Ontheffing verbod vervoersbeperkingen varkens
1 april 1999
Nr. RVV.994894
Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees
De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
Gelet op artikel 107 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren;
Besluit:
Artikel 1
Aan de Stichting Stamboekfokkerij Noord Nederland, gevestigd te Klarenbeek, wordt ontheffing verleend:
a. van het verbod, bedoeld in artikel 2 van de Regeling betreffende het bijeenbrengen van dieren, voorzover het betreft het bijladen van mannelijke varkens op één vervoermiddel, en
b. van het verbod, bedoeld in artikel 1 van de Regeling vervoersbeperkingen varkens, om één of meer mannelijke varkens te vervoeren, af te voeren van, dan wel te ontvangen of af te leveren op het berentoetsbedrijf, UBN 1576351, Hoofdweg 2 te Klarenbeek.
Artikel 2
Aan deze ontheffing zijn de volgende voorschriften verbonden:
1. Het vervoermiddel waarop de varkens mogen worden bijgeladen heeft het kenteken VL-FH-33 en is voorzien van de registratieplaat goedkeuring veevervoer nr. 0104-0128.
2. Tijdens het vervoer van de mannelijke varkens en bij de aanvoer van de varkens op het berentoetsbedrijf dient het gestelde in het bedrijfsprotocol ophalen van beerbiggen ten behoeve van het berentoetsbedrijf, zoals in de brief van 2 december 1998 van de Stichting Stamboekfokkerij Noord Nederland gericht aan RVV kring Apeldoorn is beschreven, in acht te worden genomen.
3. Er mogen op het berentoetsbedrijf te Klarenbeek uitsluitend mannelijke varkens aanwezig zijn.
4. De aanvoer van varkens vindt plaats via een toevoegstal die voldoet aan het bepaalde in de bijlage, behorende bij dit besluit.
5. Afvoer van de mannelijke varkens van het bedrijf is slechts toegestaan naar een slachthuis dan wel naar een spermacentrum dan wel wincentrum of -station, bedoeld in artikel 9.10 van de Regeling handel levende dieren en levende producten, met dien verstande dat afvoer van de varkens naar een spermacentrum dan wel wincentrum of -station eerst mogelijk is nadat die varkens gedurende 4 maanden op het berentoetsbedrijf hebben verbleven.
6. Tijdens het vervoer van de mannelijke varkens dient de vervoerder te beschikken over dit besluit.
Artikel 3
1. Aan de fokbedrijven die mannelijke varkens afvoeren ten behoeve van de Stichting, bedoeld in artikel 1, wordt vrijstelling verleend van het verbod op de afvoer van mannelijke varkens, bedoeld in artikel 1 van de Regeling vervoersbeperkingen varkens, onder voorwaarde dat het fokbedrijf de afvoer meldt overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van de Regeling vervoersbeperkingen varkens.
2. De Stichting, bedoeld in artikel 1, geldt niet als afleveradres in de zin van bijlage III van de Regeling vervoersbeperkingen varkens.
Artikel 4
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 15 mei 2001.
Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 1 april 1999. De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
G.H. Faber.
Een belanghebbende kan tegen dit besluit een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen bij de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Als een bezwaarschrift wordt ingediend moet dit binnen zes weken na bekendmaking van dit besluit in de Staatscourant worden verzonden naar:
Het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
t.a.v. van de Afdeling rechtsbescherming c.a.
Postbus 20401
2500 EK Den Haag.
Bijlage
Eisen aan een toevoegstal
Algemeen
Een toevoegstal betekent een extra beveiliging bij de toevoeging van nieuwe dieren van elders (met een - mogelijk - lagere gezondheidsstatus) aan reeds aanwezige dieren op een bedrijf. In feite is er sprake van een ’buffer’ in de zin van ruimte en tijd tussen dieren ’inkomend’ en ’reeds aanwezig’.
De toevoegstal is bij voorkeur een aparte stal op de overgang van schone en vuile weg. Bij inpandigheid dient deze stal ruimtelijk gescheiden te zijn van andere afdelingen met varkens. De functie van een toevoegstal komt alleen dan optimaal tot zijn recht wanneer deze stal gesitueerd is ’aan de rand van’ het bedrijf, zodat het risico van een mogelijke besmetting van reeds aanwezige dieren door aanvoer van nieuwe dieren beperkt wordt. Een zekere verblijfsduur van nieuwe dieren in een toevoegstal is noodzakelijk om screeningen (b.v. via bloed- of mestmonsters) en eventuele behandelingen (b.v. tegen schurft) gecontroleerd te kunnen uitvoeren, zodat gezondheidsproblemen in de populatie door introductie van deze dieren in het bedrijf worden voorkomen.
Eisen
Er worden eisen gesteld aan een toevoegstal qua inrichting en management.
A) De inrichtingseisen zijn:
- een toevoegstal ligt aan de rand van het bedrijf;
- een toevoegstal kan apart of inpandig zijn;
- een inpandige toevoegstal heeft dichte muren en plafonds, met uitzondering van de ventilatie-openingen en is volledig gescheiden van andere afdelingen met varkens;
- een toevoegstal heeft aparte kelders en een afzonderlijk (mechanische) ventilatiesysteem voorzien van filterdoek bij uitgaande lucht;
- een toevoegstal heeft zijn eigen materiaal (o.a. voerkar, bezem en schop) en gereedschap (o.a. injectiespuit);
- een toevoegstal heeft een aparte omkleedruimte, die ruimtelijk gescheiden is van de centrale gang en afdelingen met varkens;
- de aparte omkleedruimte is voorzien van een wasbak, een laarzenset en overalls op maat.
B) De managementeisen zijn:
- consequent handelen volgens het managementprotocol van de toevoegstal (verkleden, materiaal, dieren);
- een verblijfsduur van dieren in deze stal van minimaal 42 dagen;
- aan- en afvoer van dieren wordt apart bijgehouden;
- de behandelingen, I&R-RVL gegevens en bloedtapgegevens van deze stal worden apart geregistreerd (logboek);
- strikt volgens het all-in all-out principe werken, d.w.z. na elke ronde wordt de stal gereinigd en ontsmet (en ontschurft na opdrogen bij schurftpreventie). Een aantal dagen leegstand strekt tot aanbeveling;
- voor het betreden en na het verlaten van de toevoegstal altijd verkleden;
- na 28 dagen bloedonderzoek KVP. De GD-uitslag moet bekend zijn voor de verplaatsing;
- bij sterfte inzenden naar GD.