Regeling aanwijzing militaire onbemande luchtvaartuigen

19 januari 2000

C96/255/2000000237

De Staatssecretaris van Defensie;

Gelet op artikel 5.7, derde lid, van de Wet luchtvaart,

Besluit:

Artikel 1

Als onbemande luchtvaartuigen aan boord waarvan zich geen gezagvoerder bevindt, worden aangewezen:

a. militaire onbemande luchtvaartuigen voor observatiedoeleinden vanuit de lucht;

b. militaire onbemande luchtvaartuigen die worden gebruikt als doel voor schietoefeningen of voor het slepen van een doel voor schietoefeningen.

Artikel 2

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit van 1 december 1998, houdende enige voorzieningen met betrekking tot onbemande luchtvaartuigen (Stb. 1998, 674) in werking treedt.

Artikel 3

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanwijzing militaire onbemande luchtvaartuigen.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.


‘s-Gravenhage, 19 januari 2000. De Staatssecretaris van Defensie,
H.A.L. van Hoof.

Toelichting

De onderhavige regeling geeft uitvoering aan artikel 5.7, derde lid, van de Wet luchtvaart, zoals dat artikel is komen te luiden na de wijzigingen die daarin zijn aangebracht bij de Wet van 26 maart 1997 tot wijziging van de Wet Luchtverkeer (bewijzen van bevoegdheid, bestrijding drank- en drugsgebruik) (Stb. 1997, 255). Voorzien wordt in een expliciete aanwijzing van de militaire luchtvaartuigen aan boord waarvan zich geen gezagvoerder behoeft te bevinden.

De Staatssecretaris van Defensie,

H.A.L. van Hoof.

Naar boven