Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving en investeringsaftrek Nederlandse Antillen en Aruba 2001

20 december 2000

WDB00/918M

Directoraal-generaal voor Fiscale Zaken Directie Wetgeving Directe Belastingen

De Staatssecretaris van Financiën;

Handelende in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken en in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

Gelet op de artikelen 3.34, 3.36, 3.38, 3.42, 3.42a, 3.52 en 10.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001,

Besluit:

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1

1. Deze regeling geeft uitvoering aan de artikelen 3.34, 3.36, 3.38, 3.42, 3.42a, 3.52 en 10.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

2. Deze regeling verstaat onder wet: Wet inkomstenbelasting 2001.

Hoofdstuk 2 Willekeurige afschrijving voor nieuwe gebouwen

Artikel 2

1. De willekeurige afschrijving op grond van artikel 10.10, eerste lid, van de wet is slechts van toepassing met betrekking tot nieuwe gebouwen waarvan de aanschaffings- of voortbrengingskosten ten minste □ 453 000 (f 1.000.000) bedragen en waarvan de economische eigendom berust bij een lichaam dat is onderworpen aan de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, niet zijnde een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 28 van die wet, en dat met betrekking tot de vaste inrichting waaraan de nieuwe gebouwen worden toegerekend, in de Nederlandse Antillen of Aruba zonder keuzemogelijkheid, zonder ervan te zijn vrijgesteld en zonder toepassing van een bijzonder regime, is onderworpen aan een aldaar geheven belasting naar de winst. Daarbij zijn artikel 3.45, eerste lid, onderdelen c en d, en artikel 3.46 van de wet van overeenkomstige toepassing.

2. Voor de toepassing van het eerste lid blijven buiten aanmerking gebouwen die bestemd zijn om - direct of indirect - hoofdzakelijk ter beschikking te worden gesteld aan lichamen welke in de Nederlandse Antillen of Aruba niet zijn onderworpen aan een belasting naar de winst, of daaraan wel zijn onderworpen maar zijn vrijgesteld of zijn onderworpen met toepassing van een keuzemogelijkheid of een bijzonder regime.

3. Voor de toepassing van dit artikel, van artikel 6, eerste lid, van artikel 7, tweede lid, en van artikel 12, tweede lid, wordt niet als een bijzonder regime aangemerkt, een regime op grond waarvan de heffing van de belasting naar de winst geheel of gedeeltelijk achterwege blijft voor een periode van ten hoogste 10 jaar en waarbij doel en strekking meebrengen dat het ook van toepassing is op inwoners van de Nederlandse Antillen respectievelijk Aruba of op transacties die plaatsvinden met inwoners van de Nederlandse Antillen respectievelijk Aruba.

Artikel 3

De willekeurige afschrijving op nieuwe gebouwen als bedoeld in artikel 2 bedraagt ten hoogste 50% van de af te schrijven aanschaffings- of voortbrengingskosten.

Artikel 4

De willekeurige afschrijving is slechts van toepassing indien bij de aangifte een afschrift van een verklaring omtrent de juistheid en de volledigheid van de vermelde gegevens omtrent het nieuwe gebouw is gevoegd, welke verklaring is afgegeven door een registeraccountant of accountant-administratieconsulent.

Artikel 5

Met betrekking tot nieuwe gebouwen als bedoeld in artikel 2 wordt de periode bedoeld in artikel 3.38, van de wet gesteld op tien jaar aanvangende met het begin van het kalenderjaar waarin de verplichtingen zijn aangegaan of de voortbrengingskosten zijn gemaakt.

Hoofdstuk 3 Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek

Artikel 6

1. Investeringen in bedrijfsmiddelen die worden toegerekend aan het vermogen van een vaste inrichting die gelegen is in de Nederlandse Antillen of Aruba komen slechts in aanmerking voor kleinschaligheidsinvesteringsaftrek als bedoeld in artikel 3.41, eerste lid, van de wet indien de belastingplichtige met betrekking tot die vaste inrichting in de Nederlandse Antillen of Aruba zonder keuzemogelijkheid, zonder ervan te zijn vrijgesteld en zonder toepassing van een bijzonder regime, is onderworpen aan een aldaar geheven belasting naar de winst.

2. Bij de in artikel 3.41, eerste lid, van de wet bedoelde keuze wordt aangegeven tot welke bedragen de investeringen betrekking hebben op bedrijfsmiddelen die worden toegerekend aan het vermogen van een vaste inrichting die gelegen is in de Nederlandse Antillen of Aruba.

