Oplegging gedoogplicht

Beschikking ingevolge de Belemmeringenwet Privaatrecht, houdende oplegging van de plicht tot het gedogen van de aanleg en instandhouding van een riolering met bijkomende werken, waaronder begrepen een damwandconstructie in de gemeente Papendrecht.

De Minister van Verkeer en Waterstaat;

Gezien het verzoek van Burgemeester en Wethouders van Papendrecht van 7 september 1999, kenmerk 99-7650-ROB, (aangevuld en gewijzigd bij schrijven van 13 oktober 1999, kenmerk 99-8506), teneinde

A. ingevolge artikel 2, vijfde lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht te beslissen dat:

1. H. Matena wonende te Papendrecht, rechthebbende op de onroerende zaken, kadastraal bekend gemeente Papendrecht, sectie A, nummers 6099 en 3671;

2. J. Matena-Elemans wonende te Papendrecht, rechthebbende op de onroerende zaak, kadastraal bekend gemeente Papendrecht, sectie A, nummer 6100;

3. J.C. Matena wonende te Papendrecht, rechthebbende op de onroerende zaken, kadastraal bekend gemeente Papendrecht, sectie A, nummers 3673 en 2644;

4. C. de Weerd-Matena wonende te Papendrecht, rechthebbende op de onroerende zaak, kadastraal bekend gemeente Papendrecht, sectie A, nummer 6116;

5. Gebr. Matena B.V. GEVD gevestigd te Papendrecht, rechthebbende op de onroerende zaak, kadastraal bekend gemeente Papendrecht, sectie A, nummer 6077;

6. J.G. van de Graaf-Matena en M.W. de Kok-Matena wonende te Papendrecht, rechthebbenden op de onroerende zaak, kadastraal bekend gemeente Papendrecht, sectie A, nummer 3669;

7. J.C. Matena, H. Matena (Westeind 137d) en H. Matena (Bosch 55) wonende te Papendrecht, rechthebbenden op de onroerende zaak, kadastraal bekend gemeente Papendrecht, sectie A, nummer 2731;

8. Vennootschap onder Firma Frigge Isolatie, gevestigd te Papendrecht, rechthebbende op de onroerende zaken, kadastraal bekend gemeente Papendrecht, sectie A, nummers 3704 en 3662;

9. P. van der Linden wonende te Papendrecht, rechthebbende op de onroerende zaak, kadastraal bekend gemeente Papendrecht, sectie A, nummer 3659;

10. H. van der Linden en J.A. van der Linden wonende te Papendrecht, rechthebbenden op de onroerende zaak, kadastraal bekend gemeente Papendrecht, sectie A, nummer 3658;

met wie voor de aanleg en instandhouding van riolering met bijkomende werken, waaronder begrepen een damwandconstructie in de gemeente Papendrecht geen overeenstemming is bereikt ter zake van het gebruik van deze onroerende zaken, behoudens recht op schadevergoeding, verplicht zijn de aanleg en instandhouding van die werken te gedogen overeenkomstig de stukken, welke ter inzage hebben gelegen ter secretarie van de gemeente Papendrecht;

B. ingevolge artikel 4, zesde lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht te beslissen dat met de uitvoering van de werken niet kan worden gewacht, totdat de in het eerste lid van dat artikel genoemde termijn is verstreken of op het in dat lid bedoelde verzoekschrift is beslist;

Gezien de overgelegde stukken en de ingekomen ambtsberichten;

Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland gehoord;

Overwegende dat het openbaar belang van de werken is erkend bij Koninklijk Besluit van 28 juli 1999, nummer 990003489;

Overwegende voorts dat Burgemeester en Wethouders van Papendrecht er niet in zijn geslaagd met de hierboven genoemde rechthebbenden omtrent het gebruik van de onroerende zaken tot overeenstemming te geraken.

Uit het proces-verbaal van de ingevolge artikel 2, vierde lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht in provinciehuis van Zuid-Holland gehouden zitting blijkt dat bezwaren zijn ingediend, dan wel zijn verwoord door:

I. De heer H. Matena en mevrouw M.I. Bruggemans van ARAG rechtsbijstand namens rechthebbenden op de onroerende zaken, kadastraal bekend gemeente Papendrecht, sectie A, nummers 6099, 6100, 3673, 2644, 6116, 3671, 6077, 3669 en 2731;

II. Mevrouw J.A. van der Linden mede namens H. van der Linden, rechthebbenden op de onroerende zaak, kadastraal bekend gemeente Papendrecht, sectie A, nummer 3658;

III. De heer G.J. Frigge van VOF Frigge Isolatie B.V. rechthebbende op de onroerende zaak, kadastraal bekend gemeente Papendrecht, sectie A, nummers 3662 en 3704.

