Regeling groenprojecten 2001

Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Staatssecretaris van Financiën, in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en de Minister van Verkeer en Waterstaat, houdende regels inzake aanwijzing van en verklaring voor in Nederland gelegen projecten welke in het belang zijn van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos (Regeling groenprojecten 2001)

20 juni 2001

Nr. DGM 2001043277

Directoraat Generaal Milieubeheer Directie Strategie en Bestuur Afdeling Economie en Technologie

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Staatssecretaris van Financiën, handelende in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en de Minister van Verkeer en Waterstaat,

Gelet op artikel 5.14, derde lid, onderdeel a, en zesde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001;

Besluiten:

Artikel 1

1. Deze regeling geeft uitvoering aan artikel 5.14, derde lid, onderdeel a, en zesde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 met betrekking tot de aanwijzing van en verklaring voor projecten welke in Nederland zijn gelegen.

2. In deze regeling wordt verstaan onder:

a. project: in Nederland gelegen technisch, functioneel en in de tijd samenhangend geheel van activa en werkzaamheden;

b. bestaand project: project als bedoeld in:

1°. artikel 2, onderdelen a, b, c, d, onder 3°, f, g, h, onder 1° en 2°, of k, dat voor 13 juli 1994 voldeed aan een van de projectomschrijvingen van dat artikel, of waarvoor voor die datum een begin met de uitvoering van de bijbehorende fysieke werkzaamheden is gemaakt;

2°. artikel 2, onderdelen d, onder 4°, e, onder 3°, i, of j, dat voor 1 januari 1998 voldeed aan een van de projectomschrijvingen van dat artikel, of waarvoor voor die datum een begin met de uitvoering van de bijbehorende fysieke werkzaamheden is gemaakt;

3°. artikel 2, onderdelen d, onder 5° en 6°, en h, onder 3°, dat voor 1 januari 1999 voldeed aan een van de projectomschrijvingen van dat artikel, of waarvoor voor die datum een begin met de uitvoering van de bijbehorende fysieke werkzaamheden is gemaakt;

4°. artikel 2, onderdelen d, onder 1° en 2°, dat voor 1 januari 2000 voldeed aan een van de projectomschrijvingen van dat artikel, of waarvoor voor die datum een begin met de uitvoering van de bijbehorende fysieke werkzaamheden is gemaakt;

c. projectbeheerder: degene voor wiens rekening en risico het project wordt ontwikkeld en in stand gehouden;

d. projectvermogen: vermogen dat nodig is voor de financiering van activa en werkzaamheden die noodzakelijk zijn voor en uitsluitend dienstbaar zijn aan de uitvoering van een project;

e. projectvermogen voor woningen als bedoeld in artikel 2, onderdeel h: projectvermogen met uitzondering van:

1°. het vermogen dat nodig is voor de financiering van de grond waarop de desbetreffende woningen zijn gelegen;

2°. het vermogen dat bedoeld is voor de financiering van onderhoud, instandhouding of verbetering van woningen als bedoeld in artikel 2, onderdeel h, onder 1° of 2°, en

3°. het vermogen dat nodig is voor de financiering van onderhoud van woningen als bedoeld in artikel 2, onderdeel h, onder 3°;

f. projectvermogen voor een Groen Label Kas als bedoeld in artikel 2, onderdeel e, onder 3°: projectvermogen met uitzondering van het vermogen dat nodig is voor de financiering van de grond, kosten voor goederen waarop niet wordt afgeschreven, tuinbouwgewassen, transportsystemen en kosten voor onderhoud;

g. verklaring: schriftelijk besluit van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer als bedoeld in artikel 5.14, derde lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001, waarin wordt verklaard dat een project in het belang is van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos;

h. accountantsverklaring: verklaring afgegeven door een registeraccountant of een accountant-administratieconsulent;

i. Groen Label Kas: kas die bestemd is voor het bedrijfsmatig telen van tuinbouwgewassen en terzake waarvan door middel van een verklaring, afgegeven door een bij de Raad voor de Accreditatie erkende organisatie, is aangetoond dat deze kas voldoet aan de basiseisen, zoals die voor de desbetreffende teelt zijn gesteld in bijlage 2 en minimaal het in die bijlage voor de desbetreffende teelt vermelde aantal punten behaalt volgens de aldaar vermelde systematiek.

Artikel 2

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer kan, in overeenstemming met de Minister van Financiën en na overleg met de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, de Minister van Verkeer en Waterstaat en de Minister van Economische Zaken, een verklaring afgeven voor:

a. projecten, bestaande uit aaneengesloten gebieden met een oppervlakte van ten minste vijf hectare, die gericht zijn op de ontwikkeling en de instandhouding van bos en andere houtopstanden, met uitzondering van vruchtbomen, windsingels, wegbeplantingen en bomen die bestemd zijn om te dienen als kerstbomen en kweekgoed;

b. projecten die zijn gericht op de ontwikkeling en de instandhouding van natuur- en landschappelijke waarden in:

1°. gebieden die als beschermd natuurmonument of als staatsnatuurmonument zijn aangewezen op grond van de Natuurbeschermingswet;

2°. gebieden die in het Structuurschema Groene Ruimte zijn aangemerkt als gebieden behoud en herstel bestaande landschapskwaliteit en waarvoor een gebiedsperspectief waardevol cultuurlandschap geldt;

c. projecten die zijn gericht op de ontwikkeling en instandhouding van:

1°. natuur- en landschappelijke waarden van landgoederen die als zodanig zijn aangemerkt krachtens artikel 2 van de Natuurschoonwet 1928;

2°. natuur- en landschappelijke waarden blijkens een landinrichtingsplan als bedoeld in de Landinrichtingswet, een plan van voorzieningen als bedoeld in de Reconstructiewet Midden-Delfland of een herinrichtingsplan als bedoeld in de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën;

d. projecten:

1°. in een natuurgebied die zijn gericht op de ontwikkeling en de instandhouding van nieuwe natuur- en landschappelijke waarden en in aanmerking zijn gekomen voor subsidie op grond van de Subsidieregeling natuurbeheer 2000 en voor wat betreft bos en houtopstanden tevens voldoen aan de projectomschrijving van onderdeel a;

2°. in een beheers-, probleem-, natuur- of landschapsgebied die zijn gericht op de ontwikkeling en de instandhouding van nieuwe natuur- en landschappelijke waarden en in aanmerking zijn gekomen voor subsidie op grond van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer en voor wat betreft bos en houtopstanden tevens voldoen aan de projectomschrijving van onderdeel a;

3°. van publiekrechtelijke rechtspersonen of van instellingen als bedoeld in de Regeling bijdragen particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties die zijn gericht op de ontwikkeling en de instandhouding van nieuwe natuur- en landschappelijke waarden in gebieden waarvoor een begrenzingenplan is vastgesteld als bedoeld in de Regeling beheersovereenkomsten en natuurontwikkeling;

4°. die zijn gericht op de ontwikkeling en instandhouding van nieuwe natuur- en landschappelijke waarden en in aanmerking zijn gekomen voor subsidie op grond van de Tijdelijke regeling particulier natuurbeheer;

5°. in een beheers- of reservaatgebied die zijn gericht op de ontwikkeling en de instandhouding van nieuwe natuur- en landschappelijke waarden en waarvoor een beheersovereenkomst is gesloten als bedoeld in de Regeling beheersovereenkomsten en natuurontwikkeling;

6°. in een probleemgebied die zijn gericht op de ontwikkeling en de instandhouding van nieuwe natuur- en landschappelijke waarden en waarvoor een beheersovereenkomst is gesloten als bedoeld in de Regeling beheersovereenkomsten en natuurontwikkeling;

e. projecten die zijn gericht op:

1°. het produceren of verwerken van plantaardige landbouwproducten volgens de voorschriften van het Landbouwkwaliteitsbesluit biologische productiemethode;

2°. het produceren of verwerken van dierlijke landbouwproducten volgens de voorschriften van het Landbouwkwaliteitsbesluit biologische productiemethode;

3°. het bedrijfsmatig produceren van tuinbouwgewassen in een Groen Label Kas;

f. projecten die zijn gericht op de industriële verwerking van landbouwgrondstoffen tot producten die niet geschikt zijn voor menselijke of dierlijke consumptie, indien die producten in Nederland nog niet gangbaar zijn en die projecten leiden tot een vermindering van de aantasting van het milieu;

g. projecten die zijn gericht op:

1°. het opwekken van energie uit hout en energierijke gewassen;

2°. het opwekken van elektrische energie door middel van windturbines die voldoen aan de eisen opgenomen in de NVN 11400-0;

3°. het opwekken van elektrische energie met behulp van fotovoltaïsche cellen;

4°. het gebruik van thermische zonne-energie door middel van zonnecollectoren;

5°. het winnen van aardwarmte;

6°. het opwekken van elektrische energie uit waterkracht;

7°. het met behulp van warmtepompen, met een Seasonal Performance Factor van ten minste 1,2 opwaarderen van laagwaardige warmte naar hoogwaardige warmte, zodanig dat de hoogwaardige warmte nuttig wordt aangewend;

8°. warmte-, onderscheidenlijk koudeopslag, in een aquifer gedurende ten minste een maand;

9°. het aanleggen van warmtedistributienetten en het bouwen van centrale bijstookketels en warmtebuffers ten behoeve van stadsverwarmingsprojecten en de verwarming van tuinbouwkassen die thermische energie benutten van energie van elektriciteitsopwekkingsinstallaties;

h. projecten die zijn gericht op:

1°. het realiseren van nieuw te bouwen woningen die voortdurend als hoofdverblijf ter beschikking zullen staan aan een of meer natuurlijke personen en die voldoen aan de basiseisen, zoals die zijn gesteld in bijlage 1a en tevens minimaal 150 punten behalen volgens de in die bijlage vermelde systematiek;

2°. het door herbestemming van niet-woningen realiseren van nieuwe woningen die voortdurend als hoofdverblijf ter beschikking zullen staan aan een of meer natuurlijke personen en die voldoen aan de basiseisen, zoals die zijn gesteld in bijlage 1a en tevens minimaal 150 punten behalen volgens de in die bijlage vermelde systematiek;

3°. het renoveren van bestaande woningen die zijn gebouwd voor 1980 en die voortdurend als hoofdverblijf ter beschikking zullen staan aan een of meer natuurlijke personen en die voldoen aan de basiseisen zoals die zijn gesteld in bijlage 1b, en tevens minimaal 125 punten behalen volgens de in die bijlage vermelde systematiek;

i. projecten die zijn gericht op de realisatie van vrijliggende dan wel verhoogde fietspaden die verhard zijn met asfalt en die:

1°. de directe verbinding vormen tussen woonkernen met meer dan 50.000 inwoners en de direct omringende woonkernen, gelegen zijn buiten de bebouwde kom en reistijd verminderend zijn;

2°. de directe verbinding vormen tussen Vinex-locaties en de direct omringende woonkernen en gelegen zijn buiten de bebouwde kom;

3°. de directe bereikbaarheid van transferia bevorderen, of

4°. knelpunten opheffen in het recreatieve landelijk fietsroutenet als aangegeven in het Structuurschema Groene Ruimte en die gelegen zijn buiten de bebouwde kom, dan wel buiten de bebouwde kom gelegen zijn en de directe verbinding vormen tussen een woonkern, waaronder begrepen een verblijfsrecreatieconcentratie, en dat landelijk net;

j. projecten die zijn gericht op het vrijwillig saneren van verontreinigde (water)bodems ter zake waarvan overeenkomstig artikel 29 van de Wet op de bodembescherming is beslist dat er sprake is van een geval van ernstige verontreiniging en overeenkomstig artikel 39, tweede lid, van die wet goedkeuring is gegeven aan het saneringsplan en waaraan naar zijn oordeel voorrang moet worden verleend;

k. andere projecten die naar zijn oordeel in het belang zijn van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos.

Artikel 3

1. Een verklaring wordt niet afgegeven op aanvragen voor:

a. een bestaand project;

b. een project waarvan het projectvermogen minder bedraagt dan f 50.000;

c. een project waarvan het niet aannemelijk is dat het enig eigen rendement, subsidies van overheden en convenantsmiddelen daaronder begrepen, heeft;

d. een project waarvan het te verwachten economisch rendement in verhouding tot het risico en het milieubelang zodanig is dat het zonder toepassing van deze regeling tot stand kan komen;

e. een project als bedoeld in artikel 2, onderdeel h, onder 1° of 2°, indien per kalenderjaar reeds voor 5000 woningen een verklaring is afgegeven of indien de aanvraag voor een verklaring wordt ingediend na 31 december 2001;

f. een project als bedoeld in artikel 2, onderdeel h, onder 3°, indien per kalenderjaar reeds voor 5000 woningen een verklaring is afgegeven of indien de aanvraag voor een verklaring wordt ingediend na 31 december 2001;

g. een project betreffende een woning als bedoeld in artikel 2, onderdeel h, onder 1° of 2°, waarvan de totale kosten van het verkrijgen in eigendom meer dan f 600.000 bedragen.

2. Het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing met betrekking tot de in artikel 2, onderdeel i, bedoelde projecten.

Artikel 4

1. Een verklaring kan slechts worden aangevraagd door en afgegeven aan:

a. een kredietinstelling die is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 52 van de Wet toezicht kredietwezen 1992, of

b. een beleggingsinstelling die is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 18 van de Wet toezicht beleggingsinstellingen.

2. De aanvraag voor projecten bedoeld in artikel 2, onderdelen a tot en met f, dient te worden ingediend bij het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en voor de overige projecten bij de Nederlandse onderneming voor energie en milieu bv (Novem).

3. Voor projecten als bedoeld in artikel 2, onderdeel h, kan een verklaring slechts worden aangevraagd indien op de dag van indiening van een aanvraag tot afgifte van een verklaring nog geen aanvang met de uitvoering der werkzaamheden is gemaakt.

4. Voor projecten waarvoor reeds eerder een verklaring is afgegeven kan een nieuwe aanvraag eerst drie jaar voor de afloop van de geldende verklaring worden ingediend.

5. De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een formulier dat door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer op aanvraag beschikbaar wordt gesteld.

6. Aan een aanvrager kan worden verzocht nadere gegevens te verstrekken die van belang kunnen zijn voor de beoordeling van het project.

7. Aan een aanvrager kan worden verzocht een accountantsverklaring te overleggen, waaruit de juistheid of aannemelijkheid van de in de aanvraag vermelde gegevens blijkt.

Artikel 5

1. De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer beslist, in overeenstemming met de Minister van Financiën en na overleg met de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en de Minister van Verkeer en Waterstaat, op een aanvraag binnen acht weken na de indiening ervan.

2. Een afschrift van het besluit wordt gezonden aan de projectbeheerder.

Artikel 6

1. De verklaring kan voor geen langere periode worden afgegeven dan voor de verwachte levensduur van het project en voor een duur van ten hoogste:

a. tien jaren;

b. dertig jaren, indien:

1°. het een project betreft als bedoeld in artikel 2, onderdelen a, b, c, of d, en

2°. het een project betreft waarvoor na 31 december 1997 een aanvraag tot afgifte van een verklaring is ingediend.

2. De verklaring vermeldt de aard van het project, het projectvermogen en de periode waarvoor de verklaring geldt.

3. Voor de toepassing van deze regeling komt voor een woning als bedoeld in artikel 2, onderdeel h, ten hoogste een bedrag van f 75.000 gulden voor een verklaring in aanmerking.

4. Voor de toepassing van deze regeling komt ter zake van een project als bedoeld in artikel 2, onderdeel d, onder 5° en 6°, voor een verklaring in aanmerking een bedrag van:

1°. ten hoogste f 5000,- per hectare indien het project betrekking heeft op passief beheer;

2°. ten hoogste f 10.000,- per hectare indien het project betrekking heeft op licht beheer;

3°. ten hoogste f 15.000,- per hectare indien het project betrekking heeft op zwaar beheer.

5. Voor de toepassing van deze regeling komt ter zake van een project als bedoeld in artikel 2, onderdeel d, onder 2°, voor een verklaring in aanmerking een bedrag van:

1°. ten hoogste f 5000,- per hectare voor projecten als bedoeld in bijlage 19 tot en met 22 en bijlage 31 van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer;

2°. ten hoogste f 10.000,- per hectare voor projecten als bedoeld in bijlage 15 tot en met 17, bijlage 24 tot en met 30, bijlage 32 tot en met 35, bijlage 37, en bijlage 45 van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer;

3°. ten hoogste f 15.000,- per hectare voor projecten als bedoeld in bijlage 6 tot en met 14; bijlagen 18, 23 en bijlagen 41 tot en met 43 van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer.

6. De verklaring voor een project als bedoeld in artikel 2, onderdeel e, onder 3°, f, g, h, i, of j, vervalt indien binnen 2 jaar na de dag van afgifte van een verklaring, geen aanvang is gemaakt met de uitvoering der werkzaamheden.

7. In de verklaring kunnen nadere voorwaarden worden opgenomen.

Artikel 7

1. De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer kan, in overeenstemming met de Minister van Financiën en na overleg met de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, de Minister van Verkeer en Waterstaat en de Minister van Economische Zaken, de verklaring intrekken indien:

a. de ter zake verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste of volledige gegevens bekend waren geweest;

b. blijkt dat de uitvoering van het project in aanzienlijke mate afwijkt van het project op grond waarvan de verklaring is afgegeven;

c. blijkt dat de projectbeheerder de vermogenstoestand van het project niet afzonderlijk administreert;

d. niet wordt voldaan aan de voorwaarden die in de verklaring zijn opgenomen;

e. de melding bedoeld in artikel 8 niet onverwijld is geschied.

2. Het besluit tot intrekking kan terugwerkende kracht hebben.

3. Het besluit tot intrekking wordt gezonden aan de aanvrager die ingevolge artikel 4, eerste lid, een aanvraag heeft ingediend.

