 43
Handeling: Het doen van voordrachten tot het benoemen van adviserende leden van de Raad voor de waardering van onroerende zaken.
Periode: 1991-...
Grondslag: Besluit van 7 november 1991, Stb. 565, art. 4,
Waardering:
Nummer: 740
Handeling: Het vaststellen, wijzigen en intrekken van een beschikking inzake wat onderscheidenlijk onder luchtbanden, cushionbanden en massieve rubberbanden wordt verstaan i.v.m. vaststelling van de verschuldigde bedragen van motorrijtuigenbelasting.
Periode: 1945-1966
Grondslag: Motorrijtuigenbelastingwet 1926, art. 3.7,
Waardering:
Nummer: 749
Handeling: Het aanwijzen van ambtenaren (van Rijks- en Provinciale Waterstaat) belast met het opsporen van overtredingen van de motorrijtuigenbelastingwet.
Periode: 1945-1966
Grondslag: Motorrijtuigenbelastingwet 1926, art. 23.1,
Waardering:
Nummer: 753
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van Koninklijke Besluiten, Gedeputeerde Staten van de provinciën gehoord, houdende vaststelling/herziening van het Rijkswegenplan.
Periode: 1945-1966
Grondslag: Motorrijtuigenbelastingwet 1926, art. 33; vervallen bij wijz. Wet 21-7-1966 Stb. 367,
Waardering:
Nummer: 755
Handeling: Het stellen, wijzigen en intrekken van voorschriften m.b.t. de inrichting van de provinciale wegenplannen.
Periode: 1945-1966
Grondslag: Motorrijtuigenbelastingwet 1926, art. 34.2; vervallen bij wijz. wet 21-7-1966 Stb. 367,
Waardering:
Nummer: 756
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van Koninklijke Besluiten houdende goedkeuring/afwijzing van provinciale wegenplannen.
Periode: 1945-1966
Grondslag: Motorrijtuigenbelastingwet 1926, art. 34.3; vervallen bij wijz. wet 21-7-1966 Stb. 367,
Waardering:
Nummer: 759
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van K.B.'s houdende goedkeuring van verordeningen houdende regels waaraan een weg moet voldoen om in het tertiair wegenplan te mogen worden geplaatst.
Periode: 1945-1966
Grondslag: Motorrijtuigenbelastingwet 1926, art. 34bis.3; vervallen bij wijz. wet 21-7-1966 Stb. 367,
Waardering:
Nummer: 760
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van nadere voorschriften omtrent de inrichting van tertiaire wegenplannen welke opgesteld dienen te worden door de provinciën.
Periode: 1945-1966
Grondslag: Motorrijtuigenbelastingwet 1926, art. 34bis.5; vervallen bij wijz. wet 21-7-1966 Stb. 367,
Waardering:
Nummer: 761
Handeling: Het voor elk begrotingsjaar opstellen van een lijst bevattende a) de bij het Rijk in beheer zijnde op het Rijkswegenplan voorkomende wegen of voorkomend in een provinciaal wegenplan, b) de ontworpen wegen, op het Rijkswegenplan voorkomend, waarvan de aanleg ter hand is genomen.
Periode: 1945-1966
Grondslag: Motorrijtuigenbelastingwet 1926, art. 35.1; vervallen bij wijz. Wet 21-7-1966 Stb. 367,
Waardering:
Nummer: 763
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van Koninklijke Besluiten houdende vaststelling van de per begrotingsjaar opgestelde lijsten van in beheer zijnde wegen, voorkomend in de Rijkswegenplannen en de provinciale wegenplannen en van de wegen waarvan de aanleg ter hand genomen is.
Periode: 1945-1966
Grondslag: Motorrijtuigenbelastingwet 1926, art. 35.4; vervallen bij wijz. wet 21-7-1966 Stb. 367,
Waardering:
Nummer: 764
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van Koninklijke Besluiten betreffende de vaststelling van de in rekening te brengen lengte van de wegen waarvan de aanleg ter hand is genomen maar die nog niet is afgerond.
Periode: 1945-1966
Grondslag: Motorrijtuigenbelastingwet 1926, art. 35.6; vervallen bij wijz. Wet 21-7-1966 Stb. 367,
Waardering:
Nummer: 765
Handeling: Het vaststellen van de modellen van de lijsten waarop, per begrotingsjaar, bijgehouden wordt de in beheer zijnde wegen, voorkomend in de Rijkswegenplannen en de provinciale wegenplannen en van de wegen waarvan de aanleg ter hand genomen is.
Periode: 1945-1966
Grondslag: Motorrijtuigenbelastingwet 1926, art. 35.7; vervallen bij wijz. wet 21-7-1966 Stb. 367,
Waardering:
Nummer: 766
Handeling: Het vaststellen van het aandeel dat elk der provinciën krijgt uit de opbrengst van de motorrijtuigenbelasting.
Periode: 1945-1966
Grondslag: Motorrijtuigenbelastingwet 1926, art. 36.1, 37: beide artikelen vervallen bij wijz. wet 21-7-1966 Stb. 367,
Waardering:
Nummer: 767
Handeling: Het betaalbaarstellen van het provinciaal aandeel uit de belastingopbrengst en het geven van voorschotten hierop.
Periode: 1945-1966
Grondslag: Motorrijtuigenbelastingwet 1926, art. 36.4, 37: beide artikelen vervallen bij wijz. wet 21-7-1966 Stb. 367,
Waardering:
Nummer: 770
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van Koninklijke Besluiten houdende behandeling van beroepen door onderhoudsplichtigen van wegen tegen de verdeling en terugvordering van niet bestede gelden van het aandeel uit de belastingopbrengst.
Periode: 1945-1966
Grondslag: Motorrijtuigenbelastingwet 1926, art. 38.3.5.6; vervallen bij wijz. Wet 21-7-1966 Stb. 367,
Waardering:
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966
Nummer: 793
Handeling: Het afwijzen of toewijzen, onder voorwaarden, van verzoeken van gemeentebesturen om voor het parkeren bij parkeermeters een andere maximale tijdsduur dan in de Wet genoemd te mogen hanteren.
Periode: 1971-1975
Grondslag: Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966, v.a. wijz. wet 24-12-1970 Stb. 608, art. 20.3; vervallen bij wijz. wet 18-12-1975 Stb. 713,
Waardering:
Nummer: 797
Handeling: Het opstellen van voorstellen m.b.t. door de minister van Financiën op te stellen, wijzigen en in te trekken voorschriften m.b.t. de nummerplaten voor rij- of voertuigen waarvoor vrijstelling van de motorrijtuigenbelasting wordt verleend.
Periode: 1971-...
Grondslag: Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1966, v.a. wijz. 7-12-1971 Stb. 724, art. 11.1,
Waardering:
30. Actor: Rijksinspecteurs van het Verkeer
Nummer: 695
Handeling: Het innen en afdragen van de omzetbelasting van omzetbelasting van binnenschippers.
Periode: 1954-1968
Grondslag: Besluit omzetbelasting bijzondere regelingen I, art. 15,
Waardering:
31. Actor: Rijks- en Provinciale Waterstaat
Nummer: 750
Handeling: Het opsporen van overtredingen van de Motorrijtuigenbelastingwet.
Periode: 1945-1966
Grondslag: Motorrijtuigenbelastingwet 1926, art. 23.1,
Waardering:
32. Actor: de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer Milieuhygiëne; Volksgezondheid
Nummer: 44
Handeling: Het opstellen van voordrachten tot het benoemen van adviserende leden van de Raad voor de waardering van onroerende zaken.
Periode: 1991-...
Grondslag: Besluit van 7 november 1991, Stb. 565, art. 4,
Waardering:
Wet op de inkomstenbelasting 1964
Nummer: 216
Handeling: Het, in overeenstemming met de minister van Financiën en na overleg met de minister van Economische Zaken, aanwijzen van bedrijfsmiddelen die in het belang zijn van de bescherming van het milieu waarvoor vervroegde afschrijving van aanschaffings- en voortbrengingskosten via aftrek in de inkomstenbelasting is toegestaan.
Periode: 1991-...:
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, v.a. wijz. wet 19-7-1991 Stb. 425, art. 10.3,
Waardering:
Nummer: 222
Handeling: Het, na overleg met de ministers van Economische Zaken en van de minister van Financiën mede-voorbereiden van een ministeriële regeling betreffende het intrekken of beperken van het toestaan van vervroegde afschrijving in de inkomstenbelasting op aanschaffings- en voortbrengingskosten in bedrijfsmiddelen die van belang zijn voor de bescherming van het milieu.
Periode: 1991-...:
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, v.a. wijz. wet 19-7-1991, Stb. 353, art. 10.4,
Waardering:
Nummer: 227
Handeling: Het, in overeenstemming met de minister van Financiën (eerstverantwoordelijk), mede-opstellen van regels m.b.t. de (accountants-)verklaring van juistheid van gegevens die ingediend moet worden om voor de toepassing van vervroegde afschrijving, via aftrek in de inkomstenbelasting, in aanmerking te komen van aanschaffings- en voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen welke in het belang zijn van de bescherming van het milieu.
Periode: 1991-...:
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, v.a. wijz. wet 19-7-1991 Stb. 425, art. 10.8,
Waardering:
Nummer: 279
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van een AMVB houdende aanwijzing van gemeenten en gebieden, samen met de ministers van Financiën en van Economische Zaken, waarvoor m.b.t. investeringen in gebouwen en installaties het percentage van het investeringsbedrag dat in aanmerking genomen wordt voor de investeringsbijdrage, alsmede waarvoor het percentage dat o.g.v. conjuncturele overwegingen daarvoor is vastgesteld, wordt verhoogd o.g.v. hun functie in het kader van het beleid inzake de ruimtelijke ordening (v.a. 5-7-1984 worden bepalingen m.b.t. gebouwen en installaties voor landbouwbedrijven niet meer toegepast).
