Aanwijzing onbekend gebleven bestuurders (art. 165 en 181 WVW 1994)

Categorie: opsporing, vervolging, strafvordering.

Rechtskarakter: aanwijzing in de zin van artikel 130 lid 4 Wet RO

Afzender: College van procureurs-generaal

Adressaat: Hoofden van de parketten

Registratienummer: 1999A032

Datum vaststelling: 14-09-1999

Datum inwerkingtreding: 01-11-1999

Geldigheidsduur: 01-11-2003

Publikatie in Stcrt: 212 d.d. 3-11-1999

Vervallen: Richtlijn inzake de behandeling van zaken met betrekking tot onbekend gebleven bestuurders (165 en 181 WVW 1994) d.d. 23-11-1994.

Relevante richtlijnen voor strafvordering: ‐

Wetsbepalingen: artt.165 en 181 WVW 1994

Jurisprudentie: ‐

Bijlage(n): 1

Achtergrond

In de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wet Mulder) is de kentekenhouder aansprakelijk voor gedragingen verricht met een motorrijtuig waarvan het kenteken op zijn naam is gesteld. Bij de verkeersgedragingen die op basis van de Wet Mulder worden afgehandeld, kan het zoeken naar de feitelijke bestuurder dus achterwege blijven.

Alleen bij de verkeersovertredingen die niet op basis van de Wet Mulder worden afgedaan en bij verkeersmisdrijven kan er sprake zijn van een onbekend gebleven bestuurder. In de artt. 165 (met betrekking tot de verkeersmisdrijven) en 181 WVW 1994 (met betrekking tot de overtredingen) is vastgelegd hoe zaken met betrekking tot onbekend gebleven bestuurders dienen te worden behandeld.

Bij een overtreding is de eigenaar of houder, indien hij de feitelijke bestuurder niet bekend maakt, aansprakelijk voor de op de overtreding staande straf. Betreft het een verkeersmisdrijf, dan is het niet (kunnen) verstrekken van de vereiste informatie om de feitelijke bestuurder te achterhalen, in art. 177, eerste lid, onderdeel a, WVW 1994 afzonderlijk als zelfstandige overtreding strafbaar gesteld. Het niet voldoen aan de zorgplicht de feitelijke bestuurder te noemen, rechtvaardigt niet zonder meer dat de eigenaar of houder aansprakelijk wordt gesteld voor het met zijn voertuig begane misdrijf.

Samenvatting

Deze aanwijzing bevat regels voor de opsporing en vervolging van onbekend gebleven bestuurders.

Opsporing

Horen kentekenhouder

De kentekenhouder die als verdachte van een verkeersmisdrijf is aangemerkt (namelijk als verdachte is gehoord) is niet verplicht is aan de vordering van art. 41 WVW (lees: art. 165 WVW 1994) gevolg te geven (HR 26 oktober 1993, NJ 1994, 629).

De vordering is immers aan een verdachte gericht en die is gezien art. 29 WvSv niet verplicht antwoord te geven op de vordering de naam van de bestuurder bekend te maken. Gezien dit arrest dient de politie dus eerst de vordering van art. 165 WVW 1994 aan de kentekenhouder te doen, alvorens de kentekenhouder te verhoren als verdachte van een verkeersmisdrijf.

Vervolging

1. Vóórdocumentatie

Indien het feit voor vóórdocumentatie in aanmerking komt, dan dient bij de aantekening in het Justitiële Documentatieregister tevens melding te worden gemaakt van art. 181 WVW 1994. Dit kan immers bij het strafvorderingsbeleid van belang zijn of betrekking hebben op overtredingen, begaan door een verdachte als bestuurder of als kentekenhouder.

Daarbij valt te denken aan de kentekenhouder die verantwoordelijk is voor het rijden met een snelheid van 85 km/uur binnen de bebouwde kom. Dan wordt vóórgedocumenteerd: art. 20 onderdeel a RVV 1990 jo 181 WVW 1994. Voor nadocumentatie (onder meer geldboetes vanaf f 200) geldt mutatis mutandis hetzelfde.

