Inzichten Mensenrechtencomité inzake ongelijke uitbetaling pensioen en reactie daarop van Nederlandse regering

Mensenrechtencomité Zesenzestigste zitting 12 - 30 juli 1999

Inzichten Kennisgeving nr. 786/1997

Ingezonden door: A.P. Johannes Vos

Beweerd slachtoffer: De inzender

Staat die partij is: Nederland

Datum van kennisgeving: 22 juli 1996

Verwijzing naar documentatie: Voorgaande beslissingen

- Advies van de Speciale Rapporteur 91 beslissing, meegedeeld aan de Staat die partij is op 14 januari 1998

Datum van aanneming Inzichten: 26 juli 1999

Op 26 juli 1999 nam het Mensenrechtencomité ingevolge artikel 5, vierde lid, van het Facultatieve Protocol zijn Inzichten aan inzake kennisgeving nr. 786/1997.

Inzichten Comité

Inzichten van het Mensenrechtencomité ingevolge artikel 5, vierde lid, van het Facultatieve Protocol bij het internationale verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten

Ingezonden door: A.P. Johannes Vos

Beweerd slachtoffer: De inzender

Staat die partij is: Nederland

Datum van kennisgeving: 22 juli 1996

Het Mensenrechtencomité, ingesteld ingevolge artikel 28 van het Internationale Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten,

In vergadering bijeen op 26 juli 1999*,

Na voltooiing van zijn behandeling van kennisgeving nr. 786/1997, ingezonden aan het Mensenrechtencomité door de heer A.P. Johannes Vos ingevolge het Facultatieve Protocol bij het Internationale Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten,

In aanmerking genomen hebbend alle door de inzender en door de Staat die partij is beschikbaar gestelde schriftelijke inlichtingen,

Neemt aan de volgende Inzichten ingevolge artikel 5, vierde lid, van het Facultatieve Protocol.

1. De inzender van de kennisgeving is de heer Antonius Petrus Johannes Vos, een gehuwd Nederlands staatsburger, geboren op 24 september 1919. Hij beweert slachtoffer te zijn van een schending door Nederland van artikel 26 van het Verdrag.

De feiten

2.1 Op 24 september 1984 werd aan de inzender een pensioen uitgekeerd ingevolge de Algemene Burgerlijke Pensioenwet (ABP).

2.2 In Nederland vallen ambtenaren onder zowel de ABP-pensioenregeling als de algemene pensioenregeling (AOW). Het AOW-pensioen is gekoppeld aan het minimumloon en wordt volledig betaald na een verzekeringsperiode van 50 jaar. Het ABP-pensioen is gelijk aan 70% van het laatst genoten salaris en wordt volledig betaald na 40 dienstjaren.

2.3 Vóór 1985 had een gehuwde man ingevolge de AOW aanspraak op een algemeen pensioen voor een echtpaar gelijk aan 100% van het minimumloon. Ongehuwde personen van beide geslachten hadden aanspraak op een algemeen pensioen gelijk aan 70% van het minimumloon. Een gehuwde vrouw had geen eigen aanspraak. Om overlapping van het AOW-pensioen en het ABP-pensioen te vermijden, werd het AOW-pensioen in het ABP-pensioen ingebouwd, d.w.z. het werd geacht deel uit te maken van het ABP-pensioen. In de praktijk bracht het ABP het bedrag van het algemene pensioen in mindering op het ambtenarenpensioen. Het maximale bedrag van het algemene pensioen dat kon worden ingebouwd was 80% (2% voor elk dienstjaar). Voor gehuwde vrouwelijke ambtenaren werd de inbouw berekend aan de hand van het bedrag van het algemene pensioen van een ongehuwde vrouw, en de vermindering was aldus ten hoogste 80% van 70% van het minimumloon.