Periode: 1978-1984:
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting, v.a. wijz. wet 29-6-1978 Stb. 368 (WIR), art. 61e.1; vervallen bij wijz. wet 5-7-1984 Stb. 366,
Waardering:
Nummer: 284
Handeling: Het aanwijzen, in overeenstemming met de ministers van Financiën en van Economische Zaken (eerstverantwoordelijk), van categorieën investeringen (v.a. 1985: van investeringen) van voor een goed leefmilieu van belang zijnde investeringen evt. met het stellen van voorwaarden m.b.t. de bestemming waarop de investering betrekking heeft, welke in aanmerking genomen worden voor het vaststellen van het percentage van het investeringsbedrag dat aangemerkt wordt als investeringsbijdrage waarmee voor de belastingheffing rekening gehouden wordt (v.a. 5-7-1984 geldt de aanwijzing niet meer voor landbouw- en bosbouwbedrijven).
Periode: 1980-1987:
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, v.a. wijz. wet 25-6-1980 Stb. 386, art. 61ea.1.5, v.a. wijz. wet 16-1-1985 gewijzigd in: art. 61ea.1.3; vervallen bij wijz. wet 23-12-1987 Stb. 624,
NB m.i.v. 1991, Stb. 425, komt deze handeling in min of meer dezelfde vorm terug in art. 10.3. Hiervan is een aparte handeling opgenomen.
Waardering:
Nummer: 733
Handeling: Het samen met de minister van Financiën opstellen, wijzigen en intrekken van regels m.b.t. de vaststelling van de uitworp van verontreinigde uitlaatgassen volgens een vastgestelde procedure i.v.m. het toelaten van personenauto's waarvoor een verlaagd tarief van de bijzondere verbruiksbelasting van toepassing kan zijn.
Periode: 1986-1989:
Grondslag: Besluit voorwaarden schone en beperkt schone personenauto's d.d. 26-3-1986, Stb. 113, art. 1.7,
Waardering:
33. Actor: de Dienst van het Kadaster en Hypotheken
Nummer: 616
Handeling: Het afgeven van extracten uit de registers en het plaatsen van aantekeningen daarop i.v.m. in te dienen verzoeken om rangschikking van landgoederen onder de werking van de Natuurschoonwet.
NB Vanaf de verzelfstandiging van de Rijksdienst van het Kadaster en de Openbare Registers, 1994 Stb. 125, vervalt de bepaling dat uittreksels kosteloos verstrekt dienen te worden. De bepaling m.b.t. de kosteloosheid stond tot dan toe in art. 2 lid 2 van de Natuurschoonwet 1928.
Periode: 1945-...
NB tot c.a. 1970 behoorde de dienst tot het ministerie van Financiën (Belastingdienst), nadien ressorteert de dienst onder de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening.
Grondslag: Natuurschoonwet 1928, art. 11; vervallen 1989 Stb. 205,
Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928 v.a. 1990, art. 7, 8,
Waardering:
Kostprijsverhogende belastingen
Grondbelasting en aanverwante wetten
Wet van 26 mei 1870, Stb. 82, betrekkelijk de grondbelasting, i.w. 1-1-1871, b.w. 1989 Stb. 491
Nummer: 617
Verwijzing: de handeling is ook opgenomen in de selectielijst van de actor Belastingdienst omdat het Kadaster tot c.a. 1970 daaronder ressorteerde
Handeling: Het verrichten van activiteiten i.v.m. het heffen van grondbelasting.
Periode: 1945-1989
Grondslag: Wet Grondbelasting van 26 mei 1870, Stb. 82, art. 9, 11, 13, 15, 16 v.a. wijz. Wet van 17 mei 1956 Stb. 323, 17 v.a. wijz. Wet van 17 mei 1956 Stb. 323, 18 v.a. wijz. Wet van 17 mei 1956 Stb. 323, 19, 20, 22, 23, 24, 39, 43, 44 v.a. wijz. Wet van 17 mei 1956 Stb. 323, 46, 50, 51 v.a. wijz. Wet van 17 mei 1956 Stb. 323, 52, 53, 54 v.a. wijz. Wet van 17 mei 1956 Stb. 323, 56,
Waardering:
34. Actor: de minister van Sociale Zaken/ en Werkgelegenheid/ en Volksgezondheid
Nummer: 82
Handeling: Het samen met de minister van Financiën afwijzen of toewijzen, onder voorwaarden en met aanwijzingen, van verzoeken om aangewezen te worden als pensioenregeling i.v.m. de heffing van loonbelasting.
Periode: 1953-....
Grondslag: Besluiten van de Commissie coördinatie sociale verzekering en loonbelasting,
Waardering:
Nummer: 95
Handeling: Het aanwijzen, onder voorwaarden en aanwijzingen, van regelingen als premiespaarregelingen of winstdelingsspaarregeling indien deze regelingen op slechts op ondergeschikte punten afwijken van de bepalingen in dit AMVB.
Periode: 1961-1964
Grondslag: Besluit premiespaarregeling en winstdelingsspaarregeling, art. 30,
Waardering:
Nummer: 96
Handeling: Het geven, wijzigen en intrekken van nadere regels in afwijking met dit besluit ten aanzien van aan een spaarregeling deelnemende werknemers, die overgaan in de dienst van een andere werkgever, en aldaar eveneens aan een spaarregeling deelnemen.
Periode: 1961-1964
Grondslag: Besluit premiespaarregelingen en winstdelingsspaarregelingen, art. 31,
Waardering:
Nummer: 98
Handeling: Het uitsluiten van regelingen als premiespaarregeling of winstdelingsspaarregeling indien de regeling niet wordt nageleefd of controle onvoldoende mogelijk is.
Periode: 1961-1964
Grondslag: Besluit premiespaarregeling en winstdelingsspaarregelingen, art. 34,
Waardering:
Nummer: 100
Handeling: Het, als overgangsmaatregel, aanwijzen van regelingen als (winstdelings-) spaarregeling voor de periode van 5 jaar na inwerkingtreding van dit Besluit onder voorwaarde de voorwaarden aan te passen aan dit Besluit.
Periode: 1961-1964
Grondslag: Besluit premiespaarregeling en winstdelingsspaarregelingen, art. 36,
Waardering:
Nummer: 106
Handeling: Het mede-voorbereiden, wijzigen en intrekken van nadere regels/ministeriële regelingen, gesteld door de minister van Financiën:
1. betreffende het aanwijzen als inhoudingsplichtigen van andere personen dan de aangewezen of ontheven van de verplichting als inhoudingsplichtigen genoemd in art. 6 en 7, in overeenstemming met de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, m.b.t.: degene , die een thuiswerker als hulp bij het verrichten van de arbeid bijstaat (8.2a); degene, die als musicus of anderszins als artiest optreedt, dan wel als beroep een tak van sport beoefent (8.2b) (v.a. wijz. 27-4-1989 Stb. 122 ` bij min. regeling').
2. naar welke wordt beoordeeld of in het eerste lid van art. 3 bedoelde arbeid wordt verricht in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep.
3. m.b.t. betaling van belasting door aannemers, waarvoor zij hoofdelijk aansprakelijk zijn, op door onderaannemers geopende g-rekeningen.
4. m.b.t. het niet beschouwen als dienstbetrekking van de arbeidsverhouding van artiesten indien A) door beide ministers verklaard wordt dat artiesten werkzaamheden verrichten in de uitoefening van een bedrijf of zelfstandige uitoefening van een beroep B) de artiest is overeengekomen met een natuurlijke persoon t.b.v. diens persoonlijke aangelegenheden arbeid te verrichten.
5. betreffende het aanwijzen, in overeenstemming met de minister van Financiën, van gevallen of groepen van gevallen waarin de dienstbetrekking niet wordt beschouwd als arbeidsverhouding van uitzendkrachten.
6. betreffende het aanwijzen, in overeenstemming met de minister van Financiën, van gevallen of groepen van gevallen waarin de dienstbetrekking niet wordt beschouwd als arbeidsverhouding van degene die persoonlijke arbeid verricht op doorgaans ten minste 2 dagen p.w. tegen een bruto-inkomen dat een bepaald deel van het minimumloon over een week bedraagt dan wel van degenen, jonger dan 23 jaar waarvan het bruto-loon, naar leeftijd vastgesteld, een bepaald deel van het minimum loon voor die leeftijdsgroep bedraagt.
7. m.b.t. het niet beschouwen als dienstbetrekking van de arbeidsverhouding van thuiswerkers en hulpen en personen die ten minste 2 dagen per week tegen een bepaald brutoloon dat een bepaald deel van het minimum loon bedraagt, ook indien men jonger is dan 23 jaar, voor hen die a) arbeid verrichten in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep, b) het verrichten van de arbeid rechtstreeks overeengekomen zijn met een natuurlijk persoon t.b.v. diens persoonlijke aangelegenheden c) arbeid van overwegend geestelijke aard verrichten, d) werkzaam zijn in een arbeidsverhouding die in overwegende mate beheerst wordt door een familieverhouding.
Periode: 1965-...
Grondslag: Wet op de loonbelasting 1964,
1. art. 8.2,
2. art. 3.3 v.a. wijz. wet d.d. 20-7-1967, Stb. 396 art. XXII,
3. art. 32b.6 v.a. wijz. 4-6-1981 Stb. 370; gewijzigd bij wijz. wet 21-5-1986 Stb. 276 in: art. 32c.6; vervallen bij wijz. wet 30-5-1990 Stb. 222,
UitvoeringsBesluit op de Loonbelasting 1965,
4. art. 2.3 v.a. wijz. 14-12-1973 Stb. 629; vervallen bij wijz. 28-12-1989 Stb. 603,
5. art. 2a.2 v.a. wijz. 14-12-1973 Stb. 629; vervallen bij wijz. 28-12-1989 Stb. 603,
6. art. 2c.4 v.a. wijz. 14-12-1973 Stb. 629; vervallen bij wijz. 28-12-1989 Stb. 603,
7. art. 2e v.a. wijz. 14-12-1973 Stb. 629 ; vervallen bij wijz. 28-12-1989 Stb. 603,
Waardering:
Nummer: 132
Handeling: Het, in overeenstemming met de minister van Financiën, afwijzen of toewijzen van verzoeken om te verklaren dat de arbeidsverhouding van artiesten niet als dienstbetrekking wordt beschouwt indien: a) de artiest zijn werkzaamheden verricht in de uitoefening van een bedrijf of zelfstandige uitoefening van een beroep of a) de artiest het optreden rechtstreeks is overeengekomen met een natuurlijk persoon t.b.v. diens persoonlijke aangelegenheden. (fictieve dienstbetrekking artiest*)
Periode: 1967-1993
Grondslag: Uitvoeringsbesluit loonbelasting d.d. 17 mei 1965, Stb. 202, art. 2.2; v.a. wijz. 27-6-1967 Stb. 346: art. 2.3; v.a. wijz. d.d. 14-12-1973 Stb. 629: art. 2.2; vervallen bij wijz. 25-1-1993 Stb. 70,
Waardering:
Nummer: 134
Handeling: Het behandelen van verzoeken om het wel/niet afgeven, i.s.m. de minister van Financiën, van inhoudingsplichtigenverklaringen voor door artiesten genoten loon.
