Wijziging Regeling groenprojecten
19 november 1999
DGM, MBB 99199225
Directoraat-Generaal Milieubeheer/Directie Bestuurszaken/Afdeling Economische
en Fiscale instrumenten
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en de Staatssecretaris
van Financiën,
Gelet op artikel 26, tweede en derde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting
1964;
Besluiten:
Artikel I
De Regeling groenprojecten1 wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 1, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel b komt te luiden:
b. bestaand project: project als bedoeld in:
1° artikel 2 , onderdelen a, b, c, d, onder 1°, f, g, h of k,
dat voor 13 juli 1994 voldeed aan een van de projectomschrijvingen van dat
artikel, of waarvoor voor die datum een begin met de uitvoering van de bijbehorende
fysieke werkzaamheden is gemaakt;
2° artikel 2, onderdelen d, onder 2°, e , onder 3°, i, of
j, dat voor 1 januari 1998 voldeed aan een van de projectomschrijvingen van
dat artikel, of waarvoor voor die datum een begin met de uitvoering van de
bijbehorende fysieke werkzaamheden is gemaakt;
3° artikel 2, onderdelen d, onder 3° en 4°, en h, onder 3°,
dat voor 1 januari 1999 voldeed aan een van de projectomschrijvingen van dat
artikel, of waarvoor voor die datum een begin met de uitvoering van de bijbehorende
fysieke werkzaamheden is gemaakt;.
2. Onderdeel e komt te luiden:
e. projectvermogen voor woningen als bedoeld in artikel 2, onderdeel h:
projectvermogen met uitzondering van:
1° het vermogen dat nodig is voor de financiering van de grond waarop
de desbetreffende woningen zijn gelegen;
2° het vermogen dat bedoeld is voor de financiering van onderhoud,
instandhouding of verbetering van woningen als bedoeld in artikel 2, onderdeel
h, onder 1° of 2°, en
3° het vermogen dat nodig is voor de financiering van onderhoud van
woningen als bedoeld in artikel 2, onderdeel h, onder 3°;.
3. Onderdeel i vervalt.
4. Onderdeel j wordt geletterd i.
B
Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:
1. Aan onderdeel d worden twee onderdelen toegevoegd, luidende:
3° in een beheers- of reservaatgebied die gericht zijn op de ontwikkeling
en de instandhouding van nieuwe natuur- en landschappelijke waarden en waarvoor
een beheersovereenkomst is gesloten als bedoeld in de Regeling beheersovereenkomsten
en natuurontwikkeling;
4° in een probleemgebied die gericht zijn op de ontwikkeling en de
instandhouding van nieuwe natuur- en landschappelijke waarden en waarvoor
een beheersovereenkomst is gesloten als bedoeld in de Regeling beheersovereenkomsten
en natuurontwikkeling;.
2. Onderdeel h komt te luiden:
h. projecten die gericht zijn op:
1° het realiseren van nieuw te bouwen woningen die voortdurend als
hoofdverblijf ter beschikking zullen staan aan een of meer natuurlijke personen
en die voldoen aan de basiseisen zoals die zijn gesteld in bijlage 1a, en
tevens minimaal 150 punten behalen volgens de in die bijlage vermelde systematiek;
2° het door herbestemming van niet-woningen realiseren van nieuwe
woningen die voortdurend als hoofdverblijf ter beschikking zullen staan aan
een of meer natuurlijke personen en die waar mogelijk voldoen aan de basiseisen
zoals die zijn gesteld in bijlage 1a, en tevens minimaal 150 punten behalen
volgens de in die bijlage vermelde systematiek;
3° het renoveren van bestaande woningen die zijn gebouwd voor 1980
en die voortdurend als hoofdverblijf ter beschikking zullen staan aan een
of meer natuurlijke personen en die voldoen aan de basiseisen zoals die zijn
gesteld in bijlage 1b, en tevens minimaal 125 punten behalen volgens de in
die bijlage vermelde systematiek;.
C
Artikel 3, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel e komt te luiden:
e. een project als bedoeld in artikel 2, onderdeel h, onder 1° of
2°, indien per kalenderjaar reeds voor 5000 woningen een verklaring is
afgegeven of indien de aanvraag voor een verklaring wordt ingediend na 31
december 2000;.
2. Onderdeel f wordt geletterd g.
3. Er wordt een nieuw onderdeel ingevoegd, luidende:
f. een project als bedoeld in artikel 2, onderdeel h, onder 3°, indien
per kalenderjaar reeds voor 5000 woningen een verklaring is afgegeven of indien
de aanvraag voor een verklaring wordt ingediend na 31 december 2000;.
3. Onderdeel h komt te luiden:
h. een project betreffende een woning als bedoeld in artikel 2, onderdeel
h, onder 1° of 2°, waarvan de totale kosten van het verkrijgen in
eigendom meer dan f 400.000,- bedragen.
D
Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid, onderdeel b, onder 1°, wordt ’of’
vervangen door: en.
2. Onder vernummering van het vierde en vijfde lid tot vijfde en zesde
lid, wordt een lid ingevoegd, luidende,:
4. Voor de toepassing van deze regeling komt ten aanzien van een project
als bedoeld in artikel 2, onderdeel d, onder 3° en 4°, voor een verklaring
in aanmerking:
1° ten hoogste f 5000,- per hectare indien het project betrekking
heeft op passief beheer;
2° ten hoogste f 10.000,- per hectare indien het project betrekking
heeft op licht beheer;
3° ten hoogste f 15.000,- per hectare indien het project betrekking
heeft op zwaar beheer.
3. In het vijfde lid (nieuw) wordt ’12 maanden’ vervangen
door: 2 jaar.
E
De bijlagen worden vervangen door de bijlagen bij deze regeling.
Artikel II
Een verklaring als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel g, van
de Regeling groenprojecten kan tevens worden afgegeven voor projecten die
gericht zijn op het realiseren van een Groen Label Kas voor het bedrijfsmatig
telen van tuinbouwgewassen, het realiseren van nieuw te bouwen woningen die
voortdurend als hoofdverblijf ter beschikking zullen staan aan een of meer
natuurlijke personen of het door herbestemming van niet-woningen realiseren
van nieuwe woningen die voortdurend als hoofdverblijf ter beschikking zullen
staan aan een of meer natuurlijke personen, indien ten aanzien van het desbetreffende
project voldaan wordt aan het bepaalde in artikel 2 van de Regeling groenprojecten
en de bijbehorende bijlagen, zoals die luidden voor het tijdstip waarop deze
regeling in werking is getreden, en een verklaring als hiervoor bedoeld voor
1 januari 2000 is aangevraagd.
Artikel III
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening
van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 19 november 1999.
De Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,J.P. Pronk.
De Minister
van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,L.J. Brinkhorst.
De
Staatssecretaris van Financiën,W.A.F.G. Vermeend.
1 Stcrt. 1994, 251, laatstelijk gewijzigd bij ministeriële
regeling van 26 september 1998 (Stcrt. 198).
