Regeling verlenging Subsidieregeling experimenten versterking toeleiding en bevordering uitstroom Wet inschakeling werkzoekenden

16 november 1999

AM/RAW/99/70558

Directie Arbeidsmarkt

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

Gelet op artikel 3 van de Kaderwet SZW-subsidies,

Besluit:

Artikel I

De Subsidieregeling experimenten versterking toeleiding en bevordering uitstroom Wet inschakeling werkzoekenden1 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 2, tweede lid, wordt ’voor het jaar 1998 alsmede voor het jaar 1999’ vervangen door: voor het jaar 1998, het jaar 1999 alsmede voor het jaar 2000.

B

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding ’1.’ geplaatst.

2. De aanhef van het aldus genummerde eerste lid wordt vervangen door: Het bij de subsidie-aanvraag voor de jaren 1998 en 1999 in te dienen projectplan omvat in aanvulling op artikel 5 van de Algemene Regeling SZW-subsidies, ten minste de volgende gegevens:

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

2. Bij de subsidie-aanvraag voor het jaar 2000 wordt het projectplan, bedoeld in het eerste lid, aangevuld dan wel een nieuw plan voor het jaar 2000 ingediend vóór 15 december 1999.

C

Artikel 4 wordt vervangen door:

Artikel 4

1. In afwijking van artikel 14, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene Regeling SZW-subsidies behoeft een gemeente als bedoeld in artikel 2, eerste lid, na afloop van het subsidiejaar 1998 geen verantwoording bij de minister in te dienen.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor het subsidiejaar 1999, indien subsidie wordt aangevraagd voor het jaar 2000.

3. Een gemeente als bedoeld in het eerste lid, rapporteert de minister vóór 1 maart 2000 tussentijds over de voortgang van de gesubsidieerde activiteiten en de besteding van de subsidie tot 1 januari 2000.

4. In afwijking van artikel 14, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene Regeling SZW-subsidies dient de gemeente vóór 1 mei 2001 een verantwoording in bij de minister die betrekking heeft op de verleende subsidie over de jaren 1998 tot en met 2000.

D

In artikel 5, tweede lid, wordt na ’het jaar 1999’ ingevoegd: en het jaar 2000.

E

In artikel 6 vervalt ’, werkt terug tot en met 1 januari 1998’ en wordt ’1 januari 2000’ vervangen door ’1 januari 2001’.

Artikel II

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.


’s-Gravenhage, 16 november 1999. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
K.G. de Vries.

1 Stcrt. 1998, 185.

Toelichting

Met ingang van 1 januari 1998 is de Subsidieregeling experimenten versterking toeleiding en bevordering uitstroom Wet inschakeling werkzoekenden (WIW) ten behoeve van de gemeenten Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht (hierna te noemen de Subsidieregeling) in werking getreden. Op basis van deze regeling kon aan deze gemeenten subsidie worden verstrekt voor projecten die gericht zijn op een versterking van de toeleiding naar met name de WIW en bevordering van de uitstroom uit de WIW, maar die niet op grond van de reguliere geldstroom vanuit de WIW worden vergoed. Hiertoe hebben de gemeenten projectplannen voor de jaren 1998 en 1999 ingediend.

De subsidieregeling geldt tot 1 januari 2000. Zoals reeds kenbaar gemaakt in de brief van 30 september 1999, nr. AM/RAW/99/43947, aan de colleges van Burgemeester en Wethouders van de gemeenten Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht heeft de minister besloten de Subsidieregeling met één jaar te verlengen. De onderhavige regeling strekt daartoe.

Voor een goede besluitvorming over een vervolg van de onderhavige Subsidieregeling is besloten de uitvoering daarvan door de gemeenten over de jaren 1998 en 1999 en de effecten daarvan onafhankelijk te laten evalueren. Deze evaluatie zal begin 2000 plaatsvinden.

