Wijziging Regeling groenprojecten

19 november 1999

DGM, MBB 99199225

Directoraat-Generaal Milieubeheer/Directie Bestuurszaken/Afdeling Economische en Fiscale instrumenten

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en de Staatssecretaris van Financiën,

Gelet op artikel 26, tweede en derde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964;

Besluiten:

Artikel I

De Regeling groenprojecten1 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel b komt te luiden:

b. bestaand project: project als bedoeld in:

1° artikel 2 , onderdelen a, b, c, d, onder 1°, f, g, h of k, dat voor 13 juli 1994 voldeed aan een van de projectomschrijvingen van dat artikel, of waarvoor voor die datum een begin met de uitvoering van de bijbehorende fysieke werkzaamheden is gemaakt;

2° artikel 2, onderdelen d, onder 2°, e , onder 3°, i, of j, dat voor 1 januari 1998 voldeed aan een van de projectomschrijvingen van dat artikel, of waarvoor voor die datum een begin met de uitvoering van de bijbehorende fysieke werkzaamheden is gemaakt;

3° artikel 2, onderdelen d, onder 3° en 4°, en h, onder 3°, dat voor 1 januari 1999 voldeed aan een van de projectomschrijvingen van dat artikel, of waarvoor voor die datum een begin met de uitvoering van de bijbehorende fysieke werkzaamheden is gemaakt;.

2. Onderdeel e komt te luiden:

e. projectvermogen voor woningen als bedoeld in artikel 2, onderdeel h: projectvermogen met uitzondering van:

1° het vermogen dat nodig is voor de financiering van de grond waarop de desbetreffende woningen zijn gelegen;

2° het vermogen dat bedoeld is voor de financiering van onderhoud, instandhouding of verbetering van woningen als bedoeld in artikel 2, onderdeel h, onder 1° of 2°, en

3° het vermogen dat nodig is voor de financiering van onderhoud van woningen als bedoeld in artikel 2, onderdeel h, onder 3°;.

3. Onderdeel i vervalt.

4. Onderdeel j wordt geletterd i.

B

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan onderdeel d worden twee onderdelen toegevoegd, luidende:

3° in een beheers- of reservaatgebied die gericht zijn op de ontwikkeling en de instandhouding van nieuwe natuur- en landschappelijke waarden en waarvoor een beheersovereenkomst is gesloten als bedoeld in de Regeling beheersovereenkomsten en natuurontwikkeling;

4° in een probleemgebied die gericht zijn op de ontwikkeling en de instandhouding van nieuwe natuur- en landschappelijke waarden en waarvoor een beheersovereenkomst is gesloten als bedoeld in de Regeling beheersovereenkomsten en natuurontwikkeling;.

2. Onderdeel h komt te luiden:

h. projecten die gericht zijn op:

1° het realiseren van nieuw te bouwen woningen die voortdurend als hoofdverblijf ter beschikking zullen staan aan een of meer natuurlijke personen en die voldoen aan de basiseisen zoals die zijn gesteld in bijlage 1a, en tevens minimaal 150 punten behalen volgens de in die bijlage vermelde systematiek;

2° het door herbestemming van niet-woningen realiseren van nieuwe woningen die voortdurend als hoofdverblijf ter beschikking zullen staan aan een of meer natuurlijke personen en die waar mogelijk voldoen aan de basiseisen zoals die zijn gesteld in bijlage 1a, en tevens minimaal 150 punten behalen volgens de in die bijlage vermelde systematiek;

3° het renoveren van bestaande woningen die zijn gebouwd voor 1980 en die voortdurend als hoofdverblijf ter beschikking zullen staan aan een of meer natuurlijke personen en die voldoen aan de basiseisen zoals die zijn gesteld in bijlage 1b, en tevens minimaal 125 punten behalen volgens de in die bijlage vermelde systematiek;.

C

Artikel 3, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel e komt te luiden:

e. een project als bedoeld in artikel 2, onderdeel h, onder 1° of 2°, indien per kalenderjaar reeds voor 5000 woningen een verklaring is afgegeven of indien de aanvraag voor een verklaring wordt ingediend na 31 december 2000;.

2. Onderdeel f wordt geletterd g.

3. Er wordt een nieuw onderdeel ingevoegd, luidende:

f. een project als bedoeld in artikel 2, onderdeel h, onder 3°, indien per kalenderjaar reeds voor 5000 woningen een verklaring is afgegeven of indien de aanvraag voor een verklaring wordt ingediend na 31 december 2000;.

3. Onderdeel h komt te luiden:

h. een project betreffende een woning als bedoeld in artikel 2, onderdeel h, onder 1° of 2°, waarvan de totale kosten van het verkrijgen in eigendom meer dan f 400.000,- bedragen.

D

Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel b, onder 1°, wordt ’of’ vervangen door: en.

2. Onder vernummering van het vierde en vijfde lid tot vijfde en zesde lid, wordt een lid ingevoegd, luidende,:

4. Voor de toepassing van deze regeling komt ten aanzien van een project als bedoeld in artikel 2, onderdeel d, onder 3° en 4°, voor een verklaring in aanmerking:

1° ten hoogste f 5000,- per hectare indien het project betrekking heeft op passief beheer;

2° ten hoogste f 10.000,- per hectare indien het project betrekking heeft op licht beheer;

3° ten hoogste f 15.000,- per hectare indien het project betrekking heeft op zwaar beheer.

3. In het vijfde lid (nieuw) wordt ’12 maanden’ vervangen door: 2 jaar.

E

De bijlagen worden vervangen door de bijlagen bij deze regeling.

Artikel II

Een verklaring als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel g, van de Regeling groenprojecten kan tevens worden afgegeven voor projecten die gericht zijn op het realiseren van een Groen Label Kas voor het bedrijfsmatig telen van tuinbouwgewassen, het realiseren van nieuw te bouwen woningen die voortdurend als hoofdverblijf ter beschikking zullen staan aan een of meer natuurlijke personen of het door herbestemming van niet-woningen realiseren van nieuwe woningen die voortdurend als hoofdverblijf ter beschikking zullen staan aan een of meer natuurlijke personen, indien ten aanzien van het desbetreffende project voldaan wordt aan het bepaalde in artikel 2 van de Regeling groenprojecten en de bijbehorende bijlagen, zoals die luidden voor het tijdstip waarop deze regeling in werking is getreden, en een verklaring als hiervoor bedoeld voor 1 januari 2000 is aangevraagd.

Artikel III

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 19 november 1999.
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,J.P. Pronk.
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,L.J. Brinkhorst.
De Staatssecretaris van Financiën,W.A.F.G. Vermeend.

1 Stcrt. 1994, 251, laatstelijk gewijzigd bij ministeriële regeling van 26 september 1998 (Stcrt. 198).

Toelichting

Paragraaf 1 Algemeen

De Regeling groenprojecten maakt het sedert 1994 mogelijk dat projecten of categorieën van projecten worden aangewezen als zogenoemd groen project. Hierdoor komen deze projecten in aanmerking voor de faciliteit van Groen beleggen waarmee beoogd wordt om de ontwikkeling van projecten die van belang zijn voor het milieu, waaronder begrepen natuur en energie, te bevorderen.

