Verlening vergunning voor het verrichten van werkzaamheden met natuurlijk thorium en verarmd uraan

1 maart 1999

E/EE/KK/99003536

De Minister van Economische Zaken,

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gezien de aanvraag d.d. 4 december 1997 en de daarop betrekking hebbende brieven d.d. 23 november 1998 en 24 november 1998 van de Rijksuniversiteit Leiden te Leiden om een vergunning als bedoeld in de artikelen 15, onder a, en 29 van de Kernenergiewet;

Overwegende dat om redenen van de onderzoekswerkzaamheden in het onderhavige geval een zo spoedig mogelijk voorhanden hebben van de bedoelde splijtstoffen noodzakelijk is.

Overwegende dat door gebruikmaking van de gevraagde vergunning de mogelijk te veroorzaken nadelige gevolgen voor mens, dieren, planten en goederen voldoende kunnen worden ondervangen door de aan deze vergunning te verbinden voorschriften. Mede daardoor zullen de mogelijk te veroorzaken nadelige gevolgen voor mensen, dieren, planten en goederen binnen aanvaardbare grenzen blijven.

Overwegende dat op grond van artikel 17, lid 2, Kernenergiewet juncto artikel 16 Besluit Kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen de paragrafen 3.5.2 tot en met 3.5.5 van de Algemene wet bestuursrecht alsmede afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer niet van toepassing zijn met betrekking tot de totstandkoming van deze beschikking. Het betreft in casu het voorhanden hebben, toepassen en het zich ontdoen van natuurlijk thorium en verarmd uranium.

De Minister van Verkeer en Waterstaat en de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij hebben, gelet op de door hen te behartigen belangen, te kennen gegeven geen aanleiding te zien voor betrokkenheid bij de totstandkoming van deze beschikking.

Gelet op de artikelen 15-20 en 29-31 van de Kernenergiewet, het Besluit Kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen en het bepaalde in hoofdstuk II van het Besluit stralenbescherming Kernenergiewet;

Gelet op artikel 20.5 van de Wet milieubeheer;

Besluiten:

In deze vergunning wordt verstaan onder

- Huygens Laboratorium: Rijksuniversiteit Leiden (rechtspersoon);

- ter zake kundige: stralingsdeskundige die zelfstandig werkzaamheden met ioniserende straling uitvoert of onder wiens leiding of toezicht werkzaamheden met ioniserende straling worden uitgevoerd, zoals bedoeld in artikel 22 lid 1 van het Besluit stralenbescherming Kernenergiewet;

- coördinerend deskundige: stralingsdeskundige als bedoeld in artikel 22 lid 1 van het Besluit stralenbescherming Kernenergiewet, die jegens de vergunninghouder ervoor verantwoordelijk is dat de toepassingen van ioniserende straling plaatsvinden binnen de kaders en voorschriften van deze vergunning. Deze coördinerend deskundige coördineert tevens de werkzaamheden van de ter zake kundigen;

- diploma ioniserende straling/deskundigheidsniveau: diploma als bedoeld in artikel 22 lid 2 van het Besluit stralenbescherming Kernenergiewet;

- ingekapselde bron: een bron van ioniserende straling, die wordt gevormd door radioactieve stoffen welke

a. zijn ingebed in of gehecht aan vast, niet radioactief dragermateriaal, of

b. zijn omgeven door een omhulling van niet-radioactief materiaal

een en ander met dien verstande dat zowel het onder a. bedoelde dragermateriaal als de onder b. bedoelde omhulling voldoende weerstand biedt om onder normale gebruiksomstandigheden elke verspreiding van radioactieve stoffen uit de bron te voorkomen.

