Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | Staatscourant 2000, 233 pagina 20 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | Staatscourant 2000, 233 pagina 20 | beleidsregel |
Besluit tot wijziging van de beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving in verband met de vaststelling van beleidsregels inzake beheersing van blootstelling aan kwarts in de bouw, toepassing van kooldioxide en van vloeibare stikstof, wijziging van de lijst van bestuurlijke grenswaarden en enige andere wijzigingen
27 november 2000
Nr. ARBO/AIS/00/77072
Directie Arbeidsomstandigheden
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst,
Gelet op Richtlijn 2000/39/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 8 juni 2000 tot vaststelling van een eerste lijst van indicatieve grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling ter uitvoering van Richtlijn 98/24/EG van de Raad betreffende de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van werknemers tegen risico's van chemische agentia op het werk (PbEG L 142);
Besluit:
De Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving1 worden als volgt gewijzigd:
A
Het zesde lid van Beleidsregel 33, Boeteoplegging, komt te luiden:
6. De boete die per boetebeschikking aan een werkgever (rechtspersoon of een natuurlijk persoon) of anderen dan de werkgever, bedoeld in het tweede lid van deze beleidsregel, kan worden opgelegd bedraagt
a. minimaal f 250,-;
b. maximaal f 100.000.
B
Na beleidsregel 4.4 -8, Voorkomen van brand en explosie en het beperken van de gevolgen van brand bij het werken in verfspuitcabines, worden de volgende twee nieuwe beleidsregels ingevoegd:
Beleidsregel 4.4 -9 Voorkomen van verstikking of bedwelming bij toepassing van kooldioxide
Grondslag: Arbobesluit artikel 4.4, eerste tot en met vierde lid.
Ten aanzien van de opslag of toepassing van kooldioxide worden de volgende voorzieningen adequaat geacht ter vermijding van een ongewilde gebeurtenis als bedoeld in artikel 4.4, eerste tot en met derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, danwel ter beperking van de gevolgen van een ongewilde gebeurtenis als bedoeld in artikel 4.4, vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
1. In betreedbare ruimten waar kooldioxide wordt opgeslagen of toegepast, waaronder begrepen arbeid aan of verwijderen van reservoirs, installaties of andere verpakkingen waarin zich kooldioxide bevindt, wordt het kooldioxidegehalte permanent gemeten met een vast opgestelde detector in de volgende situaties:
a. in ruimten kleiner dan 100 m3 inhoud waar de luchtverversing van de totale inhoud van de ruimte minder dan vier keer per uur bedraagt;
b. in ruimten groter dan 100 m3 inhoud waar de luchtverversing van de totale inhoud van de ruimte minder dan twee keer per uur bedraagt.
2. Indien ventilatie wordt toegepast vindt afzuiging dicht bij de bodem (op ca. 25 cm boven de bodem) plaats.
3. Indien in situaties als bedoeld in het eerste lid een stationaire meting redelijkerwijs niet uitvoerbaar is wordt voordat de ruimte wordt betreden alsmede tijdens het verblijf in die ruimte het kooldioxidegehalte gemeten met een draagbare detector.
4. De detectoren, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn voorzien van CE-markering en hebben
a. een vooralarm dat in werking treedt wanneer de kooldioxideconcentratie in de ruimte 9.000 mg/m3 (0,5 volumeprocent) bedraagt;
b. een hoofdalarm dat in werking treedt wanneer de kooldioxideconcentratie in de ruimte 30.000 mg/m3 (1,5 volumeprocent) bedraagt.
5. Bij overschrijding van een kooldioxideconcentratie van 30.000 mg/m3 worden maatregelen getroffen om de toegang tot de ruimte te beletten dan wel wordt de ruimte alleen betreden met gebruik van onafhankelijke ademhalingsbeschermingsmiddelen.
6. De goede werking van de detectoren, bedoeld in het eerste en tweede lid, is gewaarborgd door middel van periodiek onderhoud en deskundige controle.
7. Deze beleidsregel is niet van toepassing voor ruimten waarin de aanwezige hoeveelheid kooldioxide minder dan 1,0 kg bedraagt.
Beleidsregel 4.4 -10 Voorkomen van verstikking bij toepassing van vloeibare stikstof
Grondslag: Arbobesluit artikel 4.4, eerste tot en met vierde lid.
Ten aanzien van de opslag en toepassing van vloeibare stikstof worden de volgende voorzieningen adequaat geacht ter vermijding van een ongewilde gebeurtenis als bedoeld in artikel 4.4, eerste tot en met derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, danwel ter beperking van de gevolgen van een ongewilde gebeurtenis als bedoeld in artikel 4.4, vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
1. In betreedbare ruimten waar vloeibare stikstof wordt opgeslagen of toegepast, waaronder begrepen het vullen, leegmaken of verwijderen van reservoirs of installaties, wordt het zuurstofgehalte permanent gemeten met een vast opgestelde detector in de volgende situaties:
a. in ruimten kleiner dan 100 m3 inhoud waar de luchtverversing van de totale inhoud van de ruimte minder dan vier keer per uur bedraagt;
b. in ruimten groter dan 100 m3 inhoud waar de luchtverversing van de totale inhoud van de ruimte minder dan twee keer per uur bedraagt.
2. Indien in situaties als bedoeld in het eerste lid een stationaire meting redelijkerwijs niet uitvoerbaar is wordt voordat de ruimte wordt betreden alsmede tijdens het verblijf in die ruimte het zuurstofgehalte gemeten met een draagbare detector.