Algemeen

Het onderhavige werk betreft de aanleg en instandhouding van een verzamelriolering ten behoeve van de woningen en bedrijven aan de buitendijkse zijde van een gedeelte van het Westeind in de gemeente Papendrecht. Het riool is gepland in de Papendrechtse Geul direct achter de hierlangs gelegen onroerende zaken. Het riool komt te liggen tussen de bestaande oever en een te plaatsen damwand in de Papendrechtse Geul. Deze keuze is gemaakt omdat de woningen lager staan dan het Westeind en thans hun afvalwater in de richting van de Papendrechtse Geul lozen. Indien het riool in de openbare weg van het Westeind zou worden aangelegd dan zouden alle aanliggende onroerende zaken van een rioolpompinstallatie moeten worden voorzien. De aanleg van het riool is nodig gelet op de taakstelling van de gemeente. Nu nog lozen de bedrijven en woningen al dan niet op septictanks ofwel rechtstreeks op de Papendrechtse Geul en daarmee op de rivier de Noord. De gemeente heeft krachtens artikel 10.16a van de Wet milieubeheer en de bouwverordening de zorgplicht om dit gebied op de openbare riolering aan te (doen) sluiten. Voorts hangt (het tijdstip van) de aanleg van de riolering nauw samen met de geplande afdamming van de Papendrechtse Geul. Deze afdamming vormt het sluitstuk van het dijkversterkingstraject Papendrecht-Centrum. In het kader van de Deltawet is de eis gesteld dat de totale dijkversterking uiterlijk in het jaar 2000 gerealiseerd moet zijn. Na de afdamming van de Papendrechtse Geul is deze geen open water meer, waardoor lozen op dat water niet langer is toegestaan. Onderdeel van de dijkversterking is tevens de sanering van de bodem van de Papendrechtse Geul. In verband met deze sanering is het van belang de percelen langs de Papendrechtse Geul op zo kort mogelijke termijn van riolering te voorzien.

Direct na de afdamming van de Papendrechtse Geul zal het beheer overgaan van het Rijk naar het Hoogheemraadschap van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden en het Zuiveringsschap Hollandse Eilanden en Waarden voor respectievelijk de waterkwantiteitszorg en het waterkwaliteitsbeheer.

Door rechthebbenden sub I zijn samengevat de volgende bezwaren ingediend:

1. Rechthebbenden hebben bezwaar tegen de aanleg van de persleiding op de onroerende zaak Westeind 137c (sectie A, nummer 6100) en stellen voor, de persleiding 1.5 meter in oostelijke richting te verschuiven. De leiding zou dan bij de buren komen te liggen, waar volgens rechthebbenden alleen een tegelpad in de tuin ligt. Het openbreken van dit tegelpad heeft volgens rechthebbenden daar minder consequenties dan bij hen.

De familie Matena vreest dat tijdens de aanleg van de leiding overlast zal ontstaan, omdat het pad naast de woning niet kan worden gebruikt door de aldaar gestalde bedrijfsauto’s en voor het weghalen van de ten behoeve van de scheepswerf opgeslagen materialen. Verder zijn zij bang na de aanleg van de persleiding aansprakelijk te zijn voor eventuele schade aan de leiding ten gevolge van het berijden van het pad met zwaar materieel. Voorts is in de onroerende zaak een groot blok beton aanwezig waar de leiding dwars doorheen zou moeten, hetgeen volgens rechthebbenden niet eenvoudig en duur is.

2. Rechthebbenden hebben voorts bezwaar tegen de aanleg van de verzamelriolering in de hellingbaan van de onroerende zaak A 3660, Westeind 121/123. Rechthebbenden vrezen gedurende de aanleg van de leiding, (als de hellingbaan is opengebroken), productie- en omzetverlies te lijden. Voorts kan de aanleg van de riolering in de hellingbaan een mogelijke beperking van toekomstige bouwmogelijkheden betekenen.