Hoofdstuk 4 Energie-investeringsaftrek

Artikel 7

1. Met betrekking tot investeringen in bedrijfsmiddelen die worden toegerekend aan het vermogen van een vaste inrichting die gelegen is in de Nederlandse Antillen of Aruba, worden als energie-investeringen als bedoeld in artikel 3.42, tweede lid, van de wet aangewezen: de investeringen in bedrijfsmiddelen of in onderdelen daarvan, opgenomen in bijlage I bij de Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001 met dien verstande dat voor investeringen in categorie B, apparatuur en processen, een energiebesparingsnorm van ten minste 0,4 Nm3 aardgasequivalenten per jaar per geïnvesteerde gulden geldt, mits het bedrijfsmiddel of het onderdeel in overeenstemming is met de bestemming voorzover aangegeven in die bijlage, niet eerder is gebruikt en bestaat uit de in die bijlage genoemde bestanddelen.

2. De in het eerste lid bedoelde investeringen in bedrijfsmiddelen komen slechts in aanmerking voor de energie-investeringsaftrek indien de belastingplichtige met betrekking tot de vaste inrichting waaraan deze bedrijfsmiddelen worden toegerekend, in de Nederlandse Antillen of Aruba zonder keuzemogelijkheid, zonder ervan te zijn vrijgesteld en zonder toepassing van een bijzonder regime, is onderworpen aan een aldaar geheven belasting naar de winst.

Artikel 8

1. De aanmelding, bedoeld in artikel 3.42, zesde lid, van de wet, van de aangegane verplichtingen of de gemaakte voortbrengingskosten ter zake van investeringen in bedrijfsmiddelen als bedoeld in artikel 7 vindt plaats binnen een termijn van drie maanden. Deze termijn vangt aan:

a. met betrekking tot verplichtingen: bij het aangaan van de verplichtingen;

b. met betrekking tot voortbrengingskosten: bij de aanvang van het kalenderkwartaal volgend op dat waarin de kosten zijn gemaakt of, indien het bedrijfsmiddel of het onderdeel ter zake waarvan de kosten zijn gemaakt in het kalenderkwartaal in gebruik is genomen, bij de ingebruikneming van het bedrijfsmiddel respectievelijk het onderdeel.

2. Indien artikel 3.52, eerste lid, onderdeel b, van de wet toepassing vindt, vangt met betrekking tot voortbrengingskosten de termijn aan bij de inwerkingtreding van de ministeriële regeling indien dat leidt tot een aanmelding op een eerder tijdstip dan op grond van het eerste lid.

Artikel 9

1. Bij de aanmelding wordt een verklaring ingediend omtrent de juistheid en de volledigheid van de vermelde gegevens omtrent het bedrijfsmiddel of het onderdeel, welke verklaring is afgegeven door een registeraccountant of accountant-administratieconsulent (accountantsverklaring). Een afschrift van de accountantsverklaring wordt bij de administratie gevoegd.

2. De aanmelding van de aangegane verplichtingen en de gemaakte voortbrengingskosten en de indiening van de accountantsverklaring geschieden door middel van het door de inspecteur uitgereikte of toegezonden formulier. Terzake wordt een ontvangstbewijs afgegeven.

Artikel 10

1. De aanmelding van investeringen in bedrijfsmiddelen als bedoeld in artikel 7 wordt aangemerkt als een verzoek om een verklaring van de Minister van Economische Zaken als bedoeld in artikel 3.42, eerste lid, van de wet.

2. De verklaring van de Minister van Economische Zaken, bedoeld in het eerste lid, vermeldt in welke aangewezen bedrijfsmiddelen of onderdelen is geïnvesteerd alsmede het bedrag van de uitgaven terzake.

3. De belastingplichtige legt ten behoeve van het verstrekken van een verklaring als bedoeld in het eerste lid, indien de Minister van Economische Zaken daarom verzoekt, een berekening van de energiebesparing over.

Artikel 11

1. De Minister van Economische Zaken kan de in artikel 10 bedoelde verklaring wijzigen of intrekken indien de door of namens belastingplichtige verstrekte gegevens of bescheiden zodanig onjuist of onvolledig zijn geweest dat op het verzoek een andere beslissing zou zijn genomen indien bij de beoordeling daarvan de juiste of volledige gegevens bekend zouden zijn geweest. Onjuistheid of onvolledigheid van gegevens of bescheiden die de Minister van Economische Zaken bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond opleveren voor wijziging of intrekking van een verklaring.

2. De bevoegdheid tot het intrekken of wijzigen van een verklaring op grond van het eerste lid vervalt door verloop van vijf jaren na de dagtekening van de verklaring.

Hoofdstuk 5 Milieu-investeringsaftrek

Artikel 12

1. Met betrekking tot investeringen in bedrijfsmiddelen die worden toegerekend aan het vermogen van een vaste inrichting die gelegen is in de Nederlandse Antillen of Aruba, worden als milieu-investeringen als bedoeld in artikel 3.42a, tweede lid, van de wet aangewezen: de investeringen in bedrijfsmiddelen of in onderdelen daarvan, opgenomen in de bijlage bij de Aanwijzingsregeling milieu-investeringsaftrek 2001, mits het bedrijfsmiddel of het onderdeel in overeenstemming is met de bestemming voorzover aangegeven in die bijlage, niet eerder is gebruikt en bestaat uit de in die bijlage genoemde bestanddelen.