Periode: 1965-1992:
Grondslag: Uitvoeringsbeschikking loonbelasting 1965, art. 2.2.; gewijzigd in Uitvoeringsbeschikking loonbelasting 1972 in: art. 5.2; gewijzigd in Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990 in: art. 4.3; vervallen per 1-1-1991 bij wijz. regeling 20-12-1991 Stcrt. 251,
Waardering:
Nummer: 145
Handeling: Het, i.s.m. de minister Financiën, onder voorwaarden aanwijzen van regelingen als premiespaarregeling of winstdelingsspaarregeling die op slechts ondergeschikte punten afwijken van bepalingen in dit besluit.
Periode: 1965-...
Grondslag: Besluit premiespaarregelingen en winstdelingsspaarregelingen 1965, d.d. 24 juni 1965 Stb. 632; v.a. wijz. 21-12-1972 Stb. 719 genaamd: Besluit bedrijfsspaarregelingen, art. 30,
Waardering:
Nummer: 147
Handeling: Het, i.s.m. de minister van Financiën, en in afwijking met dit besluit voorbereiden, wijzigen en intrekken van regels t.a.v. aan een spaarregeling deelnemende werknemers die overgaan in de dienst van een andere werkgever en aldaar eveneens aan een spaarregeling deelnemen.
Periode: 1965-...
Grondslag: Besluit premiespaarregelingen en winstdelingsspaarregelingen 1965; v.a. wijz. 21-12-1972 Stb. 719 genaamd: Besluit bedrijfsspaarregelingen, art. 31,
Waardering:
Nummer: 149
Handeling: Het uitsluiten, in samenwerking met de minister van Financiën, van regelingen als premiespaarregeling of winstdelingsspaarregeling en (v.a. 1972) spaarloonregeling indien: A) de regeling bij herhaling niet wordt nageleefd en B) indien de administratie die bij de regeling gehouden wordt geen voldoende mogelijkheid tot controle op de naleving inhoudt.
Periode: 1965-...:
Grondslag: Besluit premiespaarregelingen en winstdelingsspaarregelingen 1965, art. 34; v.a. wijz. 21-12-1972 Stb. 719: Besluit bedrijfsspaarregelingen art. 40,
Waardering:
Nummer: 151
Handeling: Het, in samenwerking met de minister van Financiën, voor een periode van 5 jaar, aanwijzen van op 1-1-1962 bestaande regelingen als premiespaarregeling of winstdelingsspaarregeling mits deze naar hun oordeel afwijkingen van de bepalingen van dit besluit hebben die door hen kunnen worden aanvaard.
Periode: 1965-...
Grondslag: Besluit premiespaarregelingen en winstdelingsspaarregelingen 1965, art. 37; v.a. wijz. 21-12-1972 Stb. 719: Regeling Bedrijfsspaarregelingen art. 43,
Waardering:
Nummer: 267
Handeling: Het in overeenstemming (v.a. 1989: bij min. regeling) met de ministers van Financiën (eerstverantwoordelijk) en Economische Zaken verhogen of verlagen of (v.a. 1980) op nihil stellen of (v.a. 1989) afwijken van de percentages, o.g.v. conjuncturele overwegingen (1978-1980), van het (aangewezen (v.a. 1985)) gedeelte van het investeringsbedrag dat wordt aangemerkt als investeringsbijdrage voor de verwerving of verbetering van in de wet genoemde bedrijfsmiddelen en voortbrengingskosten, v.a. 1980: in het algemeen of voor bepaalde groepen van bedrijfsmiddelen.
Periode: 1978-...:
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, v.a. wijz. wet 29-6-1978 Stb. 368, art. 61a.3; vervallen 28-12-1989 Stb. 601,
Waardering:
Nummer: 275
Handeling: Het, samen met de ministers van Financiën en Economische Zaken (eerstverantwoordelijk), voorbereiden, wijzigen en intrekken van een AMVB houdende aanwijzing van gemeenten, samen met de ministers van Economische Zaken (eerstverantwoordelijk) en Sociale Zaken, waarvoor m.b.t. investeringen in gebouwen, installaties, luchtvaartuigen, zeeschepen en overige bedrijfsmiddelen het percentage van het investeringsbedrag dat in aanmerking genomen wordt voor de investeringsbijdrage, alsmede waarvoor het percentage dat o.g.v. conjuncturele overwegingen daarvoor is vastgesteld, wordt verhoogd.
Periode: 1978-1984:
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, v.a. wijz. wet 29-6-1978 (WIR), art. 61d.1; vervallen bij wijz. wet 5-7-1984 Stb. 366,
Waardering:
Nummer: 290
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van een ministeriële regeling, in overeenstemming met de ministers van Financiën (eerstverantwoordelijk) en van Economische Zaken, houdende vaststelling van het gezamenlijk maximum van de percentages dat m.b.t. investeringen in gebouwen en installaties o.g.v. de artikelen 61a, 61d, 61e, 61ea (v.a. 1980) en 61eb (v.a. 1980) voor de berekening van de investeringsbijdrage geldt.
Periode: 1978-1987:
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, v.a. wijz. wet 29-6-1978 Stb. 368 (WIR), art. 61f.1; vervallen bij wijz. wet 23-12-1987 Stb. 624,
Waardering:
Nummer: 713
Handeling: Het mede-opstellen, wijzigen en intrekken van regels, de minister van Financiën (eerstverantwoordelijk), betreffende de betaling van omzetbelasting in gevallen waarin de hoofdelijk aansprakelijke aannemer schriftelijk met een onderaannemer is overeengekomen dat deze de belasting, en andere betalingen, via een speciale rekening (G-rekening) zal voldoen.
Periode: 1981-1990:
Grondslag: Wet Omzetbelasting 1968, v.a. wijz. wet 4-6-1981 Stb. 370, art. 41b.6; gewijzigd bij wijz. wet 21-5-1986 Stb. 276 in: art. 41d.6; b.w. 1990 Stb. 222.
Waardering:
35. Actor: de uitvoeringsorganen van de sociale zekerheid
Nummer: 142
Handeling: Het adviseren aan de minister van Financiën om aan inhoudingsplichtigen, die de loonberekening mechanisch of elektronisch verrichten, wel/niet toestaan (v.a. wijz. d.d. 29-12-1978 Stcrt. 253: onder voorwaarden) dat de loonboekhouding op een andere plaats wordt bewaard.
Periode: 1972-...:
Grondslag: Uitvoeringsbeschikking loonbelasting 1972, art. 39.8,
Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990, art. 25.8,
Waardering:
36. Actor: de minister van Marine (bureau Belastingzaken)
Nummer: 90
Handeling: Het inhouden en afdragen van loonbelasting op uitbetaald loon, doorzenden van verzoeken aan de inspecteur en bijhouden van de loonbelastingkaarten.
Periode: 1947-1949
Grondslag: Een en twintigste Uitvoeringsbeschikking Loonbelasting 1940 Stcrt. 1946 no. 98, art. 6, 7; b.w. 1949
Waardering:
37. Actor: de minister van Buitenlandsche Zaken te Londen
Nummer: 157
Handeling: Het, in overleg met de minister van Financiën te Londen, vaststellen van uitvoeringsvoorschriften.
Periode: 1941-1942
Grondslag: Besluit van 18 september 1941 te Londen, art. 13,
Waardering:
Nummer: 159
Handeling: Het, samen met de minister van Financiën te Londen, aanwijzen welke instantie in elk land belast is met de inning der verplichte inkomstenbelasting.
Periode: 1941-1942
Grondslag: Besluit van 18 september 1941 te Londen, art. 13,
Waardering:
38. Actor: de minister van Economische Zaken
Besluit op de inkomstenbelasting 1941
Nummer: 172
Handeling: Het in overeenstemming met de minister van Financiën (eerstverantwoordelijke) bepalen -hetzij in het algemeen hetzij voor bepaalde groepen van gevallen- dat vervroegde afschrijving voor (v.a. 1958: bepaalde) bedrijfsmiddelen, na 31-12-1952 maar voor 1-1-1958 (verlengd tot 1959, 1960) verworven, besteld of aanbesteed tot een bepaald bedrag van de aanschaffings- of voortbrengingskosten kan plaatsvinden; per 1-1-1959: de vervroegde afschrijving kan worden beperkt of buiten toepassing worden gesteld.
Periode: 1953-1964
Grondslag: Besluit op de inkomstenbelasting 1941, v.a. wijz. wet 24-12-1953 Stb. 591, art. 8.3,
Waardering:
Nummer: 176
Handeling: Het in overeenstemming met de minister van Financiën zaken bepalen dat verminderingen en bijtellingen van verplichtingen en voortbrengingskosten terzake van verkrijging, vervreemding of verbetering van bedrijfsmiddelen worden beperkt of buiten toepassing worden gesteld.
Periode: 1958-1964
Grondslag: Besluit op de inkomstenbelasting 1941, v.a. wijz. wet 31-12-1958 Stb. 651, art. 8a.9,
Waardering:
Nummer: 207
Handeling: Het bepalen, hetzij in het algemeen hetzij voor groepen van gevallen, in overleg met de minister van Financiën (eerstverantwoordelijke), dat m.b.t. bedrijfsmiddelen welke na het in werking treden van deze wet zijn verworven, verbeterd, besteld of aanbesteed, de vervroegde afschrijving op de voet van art. 8.3 een bepaald bedrag van de aanschaffings-of voortbrengingskosten kan bedragen.
