Subsidieregeling Dagindeling

«Kaderwet SZW-subsidies»

19 maart 1999

Nr. DCE/99/12436

Directie Coördinatie Emancipatiebeleid

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mr. A.E. Verstand-Bogaert,

Gelet op artikel 3 van de Kaderwet SZW-subsidies,

Besluit:

Artikel 1

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, hierna te noemen de minister, kan aan rechtspersonen subsidies verstrekken voor activiteiten in het kader van experimentele projecten, die ten doel hebben het combineren van arbeid en zorg te vergemakkelijken, door middel van:

- het verbeteren van de afstemming van arbeidstijden met de openingstijden van onderwijs-, kinderopvang- en vrijetijdsvoorzieningen, winkels en andere vormen van publieke dienstverlening;

- het verbeteren van de bereikbaarheid van deze voorzieningen;

- het ontwikkelen van nieuwe vormen van persoonlijke dienstverlening en zorgondernemerschap;

- het ontwikkelen van een andere werk-privé balans in arbeidsorganisaties.

Artikel 2

1. Subsidie wordt slechts verstrekt voor activiteiten, bestaande uit planvorming, afstemming of sturing van het proces, voor activiteiten in het kader van een pilot die nodig is als onderdeel van dat experimenteerproces, of voor activiteiten, bestaande uit instrument- of methodiekontwikkeling of kennisverspreiding.

2. Subsidie wordt slechts verstrekt voor activiteiten, die een vernieuwend karakter hebben en waarvan de beoogde resultaten breder toepasbaar zijn.

3. Geen subsidie wordt verstrekt voor activiteiten, waarvoor reeds uit anderen hoofde subsidie wordt verstrekt.

Artikel 3

In de subsidie-aanvraag dient met name aandacht te worden besteed aan en dienen, zo mogelijk kwantitatief onderbouwd, gegevens te worden verstrekt over de beoogde resultaten van het project en het aantal personen dat ermee wordt bereikt. Tevens wordt aangegeven wie bij de ontwikkeling en uitvoering van het project is betrokken, zo mogelijk onder overlegging van een samenwerkingsovereenkomst.

Artikel 4

1. Op aanvragen om subsidie, die zijn ingediend vóór 1 juli 1999, 1 november 1999 onderscheidenlijk 1 november 2000, wordt vóór 1 oktober 1999, 1 februari 2000 onderscheidenlijk 1 februari 2001 gelijktijdig beslist op basis van een vergelijking van hun geschiktheid om bij te dragen aan de doelstellingen, genoemd in artikel 1.

2. Met betrekking tot aanvragen, waarop gelijktijdig wordt beslist vóór 1 oktober 1999, 1 februari 2000 onderscheidenlijk 1 februari 2001 wordt een subsidieplafond vastgesteld van fl. 14.370.000,-, fl. 23.950.000,- onderscheidenlijk fl. 9.580.000,-.

3. Bij de vergelijking wordt gelet op

- de mate waarin het project bijdraagt aan voorwaarden voor het realiseren van een dagindeling die aansluit bij de behoeften van de taakcombineerder en aan het vergemakkelijken van het combineren van arbeid en zorg;

- de mate waarin en de wijze waarop met anderen wordt samengewerkt en de mate van nieuwheid van de samenwerkingsvorm;

- de mate waarin waarborgen zijn opgenomen voor overdraagbaarheid en verspreiding van het projectresultaat;

- de mate waarin het projectresultaat kan worden ingebed in het reguliere beleid van bedrijven, instellingen en overheden;

- de mate waarin het project een vernieuwend karakter heeft (originaliteit);

- de mate waarin een project zich richt op meer terreinen, genoemd in artikel 1;

- de spreiding van de projecten over het land, over grote steden, kleine steden en plattelandsgebieden, over grote en kleine bedrijven, en, wat de beoogde doelgroepen betreft, over taakcombineerders uit hogere en lagere inkomensgroepen en over taakcombineerders met zorgtaken voor hun kinderen en zorgtaken voor anderen.

Artikel 5

1. De subsidie bedraagt maximaal 75% van de werkelijk gemaakte subsidiabel gestelde kosten, voortvloeiend uit de subsidiabele activiteiten, welke kosten op jaarbasis minimaal fl. 30.000,- en maximaal fl. 500.000,- kunnen bedragen.

2. Geen subsidie wordt verleend met betrekking tot activiteiten, die plaatsvinden na drie jaar na de datum van de beschikking tot subsidieverlening.

3. Bij de subsidieverlening kan de verplichting worden opgelegd om binnen een daarbij aangegeven termijn met de subsidiabele activiteiten aan te vangen.