In de groep ingekapselde bronnen vallen ook ingekapselde bronnen die worden aangeduid met de term ’a/β-afgeschermde bron’ (ook wel aangeduid met ’gesloten bron’). Hieronder wordt verstaan: een ingekapselde bron van zodanige samenstelling dat geen alfa- en/of bètastralen, of een schadelijke hoeveelheid secundaire stralen naar buiten treden;

- broncertificaat: document, opgemaakt door de producent van de ingekapselde bron, waarop de belangrijkste gegevens zijn vermeld. In ieder geval moeten activiteit, isotoop, gegevens van de capsule, classificatie volgens ISO 2919/1980 en bronnummer van de ingekapselde bron worden vermeld. Van bronnen die vóór 1995 zijn geproduceerd moeten de gegevens worden vastgelegd zover ze beschikbaar zijn of te achterhalen zijn;

- bronhouder: behuizing van een ingekapselde bron, waaruit deze niet zonder hulpgereedschap is te verwijderen;

- radioactieve besmetting: wordt verstaan (anders dan voor vervoer) een alfa besmetting van 0,4 Becquerel (Bq) of meer per cm2 of een bèta/gamma besmetting van 4 Bq of meer per cm2. Het betreft hier een afgewreven activiteit, waarbij het volgende in aanmerking wordt genomen:

*Het oppervlak dat wordt afgewreven zal circa 5 cm2 moeten bedragen.

*De detectie-limiet van de meting dient voor alle nucliden maximaal 2 Becquerel (Bq) te bedragen. Deze waarde geldt dus zowel voor alfa als voor bèta/gamma bronnen. Hierbij is uitgegaan van technisch redelijk haalbare detectiegrenzen van meetapparatuur en niet van radiotoxiciteit. Dit omdat anders voor de minder toxische stoffen een besmetting moet worden toegestaan, die vanuit het ALARA-principe opgeruimd had moeten worden.

Onder radioactieve besmetting van ruimten of de inrichting daarvan wordt verstaan een afwrijfbare oppervlaktebesmetting van radionucliden die alfa-straling uitzenden van 0,4 Bq of meer per cm2 en voor radionucliden die bèta/gamma-straling uitzenden van 4 Bq of meer per cm2.

Onder radioactieve besmetting in het kader van vervoer wordt verstaan een alfa besmetting van 0,04 Bq of meer per cm2 of een bèta/gamma besmetting van 0,4 Bq of meer per cm2;

- lektest: een controle van de behuizing van een radioactieve stof (vaak een capsule als ingekapselde bron) op radioactieve besmetting. Deze controle moet plaatsvinden in een ruimte die daarvoor is ingericht. Een bron wordt verondersteld lek te zijn wanneer een afgewreven activiteit van meer dan 185 Bq wordt aangetoond;

- besmettingscontrole: wordt verstaan een controle van een voorwerp (niet zijnde een ingekapselde bron) op radioactieve besmetting. Bij deze controle wordt nagegaan of zich op de betreffende plaatsen radioactiviteit bevindt. Bij besmettingscontrole van een bronhouder worden die plaatsen gecontroleerd waarvan wordt verwacht dat in geval van een defect van de bron het eerste besmetting zal optreden;

- bergplaats: ruimte, uitsluitend bedoeld voor de opslag van radioactieve stoffen. De voorschriften die gelden ten aanzien van de bergplaats worden verder uitgewerkt in deze vergunning;

- waarschuwingsteken: een teken voor gevaar van besmetting of voor het kunnen ontvangen van een dosisequivalent, als bedoeld in artikel 28 van het Besluit stralenbescherming Kernenergiewet, verder uitgewerkt in de Regeling waarschuwingssignalering radioactieve stoffen;

- basisrichtlijn ingekapselde bronnen: concept basisrichtlijn ingekapselde bronnen, door de Arbeidsinspectie uitgegeven in februari 1993, te verkrijgen bij de Arbeidsinspectie SZW;

- richtlijn radionucliden-laboratoria: richtlijn radionucliden-laboratoria van de Hoofdinspectie Milieuhygiëne (Ministeries van VROM, SZW, VWS, publicatie 94-02, 1994);