3. De detectoren bedoeld in het eerste en tweede lid zijn voorzien van CE-markering en hebben
a. een vooralarm dat in werking treedt wanneer de zuurstofconcentratie in de ruimte 19 volumeprocent bedraagt;
b. een hoofdalarm dat in werking treedt wanneer de zuurstofconcentratie in de ruimte lager is dan 18 volumeprocent.
4. Bij een zuurstofconcentratie van 18 volumeprocent of lager worden maatregelen getroffen om de toegang tot de ruimte te beletten dan wel wordt de ruimte alleen betreden met gebruik van onafhankelijke ademhalingsbeschermingsmiddelen.
5. De goede werking van de detector blijft gewaarborgd door middel van periodiek onderhoud en deskundige controle.
6. Deze beleidsregel is niet van toepassing voor ruimten waarin de aanwezige hoeveelheid vloeibare stikstof minder dan 1,0 kg bedraagt.
C
Beleidsregel 4.16, Doeltreffende beheersing van blootstelling aan kankerverwekkende stoffen door gebruik van ademhalingsbeschermingsmiddelen, wordt gewijzigd als volgt:
1. In de grondslag wordt na `afdeling 1' ingevoegd: , en artikel 9.3, eerste lid.
2. Na het vierde lid wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:
5. Deze beleidsregel is niet van toepassing bij blootstelling aan respirabel kwarts in de bouwnijverheid. Ten aanzien van doeltreffende ademhalingsbeschermingsmiddelen bij blootstelling aan respirabel kwarts in deze sector, wordt gehandeld overeenkomstig het in beleidsregel 4.18 -4 gestelde.
D
In de grondslag van beleidsregel 4.18-3, Gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen bij overschrijding van grenswaarde voor asbest en asbestsloop, wordt na `juncto artikel 4.54' ingevoegd: juncto hoofdstuk 8, afdeling 1, en artikel 9.3, eerste lid.
E
Na beleidsregel 4.18-3, Gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen bij overschrijding van grenswaarde voor asbest en asbestsloop, wordt een beleidsregel ingevoegd, luidende:
Beleidsregel 4.18 -4 Doeltreffende beheersing van blootstelling aan kristallijn, respirabel kwarts in de bouw
Grondslag: Arbobesluit artikel 4.16, tweede en derde lid, en artikel 4.18, eerste tot en met vierde lid, juncto hoofdstuk 8, afdeling 1, en artikel 9.3, eerste lid
1. Aan het bepaalde in artikel 4.16, tweede en derde lid en artikel 4.18, eerste tot en met vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, wordt voor wat betreft het voorkomen dan wel beperken van blootstelling aan kristallijn respirabel kwarts in de bouwnijverheid voldaan wanneer adequate arbeidsmiddelen dan wel werkmethoden worden toegepast overeenkomstig het in tabel 1 van bijlage 12 bij deze beleidsregel gestelde en waar nodig aanvullende ademhalingsbeschermingsmiddelen worden gebruikt waarbij het gestelde in tabel 2 van bijlage 12 bij deze beleidsregel in acht genomen wordt.
2. Gasbeton en zandkalksteenblokken worden niet gezaagd, deze worden met een blokkenschaar op maat geknipt.
3. Bij de hierna vermelde werkzaamheden, niet in tabel 1 van bijlage 12 genoemd, worden in ieder geval ademhalingsbeschermingsmiddelen ter beschikking gesteld en gedragen: het aanbrengen van spuitbeton, koppensnellen, droog-gritstralen, nat-olivinezandstralen, nat-gritstralen en vacuumstralen.
4. De keuze en het gebruik van het juiste type ademhalingsbescherming worden bepaald door de hoogte van de blootstelling aan kwartsstof en de gebruiksomstandigheden. Daarbij wordt in acht genomen dat het ademhalingsbeschermingsmiddel geschikt is wanneer de daaraan toegekende protectiefactor, als genoemd in tabel 2 en de daarbij behorende onderdelen a. tot en met g. van bijlage 12 bij deze beleidsregel, toereikend is om de blootstelling aan kwartsstof te reduceren tot onder de op grond van artikel 4.20 van de Arbeidsomstandighedenregeling vastgestelde wettelijke grenswaarde voor kristallijn respirabel kwarts.
F
In beleidsregel 6.14, Caissonarbeid, wordt in het tweede lid, onderdeel n `bijlage 12' vervangen door: bijlage 13.
G
Het eerste lid van beleidsregel 7.4 -2, Deugdelijkheid hijs- en hefgereedschap, wordt gewijzigd als volgt:
1. Onderdeel a. komt te luiden:
a. NEN-EN 1492-1:2000; Hijsbanden - Veiligheid - Deel 1: Vlakke geweven hijsbanden, gemaakt van kunststofvezels, voor algemeen gebruik.
2. Onderdelen b. tot en met e. worden verletterd tot c. tot en met f. en een nieuw onderdeel b. wordt ingevoegd, dat luidt:
b. NEN-EN 1492-2:2000; Hijsbanden - Veiligheid - Deel 2: Ronde hijsbanden, gemaakt van kunststofvezels, voor algemeen gebruik.