4. Een afschrift van het besluit wordt gezonden aan de projectbeheerder en aan de inspecteur.

Artikel 8

Indien de uitvoering van een project wordt gewijzigd doet de instelling die kapitaal verschaft ten behoeve van een project waarvoor een verklaring is afgegeven, daarvan onverwijld melding aan de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

Artikel 9

Ten behoeve van de vaststelling van een verklaring en van de daar toe van belang zijnde gegevens en van de daar aan verbonden rechten en plichten is ten aanzien van de kredietinstelling of de beleggingsinstelling, bedoeld in artikel 5.14, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, en de projectbeheerder Hoofdstuk VIII, afdeling 2, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing, waarbij de aldaar jegens de inspecteur opgelegde verplichtingen mede gelden jegens de door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aangewezen personen.

Artikel 10

In afwijking van artikel 2, onderdeel h, kan tot 1 oktober 2001, tevens een verklaring worden afgegeven voor projecten die zijn gericht op het realiseren van nieuw te bouwen woningen, die voortdurend als hoofdverblijf ter beschikking zullen staan aan een of meer natuurlijke personen, of voor projecten die zijn gericht op het door herbestemming van niet-woningen realiseren van nieuwe woningen, die voortdurend als hoofdverblijf ter beschikking zullen staan aan een of meer natuurlijke personen, of voor projecten gericht op het renoveren van bestaande woningen die zijn gebouwd voor 1980 en voortdurend als hoofdverblijf ter beschikking zullen staan aan een of meer natuurlijke personen, en die voldoen aan de voorwaarden die aan die woningen in de Regeling groenprojecten, en de daarbijbehorende bijlagen, zoals deze luidde voor 1 januari 2001, werden gesteld.

Artikel 11

Met in deze regeling bedoelde normen, meetvoorschriften, tests, verklaringen en certificaten, worden gelijkgesteld meetvoorschriften, tests, verklaringen en certificaten die worden toegepast in een andere staat en die tenminste een gelijkwaardig niveau waarborgen dan wel indien het verklaringen en certificaten betreft, deze zijn afgegeven op basis van onderzoekingen die aan tenminste gelijkwaardige eisen voldoen.

Artikel 12

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2001.

Artikel 13

Deze regeling kan worden aangehaald als: Regeling groenprojecten 2001.

Aan de Regeling groenprojecten 2001 worden de navolgende bijlagen toegevoegd:

1. Bijlage 1a, behorende bij artikel 2, onderdeel h, onder 1° en 2° van de Regeling groenprojecten 2001, (Maatlat duurzame woningbouw 2001).

2. Bijlage 1b, behorende bij artikel 2, onderdeel h, onder 3°, van de Regeling groenprojecten 2001, (Maatlat duurzame renovatie 2001).

3. Bijlage 2, behorende bij artikel 1, tweede lid, onderdeel i van de Regeling groenprojecten 2001, (Maatlat Groen Label Kas 1999).

Deze regeling zal met de toelichting en de bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst.

's-Gravenhage, 20 juni 2001.
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,J.P. Pronk.
De Staatssecretaris van Financiën,W.J. Bos.

Bijlagen

Bijlage 1a behorende bij artikel 2, onderdeel h, onder 1° en 2° van de Regeling groenprojecten (Maatlat duurzame woningbouw 2001)

Begripsbepalingen

1. Deze bijlage kan worden aangehaald als: de Maatlat duurzame woningbouw 2001.

2. Met het Nationaal pakket wordt bedoeld de uitgave 'Duurzaam bouwen: nationaal pakket woningbouw' (uitgave van de Stichting Bouwresearch, ISBN 90-5367-175-7).

3. Bij het indienen van de aanvraag dient uitgegaan te worden van de meest recente uitgave van het Nationaal pakket. Indien in de voorbereiding van de aanvraag is uitgegaan van een eerdere versie mag er op het moment van aanvragen niet meer dan een half jaar verstreken zijn, nadat de meest recente versie is uitgegeven.

4. Indien maatregelen zijn vervallen in het Nationaal pakket, behoeft hieraan niet te worden voldaan in deze maatlat.

5. Aan elke basiseis moet worden voldaan. Indien de aanvrager aantoont, dat met een alternatieve maatregel een kwalitatief tenminste gelijkwaardig resultaat wordt behaald, wordt niettemin geachte te zijn voldaan aan deze basiseis.

6. In de kolom `Specificatie' geven de S-nummers de specificatiebladen aan zoals deze zijn opgenomen in het Nationaal pakket. In dit pakket worden de hier - vaak summier - omschreven maatregelen verder geconcretiseerd.

7. In de kolom `Specificatie' van Tabel II geeft een X-nummer aan dat het om een maatregel gaat die (nog) niet is opgenomen in het Nationaal pakket.

8. In de kolom `punten per eenheid' is het aantal punten aangegeven, dat voor de maatregel wordt toegekend per eenheid, die genoemd is in de kolom `eenheid'. Daar waar de maatregel meerdere malen kan worden toegepast, is het aantal te behalen punten gemaximeerd. Deze maximering is aangegeven in de kolom `max. aantal punten'.

Maatlat duurzame woningbouw 2001; Tabel I: basiseisen

stcrt-2001-122-p14-SC29879-1.gif

Maatlat duurzame woningbouw 2001; Tabel II: keuzemaatregelen, puntensysteem

stcrt-2001-122-p14-SC29879-2.gifstcrt-2001-122-p14-SC29879-3.gifstcrt-2001-122-p14-SC29879-4.gifstcrt-2001-122-p14-SC29879-5.gifstcrt-2001-122-p14-SC29879-6.gifstcrt-2001-122-p14-SC29879-7.gif

Bijlage 1b, behorende bij artikel 2, onderdeel h, onder 3°, van de Regeling groenprojecten 2001 (Maatlat duurzame renovatie 2001)

Begripsbepalingen

1. Deze bijlage kan worden aangehaald als: de Maatlat duurzame renovatie 2001.

2. Met het Nationaal pakket wordt bedoeld de meest recente uitgave `Nationaal pakket Woningbouw Beheer' (uitgave van de Stichting Bouwresearch, ISBN 90-5367-216-8).

3. Bij het indienen van de aanvraag dient uitgegaan te worden van de meest recente uitgave van het Nationaal pakket. Indien in de voorbereiding van de aanvraag is uitgegaan van een eerdere versie mag er op het moment van aanvragen niet meer dan een half jaar verstreken zijn, nadat de meest recente versie is uitgegeven.

4. Indien maatregelen zijn vervallen in het Nationaal pakket, behoeft hieraan niet te worden voldaan in deze maatlat.

5. In de kolom `Specificatieblad' geven de B-nummers van de specificatiebladen aan zoals deze zijn opgenomen in CD-ROM-versie van het Nationaal pakket. In dit pakket worden de hier vaak summier omschreven maatregelen verder geconcretiseerd. De CD-ROM gebruikt standaard titels voor overeenkomstige maatregelen in nieuwbouw en beheer. Dit heeft tot gevolg, dat sommige titels minder toegesneden zijn op de bestaande bouw. Als voorbeeld B013: maak warmteweerstand gesloten geveldelen Rc>= 3 m2 K/W. Dit lijkt een veel te zware maatregel voor de bestaande bouw. Als men echter het specificatieblad B013 raadpleegt, blijkt dat met minder zware isolatie kan worden volstaan.

6. Een enkele maatregel is (nog) niet zijn opgenomen in het Nationaal pakket en worden aangegeven met een X.

7. Aan elke basiseis moet worden voldaan. Indien de aanvrager aantoont, dat met een alternatieve maatregel een kwalitatief tenminste gelijkwaardig resultaat wordt behaald, wordt niettemin geachte te zijn voldaan aan deze basiseis.

8. In de kolom `punten' staat het maximum aantal punten dat voor een maatregel kan worden verkregen. Indien de maatregel al eerder in de woning is uitgevoerd mogen toch punten worden toegekend.

9. De van een asterisk (*) voorziene B-nummers geven aan, dat indien binnen een thema aan alle dergelijke maatregelen is voldaan er bonuspunten worden toegekend. Het aantal staat vermeld binnen het subthema. Aan maatregelen die gezien de situatie ter plekke technisch niet uitvoerbaar zijn, behoeft niet te worden voldaan. Het aantal bonuspunten wordt in een dergelijk geval verminderd naar rato van het aantal punten dat de maatregel zou hebben opgeleverd indien hij zou zijn genomen en het gezamenlijke aantal punten van de met een asterisk gemerkte maatregelen binnen het subthema benodigd voor de bonuspunten.

10. Indien binnen de subthema's isolatie & zonwering en ventilatie & infiltratie aan alle B-maatregelen met een asterisk is voldaan, worden 10 extra bonuspunten toegekend.

11. Binnen elk thema met uitzondering van het thema Diversen, dienen tenminste 15 punten te worden behaald.

12. Indien een project bestaat uit het renoveren van meerdere woningen kan het zo zijn, dat een maatregel niet in elke woning wordt toegepast. In dat geval wordt het aantal punten verminderd naar rato van het aantal woningen waarin de maatregel wordt toegepast ten opzichte van het totaal aantal woningen in het project. In een dergelijk geval worden geen bonuspunten toegekend.

Maatlat duurzame renovatie 2001; Tabel I: basiseisen

Spec. Omschrijving

blad

B 022 isoleer kruipluiken en zorg voor een goede afdichting

B 039 gebruik een cv/warmwatertoestel met lage NOx-emissie

B 048 gebruik energie-efficiënte verlichting

B 064 stem duurzaamheidsklasse van hout en de eventuele

oppervlaktebehandeling en/of verduurzaming per geval

af op de beoogde toepassing

B 065 gebruik geen producten die (H)CFK's bevatten

B 066 gebruik voor gipstoepassingen binnen: rogips, natuurgips

of re-kristallisatiegips

B 071 indien PVC gebruikt wordt, gebruik PVC waarvan de

kringloop gesloten wordt en indien voor de toepassing

verkrijgbaar gerecycled PVC

B 073 gebruik voor beton waar dit technisch mogelijk is,

klinkerarme cementsoorten

B 074 indien gebruik wordt gemaakt van beton, gebruik dan

beton met grindvervanger

B 081 gebruik bij totale houtverduurzaming producten die

verduurzaamd zijn met de vacuümdrukmethode

B 172 pas kozijnreparatie toe bij beperkt aangetaste houten kozijnen

B 384 beperk de leidinglengte tussen warmwatertoestel en

warmwatertappunt (keuken/bad-douche-ruimte)

B 414 gebruik uitsluitend spaanplaat met beperkte

formaldehyde-emissie

B 464 maak de gevel schoon met water of gritstralen bij lage druk

B 465 repareer beton met een mineraal middel

B 467 herstel bestaande dakbedekking

B 484 installeer, indien een lift wordt toegepast, een

energiezuinige lift

Maatlat duurzame renovatie 2001; Tabel II: keuzemaatregelen, puntensysteem

stcrt-2001-122-p14-SC29879-8.gifstcrt-2001-122-p14-SC29879-9.gifstcrt-2001-122-p14-SC29879-10.gifstcrt-2001-122-p14-SC29879-11.gifstcrt-2001-122-p14-SC29879-12.gifstcrt-2001-122-p14-SC29879-13.gifstcrt-2001-122-p14-SC29879-14.gifstcrt-2001-122-p14-SC29879-15.gif

Bijlage 2, behorende bij artikel 1, tweede lid, onderdeel i van de Regeling groenprojecten 2001. (Maatlat Groen Label Kas 1999)

Begripsbepalingen

1. Deze bijlage wordt aangehaald als: Maatlat Groen Label Kas 1999.

2. Technische uitwerking van de maatregelen kan geschieden in de vorm van publicaties in de reeks: Groen Beleggen Publicatiereeks.

3. In deze bijlage wordt verstaan onder:

a. zware stookteelt: een teelt in een kas waarbij de gemiddelde minimum etmaaltemperatuur (op basis van de stooklijn) in de maand januari tenminste 17 °C is;

b. hetelucht/lichtestookteelt: een teelt in een kas waarbij de gemiddelde minimum etmaaltemperatuur, (op basis van de stooklijn) in de maand januari lager dan 17 °C is;

c. dubbelwandige niet flexibele kunststofplaat: een constructie bestaande uit tenminste twee lagen niet flexibel kunststof voorzien van een luchtspouw;

d. dubbel beglaasd of dubbel glas: een constructie bestaande uit twee lagen glas voorzien van een luchtspouw;

e. (opwekkings)vermogen: het thermisch vermogen uitgedrukt in Watt per m2 teeltopppervlakte dat met de installatie wordt verwarmd.

4. Het minimaal aantal punten bedraagt voor:

• tomatenteelt: 85 punten op basis van de hierna opgenomen keuzemaatregelen;

• overige zware stookteelt: 75 punten op basis van de hierna opgenomen keuzemaatregelen;

• hetelucht/lichtestookteelt: 60 punten op basis van de hierna opgenomen keuzemaatregelen.

5. Anticipatiemogelijkheid: met betrekking tot centrale koolstofdioxidelevering, aansluiting op een restwarmtenet en in geval van een centrale opslag van regenwater, kunnen de betreffende punten ondanks het feit dat de koolstofdioxidelevering, de restwarmtelevering of de regenwateropvang nog niet plaatsvindt, toch worden toegekend in het geval dat de benodigde installatie voor de centrale levering nog niet gerealiseerd kan worden mits:

a) er zekerheid bestaat dat zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen twee jaar na het verstrekken van de Groenverklaring van de centrale levering gebruik gemaakt zal worden;

b) dat de wijze waarop en de mate waarin de levering zal plaatsvinden, bekend is;

c) onverkorte toepassing van deze regeling zou leiden tot ernstige bemoeilijking van het centrale leveringsproject, en

d) het project naar de mening van de Minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer belangrijke verdiensten heeft op het gebied van milieu, energie of ruimtelijke ordening.

Of aan de eisen van de anticipatiemogelijkheid is voldaan kan met betrekking tot de onderdelen a) en b) worden aangetoond door middel van overeenkomsten met de (toekomstige) leverancier en met betrekking tot de onderdelen c) en d) door middel van een verklaring terzake van het Minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Indien het project twee jaar na het verstrekken van de Groenverklaring niet is gerealiseerd vervallen de punten.

1. Basiseisen voor kassen voor zware stookteelt:

A. Vervallen.

B. Gootsysteem: het gootsysteem dient:

• te voorzien in een gescheiden condensafvoer;

• te bestaan uit goten met een maximale lichtonderschepping, bepaald volgens de halve omtrekmethode van maximaal 7%, en

• te bestaan uit goten, die indien ze van staal vervaardigd zijn, tweezijdig gecoat zijn.

C. Onderbouw van de kasconstructie: de onderbouw dient te zijn vervaardigd van staal of aluminium.

D. Roeden van kas: de roeden dienen te zijn vervaardigd van aluminium of gecoat staal.

E. Dek: het dek van kassen, bestemd voor andere teelten dan tomatenteelt, dient te bestaan uit tenminste enkel glas waarbij een beweegbaar scherm aangebracht is, dan wel uit dubbel glas, gecoat glas, of dubbelwandige niet flexibele kunststofplaat.

F. Gevels: de gevel dient te bestaan uit tenminste enkel glas en een scherm, dan wel uit dubbel glas, dan wel uit gecoat glas, dan wel uit dubbelwandige niet flexibele kunststofplaat, dan wel dubbel te zijn beglaasd.

G. Verwarmingssysteem: het verwarmingssysteem dient:

• te zijn opgebouwd uit tenminste twee netten waarbij een van de netten aangesloten is op een condensor. Een secundair net is niet verplicht indien de warmtevoorziening voor 65% of meer plaatsvindt met behulp van restwarmte;

• met betrekking tot het rendement van de ketel en de condensor te voldoen aan het gestelde in de `Criteria voor het toetsen van het Groen Label Kas Groencertificaat 1999' (Groen beleggen publicatiereeks No. 1.1, 1999 of een latere versie);

• bij aanwezigheid van een ketel, een ketelwand-isolatielaag te hebben van tenminste 10 centimeter;

• bij aanwezigheid van een niet in de retourleiding geplaatst expansievat een expansievat-wand-isolatielaag te hebben van tenminste 10 centimeter;

• te zijn uitgevoerd met transportpompen met frequentieregeling;

• een temperatuurverschil van maximaal 2 °C te hebben tussen de afzonderlijke verwarmingsspiralen, gemeten halverwege de aanvoer en afvoer, bij een vaste buistemperatuur van 60 °C of bij de maximum buistemperatuur indien deze lager is dan 60 °C;

• zo te zijn uitgevoerd dat de luchttemperatuurgradiënten in de kas (over 95% van het areaal) kleiner zijn dan 1,5 °C indien deze worden gemeten bij een vaste buistemperatuur van 60 °C of bij de maximum buistemperatuur indien deze lager is dan 60 °C, waarbij meting geschiedt zoals aangegeven in `Criteria voor het toetsen van het Groen Label Kas Groencertificaat 1999' (Groen beleggen publicatiereeks No. 1.1, 1999 of een latere versie).

H. Indien assimilatiebelichting wordt toegepast dient:

• de eventueel aanwezige warmtekrachtkoppeling te zijn voorzien van een tweede condensor;

• de eventuele aanwezige warmtekrachtkoppeling te zijn voorzien van een warmtebuffer met een volume van tenminste 60 m3 /ha;

• de eventuele aanwezige warmtekrachtkoppeling te zijn voorzien van een rookgasreinigingsinstallatie, en de rookgasstroom van de eventuele warmtekrachtkoppeling te worden aangewend voor koolstofdioxidedosering aan de planten.

I. Koolstofdioxide/rookgas-doseerinstallatie: er dient een koolstofdioxide/rookgas doseer-installatie te worden toegepast indien het bedrijf is voorzien van een ketel en er geen aansluiting is op een centraal koolstofdioxide-distributienet.

J. Sensoren: de klimaatsensoren voor temperatuur-, vocht- en koolstofdioxide-metingen dienen een individuele en totale meetnauwkeurigheid te hebben als aangegeven in `Normering van meetnauwkeurigheden van klimaatregeling in praktijkkassen' (PBG, Naaldwijk).

