Wijziging Uitvoeringsregeling ammoniak en veehouderij
7 december 2000
Nr. BWL/2000127713
Directoraat-Generaal Milieubeheer/Directie Bodem, Water, Landelijk gebied/Afdeling
Landbouw
De Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
en van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;
Gelet op artikel 1, derde lid, van de Interimwet ammoniak en veehouderij;
Besluiten:
Artikel I
Bijlage 4 bij de Uitvoeringsregeling ammoniak en veehouderij1
wordt vervangen door de bijlage die is opgenomen in de bijlage bij deze regeling.
Artikel II
Deze regeling treedt in werking met ingang van de zevende dag na de dagtekening
van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
's-Gravenhage, 7 december 2000.
De Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,J.P. Pronk.
De Minister
van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,L.J. Brinkhorst.
1 Stcrt. 1994, 162; laatstelijk gewijzigd bij ministeriële
regeling van 31-05-2000 (Stcrt. 105).
Bijlage, behorende bij de regeling tot achtste wijziging
van de Uitvoeringsregeling ammoniak en veehouderij
Eindnoten:
1. De emissie heeft betrekking op een stalperiode van oktober tot mei.
2. De emissie heeft betrekking op een stalperiode van maximaal drie maanden
in de winter.
3. De emissiefactor geldt inclusief opfok, jongvee onderscheidenlijk jongen,
en reuen,waardoor zij niet apart meetellen voor de berekening van de ammoniakemissie.
4. Indien er meer dan 36 biggenplaatsen voor gespeende biggen per 10 fokzeugenplaatsen
zijn, geldt voor de biggenplaatsen boven de 36 voor het desbetreffende stalsysteem
de emissiefactor voor vleesvarkens.
5. Voor opfokzeugen na de eerste dekking wordt de emissiefactor voor fokzeugen
gehanteerd.
6. Dit getal geldt in gevallen waarin de mest direct van het bedrijf wordt
afgevoerd, of gedurende een periode van ten hoogste twee weken op het bedrijfsterrein
wordt opgeslagen in een afgedekte container.
7. Het onderscheid tussen paarden en pony's ligt bij een stokmaat (schofthoogte)
van 156,0 cm.
8. Het eerste getal geldt voor de stalsystemen onder E 1.5 en E 1.7; het
tweede getal geldt voor stalsystemen onder E 2.5 en E 2.11. De emissiefactor
voor E 6.4 (overige opslag van mest) geldt alleen indien er geen andere nageschakelde
technieken (E 6.1, E 6.2 of E 6.3) worden toegepast.
9. Het aantal dierplaatsen dient te worden vastgesteld door het aantal
dieren in de 10e week na opzetten te tellen.
10. In verband met wijziging van de grenswaarden (Stcrt. 1999, 60) is
de Groen-Label-erkenning per 1 juli 1999 ingetrokken.
11. Het volièresysteem is al dan niet van mestbandbeluchting voorzien.
Bij toepassing van een mestnadroogsysteem moet de mest echter minimaal 2x
per week worden afgedraaid.
Indien in de tabel wordt verwezen naar een Groen-Labelnummer, wordt de
desbetreffende emissiefactor uitsluitend gehanteerd bij de berekening van
de emissie vanuit een stal die is of zal worden gebouwd overeenkomstig de
door de Stichting Groen Label bij de verlening van het Groen-Labelnummer gepubliceerde
beschrijving van het stalsysteem, die van dat Groen-Labelnummer is voorzien.
Toelichting
De onderhavige regeling strekt tot wijziging van de Uitvoeringsregeling
ammoniak en veehouderij (hierna: de Uitvoeringsregeling). Het gaat uitsluitend
om een actualisering van de bijlage met de emissiefactoren (bijlage 4). Het
betreft de toevoeging van Groen Label stalsystemen en actualisering van reeds
in de bijlage vermelde Groen Label nummers. Verder is, naar aanleiding van
vragen en opmerkingen uit de praktijk, een aantal verbeteringen in bijlage
4 aangebracht.
Ten behoeve van de hanteerbaarheid in de praktijk wordt bijlage 4 integraal
vervangen.
Artikel I (vervanging van bijlage 4)
Hoofdcategorie D: Varkens
Bij alle categorieën varkens is een biologisch luchtwassysteem toegevoegd
waaraan een Groen Label is verleend, met als subnummer: BB 96.10.042V1/E 00.06.087.
Dit systeem is in staat om de ammoniakemissie met 70% te reduceren.
Bovendien is bij alle categorieën varkens een chemisch luchtwassysteem
toegevoegd met het Groen Labelnummer BB 00.02.084. Dit systeem is in staat
om de ammoniakemissie met 95% te reduceren.
