Aan: de ambtenaren van de burgerlijke stand en de ambtenaren van
de gemeentelijke basisadministratie
Onderdeel: Directie Wetgeving
Datum: 4 april 2001
Kenmerk: 5089422/01/06
Aard: bekendmaking richtlijnen
Juridische achtergrond: aanpassing van de circulaire d.d. 12 januari
2000, in werking getreden op 1 februari 2000, kenmerk Directie Wetgeving nr.
5001966/99/6
Geldig van/tot: 1 april 2001
Onderwerp: legalisatie en verificatie van buitenlandse bewijsstukken
betreffende de staat van personen
Hierbij deel ik u, mede namens de Ministers van Buitenlandse Zaken en
voor Grote Steden- en Integratiebeleid mee, dat in verband met de inwerkingtreding
van de Vreemdelingenwet 2000 op 1 april 2001, onderdeel 2.4, onder a tot en
met d (blz. 3 en 4) van de genoemde circulaire met ingang van 1 april 2001
vervangen wordt door de hierna volgende tekst:
Voorts is er aanleiding om een vreemdeling behorende tot een van de hierna
onder a, b, c of d genoemde categorieën vrij te stellen van het legalisatievereiste,
indien betrokkene bezwaar maakt tegen legalisatie.
De reden hiervoor is dat het in deze gevallen onverantwoord is de betrokkene
te verplichten contact op te nemen met de autoriteiten van het land van herkomst.
Indien er twijfel bestaat omtrent de vraag of de betrokkene behoort tot een
van de hierna genoemde categorieën, dient er contact opgenomen te worden
met de desbetreffende vreemdelingendienst.
a. Verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd
De betrokkene is in het bezit van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde
tijd op grond van artikel 33 van de Vreemdelingenwet 2000, hetgeen blijkt
uit zijn verblijfsdocument (verblijfsdocument IV). Hierbij zij aangetekend
dat in het geval van naturalisatie van de betrokkene tot Nederlander er niet
van uitgegaan mag worden dat de betrokkene door het enkele feit van de naturalisatie
nadien niets meer te vrezen heeft van de autoriteiten van het land waar hij
oorspronkelijk vandaan komt.
Per geval zal moeten worden bezien of er nog gronden voor bezwaar tegen
legalisatie van stukken aanwezig zijn.
b. Verblijfvergunning asiel voor bepaalde tijd
De betrokkene is in het bezit van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde
tijd op grond van artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000, hetgeen blijkt
uit zijn verblijfsdocument (verblijfsdocument III). De betrokkene is vrijgesteld
van het paspoortvereiste.
c. Verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
De betrokkene is in het bezit van een geldige verblijfsvergunning regulier
voor bepaalde tijd (verblijfsdocument I) op grond van artikel 14 van de Vreemdelingenwet
2000, hetgeen blijkt uit zijn verblijfsdocument (verblijfsdocument I) en op
grond van artikel 3.72 jo. 3.83 van het Vreemdelingenbesluit 2000 vrijgesteld
van het paspoortvereiste.
Een en ander blijkt niet uit het verblijfsdocument, maar staat aangetekend
in de begeleidende brief bij de beschikking op grond waarvan de betrokkene
verblijf is verleend. Indien de betrokkene stelt van het paspoortvereiste
te zijn vrijgesteld, kan hem verzocht worden de begeleidende brief over te
leggen, dan wel kan de vrijstelling van het paspoortvereiste worden geverifieerd
bij de vreemdelingendienst.
d. In procedure
De betrokkene heeft een verzoek ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning
om redenen van asiel, hetgeen blijkt uit het identiteitsbewijs asielzoeker
(document W) en op dit verzoek is nog niet tot in de hoogste instantie beslist,
terwijl vaststaat dat de betrokkene de beslissing inzake zijn verzoek in Nederland
mag afwachten. Of er nog een vreemdelingenrechtelijke procedure loopt, blijkt
uit het Vreemdelingen Administratie Systeem (VAS), dan wel uit de gba.
Voor het overige blijft de circulaire onverkort van kracht.