K. Controle op aanwezigheid en optimaal functioneren van de onderdelen dient te geschieden conform de `Criteria voor het toetsen van het Groen Label Kas Groencertificaat 1999'.

De opleveringscontrole dient betrekking te hebben op de volledige kas. Voor de energie-aspecten dient de controle betrekking te hebben op:

• de aanleg en capaciteit van het integrale verwarmingssysteem zoals het is of wordt uitgevoerd aan de hand van tekeningen van het verwarmingssysteem, het leidingensysteem en het buffersysteem waarop tenminste zijn aangegeven de onderdelen, de leidingdiameters, de aard en dikte van isolatiematerialen, pompcapaciteiten, stroomrichtingen, afmetingen van verbindingsslangen en capaciteitsberekeningen;

• de capaciteit van de koolstofdioxide/rookgasdoseerinstallatie waarbij tevens ventilatorcapaciteit, leidingdiameters, doseerdarmuitvoering, prikmaat en condensafvoer gecontroleerd worden;

• mede te bestaan uit een controle die betrekking heeft op onderdelen van een energiedoorlichting die uitgevoerd wordt zoals aangegeven in de `Criteria voor het toetsen van het Groen Label Kas Groencertificaat 1999'.

Met betrekking tot het verwarmingssysteem en het koolstofdioxide/rookgasdoseersysteem dienen de `Criteria voor het toetsen van het Groen Label Kas Groencertificaat 1999' (Groen beleggen publicatiereeks No. 1.1, 1999 of een latere versie) gebruikt te worden.

De periodieke controle dient:

• qua inhoud en frequentie te geschieden conform de `Criteria voor het toetsen van het Groen Label Kas Groencertificaat 1999';

• te resulteren in herstel van geconstateerde gebreken en afwijkingen binnen een maand na de controle;

• mede te bestaan uit een controle die betrekking heeft op onderdelen van een energiedoorlichting die uitgevoerd wordt zoals aangegeven in de `Criteria voor het toetsen van het Groen Label Kas Groencertificaat 1999';

• betrekking te hebben op een gelijkmatige verdeling van het gedoseerde CO2 over de kas;

• betrekking te hebben op de onderlinge relatieve verschillen in gerealiseerde raamopening. Deze mogen maximaal 10% bedragen, gemeten bij een vast ingestelde minimumraamstand van 10%;

• betrekking te hebben op eventuele ruitbreuk en de afdichting van de ramen in dek en gevel. Er dient overeenstemming te bestaan met de opleveringssituatie;

• betrekking te hebben op de luchtramen. Deze dienen in de stand `gesloten' daadwerkelijk gesloten zijn;

• betrekking te hebben op de schermkier. De onderling relatieve verschillen in gerealiseerde schermkier mogen maximaal 10% bedragen, gemeten bij een vast ingestelde kier van 5%. Ook mogen er bij de stand `gesloten scherm' geen kieren aanwezig zijn en dient het schermmateriaal vrij te zijn van scheuren of gaten;

• betrekking te hebben op de onder G. vermelde buistemperatuur en luchttemperatuurgradiënten;

• betrekking te hebben op de onder J. vermelde individuele en totale meetnauwkeurigheid van de klimaatsensoren.

L. Restwarmteaansluiting: indien de infrastructuur aanwezig is, dient men aan te sluiten op deze infrastructuur en de beschikbare capaciteit aan te wenden, tenzij er een warmtekrachtkoppeling aanwezig is met een vermogen van minimaal 30 W/m2.

M. Centrale koolstofdioxide-levering: indien de infrastructuur aanwezig is, dient men aan te sluiten op deze infrastructuur en de beschikbare capaciteit aan te wenden, tenzij er een warmtekrachtkoppeling aanwezig is met rookgasreiniging.

N. Klimaatregeling: het klimaat dient automatisch te worden geregeld door een klimaatcomputer.

O. Biologische gewasbescherming: dit dient te worden toegepast tenzij teelttechnisch omstandigheden dan wel het internationaal handelsverkeer dit onmogelijk maken.

P. Gegevens registratie: de bedrijfsgegevens dienen te worden geregistreerd conform Milieuproject Sierteelt (MPS) of Milieubewuste Teelt (MBT) of met behulp van een ander naar het oordeel van het Centraal College van Deskundigen Groen Label Kas gelijkwaardig systeem.

Q. Wettelijke voorschriften: ten behoeve van de inrichting dient men te beschikken over de vergunningen als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer en aan te tonen dat de eventueel op de inrichting van toepassing zijnde meldingen als bedoeld in artikel 8.19 en artikel 8.41 van de Wet milieubeheer zijn geschied.

2. Basiseisen voor kassen voor lichtestookteelt/heteluchtteelt:

A. Vervallen

B. Gootsysteem: het gootsysteem dient :

• te voorzien in een gescheiden condensafvoer;

• te bestaan uit goten met een maximale lichtonderschepping, bepaald volgens de halve omtrekmethode van maximaal 7%, en

• te bestaan uit goten die indien ze van staal vervaardigd zijn, tweezijdig gecoat zijn.

C. Onderbouw van de kasconstructie: de onderbouw dient te zijn vervaardigd van staal of aluminium.

D. Roeden van kas: de roeden dienen te zijn vervaardigd van aluminium of gecoat staal.

E. Dek: het dek van de kas dient tenminste te bestaan uit enkel glas, dan wel uit dubbelwandige niet flexibele kunststofplaat.

F. Gevels: de gevel dient te bestaan uit tenminste enkel glas, dan wel uit dubbelwandige niet flexibele kunststofplaat.

G. Verwarmingssysteem: het verwarmingssysteem dient:

• indien gebruik wordt gemaakt van ketelinstallatie(s), te zijn voorzien van tenminste een enkelvoudige condensor, te zijn uitgevoerd conform de `Criteria voor het toetsen van het Groen Label Kas Groencertificaat 1999' (Groen beleggen publicatiereeks No. 1.1, 1999 of een latere versie) en een ketelwandisolatielaag te hebben van tenminste 10 centimeter;

• indien gebruik wordt gemaakt van ketelinstallatie(s), met betrekking tot het rendement van de ketel en de condensor te voldoen aan het gestelde in de `Criteria voor het toetsen van het Groen Label Kas Groencertificaat 1999' (Groen beleggen publicatiereeks No. 1.1, 1999 of een latere versie);

• indien gebruik wordt gemaakt van heteluchtkachels, te zijn uitgerust met branders met een maximale NOx-emissie van 60 mg/m3 (3% O2);

• bij het niet toepassen van heteluchtteelt een temperatuurverschil van maximaal 2 °C te hebben tussen de afzonderlijke verwarmingsspiralen, gemeten halverwege de aanvoer en afvoer, bij een vaste buistemperatuur van 60 oC of bij de maximum buistemperatuur indien deze lager is dan 60 °C;

• bij het niet toepassen van heteluchtteelt zo te zijn uitgevoerd, dat luchttemperatuurgradiënten in de kas (over 95% van het areaal) kleiner zijn dan 1,5 °C indien deze worden gemeten bij een vaste buistemperatuur van 60 °C of bij de maximum buistemperatuur indien deze lager is dan 60 °C zoals aangegeven in `Criteria voor het toetsen van het Groen Label Kas Groencertificaat 1999' (Groen beleggen publicatiereeks No. 1.1, 1999 of een latere versie).

H. Koolstofdioxide/rookgas-doseerinstallatie: er dient een koolstofdioxide/rookgas-doseer installatie te worden toegepast indien het bedrijf is voorzien van een ketel en er geen aansluiting is op een centraal koolstofdioxide-distributienet.

I. Sensoren: de klimaatsensoren voor temperatuur-, vocht- en koolstofdioxide-metingen dienen een individuele en totale meetnauwkeurigheid te hebben als aangegeven in `Normering van meetnauwkeurigheden van klimaatregeling in praktijkkassen' (PBG, Naaldwijk).

J. Controle op aanwezigheid en optimaal functioneren van de onderdelen dient te geschieden conform de `Criteria voor het toetsen van het Groen Label Kas Groencertificaat 1999'.

De opleveringscontrole dient betrekking te hebben op de volledige kas. Voor de energie-aspecten dient de controle bij het niet toepassen van heteluchtteelt betrekking te hebben op:

• de aanleg en capaciteit van het integrale verwarmingssysteem zoals het is of wordt uitgevoerd aan de hand van tekeningen van het verwarmingssysteem, het eventuele leidingensysteem en het buffersysteem waarop tenminste zijn aangegeven de onderdelen, de leidingdiameters, de aard en dikte van isolatiematerialen, pompcapaciteiten, stroomrichtingen, afmetingen van verbindingsslangen en capaciteitsberekeningen;

• de capaciteit van de koolstofdioxide/rookgasdoseerinstallatie waarbij tevens ventilatorcapaciteit, leidingdiameters, doseerdarmuitvoering, prikmaat en condensafvoer gecontroleerd worden;

• mede te bestaan uit een controle die betrekking heeft op onderdelen van een energiedoorlichting die uitgevoerd wordt zoals aangegeven in de `Criteria voor het toetsen van het Groen Label Kas Groencertificaat 1999'.

Indien geen heteluchtteelt wordt toegepast dienen met betrekking tot het verwarmingssysteem en het koolstofdioxide/rookgasdoseersysteem de `Criteria voor het toetsen van het Groen Label Kas Groencertificaat 1999' (Groen beleggen publicatiereeks No. 1.1, 1999 of een latere versie) gebruikt te worden.

De periodieke controle dient:

• qua inhoud en frequentie te geschieden conform de `Criteria voor het toetsen van het Groen Label Kas Groencertificaat 1999';

• te resulteren in herstel van geconstateerde gebreken en afwijkingen binnen een maand na de controle;

• bij het niet toepassen van heteluchtteelt mede te bestaan uit een controle die betrekking heeft op onderdelen van een energiedoorlichting die uitgevoerd wordt zoals aangegeven in de `Criteria voor het toetsen van het Groen Label Kas Groencertificaat 1999';

• bij het niet toepassen van heteluchtteelt betrekking te hebben op een gelijkmatige verdeling van het gedoseerde CO2 over de kas;

• betrekking te hebben op de onderlinge relatieve verschillen in gerealiseerde raamopening. Deze mogen maximaal 10% bedragen, gemeten bij een vast ingestelde minimumraamstand van 10%;

• betrekking te hebben op eventuele ruitbreuk en de afdichting van de ramen in dek en gevel. Er dient overeenstemming te bestaan met de opleveringssituatie;

• betrekking te hebben op de luchtramen. Deze dienen in de stand `gesloten' daadwerkelijk gesloten zijn;

• betrekking te hebben op de schermkier. De onderling relatieve verschillen in gerealiseerde schermkier mogen maximaal 10% bedragen, gemeten bij een vast ingestelde kier van 5%. Ook mogen er bij de stand `gesloten scherm' geen kieren aanwezig zijn en dient het schermmateriaal vrij te zijn van scheuren of gaten;

• betrekking te hebben op de onder G. vermelde buistemperatuur en luchttemperatuurgradiënten;

• betrekking te hebben op de onder I. vermelde individuele en totale meetnauwkeurigheid van de klimaatsensoren.

K. Restwarmteaansluiting: bij het niet toepassen van heteluchtteelt dient men indien de infrastructuur aanwezig is aan te sluiten op deze infrastructuur en de beschikbare capaciteit aan te wenden tenzij er een warmtekrachtkoppeling aanwezig is met een minimaal vermogen van 30 W/m2.

L. Centrale koolstofdioxide-levering: bij het niet toepassen van hete lucht teelt dient men indien de infrastructuur aanwezig is aan te sluiten op deze infrastructuur en de beschikbare capaciteit aan te wenden, tenzij er een warmtekrachtkoppeling aanwezig is met rookgasreiniging.

M. Klimaatregeling: het klimaat dient automatisch te worden geregeld door een klimaatcomputer.

N. Biologische gewasbescherming: dit dient te worden toegepast tenzij teelttechnisch omstandigheden dan wel het internationaal handelsverkeer dit onmogelijk maken.

O. Gegevens registratie: de bedrijfsgegevens dienen te worden geregistreerd conform Milieuproject Sierteelt (MPS) of Milieubewuste Teelt (MBT) of met behulp van een ander naar het oordeel van het Centraal Collega van Deskundigen Groen Label Kas gelijkwaardig systeem.

P. Wettelijke voorschriften: ten behoeve van de inrichting dient men te beschikken over de eventueel van toepassing zijnde vergunningen als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer en aan te tonen dat de eventueel op de inrichting van toepassing zijnde meldingen als bedoeld in artikel 8.19 en artikel 8.41 van de Wet milieubeheer zijn geschied.

3. Keuzemaatregelen voor kassen voor zware stookteelt, onderdeel energie

Voorzieningen bij zware stookteelt algemeen

PUNTEN

1. Hoofdtransportleiding van de verwarming in de grond 1

2. Toepassing van een combicondensor 5

3. Warmteopslagtank van meer dan 100 m3/ha 7

4. Warmtekrachtkoppeling met rookgasreiniging en extra condensor

en een opwekkingsvermogen van:

10 W/m2 thermisch 7

20 W/m2 thermisch 10

30 W/m2 thermisch 13

40 W/m2 thermisch 16

60 W/m2 thermisch 20

80 W/m2 thermisch 22

5. Warmtepomp met een opwekkingsvermogen van:

40 W/m2 thermisch 17

60 W/m2 thermisch 31

80 W/m2 thermisch 34

6. Aansluiting op centrale koolstofdioxide levering 15

7. Aansluiting op restwarmtenet en een vermogen van:

10 W/m2 thermisch 7

20 W/m2 thermisch 10

30 W/m2 thermisch 13

40 W/m2 thermisch 16

60 W/m2 thermisch 20

80 W/m2 thermisch 22

8. Verwarmingsnet met een groot verwarmend oppervlak (de verhouding buisoppervlak/debiet dient tenminste 10% hoger te zijn dan bij de standaard met ronde buis) 1

9. Verbeterde raamafdichting/oplegging met halvering van lekventilatie bij ramen en overige kieren 2

10. Warmteopslag in aquifers 25

11. Warmtebehoefte wordt gedekt door gebruik van biomassa als brandstof: het aantal punten is gelijk aan het percentage van de warmtebehoeftedekking

12. Lichtonderschepping door de goten (bepaald volgens de halve omtrekmethode) van:

- maximaal 6% 2

- maximaal 5% 4

13. Fundering en kasvoet geïsoleerd met een max. U-waarde van 2 W/m2K 3

14. Grondstoomsysteem met onderdruk 3

De punten binnen een nummer van de voorzieningen kunnen niet gesaldeerd worden.

Voorzieningen bij zware stookteelt van andere gewassen dan tomaten, onderdeel energie

PUNTEN

1. Kasdek voorzien van enkel scherm en gevels voorzien van gevelscherm of gevels van dubbel glas dan wel dubbelwandige niet flexibele kunststof plaat of dubbel beglaasde gevels 7

2. Kasdek voorzien van dubbelwandige niet flexibele kunststofplaat of van dubbel glas, en gevels, voorzien van dubbelwandige niet flexibele kunststofplaat of van dubbel glas, dan wel dubbel beglaasd 12

3. Kasdek voorzien van gecoat glas met scherm, en gevels, voorzien van gecoat glas met gevelscherm of van dubbel glas dan wel dubbel beglaasde gevels of gevels van dubbelwandige niet flexibele kunststofplaat 12

4. Kasdek voorzien van dubbel scherm, en gevels voorzien van gevelscherm of gevels voorzien van dubbel glas dan wel gevels van dubbelwandige niet flexible kunststofplaat dan wel dubbel beglaasde gevels 15

5. Kasdek enerzijds voorzien van dubbel glas of van dubbelwandige niet flexibele kunststofplaat en anderzijds van een enkel scherm, en gevels die enerzijds voorzien zijn van een gevelscherm en anderzijds voorzien zijn van dubbel glas of van dubbelwandige niet flexibele kunststofplaat of dubbel beglaasd zijn 19

6. Kasdek enerzijds voorzien van dubbel glas of van dubbelwandige niet flexibele kunststofplaat en anderzijds van een dubbel scherm, en gevels die enerzijds voorzien zijn van een gevelscherm en anderzijds voorzien zijn van dubbel glas of van dubbelwandige niet flexibele kunststofplaat of dubbel beglaasd zijn 21

De punten voor de voorzieningen onder de nummers 1 tot en met 6 kunnen onderling niet gesaldeerd worden.

Voorzieningen bij zware stookteelt bij tomaten, onderdeel energie

PUNTEN

1. Kasdek en gevels van gecoat glas 15

2. Kasdek voorzien van enkel scherm en gevels voorzien van gevelscherm of gevels van dubbel glas dan wel dubbelwandige nietflexibele kunststof plaat of dubbel beglaasde gevels 22

3. Kasdek voorzien van dubbelwandige niet flexibele kunststofplaat of van dubbel glas, en gevels, voorzien van dubbelwandige niet flexibele kunststofplaat of van dubbel glas dan wel dubbel beglaasd 27

4. Kasdek voorzien van gecoat glas met scherm, en gevels voorzien van gecoat glas met scherm of gevels van dubbel glas dan wel dubbel beglaasde gevels of gevels van dubbelwandige niet flexibele kunststofplaat 27

5. Kasdek voorzien van dubbel scherm, en gevels, voorzien van gevelscherm of gevels van dubbel glas of van gevels van dubbelwandige niet flexible kunststofplaat of dubbel beglaasde gevels 30

6. Kasdek enerzijds voorzien van dubbel glas of van dubbelwandige niet flexibele kunststofplaat en anderzijds van een enkel scherm, en gevels die enerzijds voorzien zijn van een gevelscherm en anderzijds voorzien zijn van dubbel glas of van dubbelwandige niet flexibele kunststofplaat of dubbel beglaasd zijn 34

7. Kasdek enerzijds voorzien van dubbel glas of van dubbelwandige niet flexibele kunststofplaat en anderzijds van een dubbel scherm, en gevels die enerzijds voorzien zijn van een gevelscherm en anderzijds voorzien zijn van dubbel glas of van dubbelwandige niet flexibele kunststofplaat of dubbel beglaasd zijn 36

De punten voor de voorzieningen onder de nummers 1 tot en met 7 kunnen onderling niet gesaldeerd worden.