Ten aanzien van de bezwaren ad 1 wordt gesteld dat bij de keuze van de tracés voor de persleiding is uitgegaan van de meest rechtstreekse verbinding met het bestaande rioolstelsel, zij het dat bij perceel 71/73 de leiding aan de andere zijde van de onroerende zaak naast een bestaande gasleiding van Eneco is gesitueerd omdat op die strook al een belemmering lag in verband met de leiding van Eneco. Het argument bundeling van leidingen is echter bij de onroerende zaak van rechthebbende niet aan de orde zodat het in dit geval in de rede ligt om de meest rechtstreekse verbinding met het bestaande rioolstelsel te kiezen. Bovendien deelde de rechthebbende van de naastgelegen onroerende zaak desgevraagd mee niet bereid te zijn in te stemmen met het door de familie Matena voorgestelde alternatieve tracé. Het feit dat ten gevolg van de aanleg van de persleiding mogelijk een betonblok zal moeten worden doorboord heeft betrekking op de uitvoering van het werk. Hiervoor is de aanvrager verantwoordelijk en vormt op zich geen belemmering om de persleiding aldaar aan te leggen. Aanvrager deelde verder desgevraagd mee dat na de aanleg het gebruik van de grond (verharding en beplanting) boven de persleiding weer normaal kan worden voortgezet; de persleiding zal zodanig worden geconstrueerd dat schade ten gevolge van het berijden met zwaar materieel niet kan ontstaan. Verder wordt opgemerkt dat voor zover als gevolg van de aanleg en instandhouding van het werk concrete schade blijkt, toekomstschade daarbij inbegrepen, ingevolge het bepaalde in de slotalinea van artikel 1 juncto artikel 14, eerste lid van de Belemmeringenwet Privaatrecht die schadevergoeding kan worden gevorderd. De wet beoogt daarbij een recht op volledige schadevergoeding te bieden. De rechtsvorderingen hieromtrent staan ter kennis van de burgerlijke rechter. In het kader van de onderhavige besluitvorming mist het bezwaar evenwel relevantie.

Ten aanzien van het gestelde onder 2 wordt opgemerkt dat ter plaatse van de onroerende zaak Westeind 121/123 bij de hellingbaan van de scheepswerf van de familie Matena een betonnen damwand wordt geslagen, zodat die baan enige weken niet kan worden benut. Zoals reeds eerder opgemerkt houdt de aanleg van de riolering nauw verband met de afdamming en sanering van de Papendrechtse Geul hetgeen een gevolg is van de dijkversterkingen. Na de afdamming kan de werf niet meer als scheepswerf functioneren.

Dit is ook meegewogen door het Hoogheemraadschap van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden bij de beoordeling van het verzoek om nadeelcompensatie in het kader van de afdamming van de Papendrechtse Geul. Voorts wordt opgemerkt dat de hellingbaan geen bedrijfsbestemming heeft. Gelet op het bovengestelde wordt de aanleg van de riolering in de hellingbaan niet als onnodig belemmerend geacht. Ten aanzien van het bezwaar met betrekking tot het eventueel te lijden productie- en omzetverlies wordt verwezen naar hetgeen hieromtrent gesteld is onder ad 1. Vanwege de gemeente Papendrecht is medegedeeld dat over het tijdstip waarop de werkzaamheden plaatsvinden goede afspraken met betrokkene gemaakt kunnen worden. Zo kunnen de werkzaamheden op onroerende zaak Westeind 121/123 zoveel mogelijk in tijd naar achteren worden geschoven, zodat nog zo lang mogelijk gebruik kan worden gemaakt van de hellingbaan.

Rechthebbenden sub 2 hebben geen bezwaar tegen de riolering als zodanig, maar wel tegen de hoogte van de vergoeding voor het vestigen van het zakelijk recht; zij zijn van oordeel dat er waardevermindering optreedt en dat dit niet tot uitdrukking komt in de vergoeding voor het vestigen van het zakelijk recht. Voorts maken rechthebbenden bezwaar tegen een aantal onzorgvuldigheden in de procedure. Reclamanten stellen dat zij pas in een laat stadium zijn benaderd en dat de tekening die ter visie heeft gelegen van de onroerende zaak sectie A, nummer 3658 niet klopt, omdat bepaalde opstallen inmiddels zijn verwijderd en andere erbij zijn gebouwd.

Het bezwaar tegen de hoogte van de vergoeding voor het vestigen van een zakelijk recht is van financiële aard. Hiertoe wordt verwezen naar het geen hierover gesteld is onder rechthebbenden sub I, ad 1. Ten aanzien van het gestelde inzake het minnelijk overleg wordt opgemerkt dat mede gelet op de door verzoeker met rechthebbenden gevoerde correspondentie en gevoerd overleg, niet is gebleken dat verzoeker in onvoldoende mate heeft getracht in der minne met rechthebbenden overeenstemming te bewerkstelligen.

Ten aanzien van de tekeningen wordt opgemerkt dat de constatering dat deze niet geheel overeenstemmen met de thans aanwezige opstallen juist is. De onjuistheden hebben echter geen betrekking op de locatie van de persleiding en de pompputten.

Rechthebbende sub 3 heeft geen bezwaren tegen de aanleg van de riolering maar wil dat de damwand ter plaatse van zijn bedrijf twee meter wordt verhoogd, zodat dit terrein tot maaiveldhoogte kan worden opgehoogd en als extra opslagruimte door het bedrijf kan worden benut. Dit bezwaar is niet gericht tegen de aanleg van de onderhavige riolering en mist derhalve in het kader van de besluitvorming ingevolge de Belemmeringenwet Privaatrecht relevantie.