Periode: 1951-...
Grondslag: Wet van 16 augustus 1951, Stb. 378, tot wijziging van de Besluiten inkomstenbelasting 1940, Loonbelasting 1940 en de Wet Vermogensbelasting 1892, art. 4,
Waardering:
Nummer: 209
Handeling: Het, in overeenstemming met de minister van Financiën, ter zake van verwerving of verbetering van bedrijfsmiddelen waarvoor na een te bepalen tijdstip verplichtingen zijn aangegaan, bepalen dat deze verplichtingen buiten aanmerking blijven dan wel dat de vermindering en bijtelling ing. art. 8a Besluit IB ten dele wordt verleend.
Periode: 1958-...
Grondslag: Wet van 31 juli 1957, Stb. 288, tot schorsing van de investeringsaftrek, v.a. wijz. wet 6-2-1958 Stb. 56: art. 3,
Waardering:
Wet op de inkomstenbelasting 1964
Nummer: 218
Handeling: Het voeren van overleg, met minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieuhygiëne (eerstverantwoordelijke) en van Financiën, ter voorbereiding, wijziging en intrekking van ministeriële regelingen inzake het aanwijzen van bedrijfsmiddelen die in het belang zijn van de bescherming van het milieu waarvoor vervroegde afschrijving van aanschaffings- en voortbrengingskosten via aftrek in de inkomstenbelasting is toegestaan.
Periode: 1991-..:
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, art. 10.3, v.a. wijz. wet 19-7-1991 Stb. 425,
Waardering:
Nummer: 220
Handeling: Het, in overeenstemming met de minister van Financiën, bepalen dat de afschrijving, mits vervroegd, van een derde van de voortbrengingskosten van een bedrijfsmiddel (1975: gebouwen verworven na 17-11-1974 maar voor 22-4-1975: 2/5e van de aanschaffings- of voortbrengingskosten, gebouwen verworven of verbeterd na 21-4-1975: de helft van de aanschaffings- of verbeteringskosten; termijnen zijn verschillende malen verlengd) , in het algemeen of voor bepaalde groepen van bedrijfsmiddelen -en v.a. 1969 ook: voor zoveel het gebouwen betreft mede voor gebouwen of groepen van gebouwen in bepaalde gebieden- , wordt beperkt of buiten toepassing wordt gesteld.
Toelichting Bij invoering van de Wet Investeringsrekening (WIR) zijn de bepalingen m.b.t. tegemoetkomingen i.v.m. investeringen opnieuw geformuleerd en uitgebreid. De handelingen die hier uit voortvloeien zijn terug te vinden bij de uitwerking van art. 61 e.v.
Periode: 1965-1978: DGFZ/WDB
Grondslag: 1. Wet op de inkomstenbelasting 1964, art. 10.4,
2. Wet van 12-2-1969, Stb. 84, art. II (NB wanneer dit artikel toegepast wordt i.v.m. beperking of buiten toepassing verklaren van vervroegde afschrijving van verworven en verbeterde gebouwen, niet zijnde woonhuizen, in bepaalde gebieden hoeft de beschikking niet meer bij wet goedgekeurd te worden zoals art. 10.5 voorschrijft)
Waardering:
Nummer: 223
Handeling: Het, na overleg met de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieuhygiëne (eerstverantwoordelijk) en de minister van Financiën mede-voorbereiden van een ministeriële regeling betreffende het intrekken of beperken van het toestaan van vervroegde afschrijving in de inkomstenbelasting op aanschaffings- en voortbrengingskosten in bedrijfsmiddelen die van belang zijn voor de bescherming van het milieu.
Periode: 1991-...:
Waardering:
Nummer: 235
Handeling: Het, in overeenstemming met de minister van Financiën, bepalen dat de investeringsaftrek in het algemeen of voor bepaalde groepen van bedrijfsmiddelen wordt beperkt of buiten toepassing wordt gesteld.
Periode: 1965-1978:
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, art. 11.10; vervallen bij wijz. wet 29-6-1978 Stb. 368,
Waardering:
Nummer: 264
Handeling: Het afgeven van verklaringen aan bedrijven, inzake de vermoedelijke bedragen aan investeringsbijdragen en desinvesteringsbetalingen, die indien gevoegd bij het aangiftebiljet meegewogen worden bij het vaststellen van een voorlopige aanslag tot een negatief bedrag.
Periode: 1978-1986
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, v.a. wijz. wet (wir) d.d. 29-6-1978 Stb. 368, art. 61; vervallen bij wijz. wet 29-4-1986 Stb. 215,
Waardering:
Nummer: 266
Handeling: Het in overeenstemming met de ministers van Financiën (eerstverantwoordelijk) en Sociale Zaken
(v.a. 1989: bij min. regeling) verhogen of verlagen of (v.a. 1980) op nihil stellen of (v.a. 1989) afwijken van de percentages, o.g.v. conjuncturele overwegingen (1978-1980), van het (aangewezen (v.a. 1985)) gedeelte van het investeringsbedrag dat wordt aangemerkt als investeringsbijdrage voor de verwerving of verbetering van in de wet genoemde bedrijfsmiddelen en voortbrengingskosten, v.a. 1980: in het algemeen of voor bepaalde groepen van bedrijfsmiddelen.
Periode: 1978-1989:
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, v.a. wijz. wet 29-6-1978 Stb. 368, art. 61a.3; vervallen 28-12-1989 Stb. 601,
Waardering:
Nummer: 274
Handeling: Het, samen met de ministers van Financiën en Sociale Zaken, voorbereiden, wijzigen en intrekken van een AMVB houdende aanwijzing van gemeenten, samen met de ministers van Economische Zaken (eerstverantwoordelijk) en Sociale Zaken, waarvoor m.b.t. investeringen in gebouwen, installaties, luchtvaartuigen, zeeschepen en overige bedrijfsmiddelen het percentage van het investeringsbedrag dat in aanmerking genomen wordt voor de investeringsbijdrage, alsmede waarvoor het percentage dat o.g.v. conjuncturele overwegingen daarvoor is vastgesteld, wordt verhoogd.
Periode: 1978-1984:
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, v.a. wijz. wet 29-6-1978 (WIR), art. 61d.1; vervallen bij wijz. wet 5-7-1984 Stb. 366,
Waardering:
Nummer: 276
Handeling: Het afgeven van verklaringen dat investeringen bestemd voor activiteiten ter plaatse nog niet konden worden verricht, en het opnieuw afgeven van de verklaringen bedoeld in art. 15 WIR m.b.t. het percentage van nieuwheid (61d.3), o.g. waarvan het percentage van het investeringsbedrag dat in aanmerking genomen wordt voor de investeringsbijdrage wordt verhoogt (v.a. 5-7-1984 is er geen toepassing voor bosbouw- en landbouwbedrijven mogelijk).
Periode: 1978-1984:
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, v.a. wijz. wet 29-6-1978 Stb. 368, art. 61d.2, 61d.3 v.a. wijz. wet 25-6-1980 Stb. 389; gewijzigd bij wijz. wet 5-7-1984 Stb. 366 in: art. 61d.5; vervallen bij wijz. wet 5-7-1984 Stb. 366,
Waardering:
Nummer: 278
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van een AMVB houdende aanwijzing van gemeenten en gebieden, samen met de ministers van Financiën en van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, waarvoor m.b.t. investeringen in gebouwen en installaties het percentage van het investeringsbedrag dat in aanmerking genomen wordt voor de investeringsbijdrage, alsmede waarvoor het percentage dat o.g.v. conjuncturele overwegingen daarvoor is vastgesteld, wordt verhoogd o.g.v. hun functie in het kader van het beleid inzake de ruimtelijke ordening (v.a. 5-7-1984 worden bepalingen m.b.t. gebouwen en installaties voor landbouwbedrijven niet meer toegepast).
Periode: 1978-1984:
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting, v.a. wijz. wet 29-6-1978 Stb. 368 (WIR), art. 61e.1; vervallen bij wijz. wet 5-7-1984 Stb. 366,
Waardering:
Nummer: 280
Handeling: Het afgeven van verklaringen dat de investering is verricht met het oog op een verplaatsing van activiteiten vanuit een bij AMVB aangewezen gebied, en het afgeven van nieuwe verklaringen o.g.v. art. 16.5 WIR i.v.m. wijziging van het percentage van verplaatsing, o.g. waarvan het percentage van het investeringsbedrag dat in aanmerking genomen wordt voor de investeringsbijdrage wordt verhoogt (v.a. 5-7-1984 worden bepalingen m.b.t. gebouwen en installaties voor landbouwbedrijven niet meer toegepast).
Periode: 1978-1984:
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, v.a. wijz. wet 29-6-1978 Stb. 368, art. 61e.1, 61e.2 v.a. wijz. wet 25-6-1980 Stb. 389; vervallen bij wet 5-7-1984 Stb. 366,
Waardering:
Nummer: 281
Handeling: Het afgeven van verklaringen, en hernieuwde verklaringen i.v.m. afwijkingen, dat investeringen behoren tot een categorie van voor een goed leefmilieu van belang zijnde investeringen, welke in aanmerking genomen worden voor het vaststellen van het percentage van het investeringsbedrag dat aangemerkt wordt als investeringsbijdrage waarmee voor de belastingheffing rekening gehouden wordt ( v.a. 5-7-1984 worden de verklaringen niet meer afgegeven voor uitoefening van landbouw/bosbouwbedrijven).
NB De termijn waarbinnen verzoeken tot afgifte van een verklaring moet worden gedaan is tussentijds ook wel verlengd bijv. bij wet 23-12-1987 Stb. 624,
Periode: 1980-1987:
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, v.a. wijz. wet 25-6-1980 Stb. 389, art. 61ea.1.2; vervallen bij wijz. wet 23-12-1987 Stb. 624,
Waardering:
Nummer: 283
Handeling: Het aanwijzen, in overeenstemming met de ministers van Financiën en van Volksgezondheid en Milieuhygiëne, van categorieën investeringen (v.a. 1985: van investeringen) van voor een goed leefmilieu van belang zijnde investeringen evt. onder het stellen van voorwaarden m.b.t. de bestemming waarop de investering betrekking heeft, welke in aanmerking genomen worden voor het vaststellen van het percentage van het investeringsbedrag dat aangemerkt wordt als investeringsbijdrage waarmee voor de belastingheffing rekening gehouden wordt (v.a. 5-7-1984 geldt de aanwijzing niet meer voor landbouw- en bosbouwbedrijven).