4. Keuzemaatregelen voor kassen voor hetelucht/lichtestookteelt, onderdeel energie

PUNTEN

1. Fundering en kasvoet geïsoleerd met een maximale U-waarde van 2 W/m2K 3

2. Voorzien van verwarmingssysteem bestaande uit twee netten waarbij

een van de netten is aangesloten op een condensor 3

3. Hoofdtransportleiding van de verwarming in de grond 1

4. Toepassing van een combicondensor 5

5. Warmteopslagtank van meer dan 60 m3/ha 7

6. Warmtekrachtkoppeling met rookgasreiniging en extra condensor en een opwekkingsvermogen van:

10 W/m2 thermisch 7

20 W/m2 thermisch 10

30 W/m2 thermisch 13

40 W/m2 thermisch 16

60 W/m2 thermisch 20

80 W/m2 thermisch 22

7. Warmtepomp met een opwekkingsvermogen van:

40 W/m2 thermisch 17

60 W/m2 thermisch 31

80 W/m2 thermisch 34

8. Aansluiting op centrale koolstofdioxidelevering 15

9. Aansluiting op restwarmtenet en een vermogen van:

10 W/m2 thermisch 7

20 W/m2 thermisch 10

30 W/m2 thermisch 13

40 W/m2 thermisch 16

60 W/m2 thermisch 20

80 W/m2 thermisch 22

10. Verwarmingsnet met een groot verwarmend oppervlak(de verhouding buisoppervlak/debiet dient tenminste 10% hoger te zijn dan bij de standaard met ronde buis) 1

11. Verbeterde raamafdichting/oplegging met halvering van lekventilatie bij ramen en overige kieren 2

12. Warmteopslag in aquifers 25

13. Warmtebehoefte wordt gedekt door gebruik van biomassa als brandstof: aantal punten is gelijk aan het percentage van de energiebehoeftedekking

14. Kasdek van gecoat glas 15

15. Kasdek voorzien van enkel scherm 15

16. Kasdek voorzien van dubbelwandige niet flexibele kunststofplaat of van dubbel glas 15

17. Kasdek voorzien van gecoat glas met enkel scherm 27

18. Kasdek voorzien van dubbel scherm 30

19. Kasdek voorzien van dubbel glas of van dubbelwandige niet flexibele kunststofplaat, en voorzien van een enkel scherm 27

20. Kasdek voorzien van dubbel glas of van dubbelwandige niet flexibele kunststofplaat, en voorzien van dubbel scherm 34

21. Geïsoleerde gevels met dubbelglas of niet flexibele dubbelwandige kunststofplaat of gevelscherm of dubbel beglaasd of gecoat glas 3

22. Lichtonderschepping door de goten (bepaald volgens de halve omtrekmethode) van:

- maximaal 6% 2

- maximaal 5% 4

23. Grondstoomsysteem met onderdruk 3

De punten voor de voorzieningen onder de nummers 14 tot en met 20 kunnen onderling niet gesaldeerd worden. De punten binnen een nummer van de voorzieningen kunnen niet gesaldeerd worden.

5. Keuzemaatregelen voor kassen, onderdeel lichthinder

PUNTEN

1. Tenminste 95 % reductie van de lichtuitstraling van 20.00 uur tot 4.00 uur gedurende de periode van 1 september tot 1 mei 11

6. Keuzemaatregelen voor kassen, onderdeel nutriënten

PUNTEN

1a Regenwateropslagbassin met een capaciteit zodanig dat minimaal 80% dekking van de jaarlijkse waterbehoefte met het bassin wordt gerealiseerd

10

1b Regenwateropslagbassin met een capaciteit zodanig dat minimaal 90% dekking van de jaarlijkse waterbehoefte met het bassin wordt gerealiseerd

20

2. Waterbereiding met behulp van omgekeerde osmose dan wel met andereselectieve zoutverwijderingstechniek 10

3. Gerichte irrigatie (fertigatie met dosering per plant) bij grondteelten zonder recirculatie 15

4. Recirculatie van het drainwater bij grondteelt 20

5. Niet verzinkte goten 3

De punten voor de voorzieningen onder de nummers 1a en 1b kunnen onderling niet gesaldeerd worden.

7. Keuzemaatregelen voor kassen, onderdeel gewasbescherming

PUNTEN

1. Insektengaas voor luchtramen 15

2. Selectieve waterontsmetting op pathogene bacteriën en schimmels bij recirculatie van voedingsoplossingen 9

3. Algehele waterontsmetting op pathogene bacteriën, schimmels, virussen en aaltjes 13

4. Zwavelverdampers 13

5. Mechanisch aangedreven of automatische spuitboom of spuitmast 13

6. Tunnelspuit 3

7. Mechanische kasdekreiniging 10

Toelichting

1. A. Algemene Toelichting

Op initiatief van de toenmalige leden van de Tweede Kamer Vermeend, Melkert en Van der Vaart is de wet van 24 juni 1994 tot wijziging van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 met het oog op het bevorderen van beleggingen en investeringen die in het belang zijn van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos, (Stb. 1994, 497), tot stand gekomen. Deze wet is in werking getreden op 13 juli 1994. Op grond van deze wet is in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 een vrijstelling ingevoerd van inkomsten uit groene beleggingen. Deze vrijstelling is onder meer uitgewerkt in de Regeling groenprojecten. Nu de Wet op de inkomstenbelasting 1964 vervalt en wordt vervangen door de Wet inkomstenbelasting 2001, is ook de rechtsgrondslag aan de Regeling groenprojecten, die uitwerking gaf aan artikel 26, tweede en derde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, komen te ontvallen. Dit wordt opgevangen met de invoering van de onderhavige regeling: de Regeling groenprojecten 2001. Er is op enkele aanpassingen na beoogd de Regeling groenprojecten materieel ongewijzigd te continueren. De technische eisen ten aanzien windmolens zijn aangepast aan de ontwikkeling die in de normeringsmethoden hebben plaatsgehad. Bij de specificering van de biologische landbouw wordt thans ook voor de dierlijke productie verwezen naar het Landbouw kwaliteitsbesluit biologische productie. De ontwikkelingen in het instrumentarium voor subsidiëring van diverse vormen van natuurbeheer en beheerslandbouw liggen er ten grondslag aan dat de verwijzing naar dit type projecten eveneens aangepast werd.

Een zeer belangrijke aanpassing is de verhoging van de plafondbepaling die de toepassing van de groene hypotheek beperkte tot woningen van maximaal f 400.000. Door deze regeling wordt dit plafond op f 600.000 gebracht. Tenslotte zijn ook een aantal aanpassingen in de maatlat voor duurzame woningbouw aangebracht omdat de onderliggende maatregelbronnen waar naar verwezen werd gewijzigd zijn.

De Regeling groenprojecten is in haar bestaansperiode diverse malen gewijzigd. Ten behoeve van de overzichtelijkheid is er daarom voor gekozen om navolgend alle eerder al gepubliceerde toelichting nogmaals integraal op te nemen. Dit ondanks het feit dat de Regeling groenprojecten 2001 materieel nauwelijks afwijkt van zijn voorganger de Regeling groenprojecten.

De faciliteiten voor investeerders in groene beleggingen in de Wet inkomstenbelasting 2001 bestaan uit een gemaximeerde vrijstelling in box III enerzijds en een heffingskorting voor de belastingplichtigen anderzijds. Het oogmerk van de faciliteit voor groen beleggen is, om de spaarzin van de burger ten behoeve van projecten die op grond van deze regeling kunnen worden aangemerkt als zogenoemd groenproject te ondersteunen. De faciliteit vormt daardoor een stimulans om projecten die op zichzelf beschouwd een positief rendement behalen, maar doordat dit rendement lager ligt dan het marktrendement voor beleggers op dit moment niet interessant zijn, tot ontwikkeling te brengen. Bij de beoordeling van de aangemelde projecten speelt een belangrijke rol - zo is ook in de parlementaire geschiedenis uitdrukkelijk aan de orde geweest - de eis dat de projecten - met inbegrip van ontvangen subsidies - structureel zelf enig eigen rendement hebben.

De door de Minister van Financiën aan te wijzen instellingen moeten kredietinstellingen zijn die zijn ingeschreven in het register als bedoeld in artikel 52 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 of beleggingsinstellingen die zijn ingeschreven in het register als bedoeld in artikel 18 van de Wet toezicht beleggingsinstellingen. De aangewezen instellingen moeten hoofdzakelijk kredieten verstrekken ten behoeve van of hoofdzakelijk vermogen beleggen in projecten waarvan de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, in overeenstemming met de Minister van Financiën en na overleg met de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, schriftelijk heeft verklaard dat deze in het belang zijn van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos.

Deze regeling geeft enerzijds een algemene omschrijving van projecten waarvoor per individueel geval een verklaring kan worden afgegeven. In alle gevallen vindt dus een individuele beoordeling plaats door de betrokken ministers. Hierdoor wordt ook bereikt dat voor belanghebbenden duidelijkheid ontstaat welke projecten in beginsel voor een verklaring in aanmerking komen.

De regeling stelt anderzijds nadere regels aan de aanwijzing van projecten, die in het belang zijn van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos. Deze regels hebben onder meer betrekking op het verkrijgen van een verklaring voor de in deze regeling genoemde projecten. De verklaring wordt op aanvraag afgegeven door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, in overeenstemming met de Minister van Financiën en na overleg met de Minister van Landbouw, Natuurbeheer, en Visserij, de Minister van Verkeer en Waterstaat en de Minister van Economische Zaken. Voorts zijn regels opgenomen die betrekking hebben op de intrekking van een verklaring, de afbakening van de groenprojecten, de definiëring van het projectvermogen en enkele administratieve procedures.

Kort samengevat zal de regeling inzake het erkennen van groene projecten als volgt verlopen. Een kredietinstelling of een beleggingsinstelling wil worden aangewezen als `groene instelling'. In de eerste plaats zullen op grond van artikel 5.14, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, doel en feitelijke werkzaamheden van de instelling hoofdzakelijk moeten bestaan in het deelnemen in projecten die in het belang zijn van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos. Deze projecten worden bij voorbeeld gehouden door een exploitatiemaatschappij. De deelneming van de groene instelling kan bestaan in het verstrekken van een lening aan, of het verwerven van aandelen in deze exploitatiemaatschappij.

Deze groene instelling zal vervolgens, afhankelijk van de aard van het project, bij de Nederlandse onderneming voor energie en milieu bv (Novem) of bij de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij een verklaring moeten aanvragen waarin wordt vastgelegd dat het desbetreffende project in het belang is van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos. De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer zal, in overeenstemming met de Minister van Financiën en na overleg met de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, de Minister van Verkeer en Waterstaat en de Minister van Economische Zaken binnen 8 weken na indiening een besluit nemen op de aanvraag. In dit besluit wordt vastgelegd of een project voor een verklaring in aanmerking komt en indien dat het geval is, welke nadere voorwaarden in deze verklaring zullen worden opgenomen. Indien de instelling die de verklaring heeft aangevraagd het niet eens is met het besluit van de Minister, kan zij daartegen bezwaar maken conform de in de Algemene wet bestuursrecht opgenomen procedure. Dit betekent dat een bezwaar binnen zes weken bij de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer moet worden ingediend, en dat - indien de instelling het niet eens is met de uitspraak op het bezwaarschrift - een eventueel beroep binnen 6 weken na de uitspraak op het bezwaarschrift moet worden aangetekend bij de rechtbank.

Indien de instelling de aangevraagde verklaring verkrijgt, kan het bedrag dat als lening ten behoeve van het desbetreffende project wordt verstrekt, of kunnen de aandelen die zijn verworven in de exploitatiemaatschappij die belegt in het desbetreffende project, onder de werkingssfeer van artikel 5.14 vallen.

Indien op enig moment blijkt dat een project daar niet (langer) aan voldoet, of dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden die zijn opgenomen in de verklaring, kan de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer het besluit nemen om de verklaring in te trekken. Ook op dit besluit zijn de regels in de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Bij de regeling zijn drie bijlagen opgenomen. In deze bijlagen zijn technische specificaties opgenomen. Deze ontwerp regeling is op 4 januari 2001 aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen (notificatienummer 2000/0743/NL) ter voldoening aan artikel 8, eerste lid, van de richtlijn nr. 98/34EG van het Europese Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG L 204), zoals gewijzigd bij richtlijn nr. 98/48/EG van 20 juli 1998 (PbEG L 217) voorgelegd. Naar aanleiding van de reactie van de Commissie op artikel 11 is dat artikel aangepast. Hier zijn gewezen op de toelichting bij artikel 11.

1.B. Algemene toelichting bij Duurzaam bouwen: Nieuwbouw

De wet heeft als oogmerk om projecten die op grond van de ministeriële regeling zijn aangewezen fiscaal te ondersteunen. Het betreft hierbij projecten ter bescherming van het milieu die zonder deze faciliteit niet of in minder dan gewenste mate gerealiseerd worden.

In het Plan van aanpak Duurzaam bouwen (Kamerstukken II 1995/96, 24 280 nr.1) is het voornemen aangekondigd dat de faciliteit van Groen beleggen mede zou worden ingezet ter stimulering van Duurzaam bouwen (Dubo). De regeling bestrijkt alleen die woningen die aanzienlijk meer kwaliteit leveren op het gebied van duurzaamheid dan het minimumniveau dat op grond van de bouwregelgeving is vereist. Dit kan er een aanzet toe geven dat duurzaam bouwen via deze fiscale stimulering naar een steeds hoger kwaliteitsniveau getild wordt. Dit kan bijdragen tot een doorbraak in de ontwikkeling en het op grotere schaal introduceren van duurzame woningen.

Ter selectie van de woningen die onder de werking van de regeling vallen is een systeem opgezet van beoordelingscriteria, dat als bijlage onderdeel uitmaakt van de regeling. Het systeem is een maatlat, waarlangs gemeten kan worden hoe duurzaam een woning is. Zij kent een aantal basiseisen op het gebied van energie- en waterbesparing, materiaalgebruik en binnenmilieu, waaraan elke woning moet voldoen. Daarboven dienen er aanvullende technische maatregelen te worden genomen, waarmee punten zijn te behalen. Een woning is groen in de zin van deze regeling indien wordt voldaan aan alle basiseisen en tevens een minimum aantal punten wordt behaald. Het aantal punten bepaalt de hoogte van de maatlat. Op basis van beleidsmatige en technische ontwikkelingen kan in de toekomst de hoogte van de maatlat via een wijziging van deze regeling worden bijgesteld.

Sinds 1 november 1996 is de faciliteit van toepassing op duurzaam gebouwde woningen. Reeds eerder is deze maatregel tussentijds verlengd tot 1 januari 2001. Thans vindt een verdere verlenging tot 1 januari 2002 plaats. In de komende periode zal een eventuele verlenging na die datum worden bezien.

Naar aanleiding van de wijzigingen in onderliggende bronnen voor de eisen in de Maatlat is deze eveneens aangepast.

1.C. Algemene toelichting bij Duurzaam bouwen: Renoveren

Bij de wijzigingen gepubliceerd in Stcrt. 234, 1999, werd de regeling verbreed met duurzame renovatie. De komende jaren zal in veel gemeenten in Nederland de keuze moeten worden gemaakt tussen ingrijpend renoveren of slopen. Aangezien renoveren in de meeste gevallen vanuit milieuoogpunt veruit de voorkeur geniet boven slopen, is besloten tot uitbreiding van de regeling met renoveren indien dit althans op een hoog niveau van duurzaamheid geschiedt. Door de grote omvang (ruim 6,3 miljoen woningen) en de doorgaans mindere kwaliteit ten opzichte van wat mogelijk is, kan in de bestaande bouw een grote milieuwinst geboekt worden. In het `Tweede plan van aanpak duurzaam bouwen' is de verbetering van de bestaande voorraad woningen dan ook als een speerpunt van beleid aangegeven.

Om te kunnen toetsen in hoeverre een renovatieproject duurzaam is, is de Maatlat duurzame renovatie opgesteld. Deze maatlat is inhoudelijk gebaseerd op het Nationaal pakket Woningbouw Beheer. Er is evenals bij de duurzame nieuwbouw gekozen voor een benadering via de thema's energie, materialen, water en binnenmilieu. Maatregelen die niet in één van de vier thema's ondergebracht konden worden, zijn opgenomen in de verzameling diversen. Binnen de thema's (bijvoorbeeld energie) worden eisen gesteld op subthema niveau (bijvoorbeeld isolatie en zonwering). Het kenmerk van de subthema's is dat ze elk een min of meer onafhankelijk doel op het gebied van duurzaam bouwen vertegenwoordigen. Als een subthema in een project goed is uitgewerkt, is een flinke kwaliteitsverbetering bereikt. De beheerder heeft de vrijheid om te kiezen uit de subthema's. De subthema's zelf garanderen dat er een substantiële milieuverbetering wordt bereikt. Aan elk subthema is een ambitieniveau gekoppeld, dat in beginsel overeenkomt met het niveau voor nieuwe woningen volgens het Nationaal pakket Woningbouw Nieuwbouw. De subthema's zijn niet allemaal even zwaar. Zo is binnen het thema energie de aanpak van de schil (subthema isolatie & zonwering) belangrijker dan de aanpak van de installaties (subthema opwekking & distributie). De zwaarte van de subthema's wordt uitgedrukt in punten, vergelijkbaar met de regeling voor nieuwbouw.