- radionucliden-laboratorium: onder een radionucliden-laboratorium van B-niveau, C-niveau resp. D-niveau wordt verstaan hetgeen daarover is gesteld in bijlage 2 van de Richtlijn Radionucliden-laboratoria;

- Re: radiotoxiciteitsequivalent, als bedoeld in bijlage 1 van de Richtlijn Radionucliden-laboratoria;

- gewogen Re: radiotoxiciteitsequivalenten gewogen volgens de procedure zoals beschreven in bijlage 3 van de Richtlijn Radionucliden-laboratoria. Voor inhalatie en ingestie impliceert dit dat, met het oog op persistentie in het milieu, rekening moet worden gehouden met de halveringstijd voor verval van de afzonderlijke radionucliden door vermenigvuldiging van de lozingen met de navolgende wegingsfactoren:

stcrt-1999-52-p11-SC18045-1.gif

- belastingsfactor: een parameter om de relatieve belasting van een radionucliden-laboratorium ten gevolge van toepassingen met radioactieve stoffen, uit te drukken. De belastingsfactor wordt berekend met formule 2.7 van bijlage 2 in de richtlijn radionucliden-laboratoria;

- ambient dose: wordt verstaan hetgeen daarover is gesteld in ICRU report 39;

- effectief dosisequivalent (in milieu-voorschriften): de dosis ‐ som van de gewogen gemiddelde dosisequivalenten in de verschillende organen of weefsels voor een lid van de bevolking ‐ berekend voor de meest beperkende gebruiksoptie van het milieu buiten de terreingrens. De meest beperkende gebruiksoptie is bij blootstelling aan externe straling veelal wonen direct aan de terreingrens. De in dat geval door externe straling veroorzaakte bijdrage aan het effectief dosisequivalent bedraagt 25% van de ter plaatse heersende ’ambient dose’, H*(10);

- inrichting: de in de aanvraag beschreven plaatsen als bedoeld in artikel 11, eerste lid onder b, van het Besluit stralenbescherming Kernenergiewet;

- terreingrens: de begrenzing van de inrichting, zoals aangeduid op de plattegrond behorende bij de aanvraag d.d. 4 december 1997;

- stralingsincident: ongewenste gebeurtenis die direct of op termijn een onvoorziene radioactieve besmetting en/of blootstelling aan ioniserende straling van mensen zou kunnen veroorzaken (bijvoorbeeld: brand, defecte apparatuur, vermissing of ongeval).

Deze vergunning is uitsluitend van toepassing voor het volgende:

Aan de Rijksuniversiteit Leiden, Stationsplein 240 te Leiden, wordt vergunning verleend voor:

- het voorhanden hebben, toepassen en het zich ontdoen van splijtstoffen.

Binnen de inrichting van het Huygens Laboratorium van de Rijksuniversiteit Leiden, gelegen aan de Niels Bohrweg 2 te Leiden, mogen, splijtstoffen uitsluitend voorhanden zijn en worden toegepast ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek in daartoe aangewezen en geschikt bevonden ruimten of op daartoe aangewezen plaatsen binnen de volgende omvang:

1. radioactieve stoffen (splijtstoffen) in verspreidbare vorm binnen de inrichting tot een maximum van:

- 12 megabecquerel (MBq) uranium-238 (verarmd uranium); en

- 10 MBq thorium-232;

2. radioactieve stoffen in verspreidbare vorm, toegepast ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek aan gecorreleerde electronsystemen in ten hoogste 1 radionucliden-laboratorium op C-niveau met aangrenzende nevenruimten en de bergplaats, waarbij de belastingsfactor, berekend volgens bijlage 2 van de richtlijn radionucliden-laboratoria, per radionucliden-laboratorium niet meer mag bedragen dan 1;

3. ingekapselde bronnen voor ijk- en referentiedoeleinden met een gezamenlijke activiteit van maximaal 5 GBq, met een activiteit van maximaal 400 MBq per bron;

Het zich ontdoen van radioactieve stoffen vanuit de inrichting van het Huygens Laboratorium, gelegen aan de Niels Bohrweg 2 te Leiden, anders dan door overdracht, is beperkt tot lozingen in water (riool) en lozing in lucht in de vorm van radioactieve stoffen in verspreidbare vorm in de volgende omvang:

4. lozing in water (riool) tot een maximum van 1 gewogen Reing per jaar;

5. lozing in lucht tot een maximum van 1 gewogen Reinh per jaar.