2.4 Op 1 april 1985 kregen gehuwde vrouwen een eigen aanspraak op een pensioen ingevolge de AOW. Gehuwden ontvingen toen ieder een pensioen gelijk aan 50% van het minimumloon. De ABP-regeling werd dienovereenkomstig gewijzigd met ingang van 1 januari 1986. Tussen 1 april 1985 en 1 januari 1986 gold een overgangsregeling. Sinds 1 januari 1986 worden pensioenen ingevolge de ABP berekend overeenkomstig een ’franchise’-systeem, dat gelijkelijk wordt toegepast op mannelijke en vrouwelijke ambtenaren. Echter voor pensioenaanspraken betreffende tijdvakken vóór 1 januari 1986 blijft de oude inbouwregeling van toepassing.

2.5 Naar aanleiding van de publicatie van een uitspraak van 28 februari 1990 van het Ambtenarengerecht in een vergelijkbaar geval diende de inzender op 29 november 1990 een bezwaarschrift in tegen de inbouw van zijn algemene pensioen in zijn ambtenarenpensioen als discriminerend. De beslissing op het bezwaarschrift van de inzender werd aangehouden in afwachting van de uitslag van de procedure in een vergelijkbare zaak (Beune tegen ABP).

2.6 De Centrale Raad van Beroep, de hoogste rechterlijke instantie op dit gebied, vroeg het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen om een prejudiciële beslissing over de berekening van de pensioenaanspraken. In zijn uitspraak C-7/93 van 28 september 1994 oordeelde het Hof dat de verschillende berekeningen van de aan gehuwde mannen en gehuwde vrouwen toegekende pensioenen in strijd waren met artikel 119 van het EEG-verdrag. Daarbij oordeelde het Hof tevens dat alleen ambtenaren die krachtens nationaal recht een vordering hadden ingediend vóór 17 mei 19901 zich voor gelijke behandeling ten aanzien van de betaling van de ABP-pensioenen konden beroepen op de rechtstreekse werking van artikel 119. Naar aanleiding van de uitspraak van het Hof besliste de Centrale Raad van Beroep op 16 februari 1995 de zaak van Beune tegen het ABP dienovereenkomstig, en beperkte het rechtsherstel wegens discriminatie in deze zaken tot vóór 17 mei 1990 ingestelde vorderingen.

2.7 Het bezwaarschrift van de inzender werd vervolgens afgewezen op 12 juni 1995, omdat hij zijn vordering had ingediend op 29 november 1990, dus na de door het Europese Hof vastgestelde uiterste datum. Zijn verzoek om herziening werd verworpen op 30 juni 1995. De Arrondissementsrechtbank te Den Haag verwierp zijn beroep op 19 juni 1996. De inzender stelde tegen deze beslissing geen hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep wegens de hoge kosten daarvan en de mening van zijn raadsman dat een nader beroep geen kans van slagen zou hebben gezien de beslissing van het Europese Hof en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 16 februari 1995.

De klacht

3. De inzender, die gehuwd is, stelt dat de verschillende grondslagen voor de berekening van de inbouw van het algemene pensioen in het ambtenarenpensioen voor gehuwde mannen en gehuwde vrouwen sinds 1 april 1985 (toen gehuwde vrouwen aanspraak kregen op hun eigen algemene pensioen) in strijd is met artikel 26 van het Verdrag en dat de beperking van het rechtsherstel, zoals die bepaald is in de uitspraak van het Europese Hof van Justitie, ook discriminerend is. De inzender voert aan dat hij sinds 1 april 1985 50% van een volledig AOW-pensioen voor een echtpaar ontvangt maar dat, omdat zijn recht op uitkering van een ambtenarenpensioen dateert uit 1984, dit pensioen ook nu nog berekend wordt door 80% van het volledige AOW-pensioen in te bouwen, terwijl het pensioen van gehuwde vrouwelijke ambtenaren berekend wordt door 80% van de helft van het AOW-pensioen in te bouwen. Daardoor ontvangt hij van het ABP een kleiner pensioen dan gehuwde vrouwelijke gepensioneerde ambtenaren.