1.D. Algemene toelichting bij Groen Label Kassen

De Groen Label Kas is ontwikkeld in samenwerking met het bedrijfsleven. De kas voldoet aan strenge eisen op het gebied van milieubescherming en energiebesparing. In de kas zijn integraal de verschillende aspecten die hierop betrekking hebben, samengebundeld. De eisen waaraan de kas moet voldoen, hebben betrekking op mineralengebruik, mineralenemissies naar de bodem en naar het oppervlaktewater, beperking van de lichtuitstraling, laag energiegebruik, efficiënte energieopwekking, beperking van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, bevorderen van biologische bestrijdingsmethoden en het beperken van watergebruik. Het toepassen van deze kas kan een sterke bijdrage leveren aan een milieu- en energievriendelijke tuinbouw.

1.E. Algemene toelichting bij Fietspadinfrastructuur

De faciliteit is eveneens van toepassing op de fietspadinfrastructuur. Hierbij zijn vier groepen projecten te onderscheiden. Allereerst de verbindingspaden voor woon-werkverkeer tussen de grotere `werkgemeenten' en de omliggende `woongemeenten'. Het betreft snelle korte verbindingen voor woon-werkverkeer voor fietsers. Daarnaast wordt de fietspadinfrastructuur nabij Vinex-lokaties en bij transferia onder de faciliteit gebracht. Ook bepaalde fietspaden die relateren aan het landelijke fietsnet als aangegeven in het Structuurschema Groene Ruimte worden onder de faciliteit gebracht.

1.F. Algemene toelichting bij Bodemsaneringsprojecten

De toepassing van de faciliteit op bodemsaneringsprojecten betreft zowel waterbodems als landbodems. Gelet op de grote omvang van de bodemverontreiniging in Nederland en de beperkte financiële ruimte binnen de regeling zal de toepassing van deze regeling beperkt blijven tot een aantal specifieke situaties.

1.G. Algemene toelichting bij Beheerslandbouw

De faciliteit is ook voor gemengde natuur-landbouwprojecten opengesteld. Dit houdt in dat projectbeheerders die een beheersovereenkomst hebben gesloten voor projecten in een beheers- of reservaatgebied, dan wel een beheersovereenkomst hebben gesloten voor projecten in een probleemgebied als bedoeld in de Regeling beheersovereenkomsten en natuurontwikkeling in aanmerking komen voor Groen beleggen. In een beheersgebied wordt er naar gestreefd om de landbouw door middel van beheersovereenkomsten mede te richten op doeleinden van natuur en landschap. In een reservaatgebied wordt verwerving van landbouwgronden ten behoeve van de Staat of door een terreinbeherende natuurbeschermingsorganisatie nagestreefd met het oog op doeleinden van natuur- en landschapsbehoud.

2. Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1

In artikel 1 is een aantal definities opgenomen. Een project is gedefinieerd als een samenhangend geheel van activa en werkzaamheden. Hierdoor blijft de onderhavige regeling voor onbelaste voordelen uit vermogen niet beperkt tot uitsluitend vermogen dat nodig is voor het doen van investeringen in een project. Ook het vermogen dat nodig is voor de financiering van vlottende activa en van de onderhoudskosten die gemaakt moeten worden voor de instandhouding van het project wordt ertoe gerekend. De voorliggende regeling ziet slechts op projecten die gelegen zijn in Nederland.

Het begrip bestaande projecten is opgenomen omdat in beginsel alleen `nieuwe' projecten in aanmerking komen. Met de keuze voor `nieuwe' projecten is beoogd alleen die projecten onder de regeling te brengen die een extra bijdrage aan het milieu of aan de natuur leveren. Daarmee wordt ook voorkomen dat beleggingen in reeds aangevangen en gefinancierde projecten worden omgezet in goedkopere groenbeleggingen. Een en ander strookt met de bedoeling van de wet, namelijk het stimuleren van nieuwe groene projecten. Onderhoudswerkzaamheden kunnen daarom op zich zelf nooit een project vormen.

Onder `nieuwe' projecten moet worden verstaan: projecten waarvoor na de inwerkingtreding van de wet van 24 juni 1994, te weten op 13 juli 1994, of na de voor het soort project gegeven relevante ingangsdatum, de werkzaamheden zijn aangevangen. Beslissend daarbij is of op of na deze datum met de fysieke werkzaamheden een begin is gemaakt of het project fysiek bestond. Met fysieke werkzaamheden worden bedoeld handelingen die gericht zijn op een betekenisvolle verandering van de bestaande situatie, bij voorbeeld door middel van grondwerkzaamheden. Onder fysieke werkzaamheden wordt in dit verband bij kassen verstaan het met de bouw gevorderd zijn tot de bovenkant van de fundering of de bovenkant van de grondvloer van de desbetreffende kas.

Bij duurzame renovatieprojecten wordt onder aanvang van de werkzaamheden verstaan het fysiek aanvangen van de werkzaamheden die leiden tot de renovatie. Sloopwerkzaamheden worden in deze beschouwd als werkzaamheden die leiden tot renovatie.

In de gevallen waarbij sprake is van een bestaand gebied of goed dat reeds voor 13 juli 1994, of de voor het project relevante ingangsdatum, voldoet aan de omschrijving van artikel 2 kan de verwerving van het object of de grond niet onder de regeling worden gebracht.

Een verbetering van een bestaand complex kan ook als `groenproject' worden aangemerkt. Het `groenproject' bestaat dan alleen uit de verbetering als zodanig. De waarde van het bestaande deel van het project kan dan niet onder de regeling vallen. Onder verbetering moet worden verstaan: een wezenlijke verandering, waardoor het complex naar inrichting, aard of omvang een wijziging ondergaat welke het project waardevoller maakt voor natuur of milieu. Verbeteringskosten zullen in het algemeen worden geactiveerd, waarmee zij zich onderscheiden van onderhoudskosten die rechtstreeks ten laste van de exploitatie worden gebracht.

Dat de regeling slechts ziet op bestaande projecten betekent voor projecten die betrekking hebben op beheerslandbouw dat de faciliteit slechts betrekking kan hebben op gronden waarvoor eerst op of na 1 januari 1999 een beheersovereenkomst op grond van de Regeling beheersovereenkomsten en natuurontwikkeling is gesloten. Analoog geldt voor andere projecten waarbij de aanwijzing gerelateerd is aan het afsluiten van een overeenkomst of het verkrijgen van een subsidie dat projecten waarvoor de overeenkomst werd afgesloten voor de ingangsdatum dan wel de subsidie voor die datum werd toegekend voor de toepassing van de faciliteit worden aangemerkt als bestaand project.

Een definitie van projectvermogen is opgenomen om de omvang van het belegde vermogen in projecten waarvan de voordelen niet onder de heffing van de inkomstenbelasting vallen, af te bakenen. Hiermee wordt voorkomen dat het verstrekken van kredieten of beleggingen als groen worden gepresenteerd, zonder dat ze daarvoor worden aangewend. Onder belegd vermogen in projecten die in het belang zijn van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos, wordt verstaan het vermogen dat nodig is om het project te financieren. Als zodanig wordt aangemerkt het rechtstreeks voor het project benodigde eigen en/of vreemd vermogen ter financiering van de activa en werkzaamheden die noodzakelijk zijn voor en uitsluitend dienstbaar zijn aan de ontwikkeling en de instandhouding van het project. Onder het benodigde activa-complex worden begrepen de vaste activa, zoals grond en andere bedrijfsmiddelen, en de vlottende activa, zoals het benodigde werkkapitaal. Bij de bepaling van het projectvermogen dient rekening te worden gehouden met projectgebonden subsidies. Indien bij voorbeeld een investeringssubsidie wordt verkregen impliceert dit een vermindering van het projectvermogen daar dit een vermindering van het benodigde vermogen betekent. Het verstrekken van subsidies laat overigens onverlet de voorwaarde dat projecten - met inbegrip van de fiscale wetten - structureel enig eigen rendement moeten halen.

Bij te ontwikkelen projecten maakt het vermogen dat opgesloten is in de grond, die reeds vóór 13 juli 1994, of voor de voor het project relevante ingangsdatum is verworven, in beginsel deel uit van het projectvermogen. Ook vermogen dat nodig is voor de financiering van voorbereidingskosten en voor de kosten van voorzieningen voor het project worden tot het projectvermogen gerekend. Voorwaarde daarbij is dat die kosten noodzakelijk zijn voor en uitsluitend dienstbaar zijn aan de ontwikkeling en de instandhouding van het project. Onder projectvermogen van `nieuwe' projecten wordt mede begrepen het vermogen dat nodig is voor de financiering van de onderhoudskosten. Financieringsvermogen voor onderhoud van reeds voor de inwerkingtreding van deze regeling aangevangen projecten vormt geen projectvermogen, omdat dit onderhoud op zich zelf geen project kan zijn.

Bij de projecten die betrekking hebben op de ontwikkeling en instandhouding van nieuw bos en nieuwe natuur- of landschappelijke waarden, kan nog van belang zijn dat er van rijkswege een vergoeding wordt verkregen voor de waardedaling van de gronden. Uit de definitie van het begrip projectvermogen in de Regeling groenprojecten 2001 volgt dat bij de vaststelling van het projectvermogen de eventuele subsidie in mindering moet worden gebracht. De eventuele subsidie dient in mindering te worden gebracht op het moment van uitbetaling van de subsidie. Indien de bijdrage over een langere periode jaarlijks wordt uitbetaald zal het eventuele projectvermogen ook jaarlijks dalen. Hiermee worden deze projecten op gelijke wijze behandeld als andere projecten waar het projectvermogen niet meer mag bedragen dan het totaal van de lasten dat op de projecteigenaar drukt en dat derhalve afhankelijk is van subsidies en afschrijvingen. In de praktijk betekent het dat, als bij de ontwikkeling van bos en natuur op landbouwgronden, een subsidie verstrekt wordt voor de waardevermindering van de grond, de eventueel jaarlijkse rijksbijdrage over een periode van dertig jaar, in mindering moet worden gebracht op het moment van uitbetaling.

Bij verbeteringen van een complex kan alleen het vermogen dat nodig is voor de financiering van de verbeteringskosten en de onderhoudskosten die moeten worden gemaakt om die verbetering in stand te houden als projectvermogen worden aangemerkt. De waarde van de zaken waarin de verbetering plaatsvindt, zoals de waarde van de grond in zijn oorspronkelijke staat, dient derhalve voor de berekening van het projectvermogen buiten beschouwing te worden gelaten.

Tot het projectvermogen van duurzame woningen kunnen niet worden gerekend de kosten voor grond, onderhoud, instandhouding of verbetering. Deze eis is opgenomen ter voorkoming van het opnieuw gebruiken van de financieringsruimte, die ontstaat indien er vroegtijdig op de groene hypotheek is afgelost.

Het projectvermogen bij de renovatieprojecten wordt beperkt tot de maatregelen die daadwerkelijk tot verbetering van de woning leiden. Zaken als regulier onderhoud kunnen niet tot het projectvermogen worden gerekend. Het projectvermogen voor een renovatieproject kan op grond van artikel 6, derde lid, van de Regeling groenprojecten 2001 maximaal f 75.000,- per woning bedragen. Ook wordt voor andere specifieke projecten in enkele gevallen het niveau van projectvermogen vastgelegd.

Voor het projectvermogen geldt overigens de algemene ondergrens van f 50.000,- die voor alle projecten binnen de Regeling groenprojecten 2001 van toepassing is. Projecten die deze grens niet halen, zullen in het algemeen bestaan uit een of ten hoogste twee woningen. Bij projecten met een dergelijke projectbedrag staat het rendement van de faciliteit niet in verhouding tot de inspanningen en uitvoeringskosten van de aanvrager, het Groenfonds en de overheid. Bovendien zal het Groenfonds voor een project met een projectvermogen van f 50.000,- of minder een rente kunnen bieden die nauwelijks lager zal zijn dan de marktrente.

Voor het projectvermogen van duurzame renovatieprojecten komen slechts die kosten in aanmerking die in het kader van het lopende renovatieproject worden gemaakt. Kosten die vóór de uitvoering van het renovatieproject zijn gemaakt, komen niet in aanmerking voor de vaststelling van het projectvermogen.

Artikel 1, tweede lid, onderdeel f, bevat de definitie van het projectvermogen voor projecten die betrekking hebben op Groen Label Kassen. Tot het projectvermogen worden uitsluitend gerekend investeringen in zaken die technisch noodzakelijk zijn en uitsluitend dienstbaar zijn aan de kas als teeltruimte. Dit betekent dat tot dit projectvermogen kunnen worden gerekend de investeringen (aanschaffings- en voortbrengingskosten) die betrekking hebben op de kas, haar onderdelen en de teelttechnische en klimaattechnische inrichting (inclusief het ketelhuis voorzover dit uitsluitend dienstbaar is aan het teeltproces). Niet tot het projectvermogen worden gerekend de gewaskosten, grondkosten, kantoor, kantine en koelcellen, alsmede de kosten voor onderhoud. Tenslotte zij gemeld dat de voorzieningen die betrekking hebben op de oogst- en na-oogsthandeling van producten niet tot het projectvermogen worden gerekend omdat zij geen betrekking hebben op het teeltproces als zodanig en niet zijn aan te merken als Groen Label Kas als omschreven in deze regeling. Ook (interne) transportmiddelen worden niet tot het projectvermogen gerekend.

Vanzelfsprekend kan het projectvermogen slechts bestaan uit de investeringskosten van die delen van het kassencomplex die aan de voorwaarden die aan een Groen Label Kas worden gesteld, voldoen. Bovendien kunnen slechts de voorzieningen worden meegenomen die technisch noodzakelijk zijn en uitsluitend dienstbaar zijn aan de delen van de Groen Label Kas. Een kassencomplex waarvan slechts voor een deel van het complex aan de eisen wordt voldaan, kan dus slechts voor dat deel tot het projectvermogen worden gerekend.

Verbeteringskosten die gemaakt worden ten behoeve van het omzetten van een Niet Groen Label Kas tot een Groen Label Kas kunnen tot het projectvermogen worden gerekend. Deze verbeteringskosten zullen in het algemeen worden geactiveerd, waarmee zij zich onderscheiden van onderhoudskosten die rechtstreeks ten laste van de exploitatie worden gebracht.

De definitie van Groen Label Kas geeft aan dat er sprake moet zijn van een bedrijfsmatige activiteit. Dit wil zeggen dat hobbykassen buiten de werking van de regeling blijven.

Artikel 2

Artikel 2 geeft een opsomming van de projecten die in beginsel voor een verklaring in aanmerking komen. De opsomming is niet limitatief; op grond van artikel 2, onderdeel k, kan een aanvraag worden ingediend voor projecten die niet in deze regeling zijn genoemd. Indien deze projecten naar het oordeel van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in het belang zijn van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos, kan ook voor deze niet nader genoemde projecten een verklaring worden verkregen.

Artikel 2, onderdeel a, omvat projecten gericht op de ontwikkeling en instandhouding van bos en andere houtopstanden. Aanleg van nieuw bos is om verschillende redenen van belang. Uitbreiding van het bosareaal draagt bij aan de diversiteit van natuurwaarden. Ook draagt bos bij aan het realiseren van de doelstellingen van milieubeleid. De maatregel past in de regeringsbeslissing Bosbeleidsplan van 17 december 1993. In de komende 25 jaar moet volgens dat plan het bosareaal toenemen met 75.000 hectare tot in totaal 400.000 hectare. Onder het begrip bos wordt niet alleen permanent bos maar ook tijdelijk bos verstaan, omdat ook tijdelijk bos een evidente milieufunctie heeft. Onder andere houtopstanden wordt onder meer verstaan: griendhout, hakhout, e.d. Niet als bos of andere houtopstanden worden aangemerkt: vruchtbomen, kerstbomen, wegbeplantingen en kweekgoed. Houtproductie ten behoeve van energieopwekking uit hout valt daarentegen wel onder deze categorie.

Voor de bosprojecten is een minimum oppervlakte van vijf hectare vereist. Hiermee wordt voorkomen dat te kleine projecten die nauwelijks een milieufunctie hebben, onder de regeling vallen. Een minimum-grens is ook nodig uit doelmatigheidsoverwegingen. Het gebied dient aaneengesloten te zijn. Hieronder moet worden verstaan: een gebied niet gescheiden door een spoordijk, kanaal, rivier, rijksweg of op een andere wijze onderbroken door meer dan 50 meter gemeten van stam tot stam.

De projecten genoemd onder artikel 2, onderdelen b tot en met d, zijn gericht op het creëren van voorwaarden voor het ontstaan van andere natuur- en landschappelijke waarden. Uit het oogpunt van natuur- en landschapsbeleid is dat in vergelijking met de oorspronkelijke waarden van het gebied meer gewenst. Een exacte definitie van wat onder natuur moet worden verstaan is niet goed mogelijk. Gedacht moet echter worden aan ecologische, aardkundige, cultuurhistorische en belevingswaarden. Het gaat hierbij om doelgerichte werkzaamheden die veelal een aanmerkelijke verandering in het gebied teweeg brengen. Zij verdienen uit dien hoofde dan ook specifieke begeleiding en kunnen alleen in gebieden worden uitgevoerd die uitdrukkelijk een natuur- of landschapsfunctie hebben of zijn aangewezen voor de ontwikkeling van natuurwaarden. De desbetreffende gebieden zullen zodanige functies voor de toekomst ook dienen te behouden. De projecten sluiten aan bij hetgeen beoogd wordt in het Natuurbeleidsplan en het Structuurschema Groene Ruimte (Kamerstukken II 22 880,vergaderjaar 1993/1994).

Artikel 2, onderdeel b, onder 1°, betreft natuur- en landschapsprojecten in gebieden die als beschermd natuurmonument of als Staatsnatuurmonument zijn aangewezen op grond van de Natuurbeschermingswet. Normaliter zal sprake zijn van een verbetering van een reeds bestaand complex. Artikel 2, onderdeel b, onder 2°, betreft projecten in gebieden die zijn aangemerkt als gebieden behoud en herstel bestaande landschapskwaliteit. Het betreft projecten, gericht op de ontwikkeling en de instandhouding van waarden van natuur en landschap in waardevolle cultuurlandschappen als bedoeld in het Structuurschema Groene Ruimte. Het gaat hierbij over het algemeen om het behoud of de ontwikkeling van karakteristieke kenmerken van de desbetreffende gebieden. Dit vormt één van de pijlers van het natuurbeleid, ontwikkeld in genoemd Structuurschema. Noodzakelijke voorwaarde daarbij is dat voor dergelijke gebieden een gebiedsperspectief waardevol cultuurlandschap moet gelden, waarin onder andere de begrenzing van deze gebieden is bepaald.