Ook is bij alle categorieën varkens waar het koeldeksysteem wordt
toegepast, een nieuw Groen Labelsysteem (nummer BB 00.06.093) opgenomen. Het
betreft hier een alternatieve uitvoering van het koeldeksysteem, waarbij van
een warmtepomp gebruik wordt gemaakt.
Daarnaast zijn bij de categorie guste en dragende zeugen twee nieuwe stalsystemen
met groepshuisvesting toegevoegd. Het eerste groepshuisvestingssysteem met
Groen Label-erkenning BB 00.06.085 is een systeem zonder strobed, met metalen
driekantroosters en schuine putwanden in het mestkanaal. Dit systeem kan zowel
toegepast worden in een groepshuisvestingssysteem met voerligboxen in combinatie
met uitloop, alsook in een groepshuisvestingssysteem met zeugenvoerstation(s).
De ammoniakemissie wordt beperkt door toepassing van metalen driekantrooster
in het achterste deel van en tussen de ligboxen, en door schuine wanden in
de mestkelder. Hierdoor wordt het emitterend oppervlak beperkt tot 0,55 m2 per dierplaats. De emissiefactor van dit systeem is 2,3 kg NH3 per dierplaats per jaar.
Het tweede groepshuisvestingssysteem was al eerder in de Uitvoeringsregeling
ammoniak en veehouderij opgenomen onder het oude nummer D 1.3.9. In verband
met de Groen Label-erkenning (nummer BB 00.06.086) is de oude naam gewijzigd
in: `rondloopstal met zeugenvoerstation en strobed'.
De ammoniakemissie wordt beperkt door sturing van het mestgedrag van zeugen
middels een duidelijke scheiding van ligruimte en activiteitenruimte en ruim
strogebruik (laagdikte 15 - 40 cm), waarbij minimaal 1x per week stro wordt
ververst of aangevuld. De ligruimte bedraagt 1,3 tot 1,5 m2 per
dierplaats; het emitterend mestoppervlak per dierplaats is maximaal 1,1 m2. Het totaal beschikbaar oppervlak per dierplaats bedraagt 2,25 tot
2,5 m2. De emissiefactor van dit systeem is 2,6 kg NH3
per dierplaats per jaar.
Onder D 3.2.13 is de versie van het Groen Labelnummer BB 98.10.065/A 99.11.079
gewijzigd in BB 98.10.065/A 99.11.079V1. Dit betreft een wijziging van het
bij het staltype toegestane roostertype boven het mestkanaal waarbij 'andere
dan metalen driekantroosters' wordt vervangen door 'roosters'.
Verder is de omschrijving van het koeldeksysteem voor guste en dragende
zeugen (D 1.3.8) verbeterd. Van dit systeem bestaat namelijk zowel een versie
met 115% koeloppervlak (thans weergegeven onder D 1.3.8.1) als een versie
met 135% koeloppervlak (thans weergegeven onder D 1.3.8.2). De emissiefactoren
van beide versies zijn overigens gelijk. Bij het opnemen van de versie met
135% koeloppervlak in de Uitvoeringsregeling in juni 1999 (Stcrt. 1999, 139)
is de versie met 115% koeloppervlak abusievelijk niet meer vermeld.
Hoofdcategorie E: Kippen
Bij deze hoofdcategorie zijn twee chemische luchtwassystemen opgenomen.
Een systeem voor grondhuisvesting van vleeskuikens, met Groen Labelnummer
BB 00.02.083. Het andere luchtwassysteem betreft volière- en grondhuisvesting
van legkippen (Groen Labelnummer BB 00.06.089), opfokhennen en hanen van legrassen,
jonger dan 18 weken (BB 00.06.089/A 00.06.090), ouderdieren van vleeskuikens
(Groen Labelnummer BB 00.06.089/B 00.06.091) en grondhuisvesting van vleeskuikens
(Groen Labelnummer BB 00.06.089/C 00.06.092).
Voorts is de categorie-omschrijving van E 2 gewijzigd van `legkippen (voor
(groot-) ouderdieren van legrassen geldt E 2.6)' in `legkippen en (groot-)
ouderdieren van legrassen'. Omdat legkippen en (groot-) ouderdieren van legrassen
niet verschillen in emissie wanneer ze gehouden worden in hetzelfde huisvestingssysteem
is bij de subcategorieën van E 2 het huisvestingssysteem als uitgangspunt
genomen en de aanduiding van diercategorieën weggelaten. Dit betekent
dat subcategorie E 2.8 nu wordt omschreven als grondhuisvesting met beluchting
onder gedeeltelijk verhoogde roos-tervloer (perfosysteem). Bij de subcategorieën
E 2.7 en E 2.9 is de toevoeging `zgn. scharrelkippen en (groot-) ouderdieren
van legrassen' komen te vervallen, aangezien uit de categorie-omschrijving
van E 2 al blijkt dat dit voor genoemde diercategorieën geldt. Bij de
subcategorie E 2.5.2 is het aangegeven ventilatiedebiet per leghen veranderd
in ventilatiedebiet per dier.