Toelichting
Paragraaf 1 Algemeen
De Regeling groenprojecten maakt het sedert 1994 mogelijk dat projecten
of categorieën van projecten worden aangewezen als zogenoemd groen project.
Hierdoor komen deze projecten in aanmerking voor de faciliteit van Groen beleggen
waarmee beoogd wordt om de ontwikkeling van projecten die van belang zijn
voor het milieu, waaronder begrepen natuur en energie, te bevorderen.
De faciliteit Groen beleggen is in de loop van de tijd enkele malen aangepast
en kan betrekking hebben op projecten in Nederland, in bepaalde ontwikkelingslanden,
in landen in Centraal en Oost Europa, op de Nederlandse Antillen en op Aruba.
De voorliggende wijziging heeft slechts betrekking op projecten, gelegen in
Nederland.
In de toelichting bij de voorstellen tot Wijziging van enkele belastingwetten
c.a. (belastingplan 1999) (Kamerstukken II 1998/99, 26 245, nr.3, blz. 11)
is reeds aangegeven dat de Regeling groenprojecten zou worden uitgebreid met
investeringen in het kader van duurzaam bouwen, het renoveren van woningen
en de zogenoemde beheerslandbouw De voorliggende wijzigingen geven hier uitvoering
aan en hebben tevens betrekking op enkele andere aspecten. De wijzigingen
betreffen:
· een verlenging van het toepassen van de faciliteit op duurzaam
gebouwde nieuwbouwwoningen tot 1 januari 2001;
· het van toepassing verklaren van de faciliteit voor duurzame
renovatie van woningen;
· aanpassing van de technische detailvoorwaarden betreffende duurzaam
bouwen;
· aanpassing van de technische detailvoorwaarden betreffende de
Groen Label Kas;
· de verbreding van de faciliteit tot projecten waarvoor een beheersovereenkomst
is gesloten en die gelegen zijn in probleemgebieden of in beheers- of reservaatgebieden
en gericht zijn op de ontwikkeling en de instandhouding van natuur- en landschappelijke
waarden;
· een verduidelijking van de voorwaarden waaraan projecten dienen
te voldoen om voor een Groenverklaring met een lange looptijd in aanmerking
te komen.
De wijzigingen houden tevens in dat de bijlagen bij de regeling worden
vervangen. In deze bijlagen zijn technische specificaties opgenomen. De ontwerp
regeling is op 20 oktober 1999 gemeld aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen
(notificatienummer 99/0483/NL) ter voldoening aan artikel 8, eerste lid, van
de richtlijn nr. 98/34EG van het Europese Parlement en de Raad van de Europese
Unie van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van
normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de
informatiemaatschappij (PbEG L 204), zoals gewijzigd bij richtlijn nr. 98/48/EG
van 20 juli 1998 (PbEG L 217).
Paragraaf 2 Duurzaam bouwen: Nieuwbouw
Sinds november 1996 is de Regeling groen projecten aangewend als financieel
instrument ter bevordering van duurzame woningbouw (DUBO). Nieuw te bouwen
duurzame woningen konden voor een deel van de aanschaffingskosten groen gefinancierd
worden. Voor deze woningen was vereist dat zij voldeden aan de eisen, gesteld
in de Maatlat duurzame woningbouw 1996, die als bijlage bij deze regeling
was gevoegd. Bij de introductie van deze nieuwe categorie is aangekondigd
dat er in 1998 een evaluatie van de regeling voor nieuwbouw zou worden uitgevoerd.
Deze evaluatie heeft inmiddels plaats gehad en heeft als algemene conclusie
dat de regeling het duurzaam bouwen stimuleert, maar dat op onderdelen nog
verbeteringen mogelijk zijn. De onderhavige wijziging van de regeling geeft
hier mede invulling aan. Tevens houdt de regeling een verlenging van de faciliteit
in tot 1 januari 2001. In de tussenliggende periode zal eventuele verlenging
na die datum worden bezien.
Naar aanleiding van de evaluatie wordt in de regeling een aantal wijzigingen
aangebracht. Zo is de Maatlat duurzame woningbouw 1996 vervangen door de Maatlat
duurzame woningbouw 1999. Deze kent meer keuzevrijheid in het maatregelenpakket
en is inhoudelijk aangepast aan de ontwikkelingen in de inzichten en het beleid
ten aanzien van duurzaam bouwen.
Paragraaf 3 Duurzaam bouwen: Renoveren
In aanvulling op de bovenstaande wijzigingen wordt de regeling thans verbreed
met duurzame renovatie. De komende jaren zal in veel gemeenten in Nederland
de keuze moeten worden gemaakt tussen ingrijpend renoveren of slopen. Aangezien
renoveren in de meeste gevallen vanuit milieuoogpunt veruit de voorkeur geniet
boven slopen, is besloten tot uitbreiding van de regeling met renoveren indien
dit althans op een hoog niveau van duurzaamheid geschiedt.
Door de grote omvang (ruim 6,3 miljoen woningen) en de doorgaans mindere
kwaliteit ten opzichte van wat mogelijk is, kan in de bestaande bouw een grote
milieuwinst geboekt worden. In het ’Tweede plan van aanpak duurzaam
bouwen’ is de verbetering van de bestaande voorraad woningen dan ook
als een speerpunt van beleid aangegeven.
Om te kunnen toetsen in hoeverre een renovatieproject duurzaam is, is
de Maatlat duurzame renovatie 1999 opgesteld. Deze maatlat is inhoudelijk
gebaseerd op het Nationaal pakket Woningbouw Beheer. Er is evenals bij de
duurzame nieuwbouw gekozen voor een benadering via de thema’s energie,
materialen, water en binnenmilieu. Maatregelen die niet in één
van de vier thema’s ondergebracht konden worden, zijn opgenomen in de
verzameling diversen Binnen de thema’s (bijvoorbeeld energie) worden
eisen gesteld op subthema niveau (bijvoorbeeld isolatie en zonwering). Het
kenmerk van de subthema’s is dat ze elk een min of meer onafhankelijk
doel op het gebied van duurzaam bouwen vertegenwoordigen. Als een subthema
in een project goed is uitgewerkt, is een flinke kwaliteitsverbetering bereikt.
De beheerder heeft de vrijheid om te kiezen uit de subthema’s. De subthema’s
zelf garanderen dat er een substantiële milieuverbetering wordt bereikt.
Aan elk subthema is een ambitieniveau gekoppeld, dat in beginsel overeenkomt
met het niveau voor nieuwe woningen volgens het Nationaal pakket Woningbouw
Nieuwbouw. De subthema’s zijn niet allemaal even zwaar. Zo is binnen
het thema energie de aanpak van de schil (subthema isolatie & zonwering)
belangrijker dan de aanpak van de installaties (subthema opwekking & distributie).
De zwaarte van de subthema’s wordt uitgedrukt in punten, vergelijkbaar
met de regeling voor nieuwbouw.