De faciliteit Groen beleggen is in de loop van de tijd enkele malen aangepast en kan betrekking hebben op projecten in Nederland, in bepaalde ontwikkelingslanden, in landen in Centraal en Oost Europa, op de Nederlandse Antillen en op Aruba. De voorliggende wijziging heeft slechts betrekking op projecten, gelegen in Nederland.

In de toelichting bij de voorstellen tot Wijziging van enkele belastingwetten c.a. (belastingplan 1999) (Kamerstukken II 1998/99, 26 245, nr.3, blz. 11) is reeds aangegeven dat de Regeling groenprojecten zou worden uitgebreid met investeringen in het kader van duurzaam bouwen, het renoveren van woningen en de zogenoemde beheerslandbouw De voorliggende wijzigingen geven hier uitvoering aan en hebben tevens betrekking op enkele andere aspecten. De wijzigingen betreffen:

· een verlenging van het toepassen van de faciliteit op duurzaam gebouwde nieuwbouwwoningen tot 1 januari 2001;

· het van toepassing verklaren van de faciliteit voor duurzame renovatie van woningen;

· aanpassing van de technische detailvoorwaarden betreffende duurzaam bouwen;

· aanpassing van de technische detailvoorwaarden betreffende de Groen Label Kas;

· de verbreding van de faciliteit tot projecten waarvoor een beheersovereenkomst is gesloten en die gelegen zijn in probleemgebieden of in beheers- of reservaatgebieden en gericht zijn op de ontwikkeling en de instandhouding van natuur- en landschappelijke waarden;

· een verduidelijking van de voorwaarden waaraan projecten dienen te voldoen om voor een Groenverklaring met een lange looptijd in aanmerking te komen.

De wijzigingen houden tevens in dat de bijlagen bij de regeling worden vervangen. In deze bijlagen zijn technische specificaties opgenomen. De ontwerp regeling is op 20 oktober 1999 gemeld aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen (notificatienummer 99/0483/NL) ter voldoening aan artikel 8, eerste lid, van de richtlijn nr. 98/34EG van het Europese Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG L 204), zoals gewijzigd bij richtlijn nr. 98/48/EG van 20 juli 1998 (PbEG L 217).

Paragraaf 2 Duurzaam bouwen: Nieuwbouw

Sinds november 1996 is de Regeling groen projecten aangewend als financieel instrument ter bevordering van duurzame woningbouw (DUBO). Nieuw te bouwen duurzame woningen konden voor een deel van de aanschaffingskosten groen gefinancierd worden. Voor deze woningen was vereist dat zij voldeden aan de eisen, gesteld in de Maatlat duurzame woningbouw 1996, die als bijlage bij deze regeling was gevoegd. Bij de introductie van deze nieuwe categorie is aangekondigd dat er in 1998 een evaluatie van de regeling voor nieuwbouw zou worden uitgevoerd.

Deze evaluatie heeft inmiddels plaats gehad en heeft als algemene conclusie dat de regeling het duurzaam bouwen stimuleert, maar dat op onderdelen nog verbeteringen mogelijk zijn. De onderhavige wijziging van de regeling geeft hier mede invulling aan. Tevens houdt de regeling een verlenging van de faciliteit in tot 1 januari 2001. In de tussenliggende periode zal eventuele verlenging na die datum worden bezien.

Naar aanleiding van de evaluatie wordt in de regeling een aantal wijzigingen aangebracht. Zo is de Maatlat duurzame woningbouw 1996 vervangen door de Maatlat duurzame woningbouw 1999. Deze kent meer keuzevrijheid in het maatregelenpakket en is inhoudelijk aangepast aan de ontwikkelingen in de inzichten en het beleid ten aanzien van duurzaam bouwen.

Paragraaf 3 Duurzaam bouwen: Renoveren

In aanvulling op de bovenstaande wijzigingen wordt de regeling thans verbreed met duurzame renovatie. De komende jaren zal in veel gemeenten in Nederland de keuze moeten worden gemaakt tussen ingrijpend renoveren of slopen. Aangezien renoveren in de meeste gevallen vanuit milieuoogpunt veruit de voorkeur geniet boven slopen, is besloten tot uitbreiding van de regeling met renoveren indien dit althans op een hoog niveau van duurzaamheid geschiedt.

Door de grote omvang (ruim 6,3 miljoen woningen) en de doorgaans mindere kwaliteit ten opzichte van wat mogelijk is, kan in de bestaande bouw een grote milieuwinst geboekt worden. In het ’Tweede plan van aanpak duurzaam bouwen’ is de verbetering van de bestaande voorraad woningen dan ook als een speerpunt van beleid aangegeven.

Om te kunnen toetsen in hoeverre een renovatieproject duurzaam is, is de Maatlat duurzame renovatie 1999 opgesteld. Deze maatlat is inhoudelijk gebaseerd op het Nationaal pakket Woningbouw Beheer. Er is evenals bij de duurzame nieuwbouw gekozen voor een benadering via de thema’s energie, materialen, water en binnenmilieu. Maatregelen die niet in één van de vier thema’s ondergebracht konden worden, zijn opgenomen in de verzameling diversen Binnen de thema’s (bijvoorbeeld energie) worden eisen gesteld op subthema niveau (bijvoorbeeld isolatie en zonwering). Het kenmerk van de subthema’s is dat ze elk een min of meer onafhankelijk doel op het gebied van duurzaam bouwen vertegenwoordigen. Als een subthema in een project goed is uitgewerkt, is een flinke kwaliteitsverbetering bereikt. De beheerder heeft de vrijheid om te kiezen uit de subthema’s. De subthema’s zelf garanderen dat er een substantiële milieuverbetering wordt bereikt. Aan elk subthema is een ambitieniveau gekoppeld, dat in beginsel overeenkomt met het niveau voor nieuwe woningen volgens het Nationaal pakket Woningbouw Nieuwbouw. De subthema’s zijn niet allemaal even zwaar. Zo is binnen het thema energie de aanpak van de schil (subthema isolatie & zonwering) belangrijker dan de aanpak van de installaties (subthema opwekking & distributie). De zwaarte van de subthema’s wordt uitgedrukt in punten, vergelijkbaar met de regeling voor nieuwbouw.