Bij de 5e wijziging van de Uitvoeringsregeling (Stcrt. 1998, 245) is een
aparte categorie voor nageschakelde technieken ingevoerd (E 6). Bij de vorige
wijziging van de Uitvoeringsregeling (Stcrt. 2000, 105) is in eindnoot 8 vermeld
dat de nageschakelde technieken E 6.1 en E 6.2 ook gelden voor volièrehuisvesting
voor opfokhennen en legkippen (E 1.7 en E 2.10, thans E 1.7 en E 2.11) in
combinatie met mestbanddroging. Dit heeft in de uitvoeringspraktijk tot vragen
geleid over de wijze waarop deze regeling moet worden toegepast. Daarom wordt
bij deze wijziging een en ander verduidelijkt.
Bij volièresystemen wordt een deel van de mest op mestbanden gedeponeerd
en regelmatig afgedraaid (1 of 2 keer per week). Daarmee zijn deze systemen
qua mestbehandeling identiek aan de systemen opgenomen onder E 1.5 en E 2.5
(mestbandbatterij met geforceerde mestdroging). In bijlage 4 wordt daarom
thans ook de relatie met de nageschakelde technieken op identieke wijze weergegeven.
In de categorie-omschrijving van E 6 (nageschakelde technieken) staan de volièresystemen
E 1.7 en E 2.11 nu expliciet vermeld en is bij de beschrijving van deze systemen
zelf verwezen naar de nageschakelde technieken in E 6. Anders dan in de vorige
wijziging van de Uitvoeringsregeling was aangegeven, is bij voornoemde volièresystemen
ook de combinatie met E 6.4 (overige opslag van mest) mogelijk.
Bij toepassing van een nageschakelde techniek zoals bedoeld in E 6.1,
E 6.2 of E 6.3 kan het voorkomen dat de nabehandelde mest langere tijd op
het bedrijf wordt opgeslagen. In die gevallen geldt echter niet de opslagfactor
van E 6.4 (overige opslag van mest), omdat door de nabehandeling de resterende
emissie uit de mest verwaarloosbaar zal zijn. In eindnoot 8 wordt daarom nu
ook vermeld dat de emissiefactor voor E 6.4 alleen geldt indien er geen andere
nageschakelde techniek wordt toegepast. In het hierna volgende schema zijn
de verschillende combinatiemogelijkheden weergegeven.
Luchtwassystemen:
Onlangs heeft het ministerie van VROM aan gemeenten, provincies en andere
belanghebbende instanties een brief over de toepassing van luchtwassystemen
gestuurd (brief van 18 mei 2000, nr. DWL/2000055147). In de bijgevoegde notitie
worden de milieuhygiënische randvoorwaarden voor verwijdering van spuiwater
beschreven. Wanneer aan deze randvoorwaarden wordt voldaan, is er wat de spuiwaterproblematiek
betreft geen bezwaar tegen toepassing van een luchtwassysteem.
Aan de hand van voornoemde notitie kunnen de bevoegde instanties zo nodig
met behulp van het van toepassing zijnde wettelijke kader aan het verwijderen
van spuiwater voorschriften stellen die afdoende bescherming van het milieu
waarborgen.
Artikel II (inwerkingtreding)
Evenals bij vorige wijzigingen van de Uitvoeringsregeling is ook bij deze
wijziging afgezien van het opnemen van overgangsrecht. Dat betekent in de
eerste plaats uiteraard dat de gewijzigde Uitvoeringsregeling vanaf de datum
van inwerkingtreding van de onderhavige wijzigingsregeling van toepassing
is op aanvragen om vergunning die op of na die datum worden ingediend. Gelet
op de huidige jurisprudentie betekent dit echter ook dat de gewijzigde Uitvoeringsregeling
toegepast moet worden op reeds vóór die datum ingediende aanvragen
waarop het bevoegd gezag op de datum van inwerkingtreding nog een beslissing
moet nemen. Aanvragers kunnen in lopende vergunningprocedures derhalve geconfronteerd
worden met een gedwongen aanpassing van de aanvraag of met een andere emissiefactor.
Dit stemt echter overeen met het uitgangspunt dat bij een beslissing op een
aanvraag om een milieuvergunning de meest recente milieuhygiënische inzichten
moeten worden toegepast.
Wat een eventuele beroepsfase betreft, mag worden verwacht dat de rechter
in beginsel zal uitgaan van de Uitvoeringsregeling zoals zij gold op de datum
waarop de gemeente de bestreden beschikking heeft genomen.
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
J.P. Pronk.
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
L.J. Brinkhorst.