Paragraaf 4 Groen Label Kas
Het onderdeel Groen Label Kas maakt sinds 1 januari 1998 onderdeel uit
van de Regeling groenprojecten. De milieutechnische eisen die worden gesteld
aan de kas zijn neergelegd in de maatlat Groen Label Kas, die als bijlage
2 bij deze regeling behoort. Thans is ruim een jaar praktijkervaring opgedaan
met de maatlat Groen Label Kas. De eerste helft van 1999 is deze maatlat geëvalueerd.
Sinds 1998 zijn er, gebruik makend van de faciliteit, circa 60 kassen gerealiseerd.
Naar schatting wordt ongeveer 20% van het kassenareaal gerealiseerd
met gebruikmaking van de faciliteit groen beleggen. Het is gebleken dat de
maatlat als zodanig voldoet, maar dat op onderdelen verbeteringen mogelijk
zijn. Ook is inzicht ontstaan voor welke teelten de regeling meer of minder
interessant is. Zo bleken de eisen voor tomatentelers erg ambitieus, zeker
in de gebieden waar geen ruimte is voor de aanleg van een waterbassin en waar
het nutsbedrijf niet bereid is electriciteit van de warmtekrachtinstallatie
af te nemen. In de nieuwe maatlat is het benodigd aantal punten voor tomatentelers
verlaagd van 90 naar 85. Andere belangrijke wijzigingen zijn het aanbrengen
van meer keuzevrijheid in de maatlat, het op meerdere niveaus honoreren van
regenwateropslag en een vergroting van de prikkel om collectieve warmte- en
electriciteitsopwekking en -doorlevering te realiseren.
Paragraaf 5 Beheerslandbouw
De faciliteit is reeds van toepassing op een groot aantal projecten die
bijdragen aan natuur- en natuurbeheer. Thans wordt een aanpassing doorgevoerd
waardoor de regeling ook voor gemengde natuur-landbouwprojecten wordt opengesteld.
De uitbreiding houdt in dat projectbeheerders die een beheersovereenkomst
hebben gesloten voor projecten in een beheers- of reservaatgebied, dan wel
een beheersovereenkomst hebben gesloten voor projecten in een probleemgebied
als bedoeld in de Regeling beheersovereenkomsten en natuurontwikkeling in
aanmerking komen voor Groen beleggen. In een beheersgebied wordt er naar gestreefd
om de landbouw door middel van beheersovereenkomsten mede te richten op doeleinden
van natuur en landschap. In een reservaatgebied wordt verwerving van landbouwgronden
ten behoeve van de Staat of door een terreinbeherende natuurbeschermingsorganisatie
nagestreefd met het oog op doeleinden van natuur- en landschapsbehoud.
Paragraaf 6 De artikelen
Artikel I
Onderdeel A, onder 1
Bij het opnemen van nieuwe projecten in de Regeling groenprojecten wordt
steeds bepaald dat de regeling niet van toepassing is op bestaande projecten.
Voor de onderhavige wijziging betekent het dat de faciliteit slechts van toepassing
kan zijn als het projecten betreft waarvoor de fysieke werkzaamheden zijn
aangevangen op of na 1 januari 1999. Voor projecten die betrekking hebben
op beheerslandbouw betekent het dat de faciliteit slechts betrekking kan hebben
op gronden waarvoor eerst op of na 1 januari 1999 een beheersovereenkomst
op grond van de Regeling beheersovereenkomsten en natuurontwikkeling is gesloten.
Bij de duurzame renovatieprojecten wordt onder aanvang van de werkzaamheden
verstaan het fysiek aanvangen van de werkzaamheden die leiden tot de renovatie.
Sloopwerkzaamheden worden in deze beschouwd als werkzaamheden die leiden tot
renovatie.
Onderdeel A, onder 2
De onderhavige wijziging regelt de definitie van het projectvermogen van
renovatieprojecten. Het projectvermogen wordt beperkt tot de maatregelen die
daadwerkelijk tot verbetering van de woning leiden. Zaken als regulier onderhoud
kunnen niet tot het projectvermogen worden gerekend. Het projectvermogen voor
een renovatieproject kan op grond van artikel 6, vierde lid, van de Regeling
groenprojecten maximaal f 75.000,- per woning bedragen.
Voor het projectvermogen geldt overigens de algemene ondergrens van f
50.000,- die voor alle projecten binnen de Regeling groenprojecten van
toepassing is. Projecten die deze grens niet halen, zullen in het algemeen
bestaan uit een of ten hoogste twee woningen. Bij projecten met een dergelijke
projectbedrag staat het rendement van de faciliteit niet in verhouding tot
de inspanningen en uitvoeringskosten van de aanvrager, het Groenfonds en de
overheid. Bovendien zal het Groenfonds voor een project met een projectvermogen
van f 50.000,- of minder een rente kunnen bieden die nauwelijks lager
zal zijn dan de marktrente.
Voor het projectvermogen van duurzame renovatieprojecten komen slechts
die kosten in aanmerking die in het kader van het lopende renovatieproject
worden gemaakt. Kosten die vóór de uitvoering van het renovatieproject
zijn gemaakt, komen niet in aanmerking voor de vaststelling van het projectvermogen.
Onderdeel A, onder 3
Artikel 1, onderdeel i, bevatte een definitie van het begrip twaalfmaandelijkse
periode. Dit begrip werd gebruikt bij de limitering van het aantal woningen
dat voor de faciliteit in aanmerking kwam. Voor de huidige regeling is het
begrip niet meer relevant omdat thans een maximering per kalenderjaar geldt.
Onderdeel B, onder 1
In dit onderdeel is bepaald dat ondernemers die een beheersovereenkomst
voor projecten in een beheers- of reservaatgebied, dan wel een beheersovereenkomst
voor projecten in een probleemgebied als bedoeld in de Regeling beheersovereenkomsten
en natuurontwikkeling hebben gesloten, in aanmerking komen voor de faciliteit
Groen beleggen. Er is bewust aansluiting gezocht bij de voornoemde regeling.
Dit geeft namelijk de mogelijkheid een gewenst kwaliteitsniveau te bereiken
van de projecten terwijl tevens gebruik kan worden gemaakt van de controle
en het toezicht dat in die regeling wordt toegepast. Bovendien levert deze
keuze een administratieve vereenvoudiging op. De looptijd van de af te geven
groenverklaring zal bepaald worden door de looptijd van de beheersovereenkomst.
Immers slechts gedurende die periode is gegarandeerd dat er sprake is van
een project van voldoende niveau.
Onderdeel B, onder 2
Artikel 2, onderdeel h, onder 1° geeft de beschrijving van de voorwaarden
die gelden voor duurzaam gebouwde woningen. Naar aanleiding van de evaluatie
worden de voorwaarden voor die woningen aangepast. De Maatlat duurzame woningbouw
1996 wordt vervangen door de Maatlat duurzame woningbouw 1999. Deze kent meer
keuzevrijheid in het maatregelenpakket en is inhoudelijk aangepast aan de
ontwikkelingen in de inzichten en het beleid ten aanzien van duurzaam bouwen.