Periode: 1980-1987:
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, v.a. wijz. wet 25-6-1980 Stb. 386, art. 61ea.1.5; v.a. wijz. wet 16-1-1985 gewijzigd in: art. 61ea.1.3; vervallen bij wijz. wet 23-12-1987 Stb. 624,
NB m.i.v. 1991, Stb. 425, komt deze handeling in min of meer dezelfde vorm terug in art. 10.3. Hiervan is een aparte handeling opgenomen.
Waardering:
Nummer: 285
Handeling: Het afgeven van verklaringen dat investeringen behoren tot een categorie (v.a. 1985 tot aangewezen investeringen) van voor een doelmatig gebruik van energie van belang zijnde investeringen, welke in aanmerking genomen worden voor het vaststellen van het percentage van het investeringsbedrag dat aangemerkt wordt als investeringsbijdrage waarmee voor de belastingheffing rekening gehouden wordt.
Periode: 1980-1987:
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, v.a. wijz. wet 25-6-1980 Stb. 389, art. 61eb.1; vervallen bij wijz. wet 23-12-1987 Stb. 624,
Waardering:
Nummer: 286
Handeling: Het aanwijzen, in overeenstemming met de ministers van Financiën, van categorieën investeringen (v.a. 1985: aanwijzing van investeringen)van voor een doelmatig gebruik van energie van belang zijnde investeringen evt. onder het stellen van voorwaarden m.b.t. de bestemming waarop de investering betrekking heeft, welke in aanmerking genomen worden voor het vaststellen van het percentage van het investeringsbedrag dat aangemerkt wordt als investeringsbijdrage waarmee voor de belastingheffing rekening gehouden wordt.
Periode: 1980-1987:
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, v.a. wijz. wet 25-6-1980 Stb. 386, art. 61eb.2; vervallen bij wijz. wet 23-12-1987 Stb. 624,
Waardering:
Nummer: 289
Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van een ministeriële regeling, in overeenstemming met de ministers van Financiën (eerstverantwoordelijk) en van Sociale Zaken, houdende vaststelling van het gezamenlijk maximum van de percentages dat m.b.t. investeringen in gebouwen en installaties o.g.v. de artikelen 61a, 61d, 61e, 61ea (v.a. 1980) en 61eb (v.a. 1980) voor de berekening van de investeringsbijdrage geldt.
Periode: 1978-1987:
Grondslag: Wet op de inkomstenbelasting 1964, v.a. wijz. wet 29-6-1978 Stb. 368 (WIR), art. 61f.1; vervallen bij wijz. wet 23-12-1987 Stb. 624
Waardering:
Wet op de vennootschapsbelasting 1969
Nummer: 480
Handeling: Het wel/niet afgeven van verklaringen inzake de vermoedelijke investeringsbijdragen en desinvesteringsbetalingen welke bij de aangifte voor de vennootschapsbelasting dienen te worden overlegd i.v.m. het opleggen van een negatieve voorlopige aanslag.
Periode: 1978-1986
Grondslag: Wet vennootschapsbelasting 1969, v.a. wijz. wet 29-6-1978 Stb. 368 (WIR), art. 23b.3 (dit art. is bij wijz. 21-5-1981 Stb. 316 aangescherpt.); vervallen bij wijz. wet 29-4-1986,
Waardering:
39. Actor: de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen
Nummer: 552
Handeling: Het, samen met de minister van Financiën (eerstverantw.), afwijzen of toewijzen van verzoeken om voorwerpen niet tot het vermogen te rekenen voor de Vermogensheffing Ineens na het beoordelen of voorwerpen van kunstwaarde of wetenschappelijke waarde zijn en geschikt zijn om in bruikleen geven aan musea, onder daarbij te stellen regels, en indien belastingplichtige aannemelijk heeft kunnen maken dat hij de voorwerpen reeds op 9 mei 1940 in bezit had.
Periode: 1947:
Grondslag: Wet Vermogenheffing ineens, art. 8.1,
Waardering:
Nummer: 601
Handeling: Het samen met de minister van Financiën afwijzen en toewijzen, onder het stellen van voorwaarden welke van belang zijn voor het behoud van het landgoed (v.a. 1947) en (v.a. 1956:) onder goedkeuring van regelen m.b.t. de openstelling voor het publiek, van verzoeken om onroerend goed aan te merken als een landgoed waarvoor het voortbestaan belangrijk wordt geacht voor het behoud van het natuurschoon, alsmede het, al dan niet op verzoek, verlengen, wijzigen, controleren van de naleving van de voorwaarden en het intrekken van de toewijzing.
Periode: 1947-1965:
Grondslag: Natuurschoonwet 1928, v.a. 1947 Stb. H 23: art. 2, 3, 7, 8 v.a. 1956 Stb. 362,
Waardering:
Nummer: 608
Handeling: Het, na ingezonden mededelingen van eigenaren van landgoederen, te kennen geven dat voorgenomen vellingen van bossen of houtopstanden wel/niet in strijd zijn met het belang van het natuurschoon of in strijd zijn met gestelde voorwaarden die verband houden met het behoud van natuurschoon.
Periode: 1947-1965:
Grondslag: Natuurschoonwet 1928, art. 3 onder d,
Waardering:
40. Actor: de minister van Opvoeding, Wetenschap en Kultuurbescherming/Kultuurbehoud
Nummer: 600
Handeling: Het, samen met de minister van Financiën, afwijzen en toewijzen van verzoeken om onroerend goed aan te merken als een landgoed waarvoor het voortbestaan belangrijk wordt geacht voor het behoud van het natuurschoon alsmede het, al dan niet op verzoek, verlengen van de toewijzing en het intrekken van de toewijzing.
Periode: 1945-1947:
Grondslag: Natuurschoonwet 1928, v.a. 1943 VB 57: art. 2, 3, 7; vervallen 1947 Stb. 23 en ingetrokken 1951 Stb. 25,
Waardering:
Nummer: 607
Handeling: Het aan bezitters van landgoederen, na ingezonden mededelingen, te kennen geven dat voorgenomen vellingen van bossen of houtopstanden wel/niet in strijd zijn met het belang van het natuurschoon of in strijd zijn met gestelde voorwaarden die verband houden met het behoud van natuurschoon.
Periode: 1945-1947:
Grondslag: Natuurschoonwet 1928, art. 3 v.a. 1943 VB 57 en b.w. 1947 Stb. H 23 ingetrokken 1951 Stb. 25,
Waardering:
41. Actor: de minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk
Nummer: 602
Handeling: Het samen met de minister van Financiën afwijzen en toewijzen, onder het stellen van voorwaarden welke van belang zijn voor het behoud van het landgoed en onder goedkeuring van regelen m.b.t. de openstelling voor het publiek, van verzoeken om onroerend goed aan te merken als een landgoed waarvoor het voortbestaan belangrijk wordt geacht voor het behoud van het natuurschoon, alsmede het, al dan niet op verzoek, verlengen, wijzigen, controleren van de naleving van de voorwaarden en het intrekken van de toewijzing.
Periode: 1965-1982:
Grondslag: Natuurschoonwet 1928, art. 2, 3, 7, 8 v.a. 1956 Stb. 362,
Waardering:
Nummer: 609
Handeling: Het, na ingezonden mededelingen van eigenaren van landgoederen, te kennen geven dat voorgenomen vellingen van bossen of houtopstanden wel/niet in strijd zijn met het belang van het natuurschoon of in strijd zijn met gestelde voorwaarden die verband houden met het behoud van natuurschoon.
Periode: 1965-1982:
Grondslag: Natuurschoonwet 1928, art. 3 onder d,
Waardering:
42. Actor: de minister van Landbouw en Visserij
Nummer: 596
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van AMVB's:
1. houdende regels inzake de voorwaarden waaraan onroerend goed moet voldoen om te kunnen worden aangemerkt als een landgoed;
2. houdende vaststelling welke bescheiden, naast een beschrijving van de karakteristieke verschijningsvorm van het onroerend goed alsmede uittreksels uit de kadastrale legger en kadastrale plans, bij een verzoek om rangschikking moeten worden overgelegd alsmede houdende regels betreffende de inhoud van de beschrijving en van de andere bescheiden en de voorwaarden m.b.t. het kosteloos afgeven van de bedoelde uittreksels.
NB Vanaf de verzelfstandiging van de Rijksdienst van het Kadaster en de Openbare Registers, 1994 Stb. 125, vervalt de bepaling dat uittreksels kosteloos verstrekt dienen te worden. De bepaling m.b.t. de kosteloosheid stond tot dan toe in art. 2 lid 2 van de Natuurschoonwet 1928.
Periode: 1989-...
Grondslag: Natuurschoonwet 1928,
1. art. 1.3; v.a. 1989 Stb. 205,
2. art. 2.2; v.a. 1989 Stb. 205,
Waardering:
Verwijzing: Zie ook de PIVOT-rapportage betreffende het beleidsterrein Natuur- en Landschapsbeheer en de daaruit voortvloeiende selectielijsten.
Nummer: 599
Handeling: Het samen met de minister en van Financiën afwijzen en toewijzen van verzoeken, onder te stellen voorwaarden en regels m.b.t. o.a. behoud en openstelling van de landgoederen en (v.a. 1989:) m.b.t. de termijn waarbinnen geen hernieuwd verzoek tot rangschikking mag worden gedaan, om onroerend goed; v.a. 1989: onroerende zaken aan te merken als een landgoed waarvoor het voortbestaan belangrijk wordt geacht voor het behoud van het natuurschoon alsmede het, al dan niet op verzoek, verlengen, wijzigen, controleren van de naleving van gestelde voorwaarden en regels en het intrekken van de toewijzing.
