Onteigening in de gemeente Utrecht

«Onteigeningswet»

Onteigening in de gemeente Utrecht Percelen begrepen in het stadsvernieuwingsplan ’Pijlsweerd’

Besluit van 20 februari 1999 no. 99.000746 tot goedkeuring van het besluit van de raad van Utrecht van 1 oktober 1998, no. 281, tot onteigening als bedoeld in Titel IV van de onteigeningswet.

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 20 januari 1999 no. MJZ99129876, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Algemeen Juridische en Bestuurlijke Zaken.

Gelezen de brief van burgemeester en wethouders van Utrecht van 3 november 1998, kenmerk OGU 98.127440.

Gelet op Titel IV van de onteigeningswet en Titel 10.2 van de Algemene wet bestuursrecht.

De Raad van State gehoord (advies van 4 februari 1999 no. W08.99.0030).

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruim-telijke Ordening en Milieubeheer van 16 februari 1999 no. MJZ 99140209, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Algemeen Juridische en Bestuurlijke Zaken.

Beschikken bij dit besluit over de goedkeuring van het besluit van de raad van Utrecht van 1 oktober 1998, no. 281, tot onteigening ingevolge artikel 77, eerste lid, aanhef en onder 1°, van de onteigeningswet, ten name van die gemeente, van de bij dat besluit aangewezen percelen.

Overwegingen

Ingevolge voornoemd artikel 77 van de onteigeningswet in samenhang met de artikelen 31 en 32 van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing kan, zonder voorafgaande verklaring bij de wet dat het algemeen nut onteigening vordert, onteigening plaatsvinden onder meer ten behoeve van de uitvoering van een stadsvernieuwingsplan. De ter onteigening aangewezen percelen zijn begrepen in het ter plaatse vigerende stadsvernieuwingsplan ’Pijlsweerd’ van de gemeente Utrecht. Blijkens het raadsbesluit tot onteigening wenst de gemeente Utrecht de daarin bedoelde gronden in eigendom te verkrijgen ter uitvoering van evengenoemd stadsvernieuwingsplan.

De in het onteigeningsplan begrepen gronden zijn in het stadsvernieuwingsplan ’Pijlsweerd’ aangewezen voor ’Woongebied, uit te werken bestemming (UW)’, welke bestemming door burgemeester en wethouders van Utrecht overeenkomstig artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en met inachtneming van bij het plan nader omschreven regels moet worden uitgewerkt. Gelet hierop is van gemeentewege overgelegd het onherroepelijk goedgekeurde uitwerkingsplan ’Eerste partieel uitwerkingsplan Kerkweg e.o.’.

De door de gemeente ter plaatse voorgestane wijze van planuitvoering, zo heeft het terzake ingestelde onderzoek uitgewezen, behelst de bouw van een aantal (gestapelde) woningen met achtertuinen.

Het raadsbesluit tot onteigening heeft overeenkomstig artikel 84, eerste lid, van de onteigeningswet, na rectificatie, met ingang van 4 december 1998 gedurende vier weken voor een ieder ter inzage gelegen op de secretarie van de gemeente Utrecht. Binnen deze termijn zijn tegen het raadsbesluit bij Ons geen schriftelijke bedenkingen naar voren gebracht.

Het moet in het belang van de volkshuisvesting en in het belang van een goede ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente Utrecht worden geacht, dat zij de eigendom van bovenbedoelde percelen verkrijgt en er bestaan geen termen aan genoemd raadsbesluit de goedkeuring te onthouden.

Beslissing

Wij hebben goedgevonden en verstaan:

vorengenoemd besluit van de raad van Utrecht goed te keuren.

Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer is belast met de uitvoering van dit besluit, dat met het raadsbesluit in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

’s-Gravenhage, 20 februari 1999.
Beatrix.
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,J.P. Pronk.

Raadsbesluit

De raad der gemeente Utrecht,

gelet op het voorstel van b. en w. d.d. 16 september 1998,

Besluit:

A

zijn besluit van 28 mei 1998 (Jaargang 1998, nr. 177) in te trekken en

B

1. Schwart Onteigeningsadviezen BV, namens J.W. Marbus en J.E. Tjin A Ton, in zijn zienswijzen te ontvangen;

2. de zienswijzen genoemd onder 1 ongegrond te verklaren;

3. ten behoeve van de uitvoering van het stadsvernieuwingsproject Kerkweg e.o. (fase III) ter verkrijging van de vrije beschikking over de eigendommen en de daarop rustende rechten, ten name van de gemeente Utrecht te onteigenen de percelen zoals aangegeven op het bij dit besluit behorende grondplan (tek. nr. A31.215a) en de lijst vermeldende de eigenaars, de grootte en de kadastrale nummers van de te onteigenen percelen en

4. ten name van de gemeente Utrecht te procederen:

- in voorkomende gevallen: tot benoeming van derden als bedoeld in artikel 20 Onteigeningswet;

- tot opneming door deskundigen voor de aanvang van het geding als bedoeld in artikel 54a van de Onteigeningswet;

- tot onteigening (in eerste aanleg - zonodig in hoger beroep en cassatie - als eisende danwel verwerende partij) indien en voorzover bovenvermelde percelen niet bij minnelijke verwerving in eigendom kunnen worden verkregen.

Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad, gehouden op 1 oktober 1998.

De burgemeester.

De secretaris.

stcrt-1999-57-p15-SC18168-1.gif

Behoort bij besluit van de raad der gemeente Utrecht d.d. 1 oktober 1998, no. 281.

Naar boven