H
Beleidsregel 8.2, Keuze van persoonlijke beschermingsmiddelen, wordt gewijzigd als volgt:
1. Voor de bestaande tekst wordt het cijfer `1.' geplaatst.
2. Na het eerste lid wordt een lid toegevoegd, luidende:
2. In aanvulling op deze beleidsregel geldt ten aanzien van de keuze van ademhalingsbeschermingsmiddelen bij blootstelling aan:
a. kankerverwekkende stoffen, beleidsregel 4.16.
b. asbest en asbestsloop, beleidsregel 4.18-3.
c. kristallijn respirabel kwarts in de bouw, beleidsregel 4.18-4.
I
Bijlage 1, behorend bij beleidsregel 33 Arbowet (tarieflijst boetenormbedragen), wordt gewijzigd als volgt:
1. De tekst onder artikel 4 van deel 1 Arbowet komt te luiden:

2. Deel 2 Arbeidsomstandighedenbesluit wordt gewijzigd als volgt:
a. In de tekst betreffende artikel 2.36, lid 2, wordt `artikel 2.31' telkens vervangen door: artikel 2.35.
b. Het beboetbare feit betreffende artikel 7.36 komt te vervallen.
J
Bijlage 2, behorend bij beleidsregel 33 Arbowet, wordt gewijzigd als volgt:
1. `(artikel 3.4, lid 1, Arbobesluit)' wordt vervangen door: (artikel 3.4, lid 2, Arbobesluit).
2. Onder de ernstige beboetbare feiten betreffende artikel 3.16, lid 1, en artikel 3.16, lid 3, wordt de volgende tekst toegevoegd:
N.B.! Indien het valgevaar gepaard gaat met risicoverhogende omstandigheden, zoals het gevaar te vallen op of langs uitstekende delen, de aanwezigheid van verkeer, het vallen in water e.d., dan kan er, afhankelijk van de toename van het risico, ook bij geringere werkhoogte sprake zijn van een ernstig feit.
3. In het ernstige beboetbare feit betreffende artikel 4.62b Arbobesluit wordt `artikel 4.41a' telkens vervangen door `artikel 4.32a'.
K
Bijlage 6 behorende bij beleidsregel 4.2 -1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, wordt gewijzigd als volgt:
1. In de tekst onder het kopje `Respirabel/inhaleerbaar stof' wordt `NEN-EN 481:1993' vervangen door: `NEN-EN 481:1994';
2. De grenswaarden voor de volgende stoffen worden als volgt gewijzigd:

9 Deze waarden gelden met ingang van 1 juni 2001. Tot deze datum geldt een waarde van 0,25 mg/m3 TGG 8 uur.
10 Deze waarden gelden met ingang van 1 juni 2001. Tot deze datum geldt een waarde van 3 mg/m3 TGG 8 uur.
11 Deze waarden gelden met ingang van 1 juni 2001. Tot deze datum geldt een waarde van 100 mg/m3 TGG 8 uur en 200 mg/m3 TGG 15 min.
12 Deze waarden gelden met ingang van 1 juni 2001. Tot deze datum geldt een waarde van 135 mg/m3 TGG 8 uur en 270 mg/m3 TGG 15 min.
13 Deze waarde geldt met ingang van 1 juni 2001. Tot deze datum geldt een waarde van 0,05 mg/m3 TGG 8 uur.
14 Deze waarden gelden met ingang van 1 juni 2001. Tot deze datum geldt een waarde van 150 mg/m3 TGG 8 uur en 301 mg/m3 TGG 15 min.
15 Deze waarden gelden met ingang van 1 juni 2001. Tot deze datum geldt een waarde van 26 mg/m3 TGG 8 uur.
16 Deze waarden gelden met ingang van 1 juni 2001. Tot deze datum geldt een waarde van 0,3 mg/m3 als Ceilingwaarde.
17 Deze waarde geldt met ingang van 1 juni 2001. Tot deze datum geldt een waarde van 5 mg/m3 TGG 8 uur.
18 Deze waarde geldt met ingang van 1 juni 2001. Tot deze datum geldt een waarde van 0,2 mg/m3 TGG 8 uur.
3. In alfabetische volgorde worden de volgende stoffen ingevoegd:


19 Deze waarde geldt met ingang van 1 juni 2001.
20 MAC-waarde geldt voor respirabel stof.
L
De aanhef van bijlage 11 komt te luiden:
Bijlage 11
behorend bij beleidsregel 4.18-2 Arbobesluit
M
Onder vernummering van bijlage 12, behorend bij beleidsregel 6.14 Arbobesluit, tot bijlage 13, wordt een nieuwe bijlage 12 ingevoegd welke als bijlage bij dit besluit is gevoegd.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, met uitzondering van:
1. Artikel I, onderdeel B, dat in werking treedt met ingang van 1 maart 2001;
2. Artikel I, onderdelen C en E, die in werking treden met ingang van 1 januari 2001.
Dit besluit zal met bijlage 12 en de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
's-Gravenhage, 27 november 2000.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,J.F. Hoogervorst,
namens deze,
de
Directeur-Generaal,
R.IJ.M. Kuipers.
1 Supplement Stcrt. 15 oktober 1999, nr. 199, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 14 juli 2000, supplement bij Stcrt. 139.
In onderstaande tabel 1 is bij de onderscheiden werkzaamheden aangegeven welke apparatuur en/of werkwijze, gelet op de mogelijkheden en uitgaande van de stand der techniek, toegepast moet worden teneinde de concentratie kwartsstof waaraan werknemers worden blootgesteld zo veel mogelijk te beheersen.