Voorschriften

Aan deze vergunning, waarvan de op 4 december 1997 ingediende aanvraag en de daarbij behorende brieven d.d. 23 en 24 november 1998 met de daarbij behorende bijlagen deel uitmaken, worden de hierna volgende voorschriften verbonden:

I. Organisatie

a. de toepassing van ioniserende straling mag uitsluitend geschieden door of onder verantwoordelijkheid van een ter zake kundige die ten minste het diploma ioniserende straling niveau 3 of een gelijkwaardig diploma heeft behaald;

b. deze ter zake kundige is door de vergunninghouder schriftelijk gemandateerd voor deze verantwoordelijkheid en legt zo vaak als nodig, en ten minste eenmaal per jaar, verantwoording af aan de vergunninghouder door middel van een rapportage;

c. degenen die werkzaamheden uitvoeren met/aan de ingekapselde bron moeten voldoen aan de volgende deskundigheidsniveaus:

Laboratoriumwerk: voldoende instructie (5B).

Direct toezicht op de werkzaamheden: niveau 3.

Verantwoordelijkheid voor besmettingscontrole: niveau 3.

II. Melding wijziging

a. wijziging van de situatie, die is beschreven bij de aanvraag, binnen de grenzen van deze vergunning en de daaraan verbonden voorschriften, alsmede wijziging van de naam van de ter zake kundige, moet op grond van art. 18 van het Besluit stralenbescherming Kernenergiewet, worden gemeld aan de Arbeidsinspectie, Postbus 90801, 2509 LV Den Haag, onder vermelding van de vergunning waar de wijziging betrekking op heeft.

III. Radioactieve stoffen in verspreidbare vorm

A. Algemeen

a. een binnenkomende zending met een radioactieve stof/ingekapselde bron moet rechtstreeks naar de daarvoor bestemde ruimte worden gebracht, waar zij door of onder toezicht van ter zake kundig personeel moet worden uitgepakt en gecontroleerd, onder andere op radioactieve besmetting van de verpakking. Tevens moeten de identiteit en de activiteit van de radioactieve stof/ingekapselde bron worden vastgesteld. Wanneer de zending met de radioactieve stof/ingekapselde bron buiten werktijd wordt afgeleverd moet deze ook meteen worden opgeslagen in een bergplaats;

b. retouremballage van een zending met een radioactieve stof/ingekapselde bron moet, alvorens zij het radionucliden-laboratorium verlaat, zowel in- als uitwendig zijn ontdaan van radioactieve besmetting. Aanduidingen of waarschuwingstekens van radioactieve stoffen/ingekapselde bronnen mogen hierop niet waarneembaar zijn.

B. De werkzaamheden

a. de totale hoeveelheden waarmee in het radionucliden-laboratorium en de daarbij behorende nevenruimten gelijktijdig per experiment of handeling mag worden gewerkt, mag niet meer bedragen dan de hoeveelheid die voor de gegeven omstandigheden wordt bepaald volgens de methode, die is beschreven in bijlage 2 van de Richtlijn Radionucliden-laboratoria. Bij het berekenen van de hoeveelheden moet gebruik worden gemaakt van de parameterwaarden voor die omstandigheden, zoals aangegeven in deze bijlage;

b. de belastingsfactor, berekend volgens bijlage 2 van de richtlijn radionucliden-laboratoria, mag niet meer bedragen dan 1;