Artikel 6

1. De subsidie-ontvanger is verplicht gedurende de looptijd van de gesubsidieerde activiteiten en na afloop daarvan kosteloos alle medewerking te verlenen aan evaluatie en monitoring van de activiteiten en het daarmee beoogde doel.

2. De resultaten van de evaluatie kunnen ter beschikking van derden worden gesteld.

Artikel 7

Deze regeling wordt aangehaald als Subsidieregeling Dagindeling; zij treedt in werking met ingang van de dag na die van haar bekendmaking in de Staatscourant.

Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.


’s-Gravenhage, 19 maart 1999. De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.E. Verstand-Bogaert.

* De Algemene Regeling SZW-subsidies (Stcrt. 1997, 249) is van toepassing op subsidieverstrekking krachtens deze regeling, behoudens voorzover daarvan in deze regeling of een subsidiebeschikking wordt afgeweken.

Toelichting

De Commissie Dagindeling presenteerde in april 1998 haar eindadvies.

Zij slaagde erin met een onconventionele aanpak een lans te breken voor een betere dagindeling.

Steeds meer mensen hebben moeite een goede balans te vinden tussen werk en privé. De individuele tijdsdruk neemt toe. Tijd is voor velen een schaars goed geworden. Het combineren van arbeid en zorg voor kinderen en anderen vergt veel organisatietalent. Bovendien wil iedereen graag ruimte houden voor ontplooiing en ontspanning. De dagindeling van onze samenleving is nog niet voldoende ingericht op de wensen en behoeften van het moderne bestaan.

Het beter kunnen combineren van taken bij opvoeding van kinderen en bij de uitoefening van het beroep dient zowel persoonlijke als maatschappelijke belangen. Zo kunnen nu nog verborgen talenten van vrouwen in betaald werk en van mannen in opvoeding beter tot hun recht komen. Ook voor de arbeidsmarkt is dit van belang.

Het kabinet heeft zich laten inspireren door de aanbevelingen van de Commissie Dagindeling en stimuleert dat deze door middel van de Stimuleringsmaatregel Dagindeling worden uitgewerkt in experimenten, ervaringsuitwisseling en informatievoorziening. De Subsidie-regeling Dagindeling is in het leven geroepen voor subsidieverstrekking ten behoeve van vernieuwende experimenten.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1

De omschrijving van de kring van projecten, waarvoor subsidie kan worden verstrekt, is breed getrokken. Dat is onvermijdelijk, aangezien het hier gaat om het stimuleren van experimentele en innovatieve activiteiten in een breed maatschappelijk veld. Om dezelfde reden is ervoor gekozen, om subsidiëring te laten plaatsvinden op basis van onderlinge vergelijking van de aanvragen; dat brengt met zich mee, dat aanvragers niet meteen kunnen weten of hun project voor subsidie in aanmerking komt. Voor een nadere invulling van de aard van de subsidiabele projecten zij verwezen naar de Handleiding, die ten behoeve van aanvragers van subsidie is geschreven.

Subsidie wordt slechts aan rechtspersonen verstrekt. Gelet op het karakter van de te subsidiëren projecten zal samenwerking tussen meer rechtspersonen bijzonder aangewezen zijn; in dat geval dienen zij één rechtspersoon aan te wijzen die de subsidie aanvraagt en aan wie zij wordt verstrekt, en kunnen zij onderling afspraken maken over hoe met de subsidie wordt omgegaan.

Op subsidiëring krachtens deze regeling is tevens de Algemene Regeling SZW-subsidies van toepassing. Daarin zijn o.a. specifieke bepalingen opgenomen waaraan een aanvraag moet voldoen, dat daarbij een projectplan en een bijbehorende begroting moeten worden overgelegd, dat de gesubsidieerde activiteiten overeenkomstig de goedgekeurde projectplannen en begrotingen moeten worden uitgevoerd en de wijze waarop de administratie moet worden gevoerd en waarop van de uitvoering rekening en verantwoording moet worden gegeven, o.a. bij de uiteindelijke definitieve subsidievaststelling.

Artikel 2

Binnen het totale project, zoals dat wordt beschreven in het projectplan dat volgens de Algemene Regeling SZW-subsidies moet worden ingediend, worden in de subsidie-beschikking die activiteiten en daarbij behorende kosten(posten) omschreven of aangeduid, die voor subsidie in aanmerking komen (de subsidiabele kosten). Artikel 2 geeft aan, welke soorten activiteiten als subsidiabel kunnen worden aangemerkt. Het moet gaan om plan-vorming, afstemming of sturing binnen het (experimenteer)proces, en/of om pilots die in dat proces nodig zijn, en/of om instrument- of methodiek-ontwikkeling of de verspreiding van kennis (good practices); in de Handleiding wordt een aanduiding gegeven, welke soorten van activiteiten daaronder kunnen vallen.