Artikel 2, onderdeel c, onder 1°, heeft betrekking op de ontwikkeling en instandhouding van landgoederen als bedoeld in de Natuurschoonwet 1928 (NSW). Ook een buitenplaats, mits gerangschikt, kan onder de regeling vallen. Ook hier zal het project in veel gevallen bestaan uit een verbetering van een bestaand complex. Nieuwe landgoederen kunnen thans pas na twee jaar voor de NSW-rangschikking in aanmerking komen. In de periode vóór rangschikking vallen deze landgoederen bijgevolg niet onder deze regeling, althans niet als landgoed als entiteit. Aanleg van bos, dat te zijner tijd eventueel deel gaat uitmaken van een NSW-landgoed, kan echter op zichzelf onder de regeling vallen op grond van het bepaalde in artikel 2, onderdeel a.

De Regeling groenprojecten 2001 is blijkens de wettelijke grondslag beperkt tot projecten ter bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos. Dit betekent dat elementen die geen directe betrekking hebben op de verbetering van de natuur- en landschappelijke waarden van landgoederen niet onder de werking van de regeling kunnen vallen. Zo heeft de regeling bijvoorbeeld geen betrekking op bouwkundige voorzieningen die niet bijdragen tot de natuur- en landschappelijke waarden en landbouwkundige activiteiten. Deze laatste activiteiten kunnen wel onder de faciliteit vallen indien er sprake is van biologische landbouw zoals aangegeven is in artikel 2, onderdeel e, van de regeling.

Onder artikel 2, onderdeel c, onder 2o, zijn opgenomen projecten gericht op de ontwikkeling en de instandhouding van natuur- en landschappelijke waarden in landinrichtings-, reconstructie- en herinrichtingsgebieden. Noodzakelijk voorwaarde daarbij is dat de ontwikkeling en de instandhouding van die waarden moet blijken uit een landinrichtingsplan, een plan van voorzieningen of een herinrichtingsplan.

Een heroriëntatie van het subsidiestelsel van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij heeft geresulteerd in de introductie van de Subsidieregeling natuurbeheer 2000 en de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer. De Subsidieregeling natuurbeheer 2000 zal het kader vormen voor gebieden waar de instandhouding, omvorming of ontwikkeling van natuurwaarden, bos en landschap de primaire functie vormt. De Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer ziet op de bevordering van de ontwikkeling of het beheer van natuur, bos en landschap in gebieden waar de uitoefening van landbouwactiviteiten blijvend voorop staan. De subsidieregelingen vervangen een groot aantal andere subsidieregelingen, waaronder de Tijdelijke regeling particulier natuurbeheer en de Regeling beheersovereenkomsten en natuurontwikkeling. Voor de onder de vervallen regelingen afgesloten overeenkomsten blijven die regelingen evenwel van toepassing.

De Subsidieregeling natuurbeheer 2000 en de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer hebben in beginsel niet tot gevolg dat de Regeling groenprojecten 2001 op het gebied van de ontwikkeling en instandhouding van natuur, bos en landschap een bredere toepassing krijgt. Met het oog daarop is voor de ontwikkeling en instandhouding van bos en andere houtopstanden met toepassing van de onderhavige subsidieregelingen de aanvullende voorwaarde gesteld dat ook voor deze projecten een minimum oppervlakte geldt van 5 hectare.

Onder artikel 2, onderdeel d, onder 3, zijn projecten opgenomen die beheerd worden door overheidsorganen zijnde publiekrechtelijke rechtspersonen (zoals bijvoorbeeld waterschappen ed) of door particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties. Onder particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties worden bedoeld de instellingen genoemd in artikel 3 van de Regeling bijdragen particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties.

Artikel 2, onderdeel d, onder 4°, heeft betrekking op natuur- en landschapsprojecten die voor subsidie op grond van de Tijdelijke regeling particulier natuurbeheer in aanmerking komen.

Bij de regeling van 26 september 1998 is een belangrijke verbreding van de faciliteit gegeven door de toepassing op het particulier natuurbeheer. Zoals aangegeven in Uitkomsten Programma Beheer, (Kamerstukken II, 25 420, nr 1, 1996/97) dienen zich voor particulier natuurbeheer nieuwe mogelijkheden aan als vervanging van verwerving ten behoeve van reservaatsvorming en natuurontwikkeling.

Deze mogelijkheden zijn slechts acceptabel onder de voorwaarde dat de doelen van natuurbeleid onverkort worden gehandhaafd en dat de particulieren de gewenste kwaliteit duurzaam kunnen beheren. Er is daarom gekozen voor een vorm van particulier beheer die zowel qua kosten voor de overheid als qua te leveren natuurkwaliteit voor een langere periode vergelijkbaar is met de verwerving ten behoeve van en beheer door terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties. Vooruitlopend op de definitieve regeling was aangesloten in 1998 bij de Tijdelijke regeling particulier natuurbeheer en de Regeling beheersovereenkomsten en natuurontwikkeling. De faciliteit is niet van toepassing op gebieden die reeds op 1 januari 1998 een natuurwaarde hadden. Slechts indien deze natuur- of landschappelijke waarde wezenlijk wordt veranderd kan sprake zijn van verbetering van een project en worden de op die situatie van toepassing zijnde eisen gehanteerd.

Artikel 2, onderdeel d, onder 5° en 6°, bepaalt dat ondernemers die een beheersovereenkomst voor projecten in een beheers- of reservaatgebied, dan wel een beheersovereenkomst voor projecten in een probleemgebied als bedoeld in de Regeling beheersovereenkomsten en natuurontwikkeling hebben gesloten, in aanmerking komen voor de faciliteit Groen beleggen. Er is bewust aansluiting gezocht bij de voornoemde regeling. Dit geeft namelijk de mogelijkheid een gewenst kwaliteitsniveau te bereiken van de projecten terwijl tevens gebruik kan worden gemaakt van de controle en het toezicht dat in die regeling wordt toegepast. Bovendien levert deze keuze een administratieve vereenvoudiging op. De looptijd van de af te geven groenverklaring zal bepaald worden door de looptijd van de beheersovereenkomst. Immers slechts gedurende die periode is gegarandeerd dat er sprake is van een project van voldoende niveau.

Artikel 2, onderdeel e, onder 1° en 2°, betreft projecten op het gebied van de biologische landbouw. Het begrip biologische produktiemethode is gedefinieerd in het Landbouwkwaliteitsbesluit biologische produktiemethode. Dit besluit is gebaseerd op Verordeningen 2092/91/EEG en 1804/1999/EEG inzake de biologische produktiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwprodukten en levensmiddelen (PbEG L 198 en L222).

Door artikel 2, onderdeel e, onder 3°, wordt de `Groen Label Kas' onder de werking van de faciliteit gebracht. Deze kassen komen slechts in aanmerking indien voldaan wordt aan de eisen die zijn opgenomen in bijlage 2 bij deze regeling. Een aantal van de eisen betreft technische voorschriften die gespecificeerd kunnen worden in specifieke publicaties in de Groen Beleggen Publicatiereeks.

De Groen Label Kas is ontwikkeld in samenwerking met het bedrijfsleven. Het is een product waarin de expertise en ervaring van onderzoeksinstellingen, tuinders en kassenbouwers is samengebracht. De kas voldoet aan strenge eisen op het gebied van milieubescherming en energiebesparing. Er is gekozen voor een systeem met basiseisen en keuzemaatregelen. Onder basiseisen worden verstaan die eisen waaraan iedere kas tenminste dient te voldoen. Naast de basiseisen dient de kas ook nog een aantal punten te scoren op basis van de keuzemaatregelen.

De gekozen systematiek heeft een belangrijk voordeel. Op deze wijze wordt een flexibel systeem tot stand gebracht en kan de tuinder afhankelijk van het gewas, de specifieke teeltomstandigheden en zijn ondernemersinzicht een voor hem optimaal ontwerp kiezen.

Bovendien biedt de systematiek een aantal andere voordelen. De maatlat maakt het ook mogelijk om nieuwe technologische ontwikkelingen een plaats te geven door ze op te nemen in de lijst van keuzemaatregelen.

De eisen die opgenomen zijn in de maatlat, hebben niet alleen betrekking op de kas en de kasuitrusting bij de ingebruikname van de kas. Er wordt tevens in voorzien dat gedurende een langere periode (gedurende de looptijd van de verklaring, welke normaliter tien jaren is) de voorzieningen gecontroleerd worden op hun functioneren. Voorts heeft het pakket van eisen ook betrekking op het gebruik van de kas. Zo moeten bijvoorbeeld verschillende gegevens geregistreerd worden. Het toepassen van de faciliteit op de Groen Label Kas heeft tot doel te bereiken dat milieu- en energietechnisch optimale mogelijkheden worden benut. Daarom is het te hanteren eisenpakket afhankelijk van de technische mogelijkheden. Verdere ontwikkelingen op het gebied van technologie, gewasbescherming, milieu- en energiebeleid, gewaseigenschappen en dergelijke kunnen in de toekomst aanleiding zijn de maatlat te actualiseren. Periodiek zal dan ook worden onderzocht of het gehanteerde systeem voldoet aan de verwachtingen.

In de eisen wordt een onderscheid gemaakt tussen teelten bij hogere temperatuur en de teelten bij lagere temperatuur. Bij de teelten bij hogere temperatuur zijn de eisen voor energiebesparing aanzienlijk scherper dan bij de teelten waar lagere temperaturen worden toegepast. Als maat voor het onderscheid wordt slechts de temperatuurbehoefte van het gewas in de maand januari toegepast. Indien in die periode de temperatuur van 17 °C in de kas wordt bereikt, dan wordt de teelt tot de zware stookteelt gerekend en is tevens een zwaar eisenpakket van toepassing.

Voor de uitvoeringssystematiek is een opzet gekozen die het gebruik van de Groen Label Kas ook buiten de Regeling groenprojecten 2001 mogelijk maakt. Zo is de Groen Label Kas ook onder de werking van de VAMIL (willekeurige afschrijving milieu-investeringen) gebracht. Indien een tuinder de intentie heeft een Groen Label Kas te realiseren, zal hij het ontwerp dienen voor te leggen aan een keurende instantie. Deze instantie zal een voorlopige uitspraak moeten doen op basis van het ontwerp en een voorlopig certificaat afgeven. Met dit certificaat kan een kredietinstelling of een beleggingsinstelling een groenverklaring aanvragen. Indien de verklaring is afgegeven, kan de tuinder voor financiering vanuit een groenfonds in aanmerking komen. Bij oplevering van de kas dient de keurende instantie een opleveringstoets uit te voeren waaruit moet blijken dat de kas daadwerkelijk aan de gestelde eisen voldoet. De opleveringsverklaring dient te worden overgelegd aan een nader aan te wijzen instantie. Voorts dient een jaarlijkse korte verificatie van een aantal voorzieningen in de kas plaats te vinden en moeten de bevindingen hiervan worden overgelegd. De gekozen opzet vertoont in grote lijnen overeenstemming met de opzet die thans gehanteerd wordt voor de biologische landbouw.

In artikel 2, onderdeel f, zijn de zogenoemde milieuvriendelijke agrificatieprojecten opgenomen. Dit betreft alleen de industriële verwerking van agrarische grondstoffen tot producten die niet geschikt zijn voor menselijke of dierlijke consumptie. Het moet gaan om niet-gangbare produkten voor niet-voedingsdoeleinden. Bij agrificatieprojecten gaat het om milieuvriendelijk gebruik van agrarische grondstoffen voor niet-traditionele toepassingen. Gekozen is voor het begrip: niet-gangbaar. Het project moet bovendien leiden tot een belangrijke vermindering van de aantasting van het milieu. Ter verduidelijking wordt gesteld dat de productie van de agrarische gewassen als zodanig niet onder de werking van de regeling valt. Tevens zij vermeld dat mestverwerking geen agrificatie is.

Bij projecten genoemd in artikel 2, onderdeel g, onder 1°, gaat het om projecten gericht op de energieopwekking uit hout. Bedoelde energieopwekking uit hout levert een besparing op van fossiele brandstoffen hetgeen leidt tot een vermindering van de CO2-uitstoot. Voor de energieopwekking uit hout is een aparte technologie vereist. De energieopwekking kan plaatsvinden door verbranding of door vergassing van hout.

Ook de energieopwekking uit energierijke gewassen valt onder dit onderdeel. Hierbij moet worden gedacht aan energieopwekking uit bijvoorbeeld Miscanthus (olifantsgras) en riet. De productie van het hout of van de gewassen als zodanig vallen niet onder de omschrijving van dit onderdeel. Houtproductie kan eventueel toegerekend worden aan een project dat voldoet aan onderdeel a van artikel 2.

De projecten onder artikel 2, onderdeel g, onder 2°, zijn gericht op het opwekken van elektrische energie door middel van windturbines. De windturbines dienen te voldoen aan de eisen zoals opgenomen in norm 2 NVN 11400-0. Een windturbine voldoet hieraan indien dit door een door de Raad voor de certificatie als keuringsinstituut voor windturbines erkende instanties schriftelijk is verklaard. Ook bestaande turbines waarin zodanige technische verbeteringen worden aangebracht dat een hoger energierendement wordt verkregen kunnen in de faciliteit delen voor zover het het vermogen betreft dat benodigd is voor deze verbetering.

In artikel 2, onderdeel g, onder 3°, wordt geregeld de directe omzetting van zonlicht in elektriciteit met behulp van fotovoltaische cellen. Verwacht wordt, dat deze vorm van electriciteitsopwekking op de langere duur een belangrijke vorm van duurzame energie zal worden. Er zal naar het zich laat aanzien, in de periode tot 2005 in totaal circa 250 MW aan fotovoltaisch vermogen worden opgesteld, hetgeen neerkomt op ongeveer 100.000 woningequivalenten.

Bij onderdeel g, onder 4°, gaat het om actieve benutting van zonne-energie door de directe omzetting van zonlicht in warmte met behulp van vloeistof- of gascollectoren. Het onderdeel is zowel van toepassing op systemen met afgedekte als met niet afgedekte vloeistofcollectoren waarbij ook de bijbehorende energieopslagsystemen tot het project worden gerekend. Voor de praktijk vormen de zogenaamde zonneboilers de belangrijkste groep. Daarmee kan per eengezinswoning per jaar circa 200 kubieke meter aardgas bespaard worden. De overheid streeft er naar tot het jaar 2010 400.000 zonneboilers te plaatsen. Momenteel zijn er in Nederland ongeveer 50.000 zonneboilers geplaatst.

Artikel 2, onderdeel g, onder 5°, betreft de winning van aardwarmte. In de diepere aardlagen heersen hoge temperaturen. De daar aanwezige warmte kan nuttig worden aangewend. In een aantal landen wordt deze technologie in de praktijk op bevredigende wijze toegepast. In Nederland is tot heden nog geen in de praktijk functionerend project gerealiseerd.

Artikel 2, onderdeel g, onder 6°, betreft de totstandbrenging van installaties voor de winning van waterkrachtenergie. Nederland heeft een interessant potentieel aan waterkracht. Een deel daarvan is reeds gerealiseerd. Blijkens een inventarisatie zijn er voldoende mogelijkheden om ook een groot deel van het resterende potentieel te realiseren. Door de Novem wordt onderzocht of het mogelijk is te komen tot realisatie van een aantal waterkrachtprojecten in het Maas en Rijngebied.

Bij artikel 2, onderdeel g, onder 7°, gaat het om het opwaarderen van laagwaardige warmte met behulp van warmtepompen. Het onderliggende thermodynamische principe van een warmtepomp maakt het mogelijk in betreffende situaties onbruikbare laagwaardige warmte (eventueel omgevingswarmte) naar een bruikbaar niveau te brengen. In de formulering is een kwaliteitseis opgenomen in de vorm van een minimumwaarde van de Seasonal Performance Factor. De gekozen norm betekent dat alleen kwalitatief goede warmtepompen die worden ingezet in goede toepassingen onder de werking van de regeling kunnen worden gebracht.

De warmte en koude opslag zijn aangegeven in artikel 2, onderdeel g, onder 8°. Het gaat om seizoensgebonden warmte- cq koude-opslag in de (ondiepe) ondergrond in waterhoudende zandlagen. Bij de koudeopslag wordt bijvoorbeeld winterkoude gebruikt voor koeling in de zomer. Daartoe wordt de koude opgeslagen in een aquifer. In de winter wordt bodemwater opgepompt en na koeling aan de buitenlucht weer in de bodem geïnjecteerd. In de zomer wordt het koude water weer aan de bodem onttrokken en voor koeling aangewend en vervolgens weer in de bodem geïnjecteerd. Verwacht wordt dat deze toepassing van duurzame energie de komende jaren verder zal toenemen.

Met artikel 2, onderdeel g, onder 9°, wordt beoogd de stadsverwarmingsprojecten onder de werking van de regeling te brengen. Stadsverwarmingsprojecten kunnen een bijdrage leveren aan nuttige aanwending van warmte die vrijkomt bij de opwekking van elektriciteit. Door deze projecten wordt bevorderd dat de warmte via een leidingnet wordt gedistribueerd en wordt ingezet ten behoeve van de verwarming van ondermeer woningen en andere gebouwen waaronder begrepen tuinbouwkassen. Bij stadsverwarming is het nodig dat er bijstookvoorzieningen zijn daar de afname van warmte in koude periodes zodanig kan zijn dat de hoeveelheid restwarmte ontoereikend is voor de vraag. De omschrijving is zo dat naast de warmtedistributie naar de afnemers ook de eventuele transportleiding van opwekkingspunt naar het distributiepunt, warmtebuffers en centrale bijstookvoorzieningen onder de werking van de regeling vallen. De distributie, opslag en bijverwarmingsfaciliteiten bij de afnemers vallen buiten het project.