Paragraaf 4 Groen Label Kas

Het onderdeel Groen Label Kas maakt sinds 1 januari 1998 onderdeel uit van de Regeling groenprojecten. De milieutechnische eisen die worden gesteld aan de kas zijn neergelegd in de maatlat Groen Label Kas, die als bijlage 2 bij deze regeling behoort. Thans is ruim een jaar praktijkervaring opgedaan met de maatlat Groen Label Kas. De eerste helft van 1999 is deze maatlat geëvalueerd. Sinds 1998 zijn er, gebruik makend van de faciliteit, circa 60 kassen gerealiseerd. Naar schatting wordt ongeveer 20% van het kassenareaal gerealiseerd met gebruikmaking van de faciliteit groen beleggen. Het is gebleken dat de maatlat als zodanig voldoet, maar dat op onderdelen verbeteringen mogelijk zijn. Ook is inzicht ontstaan voor welke teelten de regeling meer of minder interessant is. Zo bleken de eisen voor tomatentelers erg ambitieus, zeker in de gebieden waar geen ruimte is voor de aanleg van een waterbassin en waar het nutsbedrijf niet bereid is electriciteit van de warmtekrachtinstallatie af te nemen. In de nieuwe maatlat is het benodigd aantal punten voor tomatentelers verlaagd van 90 naar 85. Andere belangrijke wijzigingen zijn het aanbrengen van meer keuzevrijheid in de maatlat, het op meerdere niveaus honoreren van regenwateropslag en een vergroting van de prikkel om collectieve warmte- en electriciteitsopwekking en -doorlevering te realiseren.

Paragraaf 5 Beheerslandbouw

De faciliteit is reeds van toepassing op een groot aantal projecten die bijdragen aan natuur- en natuurbeheer. Thans wordt een aanpassing doorgevoerd waardoor de regeling ook voor gemengde natuur-landbouwprojecten wordt opengesteld. De uitbreiding houdt in dat projectbeheerders die een beheersovereenkomst hebben gesloten voor projecten in een beheers- of reservaatgebied, dan wel een beheersovereenkomst hebben gesloten voor projecten in een probleemgebied als bedoeld in de Regeling beheersovereenkomsten en natuurontwikkeling in aanmerking komen voor Groen beleggen. In een beheersgebied wordt er naar gestreefd om de landbouw door middel van beheersovereenkomsten mede te richten op doeleinden van natuur en landschap. In een reservaatgebied wordt verwerving van landbouwgronden ten behoeve van de Staat of door een terreinbeherende natuurbeschermingsorganisatie nagestreefd met het oog op doeleinden van natuur- en landschapsbehoud.

Paragraaf 6 De artikelen

Artikel I

Onderdeel A, onder 1

Bij het opnemen van nieuwe projecten in de Regeling groenprojecten wordt steeds bepaald dat de regeling niet van toepassing is op bestaande projecten. Voor de onderhavige wijziging betekent het dat de faciliteit slechts van toepassing kan zijn als het projecten betreft waarvoor de fysieke werkzaamheden zijn aangevangen op of na 1 januari 1999. Voor projecten die betrekking hebben op beheerslandbouw betekent het dat de faciliteit slechts betrekking kan hebben op gronden waarvoor eerst op of na 1 januari 1999 een beheersovereenkomst op grond van de Regeling beheersovereenkomsten en natuurontwikkeling is gesloten.

Bij de duurzame renovatieprojecten wordt onder aanvang van de werkzaamheden verstaan het fysiek aanvangen van de werkzaamheden die leiden tot de renovatie. Sloopwerkzaamheden worden in deze beschouwd als werkzaamheden die leiden tot renovatie.

Onderdeel A, onder 2

De onderhavige wijziging regelt de definitie van het projectvermogen van renovatieprojecten. Het projectvermogen wordt beperkt tot de maatregelen die daadwerkelijk tot verbetering van de woning leiden. Zaken als regulier onderhoud kunnen niet tot het projectvermogen worden gerekend. Het projectvermogen voor een renovatieproject kan op grond van artikel 6, vierde lid, van de Regeling groenprojecten maximaal f 75.000,- per woning bedragen.

Voor het projectvermogen geldt overigens de algemene ondergrens van f 50.000,- die voor alle projecten binnen de Regeling groenprojecten van toepassing is. Projecten die deze grens niet halen, zullen in het algemeen bestaan uit een of ten hoogste twee woningen. Bij projecten met een dergelijke projectbedrag staat het rendement van de faciliteit niet in verhouding tot de inspanningen en uitvoeringskosten van de aanvrager, het Groenfonds en de overheid. Bovendien zal het Groenfonds voor een project met een projectvermogen van f 50.000,- of minder een rente kunnen bieden die nauwelijks lager zal zijn dan de marktrente.

Voor het projectvermogen van duurzame renovatieprojecten komen slechts die kosten in aanmerking die in het kader van het lopende renovatieproject worden gemaakt. Kosten die vóór de uitvoering van het renovatieproject zijn gemaakt, komen niet in aanmerking voor de vaststelling van het projectvermogen.

Onderdeel A, onder 3

Artikel 1, onderdeel i, bevatte een definitie van het begrip twaalfmaandelijkse periode. Dit begrip werd gebruikt bij de limitering van het aantal woningen dat voor de faciliteit in aanmerking kwam. Voor de huidige regeling is het begrip niet meer relevant omdat thans een maximering per kalenderjaar geldt.

Onderdeel B, onder 1

In dit onderdeel is bepaald dat ondernemers die een beheersovereenkomst voor projecten in een beheers- of reservaatgebied, dan wel een beheersovereenkomst voor projecten in een probleemgebied als bedoeld in de Regeling beheersovereenkomsten en natuurontwikkeling hebben gesloten, in aanmerking komen voor de faciliteit Groen beleggen. Er is bewust aansluiting gezocht bij de voornoemde regeling. Dit geeft namelijk de mogelijkheid een gewenst kwaliteitsniveau te bereiken van de projecten terwijl tevens gebruik kan worden gemaakt van de controle en het toezicht dat in die regeling wordt toegepast. Bovendien levert deze keuze een administratieve vereenvoudiging op. De looptijd van de af te geven groenverklaring zal bepaald worden door de looptijd van de beheersovereenkomst. Immers slechts gedurende die periode is gegarandeerd dat er sprake is van een project van voldoende niveau.

Onderdeel B, onder 2

Artikel 2, onderdeel h, onder 1° geeft de beschrijving van de voorwaarden die gelden voor duurzaam gebouwde woningen. Naar aanleiding van de evaluatie worden de voorwaarden voor die woningen aangepast. De Maatlat duurzame woningbouw 1996 wordt vervangen door de Maatlat duurzame woningbouw 1999. Deze kent meer keuzevrijheid in het maatregelenpakket en is inhoudelijk aangepast aan de ontwikkelingen in de inzichten en het beleid ten aanzien van duurzaam bouwen. Het vergroten van de keuzevrijheid heeft tot gevolg dat maatregelen die voorheen verplicht waren, nu optioneel zijn geworden. Daardoor is niet langer een totaal van 60 punten vereist, maar moeten er 150 punten worden gehaald. Het ambitieniveau van de regeling (de hoogte van de maatlat) is echter nagenoeg ongewijzigd. Alleen op het gebied van energie heeft er een kleine aanscherping plaatsgevonden, aangezien de regelgeving op dit gebied inmiddels is aangescherpt.