Het tweede lid schept de mogelijkheid om geen subsidie te verstrekken m.b.t. projecten, die bijvoorbeeld al gemeengoed zijn geworden (dus geen vernieuwend karakter of originaliteit meer hebben) of die zo specifiek zijn, dat de resultaten ervan niet breder toepasbaar zijn.

Artikel 3

In dit artikel wordt - naast de toepasselijke bepalingen uit de Algemene Regeling SZW-subsidies - nadere invulling gegeven aan de eisen waaraan een aanvraag moet voldoen. De gestelde eisen strekken ertoe, dat de aanvrager zich rekenschap geeft van de aard van het project en van de verhouding daarvan tot andere projecten op het terrein van deze subsidie-regeling (meerwaarde, bereik); dit omdat het moet gaan om experimentele, innovatieve projecten. Om de uitstraling van een project zo groot mogelijk te doen zijn, is het aan te bevelen, dat bij de uitwerking ervan zoveel mogelijk planmatig wordt samengewerkt met anderen (bedrijven, zorginstellingen, onderwijs, gemeenten, provincies). De samenwerkingsvormen dienen in de aanvraag te worden beschreven, liefst onder overlegging van samenwerkingsovereenkomsten. De mate en vorm van samenwerking en het ordelijk regelen van de samenwerking in een overeenkomst zijn aspecten, die bij de onderlinge vergelijking van projecten (zie artikel 4, tweede lid) een rol spelen.

Overigens verdient het aanbeveling, dat de aanvraag zo wordt ingericht, dat op basis van de daarin opgenomen gegevens inzicht wordt gegeven in alle aspecten die krachtens artikel 4, tweede lid, relevant zijn.

Artikel 4

Bij een regeling als deze past het, om subsidiëring niet te laten plaatsvinden op volgorde van binnenkomst, maar mede op basis van een onderlinge vergelijking. Het gaat er immers om, om met het totaal van gesubsidieerde projecten een zo groot mogelijke impuls te geven aan het beoogde doel van de regeling. Daarbij is gekozen voor een gefaseerde aanpak: er zijn drie beslisronden voorzien. Op aanvragen, die voor een genoemde datum worden ontvangen, wordt gelijktijdig beslist; de subsidiebeschikkingen worden a.h.w. in drie ronden geclusterd.

Met betrekking tot elke ronde is in het tweede lid een subsidieplafond vastgesteld: het bedrag dat in totaal beschikbaar is voor subsidieverstrekking in die ronde. Met betrekking tot alle subsidieaanvragen in een ronde wordt - aan de hand van de aanvraag - bezien wat de subsidiabele kosten van het project zijn en welke subsidie daaruit kan worden afgeleid.

Als het totaal van deze subsidiëring het subsidieplafond zou overschrijden, moet er een afweging worden gemaakt, welke projecten het eerst voor subsidiëring in aanmerking komen. Deze afweging geschiedt op basis van een onderlinge vergelijking, waarbij wordt gelet op de aspecten, genoemd in het derde lid.

Artikel 5

Het subsidiebedrag wordt afgeleid van de werkelijke subsidiabele kosten, die gemoeid zijn met de uitvoering van de activiteiten, die in de subsidiebeschikking als subsidiabel zijn aangemerkt (vgl. artikel 2). Van de aanvrager wordt verwacht, dat hij ook zelf zorgdraagt voor financiering van een deel van de bedoelde kosten (hetzij door eigen betaling, hetzij door het verkrijgen van een subsidie of bijdrage van anderen); daarom is het subsidiemaximum gesteld op 75% van die kosten. In de beschikking tot subsidieverlening zal, op basis van dit artikel, het maximumsubsidiebedrag worden aangegeven, uitgaande van de kosten zoals die voor de subsidiabele activiteiten in het projectplan en de begroting zijn voorzien.

In het eerste lid is een minimum en een maximum opgenomen, teneinde al te kleine of juist al te grote subsidiëring te voorkomen.

Aangezien het hier gaat om een tijdelijke regeling, is in het tweede lid bepaald, dat de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten moet plaatsvinden binnen drie jaar na de datum van de beschikking tot subsidieverlening.

Artikel 6

Dit artikel bevat de verplichting voor de subsidie-ontvangers om mee te werken aan evaluatie-onderzoeken. Dit enerzijds om zicht te hebben op de effectiviteit van de projecten zelf, maar ook om de stimuleringsregeling als zodanig te kunnen evalueren. Uiteraard moeten de resultaten van evaluaties brede bekendheid kunnen krijgen.

Voor het overige zij verwezen naar de bij deze regeling behorende Handleiding.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A.E. Verstand-Bogaert.

Naar boven