Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Ministerie van FinanciënStaatscourant 2000, 130 pagina 11Besluiten van algemene strekking

Taxi's en BPM

6 juli 2000

Nr. WV/2000/413M

Directie Wetgeving Verbruiksbelastingen Afdeling accijnzen en motorrijtuigenbelasting

1. Inleiding

Op 1 januari 2000 is de Wet van 9 december 1999 tot wijziging van de Wet personenvervoer voor het taxivervoer (deregulering taxivervoer) in werking getreden. In verband hiermee is per 1 juli 2000 een apart kenteken voor taxi's ingevoerd. Dit kenteken bestaat weliswaar uit de normale voor het voertuig opgegeven combinatie van letters en cijfers, maar de ondergrond van de kentekenplaat heeft een afwijkende kleur, namelijk lichtblauw. De invoering van dit zogenoemde blauwe taxikenteken wordt begeleid door een faciliteit voor taxi's in de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM). Vooruitlopend op een desbetreffende wetswijziging wordt in dit besluit goedgekeurd dat de ten aanzien van taxi's betaalde belasting in één keer kan worden teruggegeven vanaf de datum waarop de desbetreffende personenauto gerechtigd is tot het voeren van de zogenoemde blauwe taxikentekenplaten. Dit wijkt in zoverre af van artikel 16 van de Wet BPM dat de huidige teruggaaf in drie jaarlijkse termijnen achteraf wordt vervangen door een teruggaaf in één keer.

2. Goedkeuring

Onder de hierna te noemen voorwaarden en beperkingen wordt de belasting als bedoeld in artikel 16 van de Wet BPM in één keer teruggegeven vanaf de datum van afgifte van de verklaring van de Dienst Wegverkeer (RDW) dat de personenauto gerechtigd is tot het voeren van de zogenoemde blauwe taxi-kentekenplaten.

3. Voorwaarden en beperkingen

De belasting wordt op aanvraag in één keer teruggegeven indien is voldaan aan de hierna genoemde eisen, die overigens deels reeds voortvloeien uit de Wet BPM.

a) De personenauto dient:

• in het kentekenregister op naam van de aanvrager te zijn gesteld;

• bestemd te zijn om geheel of nagenoeg geheel te worden gebruikt voor het verrichten van taxivervoer in de zin van de Wet personenvervoer (WP)1;

• blijkens een verklaring van de RDW gerechtigd te zijn tot het voeren van de zogenoemde blauwe taxi-kentekenplaten.

b) Bij de aanvraag genoemd in artikel 16, eerste lid, van de Wet BPM, dienen de hierna genoemde bescheiden te worden overgelegd.

I. Een kopie van de delen I en II van het bewijs dat ingevolge artikel 36, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 is afgegeven voor de personenauto (hierna: kentekenbewijs).

II. Een door de RDW ingevolge de WP afgegeven verklaring dat de personenauto voldoet aan de technische voorwaarden voor het genoemde vervoer. Als op deel I van het kentekenbewijs de aantekening `taxi' is geplaatst, kan overlegging van deze verklaring achterwege blijven.

III. Een door de Rijksverkeersinspectie (RVI) ingevolge de WP afgegeven vergunning voor het verrichten van vervoer zoals genoemd in punt 3, onderdeel a, van dit besluit. Indien de vergunninghouder niet degene is op wiens naam het kenteken is gesteld, dient een gezamenlijke verklaring te worden overgelegd waaruit blijkt dat de taxi wordt gebruikt in het kader van de onderneming van de vergunninghouder.

IV. Een door de RDW ingevolge de Wegenverkeerswet 1994 afgegeven verklaring dat de personenauto gerechtigd is tot het voeren van de zogenoemde blauwe taxi-kentekenplaten.

V. Een verklaring van de aanvrager dat de personenauto geheel of nagenoeg geheel zal worden gebruikt voor het verrichten van openbaar vervoer of taxivervoer in de zin van de WP.

c) Het verzoek om teruggaaf van belasting in één keer dient te zijn ingediend binnen dertien weken na de datum van afgifte van de RDW-verklaring dat de personenauto is gerechtigd tot het voeren van de zogenoemde blauwe taxi-kentekenplaten.