In onderdeel 2° , onder h, van artikel 2 is de doorwerking van de voornoemde wijziging van de maatlat voor de herbestemmingssituaties geregeld. Dit betreft de projecten waarbij niet-woongebouwen omgezet worden tot duurzame woningen.

Artikel 2, onderdeel h, onder 3° maakt het mogelijk duurzame renovatieprojecten onder de regeling te brengen. Evenals bij de maatlat voor de nieuwbouw is ook hier gekozen voor een systeem met een beperkt aantal basiseisen en een systematiek van punten. De toekenning van de punten is gebaseerd op de omvang van het (positieve) milieueffect. Aan alle basiseisen moet worden voldaan. Binnen elk van de thema’s energie, materialen, water en binnenmilieu dienen ten minste 15 punten gehaald te worden. Hierdoor wordt een basisniveau van voldoende milieukwaliteit in de breedte verzekerd. Uiteindelijk moeten in totaal 125 punten gehaald worden. In de Maatlat wordt verwezen naar de specificatiebladen, zoals deze zijn opgenomen in het Nationaal pakket Woningbouw. In dit pakket worden de in de bijlage bij deze regeling vaak summier omschreven maatregelen verder geconcretiseerd. In het Nationaal pakket worden standaardtitels voor overeenkomstige maatregelen in nieuwbouw en beheer gebruikt. Dit heeft tot gevolg dat sommige titels minder toegesneden zijn op de bestaande bouw. Als voorbeeld B013: maak warmteweerstand gesloten geveldelen Rc< = 3 m2 K/W. Dit lijkt een veel te zware maatregel voor de bestaande bouw. Als men echter het specificatieblad B013 raadpleegt, blijkt dat met minder zware isolatie kan worden volstaan.

In de hier gekozen opzet worden projecten gewaardeerd met name op het eindresultaat en minder op de inspanning. Dit betekent dat ook punten kunnen worden gescoord voor maatregelen die eerder zijn getroffen. Als voorbeeld: een woningcorporatie gaat dit jaar een grote duurzame renovatie uitvoeren in een wijk van eengezinswoningen en wil in aanmerking komen voor de regeling. In het renovatieplan wordt niets aan het verwarmingssysteem gedaan omdat een jaar eerder de conventionele CV-ketels vervangen zijn door HR-ketels. Volgens de voorwaarden worden er punten voor deze maatregel toegekend. Op deze wijze wordt voorkomen, dat men gestraft wordt voor inspanningen in het verleden. Uiteraard kunnen de kosten die in een eerdere fase zijn gemaakt (in het voorbeeld de kosten van de HR-ketels) geen deel uitmaken van het projectvermogen.

Onderdeel C

Het aantal woningen dat onder de regeling kan worden gefaciliteerd, is gelimiteerd per kalenderjaar. Oorspronkelijk werd hierbij een periode gehanteerd die niet overeenstemde met het kalenderjaar. Thans is een periode gekozen die overeenstemt met het kalenderjaar. Tevens is aangegeven dat de looptijd vooralsnog beperkt is tot 1 januari 2001.

De regeling is slechts van toepassing op nieuwbouwwoningen of herbestemmingswoningen van minder dan f 400.000,-. Bij renovatieprojecten geldt deze beperking niet.

Onderdeel D

De wijziging in artikel 6, eerste lid, betreft een redactionele wijziging ter verduidelijking dat om in aanmerking te komen voor een verklaring met een looptijd van dertig jaren er cumulatief aan de opgesomde voorwaarden moet worden voldaan.

In het nieuwe vierde lid van artikel 6 wordt het projectvermogen vastgesteld voor beheersprojecten. De beheersprojecten hebben een primaire landbouwproductiefunctie. Het zou onjuist zijn deze projecten op gelijke wijze te belonen als zuivere natuurprojecten. Bovendien zou bij een toepassing van de faciliteit op het totale vermogen van het project het financieel voordeel bovenmatig zijn en niet in verhouding staan tot de meerkosten (en of minder opbrengsten) die optreden bij overgang van gangbare landbouw naar beheerslandbouw. Het per aanvraag voor een Groenverklaring individueel vaststellen van de beloning van het specifieke beheerselement zou tijdrovend en veelal controversieel zijn. Voorts zou de vaststelling pas na afloop van het oogstjaar definitief vastgesteld kunnen worden. Hierdoor zou de uitvoering van de regeling op dit onderdeel ongewenst verzwaard worden. Er is daarom gekozen voor een forfaitaire vaststelling van het projectvermogen. Bij de hoogte van het bedrag dat groen gefinancierd kan worden is rekening gehouden met bedoelde meerkosten en/of minder opbrengsten van de onderscheiden beheerspakketten. Voor pakketten met passief beheer (G1 en B1 in de Regeling beheersovereenkomsten en natuurontwikkeling) bedraagt het bedrag ten hoogste f 5000,- per hectare. Voor pakketten met licht beheer (G2, B2 van die regeling, ruige mest en landschapsonderhoud) ten hoogste f 10.000,- per hectare en voor pakketten met zwaar beheer (de overige pakketten) ten hoogste f 15.000,- per hectare.

De wijziging in het derde onderdeel heeft betrekking op de maximale lengte van de periode die gelegen mag zijn tussen de afgifte van een verklaring en de start van een project. In het verleden was deze periode maximaal 12 maanden. Thans wordt die periode gesteld op maximaal 2 jaar. Een verdere verlenging van die periode is niet gewenst omdat het onder meer de raming van de budgettaire lasten bemoeilijkt. Bovendien kan een te lange periode leiden tot een technische veroudering van de oorspronkelijke projectopzet of kan er inmiddels een wijziging in milieuprioriteiten zijn opgetreden.

Artikel II

In dit artikel wordt de overgangsproblematiek geregeld die samenhangt met het systeem van de maatlatten. Bij de realisatie van duurzame woningen en Groen Label Kassen is er een tijdsverloop tussen de planning en de realisatie. Dit betekent dat het veranderen van de voorschriften in de maatlatten problemen zou veroorzaken indien er geen overgangsregeling was opgenomen in de Regeling groenprojecten. Door deze bepaling wordt er een overgangsperiode tot 1 januari 2000 gehanteerd gedurende welke men zowel van het oude als van het nieuwe eisenpakket gebruik kan maken.

Bijlage 1a behorende bij artikel 2, onderdeel h, onder 1° en 2° van de Regeling groenprojecten (Maatlat duurzame woningbouw 1999)

Begripsbepalingen

1. Deze bijlage kan worden aangehaald als: de Maatlat duurzame woningbouw 1999.

2. Met het Nationaal pakket wordt bedoeld de uitgave ’Duurzaam bouwen: nationaal pakket woningbouw’ (uitgave van de Stichting Bouwresearch, ISBN 90-5367-175-7).