In verschillende situaties is de ontwikkeling van technieken evenwel nog onvoldoende om de blootstelling aan kwartsstof te beperken tot een niveau dat onder de wettelijke grenswaarde ligt. Het is dan noodzakelijk om persoonlijke beschermingsmiddelen toe te passen volgens de keuzesystematiek van tabel 2 en de daarbij behorende onderdelen b. tot en met g. In onderstaande tabel 1 is in de laatste kolom aangegeven in welke situaties in elk geval ademhalingsbeschermingsmiddelen noodzakelijk zijn. De ademhalingsbeschermingsmiddelen dienen te voldoen aan het gestelde in het onderdeel b. onder tabel 2.
a. Bij het ter beschikking stellen van persoonlijke beschermingsmiddelen als genoemd in tabel 2 wordt het volgende in acht genomen:
De genoemde typen ademhalingsbeschermingsmiddelen voldoen minimaal aan de normen:
· NEN-EN 136:1998 `Ademhalingsbeschermingsmiddelen. Volgelaatsmaskers. Eisen, beproevingsmethoden, merken', inclusief Correctieblad C1:2000;
· NEN-EN 140:1998 `Ademhalingsbeschermingsmiddelen. Halfmaskers en kwartmaskers. Eisen, beproevingsmethoden, merken' inclusief Correctieblad C1:2000;
· NEN-EN 143:2000 `Ademhalingsbeschermingsmiddelen - Deeltjesfilters - Eisen, beproeving, merken';
· Ontwerp NEN-EN 149:1998 `Ademhalingsbeschermingsmiddelen - Filtrerende halfmaskers ter bescherming tegen deeltjes - Eisen beproeving, merken';
· NEN-EN 270:1995 `Ademhalingsbeschermingsmiddelen; persluchttoestellen met een kap; Eisen, beproevingsmethoden, merken';
· NEN-EN 271:1995 `Ademhalingsbeschermingsmiddelen - Via slang gevoede of aangedreven ademhalingstoestellen met een kap voor gebruik tijdens straalwerkzaamheden - Eisen, beproevingsmethoden, merken', inclusief Aanvullingsblad A1:2000;
· Ontwerp NEN-EN 405:1998 `Ademhalingsbeschermingsmiddelen. Filtrerend halfmasker ter bescherming tegen gassen of gassen en stoffen. Eisen, beproeving, merken';
· NEN-EN 1827:1999 `Ademhalingsbeschermingsmiddelen - Halfmaskers zonder inademventiel en met deelbare filters ter bescherming tegen gas of gas en deeltjes of tegen alleen deeltjes - Eisen, beproeving, merken';
· NEN-EN 1835: `Ademhalingsbeschermingsmiddelen. Slangentoestellen, geschikt voor ademlucht, voor lichte werkzaamheden met een helm of kap. Eisen, beproevingsmethoden, merken';
· NEN-EN 12021:1999 `Ademhalingsbeschermingsmiddelen. Perslucht voor ademhalingstoestellen';
· NEN-EN 12419:1999 `Ademhalingsbeschermingsmiddelen. Slangentoestellen, geschikt voor ademlucht, voor lichte werkzaamheden met een volgelaatsmasker, een halfgelaatsmasker of een mondstukgarnituur. Eisen, beproevingsmethoden, merken';
· NEN-EN 12941:1998 `Ademhalingsbeschermingsmiddelen - Aangedreven filters gecombineerd met een helm of kap - Eisen beproeving, merken';
· NEN-EN 12942:1998 `Ademhalingsbeschermingsmiddelen - Aangedreven filters gecombineerd met volgelaatsmaskers , halfgelaatsmaskers of kwartgelaatsmaskers - Eisen, beproeving, merken'.
b. Bij langdurig gebruik van filtrerende middelen met verwisselbare filters, langer dan twee uur, is het gelaatsmasker voorzien van een aanblaasunit, of wordt gebruik gemaakt van een masker met onafhankelijke toevoer van verse lucht.
c. Filtrerende gelaatsstukken kunnen slechts één keer worden gebruikt en worden na gebruik direct verwijderd.
d. Bij gezichtsbeharing wordt uitsluitend een aangedreven ademhalingsbeschermingsmiddel gedragen met een zodanige luchttoevoer dat inwaardse lekkage wordt voorkomen.
e. Halfgelaatsmaskers worden ter voorkoming van lekkage langs het montuur, niet in combinatie met een (veiligheids)bril gedragen.
f. Een volgelaatsmasker met stoffilter wordt alleen in combinatie met een (veiligheids)bril gebruikt, als de bril zodanig in het masker inzetbaar is, dat geen lekkage optreedt langs het brilmontuur.
g. Bij fysiek inspannend werk (o.a. traplopen) wordt het gebruik van een aangedreven deeltjesfilter niet gecombineerd met een helm of kap.
Tabel 1: werkzaamheden die voorkomen tijdens een bouw- of sloopproces en de daarbij te nemen beheersmaatregelen ter voorkoming van kwartsblootstelling


1) Voor de keuze van het juiste type ademhalingsbeschermingsmiddel, zie tabel 2 en de daarbij behorende onderdelen a. tot en met g.
2) Onder seriewerk wordt verstaan, het aaneensluitend boren van een groot aantal gaten van gelijke diameter en diepte
Tabel 2: De keuze van een ademhalingsneschermingsmiddel bij een gegeven maximale concentratie kwarts in de omgevingslucht

1) De beschermingsfactoren zijn overgenomen uit Arbouw advies nr. 12 voor de bouwnijverheid.