Tevens zal bij de besluitvorming rekening moeten worden gehouden met de totstandkoming van het Fonds Werk en Inkomen. Onderbouwde besluitvorming zal derhalve pas in 2000 mogelijk zijn. In afwachting van de uitkomsten van een en ander wordt de huidige Subsidieregeling met één jaar verlengd.

Gemeenten die op grond van de onderhavige regeling subsidie voor het jaar 2000 aanvragen, dienen hun subsidie-aanvraag te onderbouwen, hetzij door middel van een aanvulling van het projectplan voor de jaren 1998 en 1999, hetzij door middel van een afzonderlijk plan voor het jaar 2000. Zowel de aanvulling als het afzonderlijke plan dienen met het oog op de subsidieverstrekking vóór 15 december 1999 te zijn ingediend (artikel 3, tweede lid).

Hierbij doet zich dan voor de gemeenten de mogelijkheid voor reeds in te spelen op de door hen gesignaleerde problematiek met betrekking tot de zogenaamde ’fase 4’ bijstandsgerechtigden door het accent nog meer te leggen op activering en toeleiding van deze groep naar arbeid.

De reden dat thans in de regeling een datum is opgenomen waarvóór de aanvraag moet zijn ingediend, is de volgende. Omdat de plannen voor de jaren 1998 en 1999 reeds waren ingediend en beoordeeld voordat de Subsidieregeling experimenten versterking toeleiding en bevordering uitstroom WIW in werking was getreden, was het destijds niet noodzakelijk om in de regeling een termijn op te nemen. Deze noodzaak doet zich nu wel voor. Met het oog op voortzetting van het verstrekken van voorschotten is het voor de gemeenten van belang met deze termijn rekening te houden.

Verlenging van de subsidieregeling met één jaar houdt in, dat de gemeenten die voor het jaar 2000 subsidie aanvragen, voor dezelfde middelen in aanmerking komen als die, welke zijn toegekend voor de jaren 1998 en 1999.

Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Subsidieregeling behoefde een gemeente geen afzonderlijke financiële verantwoording over het jaar 1998 in te dienen. Indien op grond van de onderhavige regeling subsidie wordt aangevraagd voor het jaar 2000, behoeft over het subsidiejaar 1999 evenmin een financiële verantwoording te worden afgelegd (artikel 4, tweede lid).

Zoals de gemeente op grond van het voormalige artikel 4, derde lid, gehouden was vóór 1 juli 1999 tussentijds over de voortgang van de gesubsidieerde activiteiten en de besteding van de subsidie tot dan toe te rapporteren, dient deze tussentijdse rapportage thans over de voortgang en de besteding van de subsidie tot 1 januari 2000 plaats te vinden. Gezien het belang van de begin 2000 te houden evaluatie is bepaald dat deze rapportage vóór 1 maart 2000 moet zijn ingediend (artikel 4, derde lid).

De datum vóór welke de gemeente verantwoording over de besteding van de subsidie over de jaren 1998 tot en met 2000 bij het ministerie moet hebben ingediend, is vanwege de verlenging van de regeling met één jaar, vastgesteld op 1 mei 2001 (artikel 4, vierde lid).

Op deze verantwoording zijn de bepalingen van de Algemene Regeling SZW-subsidies van toepassing, waaronder het indienen van een projectverslag. Indien het projectplan over de jaren 1998 en 1999 wordt aangevuld kan worden volstaan met één verantwoording. Indien voor het jaar 2000 een afzonderlijk plan wordt ingediend dient voor beide projectplannen (projectplan 1998/1999 en projectplan 2000) een afzonderlijke verantwoording te worden ingediend. Volledigheidshalve wordt er op gewezen dat indien voor het jaar 2000 een afzonderlijk plan wordt ingediend, niet bestede subsidiegelden voor het plan 1998/1999 niet kunnen worden aangewend voor het nieuwe projectplan 2000. Bij de vaststelling van de subsidie zullen de niet bestede gelden worden teruggevorderd.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

K.G. de Vries.

Naar boven