3. Bij het indienen van de aanvraag dient uitgegaan te worden van de meest recente uitgave van het Nationaal pakket. Indien in de voorbereiding van de aanvraag is uitgegaan van een eerdere versie mag er op het moment van aanvragen niet meer dan een half jaar verstreken zijn, nadat de meest recente versie is uitgegeven.

4. Indien maatregelen zijn vervallen in het Nationaal pakket, behoeft hieraan niet te worden voldaan in deze maatlat.

5. Aan elke basiseis moet worden voldaan. Indien de aanvrager aantoont, dat met een alternatieve maatregel een kwalitatief tenminste gelijkwaardig resultaat wordt behaald, wordt niettemin geachte te zijn voldaan aan deze basiseis.

6. In de kolom ’Specificatie’ geven de S-nummers de specificatiebladen aan zoals deze zijn opgenomen in het Nationaal pakket. In dit pakket worden de hier - vaak summier - omschreven maatregelen verder geconcretiseerd.

7. In de kolom ’Specificatie’ van Tabel II geeft een X-nummer aan dat het om een maatregel gaat die (nog) niet is opgenomen in het Nationaal pakket.

8. In de kolom ’punten per eenheid’ is het aantal punten aangegeven, dat voor de maatregel wordt toegekend per eenheid, die genoemd is in de kolom ’eenheid’. Daar waar de maatregel meerdere malen kan worden toegepast, is het aantal te behalen punten gemaximeerd. Deze maximering is aangegeven in de kolom ’max. aantal punten’.

Maatlat duurzame woningbouw 1999; Tabel I: basiseisen

stcrt-1999-234-p12-SC21458-1.gif

Maatlat duurzame woningbouw 1999; Tabel II: keuzemaatregelen, puntensysteem

stcrt-1999-234-p12-SC21458-2.gifstcrt-1999-234-p12-SC21458-3.gifstcrt-1999-234-p12-SC21458-4.gifstcrt-1999-234-p12-SC21458-5.gifstcrt-1999-234-p12-SC21458-6.gif

Bijlage 1b, behorende bij artikel 2, onderdeel h, onder 3°, van de Regeling groenprojecten (Maatlat duurzame renovatie 1999)

Begripsbepalingen

1. Deze bijlage kan worden aangehaald als: de Maatlat duurzame renovatie 1999.

2. Met het Nationaal pakket wordt bedoeld de meest recente uitgave ’Nationaal pakket Woningbouw Beheer’ (uitgave op CD-ROM van de Stichting Bouwresearch).

3. Bij het indienen van de aanvraag dient uitgegaan te worden van de meest recente uitgave van het Nationaal pakket. Indien in de voorbereiding van de aanvraag is uitgegaan van een eerdere versie mag er op het moment van aanvragen niet meer dan een half jaar verstreken zijn, nadat de meest recente versie is uitgegeven.

4. Indien maatregelen zijn vervallen in het Nationaal pakket, behoeft hieraan niet te worden voldaan in deze maatlat.

5. In de kolom ’Specificatieblad’ geven de B-nummers van de specificatiebladen aan zoals deze zijn opgenomen in CD-ROM-versie van het Nationaal pakket. In dit pakket worden de hier vaak summier omschreven maatregelen verder geconcretiseerd. De CD-ROM gebruikt standaard titels voor overeenkomstige maatregelen in nieuwbouw en beheer. Dit heeft tot gevolg, dat sommige titels minder toegesneden zijn op de bestaande bouw. Als voorbeeld B013: maak warmteweerstand gesloten geveldelen Rc<= 3 m2 K/W. Dit lijkt een veel te zware maatregel voor de bestaande bouw. Als men echter het specificatieblad B013 raadpleegt, blijkt dat met minder zware isolatie kan worden volstaan.

6. Een enkele maatregel is (nog) niet zijn opgenomen in het Nationaal pakket en worden aangegeven met een X.

7. Aan elke basiseis moet worden voldaan. Indien de aanvrager aantoont, dat met een alternatieve maatregel een kwalitatief tenminste gelijkwaardig resultaat wordt behaald, wordt niettemin geachte te zijn voldaan aan deze basiseis.

8. In de kolom ’punten’ staat het maximum aantal punten dat voor een maatregel kan worden verkregen. Indien de maatregel al eerder in de woning is uitgevoerd mogen toch punten worden toegekend.

9. De van een asterisk (*) voorziene B-nummers geven aan, dat indien binnen een thema aan alle dergelijke maatregelen is voldaan er bonuspunten worden toegekend. Het aantal staat vermeld binnen het subthema. Aan maatregelen die gezien de situatie ter plekke technisch niet uitvoerbaar zijn, behoeft niet te worden voldaan. Het aantal bonuspunten wordt in een dergelijk geval verminderd naar rato van het aantal punten dat de maatregel zou hebben opgeleverd indien hij zou zijn genomen en het gezamenlijke aantal punten van de met een asterisk gemerkte maatregelen binnen het subthema benodigd voor de bonuspunten.

10. Indien binnen de subthema’s isolatie & zonwering en ventilatie & infiltratie aan alle B-maatregelen met een asterisk is voldaan, worden 10 extra bonuspunten toegekend.

11. Indien een project bestaat uit het renoveren van meerdere woningen kan het zo zijn, dat een maatregel niet in elke woning wordt toegepast. in dat geval wordt het aantal punten verminderd naar rato van het aantal woningen waarin de maatregel wordt toegepast ten opzichte van het totaal aantal woningen in het project. in een dergelijk geval worden geen bonuspunten toegekend.

Maatlat duurzame renovatie 1999; Tabel I: basiseisen

stcrt-1999-234-p12-SC21458-7.gif

Maatlat duurzame renovatie 1999; Tabel II: keuzemaatregelen, puntensysteem

stcrt-1999-234-p12-SC21458-8.gifstcrt-1999-234-p12-SC21458-9.gifstcrt-1999-234-p12-SC21458-10.gifstcrt-1999-234-p12-SC21458-11.gifstcrt-1999-234-p12-SC21458-12.gifstcrt-1999-234-p12-SC21458-13.gif

Bijlage 2, behorende bij artikel 2, onderdeel e, onder 3°, van de Regeling groenprojecten

Begripsbepalingen

1. Deze bijlage wordt aangehaald als: Maatlat Groen Label Kas 1999.

2. Technische uitwerking van de maatregelen kan geschieden in de vorm van publicaties in de reeks: Groen Beleggen Publicatiereeks.

3. In deze bijlage wordt verstaan onder:

a. zware stookteelt: een teelt in een kas waarbij de gemiddelde minimum etmaaltemperatuur (op basis van de stooklijn) in de maand januari tenminste 17 °C is;

b. hetelucht/lichtestookteelt: een teelt in een kas waarbij de gemiddelde minimum etmaaltemperatuur, (op basis van de stooklijn) in de maand januari lager dan 17 °C is;

c. dubbelwandige niet flexibele kunststofplaat: een constructie bestaande uit tenminste twee lagen niet flexibel kunststof voorzien van een luchtspouw;

d. dubbel beglaasd of dubbel glas: een constructie bestaande uit twee lagen glas voorzien van een luchtspouw;

e. (opwekkings)vermogen: het thermisch vermogen uitgedrukt in Watt per m2 teeltopppervlakte dat met de installatie wordt verwarmd.