2) Filtrerend gelaatsstuk (FFP: filtering face piece). Het `masker' bestaat uit het filter zelf. P2 en P3 betreffen kwaliteitsaanduidingen van het filtermateriaal. P3 vertegenwoordigt de hoogste beschermingsgraad.
Middels dit wijzigingsbesluit worden drie nieuwe beleidsregels toegevoegd, enkele correcties in de bestaande tekst doorgevoerd en NEN-normen geactualiseerd. Daarnaast worden een aantal nieuwe stoffen toegevoegd aan de lijst van bestuurlijke grenswaarden en wordt de bestuurlijke grenswaarde voor een aantal stoffen gewijzigd.
Twee nieuwe beleidsregels strekken ertoe de risico's te beperken welke als gevolg van te hoge concentraties kooldioxide of vloeibare stikstof kunnen ontstaan. De derde beleidsregel bevat regels ter beperking van de blootstelling aan kwartsstof in de bouwnijverheid.
Onderdeel A (Beleidsregel 33 Arbowet)
Bij een vorige wijziging van de beleidsregel is voor wat betreft de boeteoplegging van bepalingen uit de bouwproces-paragraaf een categorie belanghebbenden (opdrachtgever, ontwerpende en uitvoerende partij) aan het tweede lid toegevoegd. Verzuimd is destijds om aan te geven dat de minimaal en maximaal op te leggen boete per boetebeschikking ook voor deze categorie belanghebbenden geldt. Het zesde lid is daarmee nu in overeenstemming gebracht.
Beleidsregel 4.4 -9 Arbobesluit
Uit de resultaten van een inspectieproject horeca van de Arbeidsinspectie is gebleken dat er moeilijk ventileerbare bierkelders voorkomen waarin een of meer gasflessen gevuld met kooldioxide zijn opgeslagen en/of deel uitmaken van een biertapinstallatie. In een aantal gevallen heeft dit geleid tot bewusteloosheid of de dood van personen.
Het uitgangspunt bij deze en vergelijkbare toepassingen is dat voorzien wordt in adequate ventilatie van de ruimten waarin werknemers ten gevolge van deze toepassingen het gevaar zouden lopen om onwel te worden dan wel te overlijden door verhoging van het gehalte aan kooldioxide in de lucht.
In de verplichte risico-inventarisatie en evaluatie (rI&E), bedoeld in artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, moet worden vastgesteld wat de gevaren zijn van enerzijds het werken met en anderzijds de opslag van kooldioxide in de praktijksituaties. In het plan van aanpak, dat deel uitmaakt van de rI&E, moet worden aangegeven welke maatregelen genomen worden om het risico van verstikking, bedwelming of vergiftiging als gevolg van kooldioxide te beperken.
Er zijn situaties zoals de bovengenoemde bierkelders waarin er problemen zijn om adequate ventilatie te realiseren. Een aantal van deze situaties zijn de volgende:
· Moeilijk ventileerbare kelders of andere ruimten waarin cilinders of opslagvaten, gevuld met kooldioxide onder druk (al dan niet gekoeld) worden toegepast ten behoeve van een biertapinstallatie of `softdrinkdispenser' dan wel daar als reserve worden opgeslagen.
· Ruimten waarin cilinders gevuld met kooldioxide onder druk (al dan niet gekoeld) worden opgesteld of toegepast in productie-units voor verpakte voedingsmiddelen, dan wel voor andere productiedoeleinden;
Daarnaast zijn er ook andere situaties waarbij het mogelijk is dat het gebruik van gasvormige kooldioxide of vast kooldioxide de in de beleidsregel vermelde maatregelen noodzakelijk maakt. Een van deze andere situaties is de toepassing van gasvormig kooldioxide voor het verhogen van het kooldioxidegehalte in de glastuinbouw om de groei te bevorderen. Bij deze laatste toepassing is, naast mogelijke blootstelling in opslagruimten, sprake van een continue blootstelling van de in de kassen werkzame werknemers.
Voor continue blootstelling aan kooldioxide geldt de maximaal aanvaarde concentratie van 9.000 mg/m3. Voor kortstondige blootstelling aan kooldioxide is een concentratie van 30.000 mg/m3 nog toelaatbaar. Hogere concentraties leiden tot ademhalingsproblemen. De alarmeringsgrenzen van de detectoren dienen te zijn afgestemd op deze grenzen, waarbij het vooralarm op het lage niveau wordt afgesteld.
Beleidsregel 4.4 -10 Arbobesluit
Gebleken is dat bij bedrijven in de voedingsmiddelenindustrie waar productielijnen worden toegepast om vlees in te vriezen met vloeibare stikstof werknemers onwel zijn geworden door zuurstofgebrek. In een recent verleden zijn personen overleden door zuurstofgebrek in stations voor kunstmatige inseminatie. In deze stations wordt sperma ingevroren en bewaard in reservoirs die gevuld zijn met vloeibare stikstof.
Het uitgangspunt bij deze en vergelijkbare toepassingen is dat het zuurstofgehalte van de ademhalingslucht door adequate ventilatie op een acceptabel niveau (minimaal 18 volumeprocent) wordt gehouden. In de verplichte risico-inventarisatie en evaluatie (rI&E), bedoeld in artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, moet worden vastgesteld wat de gevaren zijn van enerzijds het werken met en anderzijds de opslag van vloeibare stikstof in de praktijksituaties. In het plan van aanpak, dat deel uitmaakt van de rI&E, moet worden aangegeven welke maatregelen genomen worden om het risico van verstikking als gevolg van vloeibare stikstof te beperken.