Opmerkingen van de Staat die partij is

4.1 Bij nota van 16 maart 1998 betwist de Staat die partij is de ontvankelijkheid van de kennisgeving, wegens het niet-uitputten van de nationale rechtsmiddelen, omdat de inzender heeft nagelaten tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank hoger beroep in te stellen bij de Centrale Raad van Beroep. De Staat die partij is merkt ook op dat de inzender voor de nationale instanties aan zijn zaak artikel 119 van het EG-verdrag ten grondslag heeft gelegd, niet artikel 26 van het Verdrag.

4.2 Bij een in juli 1998 ingezonden stuk gaat de Staat die partij is in op de inhoud van de kennisgeving. Hij verwijst naar de jurisprudentie van het Comité en stelt dat doorslaggevend is of een specifiek onderscheid moet worden beschouwd als discriminerend. Volgens de Staat die partij is, is dit alleen het geval wanneer de betrokken partijen zich in een vergelijkbare situatie bevinden en wanneer het onderscheid is gebaseerd op onredelijke en subjectieve criteria. De Staat die partij is herinnert eraan dat vóór 1 april 1985 gehuwde mannen en gehuwde vrouwen met betrekking tot de inbouw van het algemene pensioen in hun ambtenarenpensioen niet in een vergelijkbare situatie verkeerden, omdat gehuwde vrouwen geen eigen aanspraak hadden op het algemene pensioen. De ABP-regeling was gelijkelijk van toepassing op gehuwde mannelijke en gehuwde vrouwelijke ambtenaren met betrekking tot de toekenning van aanspraken over tijdvakken na 1 januari 1986.

4.3 Volgens de Staat die partij is viel de enige periode waarin gehuwde mannen en gehuwde vrouwen aanspraak hadden op hetzelfde algemene pensioen, maar de inbouw in het ambtenarenpensioen verschillend werd berekend, tussen 1 april en 31 december 1985. De Staat die partij is zet uiteen dat deze periode van acht maanden een overgangsperiode was, omdat de voorbereidingen voor de invoering van nieuwe wetgeving nog niet waren voltooid. Om die reden en om een zo billijk mogelijke oplossing te bereiken werd besloten ten aanzien van aanspraken opgebouwd tussen 1 april 1985 en 31 december 1985 gehuwde vrouwelijke ambtenaren gelijk te stellen met ongehuwde ambtenaren. De Staat die partij is, is van mening dat dit, in de omstandigheden van dit geval, geen discriminatie vormt.

Commentaar van de inzender

5.1 In zijn commentaar op de opmerkingen van de Staat die partij is merkt de inzender op dat zijn vordering door de nationale rechter werd verworpen op grond van een recente uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, en dat een nader beroep bij de CRVB nutteloos zou zijn geweest. Hij verwijst ook naar zijn beroep van 7 augustus 1995 bij de rechtbank waarin hij niet alleen verwijst naar artikel 119 van het Verdrag, maar ook in algemene termen naar normen van niet-discriminatie en de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens.

5.2 Over de inhoud merkt de inzender op dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft beslist dat het verschil in grondslag voor de berekening van de inbouw van het algemene pensioen in het ambtenarenpensioen voor gehuwde mannen en gehuwde vrouwen discriminerend is. Hij merkt op dat zijn pensioen nog steeds op die grondslag wordt berekend en dat de discriminatie daarom voortduurt.

5.3 De inzender stelt dat financiële redenen discriminatie niet kunnen rechtvaardigen. De inzender verzoekt het Comité te bepalen dat de beperking van het rechtsherstel die is vastgesteld door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen jegens hem discriminerend is, en dat het daaruit voortvloeiende nalaten van de Nederlandse autoriteiten de situatie te herstellen ook discriminerend is.

Voorliggende vragen en procedure voor het Comité

6.1 Alvorens een vordering in een kennisgeving te behandelen dient het Comité, in overeenstemming met regel 87 van zijn procesregels, te beslissen of ingevolge het Facultatieve Protocol bij het Verdrag de kennisgeving al dan niet ontvankelijk is.