4. Het minimaal aantal punten bedraagt voor:

· tomatenteelt: 85 punten op basis van de hierna opgenomen keuzemaatregelen;

· overige zware stookteelt: 75 punten op basis van de hierna opgenomen keuzemaatregelen;

· hetelucht/lichtestookteelt: 60 punten op basis van de hierna opgenomen keuzemaatregelen.

5. Anticipatiemogelijkheid: met betrekking tot centrale koolstofdioxidelevering, aansluiting op een restwarmtenet en in geval van een centrale opslag van regenwater, kunnen de betreffende punten ondanks het feit dat de koolstofdioxidelevering, de restwarmtelevering of de regenwateropvang nog niet plaatsvindt, toch worden toegekend in het geval dat de benodigde installatie voor de centrale levering nog niet gerealiseerd kan worden mits:

a. er zekerheid bestaat dat zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen twee jaar na het verstrekken van de Groenverklaring van de centrale levering gebruik gemaakt zal worden,

b. dat de wijze waarop en de mate waarin de levering zal plaatsvinden, bekend is,

c. onverkorte toepassing van deze regeling zou leiden tot ernstige bemoeilijking van het centrale leveringsproject en

d. het project naar de mening van de Minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer belangrijke verdiensten heeft op het gebied van milieu, energie of ruimtelijke ordening.

Of aan de eisen van de anticipatiemogelijkheid is voldaan kan met betrekking tot de onderdelen a) en b) worden aangetoond door middel van overeenkomsten met de (toekomstige) leverancier en met betrekking tot de onderdelen c) en d) door middel van een verklaring terzake van het Minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Indien het project twee jaar na het verstrekken van de Groenverklaring niet is gerealiseerd vervallen de punten.

1. Basiseisen voor kassen voor zware stookteelt:

A. vervallen

B. Gootsysteem: het gootsysteem dient

· te voorzien in een gescheiden condensafvoer,

· te bestaan uit goten met een maximale lichtonderschepping, bepaald volgens de halve omtrekmethode van maximaal 7%, en

· te bestaan uit goten, die indien ze van staal vervaardigd zijn, tweezijdig gecoat zijn.

C. Onderbouw van de kasconstructie: de onderbouw dient te zijn vervaardigd van staal of aluminium.

D. Roeden van kas: de roeden dienen te zijn vervaardigd van aluminium of gecoat staal.

E. Dek: het dek van kassen, bestemd voor andere teelten dan tomatenteelt, dient te bestaan uit tenminste enkel glas waarbij een beweegbaar scherm aangebracht is, dan wel uit dubbel glas, gecoat glas, of dubbelwandige niet flexibele kunststofplaat.

F. Gevels: de gevel dient te bestaan uit tenminste enkel glas en een scherm, dan wel uit dubbel glas, dan wel uit gecoat glas, dan wel uit dubbelwandige niet flexibele kunststofplaat, dan wel dubbel te zijn beglaasd.

G. Verwarmingssysteem: het verwarmingssysteem dient:

· te zijn opgebouwd uit tenminste twee netten waarbij een van de netten aangesloten is op een condensor. Een secundair net is niet verplicht indien de warmtevoorziening voor 65% of meer plaatsvindt met behulp van restwarmte

· met betrekking tot het rendement van de ketel en de condensor te voldoen aan het gestelde in de ’Criteria voor het toetsen van het Groen Label Kas Groencertificaat 1999’ (Groen beleggen publicatiereeks No. 1.1, 1999 of een latere versie);

· bij aanwezigheid van een ketel, een ketelwand-isolatielaag te hebben van tenminste 10 centimeter;

· bij aanwezigheid van een niet in de retourleiding geplaatst expansievat een expansievat-wand-isolatielaag te hebben van tenminste 10 centimeter;

· te zijn uitgevoerd met transportpompen met frequentieregeling;

· een temperatuurverschil van maximaal 2 °C te hebben tussen de afzonderlijke verwarmingsspiralen, gemeten halverwege de aanvoer en afvoer, bij een vaste buistemperatuur van 60 °C of bij de maximum buistemperatuur indien deze lager is dan 60 °C ;

· zo te zijn uitgevoerd dat de luchttemperatuurgradiënten in de kas (over 95% van het areaal) kleiner zijn dan 1,5 °C indien deze worden gemeten bij een vaste buistemperatuur van 60 °C of bij de maximum buistemperatuur indien deze lager is dan 60 °C, waarbij meting geschiedt zoals aangegeven in ’Criteria voor het toetsen van het Groen Label Kas Groencertificaat 1999’ (Groen beleggen publicatiereeks No. 1.1, 1999 of een latere versie).

H. Indien assimilatiebelichting wordt toegepast dient:

· de eventueel aanwezige warmtekrachtkoppeling te zijn voorzien van een tweede condensor;

· de eventuele aanwezige warmtekrachtkoppeling te zijn voorzien van een warmtebuffer met een volume van tenminste 60 m3 /ha;

· de eventuele aanwezige warmtekrachtkoppeling te zijn voorzien van een rookgasreinigingsinstallatie, en de rookgasstroom van de eventuele warmtekrachtkoppeling te worden aangewend voor koolstofdioxidedosering aan de planten.

I. Koolstofdioxide/rookgas-doseerinstallatie: er dient een koolstofdioxide/rookgas doseer-installatie te worden toegepast indien het bedrijf is voorzien van een ketel en er geen aansluiting is op een centraal koolstofdioxide-distributienet.

J. Sensoren: de klimaatsensoren voor temperatuur-, vocht- en koolstofdioxide-metingen dienen een individuele en totale meetnauwkeurigheid te hebben als aangegeven in ’Normering van meetnauwkeurigheden van klimaatregeling in praktijkkassen’ (PBG, Naaldwijk).

K. Controle op aanwezigheid en optimaal functioneren van de onderdelen dient te geschieden conform de ’Criteria voor het toetsen van het Groen Label Kas Groencertificaat 1999’;

De opleveringscontrole dient betrekking te hebben op de volledige kas. Voor de energie-aspecten dient de controle betrekking te hebben op:

· de aanleg en capaciteit van het integrale verwarmingssysteem zoals het is of wordt uitgevoerd aan de hand van tekeningen van het verwarmingssysteem, het leidingensysteem en het buffersysteem waarop tenminste zijn aangegeven de onderdelen, de leidingdiameters, de aard en dikte van isolatiematerialen, pompcapaciteiten, stroomrichtingen, afmetingen van verbindingsslangen en capaciteitsberekeningen;

· de capaciteit van de koolstofdioxide/rookgasdoseerinstallatie waarbij tevens ventilatorcapaciteit, leidingdiameters, doseerdarmuitvoering, prikmaat en condensafvoer gecontroleerd worden;

· mede te bestaan uit een controle die betrekking heeft op onderdelen van een energiedoorlichting die uitgevoerd wordt zoals aangegeven in de ’Criteria voor het toetsen van het Groen Label Kas Groencertificaat 1999’.