O.a. in de volgende arbeids- en opslagsituaties kunnen er problemen zijn om adequate ventilatie te realiseren:
· Ruimten waarin zich al dan niet ingekaste productielijnen voor het met vloeibare stikstof invriezen van vlees of andere voedingsmiddelen bevinden. In deze ruimten is het eveneens zinvol om vanwege de mogelijke concentratieverschillen van zuurstof en stikstof naast een permanente zuurstofmeting eveneens de beschikking te hebben over een draagbare detector.
· Stations voor kunstmatige inseminatie waar werkzaamheden worden verricht in de nabijheid van reservoirs gevuld met vloeibare stikstof. Onder andere is het vullen van deze reservoirs een van de hier bedoelde werkzaamheden. In korte tijd kan tijdens het vullen van deze reservoirs door verdamping van vloeibare stikstof een zuurstoftekort in de ruimte ontstaan. In deze ruimten is het vaak zinvol om vanwege de mogelijke concentratieverschillen van zuurstof en stikstof naast een permanente zuurstofmeting eveneens de beschikking te hebben over een draagbare detector.
Daarnaast zijn er ook andere situaties waarbij het mogelijk is dat het gebruik van vloeibare stikstof in de beleidsregel vermelde maatregelen noodzakelijk maakt. Hierbij kan worden gedacht aan spermabanken voor mensen en aan dermatologie-afdelingen van ziekenhuizen waar de genoemde stoffen worden opgeslagen en toegepast voor het verwijderen van wratten. Het is ook mogelijk dat voor deze doeleinden slechts een geringe hoeveelheid vloeibare stikstof aanwezig is; voor die situaties is deze beleidsregel niet bedoeld.
Bij dreigend zuurstoftekort mag de concentratie zuurstof niet beneden 18 volumeprocent geraken. Het hoofdalarm van de detectoren dient te zijn afgestemd op deze grens, terwijl het vooralarm op een hoger niveau (19 volumeprocent) wordt afgesteld.
Onderdeel C (Beleidsregel 4.16 Arbobesluit)
In de grondslag is tot uitdrukking gebracht dat de beleidsregel tevens is gebaseerd op artikel 9.3, eerste lid, van het Arbobesluit (betreft de verplichting van de werknemer om ter beschikking gestelde persoonlijke beschermingsmiddelen daadwerkelijk te gebruiken).
In het nieuwe vijfde lid is tot uitdrukking gebracht dat deze beleidsregel met betrekking tot het gebruik van ademhalingsbeschermingsmiddelen niet geldt bij blootstelling aan respirabel kwarts in de bouwsector. De motivatie hiervoor is als volgt. Respirabel kwarts is een kankerverwekkende stof die een zogenoemde veilige drempelwaarde kent. Dit wil zeggen dat blootstelling beneden deze drempelwaarde, in dit geval tevens de wettelijke grenswaarde voor respirabel kwarts, voor zover de huidige kennis strekt, geen kanker of andere gezondheidseffecten veroorzaakt. Volgens beleidsregel 4.18 -1 wordt blootstelling aan dergelijke kankerverwekkende stoffen voldoende beheerst, als de wettelijke grenswaarde voor deze stof, niet wordt overschreden. Met het vaststellen van de huidige beleidsregel 4.18 -4 en het buiten werking stellen van beleidsregel 4.16, wordt voor de bouwnijverheid een meer flexibel keuzesysteem van ademhalingsbeschermingsmiddelen beschreven, waarmee bereikt wordt dat de blootstelling aan respirabel kwarts de wettelijke grenswaarde niet overschrijdt.
Onderdelen D (Beleidsregel 4.18-3 Arbobesluit)
In de grondslag is tot uitdrukking gebracht dat de beleidsregel tevens is gebaseerd op hoofdstuk 8, afdeling 1, van het Arbobesluit (betreft verplichtingen met betrekking tot persoonlijke beschermingsmiddelen) alsmede artikel 9.3, eerste lid, van het Arbobesluit (betreft de verplichting van de werknemer om ter beschikking gestelde persoonlijke beschermingsmiddelen daadwerkelijk te gebruiken).
Onderdeel E (Beleidsregel 4.18-4 Arbobesluit)
In deze beleidsregel zijn beheersmaatregelen omschreven die gehanteerd dienen te worden bij werkzaamheden in de bouwnijverheid waar gewerkt wordt met of aan materialen die kwartshoudend zijn. Bij het bewerken van deze materialen kunnen aanzienlijke concentraties kristallijn respirabel kwartsstof vrijkomen. Dit kan tot gevolg hebben dat betrokken werknemers bij deze hoog-risicowerkzaamheden worden blootgesteld aan concentraties van deze (kankerverwekkende) stof die schadelijk zijn voor de gezondheid.
De Sociaal-Economische Raad (SER) waarin werkgevers- en werknemersorganisaties zijn vertegenwoordigd, heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid geadviseerd om de grenswaarde voor kwarts in de bouwnijverheid per 1 januari 2001 te verlagen tot 0,075 milligram per kubieke meter lucht (mg/m3), over een tijdgewogen gemiddelde van acht uur. De huidige maximale aanvaarde concentratie (MAC-waarde) van 0,15 mg/m3 komt met ingang van die datum te vervallen. De nieuwe wettelijke grenswaarde van 0,075 mg/m3 komt overeen met de waarde die sinds 1996 is ingevoerd in alle andere bedrijfssectoren, buiten de bouwnijverheid. De Staatssecretaris heeft bij de vaststelling van deze verlaagde grenswaarde voor kwarts in andere sectoren dan de bouwnijverheid, de Tweede Kamer geïnformeerd over zijn voornemen om beleidsregels vast te stellen met het oog op de toekomstige invoering van de verlaagde wettelijke grenswaarde in de bouw. Deze toezegging krijgt nu per 1 januari 2001 zijn beslag.
