Regeling vluchten militaire onbemande luchtvaartuigen
19 januari 2000
C96/255/2000000240
De Staatssecretaris van Defensie;
Handelende in overeenstemming met de Minister van Verkeer en Waterstaat;
Gelet op artikel 56 van het Luchtverkeersreglement,
Besluit:
Artikel 1
Ten aanzien van vluchten met door de Minister van Defensie ingevolge artikel 5.7 van de Wet luchtvaart aangewezen onbemande luchtvaartuigen, waarbij door de aard van het luchtvaartuig of het doel van de vlucht niet kan worden voldaan aan de artikelen 11, 12, 14, 16, eerste lid, 28 en 42 tot en met 55 van het Luchtverkeersreglement, gelden de volgende nadere regels:
a. de vlucht wordt uitgevoerd in een gebied waar het uitoefenen van de burgerluchtvaart is verboden tijdens het gebruik van het gebied ten behoeve van militaire oefeningen;
b. de vlucht wordt afgestemd met eventueel ander militair luchtverkeer.
Artikel 2
Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit van 1 december 1998, houdende enige voorzieningen met betrekking tot onbemande luchtvaartuigen (Stb. 1998, 674) in werking treedt.
Artikel 3
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vluchten militaire onbemande luchtvaartuigen.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 19 januari 2000. De Staatssecretaris van Defensie,
H.A.L. van Hoof.
Toelichting
De onderhavige regeling geeft nadere regels ten aanzien van vluchten met militaire onbemande luchtvaartuigen. Het gaat daarbij zowel om het onbemande luchtvaartuig voor observatiedoeleinden, als om het zogenaamde doelvliegtuig, dat wordt gebruikt als doel of voor het slepen van een doel voor schietoefeningen. Hoofdstuk III van het Luchtverkeersreglement bevat een aantal voorschriften waaraan niet kan worden voldaan bij het vliegen met onbemande luchtvaartuigen. In de eerste plaats moet daarbij worden gedacht aan voorschriften met betrekking tot radiocontact en de zichtvliegvoorschriften, waaraan uiteraard niet kan worden voldaan in het geval van onbemande luchtvaartuigen. Ook de toepassing van instrumentvliegvoorschriften en de voorschriften met betrekking tot het gebruik van een hoogtemeter stuiten om die reden op bezwaren. Voor wat betreft het doelvliegtuig kunnen voorts de artikelen inzake slepen, kunstvluchten en boordverlichting geen toepassing vinden. Het slepen van een doel door het doelvliegtuig geschiedt op een geringere hoogte dan ingevolge de uitvoeringsregeling op grond van artikel 14 van het Luchtverkeersreglement is toegestaan. Voorts wordt bij het inzetten van de landing door het doelvliegtuig een abrupte opwaartse beweging gemaakt, die zich niet verdraagt met het artikel inzake kunstvluchten. Tenslotte beschikt het doelvliegtuig niet over boordverlichting.
Hoewel het mogelijk is op een aantal van de in het geding zijnde artikelen van het Luchtverkeersreglement uitzonderingen te creëren, is ervoor gekozen een integrale regeling met betrekking tot onbemande luchtvaartuigen tot stand te brengen op basis van artikel 56 van dit reglement. Dit komt de toegankelijkheid van de regelgeving ten goede.
In artikel 1 van de regeling is met het oog op de veiligheid van het luchtverkeer een tweetal voorwaarden opgenomen waaraan moet worden voldaan bij het vliegen met onbemande luchtvaartuigen. In de eerste plaats mag uitsluitend worden gevlogen in een gebied waar ingevolge de Regeling van de Staatssecretaris van Defensie van 19 september 1997, nr CWW 85/013, 97001918 (Stcrt 1997, 185) tijdens dat vliegen geen burgervliegverkeer plaatsvindt. Voorts moet het vliegen met onbemande luchtvaartuigen zijn afgestemd met eventueel ander militair luchtverkeer in het betrokken gebied.
De Staatssecretaris van Defensie,
H.A.L. van Hoof.