Het vergroten van de keuzevrijheid heeft tot gevolg dat maatregelen die voorheen
verplicht waren, nu optioneel zijn geworden. Daardoor is niet langer een totaal
van 60 punten vereist, maar moeten er 150 punten worden gehaald. Het ambitieniveau
van de regeling (de hoogte van de maatlat) is echter nagenoeg ongewijzigd.
Alleen op het gebied van energie heeft er een kleine aanscherping plaatsgevonden,
aangezien de regelgeving op dit gebied inmiddels is aangescherpt.
In onderdeel 2° , onder h, van artikel 2 is de doorwerking van de
voornoemde wijziging van de maatlat voor de herbestemmingssituaties geregeld.
Dit betreft de projecten waarbij niet-woongebouwen omgezet worden tot duurzame
woningen.
Artikel 2, onderdeel h, onder 3° maakt het mogelijk duurzame renovatieprojecten
onder de regeling te brengen. Evenals bij de maatlat voor de nieuwbouw is
ook hier gekozen voor een systeem met een beperkt aantal basiseisen en een
systematiek van punten. De toekenning van de punten is gebaseerd op de omvang
van het (positieve) milieueffect. Aan alle basiseisen moet worden voldaan.
Binnen elk van de thema’s energie, materialen, water en binnenmilieu
dienen ten minste 15 punten gehaald te worden. Hierdoor wordt een basisniveau
van voldoende milieukwaliteit in de breedte verzekerd. Uiteindelijk moeten
in totaal 125 punten gehaald worden. In de Maatlat wordt verwezen naar de
specificatiebladen, zoals deze zijn opgenomen in het Nationaal pakket Woningbouw.
In dit pakket worden de in de bijlage bij deze regeling vaak summier omschreven
maatregelen verder geconcretiseerd. In het Nationaal pakket worden standaardtitels
voor overeenkomstige maatregelen in nieuwbouw en beheer gebruikt. Dit heeft
tot gevolg dat sommige titels minder toegesneden zijn op de bestaande bouw.
Als voorbeeld B013: maak warmteweerstand gesloten geveldelen Rc< = 3 m2 K/W. Dit lijkt een veel te zware maatregel voor de bestaande bouw.
Als men echter het specificatieblad B013 raadpleegt, blijkt dat met minder
zware isolatie kan worden volstaan.
In de hier gekozen opzet worden projecten gewaardeerd met name op het
eindresultaat en minder op de inspanning. Dit betekent dat ook punten kunnen
worden gescoord voor maatregelen die eerder zijn getroffen. Als voorbeeld:
een woningcorporatie gaat dit jaar een grote duurzame renovatie uitvoeren
in een wijk van eengezinswoningen en wil in aanmerking komen voor de regeling.
In het renovatieplan wordt niets aan het verwarmingssysteem gedaan omdat een
jaar eerder de conventionele CV-ketels vervangen zijn door HR-ketels. Volgens
de voorwaarden worden er punten voor deze maatregel toegekend. Op deze wijze
wordt voorkomen, dat men gestraft wordt voor inspanningen in het verleden.
Uiteraard kunnen de kosten die in een eerdere fase zijn gemaakt (in het voorbeeld
de kosten van de HR-ketels) geen deel uitmaken van het projectvermogen.
Onderdeel C
Het aantal woningen dat onder de regeling kan worden gefaciliteerd, is
gelimiteerd per kalenderjaar. Oorspronkelijk werd hierbij een periode gehanteerd
die niet overeenstemde met het kalenderjaar. Thans is een periode gekozen
die overeenstemt met het kalenderjaar. Tevens is aangegeven dat de looptijd
vooralsnog beperkt is tot 1 januari 2001.
De regeling is slechts van toepassing op nieuwbouwwoningen of herbestemmingswoningen
van minder dan f 400.000,-. Bij renovatieprojecten geldt deze beperking
niet.
Onderdeel D
De wijziging in artikel 6, eerste lid, betreft een redactionele wijziging
ter verduidelijking dat om in aanmerking te komen voor een verklaring met
een looptijd van dertig jaren er cumulatief aan de opgesomde voorwaarden moet
worden voldaan.
In het nieuwe vierde lid van artikel 6 wordt het projectvermogen vastgesteld
voor beheersprojecten. De beheersprojecten hebben een primaire landbouwproductiefunctie.
Het zou onjuist zijn deze projecten op gelijke wijze te belonen als zuivere
natuurprojecten. Bovendien zou bij een toepassing van de faciliteit op het
totale vermogen van het project het financieel voordeel bovenmatig zijn en
niet in verhouding staan tot de meerkosten (en of minder opbrengsten) die
optreden bij overgang van gangbare landbouw naar beheerslandbouw. Het per
aanvraag voor een Groenverklaring individueel vaststellen van de beloning
van het specifieke beheerselement zou tijdrovend en veelal controversieel
zijn. Voorts zou de vaststelling pas na afloop van het oogstjaar definitief
vastgesteld kunnen worden. Hierdoor zou de uitvoering van de regeling op dit
onderdeel ongewenst verzwaard worden. Er is daarom gekozen voor een forfaitaire
vaststelling van het projectvermogen. Bij de hoogte van het bedrag dat groen
gefinancierd kan worden is rekening gehouden met bedoelde meerkosten en/of
minder opbrengsten van de onderscheiden beheerspakketten. Voor pakketten met
passief beheer (G1 en B1 in de Regeling beheersovereenkomsten en natuurontwikkeling)
bedraagt het bedrag ten hoogste f 5000,- per hectare. Voor pakketten
met licht beheer (G2, B2 van die regeling, ruige mest en landschapsonderhoud)
ten hoogste f 10.000,- per hectare en voor pakketten met zwaar beheer
(de overige pakketten) ten hoogste f 15.000,- per hectare.
De wijziging in het derde onderdeel heeft betrekking op de maximale lengte
van de periode die gelegen mag zijn tussen de afgifte van een verklaring en
de start van een project. In het verleden was deze periode maximaal 12 maanden.
Thans wordt die periode gesteld op maximaal 2 jaar. Een verdere verlenging
van die periode is niet gewenst omdat het onder meer de raming van de budgettaire
lasten bemoeilijkt. Bovendien kan een te lange periode leiden tot een technische
veroudering van de oorspronkelijke projectopzet of kan er inmiddels een wijziging
in milieuprioriteiten zijn opgetreden.
Artikel II
In dit artikel wordt de overgangsproblematiek geregeld die samenhangt
met het systeem van de maatlatten. Bij de realisatie van duurzame woningen
en Groen Label Kassen is er een tijdsverloop tussen de planning en de realisatie.
Dit betekent dat het veranderen van de voorschriften in de maatlatten problemen
zou veroorzaken indien er geen overgangsregeling was opgenomen in de Regeling
groenprojecten. Door deze bepaling wordt er een overgangsperiode tot 1 januari
2000 gehanteerd gedurende welke men zowel van het oude als van het nieuwe
eisenpakket gebruik kan maken.