De beleidsregel heeft betrekking op die hoog-risicovolle werkzaamheden in de bouwnijverheid waarbij uit onderzoeken is gebleken dat (aanzienlijke) reductie van de blootstelling aan kwartshoudend stof door bronmaatregelen mogelijk is. Per type werkzaamheid zijn in tabel 1 van de bij deze beleidsregel behorende bijlage 12, beheersmaatregelen opgenomen die uitgaan van de stand van de techniek zoals deze wordt toegepast bij de `best-practice' bedrijven. Doorgaans is sprake van afzuiging, al dan niet in combinatie met een vorm van bevochtiging van het kwartshoudend stof, waardoor het neerslaat. Voorzover deze stand van de techniek van beheersmaatregelen ontoereikend blijkt te zijn, dienen op basis van de uitkomsten van de risico-inventarisatie en risico-evaluatie (RI&E) van de werkgever additionele maatregelen genomen te worden. Uit tabel 1 blijkt voor welke werkzaamheden dit geldt. Indien het gebruik van ademhalingsbeschermingsmiddelen noodzakelijk is, wordt doorverwezen naar tabel 2 van bijlage 12, waaruit een keuze gemaakt kan worden voor het type middel. De keuze is afhankelijk van de blootstellingsconcentratie en andere van invloed zijnde factoren en omstandigheden, zoals opgenomen onder tabel 2. In deze tabel 2 zijn, in afwijking van beleidsregel 4.16, eerste lid, afwijkende protectiefactoren van ademhalingsbeschermingsmiddelen opgenomen. In beleidsregel 4.16 is sprake van nominale protectiefactoren. Protectiefactoren geven de mate van bescherming van ademhalingsbeschermingsmiddelen aan. Hoe hoger deze factor, hoe beter de bereikbare bescherming van de drager. De in tabel 2 opgenomen toegekende protectiefactoren zijn op de praktijksituatie geënte protectiefactoren. Deze reflecteren de daadwerkelijke bescherming van de drager meer dan de nominale protectiefactoren. T.b.v. de uiteindelijke keuze van een ademhalingsbeschermingsmiddel, dient de nominale protectiefactor vertaald te worden naar een toegekende protectiefactor, mede met inachtneming van genoemde omgevings- en persoonskenmerken. Deze vertaalslag heeft in bijlage 2 zijn weerslag gekregen. In de bouw is consensus over de getalswaarden van de in tabel 2 opgenomen protectiefactoren. Ze zijn ontleend aan de door de bouw opgestelde voorlichtingsbrochure, `Arbouw-advies voor de Bouwnijverheid, nr. 12, Ademhalingsbeschermingsmiddelen tegen stof'.
De beschrijving van de stand van de techniek is gebaseerd op gegevens uit de rapporten `Blootstelling aan kwarts in de bouwnijverheid'; september 1999 van de Landbouwuniversiteit Wageningen, `Overzicht van bewerkingen op basis van plan van aanpak van werkgevers'; oktober 1999 van het Algemeen Verbond Bouwbedrijf, en de volgende rapporten van de stichting Arbouw: `Grote stofbronnen in de bouwnijverheid'; november 1994 en `Inventarisatie Stofarme Sloopapparatuur'; januari 2000.
Voor wat betreft de technische uitvoerbaarheid van de maatregelen die beschreven zijn in deze beleidsregel, is uitvoerig met sociale partners in de bouw gecommuniceerd. Op belangrijke hoofdpunten is overeenstemming bereikt.
De onderhavige beleidsregel is vooralsnog beperkt van opzet. Andere niet in de beleidsregel genoemde hoog-risicovolle werkzaamheden, waarvoor de stand van de techniek nog onvoldoende is ontwikkeld, zijn nog niet opgenomen in deze beleidsregel. De arboregelgeving is echter ook voor deze werkzaamheden onverkort van kracht. De individuele werkgever dient zich binnen de mogelijkheden van het bedrijf, in te spannen om maatregelen aan de bron te nemen (voorkómen van het ontstaan van kwartsstof) teneinde de blootstelling te verlagen. Indien dit tot onvoldoende resultaat leidt, is hij aangewezen op andere maatregelen (ventilatie, afscherming, persoonlijke beschermingsmiddelen). Het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen is de laatste maatregel die de werkgever kan inzetten. Deze maatregel dient vanwege de extra belasting voor de werknemer, tot een minimum beperkt te blijven. Met de introductie van de toepassing van persoonlijke beschermingsmiddelen, waaronder ademhalingsbescherming, dienen daarenboven additionele maatregelen te worden genomen die een correct gebruik van deze middelen waarborgen. Van belang zijn in dit verband de keuze voor het juiste middel, voorlichting en instructie van de werknemer over het juiste gebruik van de middelen, onderhoud en reparatie.
In het kader van het arboconvenant dat naar verwachting met sociale partners in de bouw zal worden afgesloten, zullen activiteiten worden ontplooid teneinde de stand van de techniek voor andere categorieën van werkzaamheden, waarvoor beheersmaatregelen onvoldoende of ernstig tekort schieten, `op te duwen', waardoor ook voor deze werkzaamheden op termijn sprake zal zijn van beheersing van de kwartsblootstelling door middel van bronmaatregelen.