6.2 Het Comité merkt op dat de Staat die partij is de ontvankelijkheid van de kennisgeving heeft betwist wegens het niet-uitputten van nationale rechtsmiddelen. Ten aanzien van het argument van de Staat die partij is dat de inzender heeft nagelaten hoger beroep in te stellen bij de Centrale Raad van Beroep, merkt het Comité op dat de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank in de zaak van de inzender een recente uitspraak van de Centrale Raad van Beroep volgde in een zaak die vergelijkbaar is met die van de inzender. In deze omstandigheden is het Comité van mening dat een hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep voor de inzender geen effectief rechtsmiddel was en dat het vereiste van artikel 5, tweede lid, onder b, het Comité daarom niet belet de onderhavige kennisgeving te behandelen. Ten aanzien van het argument van de Staat die partij is dat de inzender heeft nagelaten zich voor de nationale rechter te beroepen op artikel 26 van het Verdrag, concludeert het Comité uit de tekst van het beroep van de inzender dat deze zich heeft beroepen op algemene normen van niet-discriminatie, waaronder de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Het Comité herinnert aan zijn jurisprudentie2 dat voor de toepassing van artikel 5, tweede lid, onder b, van het Facultatieve Protocol de inzender zich voor de nationale rechter moet beroepen op de materiële norm die naar hij stelt geschonden is, maar dat hij zich niet behoeft te beroepen op het specifieke artikel van het Verdrag waarin die materiële norm is verwoord. De Staat die partij is heeft geen andere bezwaren naar voren gebracht en derhalve acht het Comité de kennisgeving ontvankelijk en gaat het terstond over tot de behandeling van de inhoud ervan.

7.1 Het Mensenrechtencomité heeft de onderhavige kennisgeving behandeld in het licht van alle door de partijen beschikbaar gestelde inlichtingen, zoals bepaald in artikel 5, eerste lid, van het Facultatieve Protocol.

7.2 De aan het Comité voorliggende vraag is of de heer Vos slachtoffer is van een schending van artikel 26, omdat de berekening van de inbouw van zijn algemene pensioen in zijn ABP-pensioen voor hem als gehuwde man verschilt van die voor gehuwde vrouwen, ten gevolge waarvan hij minder pensioen ontvangt dan een gehuwde vrouw.

7.3 Het Comité merkt op dat het Europese Hof van Justitie al beslist heeft dat het verschil in berekening in strijd is met artikel 119 van het EEG-verdrag, dat elke discriminatie tussen mannen en vrouwen ten aanzien van beloning verbiedt.

7.4 De Staat die partij is heeft uiteengezet dat het verschil in berekening van het pensioen een overblijfsel is van de oorspronkelijke, verschillende behandeling tussen gehuwde mannen en gehuwde vrouwen ten aanzien van het algemene pensioen, die in 1985 werd afgeschaft door de algemene pensioenwetgeving te wijzigen. Het Comité herinnert aan zijn jurisprudentie dat, wanneer een Staat die partij is wetgeving uitvaardigt, deze wetgeving in overeenstemming moet zijn met artikel 26 van het Verdrag. Toen de Staat die partij is eenmaal de algemene pensioenen voor gehuwde mannen en vrouwen had gelijkgetrokken, had het op zijn weg gelegen de Algemene Burgerlijke Pensioenwet zodanig te wijzigen dat het verschil in berekening van ambtenarenpensioenen voor gehuwde mannen en vrouwen die vanaf 1 april 1985 gelijke aanspraken op het algemene pensioen hadden, werd voorkomen. De Staat die partij is heeft dit echter nagelaten met als gevolg dat bij een gehuwde man met pensioenaanspraken van voor 1 januari 1986 een hoger percentage van het algemene pensioen op zijn ambtenarenpensioen in mindering wordt gebracht dan bij een gehuwde vrouw in dezelfde situatie.

7.5 De Staat die partij is heeft aangevoerd dat er geen discriminatie heeft plaatsgevonden omdat op het tijdstip waarop de inzender aanspraak kreeg op een pensioen, gehuwde vrouwen en gehuwde mannen ten aanzien van het algemene pensioen niet in een vergelijkbare situatie verkeerden. Het Comité merkt echter op dat de hier voorliggende vraag de berekening van het pensioen betreft ingaande 1 januari 1986, en overweegt dat de door de Staat die partij is gegeven uiteenzetting het huidige verschil in berekening van het pensioen van gehuwde mannen en gehuwde vrouwen met aanspraken op een ambtenarenpensioen van vóór 1986 niet rechtvaardigt.