c. in het radionucliden-laboratorium dient geschikte meetapparatuur aanwezig te zijn, waarmee van de aanwezige radioactieve stoffen een besmetting kan worden gemeten;

d. de ruimten waar met radioactieve stoffen in verspreidbare vorm wordt gewerkt moeten regelmatig, volgens een vastgelegde procedure, worden gecontroleerd op radioactieve besmetting. Wanneer sprake is van radioactieve besmetting moet deze door of onder toezicht van de ter zake kundige worden opgeruimd;

e. in het radionucliden-laboratorium gebruikt glaswerk, instrumentarium en andere hulpmiddelen mogen dit laboratorium slechts verlaten met toestemming van de ter zake kundige of zijn gemachtigde en nadat is gebleken dat de hulpmiddelen vrij zijn van radioactieve besmetting;

f. werkzaamheden met radioactieve stoffen in ruimtes die vallen buiten het laboratoriumbeheer, mogen uitsluitend plaatsvinden na toestemming van de ter zake kundige. De maximale hoeveelheid radioactieve stoffen, uitgedrukt in Reinh, die in ruimtes buiten het laboratoriumbeheer mag worden gebracht voor werkzaamheden, welke niet kunnen worden uitgevoerd in het radionucliden-laboratorium, bedraagt 0,002 Reinh. Deze waarde wordt bepaald volgens de methode, die is beschreven in bijlage 2 van de Richtlijn Radionucliden-laboratoria. Bij het berekenen van de hoeveelheden moet gebruik worden gemaakt van de parameterwaarden welke voor die omstandigheden zijn gegeven in deze bijlage. Tijdens een dergelijke meting of bewerking moeten glaswerk, instrumentarium en andere hulpmiddelen zijn voorzien van een duidelijk zichtbaar waarschuwingsteken voor radioactiviteit. Na afloop van de werkzaamheden dient de ruimte waarin de werkzaamheden hebben plaatsgevonden door of namens de ter zake kundige op radioactieve besmetting te worden gecontroleerd en zondig te worden gedecontamineerd;

g. wanneer met de radioactieve stoffen geen werkzaamheden worden uitgevoerd moeten deze worden opgeslagen in de bergplaats.

IV. Ingekapselde bronnen

A. Algemeen

a. een binnenkomende zending met een ingekapselde bron moet rechtstreeks naar de daarvoor bestemde ruimte worden gebracht, waar zij door of onder toezicht van ter zake kundig personeel moet worden uitgepakt en gecontroleerd, onder andere op radioactieve besmetting van de verpakking. Wanneer de zending met een ingekapselde bron buiten werktijd wordt afgeleverd moet deze ook meteen worden opgeslagen in een bergplaats;

b. de constructie van een ingekapselde bron moet voldoen aan de eisen daaraan gesteld in de International Standard ISO 2919/1980;

c. indien, in tegenstelling tot hetgeen hierboven is voorgeschreven, de ingekapselde bron niet hoeft te voldoen aan de voorschriften in de International Standard ISO 2919/1980 of daaraan niet kan voldoen, moet de constructie van de ingekapselde bron zodanig zijn dat verspreiding van radioactiviteit wordt voorkomen;

d. de omstandigheden waaronder het feitelijk gebruik van de ingekapselde bron plaatsvindt, mogen niet zwaarder zijn dan waarvoor deze is getest;

e. de ingekapselde bron mag niet lek zijn en geen oppervlaktebesmetting hebben;

f. het beheer van de ingekapselde bron dient zodanig te zijn dat steeds bekend is wat de gegevens van iedere bron zijn. Dit kan door een ingekapselde bron te gebruiken die is voorzien van een serienummer;

g. de bron dient vergezeld te gaan van een broncertificaat waarop de kenmerken van de ingekapselde bron zijn weergegeven.