Met artikel 2, onderdeel h, onder 1° wordt beoogd duurzame woningen onder de regeling te brengen. Er wordt aangegeven onder welke voorwaarden woningen onder de werking van de regeling vallen. Het te gebruiken systeem voor beoordeling is in de bijlage van de regeling opgenomen. Slechts die woningen die voldoen aan de gehanteerde criteria zullen onder de faciliteit vallen. Ten einde starheid van het systeem te voorkomen is een flexibele opzet gekozen waarbij de woning getoetst wordt op criteria op het gebied van energie- en waterbesparing, materiaalgebruik en binnenmilieu. Op elk van deze gebieden wordt een hoog basisniveau geëist. Daarbovenop dient via een puntensysteem een minimum score te worden gehaald. Voor woningen die voldoen aan het basisniveau en die tevens deze score halen zal een groenverklaring worden afgegeven. De eigenaar of ontwikkelaar kan op deze wijze zelf invloed blijven uitoefenen op het concept van de woning zonder te worden gedwongen in een strakke uniformiteit. Het gekozen systeem heeft bovendien tot voordeel dat bij een verdere ontwikkeling van duurzaam bouwen in de toekomst, de te behalen score op een hoger niveau kan worden geplaatst. Het scoresysteem behoeft dan niet steeds integraal te worden herzien.

De maatlat die bij deze regeling als bijlage is gevoegd wijkt af van de eerdere maatlat. De oorzaak ligt in de wijziging van enkele onderliggende publicaties. Materieel is de maatlat vrijwel gelijk gebleven aan de vorige versie.

Artikel 2, onderdeel h, onder 3° maakt het mogelijk duurzame renovatieprojecten onder de regeling te brengen. Evenals bij de maatlat voor de nieuwbouw is ook hier gekozen voor een systeem met een beperkt aantal basiseisen en een systematiek van punten. De toekenning van de punten is gebaseerd op de omvang van het (positieve) milieueffect. Aan alle basiseisen moet worden voldaan. Binnen elk van de thema's energie, materialen, water en binnenmilieu dient een minimum aantal punten gehaald te worden. Hierdoor wordt een basisniveau van voldoende milieukwaliteit in de breedte verzekerd. Uiteindelijk moeten in totaal zoveel punten worden gehaald dat een duurzaam karakter verzekerd is. In de Maatlat wordt verwezen naar de specificatiebladen, zoals deze zijn opgenomen in het Nationaal pakket Woningbouw. In dit pakket worden de in de bijlage bij deze regeling vaak summier omschreven maatregelen verder geconcretiseerd. In het Nationaal pakket worden standaardtitels voor overeenkomstige maatregelen in nieuwbouw en beheer gebruikt. Dit heeft tot gevolg dat sommige titels minder toegesneden zijn op de bestaande bouw. Als voorbeeld B013: maak warmteweerstand gesloten geveldelen Rc<= 3 m2 K/W. Dit lijkt een veel te zware maatregel voor de bestaande bouw. Als men echter het specificatieblad B013 raadpleegt, blijkt dat met minder zware isolatie kan worden volstaan.

In de hier gekozen opzet worden projecten gewaardeerd met name op het eindresultaat en minder op de inspanning. Dit betekent dat ook punten kunnen worden gescoord voor maatregelen die eerder zijn getroffen. Als voorbeeld: een woningcorporatie gaat dit jaar een grote duurzame renovatie uitvoeren in een wijk van eengezinswoningen en wil in aanmerking komen voor de regeling. In het renovatieplan wordt niets aan het verwarmingssysteem gedaan omdat een jaar eerder de conventionele CV-ketels vervangen zijn door HR-ketels. Volgens de voorwaarden worden er punten voor deze maatregel toegekend. Op deze wijze wordt voorkomen, dat men gestraft wordt voor inspanningen in het verleden. Uiteraard kunnen de kosten die in een eerdere fase zijn gemaakt (in het voorbeeld de kosten van de HR-ketels) geen deel uitmaken van het projectvermogen.

Zoals aangegeven kan een groenverklaring alleen betrekking hebben op nieuwe woningen. Het gaat hierbij om woningen die niet alleen voldoen aan de bij of krachtens hoofdstuk II van het Bouwbesluit gegeven technische voorschriften voldoen, maar ook aan de onderhavige regeling en voor het bouwen waarvan bouwvergunning als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is dan wel wordt verleend. Aanpassing aan bestaande woningen, of het geschikt maken van bestaande bouwwerken voor bewoning valt niet onder de faciliteit. Tevens wordt als eis gesteld dat het woningen betreft die bestemd zijn voor permanente bewoning. Woningen die niet voortdurend als hoofdverblijf te beschikking zullen staan, zoals weekendwoningen of zomerwoningen zijn uitgesloten van de regeling.

In artikel 2, onderdeel h, onder 2°, is aangegeven dat onder het realiseren van nieuw te bouwen woningen tevens begrepen wordt het geschikt maken van bestaande bouwwerken die geen woonbestemming hebben, als duurzame woningen. De regeling is niet van toepassing op bouwwerken die reeds eerder een woonbestemming hadden dan wel op renovatie of verbetering van bestaande woningen en bouwwerken. Bij de projecten die betrekking hebben op de herbestemming wordt als moment van begin van de fysieke werkzaamheden gezien het moment waarop de herstel- of aanpassingswerkzaamheden een aanvang nemen. Het beginnen met de sloopwerkzaamheden wordt niet als het begin van de werkzaamheden beschouwd.

De projecten begrepen onder artikel 2, onderdeel i zijn gericht op de realisatie van fietspaden hebben tot doel er toe bij te dragen deze infrastructuur te verbeteren. De regeling strekt zich uit tot vrijliggende of verhoogde fietspaden. Hieronder wordt verstaan fietspaden die hetzij parallel lopen met de naastgelegen rijbaan en daarvan gescheiden zijn door een tussenberm van tenminste zeventig centimeter dan wel geheel verhoogd langs die rijbaan zijn uitgevoerd dan wel een eigen tracé volgen. Gekozen is voor fietspaden die een verbinding vormen tussen steden van meer dan 50.000 inwoners en de direct omringende woonkernen. Een andere doelgroep wordt gevormd door de fietspaden die een Vinex-lokatie verbinden met de direct omringende woonkernen. Onder een reistijd verminderend fietspad wordt verstaan een fietspad dat een kortere verbinding in afstand vormt tussen de desbetreffende kernen in vergelijking tot de alternatieve verkeersverbindingen.

De regeling heeft ook betrekking op fietspaden die de directe bereikbaarheid van transferia bevorderen. Transferia zijn aan de rand van agglomeraties gelegen centrale grootschalige voorzieningen waar diverse vervoersmogelijkheden samenkomen en waar men van vervoersvorm kan wisselen. De transferia hebben met name tot doel om de binnenstedelijke verkeersdruk door personenauto's te reduceren.

Tenslotte kan ook een groenverklaring worden verkregen voor fietspaden die gerelateerd zijn aan het landelijk fietsroutenet dat aangegeven is in het Structuurschema Groene Ruimte. Voor deze laatste categorie fietspaden geldt dat in de komende jaren voor maximaal voor honderd miljoen gulden aan groenverklaringen mag worden afgegeven. Het betreft hier niet het netwerk zelf maar situaties die in dit netwerk een knelpunt vormen. Daarnaast kunnen fietspaden die een recreatieve functie hebben en een directe verbinding vormen tussen een woonkern en dit netwerk voor een groenverklaring in aanmerking komen. Voor de toepassing van de bepaling zal een verblijfsrecreatieconcentratie gelijk worden gesteld met een woonkern. In alle gevallen betreft het fietspaden die vrijliggend dan wel verhoogd zijn.

Tot het projectvermogen dat betrekking heeft op fietspaden kunnen worden gerekend de kosten voor grond en grondverzet, fundatie, wegdek, verlichting, bewegwijzering en vijftig procent van de kosten van kunstwerken en kruisingen die betrekking hebben op het kruisen van het fietspad met vaar- of verkeerswegen. De overige vijftig procent van de kosten worden beschouwd te drukken op de kruisende verkeersvoorziening.

De bodemverontreiniging in Nederland heeft een zeer grote omvang. De middelen voor sanering zijn evenwel beperkt. Dit betekent dat er beperkingen en prioriteitstellingen noodzakelijk zijn. De beperkingen als verwoord in artikel 2, onderdeel j, houden in dat sprake moet zijn van ernstige bodemverontreiniging, dat het een sanering op vrijwillige basis moet zijn en dat het saneringsplan door de bevoegde autoriteit moet zijn goedgekeurd. In de prioriteitstelling zullen verschillende elementen een rol spelen. In de praktijk zijn er situaties op het gebied van (water)bodemverontreiniging die een ernstig knelpunt vormen voor verdere maatschappelijke ontwikkeling in een bepaald gebied. Immers door de aanwezigheid van de verontreiniging wordt het gebruik van de bodem voor bijvoorbeeld woningbouw of ingebruikname als industrieterrein ernstig belemmerd, hetgeen een brede lokale uitstraling kan hebben. Het betreft dus situaties waarin na sanering een goede bestemming realiseerbaar is. Door de Regeling groenprojecten 2001 van toepassing te verklaren op deze projecten worden de kosten voor de sanering verlaagd. De waardestijging van de grond als gevolg van de sanering kan daardoor de kosten van de sanering overtreffen. Bodemsanering die anders achterwege blijft, kan financieel haalbaar worden gemaakt.

Om zowel budgettaire redenen als om andere redenen zal slechts een beperkt aantal gevallen van (water)bodemsanering onder de faciliteit worden gebracht. Bij de prioriteitstelling speelt een aantal factoren een rol. Belangrijk zijn onder meer:

- het wegnemen van belemmeringen bij maatschappelijke urgentie. Een aspect dat hierbij een rol kan spelen is bijvoorbeeld het feit dat door de aanwezigheid van de bodemverontreiniging stadsvernieuwing of nieuwbouw in ernstige mate stagneert;

- minimalisatie van de overheidsbijdrage uit andere middelen;

- aard en wijze van saneren;

- ligging van de locatie;

- bestemming van de gronden in het gebied na de sanering. Projecten met een hoogwaardige bestemming zullen eerder in aanmerking komen voor een groenverklaring dan projecten waarbij dit niet het geval is;

- de ernst en aard van de verontreiniging en de aard van het omringende milieu waarin de verontreiniging zich voordoet (bijvoorbeeld kans op verspreiding etc).

Artikel 2, onderdeel k, omvat niet nader genoemde projecten.

Voor projecten die niet voldoen aan de omschrijving van een der overige onderdelen maar die naar het oordeel van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van belang kunnen zijn voor het milieu, waaronder begrepen natuur en bos kan alsnog een verklaring worden afgegeven. Door het opnemen van een open onderdeel wordt voorkomen dat er een te grote starheid in de aanwijzing van projecten optreedt. Bij deze groep kan gedacht worden aan andere projecten dan die welke reeds onderdeel van de regeling vormen zoals duurzame ontwikkeling, recycling en dergelijke.

Artikel 3

In artikel 3 is bepaald dat geen verklaring wordt afgegeven voor bestaande projecten. Hiermee wordt beoogd de regeling alleen te beperken tot `nieuwe' projecten zoals hierboven reeds werd aangegeven.

Bestaande projecten - dat zijn projecten in de zin van de Regeling groenprojecten 2001 (voorheen de Regeling groenprojecten) die reeds vóór 13 juli 1994, of voor de voor de projecten relevante ingangsdatum, bestonden of waarvoor vóór die datum een begin met de uitvoering van de bijbehorende fysieke werkzaamheden is gemaakt, of waarvoor vóór de relevante ingangsdatum de voor aanwijzing relevante overeenkomst is afgesloten, of de relevante subsidie werd verkregen - kwalificeren niet als groenproject. Tegen de ingangsdatum van 13 juli 1994 in relatie tot de toepassing bij biologische landbouw is een aantal bezwaren gerezen waarvan de strekking is dat met name pioniers op het gebied van de biologische landbouw die voor de voormelde datum `groene' initiatieven hebben ontplooid niet worden beloond voor hun entrepreneurschap. In antwoord op vragen van het lid van de Tweede Kamer, mevrouw Vos, van 10 maart 1995 is de bereidheid uitgesproken deze problematiek nader te bezien. Nadat de eerste ervaringen met de regeling bekend waren is besloten om bij wijziging van 30 oktober 1996 de regeling voor de biologische landbouw te verruimen en de pioniersprojecten niet meer uit te sluiten. De verruiming is om diverse redenen beperkt gebleven tot projecten als genoemd in onderdeel e, onder 1° en 2° van artikel 2. Juist voor deze projecten geldt dat ze in open concurrentie treden met de projecten van latere datum die wel onder de faciliteit vallen. Bovendien waren destijds voor deze projecten geen andere faciliteiten beschikbaar zoals dit veelal wel gold voor de overige projecten. Voorts was een brede verruiming die zou leiden tot het op grote schaal herfinancieren van reeds bestaande projecten ook om budgettaire redenen onwenselijk.

Ook wordt geen verklaring afgegeven voor projecten waarvan het projectvermogen minder bedraagt dan f 50.000. Alhoewel de aangewezen instellingen wellicht niet in kleine projecten zullen deelnemen wordt met deze bepaling voorkomen dat onverhoeds veel kleine projecten worden aangemeld bij de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer met het verzoek een verklaring af te geven. Dit zou leiden tot onevenredig hoge uitvoeringskosten.

Zoals ook aan de orde is geweest tijdens de parlementaire behandeling van de Wet van 24 juni 1994 tot wijziging van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 met het oog op het bevorderen van beleggingen en investeringen die in het belang zijn van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos (Stb. 1994, 497), geldt voor ieder project dat het structureel zelf enig eigen rendement genereert. Bij de beoordeling van de vraag of een project enig eigen rendement genereert geldt het uitgangspunt dat de wet ertoe strekt de totstandkoming van milieu-, bos- en natuurprojecten te stimuleren die door een beperkt economisch rendement dan wel door een relatief hoog risico niet of onvoldoende worden gerealiseerd. Dit soort matig tot slecht renderende projecten dienen in aanmerking te kunnen komen voor (goedkope) kapitaalverschaffing van groene instellingen. Het is evenwel niet de bedoeling van de regeling om een goedkope financiering te verschaffen voor blijvend verliesgevende projecten waarvan de baten niet in evenwichtige verhouding staan tot de kosten en waarbij de opbrengsten structureel achterblijven bij de kosten van het project.

Een project heeft structureel enig eigen rendement indien de directe opbrengsten - bijvoorbeeld entreegelden, ledengelden, waardemutaties van het project, verkoopopbrengsten van hout, zand en grind e.d. - de gezamenlijke kosten van het project overtreffen. Het ontmoet daarbij geen bezwaar dat overheidssubsidies ook worden aangemerkt als (groene) opbrengsten van een project. Onder overheidssubsidies zijn in deze mede begrepen convenantsmiddelen. Dit zijn middelen die als uitvloeisel van het akkoord tussen het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (LNV) en het Inter Provinciaal Overlegorgaan (IPO) via het Provinciefonds ter beschikking kunnen worden gesteld aan de Stichting Nationaal Groenfonds (opgericht 12 april 1994). Sponsorgelden en andere betalingen van derden vormen evenwel geen (groene) opbrengsten die in de rendementsberekening mogen worden meegenomen. Het is immers niet de bedoeling van de wetgever geweest om gelden die door deze `sponsors' ten laste van de winst kunnen worden gebracht als onbelaste groene voordelen bij de particuliere belegger te laten opkomen. Projecten die met inachtneming van voormelde overheidssubsidies niet uit de `rode cijfers' komen, voldoen niet aan de rendementseis die in de regeling groen beleggen is neergelegd en kunnen derhalve niet als groenproject worden aangewezen.

Naast de vorenvermelde voorwaarde dat ieder project structureel een minimumrendement dient te behalen, geldt eveneens met betrekking tot alle projecten de eis dat het rendement (eventueel met inbegrip van overheidssubsidie, waaronder convenantsmiddelen) niet zodanig hoog mag zijn dat redelijkerwijs kan worden verwacht dat ook zonder de fiscale faciliteit realisatie van het project mogelijk is. Bij de beoordeling van de projecten aan dit criterium zal niet alleen het economische rendement maatgevend zijn doch zal een en ander mede worden getoetst in relatie tot het economische risico en de milieuverdienste.

Artikel 3, eerst lid, de onderdelen e en f zijn bedoeld om budgettaire risico's te vermijden en leggen een plafond in de regeling voorzover het duurzame woningen betreft. Het doel van deze bepalingen is om aan te geven dat per kalenderjaar maximaal totaal 5000 woningen onder de werking der regeling kunnen vallen. Voorts is door het opnemen van een einddatum in de regeling de toepassing van de faciliteit voor woningen en woningrenovaties beperkt tot en met het jaar 2001. In de komende periode kan verdere verlenging worden bezien.

Met artikel 3, eerste lid, onderdeel g, wordt beoogd om de regeling te beperken tot woningen waarvan de kosten van het verkrijgen in eigendom (stichtingskosten) minder dan f 600.000 bedragen. Onder stichtingskosten worden begrepen de kosten die gemaakt worden voor bouw van de woning met eventueel een berging en/of garage, inclusief grondkosten doch exclusief tuinaanleg en verharding. Het beperken van de regeling tot woningen beneden deze prijs hangt samen met het feit dat de regeling zich primair richt op de categorie woningen waarbij de kosten voor het duurzame karakter zodanig zijn dat ze in relatie tot de te verwachten draagkracht van de bewoner relatief hoog zijn. In relatief goedkope woningen is het realiseren van een Dubo-pakket meer problematisch dan in duurdere woningen. De meerkosten nemen procentueel gezien sterk af in het segment van de duurdere woning. Een andere reden is, dat de compensatie die het gebruik van de groenverklaring biedt stijgt naarmate de woning duurder is. Dit is het gevolg van inverdieneffecten die optreden ten gevolge van een verminderd energie- en watergebruik. Deze redenen hebben ertoe geleid een maximumgrens aan te brengen van f 600.000 in de stichtingskosten van de woning. De beperking van f 600.000 geldt niet voor renovatieprojecten. De grens van f 600.000 lag voorheen op f 400.000. De thans doorgevoerde aanpassing houdt verband met de stijging van het prijsniveau van de woningen sedert de invoering van de groene hypotheek.