2. De in het eerste lid bedoelde investeringen in bedrijfsmiddelen komen slechts in aanmerking voor de milieu-investeringsaftrek indien de belastingplichtige met betrekking tot de vaste inrichting waaraan deze bedrijfsmiddelen worden toegerekend, in de Nederlandse Antillen of Aruba zonder keuzemogelijkheid, zonder ervan te zijn vrijgesteld en zonder toepassing van een bijzonder regime, is onderworpen aan een aldaar geheven belasting naar de winst.

Artikel 13

1. De aanmelding, bedoeld in artikel 3.42a, vijfde lid, van de wet, van de aangegane verplichtingen of de gemaakte voortbrengingskosten ter zake van investeringen in bedrijfsmiddelen als bedoeld in artikel 12 en de indiening van de accountantsverklaring vindt plaats binnen een termijn van drie maanden. Deze termijn vangt aan:

a. met betrekking tot verplichtingen: bij het aangaan van de verplichtingen;

b. met betrekking tot voortbrengingskosten: bij de aanvang van het kalenderkwartaal volgend op dat waarin de kosten zijn gemaakt of, indien het bedrijfsmiddel of het onderdeel ter zake waarvan de kosten zijn gemaakt in het kalenderkwartaal in gebruik is genomen, bij de ingebruikneming van het bedrijfsmiddel respectievelijk het onderdeel.

2. Indien artikel 3.52, eerste lid, onderdeel b, van de wet toepassing vindt, vangt met betrekking tot voortbrengingskosten de termijn aan bij de inwerkingtreding van de ministeriële regeling indien dat leidt tot een aanmelding op een eerder tijdstip dan op grond van het eerste lid.

Artikel 14

1. Bij de aanmelding wordt een verklaring ingediend omtrent de juistheid en de volledigheid van de vermelde gegevens omtrent het bedrijfsmiddel of het onderdeel, welke verklaring is afgegeven door een registeraccountant of accountant-administratieconsulent (accountantsverklaring). Een afschrift van de accountantsverklaring wordt bij de administratie gevoegd.

2. De aanmelding van de aangegane verplichtingen en de gemaakte voortbrengingskosten en de indiening van de accountantsverklaring geschieden door middel van het door de inspecteur uitgereikte of toegezonden formulier. Terzake wordt een ontvangstbewijs afgegeven.

Hoofdstuk 6 Controle op naleving voorschriften

Artikel 15

De artikelen 3.34, 3.35, 3.40 tot en met 3.44, van de wet in verbinding met artikel 10.10, eerste en tweede lid, van de wet zijn slechts van toepassing indien de belastingplichtige uiterlijk bij het doen van de aangifte over het jaar waarin de investering is gedaan doch desgevraagd eerder, er schriftelijk mee instemt dat de verplichtingen, bedoeld in hoofdstuk VIII, afdeling 2, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen ook gelden ten behoeve van de controle op de naleving van de voorschriften in deze regeling op het grondgebied van de Nederlandse Antillen of Aruba en wel jegens de inspecteur en iedere op de voet van artikel 56 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen aangewezen andere ambtenaar van de rijksbelastingdienst.

Hoofdstuk 7 Inwerkingtreding en citeertitel

Artikel 16

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.

Artikel 17

Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving en investeringsaftrek Nederlandse Antillen en Aruba 2001.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Financiën,W.J. Bos.

Toelichting

Doordat de Wet op de inkomstenbelasting 1964 bij artikel 11.1, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is ingetrokken, vervalt van rechtswege ook de op die wet gebaseerde Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving en (energie)investeringsaftrek Nederlandse Antillen en Aruba, tenzij een nieuwe grondslag wordt gegeven aan die regeling. Met het oog op de duidelijkheid is gekozen voor een nieuwe regeling: de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving en investeringsaftrek Nederlandse Antillen en Aruba 2001.

Investeringsaftrek kan gelet op artikel 3.40 van de Wet inkomstenbelasting 2001 de vorm hebben van kleinschaligheidsinvesteringsaftrek, van energie-investeringsaftrek en van milieu-investeringsaftrek. De kleinschaligheidsinvesteringsaftrek en de energie-investeringsaftrek golden al voor de Nederlandse Antillen en Aruba. Gelet op het feit dat de milieu-investeringsaftrek inmiddels in werking is getreden en als gevolg van artikel 10.10 ook voor milieu-investeringen op de Nederlandse Antillen en Aruba van toepassing zal zijn, is de regeling op dit punt aangevuld.

In artikel 10.10, vierde lid, van de wet is de bevoegdheid opgenomen om nadere regels te stellen voor de toepassing van dat artikel. Van deze bevoegdheid is in de onderhavige regeling gebruik gemaakt.

Met de aanpassing van verwijzingen en formuleringen is geen inhoudelijke wijziging beoogd.

De Staatssecretaris van Financiën,

W.J. Bos.

Naar boven