2. Dagvaarding

In verband met de mogelijkheid dat de verdachte ook zichzelf kan opgeven als bestuurder, dient subsidiair in de tenlastelegging te worden uitgegaan van de door de verdachte als bestuurder gepleegde onderliggende verkeersgedraging.

De mogelijkheden tot bekendmaking dienen voorts op straffe van nietigheid eveneens te worden opgenomen in de dagvaarding. Ter vermijding van misverstand dient eveneens in de dagvaarding te worden medegedeeld, dat door enkele bekendmaking van de naam en het volledige adres van de bestuurder de dagvaarding haar geldigheid nog niet verliest.

Indien één van de hiervoor genoemde bekendmakingen plaatsvindt op het moment, dat de dagvaarding al is verzonden, dan is het raadzaam de dagvaarding niet in te trekken, doch het aan te laten komen op behandeling ter terechtzitting. De dagvaarding verliest immers door de enkele bekendmaking niet haar geldigheid. Ter terechtzitting kan aanhouding worden verzocht ten behoeve van nader verificatie-onderzoek, tenzij, in geval van tegenspraak, aan de hand van het onderzoek ter terechtzitting reeds kan worden gekomen tot een einduitspraak.

3. Uitsluitingsgronden

Art. 181, tweede lid, WVW 1994 biedt de verdachte ruime waarborgen ter voorkoming van een onterechte veroordeling. Ter voorkoming van misbruik dienen het OM en de politie strikt de hand houden aan met name de in artikel 181, tweede lid, WVW 1994 genoemde vervolgingsuitsluitingsgronden. Indien door de eigenaar/houder schriftelijk aan het openbaar ministerie de bestuurder wordt bekendgemaakt - nog vóórdat het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen - dient veelal nog enig nader onderzoek te worden verricht. Maakt de eigenaar/houder een andere persoon bekend als bestuurder, dan vereisen de algemene strafrechtsbeginselen, dat hiervan door middel van een politieverhoor zo mogelijk bevestiging wordt verkregen. Maakt de eigenaar/houder zichzelf bekend als bestuurder, dan kan deze direct als bestuurder worden gedagvaard.

Indien de kentekenhouder bekend maakt dat hij geen eigenaar/houder was ten tijde van het plegen van de overtreding, zal ingevolge art. 1, derde lid, WVW 1994 (zinsnede ’tenzij anders blijkt’) eveneens aanvullend politieonderzoek gewenst zijn. Na het opnieuw bevragen van het kentekenregister kan eventueel wederom de procedure van art. 181 WVW 1994 worden doorlopen. Als de verdachte tijdens de terechtzitting de bestuurder bekend maakt, zal de ingevolge art. 181, tweede lid, onderdeel c, WVW 1994 genoemde mogelijkheid tot bekendmaking alleen mogen worden geaccepteerd, indien dit plaatsvindt dadelijk na de ondervraging als bedoeld in art. 278 WvSv.

Strafvordering

Indien het (grond)feit voor een OM-transactie in aanmerking komt kan de transactie verstuurd worden aan de in het proces-verbaal vermelde kentekenhouder, die ingevolge art. 1, derde lid, WVW 1994 wordt aangemerkt als eigenaar/houder en die ingevolge art. 181, eerste lid, WVW 1994 strafbaar is.

Bij het te voeren strafvorderingsbeleid dient het OM zich te richten naar de onderliggende overtredingen, waarvoor de eigenaar/houder strafbaar is. Derhalve kan de hoogte van de transactie en de eis ter terechtzitting in zijn algemeenheid worden afgeleid uit de richtlijn voor strafvordering tarieven en feitomschrijvingen voor misdrijven, overtredingen en gedragingen als bedoeld in de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (reg. nr. 1999R040).

Overgangsrecht

De beleidsregels in deze aanwijzing hebben gelding vanaf de datum van inwerkingtreding.

Naar boven