Een van de voorwaarden waaraan een project dient te voldoen is de in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, van de Regeling groenprojecten 2001 opgenomen voorwaarde van enig eigen rendement. Omdat fietspaden die ingevolge artikel 2, onderdeel i, van de Regeling groenprojecten 2001, als groenproject kunnen worden aangemerkt niet aan deze voorwaarde voldoen, dient deze in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, opgenomen voorwaarde voor deze fietspaden buiten beschouwing te worden verklaard. Hiertoe wordt de voorwaarde van enig eigen rendement voor de fietspaden buiten toepassing verklaard. Voor alle overige projecten is de voorwaarde onverkort van toepassing. De uitzonderingspositie voor fietspaden hangt ondermeer samen met hun specifieke infrastructurele- en financieringspositie.

Het spreekt vanzelf dat de opsomming van redenen waarom een verklaring kan worden geweigerd niet limitatief is. In de regeling wordt aan de minister de bevoegdheid verleend om een verklaring af te geven. Ook andere oorzaken dan de genoemde kunnen voor de minister aanleiding vormen een verklaring te weigeren.

Artikel 4

In artikel 4 is de aanvraag voor het verkrijgen van een verklaring geregeld. De aanvraag kan plaatsvinden door een kredietinstelling die is ingeschreven in het register bedoeld in de Wet toezicht kredietwezen 1992 of door een beleggingsinstelling die is ingeschreven in het register bedoeld in de Wet toezicht beleggingsinstellingen. In beide gevallen wordt de groep van potentiële indieners beperkt tot die instellingen die ingeschreven zijn in de wettelijke registers. Voor de aanvraag is een modelformulier ontwikkeld, dat op aanvraag beschikbaar wordt gesteld.

In het formulier wordt aangegeven welke gegevens bij de aanvraag moeten zijn gevoegd. Het betreft een gespecificeerde beschrijving van het project, waarin ondermeer wordt aangegeven: de ligging en de oppervlakte van het project, de huidige en de beoogde toestand van het project, de daarvoor benodigde activa en werkzaamheden, de datum waarop met het project een aanvang is of vermoedelijk zal worden genomen, de datum waarop het project vermoedelijk zal worden voltooid, een tijdsplanning van de te verrichten werkzaamheden, de looptijd van het project en de naam en het adres van de projectbeheerder. Ook zijn diverse financiële gegevens noodzakelijk voor de beoordeling van het project. Zo zal inzicht moeten worden gegeven in eventuele investerings- en exploitatie kostenramingen, overzicht van het geprognostiseerde projectvermogen, subsidies en dergelijke. Indien hier behoefte aan bestaat kan een accountantsverklaring worden gevraagd teneinde de juistheid of aannemelijkheid van de gegevens vast te stellen.

Een ander belangrijk gegeven is de looptijd van het project zijnde de duur van het project, bijvoorbeeld de periode tot de datum waarop de activa buiten bedrijf worden gesteld. Voor de diverse projecten kan projectspecifieke informatie benodigd zijn. Zo kan bij sommige projecten (bijvoorbeeld projecten onder artikel 2, onderdelen a tot en met e) een topografische kaart worden verlangd. Voor de projecten op het gebied van de biologische landbouw moet bovendien een bedrijfsaansluitingsbevestiging, dan wel een bedrijfsaansluitingscertificaat bij de aanvraag zijn gevoegd. Voor projecten die bestaan uit de verwerking van die produkten moet een procesregistratiebevestiging, dan wel een procesregistratiecertificaat zijn bijgevoegd.

Een verklaring wordt afgegeven voor een bepaalde periode. Indien het project ook na de datum van afloop van de verklaring doorloopt kan een nieuwe verklaring worden aangevraagd. De minister zal het project dan toetsen op grond van de dan geldende inzichten en regels. De aanvraag kan eerst worden ingediend vanaf drie jaar voor het aflopen van de geldende verklaring. Hierdoor kan ruimschoots op tijd zekerheid worden verkregen over de financiële toekomst van het project voor zover die door de regeling wordt bepaald.

Het feit dat er niet voor een onbeperkt aantal woningen een faciliteit zal worden verleend maakt het noodzakelijk de regeling in te zetten in die gevallen, waarbij duurzame woningbouw daadwerkelijk wordt uitgelokt. Bij projecten waar reeds met de bouw is begonnen is hiervan geen sprake. Onder de aanvang der werkzaamheden wordt verstaan het met de bouw gevorderd zijn tot de bovenkant van de begane grondvloer bij de betreffende woningen.

Tevens is het gewenst dat er daadwerkelijk wordt overgegaan tot realisatie van de woningen binnen een bepaalde periode nadat de verklaring werd ingediend. Dit wordt geregeld in artikel 6, tweede lid.

Artikel 5

Artikel 5, eerste lid, bepaalt dat de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, in overeenstemming met de Minister van Financiën en na overleg met de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, binnen acht weken beslist op de aanvraag.

Artikel 6

Artikel 6, eerste lid, bepaalt dat de verklaring ten hoogste geldt voor de levensduur van een project. Voor projecten met een levensduur van meer dan 10 jaar geldt een maximale looptijd van tien dan wel dertig jaren.

De gekozen formulering houdt onder meer in dat het mogelijk is om tot een verdere inperking te komen om het financiële effect van de verklaring te kunnen reguleren. Dit houdt in dat, om een voorbeeld te noemen, een verklaring voor een periode van twee jaren kan worden afgegeven ongeacht of de duur van het project twee, acht of twaalf jaren is. Op deze wijze kan door het afgeven van een verklaring met een beperkte geldigheidsduur het financiële effect worden afgestemd op de beleidsmatige prioriteit of de te verwachten economische positie in relatie tot de milieuverdienste van het project. Bij projecten waarbij het voldoen aan de omschrijving in artikel 2 afhankelijk is van een subsidie, overeenkomst, of andere tijdelijk element wordt de levensduur van het project geacht maximaal gelijk te zijn aan de duur van de overeenkomst, de duur van de subsidie of de lengte van het tijdsgebonden element tenzij deze langer zijn dan de daadwerkelijke levensduur van het project.

Voor projecten die cumulatief voldoen aan alle der opgesomde voorwaarden kan een verklaring met een maximale looptijd van dertig jaar worden afgegeven. Ook hierbij geldt dat de afgifte van de verklaring van dertig jaar geen automatisme is maar voor de looptijd rekening wordt gehouden met kosten, en prioriteiten. De looptijd van de verklaring is een instrument om ook het financiële effect van de verklaring te kunnen regelen.

Het verstrekken van verklaringen met een looptijd van dertig jaren voor de verklaring kan in de toekomst worden beperkt indien het budgettaire beslag dat met de maatregel gepaard gaat de ramingen gaat overschrijden. Er wordt geraamd dat er voldoende ruimte is om ongeveer een totaal van 100.000 hectare met natuurwaarde (bestaande uit bos, natuur en landschap) onder de faciliteit te brengen.

Voor projecten met een langere looptijd dan de geldigheidsduur van de verklaring kan een nieuwe aanvraag worden ingediend op de wijze als in artikel 4 is aangegeven.

Dat een verklaring een bepaalde looptijd heeft wil niet zeggen dat ook gedurende die looptijd steeds het volledige projectvermogen onder de werking van de regeling kan worden gebracht. Men dient ten minste de waardedaling van het project door afschrijvingen tot uiting te brengen in de omvang van het geleende bedrag.

Voor de donkergroene projecten waarvoor vóór 1 januari 1998 een verklaring werd aangevraagd en eventueel een verklaring van tien jaren van toepassing is wordt na afloop van die termijn een verzoek tot verlenging van de groenverklaring tegen de achtergrond van de aanpassing der regeling waarbij de dertig jaar termijn werd geïntroduceerd bezien.

Er zij op gewezen dat zowel voor projecten ten aanzien waarvan wordt geopteerd voor een verklaring met een looptijd van tien jaren als voor projecten ten aanzien waarvan wordt geopteerd voor een verklaring met een looptijd van dertig jaren nimmer een verklaring zal worden afgegeven met een looptijd die langer is dan de te verwachten levensduur van de projecten. De projectbeheerder dient de levensduur van het project aannemelijk te maken en tevens aannemelijk te maken dat het project gedurende die levensduur overeenkomstig de in de aanvraag voor een verklaring aangegeven beschrijving blijft bijdragen aan natuur en milieu. Indien hieromtrent twijfels bestaan wordt een kortere looptijd van de verklaring gehanteerd.

De verklaring vermeldt de aard van het project, het projectvermogen en de voorschriften die aan de uitvoering van het project zijn verbonden.

De bepalingen in het derde lid hebben tot doel een afstemming van de meerkosten van de woning op het nuttig rendement van de regeling mogelijk te maken. Uit berekeningen is gebleken dat bij een integrale toepassing van de faciliteit groen beleggen op de totale stichtingskosten het financieel voordeel bovenmatig zou zijn en niet in een reële verhouding tot de meerkosten zou staan. Om evenwicht te brengen tussen de meerkosten en de baten van de faciliteit kan het projectvermogen voor een woning maximaal f 75.000 bedragen. Uit onderzoek is gebleken dat onder de huidige omstandigheden hiermede gemiddeld ongeveer 75% van de netto meerkosten van duurzame woningen wordt gecompenseerd. Onder de netto meerkosten worden verstaan de meerkosten, die overblijven na aftrek van de financiële besparingen ten gevolge van water- en energiebesparing.

In het vierde lid van artikel 6 wordt het projectvermogen vastgesteld voor beheersprojecten. De beheersprojecten hebben een primaire landbouwproductiefunctie. Het zou onjuist zijn deze projecten op gelijke wijze te belonen als zuivere natuurprojecten. Bovendien zou bij een toepassing van de faciliteit op het totale vermogen van het project het financieel voordeel bovenmatig zijn en niet in verhouding staan tot de meerkosten (en of minderopbrengsten) die optreden bij overgang van gangbare landbouw naar de aangegeven activiteit. Het per aanvraag voor een Groenverklaring individueel vaststellen van de beloning van het specifieke beheerselement zou tijdrovend en veelal controversieel zijn. Voorts zou de vaststelling pas na afloop van het oogstjaar definitief vastgesteld kunnen worden. Hierdoor zou de uitvoering van de regeling op dit onderdeel ongewenst verzwaard worden. Er is daarom gekozen voor een forfaitaire vaststelling van het projectvermogen. Bij de hoogte van het bedrag dat groen gefinancierd kan worden is rekening gehouden met bedoelde meerkosten en/of minderopbrengsten van de onderscheiden beheerspakketten. Voor pakketten met passief beheer (G1 en B1 in de Regeling beheersovereenkomsten en natuurontwikkeling) bedraagt het bedrag ten hoogste f 5000,- per hectare. Voor pakketten met licht beheer (G2, B2 van die regeling, ruige mest en landschapsonderhoud) ten hoogste f 10.000,- per hectare en voor pakketten met zwaar beheer (de overige pakketten) ten hoogste f 15.000,- per hectare.

In het vijfde lid wordt op analoge wijze als in het vierde lid een differentiatie in de sterkte van de stimulans aangebracht voor de daar genoemde projecten.

Zoals reeds is opgemerkt is het onwenselijk dat voor te ver in de toekomst liggende projecten gelden worden geblokkeerd ten nadele van op korte termijn realiseerbare projecten. In artikel 6, zesde lid, wordt daarom bepaald dat voor projecten aangaande duurzame woningen, Groen Label Kassen, fietspadinfrastructuur, energieprojecten of bodemsanering bij een aanvang van de uitvoering der werkzaamheden na de genoemde periode de groenverklaring vervalt. Onder de aanvang der werkzaamheden wordt verstaan het met de bouw gevorderd zijn tot de bovenkant van de begane grondvloer van de betreffende woningen. Bij herbestemmingsprojecten voor het realiseren van woningen wordt onder aanvang van de werkzaamheden verstaan het moment na afloop van de sloopfase waarop de werkzaamheden voor de opbouw en inrichting een aanvang nemen.

De maximale lengte van de periode die gelegen mag zijn tussen de afgifte van een verklaring en de start van een project is voor een aantal projecttypen beperkt tot maximaal 2 jaar. Een langere periode is niet gewenst omdat het onder meer de raming van de budgettaire lasten bemoeilijkt. Bovendien kan een te lange periode leiden tot een technische veroudering van de oorspronkelijke projectopzet of kan er inmiddels een wijziging in milieuprioriteiten zijn opgetreden.

In de verklaring kunnen aanvullende voorwaarden worden opgenomen zoals bijvoorbeeld voorwaarden inzake de uitvoering, verslaglegging en dergelijke.

Artikel 7

In artikel 7 is bepaald dat de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, in overeenstemming met de Minister van Financiën en na overleg met de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, de Minister van Verkeer en Waterstaat en de Minister van Economische Zaken de verklaring kan intrekken, indien zich de onder de onderdelen a tot en met e genoemde situaties voordoen. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht kan alvorens een besluit wordt genomen degene die het verzoek tot afgifte van de verklaring heeft gedaan in de gelegenheid worden gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken. Een besluit tot intrekking kan eventueel terugwerkende kracht hebben tot het moment waarop niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden. Het besluit tot intrekking wordt verzonden aan de instelling die destijds de verklaring heeft aangevraagd. Tevens zal een afschrift van het intrekkingsbesluit worden verzonden aan de projectbeheerder en aan de inspecteur. Hierdoor is de projectbeheerder in staat eventuele overige kapitaalverschaffers op de hoogte te brengen van het besluit.

Artikel 8

Artikel 8 bepaalt dat een wijziging in de uitvoering van het project moet worden gemeld. Onder wijziging worden onder meer begrepen veranderde omstandigheden die voor de toetsing aan de voorwaarden van de regeling of de belastingheffing van belang zijn.

De verplichting tot rapportage van wijzigingen in het project berust slechts op de instellingen indien ze voor het verschafte kapitaal gebruik maken van de groenbeleggingsfaciliteit.

Niet de instelling die de verklaring heeft aangevraagd, maar die welke daadwerkelijk kapitaal verschaft voor een project, valt onder de verplichting als aangegeven in artikel 8.

Artikel 9

Ten behoeve van de beoordeling van een project wordt ten aanzien van de kredietinstelling onderscheidenlijk de beleggingsinstelling en de projectbeheerder Hoofdstuk VIII, afdeling 2 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing verklaard. Dit hoofdstuk bevat artikelen waarin onder meer de plicht tot het verstrekken van gegevens en inlichtingen, het verstrekken van inzage in boeken en andere bescheiden, alsmede het verlenen van toegang tot gebouwen en grond, zijn opgenomen. Daarbij gelden de aldaar jegens de inspecteur opgelegde verplichtingen mede jegens de door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aangewezen personen.

Artikel 10

In dit artikel wordt de overgangsproblematiek geregeld die samenhangt met het systeem van de maatlatten. Bij de realisatie van duurzame woningen is er een tijdsverloop tussen de planning en de realisatie. Dit betekent dat het veranderen van de voorschriften in de maatlatten problemen zou veroorzaken indien er geen overgangsregeling was opgenomen in de Regeling groenprojecten 2001. Door deze bepaling wordt er een overgangsperiode tot 1 juli 2001 gehanteerd gedurende welke men zowel van het oude als van het nieuwe eisenpakket gebruik kan maken.

Artikel 11

In de omschrijving van de projecten die eventueel in aanmerking komen voor een verklaring worden diverse technische eisen gesteld. Om aan te tonen dat aan deze eisen wordt voldaan kan de projectbeheerder gebruik maken van bepaalde meetvoorschriften, tests, normen, verklaringen of certificaten. In de Regeling groenprojecten was een bepaling opgenomen welke tot strekking had mogelijke handelsbelemmeringen ten gevolge van deze voorwaarden te voorkomen.

Naar aanleiding van de notificatie van de Regeling groenprojecten 2001 heeft de Europese Commissie kenbaar gemaakt dat, naar haar opvatting, de in het verleden gehanteerde formulering ter voorkoming van eventuele belemmeringen van het vrije verkeer van goederen onvoldoende was. De Europese Commissie was van opvatting dat met name het vrije verkeer van windturbines welke dienen te voldoen aan een Nederlandse norm mogelijk belemmerd zou kunnen worden. Derhalve is, om misverstanden te voorkomen, de bepaling die belemmeringen bij het vrije verkeer van goederen moet voorkomen aangepast.

Indien de projectbeheerder ten aanzien van de technische eisen die gesteld worden in de Regeling groenprojecten 2001 gebruik maakt van gelijkwaardige meetvoorschriften, tests, normen verklaringen of certificaten dan worden deze gelijk gesteld aan de in de regeling opgenomen meetvoorschriften, tests, verklaringen of certificaten.

Bijlagen

De bijlagen bevatten de voorschriften voor duurzame woningbouw, voor duurzame renovatie en voor de groen label kas. Niet alle maatregelen zijn uitputtend in de maatlat zelf beschreven maar in een aantal gevallen wordt verwezen naar onderliggende publicaties. Met name de uitgaven Duurzaam bouwen: nationaal pakket woningbouw en Duurzaam bouwen: nationaal pakket woningbouw beheer zijn afgelopen periode aangepast. De wijzigingen hebben geen ingrijpende materiële betekenis.

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J.P. Pronk.

De Staatssecretaris van Financiën,

W.J. Bos.

Naar boven