Periode: 1945- 1943/7 en 1982-...:
Grondslag: Natuurschoonwet 1928, art. 2, 3, 7; taak vervallen in 1943 VB 57 en 1947 Stb. H 23 en opnieuw bij deze actor v.a. 1982 Stb. 613, art. 8 v.a. 1982; vanaf 1989 wijzigt de grondslag in: art. 2.1.3, 3, 4, 7, 8.3,
Waardering:
Verwijzing: Zie ook de PIVOT-rapportage betreffende het beleidsterrein Natuur- en Landschapsbeheer en de daaruit voortvloeiende selectielijsten.
Nummer: 606
Handeling: Het aan bezitters van landgoederen, na ingezonden mededelingen, te kennen geven dat voorgenomen vellingen van bossen of houtopstanden wel/niet in strijd zijn met het belang van het natuurschoon of in strijd zijn met gestelde voorwaarden die verband houden met het behoud van natuurschoon.
Periode: 1945-1943/7 en 1982-1989:
Grondslag: Natuurschoonwet 1928, art. 3 onder d; taak vervallen in 1943 VB 57/1947 Stb. H 23 en opnieuw verkregen 1982 Stb. 613; art. 3 vervallen 1989 Stb. 205,
Waardering:
Verwijzing: Zie ook de PIVOT-rapportage betreffende het beleidsterrein Natuur- en Landschapsbeheer en de daaruit voortvloeiende selectielijsten.
Nummer: 611
Handeling: Het afwijzen en toewijzen van verzoeken om verklaringen af te geven aan eigenaren dat door hem voorgenomen handelingen niet zullen leiden tot intrekking van de rangschikking van het landgoed onder de Natuurschoonwet.
Periode: 1989-...:
Grondslag: Natuurschoonwet 1928, v.a. 1989 Stb. 205, art. 3.5,
Waardering:
Verwijzing: Zie ook de PIVOT-rapportage betreffende het beleidsterrein Natuur- en Landschapsbeheer en de daaruit voortvloeiende selectielijsten.
43. Actor: de Landbouwvoorlichtingsdienst
Nummer: 457
Handeling: Het afwijzen en toewijzen van verzoeken goed te keuren dat het saldo dat bij liquidatie van coöperatieve verenigingen bestaat in overleg met de landbouwvoorlichtingsdienst wordt aangewend voor de paardenfokkerij na goedkeuring van de minister van Financiën i.v.m. vrijstelling van vennootschaps-, ondernemings- en vermogensbelasting.
Periode: 1948-...:
Grondslag: Vrijstellingsbeschikking belasting lichamen, v.a. wijz. 3-5-1948 no. 159, Stcrt. 159, art. 1.7C,
Waardering:
Nummer: 603
Handeling: Het adviseren van de ministers van Landbouw (1940-1943/7), van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen (1947-1948) en van Financiën i.v.m. het behandelen van verzoeken om onroerend goed aan te merken als een landgoed waarvoor het voortbestaan belangrijk wordt geacht voor het behoud van het natuurschoon alsmede m.b.t. het verlengen van de toewijzing en het intrekken van de toewijzing.
Periode: 1940-1943/8
Grondslag: Natuurschoonwet 1928, art. 3; vervallen 1943 VB 57 en 1948 Stb. I 55,
Waardering:
Verwijzing: Zie ook de PIVOT-rapportage betreffende het beleidsterrein Natuur- en Landschapsbeheer en de daaruit voortvloeiende selectielijsten.
45. Actor: het Hoofd van het Staatstoezicht op de Bosschen
Nummer: 604
Handeling: Het adviseren van de ministers van Opvoeding, Wetenschap en Kultuurbescherming en van Financiën i.v.m. het behandelen van verzoeken om onroerend goed aan te merken als een landgoed waarvoor het voortbestaan belangrijk wordt geacht voor het behoud van het natuurschoon alsmede m.b.t. het verlengen van de toewijzing en het intrekken van de toewijzing.
Periode: 1945-1947
Grondslag: Natuurschoonwet 1928, v.a. 1943 VB 57, art. 3; b.w. 1947 en ingetrokken 1951 Stb. 25,
Waardering:
Verwijzing: Zie ook de PIVOT-rapportage betreffende het beleidsterrein Natuur- en Landschapsbeheer en de daaruit voortvloeiende selectielijsten.
46. Actor: de Directeur van Staatsbosbeheer
Nummer: 605
Handeling: Het adviseren van de ministers van Binnenlandse Zaken en Landbouw (1940-1943/7), van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen (1947-1965), van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk (1965-...), van Landbouw en Visserij (1982-...) en van Financiën i.v.m. het behandelen van verzoeken om onroerend goed aan te merken als een landgoed waarvoor het voortbestaan belangrijk wordt geacht voor het behoud van het natuurschoon alsmede m.b.t. het verlengen van de toewijzing en het intrekken van de toewijzing.
Periode: 1948-1989
Grondslag: Natuurschoonwet 1928, v.a. 1948 Stb. I 55: art. 3; vervallen 1989 Stb. 205,
Waardering:
Verwijzing: Zie ook de PIVOT-rapportage betreffende het beleidsterrein Natuur- en Landschapsbeheer en de daaruit voortvloeiende selectielijsten.
47. Actor: de minister/staatssecretaris van Justitie
Nummer: 532
Handeling: Het mede-voorbereiden van het instellen van de centrale kamer van het scheidsgerecht voor de vermogensaanwasbelasting en van kamers van het scheidsgerecht onder aanwijzing van de standplaatsen der kamers alwaar belastingplichtigen tegen, na uitspraken van de raden van beroep der directe belastingen of de Hoge Raad, opgelegde aanslagen in beroep kunnen gaan.
Periode: 1946-...:
Grondslag: Wet Vermogensaanwasbelasting, art. (41,) 42,
Waardering:
Nummer: 534
Handeling: Het doen van voordrachten, samen met de minister van Financiën, aan de Koningin m.b.t. de benoeming van de voorzitter, plv. voorzitter, leden, plv. leden en secretarissen van het scheidsgerecht voor de vermogensaanwasbelasting.
Periode: 1946-...:
Grondslag: Wet Vermogensaanwasbelasting, art. 42.1,
Product: Voordrachten/concept KB's
Waardering:
48. Actor: de kantonrechtbanken/de (kanton)rechter/arrondissementsrechtbanken/de gerechtshoven
Rechten van successie, schenking en overgang
Nummer: 364
Handeling: Het opmaken van processen-verbaal van het openen van kisten of verzegelde omslagen door executeurs-testamentair, erfgenamen of houders i.v.m. het verzamelen van bewijsstukken i.v.m. de aangifte voor verschuldigde rechten.
Periode: 1945-1956.
Grondslag: Successiewet, art. 8,
Waardering:
Nummer: 368
Handeling: Het afnemen/vastleggen van de eed of verklaringen van belastingplichtigen m.b.t. aangiften inzake verschuldigde successie- en schenkingsrechten.
Periode: 1945-1956
Grondslag: Successiewet, art. 51, 53, 61, 62,
Waardering:
Nummer: 390
Handeling: Het doen van uitspraken in beroepszaken tegen beslaglegging door de inspecteur.
Periode: 1956-1990
Grondslag: Successiewet 1956, art. 64; vervallen bij wijz. wet 30-5-1990 Stb. 222,
Waardering:
Nummer: 394
Handeling: Het opmaken van processen-verbaal van het openen van kisten of verzegelde omslagen door executeurs-testamentair, erfgenamen of houders i.v.m. het verzamelen van bewijsstukken i.v.m. de aangifte voor verschuldigde rechten.
Periode: 1956-...
Grondslag: Successiewet 1956, art. 74; vervallen bij wijz. wet 25-10-1989 Stb. 491 ( bij deze wetswijziging gaat de handeling over op de notarissen; zie afzonderlijke handeling),
Waardering:
Nummer: 581
Handeling: Het aanwijzen van personen die belastingambtenaren en deskundigen begeleiden indien zij geen toegang krijgen tot ruimten en percelen waar zij de belastbaarheid van de grondslagen voor de heffing dienen op te nemen en te beschrijven.
Periode: 1945-1950
Grondslag: Wet op de Personeele Belasting 1896, art. 70.4,
Product: Bevel/vonnis/machtiging
Waardering:
Nummer: 591
Handeling: Het beslissen van verzoeken van de inspecteur tot het verstrekken van machtigingen om met behulp van de sterke arm toegang te krijgen tot percelen voor de opneming i.v.m. de vaststelling van de personele belasting.
Periode: 1950-1979
Grondslag: Wet op de personele belasting 1950, art. 43,
Product: Machtigingen
Waardering:
Kostprijsverhogende belastingen
Grondbelasting en aanverwante wetten
Nummer: 622
Handeling: Het behandelen van bezwaren tegen beslissingen van de rijksambtenaar op bezwaarschriften ingesteld door belanghebbenden.
Periode: 1945-1989
Grondslag: Wet op de Grondbelasting van 26 mei 1870, Stb. 82, art. 21 v.a. wijz. van 17 mei 1956 Stb. 323,
Waardering:
Wet van den 2den mei 1897, Stb. 124, tot herziening van de belastbare opbrengst der gebouwde eigendommen.
Nummer: 627
Handeling: Het, op uitnodiging van de minister, benoemen van een lid en zijn plaatsvervanger in de schattingscommissie en de commissie die bezwaren tegen de schatting behandelen in zijn district alsmede het op eigen verzoek van de benoemen ontslaan of schorsen.
Periode: 1945-19...
Grondslag: Wet van 2 mei 1897, art. 10, 29,
Waardering:
49. Actor: het Scheidsgerecht voor de Vermogensaanwasbelasting
Nummer: 535
Handeling: Het behandelen van bezwaren/beroepen van belastingplichtigen tegen, na uitspraken van de raden van beroep of de Hoge Raad, opgelegde aanslagen in de vermogensaanwasbelasting met inachtneming van bepalingen van de Wet van 19-12-1914 Stb. 564 houdende instelling Raden van beroep voor de directe belastingen (zie Pivot-rapport `Belastingver(h)effend').
Periode: 1946-
Grondslag: Wet Vermogensaanwasbelasting, art. 42, 43,
Waardering: B/9
Nummer: 541
Handeling: Het behandelen van overtredingen van de wet en het gelasten van openbaarmaking van de uitspraken.
Periode: 1946-...