Bijlage 1a behorende bij artikel 2, onderdeel h, onder
1° en 2° van de Regeling groenprojecten (Maatlat duurzame woningbouw
1999)
Begripsbepalingen
1. Deze bijlage kan worden aangehaald als: de Maatlat duurzame woningbouw
1999.
2. Met het Nationaal pakket wordt bedoeld de uitgave ’Duurzaam bouwen:
nationaal pakket woningbouw’ (uitgave van de Stichting Bouwresearch,
ISBN 90-5367-175-7).
3. Bij het indienen van de aanvraag dient uitgegaan te worden van de meest
recente uitgave van het Nationaal pakket. Indien in de voorbereiding van de
aanvraag is uitgegaan van een eerdere versie mag er op het moment van aanvragen
niet meer dan een half jaar verstreken zijn, nadat de meest recente versie
is uitgegeven.
4. Indien maatregelen zijn vervallen in het Nationaal pakket, behoeft
hieraan niet te worden voldaan in deze maatlat.
5. Aan elke basiseis moet worden voldaan. Indien de aanvrager aantoont,
dat met een alternatieve maatregel een kwalitatief tenminste gelijkwaardig
resultaat wordt behaald, wordt niettemin geachte te zijn voldaan aan deze
basiseis.
6. In de kolom ’Specificatie’ geven de S-nummers de specificatiebladen
aan zoals deze zijn opgenomen in het Nationaal pakket. In dit pakket worden
de hier - vaak summier - omschreven maatregelen verder geconcretiseerd.
7. In de kolom ’Specificatie’ van Tabel II geeft een X-nummer
aan dat het om een maatregel gaat die (nog) niet is opgenomen in het Nationaal
pakket.
8. In de kolom ’punten per eenheid’ is het aantal punten aangegeven,
dat voor de maatregel wordt toegekend per eenheid, die genoemd is in de kolom ’eenheid’.
Daar waar de maatregel meerdere malen kan worden toegepast, is het aantal
te behalen punten gemaximeerd. Deze maximering is aangegeven in de kolom ’max.
aantal punten’.
Maatlat duurzame woningbouw 1999; Tabel I: basiseisen

Maatlat duurzame woningbouw 1999; Tabel II: keuzemaatregelen,
puntensysteem





Bijlage 1b, behorende bij artikel 2, onderdeel h, onder
3°, van de Regeling groenprojecten (Maatlat duurzame renovatie 1999)
Begripsbepalingen
1. Deze bijlage kan worden aangehaald als: de Maatlat duurzame renovatie
1999.
2. Met het Nationaal pakket wordt bedoeld de meest recente uitgave ’Nationaal
pakket Woningbouw Beheer’ (uitgave op CD-ROM van de Stichting Bouwresearch).
3. Bij het indienen van de aanvraag dient uitgegaan te worden van de meest
recente uitgave van het Nationaal pakket. Indien in de voorbereiding van de
aanvraag is uitgegaan van een eerdere versie mag er op het moment van aanvragen
niet meer dan een half jaar verstreken zijn, nadat de meest recente versie
is uitgegeven.
4. Indien maatregelen zijn vervallen in het Nationaal pakket, behoeft
hieraan niet te worden voldaan in deze maatlat.
5. In de kolom ’Specificatieblad’ geven de B-nummers van de
specificatiebladen aan zoals deze zijn opgenomen in CD-ROM-versie van het
Nationaal pakket. In dit pakket worden de hier vaak summier omschreven maatregelen
verder geconcretiseerd. De CD-ROM gebruikt standaard titels voor overeenkomstige
maatregelen in nieuwbouw en beheer. Dit heeft tot gevolg, dat sommige titels
minder toegesneden zijn op de bestaande bouw. Als voorbeeld B013: maak warmteweerstand
gesloten geveldelen Rc<= 3 m2 K/W. Dit lijkt een veel te zware
maatregel voor de bestaande bouw. Als men echter het specificatieblad B013
raadpleegt, blijkt dat met minder zware isolatie kan worden volstaan.
6. Een enkele maatregel is (nog) niet zijn opgenomen in het Nationaal
pakket en worden aangegeven met een X.
7. Aan elke basiseis moet worden voldaan. Indien de aanvrager aantoont,
dat met een alternatieve maatregel een kwalitatief tenminste gelijkwaardig
resultaat wordt behaald, wordt niettemin geachte te zijn voldaan aan deze
basiseis.
8. In de kolom ’punten’ staat het maximum aantal punten dat
voor een maatregel kan worden verkregen. Indien de maatregel al eerder in
de woning is uitgevoerd mogen toch punten worden toegekend.
9. De van een asterisk (*) voorziene B-nummers geven aan, dat indien binnen
een thema aan alle dergelijke maatregelen is voldaan er bonuspunten worden
toegekend. Het aantal staat vermeld binnen het subthema. Aan maatregelen die
gezien de situatie ter plekke technisch niet uitvoerbaar zijn, behoeft niet
te worden voldaan. Het aantal bonuspunten wordt in een dergelijk geval verminderd
naar rato van het aantal punten dat de maatregel zou hebben opgeleverd indien
hij zou zijn genomen en het gezamenlijke aantal punten van de met een asterisk
gemerkte maatregelen binnen het subthema benodigd voor de bonuspunten.
10. Indien binnen de subthema’s isolatie & zonwering en ventilatie
& infiltratie aan alle B-maatregelen met een asterisk is voldaan, worden
10 extra bonuspunten toegekend.
11. Indien een project bestaat uit het renoveren van meerdere woningen
kan het zo zijn, dat een maatregel niet in elke woning wordt toegepast. in
dat geval wordt het aantal punten verminderd naar rato van het aantal woningen
waarin de maatregel wordt toegepast ten opzichte van het totaal aantal woningen
in het project. in een dergelijk geval worden geen bonuspunten toegekend.
Maatlat duurzame renovatie 1999; Tabel I: basiseisen

Maatlat duurzame renovatie 1999; Tabel II: keuzemaatregelen,
puntensysteem






Bijlage 2, behorende bij artikel 2, onderdeel e, onder
3°, van de Regeling groenprojecten
Begripsbepalingen
1. Deze bijlage wordt aangehaald als: Maatlat Groen Label Kas 1999.
2. Technische uitwerking van de maatregelen kan geschieden in de vorm
van publicaties in de reeks: Groen Beleggen Publicatiereeks.