7.6 In dit verband merkt het Comité op dat de Nederlandse rechter, naar aanleiding van het oordeel van het Europese Hof van Justitie, rechtsherstel wegens discriminatie heeft beperkt tot die personen die hun vordering hadden ingesteld vóór 17 mei 1990, in overeenstemming met het recht van de Europese Gemeenschappen. Het Comité merkt op dat in de onderhavige kennisgeving ingevolge het Facultatieve Protocol bij het Internationale Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten niet de geleidelijke verwezenlijking van het gelijkheidsbeginsel tussen mannen en vrouwen ten aanzien van beloning en sociale zekerheid aan de orde wordt gesteld, maar of de toepassing van de betrokken wetgeving op de inzender in overeenstemming was met artikel 26 van het Verdrag. Het aan de inzender als gehuwd mannelijk gewezen ambtenaar, wiens pensioen is opgebouwd vóór 1985, betaalde pensioen is lager dan het pensioen betaald aan een gehuwd vrouwelijk gewezen ambtenaar, wier pensioen is opgebouwd in dezelfde tijd. Naar het oordeel van het Comité vormt dit een schending van artikel 26 van het Verdrag.

8. Het Mensenrechtencomité, handelend ingevolge artikel 5, vierde lid, van het Facultatieve Protocol bij het Internationale Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, is van oordeel dat uit de hem voorgelegde feiten een schending blijkt van artikel 26 van het Verdrag.

9. Ingevolge artikel 2, derde lid, onder a, van het Verdrag is de Staat die partij is gehouden de heer Vos de beschikking te geven over een effectief rechtsmiddel, waaronder schadevergoeding. De Staat die partij is, is gehouden maatregelen te nemen om dergelijke schendingen in de toekomst te voorkomen.

13. In aanmerking nemend dat de Staat die partij is, door als Staat partij te worden bij het Facultatieve Protocol, de bevoegdheid van het Comité heeft erkend om te bepalen of al dan niet een schending van het Verdrag heeft plaatsgevonden en dat, ingevolge artikel 2 van het Verdrag, de Staat die partij is zich verbonden heeft voor alle zich op zijn grondgebied bevindende en aan zijn rechtsmacht onderworpen personen de in het Verdrag erkende rechten te garanderen en te voorzien in een effectief en afdwingbaar rechtsmiddel indien een schending is vastgesteld, wenst het Comité van de Staat die partij is binnen negentig dagen inlichtingen te ontvangen over de maatregelen waarmee aan de Inzichten van het Comité gevolg wordt gegeven. De Staat die partij is wordt tevens verzocht de Inzichten van het Comité te vertalen en te publiceren.

(Aangenomen in de Engelse, Franse en Spaanse taal, waarvan de Engelse tekst de oorspronkelijke versie vormt. Nadien ook uit te geven in het Arabisch, Chinees en Russisch als onderdeel van het jaarverslag van het Comité voor de Algemene Vergadering.)

* De volgende leden van het Comité namen deel aan de behandeling van de onderhavige kennisgeving: dhr. Abdelfattah Amor, dhr. Nisuke Ando, dhr. Prafullachandra N. Bhagwati, mw. Christine Chanet, mw. Elizabeth Evatt, mw. Pilar Gaitán de Pombo, dhr. Eckart Klein, dhr. David Kretzmer, dhr. Rajsoomer Lallah, mw. Cecilia Medina Quiroga, dhr. Martin Scheinin, dhr. Roman Wieruszewski, dhr. Maxwell Yalden en dhr. Abdallah Zakhia.

