Vergunning personenvervoer met historische luchtvaartuigen

KLHV

3 april 2000

Nr. VI/L 00.310160

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

Gelezen het verzoek van de Stichting Koninklijke Luchtmacht Historische Vlucht d.d. 16 februari 2000;

Gelet op artikel 16b van de Luchtvaartwet en het terzake vastgestelde beleid (Nota Beleid Historische Luchtvaart, Kamerstukken II 1997-1998, 25 207, nr. 6).

Besluit:

Artikel 1

Aan de stichting Koninklijke Luchtmacht Historische Vlucht wordt, met inachtneming van onderstaande voorwaarden en beperkingen, tot 1 april 2001 vergunning verleend voor het vervoer van personen in het kader van de historische luchtvaart, met historische luchtvaartuigen voorzien van de kenmerken PH-IIB, PH-MLM, PH-LSK, PH-TBR (Harvards), PH-GAZ, PH-GAU, PH-GRH, PH-KNR, PH-PSC, PH-PPW (Piper Super Cubs), PH-GRB (Fokker S-11), PH-NGK (Auster) en de PH-PBB (Stinson Sentinel).

Artikel 2

De houder van deze vergunning mag enkel ten doel hebben het in stand houden van historische luchtvaartuigen en mag geen vervoer tegen vergoeding verrichten in de zin van Verordening (EG) nr. 2407/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 juli 1992 betreffende de verlening van exploitatievergunningen aan luchtvaartmaatschappijen (PbEG L240).

Artikel 3

1. Het is de vergunninghouder toegestaan leden c.q. contribuanten of sponsors te vervoeren.

2. Voor de vergunninghouder met één of meer luchtvaartuigen met een maximale startmassa van ten hoogste 5700 kg en gecertificeerd voor het vervoer van drie passagiers of minder, geldt dat de leden c.q. contribuanten het lidmaatschap of de contributieverplichting tenminste moeten aangaan voor een periode van zes maanden.

3. Meevliegende leden c.q. contribuanten of sponsors, dienen tenminste één week voorafgaand aan de vluchtuitvoering lid, contribuant respectievelijk sponsor van de vergunninghouder te zijn conform de in de statuten, of het toepasselijke reglement algemeen geldende en uniforme bepalingen.

4. Sponsors mogen zoveel vlieguren per jaar van de luchtvaartuigen gebruik maken als in de sponsorovereenkomst is vastgelegd. In deze overeenkomst, die niet meer dan één keer per jaar per sponsor mag worden gesloten, wordt tevens de waarde van het gesponsorde vastgelegd. Direct na afsluiten van de sponsorovereenkomst dient deze ter toetsing aan de DG RLD te worden voorgelegd.

5. De vergunninghouder dient er voor zorg te dragen dat de sponsors, hun meevliegende personeelsleden en relaties één week voorafgaand aan de vlucht, met naam en toenaam bekend zijn bij de vergunninghouder die de vlucht zal verzorgen.

6. Het is de vergunninghouder toegestaan ieder lid of contribuant één keer per jaar één introducé te laten meenemen.

Artikel 4

De vergunninghouder dient eenieder die meevliegt tenminste één week voorafgaand aan de vluchtuitvoering schriftelijk, goed leesbaar en in duidelijk Nederlands, op de hoogte te stellen van het feit dat het gaat om een vlucht met een historisch luchtvaartuig waarvoor een lager luchtwaardigheidsniveau geldt ten opzichte van de normale burgerluchtvaart.

Artikel 5

De vergunninghouder dient adequaat verzekerd te zijn:

a. tegen de aansprakelijkheid met betrekking tot de vervoerde passagiers en goederen overeenkomstig hetgeen bij en krachtens verdrag daarover is bepaald; en

b. tegen de aansprakelijkheid voor schade, veroorzaakt aan derden op het aardoppervlak.

Artikel 6

De vluchten van de vergunninghouder dienen uitgevoerd te worden binnen de beperkingen zoals die zijn opgenomen in het RLD vlieghandboek.

Artikel 7

Voor de vergunninghouder geldt, buiten het aantal noodzakelijk geachte uren voor training etc., een beperking van 200 vlieguren per jaar per regi-stratie.

Artikel 8

1. Alle voor de naleving van deze vergunning benodigde informatie moet te allen tijde op verzoek van de DG RLD overtuigend kunnen worden aangetoond door overlegging van schriftelijke bewijsstukken en een deugdelijke, controleerbare admini-stratie. In aanvulling op artikel 73 van de Luchtvaartwet wordt vereist dat een en ander in een toetsbaar jaarverslag of jaarbericht wordt vastgelegd.

2. De op grond van artikel 73, eerste lid, van de Luchtvaartwet, aangewezen inspecteurs van het DG RLD dienen te allen tijde in staat te worden gesteld de betrokken luchtvaartuigen te betreden en te inspecteren.

Artikel 9

Deze beschikking zal worden geplaatst in de Staatscourant en werkt terug tot 1 april 2000.

De Minister van Verkeer en Waterstaat,
namens deze,
het plv. hoofd hoofdafdeling Vervoer van het Directoraat-Generaal Rijksluchtvaartdienst,
H.P.T. de Jong.

Indien u het niet eens bent met deze beslissing kunt u hiertegen, o.g.v. het bepaalde in art. 6.4 van de Algemene Wet Bestuursrecht - binnen zes weken na de datum waarop deze beschikking is verzonden - schriftelijk bezwaar aantekenen.

Het bezwaarschrift moet worden ondertekend en moet tenminste bevatten:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) de dagtekening;

c) een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar is gericht;

d) de gronden van bezwaar.

Het bezwaarschrift kunt u richten aan de afdeling Juridische en Bestuurlijke Zaken van de Rijksluchtvaartdienst, Postbus 90771, 2509 LT Den Haag.

Naar boven