3. In deze bijlage wordt verstaan onder:
a. zware stookteelt: een teelt in een kas waarbij de gemiddelde minimum
etmaaltemperatuur (op basis van de stooklijn) in de maand januari tenminste
17 °C is;
b. hetelucht/lichtestookteelt: een teelt in een kas waarbij de gemiddelde
minimum etmaaltemperatuur, (op basis van de stooklijn) in de maand januari
lager dan 17 °C is;
c. dubbelwandige niet flexibele kunststofplaat: een constructie bestaande
uit tenminste twee lagen niet flexibel kunststof voorzien van een luchtspouw;
d. dubbel beglaasd of dubbel glas: een constructie bestaande uit twee
lagen glas voorzien van een luchtspouw;
e. (opwekkings)vermogen: het thermisch vermogen uitgedrukt in Watt per
m2 teeltopppervlakte dat met de installatie wordt verwarmd.
4. Het minimaal aantal punten bedraagt voor:
· tomatenteelt: 85 punten op basis van de hierna opgenomen keuzemaatregelen;
· overige zware stookteelt: 75 punten op basis van de hierna opgenomen
keuzemaatregelen;
· hetelucht/lichtestookteelt: 60 punten op basis van de hierna
opgenomen keuzemaatregelen.
5. Anticipatiemogelijkheid: met betrekking tot centrale koolstofdioxidelevering,
aansluiting op een restwarmtenet en in geval van een centrale opslag van regenwater,
kunnen de betreffende punten ondanks het feit dat de koolstofdioxidelevering,
de restwarmtelevering of de regenwateropvang nog niet plaatsvindt, toch worden
toegekend in het geval dat de benodigde installatie voor de centrale levering
nog niet gerealiseerd kan worden mits:
a. er zekerheid bestaat dat zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen
twee jaar na het verstrekken van de Groenverklaring van de centrale levering
gebruik gemaakt zal worden,
b. dat de wijze waarop en de mate waarin de levering zal plaatsvinden,
bekend is,
c. onverkorte toepassing van deze regeling zou leiden tot ernstige bemoeilijking
van het centrale leveringsproject en
d. het project naar de mening van de Minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer belangrijke verdiensten heeft op het gebied van milieu,
energie of ruimtelijke ordening.
Of aan de eisen van de anticipatiemogelijkheid is voldaan kan met betrekking
tot de onderdelen a) en b) worden aangetoond door middel van overeenkomsten
met de (toekomstige) leverancier en met betrekking tot de onderdelen c) en
d) door middel van een verklaring terzake van het Minister van Volkshuisvesting
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Indien het project twee jaar na het
verstrekken van de Groenverklaring niet is gerealiseerd vervallen de punten.
1. Basiseisen voor kassen voor zware stookteelt:
A. vervallen
B. Gootsysteem: het gootsysteem dient
· te voorzien in een gescheiden condensafvoer,
· te bestaan uit goten met een maximale lichtonderschepping, bepaald
volgens de halve omtrekmethode van maximaal 7%, en
· te bestaan uit goten, die indien ze van staal vervaardigd zijn,
tweezijdig gecoat zijn.
C. Onderbouw van de kasconstructie: de onderbouw dient te zijn vervaardigd
van staal of aluminium.
D. Roeden van kas: de roeden dienen te zijn vervaardigd van aluminium
of gecoat staal.
E. Dek: het dek van kassen, bestemd voor andere teelten dan tomatenteelt,
dient te bestaan uit tenminste enkel glas waarbij een beweegbaar scherm aangebracht
is, dan wel uit dubbel glas, gecoat glas, of dubbelwandige niet flexibele
kunststofplaat.
F. Gevels: de gevel dient te bestaan uit tenminste enkel glas en een scherm,
dan wel uit dubbel glas, dan wel uit gecoat glas, dan wel uit dubbelwandige
niet flexibele kunststofplaat, dan wel dubbel te zijn beglaasd.
G. Verwarmingssysteem: het verwarmingssysteem dient:
· te zijn opgebouwd uit tenminste twee netten waarbij een van de
netten aangesloten is op een condensor. Een secundair net is niet verplicht
indien de warmtevoorziening voor 65% of meer plaatsvindt met behulp
van restwarmte
· met betrekking tot het rendement van de ketel en de condensor
te voldoen aan het gestelde in de ’Criteria voor het toetsen van het
Groen Label Kas Groencertificaat 1999’ (Groen beleggen publicatiereeks
No. 1.1, 1999 of een latere versie);
· bij aanwezigheid van een ketel, een ketelwand-isolatielaag te
hebben van tenminste 10 centimeter;
· bij aanwezigheid van een niet in de retourleiding geplaatst expansievat
een expansievat-wand-isolatielaag te hebben van tenminste 10 centimeter;
· te zijn uitgevoerd met transportpompen met frequentieregeling;
· een temperatuurverschil van maximaal 2 °C te hebben tussen
de afzonderlijke verwarmingsspiralen, gemeten halverwege de aanvoer en afvoer,
bij een vaste buistemperatuur van 60 °C of bij de maximum buistemperatuur
indien deze lager is dan 60 °C ;
· zo te zijn uitgevoerd dat de luchttemperatuurgradiënten
in de kas (over 95% van het areaal) kleiner zijn dan 1,5 °C indien
deze worden gemeten bij een vaste buistemperatuur van 60 °C of bij de
maximum buistemperatuur indien deze lager is dan 60 °C, waarbij meting
geschiedt zoals aangegeven in ’Criteria voor het toetsen van het Groen
Label Kas Groencertificaat 1999’ (Groen beleggen publicatiereeks No.
1.1, 1999 of een latere versie).
H. Indien assimilatiebelichting wordt toegepast dient:
· de eventueel aanwezige warmtekrachtkoppeling te zijn voorzien
van een tweede condensor;
· de eventuele aanwezige warmtekrachtkoppeling te zijn voorzien
van een warmtebuffer met een volume van tenminste 60 m3 /ha;
· de eventuele aanwezige warmtekrachtkoppeling te zijn voorzien
van een rookgasreinigingsinstallatie, en de rookgasstroom van de eventuele
warmtekrachtkoppeling te worden aangewend voor koolstofdioxidedosering aan
de planten.
I. Koolstofdioxide/rookgas-doseerinstallatie: er dient een koolstofdioxide/rookgas
doseer-installatie te worden toegepast indien het bedrijf is voorzien van
een ketel en er geen aansluiting is op een centraal koolstofdioxide-distributienet.
J. Sensoren: de klimaatsensoren voor temperatuur-, vocht- en koolstofdioxide-metingen
dienen een individuele en totale meetnauwkeurigheid te hebben als aangegeven
in ’Normering van meetnauwkeurigheden van klimaatregeling in praktijkkassen’
(PBG, Naaldwijk).
K. Controle op aanwezigheid en optimaal functioneren van de onderdelen
dient te geschieden conform de ’Criteria voor het toetsen van het Groen
Label Kas Groencertificaat 1999’;
De opleveringscontrole dient betrekking te hebben op de volledige kas.