Grondslag: Wet Vermogensaanwasbelasting, art. 59.2,
Waardering: B/9
Nummer: 662
Handeling: Het behandelen van bezwaren/beroepen tegen door de inspecteur afgewezen beroepen inzake de invoerbelasting en de omzetbelasting.
Periode: 1945-
Grondslag: Besluit Omzetbelasting 1940, art. 20,
Waardering:
Nummer: 682
Handeling: Het behandelen van bezwaren/beroepen tegen door de inspecteur afgewezen beroepen inzake de invoerbelasting en de omzetbelasting.
Periode: 1954-1965
Grondslag: Wet Omzetbelasting 1954, art. 39; vervallen bij wijz. wet 23-12-1965 Stb. 661,
Waardering:
Nummer: – zie handeling nr. 74 in de PIVOT-rapportage `Belastingver(h)effend'
Handeling: Het behandelen van beroepen en bezwaren tegen de afwijzing van bezwaren door de inspecteur.
Periode: 1971-...
Grondslag: Wet omzetbelasting 1968, art. 43, v.a. 1971 Stb. 220,
NB Dit artikel geeft aan dat men in bezwaar kan komen bij de Tariefcommissie. Vanaf 1971 is de handeling formeel vastgelegd in de Tariefcommissiewet. De handeling is reeds opgenomen in het Pivot-rapport `Belastingver(h)effend'.
51. Actor: Gerechtsdeurwaarders
Nummer: 862
Handeling: Het opstellen en bijhouden van registers waarin dagelijks alle opgemaakte akten worden ingeschreven.
Periode: 1945-1971
Grondslag: Registratiewet 1917, art. 19,
Waardering:
52. Actor: Raden van beroep voor de directe belastingen
Nummer: – zie de handelingen 15 en 49 `Belastingver(h)effend'
Handeling: Het afwijzen of toewijzen op bezwaren tegen door de inspecteur opgelegde aanslagen inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting i.v.m. de vergroting van het kapitaal door uitdeling van dividend.
NB De handelingen en procedures die de raden van beroep verrichten zijn in het rapport `Belastingver(h)effend' uitgewerkt: zie Wet van 19 december 1914, Stb. 564, houdende instelling van raden van beroep voor de directe belastingen en vaststelling van algemene bepalingen betreffende het beroep op die colleges, b.w. 1956.
Periode: 1951-1956
Grondslag: Wet op de herkapitalisatie 1951, art. 2,
Nummer: – zie handelingen 15 en 49 `Belastingver(h)effend'
Handeling: Het afwijzen of toewijzen op bezwaren tegen door de inspecteur opgelegde aanslagen inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting i.v.m. de vergroting van het kapitaal door uitdeling van dividend.
NB De handelingen en procedures die de raden van beroep verrichten zijn in het rapport `belastingver(h)effend' uitgewerkt: zie Wet van 19 december 1914, Stb. 564, houdende instelling van raden van beroep voor de directe belastingen en vaststelling van algemene bepalingen betreffende het beroep op die colleges, b.w. 1956.
Periode: 1958-1959
Grondslag: Wet op de herkapitalisatie 1957, art. 2,
Nummer: – zie handelingen 15 en 49 `Belastingver(h)effend'
Handeling: Het beslissen op ingediende bezwaren tegen opgelegde aanslagen
NB De behandeling van de bezwaren is uitgewerkt in het rapport `Belastingver(h)effend' zie de hoofdstukken 1.2.3.4. en 1.2.3.5. aangaande rechtspraak.
Grondslag: Besluit op de Loonbelasting 1940, art. 22.6, 26,
Nummer: – zie de handelingen nrs. 15 en 49 PIVOT-rapportage `Belastingver(h)effend'
Handeling: Het beslissen op bezwaarschriften van vennootschappen tegen beslissingen van de inspecteur m.b.t. opgelegde aanslagen in de superdividendbelasting.
Periode: 1950-1953
Grondslag: Wet op de Dividendbeperking 1950, art. 15,
Nummer: – zie de handelingen nrs. 15 en 49 PIVOT-rapportage `Belastingver(h)effend'
Handeling: Het behandelen van beroepen tegen door de inspecteur gedane uitspraken op bezwaarschriften tegen beslissingen van de inspecteur.
Periode: 1956-1984
Grondslag: Successiewet 1956, art. 56; vervallen bij wijz. wet 8-11-1984 Stb. 545,
Nummer: – zie handelingen 15 en 49 PIVOT-rapportage `Belastingver(h)effend'
Handeling: Het behandelen van beroepschriften gericht tegen door de inspecteur gedane kennisgevingen, voorgenomen verdelingen en toe te passen vermenigvuldigingscijfers n.a.v. de heffing van de ondernemingsbelasting.
Periode: 1942-1950
Grondslag: Besluit op de Ondernemingsbelasting 1942, art. 23, 24, 26,
Nummer: – zie handelingnrs. 15 en 49 PIVOT-rapportage `Belastingver(h)effend'.
Handeling: Het afwijzen of toewijzen op bezwaren tegen door de inspecteur opgelegde aanslagen inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting i.v.m. de vergroting van het kapitaal door uitdeling van dividend.
NB De handelingen en procedures die de raden van beroep verrichten zijn in het rapport `belastingver(h)effend' uitgewerkt: zie Wet van 19 december 1914, Stb. 564, houdende instelling van raden van beroep voor de directe belastingen en vaststelling van algemene bepalingen betreffende het beroep op die colleges, b.w. 1956.
Periode: 1958-...
Grondslag: Besluit op de Winstbelasting 1940, art. 16, 17, 18, 21, deze artikelen geven het recht in beroep te gaan.
Nummer: – zie de handelingen nrs. 15 en 49 van de PIVOT-rapportage `Belastingver(h)effend'.
Handeling: Het behandelen van beroepen tegen door de inspecteur afgewezen bezwaarschriften tegen opgelegde aanslagen alsmede tegen opgelegde bezwaarschriften voor de vermogensbelasting.
Periode: 1940-1956
Grondslag: Wet Vermogensbelasting 1892, art. 27, 29, 42, 44,
Nummer: – zie de handelingen nrs. 15 en 49 van de PIVOT-rapportage `Belastingver(h)effend'.
Handeling: Het behandelen van beroepen tegen door de inspecteur afgewezen bezwaarschriften tegen opgelegde aanslagen alsmede tegen opgelegde bezwaarschriften voor de vermogensbelasting.
Periode: 1940-1956
Grondslag: Wet Vermogensaanwasbelasting, art. 39,
Nummer: – zie handelingen nrs. 15 en 49 in de PIVOT-rapportage `Belastingver(h)effend')
Handeling: Het behandelen van beroepen/bezwaren tegen door de inspecteur opgelegde aanslagen Vermogensheffing Ineens.
Periode: 1947
Grondslag: Wet Vermogenheffing ineens, art. 28,
Nummer: – zie de handelingen nrs. 15 en 49 in de PIVOT-rapportage `Belastingver(h)effend'
Handeling: Het behandelen van beroepschriften tegen bezwaarschriften welke zijn afgewezen door de inspecteur.
NB Voor de handelingen te verrichten door de raden van beroep zie de uitwerking van de wet van 19 december 1914, Stb. 564, houdende de instelling van raden van beroep voor de directe belastingen en daaruit voortkomende regelgeving, opgenomen in de Pivot-rapportage `Belastingver(h)effend'.
Grondslag: Wet op de Personeele Belasting 1896, art. 57, 64,
Nummer: – zie de handelingen nrs. 15 en 49 in de PIVOT-rapportage `Belastingver(h)effend'.
Handeling: Het behandelen van beroepschriften tegen bezwaarschriften welke zijn afgewezen door de inspecteur.
Grondslag: Wet op de personele belasting 1950, art. 36,
53. Actor: de Ministers wie het aangaat
Handeling: Het overleggen met de minister van Financiën m.b.t. het aanwijzen van instellingen die i.v.m. de heffing van de loonbelasting worden gerekend tot instellingen die zijn vrijgesteld van de vereveningsheffing.
Periode: 1951-1964
Grondslag: Vrijstellingsbeschikking Vereveningsheffing, art. 1.3,
Waardering:
Rechten voor legalisatie van handtekeningen
Nummer: 826
Handeling: Het afwijzen of toewijzen verzoeken tot verstrekking van afschriften en het berekenen en in rekening brengen van kosten (schrijfloon) hiervoor en de ontvangst van de vergoedingen.
Periode: 1945-1991
Grondslag: 1. K.B. 14-11-1924 no. 36,
2. K.B. 17-5-1947 no. 12, Stcrt. 97 en gewijzigd bij K.B. 21-7-1948 no. 13, Stcrt. 142, art. 2,
3. K.B. 10-9-1969, Stcrt. 182, art. 2, 3,
Waardering:
Nummer: 827
Handeling: Het afwijzen en toewijzen van verzoeken om legalisatie van handtekeningen en het in rekening brengen en ontvangen van de kosten daarvan.
Periode: 1945-...
Grondslag: 1. Wet van 26 Juni 1991, Stb. 351, houdende regels inzake de heffing van rechten voor de legalisatie van handtekeningen, art. 1,
2. K.B. 14-11-1924 no. 36
3. K.B. 17-5-1947 no. 12, Stcrt. 97 en gewijzigd bij K.B. 21-7-1948 no. 13, Stcrt. 142, art. 2,
4. K.B. 10-9-1969, Stcrt. 182, art. 2, 3,
Waardering:
Nummer: 828
Handeling: Het vaststellen en wijzigen van het tarief van de verschuldigde rechten voor legalisatie van handtekeningen.
Periode: 1991-...:
Grondslag: Wet van 26 Juni 1991, Stb. 351, houdende regels inzake de heffing van rechten voor de legalisatie van handtekeningen, art. 1.2,
Waardering:
54. Actor: de Raad van State (afdeling Geschillen van Bestuur)
Nummer: 437
Handeling: Het adviseren van het Hoofd van het Departement van Financiën bij de behandeling van beroepen ingediend door gemeenten tegen de kennisgeving van de inspecteur m.b.t. de verdeling van geheven opcenten.
