Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatscourant 1999, 78 pagina 5Besluiten van algemene strekking

Regeling aanwijzing instellingen ex artikel 32b PSW

«Pensioen- en Spaarfondsenwet»

21 april 1999

Nr. SV/VP/99/16038

Directie Sociale Verzekeringen

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst;

Gelet op artikel 32b, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, van de Pensioen- en spaarfondsenwet;

Besluit:

Artikel 1

Als instelling als bedoeld in artikel 32b, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, van de Pensioen- en spaarfondsenwet worden de in de bijlage bij deze regeling genoemde instellingen en aan die instellingen verbonden pensioenuitvoerders, aangewezen.

Artikel 2

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 3

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanwijzing instellingen ex artikel 32b PSW.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.


’s-Gravenhage, 21 april 1999. De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst.

Toelichting

Artikel 32a, onderdeel c, onder 2°, van de Pensioen- en spaarfondsenwet (PSW) voorziet in de mogelijkheid bij ministeriële regeling instellingen aan te wijzen waaraan in het kader van waardeoverdracht een afkoopsom van pensioenaanspraken mag worden overgedragen. Deze aanwijzingsbevoegdheid is in het verleden alleen benut voor het aanwijzen van enkele bij wet geregelde pensioenregelingen waarop op dat moment door de Verzekeringskamer geen toezicht werd gehouden.

Artikel 32b, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, van de PSW bevat een vergelijkbare bepaling doch verplicht pensioenfondsen aanspraken op pensioen op verzoek van de deelnemer af te kopen ten behoeve van waardeoverdracht. In artikel 32b, vierde lid, is bovendien bepaald dat een pensioenfonds verplicht is op verzoek van een gewezen deelnemer bij diens aanstelling in vaste dienst van een van de Europese Gemeenschappen een premievrije aanspraak op ouderdomspensioen af te kopen en de afkoopsom over te dragen aan de betrokken Gemeenschap. De gewezen deelnemer heeft in dit geval dus een recht op waardeoverdracht. Een vergelijkbare verplichting als in artikel 32b, vierde lid PSW voor pensioenfondsen geldt voor verzekeraars op basis van artikel 14 van de Regelen verzekeringsovereenkomsten PSW.

De thans te treffen ministeriële regeling heeft tot doel degene die in dienst treedt bij een van de aangewezen internationale organisaties de mogelijkheid te bieden in Nederland opgebouwde pensioenaanspraken af te kopen en aan te wenden ter verwerving van aanspraken op pensioen bij de betreffende organisatie, c.q. het aan de organisatie verbonden pensioenfonds.

In verband met het belang dat Nederland hecht aan samenwerking in internationale organisaties en het opheffen van de discrepantie ten opzichte van de mogelijkheid van waardeoverdracht naar de pensioenregelingen van de Europese Gemeenschappen ligt het in de rede een aantal van deze organisaties bij ministeriële regeling aan te wijzen. Het gevolg hiervan is dat belanghebbenden, veelal Nederlandse ambtenaren die bij deze organisaties in dienst treden, hun pensioenrechten kunnen meenemen naar de nieuwe pensioenuitvoerder.

Voor de volledigheid wordt hier nog opgemerkt dat, gelet op artikel 16a, eerste lid, van de Regelen verzekeringsovereenkomsten PSW, deze regeling tevens van toepassing is op waardeoverdracht van bij een verzekeraar ondergebrachte pensioenaanspraken.

De bevoegdheid van de Verzekeringskamer (VK) om op grond van artikel 29 van de PSW ontheffing te verlenen voor waardeoverdracht naar een in het buitenland gevestigde instelling, die niet in de bijlage bij deze regeling is genoemd, blijft overigens gehandhaafd.

Bij het opstellen van de in de bijlage opgenomen lijst van instellingen is (voor zover deze instellingen een pensioenregeling kennen) zo veel mogelijk aangesloten bij de lijst van volkenrechtelijke organisaties genoemd in de op grond van artikel 3, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999, gebaseerde regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en de Minister van Binnenlandse Zaken van 6 juni 1989 (Stcrt. 121). Op grond van het genoemde artikelonderdeel zijn niet in Nederland woonachtige Nederlandse ambtenaren niet verzekerd voor de volksverzekeringen indien zij werkzaam zijn bij een door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan te wijzen volkenrechtelijke organisaties indien op hen een volwaardige regeling inzake sociale zekerheid van die organisatie van toepassing is.