B. Werkzaamheden

a. wanneer er niet met de ingekapselde bron wordt gewerkt, dient deze naar de bergplaats te worden overgebracht;

b. in de nabijheid van de ingekapselde bron mogen geen brandbare, brand bevorderende of explosieve stoffen aanwezig zijn;

c. het apparaat, waarin de ingekapselde bron zich bevindt, dient zodanig te zijn opgesteld, dat op de plaats waar zich bezoekers kunnen bevinden, geen uitwendige bestraling van enig deel van het lichaam kan worden veroorzaakt, die een dosisequivalent van meer dan 5 microsievert in enig uur tot gevolg heeft;

d. de werklocatie dient niet, of althans niet zonder nadere waarschuwing toegankelijk te zijn voor een algemeen publiek of voor werknemers die niet direct bij de werkzaamheden betrokken zijn.

V. De bergplaats

a. de bergplaats mag uitsluitend bestemd zijn voor de opslag van radioactieve stoffen en moet aan de volgende eisen voldoen:

- het effectief dosisequivalent aan de buitenzijde dient zo laag te zijn als redelijkerwijs mogelijk is. In ieder geval mag op geen enkel punt op 0,1 meter afstand van het oppervlak van de bergplaats een dosistempo gemeten kunnen worden van meer dan 1 microsievert per uur;

- de buitenzijde van de bergplaats moet zijn voorzien van een duidelijk leesbaar en onuitwisbaar opschrift, luidend: ’RADIOACTIEVE STOFFEN’, en van een duidelijk zichtbaar waarschuwingsteken;

- de bergplaats moet deugdelijk afgesloten zijn en mag uitsluitend geopend kunnen worden door de vergunninghouder en personen die daartoe van hem de bevoegdheid hebben gekregen;

- de constructie van de bergplaats dient een brandwerendheid van ten minste 60 minuten te waarborgen. Hieronder wordt verstaan dat alle bouwdelen bij verhitting (volgens NEN 6068) hun functie gedurende ten minste 60 minuten moeten kunnen blijven vervullen en dat de constructieonderdelen van de bergplaats voldoen aan klasse 1 als bedoeld in NEN 6065. Een vaste bergplaats moet bovendien bekend zijn bij de plaatselijke brandweer;

- wanneer de bergplaats eenvoudig te verplaatsen is, moet deze worden geplaatst in een afsluitbare ruimte of kast, die deugdelijk is afgesloten en uitsluitend geopend kan worden door de vergunninghouder en personen die daartoe van hem de bevoegdheid hebben gekregen;

- voor de opslag van radioactieve stoffen in verspreidbare vorm moet de bergplaats decontamineerbaar zijn. Is in dit geval de bergplaats ook betreedbaar, dan dient zij bovendien geventileerd te worden met een ventilatievoud van ten minste 3 maal per uur;

- in de bergplaats moeten de containers die vloeistof bevatten zodanig worden opgesteld, dat bij lekkage van een container de vloeistof binnen een bak blijft. Onder deugdelijke container wordt verstaan een lekvrij, goed afgesloten vat of tank bestand tegen aantasting van binnenuit of buitenaf, zoals corrosie, breuk, etc.

VI. Radioactief afval

a. het ontstaan van radioactief afval dient zoveel als redelijkerwijs mogelijk is te worden voorkomen;

b. bewerking en verwerking van radioactief afval is alleen toegestaan voor zover dit is gericht op preventie, hergebruik of scheiding aan de bron. Voor zover redelijkerwijs mogelijk vindt een scheiding plaats van radioactief afval naar aard, zoals vast, vloeibaar waterig, vloeibaar organisch, naar activiteitsgehalte en naar vervaltijd. Verdunning en vermenging van radioactief afval is niet toegestaan;

c. radioactief afval dient zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is op adequate wijze te worden afgegeven aan een conform artikel 7 lid 3 onder d van het Besluit stralenbescherming Kernenergiewet erkende ophaaldienst voor radioactief afval. Tijdelijke opslag van radioactief afval voor een periode van maximaal 2 jaar is toegestaan met het oog op verval tot niet-radioactief afval of uit overwegingen verband houdend met de afvoermogelijkheden;