1 De datum is de datum van de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in de zaak-Barber (C-262/88). In het zogenoemde Barber-protocol (Protocol nr. 2 bij artikel 119 van het EEG-Verdrag) kwamen de lidstaten van de Europese Unie overeen dat ’uitkeringen uit hoofde van een ondernemings- of sectoriële regeling inzake sociale zekerheid niet als beloning worden beschouwd indien en voor zover zij kunnen worden toegerekend aan tijdvakken van arbeid vóór 17 mei 1990’, behalve bij vorderingen die vóór die datum zijn ingesteld.

2 Zie inter alia de beslissing van het Comité gedateerd 30 maart 1989 in zaak nr. 273/1988 (B.d.B. vs. Nederland), paragraaf 6.3 (CCPR/C/35/D/273/1988/Rev.1)

Reactie Nederlandse regering

Inleiding

1. Op 10 augustus 1999 zond de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties de Nederlandse regering (hierna: de regering) de Inzichten van het Mensenrechtencomité (hierna: het Comité), aangenomen op 26 juli 1999, naar aanleiding van kennisgeving nr. 786/1997 inzake A.P. Johannes Vos (hierna: de klager) tegen Nederland. Het Comité is van mening dat Nederland ten aanzien van de klager artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: het Verdrag) heeft geschonden nu het aan hem als gehuwde man betaalde pensioen lager is dan het pensioen van een gehuwde vrouw in overigens gelijke omstandigheden. Het Comité is van mening dat de regering gehouden is de klager de beschikking te geven over een effectief rechtsmiddel, waaronder schadevergoeding, maatregelen te nemen om dergelijke schendingen in de toekomst te voorkomen, de Inzichten van het Comité te vertalen en te publiceren en het Comité binnen negentig dagen inlichtingen te verstrekken over de maatregelen waarmee aan de Inzichten van het Comité gevolg wordt gegeven.

Overwegingen

Algemeen

2. De regering heeft zich uitvoerig beraden over de vraag hoe gereageerd dient te worden op de Inzichten van het Comité. De regering is zich daarbij terdege bewust geweest van het belang van het individueel klachtrecht op basis van het Verdrag en van een uniforme uitleg van mensenrechtenverdragen op internationaal niveau in het algemeen, alsmede van de belangen van klagers die erop moeten kunnen vertrouwen dat de regering serieuze aandacht zal besteden aan de mening van de verschillende verdragscomité’s en niet dan in uitzonderlijke gevallen de Inzichten van het Comité naast zich zal neerleggen. Ten aanzien van de onderhavige zaak overweegt de regering het volgende.

Het opbouwstelsel

3. De door het Comité geconstateerde schending is in feite het gevolg van de op grond van de Nederlandse pensioenwetgeving voorgeschreven manier van financiering van aanspraken. De tijdens het verloop van de diensttijd toegekende aanspraken (het opbouwstelsel) dienen namelijk altijd gedekt te zijn door kapitaal. Dit brengt met zich mee dat hiervoor periodiek premies moeten worden afgedragen door werkgevers en werknemers. De uiteindelijke pensioenuitkeringen worden betaald uit het vermogen dat gevormd is uit de ingelegde premies en het daarop behaalde rendement. Dit stelsel onderscheidt zich van omslagstelsels (’pay-as-you-go’), waarbij de financiering eerst plaats vindt in de periode waarin de uitkering betaald wordt. De consequentie van het in Nederland gehanteerde stelsel is dat verschillen in opbouw na pensionering leiden tot verschillen in uitkering. Veranderende inzichten in de samenleving over de rechtvaardigheid van de wijze van opbouw kunnen er weliswaar toe leiden dat die wijze van opbouw verandert - hetgeen in casu ook reeds veertien jaar geleden is gebeurd - maar kunnen geen wijziging brengen in in het verleden verworven rechten en plichten. Zou dat wel het geval zijn, dan zou dat ten koste gaan van belangrijke rechtsbeginselen, met name de rechtszekerheid.

