Tijdelijke beschikking erkenning bepaalde Belgische en Duitse hulp verleningsdiensten en vrijstelling van de Regeling optische en geluidssignalen
19 mei 2000
DGP/VI/U.00.01675
De Minister van Verkeer en Waterstaat;
Overwegende, dat motorvoertuigen ten dienste van hulpverleningsdiensten uit België en Duitsland in voorkomend geval in Nederland kunnen worden ingezet bij de ongevals- en rampenbestrijding;
dat het daartoe noodzakelijk kan zijn dat zij bijzondere optische en geluidssignalen voeren om kenbaar te maken dat zij een dringende taak vervullen;
dat de door Belgische en Duitse motorvoertuigen ten dienste van politie en brandweer, ziekenauto’s en van andere aangewezen hulpverleningsdiensten gebruikte bijzondere optische en geluidssignalen kunnen afwijken van die welke in Nederland zijn voorgeschreven doch dat die afwijking niet zodanig is dat weggebruikers die voertuigen niet herkennen als voorrangsvoertuigen;
dat het daarom wenselijk is dat de motorvoertuigen van de Belgische en Duitse hulpverleningsdiensten worden vrijgesteld van de in de Regeling optische en geluidssignalen neergelegde regels inzake de te gebruiken bijzondere optische en geluidssignalen, voorzover zij voldoen aan de in hun eigen land gestelde regels ter zake van de optische en geluidssignalen;
dat de aanwijzing en vrijstelling met spoed tot stand moeten worden gebracht in verband met de Europese voetbalkampioenschappen voor landenteams medio 2000;
Gelet op artikel 147 van de Wegenverkeerswet 1994 en op artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990;
Besluit:
Artikel 1
Als hulpverleningsdiensten als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990, worden aangewezen Belgische en Duitse organisaties die taken vervullen op het gebied van de spoedseisende geneeskundige hulpverlening alsmede het Belgische Korps Civiele Bescherming en het Duitse Technische Hilfswerk.
Artikel 2
Belgische en Duitse motorvoertuigen ten dienste van politie en brandweer, Belgische en Duitse ziekenauto’s alsmede motorvoertuigen van de in artikel 1 bedoelde Belgische en Duitse organisaties worden vrijgesteld van het bepaalde in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 en de artikelen 3, 4 en 5 van de Regeling optische en geluidssignalen onder de voorwaarde dat zij optische en geluidssignalen voeren overeenkomstig de voor hen in hun eigen land geldende wettelijke regels.
Deze beschikking zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
namens deze,
de Directeur-Generaal Personenvervoer,
J.M.F. Diris.
Toelichting
Het komt in de grensstreken voor dat voertuigen van hulpverleningsdiensten uit de buurlanden in Nederland bijstand verlenen en daarbij genoodzaakt zijn hun bijzondere optische en geluidssignalen te gebruiken om kenbaar te maken dat zij een dringende taak vervullen. Ingevolge artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 zijn Duitse en Belgische motorvoertuigen ten dienste van politie en brandweer en ziekenauto’s daartoe reeds bevoegd.
België kent echter ook nog de MUG’s. Bij ernstige verwondingen wordt een MUG (mobiele urgentie groep) ingezet als aanvulling op een ambulance en komt met een personenwagen (met aanvullende medische apparatuur) naar de plaats van het incident. In geval van bijstandverlening in Nederland zal veelal om een MUG worden gevraagd. Voorts is in België het Korps Civiele Bescherming toegerust voor de rampenbestrijding en kan zonodig ook in ons land worden ingezet.
In Duitsland kent men naast de gewone ambulances voor de spoedeisende hulpverlening (de Rettungswagen van de Rettungsdienst) ook de Notarzteinsatzfahrzeuge (een personenauto waarmee een Notarzt - apart van de Rettungswagen - naar de plaats van het incident gaat) en de Notarztwagens (ambulances met een Notarzt). Voorts kan in Duitsland en in bijstand ook in Nederland het Technische Hilfswerk worden ingezet.
De onderhavige beschikking strekt er toe te bewerkstelligen dat bovengenoemde voertuigen in ons land de eigen bijzondere optische en geluidssignalen mogen gebruiken.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
namens deze,
de Directeur-Generaal Personenvervoer,
J.M.F. Diris.
Bijlage
Bezwaar
Op grond van de Algemene wet bestuursrecht kan tegen dit besluit binnen zes weken na de dag van de verzending een bezwaarschrift worden ingediend. Het bezwaarschrift moet worden gericht aan de Minister van Verkeer en Waterstaat en gezonden aan de plv. Directeur-Generaal Personenvervoer, Postbus 20901, 2500 EX Den Haag.
Het bezwaarschrift dient te zijn ondertekend en ten minste het volgende te bevatten:
a. naam en adres van de indiener:
b. de dagtekening;
c. vermelding van de datum en het nummer of het kenmerk van het besluit waartegen het bezwaarschrift is gericht;
d. een opgave van de redenen waarom men zich met het besluit niet kan verenigen.
Voorlopige voorziening
Indien een bezwaarschrift is ingediend, is het mogelijk om daarnaast een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in te dienen. Een dergelijk verzoek dient te worden gericht aan de president van de Arrondissementsrechtbank binnen het rechtsgebied, waarvan de indiener van het bezwaarschrift zijn woon- of vestigingsplaats heeft.
Bij het verzoek dient voorts een afschrift van het bezwaarschrift te worden overgelegd.
Zo mogelijk wordt tevens een afschrift van het besluit waarop het geschil betrekking heeft overgelegd.
Naar aanleiding van het verzoek kan de bevoegde president een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed - gelet op de betrokken belangen - dat vereist.
Voor de behandeling van een verzoek om een voorlopige voorziening wordt een bedrag aan griffierecht geheven. De griffier van de betrokken Arrondissementsrechtbank wijst de verzoeker na de indiening van diens verzoek op de verschuldigdheid van het griffierecht en bericht de verzoeker binnen welke termijn en op welke wijze het verschuldigde griffierecht moet worden voldaan.