Periode: 1945-1951
Grondslag: Besluit van 26-7-1940, VB 84, van de S.G.'s van de Departementen van Financiën en Binnenlandsche Zaken in zake het heffen van opcenten op de winstbelasting t.b.v. de gemeenten, art. 4.4,
Waardering:
55. Actor: De Nederlandsche Bank
Nummer: 320
Handeling: Het verlenen van medewerking, d.m.v. het verzamelen van gegevens en het onderzoeken van de juistheid van de gegevens bij de instanties (banken e.d.) die op verzoek van de Bank gegevens hebben aangeleverd, aan het rentesteekproefonderzoek.
Periode: 1985:
Grondslag: Wet van 21 mei 1985, Stb. 270, Wet Rentesteekproefonderzoek 1984/1985, art. 2.2, 3, 4, 5, 6,
Waardering:
Nummer: 323
Handeling: Het treffen van maatregelen betreffende de waarborging van de geheimhouding van verzamelde gegevens gebruikt bij het rentesteekproefonderzoek.
Periode: 1985-1986
Grondslag: Wet van 21 mei 1985, Stb. 270, Wet Rentesteekproefonderzoek 1984/1985, art. 10,
Waardering:
56. Actor: Nederlandsch Clearinginstituut
Nummer: 909
Handeling: Het opstellen van het model van een verklaring die bij verzoeken om uitbetaling van vorderingen moet worden afgelegd dat geen belasting verschuldigd is.
Periode: 1940-1941
Grondslag: Tweede Beschikking ter uitvoering Geblokkeerde Markenbelasting 1940, Stcrt. 1940 no. 218, art. 6,
Waardering: B, 4/9
Nummer: 910
Handeling: Het verlenen van ontheffing om een verklaring die bij verzoeken om uitbetaling van vorderingen moet worden afgelegd dat geen belasting verschuldigd is in te dienen.
Periode: 1940-1941
Grondslag: Tweede Beschikking ter uitvoering Geblokkeerde Markenbelasting 1940, Stcrt. 1940 no. 218, art. 6,
Waardering: B, 9
57. Actor: Centraal Bureau voor de Statistiek
Nummer: 321
Handeling: Het verlenen van medewerking, d.m.v. het verwerken van door de Nederlandsche Bank aangeleverde gegevens en door de Minister aangeleverde codelijsten van belastingplichtigen in statistieken, aan het rentesteekproefonderzoek.
Periode: 1985-1986
Grondslag: Wet van 21 mei 1985, Stb. 270, Wet Rentesteekproefonderzoek 1984/1985, art. 2.2, 7, 8,
Waardering:
Nummer: 324
Handeling: Het treffen van maatregelen betreffende de waarborging van de geheimhouding van verzamelde gegevens gebruikt bij het rentesteekproefonderzoek.
Periode: 1985-1986
Grondslag: Wet van 21 mei 1985, Stb. 270, Wet Rentesteekproefonderzoek 1984/1985, art. 10,
Waardering:
58. Actor: Gedeputeerde Staten
Nummer: 586
Handeling: Het adviseren van de ministers van Financiën en van Binnenlandsche Zaken m.b.t. het voor één of meerdere jaren indelen in een andere klasse of klassen ter bevordering van de gelijkmatigheid van de klasse-indeling van gemeenten ter heffing van de personele belasting.
Periode: 1950-1979
Grondslag: Wet op de personele belasting 1950, art. 5.4,
Waardering:
Nummer: 762
Handeling: Het per begrotingsjaar opstellen en vaststellen van een lijst bevattende: a) de wegen, bij anderen dan het Rijk, in beheer en onderhoud en voorkomend op het Rijkswegenplan of een provinciaal wegenplan, b) de ontworpen wegen, voorkomend op het provinciaal wegenplan, waarvan de aanleg ter hand is genomen.
Periode: 1945-1966
Grondslag: Motorrijtuigenbelastingwet 1926, art. 35.2; vervallen bij wijz. wet 21-7-1966 Stb. 367,
Waardering:
Nummer: 763
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van Koninklijke Besluiten houdende vaststelling van de per begrotingsjaar opgestelde lijsten van in beheer zijnde wegen, voorkomend in de Rijkswegenplannen en de provinciale wegenplannen en van de wegen waarvan de aanleg ter hand genomen is.
Periode: 1945-1966
Grondslag: Motorrijtuigenbelastingwet 1926, art. 35.4; vervallen bij wijz. wet 21-7-1966 Stb. 367,
Waardering:
Nummer: 769
Handeling: Het nemen van besluiten betreffende de verdeling, besteding en terugvordering van niet bestede gelden van het aandeel uit de belastingopbrengst voor op de provinciale wegenlijst voorkomende wegen.
Periode: 1945-1966
Grondslag: Motorrijtuigenbelastingwet 1926, art. 38.1.2.4; vervallen bij wijz. wet 21-7-1966 Stb. 367,
Waardering:
Nummer: 772
Handeling: Het nemen van besluiten betr. terugvordering van niet bestede gelden van onderhoudsplichtigen en het voeren van controle op de besteding.
Periode: 1945-1966
Grondslag: Motorrijtuigenbelastingwet 1926, art. 38bis.2; vervallen bij wijz. wet 21-7-1966 Stb. 367,
Waardering:
Nummer: 754
Handeling: Het opstellen, wijzigen, intrekken (en vaststellen) van provinciale wegenplannen.
Periode: 1945-1966
Grondslag: Motorrijtuigenbelastingwet 1926, art. 34.1, 34.3, 34.4, 34.5; alle bepalingen vervallen bij wet 21-7-1966 Stb. 367,
Waardering:
Nummer: 756
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van Koninklijke Besluiten houdende goedkeuring/afwijzing van provinciale wegenplannen.
Periode: 1945-1966
Grondslag: Motorrijtuigenbelastingwet 1926, art. 34.3; vervallen bij wijz. wet 21-7-1966 Stb. 367,
Waardering:
Nummer: 757
Handeling: Het opstellen, wijzigen, intrekken en vaststellen van tertiaire wegenplannen.
Periode: 1945-1966
Grondslag: Motorrijtuigenbelastingwet 1926, art. 34bis. leden 1,6,7; vervallen bij wijz. wet 21-7-1966 Stb. 367,
Waardering:
Nummer: 758
Handeling: Het vaststellen, wijzigen en intrekken van verordeningen houdende regels waaraan een weg moet voldoen om in het tertiair wegenplan te mogen worden geplaatst.
Periode: 1945-1966
Grondslag: Motorrijtuigenbelastingwet 1926, art. 34bis.2; vervallen bij wijz. wet 21-7-1966 Stb. 367,
Waardering:
Nummer: 759
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van K.B.'s houdende goedkeuring van verordeningen houdende regels waaraan een weg moet voldoen om in het tertiair wegenplan te mogen worden geplaatst.
Periode: 1945-1966
Grondslag: Motorrijtuigenbelastingwet 1926, art. 34bis.3; vervallen bij wijz. wet 21-7-1966 Stb. 367,
Waardering:
Nummer: 768
Handeling: Het opstellen van regels of grondslagen voor de verdeling van het aan de provincie uitgekeerde aandeel uit de belastingopbrengst t.b.v. wegen voorkomend in het provinciale wegenplan welke door Gedeputeerde Staten onder de onderhoudspichtigen wordt verdeeld.
Periode: 1945-1966
Grondslag: Motorrijtuigenbelastingwet 1926, art. 38.1; vervallen bij wijz. wet 21-7-1966 Stb. 367,
Waardering:
Nummer: 770
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van Koninklijke Besluiten houdende behandeling van beroepen door onderhoudsplichtigen van wegen tegen de verdeling en terugvordering van niet bestede gelden van het aandeel uit de belastingopbrengst.
Periode: 1945-1966
Grondslag: Motorrijtuigenbelastingwet 1926, art. 38.3.5.6; vervallen bij wijz. wet 21-7-1966 Stb. 367,
Waardering:
Nummer: 771
Handeling: Het nemen van besluiten m.b.t. de verdeling onder de onderhoudsplichtigen van het aandeel dat de provincie uit de belastingopbrengst heeft verkregen t.b.v. het beheer van wegen genoemd in tertiair wegenplan.
Periode: 1945-1966
Grondslag: Motorrijtuigenbelastingwet 1926, art. 38bis.1; vervallen bij wijz. wet 21-7-1966 Stb. 367,
Waardering:
Nummer: 395
Handeling: Het opmaken van processen-verbaal van het openen van kisten of verzegelde omslagen door executeurs-testamentair, erfgenamen of houders i.v.m. het verzamelen van bewijsstukken i.v.m. de aangifte voor verschuldigde rechten.
Periode: 1989-...
Grondslag: Successiewet 1956, art. 74, v.a. wijz. wet 25-10-1989 Stb. 491 (bij deze wetswijziging gaat de handeling over van de kantonrechters op de notarissen; zie afzonderlijke handeling),
Waardering:
Nummer: 861
Handeling: Het opstellen en bijhouden van registers waarin dagelijks alle opgemaakte akten worden ingeschreven.
Periode: 1945-1971
Grondslag: Registratiewet 1917, art. 19,
Waardering:
Nummer: 875
Handeling: Het dagelijks bijhouden/wijzigen van repertorium waarin de opgemaakte akten worden ingeschreven.
Periode: 1972-...
Grondslag: Registratiewet 1970, art. 7.1,
Waardering:
61. Actor: de Rijkscommissaris voor het bezette Nederlands gebied
Nummer: – zie handeling nr. 5 `Belastingver(h)effend'
Handeling: Het uitvaardigen, wijzigen en intrekken van verordeningen m.b.t. de heffing en invordering van specifieke belastingen.
Periode: 1940-1945
Grondslag: Decreet van de Führer d.d. 19-5-1940, Reichswettblat. pag. 778, paragraaf 5, waarin het bestuur over het bezette Nederlandse gebied opgedragen wordt aan een Rijkscommissaris,
Verordeningenblad no. 3, paragraaf 1.1 en 1.2 uit 1940 waarin gesteld wordt dat de Rijkscommissaris dezelfde bevoegdheden heeft als de regering en bestuurd bij verordeningen die dezelfde werking als wet hebben.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2001-166-p9-SC30697.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.