4. Het in Nederland gehanteerde opbouwstelsel als zodanig stond - althans naar de mening van de regering - niet ter discussie in de Inzichten van het Comité. Niettemin zou het gevolg geven aan die Inzichten ertoe leiden dat dat stelsel overboord gegooid zou moeten worden. Immers, in hun uiterste consequentie betekenen de Inzichten van het Comité dat berekening van de hoogte van pensioenen dient te geschieden aan de hand van wat rechtvaardig wordt geacht op het moment van uitkering. De vraag rijst dan wat zulks nog zou kunnen betekenen voor de toekomst, waarin maatschappelijke opvattingen ongetwijfeld aan verdere ontwikkeling onderhevig zullen zijn.

Jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

5. Het Comité verwijst in het feitenoverzicht (met name in paragrafen 2.6 en 2.7) naar de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof) naar aanleiding van de onderhavige materie. Niettemin gaat het Comité in zijn rechtsoverwegingen nauwelijks in op die jurisprudentie. Toch is naar de mening van de regering die jurisprudentie van cruciaal belang voor de beoordeling van de vraag wat de consequenties van de Inzichten van het Comité dienen te zijn.

6. Volgens het Hof behoort het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten tot de internationale instrumenten ter bescherming van de rechten van de mens, waarmee het Hof rekening houdt bij de toepassing van de algemene beginselen van gemeenschapsrecht. Tot die algemene beginselen behoort ook het gelijkheidsbeginsel, zoals dat onder meer tot uitdrukking komt in het voormalig artikel 119 EG-Verdrag (thans artikel 141 EG) betreffende de gelijke beloning van mannen en vrouwen.

7. Niettemin heeft het Hof in zijn arrest van 17 mei 1990 in de zaak-Barber (C-262/88, Jur. 1990, blz. I-1889) aanleiding gezien de werking van het gelijkheidsbeginsel te beperken tot tijdvakken na 17 mei 1990. Deze beperking steunde het Hof op de overweging dat ’dwingende overwegingen van rechtszekerheid zich ertegen verzetten dat rechtssituaties waarvan alle gevolgen in het verleden zijn uitgewerkt, weer in geding worden gebracht, daar in dergelijke gevallen het financiële evenwicht van een aantal vervangende pensioenregelingen met terugwerkende kracht verstoord zou kunnen worden’ (arrest-Barber, punt 44). Het Hof voegt hieraan toe, dat een uitzondering moet worden gemaakt ten behoeve van personen ’die tijdig het initiatief hebben genomen om hun rechten veilig te stellen’. In het bij het Verdrag van Maastricht in december 1991 tussen de lidstaten van de Europese Unie overeengekomen Protocol nr 2 ad artikel 119 EG-Verdrag, alsmede in de daarop volgende jurisprudentie van het Hof (met name de zaken Ten Oever van 6 oktober 1993, C-109/91, Jur. 1993, blz. I-4879, en Beune van 28 september 1994, C-7/93, Jur. 1994, blz. I-4471) is bevestigd dat pensioenuitkeringen van mannen en vrouwen vanaf 17 mei 1990 gelijk moeten worden opgebouwd en dat op de rechtstreekse werking van artikel 119 slechts een beroep kan worden gedaan uit hoofde van vanaf die datum vervulde tijdvakken van arbeid.

8. Deze uitleg van het Hof houdt dus rekening met het opbouwkarakter van de aanvullende pensioenregelingen in een aantal lidstaten. Ook heeft het Hof oog voor de ontwrichtende effecten van een onbeperkt terugwerkende kracht op de fondsen die de gelden beheren van de pensioendeelnemers. Tegelijkertijd worden de rechten veiliggesteld van personen die al vóór de datum van het arrest-Barber op eigen gelegenheid actie hebben ondernomen. Met deze toepassing van het gelijkheidsbeginsel worden de belangen van alle betrokkenen, (overheids-)werknemers, (overheids-)werkgevers, pensioengerechtigden en pensioenfondsen, met elkaar in evenwicht gebracht.

Jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep

9. Deze genuanceerde benadering heeft in Nederland uitdrukking gevonden in een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 26 november 1998, RSV 1999, nr. 92 en TAR 1999, nr.23. Daarin overwoog de Raad:

’Naar ’s Raads inzicht is het ongetwijfeld zo dat het oordeel van het Hof van Justitie van de EG omtrent de strijdigheid met artikel 119 van het EG-Verdrag van (onderdelen van) pensioenregelingen, zoals dit is neergelegd in het arrest van genoemd hof dd. 17 mei 1990, C-262/88, Barber, Jur. 1990, p. I-1889, en nadien onder meer in het al vermelde arrest-Beune, zich in essentie niet beperkt tot aanspraken die zijn verkregen op grond van tijdvakken van arbeid sedert 17 mei 1990. Niettemin moet op grond van die rechtspraak èn van het bij het Verdrag van Maastricht tot stand gekomen Protocol ad artikel 119 van het EG-Verdrag worden vastgesteld, dat krachtens het communautaire recht het verbod van ongelijke behandeling, althans op het punt van de vaststelling van aanspraken op grond van een pensioenregeling als hier aan de orde, beperkt is tot die aanspraken, welke worden ontleend aan tijdvakken van arbeid sedert 17 mei 1990, met een uitzondering slechts voor diegenen die vóór die datum een rechtsvordering hebben ingesteld. Ofschoon wellicht ook met betrekking tot een bepaling als artikel 119 van het EG-Verdrag moet worden aangenomen dat zij er niet aan in de weg staat dat de lidstaten met ingang van een vroeger tijdstip gelijke behandeling op het betreffende terrein tot stand brengen dan waartoe het EG-recht verplicht, gaat de Raad ervan uit dat aan de in het arrest-Barber neergelegde beperking in de tijd, welke haar grond vindt in de ’dwingende overwegingen van rechtszekerheid’ (o. 44 van het arrest), mede een beschermende functie toekomt en dat de lidstaten derhalve krachtens het gemeenschapsrecht gehouden zijn die beperking te respecteren. De Raad ziet in het vorenstaande voldoende grond om met betrekking tot de toepassing van zowel artikel 26 van het IVBPR als artikel 14 van het EVRM, in zoverre de toepassing van de Wet hier geacht kan worden met die bepalingen in strijd te komen, een overeenkomstige beperking aan te brengen als geldt voor de toepassing van artikel 119 van het EG-Verdrag. Ook ten aanzien van eerstgenoemde bepalingen dient te worden aanvaard dat dwingende overwegingen van rechtszekerheid zich ertegen verzetten dat rechtstoepassing uit het verleden thans nog in geding worden gebracht, waarbij de Raad ter wille van een uniforme rechtstoepassing ook hier aanknoopt bij de datum van 17 mei 1990.’

10. Ook de Centrale Raad van Beroep heeft blijkens deze uitspraak oog voor de bijzonder gecompliceerde situatie die de toepasselijkheid van het gelijkheidsbeginsel op de opbouw van pensioenaanspraken teweeg brengt. Door ook voor de toepassing van artikel 26 van het Verdrag uit te gaan van de rechtszekerheid als leidend beginsel geeft de Raad blijk van een benadering, waarin alle betrokkenen op evenwichtige wijze het volle pond wordt gegeven. Daarbij geeft de Raad expliciet aan dat de lidstaten krachtens het gemeenschapsrecht gehouden zijn de beperking in de tijd van 17 mei 1990 te respecteren, op grond waarvan de Raad ter wille van een uniforme rechtstoepassing ook met betrekking tot artikel 26 van het Verdrag aanknoopt bij de datum van 17 mei 1990.

Conclusie

11. Op grond van het bovenstaande komt de regering tot de conclusie dat de Inzichten van het Comité dat ongelijke uitbetaling van pensioen als gevolg van ongelijke opbouw in het verleden een schending van artikel 26 van het Verdrag oplevert waartegen thans nog door de Staat een effectief rechtsmiddel moet worden geboden, door de regering niet kunnen worden gedeeld op grond van dwingende redenen van rechtszekerheid en ter wille van een uniforme rechtstoepassing in de verhouding tot het recht van de Europese Gemeenschap.

12. De Nederlandse vertaling van de Inzichten van het Comité is inmiddels, te zamen met de onderhavige reactie van de regering, ter publicatie in de Nederlandse Staatscourant aangeboden.

Naar boven