d. de opslag geschiedt in deugdelijke containers, conform hoofdstuk 9.2 en 9.3 van de Richtlijn radionucliden-laboratoria, in een daartoe geschikte ruimte. In deze ruimte moeten de containers zodanig worden opgesteld, dat bij lekkage van een container de vloeistof binnen een bak blijft. Onder deugdelijke container wordt verstaan een lekvrij, goed afgesloten vat of tank bestand tegen aantasting (corrosie, breuk, etc.) van binnenuit of buitenaf. De constructie van de ruimte dient een brandwerendheid van ten minste 60 minuten te waarborgen;

e. de uitvoering van deze bepalingen inzake radioactief afval dient te geschieden conform hetgeen dienaangaande bepaald is in de richtlijn Radionucliden-laboratoria.

VII. Milieubelasting

a. de door de vergunninghouder veroorzaakte bijdrage aan het effectief dosisequivalent buiten de inrichting dient zo laag te zijn als redelijkerwijs mogelijk is en in geen geval de waarde van 0,4 microsievert per jaar te overschrijden;

b. de lozingen in lucht en water dienen, zo laag te zijn als redelijkerwijs mogelijk is;

c. voor lozingen in lucht dient de afstand van het lozingspunt tot de terreingrens zo groot te zijn als redelijkerwijs mogelijk is, en ten minste 30 meter;

d. lozing in water mag alleen geschieden via een riool dat is aangesloten op een rioolwaterzuiveringsinstallatie;

e. de uiteindelijke lozing in water respectievelijk in lucht dient plaats te vinden via daartoe geschikte filtersystemen met een effectiviteit van 99%;

f. indien binnen 1 maand meer dan de helft van de voor één jaar toegestane hoeveelheid radioactiviteit geloosd is, dient dit terstond gemeld te worden aan de Inspecteur Milieuhygiëne Zuid-West.

VIII. Controle, registratie en meldingen

a. door de vergunninghouder worden de gegevens die betrekking hebben op de stralingshygiëne, ondergebracht in een overzichtelijk beheerssysteem. Dit systeem dat ook de in deze vergunning genoemde registraties en rapportage bevat, moet gedurende ten minste vijf jaren worden bewaard. Indien een ruimte of installatie waarin radioactieve stoffen in verspreidbare stoffen zijn toegepast niet meer voor dit doel wordt gebruikt, mag de betreffende ruimte of installatie alleen worden vrijgegeven volgens de procedure welke is beschreven in hoofdstuk 12 van de Richtlijn Radionucliden-laboratoria. De administratie en gegevens van deze vrijgave moeten worden bewaard totdat de locatie is opgeheven;

b. ingekapselde bronnen moeten periodiek worden gecontroleerd. Minimaal jaarlijks moet een visuele controle van de ingekapselde bron plaatsvinden. Wanneer deze is geplaatst in een bronhouder moet in plaats van de visuele controle van de ingekapselde bron een visuele controle van de bronhouder plaatsvinden. Daarnaast moet de ingekapselde bron en/of bronhouder/meetopstelling minimaal jaarlijks volgens een schriftelijk vastgelegde procedure worden gecontroleerd op lekken en/of radioactieve besmetting. Hierbij moet beschadiging van de ingekapselde bron worden voorkomen;

c. een ruimte waar radioactieve stoffen in verspreidbare vorm worden toegepast moet regelmatig, volgens schriftelijk vastgestelde procedures worden gecontroleerd op radioactieve besmetting;

d. de lektest en/of besmettingscontrole hoeven niet te worden uitgevoerd bij ingekapselde bronnen met een activiteit van minder dan 1 MBq en met een radiotoxiciteit van minder dan 0,02 Reinh of bij gasvormige ingekapselde bronnen. Wanneer de ingekapselde bron niet meer wordt gebruikt moet, voordat deze wordt opgeslagen in de bergplaats of wordt overgedragen, volgens een schriftelijk vastgelegde procedure een lektest worden uitgevoerd. Wanneer een lek/besmetting wordt geconstateerd boven de vermelde grenzen, moet worden gehandeld zoals in deze vergunning is beschreven onder incidenten;

e. in een register dient aantekening te worden gehouden van elke controle onder vermelding van:

- het nummer van de bron/de plaats in de ruimte die is gecontroleerd,

- de datum waarop het onderzoek plaatsvond,

- de wijze waarop het onderzoek werd uitgevoerd,

- de naam van degene die het onderzoek verrichtte, en

- de resultaten van het onderzoek;

f. in een speciaal daarvoor bestemd register, dat zich in of nabij de bergplaats moet bevinden, moet de hoeveelheid radioactiviteit die zich in de bergplaats bevindt worden aangetekend. Deze registratie vindt minimaal plaats gespecificeerd naar nuclide, activiteit en chemische samenstelling. Elke uitgifte of ontvangst van de radioactieve stof uit of in de bergplaats moet meteen in dit register worden aangetekend. Bij uitgifte moet bovendien de bestemming worden aangetekend.

Tevens moeten de werkzaamheden worden geregistreerd die buiten een radionucliden-laboratorium en de daarbij behorende nevenruimten worden uitgevoerd;

g. een afschrift van de vergunning dient op het kantoor van de ter zake kundige aanwezig te zijn.

IX. Defecten, vermissing of ongeval

a. bij een stralingsincident dienen onverwijld zodanige maatregelen te worden getroffen, dat (verdergaande) besmetting en/of blootstelling van mensen wordt tegengegaan;

b. bij een stralingsincident moeten terstond de betrokken inspecties worden gewaarschuwd:

- de Arbeidsinspectie, en

- de Inspectie Milieuhygiëne Zuid-West.

Dit kan hetzij rechtstreeks hetzij via het alarm-incidentennummer: 070-3832425 van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, dat 24 uur per dag bereikbaar is.

X. Overdracht

a. indien definitief niet meer met de radioactieve stoffen/bronnen zal worden gewerkt, dient hiervan tijdig mededeling te worden gedaan aan de Minister van Economische Zaken. In dat geval dient de vergunninghouder zich zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval uiterlijk binnen twee jaren van de radioactieve stoffen/ingekapselde bronnen te ontdoen. Dit ontdoen mag alleen geschieden overeenkomstig het gestelde in artikel 7, derde lid onder c. en d. van het Besluit stralenbescherming Kernenergiewet.

Na afvoer van de radioactieve stoffen/ingekapselde bronnen zal de vergunning worden ingetrokken. Tot dat tijdstip dient een afschrift van de vergunning in de betrokken inrichting aanwezig te zijn.

Deze beschikking treedt terstond in werking.

Van het verlenen van deze vergunning wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

De Minister van Economische Zaken,
voor deze:
J.W. Weehuizen, directeur Elektriciteit.
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
voor deze:
G.J.R.Wolters, plv. directeur-generaal Milieubeheer.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
voor deze:
N.C. Oudendijk, directeur Curatieve Somatische Zorg.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
(drs. J.F. Hoogervorst)
voor deze:
R.IJ.M. Kuipers directeur-generaal.

Tenslotte wijzen wij erop dat degene wiens belang rechtstreeks bij dit besluit is betrokken, binnen 6 weken na de dag van verzending ervan tegen het besluit een gemotiveerd bezwaarschrift kan indienen bij bovengenoemde ministers en staatssecretaris (per adres Ministerie van Economische Zaken, Directie Wetgeving en Juridische Zaken, postbus 20101, 2500 EC Den Haag) onder vermelding bezwaarschrift Kernenergiewet beschikking Rijks Universiteit Leiden.

Naar boven