Met betrekking tot het verwarmingssysteem en het koolstofdioxide/rookgasdoseersysteem dienen de ’Criteria voor het toetsen van het Groen Label Kas Groencertificaat 1999’ (Groen beleggen publicatiereeks No. 1.1, 1999 of een latere versie) gebruikt te worden.

De periodieke controle dient:

· qua inhoud en frequentie te geschieden conform de ’Criteria voor het toetsen van het Groen Label Kas Groencertificaat 1999’;

· te resulteren in herstel van geconstateerde gebreken en afwijkingen binnen een maand na de controle;

· mede te bestaan uit een controle die betrekking heeft op onderdelen van een energiedoorlichting die uitgevoerd wordt zoals aangegeven in de ’Criteria voor het toetsen van het Groen Label Kas Groencertificaat 1999’.

· betrekking te hebben op een gelijkmatige verdeling van het gedoseerde CO2 over de kas;

· betrekking te hebben op de onderlinge relatieve verschillen in gerealiseerde raamopening. Deze mogen maximaal 10% bedragen, gemeten bij een vast ingestelde minimumraamstand van 10%;

· betrekking te hebben op eventuele ruitbreuk en de afdichting van de ramen in dek en gevel. Er dient overeenstemming te bestaan met de opleveringssituatie;

· betrekking te hebben op de luchtramen. Deze dienen in de stand ’gesloten’ daadwerkelijk gesloten zijn;

· betrekking te hebben op de schermkier. De onderling relatieve verschillen in gerealiseerde schermkier mogen maximaal 10% bedragen, gemeten bij een vast ingestelde kier van 5%. Ook mogen er bij de stand ’gesloten scherm’ geen kieren aanwezig zijn en dient het schermmateriaal vrij te zijn van scheuren of gaten;

· betrekking te hebben op de onder G. vermelde buistemperatuur en luchttemperatuurgradiënten;

· betrekking te hebben op de onder J. vermelde individuele en totale meetnauwkeurigheid van de klimaatsensoren;

L. Restwarmteaansluiting: indien de infrastructuur aanwezig is, dient men aan te sluiten op deze infrastructuur en de beschikbare capaciteit aan te wenden, tenzij er een warmtekrachtkoppeling aanwezig is met een vermogen van minimaal 30 W/m2.

M. Centrale koolstofdioxide-levering: indien de infrastructuur aanwezig is, dient men aan te sluiten op deze infrastructuur en de beschikbare capaciteit aan te wenden, tenzij er een warmtekrachtkoppeling aanwezig is met rookgasreiniging.

N. Klimaatregeling: het klimaat dient automatisch te worden geregeld door een klimaatcomputer.

O. Biologische gewasbescherming: dit dient te worden toegepast tenzij teelttechnisch omstandigheden dan wel het internationaal handelsverkeer dit onmogelijk maken.

P. Gegevens registratie: de bedrijfsgegevens dienen te worden geregistreerd conform Milieuproject Sierteelt (MPS) of Milieubewuste Teelt (MBT) of met behulp van een ander naar het oordeel van het Centraal College van Deskundigen Groen Label Kas gelijkwaardig systeem.

Q. Wettelijke voorschriften: ten behoeve van de inrichting dient men te beschikken over de vergunningen als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer en aan te tonen dat de eventueel op de inrichting van toepassing zijnde meldingen als bedoeld in artikel 8.19 en artikel 8.41 van de Wet milieubeheer zijn geschied.

2. Basiseisen voor kassen voor lichtestookteelt/heteluchtteelt:

A. Vervallen

B. Gootsysteem: het gootsysteem dient:

· te voorzien in een gescheiden condensafvoer;

· te bestaan uit goten met een maximale lichtonderschepping, bepaald volgens de halve omtrekmethode van maximaal 7%, en

· te bestaan uit goten die indien ze van staal vervaardigd zijn, tweezijdig gecoat zijn.

C. Onderbouw van de kasconstructie: de onderbouw dient te zijn vervaardigd van staal of aluminium.

D. Roeden van kas: de roeden dienen te zijn vervaardigd van aluminium of gecoat staal.

E. Dek: het dek van de kas dient tenminste te bestaan uit enkel glas, dan wel uit dubbelwandige niet flexibele kunststofplaat.

F. Gevels: de gevel dient te bestaan uit tenminste enkel glas, dan wel uit dubbelwandige niet flexibele kunststofplaat.

G. Verwarmingssysteem: het verwarmingssysteem dient:

· indien gebruik wordt gemaakt van ketelinstallatie(s), te zijn voorzien van tenminste een enkelvoudige condensor, te zijn uitgevoerd conform de ’Criteria voor het toetsen van het Groen Label Kas Groencertificaat 1999’ (Groen beleggen publicatiereeks No. 1.1, 1999 of een latere versie) en een ketelwandisolatielaag te hebben van tenminste 10 centimeter;

· indien gebruik wordt gemaakt van ketelinstallatie(s), met betrekking tot het rendement van de ketel en de condensor te voldoen aan het gestelde in de ’Criteria voor het toetsen van het Groen Label Kas Groencertificaat 1999’ (Groen beleggen publicatiereeks No. 1.1, 1999 of een latere versie);

· indien gebruik wordt gemaakt van heteluchtkachels, te zijn uitgerust met branders met een maximale NOx-emissie van 60 mg/m3 (3% O2)

· bij het niet toepassen van heteluchtteelt een temperatuurverschil van maximaal 2 °C te hebben tussen de afzonderlijke verwarmingsspiralen, gemeten halverwege de aanvoer en afvoer, bij een vaste buistemperatuur van 60 °C of bij de maximum buistemperatuur indien deze lager is dan 60 °C ;

· bij het niet toepassen van heteluchtteelt zo te zijn uitgevoerd, dat luchttemperatuurgradiënten in de kas (over 95% van het areaal) kleiner zijn dan 1,5 °C indien deze worden gemeten bij een vaste buistemperatuur van 60 °C of bij de maximum buistemperatuur indien deze lager is dan 60 °C zoals aangegeven in ’Criteria voor het toetsen van het Groen Label Kas Groencertificaat 1999’ (Groen beleggen publicatiereeks No. 1.1, 1999 of een latere versie).

H. Koolstofdioxide/rookgas-doseerinstallatie: er dient een koolstofdioxide/rookgas-doseer installatie te worden toegepast indien het bedrijf is voorzien van een ketel en er geen aansluiting is op een centraal koolstofdioxide-distributienet.