Voor de energie-aspecten dient de controle betrekking te hebben op:
· de aanleg en capaciteit van het integrale verwarmingssysteem
zoals het is of wordt uitgevoerd aan de hand van tekeningen van het verwarmingssysteem,
het leidingensysteem en het buffersysteem waarop tenminste zijn aangegeven
de onderdelen, de leidingdiameters, de aard en dikte van isolatiematerialen,
pompcapaciteiten, stroomrichtingen, afmetingen van verbindingsslangen en capaciteitsberekeningen;
· de capaciteit van de koolstofdioxide/rookgasdoseerinstallatie
waarbij tevens ventilatorcapaciteit, leidingdiameters, doseerdarmuitvoering,
prikmaat en condensafvoer gecontroleerd worden;
· mede te bestaan uit een controle die betrekking heeft op onderdelen
van een energiedoorlichting die uitgevoerd wordt zoals aangegeven in de ’Criteria
voor het toetsen van het Groen Label Kas Groencertificaat 1999’.
Met betrekking tot het verwarmingssysteem en het koolstofdioxide/rookgasdoseersysteem
dienen de ’Criteria voor het toetsen van het Groen Label Kas Groencertificaat
1999’ (Groen beleggen publicatiereeks No. 1.1, 1999 of een latere versie)
gebruikt te worden.
De periodieke controle dient:
· qua inhoud en frequentie te geschieden conform de ’Criteria
voor het toetsen van het Groen Label Kas Groencertificaat 1999’;
· te resulteren in herstel van geconstateerde gebreken en afwijkingen
binnen een maand na de controle;
· mede te bestaan uit een controle die betrekking heeft op onderdelen
van een energiedoorlichting die uitgevoerd wordt zoals aangegeven in de ’Criteria
voor het toetsen van het Groen Label Kas Groencertificaat 1999’.
· betrekking te hebben op een gelijkmatige verdeling van het gedoseerde
CO2 over de kas;
· betrekking te hebben op de onderlinge relatieve verschillen in
gerealiseerde raamopening. Deze mogen maximaal 10% bedragen, gemeten
bij een vast ingestelde minimumraamstand van 10%;
· betrekking te hebben op eventuele ruitbreuk en de afdichting
van de ramen in dek en gevel. Er dient overeenstemming te bestaan met de opleveringssituatie;
· betrekking te hebben op de luchtramen. Deze dienen in de stand ’gesloten’
daadwerkelijk gesloten zijn;
· betrekking te hebben op de schermkier. De onderling relatieve
verschillen in gerealiseerde schermkier mogen maximaal 10% bedragen,
gemeten bij een vast ingestelde kier van 5%. Ook mogen er bij de stand ’gesloten
scherm’ geen kieren aanwezig zijn en dient het schermmateriaal vrij
te zijn van scheuren of gaten;
· betrekking te hebben op de onder G. vermelde buistemperatuur
en luchttemperatuurgradiënten;
· betrekking te hebben op de onder J. vermelde individuele en totale
meetnauwkeurigheid van de klimaatsensoren;
L. Restwarmteaansluiting: indien de infrastructuur aanwezig is, dient
men aan te sluiten op deze infrastructuur en de beschikbare capaciteit aan
te wenden, tenzij er een warmtekrachtkoppeling aanwezig is met een vermogen
van minimaal 30 W/m2.
M. Centrale koolstofdioxide-levering: indien de infrastructuur aanwezig
is, dient men aan te sluiten op deze infrastructuur en de beschikbare capaciteit
aan te wenden, tenzij er een warmtekrachtkoppeling aanwezig is met rookgasreiniging.
N. Klimaatregeling: het klimaat dient automatisch te worden geregeld door
een klimaatcomputer.
O. Biologische gewasbescherming: dit dient te worden toegepast tenzij
teelttechnisch omstandigheden dan wel het internationaal handelsverkeer dit
onmogelijk maken.
P. Gegevens registratie: de bedrijfsgegevens dienen te worden geregistreerd
conform Milieuproject Sierteelt (MPS) of Milieubewuste Teelt (MBT) of met
behulp van een ander naar het oordeel van het Centraal College van Deskundigen
Groen Label Kas gelijkwaardig systeem.
Q. Wettelijke voorschriften: ten behoeve van de inrichting dient men te
beschikken over de vergunningen als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer
en aan te tonen dat de eventueel op de inrichting van toepassing zijnde meldingen
als bedoeld in artikel 8.19 en artikel 8.41 van de Wet milieubeheer zijn geschied.
2. Basiseisen voor kassen voor lichtestookteelt/heteluchtteelt:
A. Vervallen
B. Gootsysteem: het gootsysteem dient:
· te voorzien in een gescheiden condensafvoer;
· te bestaan uit goten met een maximale lichtonderschepping, bepaald
volgens de halve omtrekmethode van maximaal 7%, en
· te bestaan uit goten die indien ze van staal vervaardigd zijn,
tweezijdig gecoat zijn.
C. Onderbouw van de kasconstructie: de onderbouw dient te zijn vervaardigd
van staal of aluminium.
D. Roeden van kas: de roeden dienen te zijn vervaardigd van aluminium
of gecoat staal.
E. Dek: het dek van de kas dient tenminste te bestaan uit enkel glas,
dan wel uit dubbelwandige niet flexibele kunststofplaat.
F. Gevels: de gevel dient te bestaan uit tenminste enkel glas, dan wel
uit dubbelwandige niet flexibele kunststofplaat.
G. Verwarmingssysteem: het verwarmingssysteem dient:
· indien gebruik wordt gemaakt van ketelinstallatie(s), te zijn
voorzien van tenminste een enkelvoudige condensor, te zijn uitgevoerd conform
de ’Criteria voor het toetsen van het Groen Label Kas Groencertificaat
1999’ (Groen beleggen publicatiereeks No. 1.1, 1999 of een latere versie)
en een ketelwandisolatielaag te hebben van tenminste 10 centimeter;
· indien gebruik wordt gemaakt van ketelinstallatie(s), met betrekking
tot het rendement van de ketel en de condensor te voldoen aan het gestelde
in de ’Criteria voor het toetsen van het Groen Label Kas Groencertificaat
1999’ (Groen beleggen publicatiereeks No. 1.1, 1999 of een latere versie);
· indien gebruik wordt gemaakt van heteluchtkachels, te zijn uitgerust
met branders met een maximale NOx-emissie van 60 mg/m3
(3% O2)
· bij het niet toepassen van heteluchtteelt een temperatuurverschil
van maximaal 2 °C te hebben tussen de afzonderlijke verwarmingsspiralen,
gemeten halverwege de aanvoer en afvoer, bij een vaste buistemperatuur van
60 °C of bij de maximum buistemperatuur indien deze lager is dan 60 °C
;
· bij het niet toepassen van heteluchtteelt zo te zijn uitgevoerd,
dat luchttemperatuurgradiënten in de kas (over 95% van het areaal)
kleiner zijn dan 1,5 °C indien deze worden gemeten bij een vaste buistemperatuur
van 60 °C of bij de maximum buistemperatuur indien deze lager is dan 60 °C
zoals aangegeven in ’Criteria voor het toetsen van het Groen Label Kas
Groencertificaat 1999’ (Groen beleggen publicatiereeks No. 1.1, 1999
of een latere versie).