Indien gebruik gemaakt wordt van de maatregelen, zoals opgenomen in deze beleidsregel, wordt er door de Arbeidsinspectie van uitgegaan dat de blootstelling aan kwarts volgens de stand van de techniek is beheerst. De blootstelling aan respirabel kwartsstof wordt gereduceerd tot een niveau, lager dan de wettelijke grenswaarde van 0,075 mg/m3. Wordt daarbij gebruik gemaakt van ademhalingsbescherming, dan dient de werkgever zijn toekomstige inspanningen gericht te houden op het nemen van meer structurele (bron)maatregelen, voorzover de stand van de techniek deze mogelijkheden dan wel biedt. Uiteindelijk doel is het bereiken van een blootstellingsniveau, lager dan de wettelijke grenswaarde, zonder het gebruik van ademhalingsbeschermingsmiddelen. In dit verband zij ook gewezen op het gestelde in artikel 4.18, vijfde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit op grond waarvan het permanent dragen van persoonlijke beschermingsmiddelen niet is geoorloofd.
De wijze waarop de werkgever de blootstelling aan kwartshoudend stof beheerst, dient onderdeel te zijn van de RI&E. Wanneer de werkgever afwijkt van de in de beleidsregel beschreven maatregelen, dient hij in de RI&E aan te tonen dat hij minimaal eenzelfde beschermingsniveau biedt.
Opgemerkt wordt dat deze beleidsregel, met uitzondering van beleidsregel 4.16, geen afbreuk doet aan de overige beleidsregels met betrekking tot kankerverwekkende stoffen. Tot slot zij erop gewezen dat beleidsregel 8.2 (Keuze van persoonlijke beschermingsmiddelen), als algemene beleidsregel voor persoonlijke beschermingsmiddelen eveneens van toepassing blijft op de keuze van ademhalingsbeschermingsmiddelen bij blootstelling aan kwarts in de bouwnijverheid.
In deze onderdelen zijn technische correcties aangebracht.
Onderdeel G (beleidsregel 7.4-2 Arbobesluit)
Dit onderdeel betreft een aanpassing van NEN-EN-normen.
Onderdeel H (beleidsregel 8.2)
In een nieuw tweede lid is tot uitdrukking gebracht dat in aanvulling op deze beleidsregel ten aanzien van de keuze van ademhalingsbeschermingsmiddelen bij blootstelling aan kankerverwekkende stoffen in het algemeen en voor asbest (en asbestsloop) en kwarts in de bouwnijverheid in het bijzonder aanvullende beleidsregels gelden.
In de `Gids persoonlijke beschermingsmiddelen' is sprake van nominale protectiefactoren. Zoals gesteld in de toelichting bij onderdeel E (beleidsregel 4.18 -4), wordt bij de keuze van ademhalingsbeschermingsmiddelen in de bouwnijverheid uitgegaan van de systematiek van toegekende protectiefactoren.
De Sociaal-Economische Raad (SER) heeft wijzigingen in de buitenlandse grenswaardenlijsten geïnventariseerd en na het gebruikelijke achterbanberaad met werkgevers- en werknemersorganisaties, geadviseerd nieuwe bestuurlijke grenswaarden (MAC-waarden) in te voeren of bestaande te wijzigen(Advies nr. 00.4344/jjb/ipw). De wijzigingen zijn afkomstig uit Engeland en Duitsland. Tevens heeft de SER adviezen van het Scientific Committee for Occupational Exposure Limits (SCOEL) van de Europese Commissie geïnventariseerd en op haalbaarheid getoetst. Met de vaststelling van bestuurlijke grenswaarden, wordt tevens uitvoering gegeven aan Richtlijn 2000/39/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 8 juni 2000 tot vaststelling van een eerste lijst van indicatieve grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling ter uitvoering van Richtlijn 98/24/EG van de Raad betreffende de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van werknemers tegen risico's van chemische agentia op het werk (PbEG L 142). Op grond van deze richtlijn worden, op communautair niveau, voor stoffen indicatieve grenswaarden vastgesteld. De lidstaten stellen vervolgens voor deze stoffen nationaal grenswaarden vast, waarbij zij rekening houden met de indicatieve grenswaarden.
De vermelde data van inwerkingtreding van de nieuwe of gewijzigde bestuurlijke grenswaarden, zoals opgenomen in de voetnoten bij de betreffende stoffen, geeft het bedrijfsleven een overgangstermijn teneinde zich te kunnen prepareren op deze waarden.
In het eerste lid is bepaald dat beleidsregel 4.4 -9 (Voorkomen van verstikking of bedweling bij toepassing van kooldioxide) en beleidsregel 4.4 -10 (Voorkomen van verstikking bij toepassing van vloeibare stikstof) in werking treden met ingang van 1 maart 2001.
In het tweede lid is bepaald dat de wijziging van beleidsregel 4.16 (Doeltreffende beheering van blootstelling aan kankerverwekkende stoffen door gebruik van ademhalings-beschermingsmiddelen) en beleidsregel 4.18 -4 (Doeltreffende beheersing van blootstelling aan kristallijn respirabel kwarts in de bouw) in werking treden met ingang van 1 januari 2001.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst,
namens deze,
de Directeur-Generaal,
R.IJ.M. Kuipers.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2000-233-p20-SC26534.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.