I. Sensoren: de klimaatsensoren voor temperatuur-, vocht- en koolstofdioxide-metingen dienen een individuele en totale meetnauwkeurigheid te hebben als aangegeven in ’Normering van meetnauwkeurigheden van klimaatregeling in praktijkkassen’ (PBG, Naaldwijk).

J. Controle op aanwezigheid en optimaal functioneren van de onderdelen dient te geschieden conform de ’Criteria voor het toetsen van het Groen Label Kas Groencertificaat 1999’.

De opleveringscontrole dient betrekking te hebben op de volledige kas. Voor de energie-aspecten dient de controle bij het niet toepassen van heteluchtteelt betrekking te hebben op:

· de aanleg en capaciteit van het integrale verwarmingssysteem zoals het is of wordt uitgevoerd aan de hand van tekeningen van het verwarmingssysteem, het eventuele leidingensysteem en het buffersysteem waarop tenminste zijn aangegeven de onderdelen, de leidingdiameters, de aard en dikte van isolatiematerialen, pompcapaciteiten, stroomrichtingen, afmetingen van verbindingsslangen en capaciteitsberekeningen;

· de capaciteit van de koolstofdioxide/rookgasdoseerinstallatie waarbij tevens ventilatorcapaciteit, leidingdiameters, doseerdarmuitvoering, prikmaat en condensafvoer gecontroleerd worden;

· mede te bestaan uit een controle die betrekking heeft op onderdelen van een energiedoorlichting die uitgevoerd wordt zoals aangegeven in de ’Criteria voor het toetsen van het Groen Label Kas Groencertificaat 1999’.

Indien geen heteluchtteelt wordt toegepast dienen met betrekking tot het verwarmingssysteem en het koolstofdioxide/rookgasdoseersysteem de ’Criteria voor het toetsen van het Groen Label Kas Groencertificaat 1999’ (Groen beleggen publicatiereeks No. 1.1, 1999 of een latere versie) gebruikt te worden.

De periodieke controle dient:

· qua inhoud en frequentie te geschieden conform de ’Criteria voor het toetsen van het Groen Label Kas Groencertificaat 1999’;

· te resulteren in herstel van geconstateerde gebreken en afwijkingen binnen een maand na de controle;

· bij het niet toepassen van heteluchtteelt mede te bestaan uit een controle die betrekking heeft op onderdelen van een energiedoorlichting die uitgevoerd wordt zoals aangegeven in de ’Criteria voor het toetsen van het Groen Label Kas Groencertificaat 1999’;

· bij het niet toepassen van heteluchtteelt betrekking te hebben op een gelijkmatige verdeling van het gedoseerde CO2 over de kas;

· betrekking te hebben op de onderlinge relatieve verschillen in gerealiseerde raamopening. Deze mogen maximaal 10% bedragen, gemeten bij een vast ingestelde minimumraamstand van 10%;

· betrekking te hebben op eventuele ruitbreuk en de afdichting van de ramen in dek en gevel. Er dient overeenstemming te bestaan met de opleveringssituatie;

· betrekking te hebben op de luchtramen. Deze dienen in de stand ’gesloten’ daadwerkelijk gesloten zijn;

· betrekking te hebben op de schermkier. De onderling relatieve verschillen in gerealiseerde schermkier mogen maximaal 10% bedragen, gemeten bij een vast ingestelde kier van 5%. Ook mogen er bij de stand ’gesloten scherm’ geen kieren aanwezig zijn en dient het schermmateriaal vrij te zijn van scheuren of gaten;

· betrekking te hebben op de onder G. vermelde buistemperatuur en luchttemperatuurgradienten;

· betrekking te hebben op de onder I. vermelde individuele en totale meetnauwkeurigheid van de klimaatsensoren;

K. Restwarmteaansluiting: bij het niet toepassen van heteluchtteelt dient men indien de infrastructuur aanwezig is aan te sluiten op deze infrastructuur en de beschikbare capaciteit aan te wenden tenzij er een warmtekrachtkoppeling aanwezig is met een minimaal vermogen van 30 W/m2.

L. Centrale koolstofdioxide-levering: bij het niet toepassen van hete lucht teelt dient men indien de infrastructuur aanwezig is aan te sluiten op deze infrastructuur en de beschikbare capaciteit aan te wenden, tenzij er een warmtekrachtkoppeling aanwezig is met rookgasreiniging.

M. Klimaatregeling: het klimaat dient automatisch te worden geregeld door een klimaatcomputer.

N. Biologische gewasbescherming: dit dient te worden toegepast tenzij teelttechnisch omstandigheden dan wel het internationaal handelsverkeer dit onmogelijk maken.

O. Gegevens registratie: de bedrijfsgegevens dienen te worden geregistreerd conform Milieuproject Sierteelt (MPS) of Milieubewuste Teelt (MBT) of met behulp van een ander naar het oordeel van het Centraal Collega van Deskundigen Groen Label Kas gelijkwaardig systeem.

P. Wettelijke voorschriften: ten behoeve van de inrichting dient men te beschikken over de eventueel van toepassing zijnde vergunningen als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer en aan te tonen dat de eventueel op de inrichting van toepassing zijnde meldingen als bedoeld in artikel 8.19 en artikel 8.41 van de Wet milieubeheer zijn geschied.

3. Keuzemaatregelen voor kassen voor zware stookteelt, onderdeel energie

stcrt-1999-234-p12-SC21458-14.gif

De punten binnen een nummer van de voorzieningen kunnen niet gesaldeerd worden.

stcrt-1999-234-p12-SC21458-15.gifstcrt-1999-234-p12-SC21458-16.gif

De punten voor de voorzieningen onder de nummers 1 tot en met 6 kunnen onderling niet gesaldeerd worden.

stcrt-1999-234-p12-SC21458-17.gif

De punten voor de voorzieningen onder de nummers 1 tot en met 7 kunnen onderling niet gesaldeerd worden.

4. Keuzemaatregelen voor kassen voor hetelucht/lichtestookteelt, onderdeel energie

stcrt-1999-234-p12-SC21458-18.gifstcrt-1999-234-p12-SC21458-19.gif

De punten voor de voorzieningen onder de nummers 14 tot en met 20 kunnen onderling niet gesaldeerd worden. De punten binnen een nummer van de voorzieningen kunnen niet gesaldeerd worden.

5. Keuzemaatregelen voor kassen, onderdeel lichthinder

stcrt-1999-234-p12-SC21458-20.gif

6. Keuzemaatregelen voor kassen, onderdeel nutriënten

stcrt-1999-234-p12-SC21458-21.gif

De punten voor de voorzieningen onder de nummers 1a en 1b kunnen onderling niet gesaldeerd worden.

7. Keuzemaatregelen voor kassen, onderdeel gewasbescherming

stcrt-1999-234-p12-SC21458-22.gif

’s-Gravenhage, 19 november 1999.

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J.P. Pronk.

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

L.J. Brinkhorst.

De Staatssecretaris van Financiën,

W.A.F.G. Vermeend.

Naar boven