H. Koolstofdioxide/rookgas-doseerinstallatie: er dient een koolstofdioxide/rookgas-doseer
installatie te worden toegepast indien het bedrijf is voorzien van een ketel
en er geen aansluiting is op een centraal koolstofdioxide-distributienet.
I. Sensoren: de klimaatsensoren voor temperatuur-, vocht- en koolstofdioxide-metingen
dienen een individuele en totale meetnauwkeurigheid te hebben als aangegeven
in ’Normering van meetnauwkeurigheden van klimaatregeling in praktijkkassen’
(PBG, Naaldwijk).
J. Controle op aanwezigheid en optimaal functioneren van de onderdelen
dient te geschieden conform de ’Criteria voor het toetsen van het Groen
Label Kas Groencertificaat 1999’.
De opleveringscontrole dient betrekking te hebben op de volledige kas.
Voor de energie-aspecten dient de controle bij het niet toepassen van heteluchtteelt
betrekking te hebben op:
· de aanleg en capaciteit van het integrale verwarmingssysteem
zoals het is of wordt uitgevoerd aan de hand van tekeningen van het verwarmingssysteem,
het eventuele leidingensysteem en het buffersysteem waarop tenminste zijn
aangegeven de onderdelen, de leidingdiameters, de aard en dikte van isolatiematerialen,
pompcapaciteiten, stroomrichtingen, afmetingen van verbindingsslangen en capaciteitsberekeningen;
· de capaciteit van de koolstofdioxide/rookgasdoseerinstallatie
waarbij tevens ventilatorcapaciteit, leidingdiameters, doseerdarmuitvoering,
prikmaat en condensafvoer gecontroleerd worden;
· mede te bestaan uit een controle die betrekking heeft op onderdelen
van een energiedoorlichting die uitgevoerd wordt zoals aangegeven in de ’Criteria
voor het toetsen van het Groen Label Kas Groencertificaat 1999’.
Indien geen heteluchtteelt wordt toegepast dienen met betrekking tot het
verwarmingssysteem en het koolstofdioxide/rookgasdoseersysteem de ’Criteria
voor het toetsen van het Groen Label Kas Groencertificaat 1999’ (Groen
beleggen publicatiereeks No. 1.1, 1999 of een latere versie) gebruikt te worden.
De periodieke controle dient:
· qua inhoud en frequentie te geschieden conform de ’Criteria
voor het toetsen van het Groen Label Kas Groencertificaat 1999’;
· te resulteren in herstel van geconstateerde gebreken en afwijkingen
binnen een maand na de controle;
· bij het niet toepassen van heteluchtteelt mede te bestaan uit
een controle die betrekking heeft op onderdelen van een energiedoorlichting
die uitgevoerd wordt zoals aangegeven in de ’Criteria voor het toetsen
van het Groen Label Kas Groencertificaat 1999’;
· bij het niet toepassen van heteluchtteelt betrekking te hebben
op een gelijkmatige verdeling van het gedoseerde CO2 over de kas;
· betrekking te hebben op de onderlinge relatieve verschillen in
gerealiseerde raamopening. Deze mogen maximaal 10% bedragen, gemeten
bij een vast ingestelde minimumraamstand van 10%;
· betrekking te hebben op eventuele ruitbreuk en de afdichting
van de ramen in dek en gevel. Er dient overeenstemming te bestaan met de opleveringssituatie;
· betrekking te hebben op de luchtramen. Deze dienen in de stand ’gesloten’
daadwerkelijk gesloten zijn;
· betrekking te hebben op de schermkier. De onderling relatieve
verschillen in gerealiseerde schermkier mogen maximaal 10% bedragen,
gemeten bij een vast ingestelde kier van 5%. Ook mogen er bij de stand ’gesloten
scherm’ geen kieren aanwezig zijn en dient het schermmateriaal vrij
te zijn van scheuren of gaten;
· betrekking te hebben op de onder G. vermelde buistemperatuur
en luchttemperatuurgradienten;
· betrekking te hebben op de onder I. vermelde individuele en totale
meetnauwkeurigheid van de klimaatsensoren;
K. Restwarmteaansluiting: bij het niet toepassen van heteluchtteelt dient
men indien de infrastructuur aanwezig is aan te sluiten op deze infrastructuur
en de beschikbare capaciteit aan te wenden tenzij er een warmtekrachtkoppeling
aanwezig is met een minimaal vermogen van 30 W/m2.
L. Centrale koolstofdioxide-levering: bij het niet toepassen van hete
lucht teelt dient men indien de infrastructuur aanwezig is aan te sluiten
op deze infrastructuur en de beschikbare capaciteit aan te wenden, tenzij
er een warmtekrachtkoppeling aanwezig is met rookgasreiniging.
M. Klimaatregeling: het klimaat dient automatisch te worden geregeld door
een klimaatcomputer.
N. Biologische gewasbescherming: dit dient te worden toegepast tenzij
teelttechnisch omstandigheden dan wel het internationaal handelsverkeer dit
onmogelijk maken.
O. Gegevens registratie: de bedrijfsgegevens dienen te worden geregistreerd
conform Milieuproject Sierteelt (MPS) of Milieubewuste Teelt (MBT) of met
behulp van een ander naar het oordeel van het Centraal Collega van Deskundigen
Groen Label Kas gelijkwaardig systeem.
P. Wettelijke voorschriften: ten behoeve van de inrichting dient men te
beschikken over de eventueel van toepassing zijnde vergunningen als bedoeld
in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer en aan te tonen dat de eventueel op
de inrichting van toepassing zijnde meldingen als bedoeld in artikel 8.19
en artikel 8.41 van de Wet milieubeheer zijn geschied.
3. Keuzemaatregelen voor kassen voor zware stookteelt,
onderdeel energie

De punten binnen een nummer van de voorzieningen kunnen niet gesaldeerd
worden.


De punten voor de voorzieningen onder de nummers 1 tot en met 6 kunnen
onderling niet gesaldeerd worden.

De punten voor de voorzieningen onder de nummers 1 tot en met 7 kunnen
onderling niet gesaldeerd worden.
4. Keuzemaatregelen voor kassen voor hetelucht/lichtestookteelt,
onderdeel energie


De punten voor de voorzieningen onder de nummers 14 tot en met 20 kunnen
onderling niet gesaldeerd worden. De punten binnen een nummer van de voorzieningen
kunnen niet gesaldeerd worden.
5. Keuzemaatregelen voor kassen, onderdeel lichthinder

6. Keuzemaatregelen voor kassen, onderdeel nutriënten

De punten voor de voorzieningen onder de nummers 1a en 1b kunnen onderling niet gesaldeerd worden.
7. Keuzemaatregelen voor kassen, onderdeel gewasbescherming

’s-Gravenhage, 19 november 1999.
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
J.P. Pronk.
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
L.J. Brinkhorst.
De Staatssecretaris van Financiën,
W.A.F.G. Vermeend.