De teruggaaf is voorwaardelijk en wordt jaarlijks voor een derde deel onvoorwaardelijk indien dat gehele jaar is voldaan aan de in onderdeel a genoemde vereisten en de personenauto gedurende dat jaar geheel of nagenoeg geheel is gebruikt voor het verrichten van taxivervoer in de zin van de WP. Indien blijkt dat niet aan deze vereisten wordt of is voldaan, is de belasting over de jaren dat de teruggaaf nog niet onvoorwaardelijk is geworden alsnog verschuldigd. Echter, indien niet wordt voldaan aan de voorwaarde dat de personenauto geheel of nagenoeg geheel dient te worden gebruikt voor het verrichten van taxivervoer in de zin van de WP, wordt slechts de belasting verschuldigd die betrekking heeft op het jaar dat niet aan deze voorwaarde wordt voldaan.

Van de bovenstaande regel wordt afgeweken indien de belastingplichtige zelf aangeeft dat niet het gehele jaar aan de in onderdeel a genoemde voorwaarden wordt of is voldaan en tegelijkertijd aantoont dat gedurende enige maanden wel aan deze voorwaarden is voldaan. In dat geval is geen belasting verschuldigd over de maanden dat wel aan deze voorwaarden is voldaan. De berekening van het over dat jaar verschuldigde belastingbedrag vindt naar tijdsevenredigheid plaats. Bijvoorbeeld: indien de personenauto na negen maanden van eigenaar wisselt, wordt slechts belasting over de resterende drie maanden van dat jaar verschuldigd. Het betreft dan drie twaalfde deel van een derde deel van de teruggaaf. Zoals reeds is vermeld wordt de belasting over de eventueel resterende jaren dat de teruggaaf nog niet onvoorwaardelijk is geworden wel in zijn geheel verschuldigd, behalve wanneer het de voorwaarde betreft dat de personenauto geheel of nagenoeg geheel dient te worden gebruikt voor het verrichten van taxivervoer in de zin van de WP. In die laatste situatie wordt de voorwaarde per afzonderlijk jaar getoetst.

De belastingplichtige kan binnen dertien weken nadat niet meer aan de voorwaarden wordt voldaan een beroep doen op deze uitzondering. Deze termijn gaat dus bijvoorbeeld lopen vanaf het moment dat de personenauto van eigenaar wisselt.

4. Overgangsregeling

Voor personenauto's waarvoor reeds termijnen zijn teruggeven op grond van artikel 16 van de Wet BPM, bedraagt de teruggaaf de som van de nog niet teruggegeven jaarlijkse termijnen.

Het onderhavige besluit laat overigens de bestaande mogelijkheid tot teruggaaf in drie gelijke jaarlijkse termijnen achteraf, zoals genoemd in artikel 16, eerste lid, van de Wet BPM, onverlet. Dit betekent dat men ook kan blijven kiezen voor een teruggaaf in drie jaarlijkse termijnen achteraf.

Indien een personenauto wordt afgestoten na een teruggaaf op grond van dit besluit vindt een volgende toepassing van dit besluit ten aanzien van die personenauto slechts doorgang indien de belastingplichtige voldoende zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de ter zake van het afstoten verschuldigd geworden belasting.

5. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op 1 augustus 2000.

De Staatssecretaris van Financiën,
namens deze,
de plv. directeur-generaal voor Fiscale Zaken,
J.C. de Waard.

1 Als het wetsvoorstel `Nieuwe regels omtrent het openbaar vervoer, besloten busvervoer en taxivervoer (Wet personenvervoer 2000)' (Eerste Kamer, 1999-2000, 26 456, nr. 228) inmiddels in werking is getreden, kan, indien nodig voor de toepassing van dit besluit, in plaats van `Wet personenvervoer' worden gelezen `Wet personenvervoer 2000'.