Overwegende dat het om technische redenen aangewezen is de werken met duurzame en tijdelijke gebruikmaking van de hiervoor vermelde onroerende zaken uit te voeren als is aangegeven op de stukken welke ter inzage hebben gelegen;

dat de belangen van rechthebbenden redelijkerwijs onteigening niet vorderen en in het gebruik van de onroerende zaken niet meer belemmering wordt gebracht, dan redelijkerwijs voor de aanleg en instandhouding van de werken noodzakelijk is;

dat de rechtsvorderingen tot vergoeding van schade staan ter kennisneming van de rechter van het kanton, waarin de onroerende zaken zijn gelegen;

dat de wettelijke formaliteiten in acht zijn genomen;

dat met de uitvoering van de werken niet kan worden gewacht, totdat de in artikel 4, eerste lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht genoemde termijn is verstreken of op het in dat lid bedoelde verzoekschrift is beslist;

Gelet op artikel 2, vijfde lid en artikel 4, zesde lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht;

Besluit:

I. aan:

1. H. Matena wonende te Papendrecht, rechthebbende op de onroerende zaken, kadastraal bekend gemeente Papendrecht, sectie A, nummers 6099 en 3671;

2. J. Matena-Elemans wonende te Papendrecht, rechthebbende op de onroerende zaak, kadastraal bekend gemeente Papendrecht, sectie A, nummer 6100;

3. J.C. Matena wonende te Papendrecht, rechthebbende op de onroerende zaken, kadastraal bekend gemeente Papendrecht, sectie A, nummers 3673 en 2644;

4. C. de Weerd-Matena wonende te Papendrecht, rechthebbende op de onroerende zaak, kadastraal bekend gemeente Papendrecht, sectie A, nummer 6116;

5. Gebr. Matena B.V. GEVD gevestigd te Papendrecht, rechthebbende op de onroerende zaak, kadastraal bekend gemeente Papendrecht, sectie A, nummer 6077;

6. J.G. van de Graaf-Matena en M.W. de Kok-Matena wonende te Papendrecht, rechthebbenden op de onroerende zaak, kadastraal bekend gemeente Papendrecht, sectie A, nummer 3669;

7. J.C. Matena, H. Matena (Westeind 137d) en H. Matena (Bosch 55) wonende te Papendrecht, rechthebbenden op de onroerende zaak, kadastraal bekend gemeente Papendrecht, sectie A, nummer 2731;

8. Vennootschap onder Firma Frigge Isolatie, gevestigd te Papendrecht, rechthebbende op de onroerende zaken, kadastraal bekend gemeente Papendrecht, sectie A, nummers 3704 en 3662;

9. P. van der Linden wonende te Papendrecht, rechthebbende op de onroerende zaak, kadastraal bekend gemeente Papendrecht, sectie A, nummer 3659;

10. H. van der Linden en J.A. van der Linden wonende te Papendrecht, rechthebbenden op de onroerende zaak, kadastraal bekend gemeente Papendrecht, sectie A, nummer 3658;

wordt, behoudens hun recht op schadevergoeding, de plicht opgelegd tot het gedogen van de aanleg en instandhouding van de in de aanhef van deze beschikking bedoelde werken;

II. met de uitvoering van de werken kan niet worden gewacht, totdat de in artikel 4, eerste lid, van de aangehaalde wet genoemde termijn is verstreken of op het in dat lid bedoelde verzoekschrift is beslist;

III. deze beschikking wordt ingevolge artikel 8, tweede lid, van de aangehaalde wet op kosten van de gemeente Papendrecht (Postbus 11, 3351 PB Papendrecht) bekendgemaakt in de Staatscourant.


De Minister van Verkeer en Waterstaat,
namens deze,
De hoofdingenieur-directeur,
ir. H.M. Schroten.

Mededeling

Ingevolge artikel 4, lid 1, van de Belemmeringenwet Privaatrecht (Stb. 1927, 159) kan een ieder, die enig recht heeft ten aanzien van de onroerende zaken waarop de onder I gegeven gedoogplicht betrekking heeft, binnen een maand nadat een afschrift van deze beschikking ter gemeentesecretarie ter inzage is gelegd, aan het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage (Postbus 20302, 2500 EH Den Haag) binnen het gebied waar de onroerende zaken gelegen zijn vernietiging van die beslissing verzoeken.

Het met redenen omklede verzoekschrift moet worden ingediend door een procureur.

De ingevolge artikel 4, vijfde lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht door het betreffende Gerechtshof te nemen beschikking wordt in de Staatscourant bekendgemaakt. Deze bekendmaking geschiedt blijkens artikel 8, tweede lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht op kosten van de verzoeker tot vernietiging van de gedoogplichtbeschikking, behalve in het geval dat het Gerechtshof te Den Haag de gegeven gedoogplichtbeslissing vernietigt.

Naar boven