Met de in deze regeling opgenomen aanwijzing wordt beoogd belanghebbenden die in dienst treden bij een van de genoemde internationale organisaties tevens in de gelegenheid te stellen hun in Nederland opgebouwde pensioenrechten onder te brengen bij de betreffende organisatie, c.q. het aan die organisatie verbonden pensioenfonds.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

J.F. Hoogervorst.

Bijlage

1. het Europees Centrum voor Kernonderzoek (CERN), bedoeld in het op 1 juli 1953 te Parijs tot stand gekomen Verdrag betreffende de instelling van een Europese Organisatie voor Kernonderzoek;

2. het Europees Centrum voor weervoorspellingen op Middellange termijn, bedoeld in het te Brussel op 11 oktober 1973 tot stand gekomen Verdrag betreffende de instelling van het Europees Centrum voor weervoorspellingen op Middellange termijn;

3. het Europees Laboratorium voor Moleculaire Biologie, bedoeld in het op 10 mei 1973 te Genève tot stand gekomen Overeenkomst tot oprichting van het Europees Laboratorium voor Moleculaire Biologie;

4. het Europees Observatorium voor de Zuidelijke Sterrenhemel, bedoeld in het op 5 oktober 1962 te Parijs tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van een Europese organisatie voor astronomisch onderzoek op het zuidelijk halfrond;

5. het Europees Ruimtevaart Agent-schap (ESA), bedoeld in het op 30 mei 1975 te Parijs tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap;

6. de Europese Centrale Bank, bedoeld in artikel 4 A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeen-schap en het op 7 februari 1992 te Maastricht tot stand gekomen Protocol betreffende de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank;

7. de Europese Meteorologische Satelliet Organisatie (EUMETSAT), bedoeld in het op 24 mei 1983 te Genève tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van een Europese Organisatie voor de exploitatie van meteorologische satellieten;

8. de Europese Octrooi-organisatie, bedoeld in het op 5 oktober 1973 te München tot stand gekomen Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien;

9. de Europese Organisatie van Tele-communicatiesatellieten (EUTELSAT), bedoeld in het op 15 juli 1982 te Parijs tot stand gekomen Verdrag tot Oprichting van de Europese Organisatie van Telecommunicatiesatellieten;

10. de Europese Organisatie voor de Veiligheid van de Luchtvaart (Eurocontrol), bedoeld in het op 13 december 1960 te Brussel tot stand gekomen Internationaal Verdrag tot samenwerking in het belang van de veiligheid van de luchtvaart;

11. de Intergouvernementele Commissie voor Migratie, bedoeld in het op 19 oktober 1953 te Venetië tot stand gekomen Statuut van de Intergouvernemen-tele Commissie voor Europese Migratie;

12. de Internationale Organisatie voor Atoomenergie, bedoeld in het Statuut dat op 23 oktober 1956 is goedgekeurd door de Conferentie over het Statuut van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie die werd gehouden in het Hoofdkwartier van de Verenigde Naties;

13. de Noord-Atlantische Verdragsor-ganisatie (NATO), bedoeld in het op 4 april 1949 te Washington D.C. tot stand gekomen Noord-Atlantisch Verdrag;

14. de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OECD), bedoeld in het op 14 december 1960 te Parijs tot stand gekomen Verdrag nopens de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling;

15. de Raad van Europa, bedoeld in het op 5 mei 1949 te Londen tot stand gekomen Statuut van de Raad van Europa;

16. de Verenigde Naties (UN), inclusief de hiermee verbonden gespecialiseerde organisaties, bedoeld in het op 26 juni 1945 te San Francisco tot stand gekomen Handvest van de Verenigde Naties;

17. de Wereld Handelsorganisatie (WTO), bedoeld in het op 15 april 1994 tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van de Wereld Handelsorganisatie;

18. de West-Europese Unie (WEU), bedoeld in het op 17 maart 1948 te Brussel tot stand gekomen Verdrag van Brussel en het op 23 oktober 1954 te Parijs tot stand gekomen Protocol tot wijziging en aanvulling van het Verdrag van Brussel.