Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Justitie | Staatscourant 1999, 204 pagina 12 | Circulaires |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Justitie | Staatscourant 1999, 204 pagina 12 | Circulaires |
Circulaire aan de Burgemeester
1 september 1999
Nr. 763352/99/ind
Directie Beleid/Afdeling Uitvoeringsbeleid
Aan: de Burgemeesters (t.a.v. hoofd Burgerzaken)
Ter kennisneming aan:
- De Minister van Buitenlandse Zaken
- De Gevolmachtigde Minister van de Nederlandse Antillen
- De Gevolmachtigde Minister van Aruba
- De Vereniging van Nederlandse Gemeenten
- Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken
Hierbij bied ik u een exemplaar aan van de circulaire Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 1999, hierna te noemen Handleiding RWN 1999. Deze circulaire vervangt de circulaire Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap van 3 augustus 1994, kenmerk 448953/94/ind, en de hierna genoemde circulaires en brieven (dit geldt alleen voor Nederland):
· Toelichting op artikel 9 lid 1 sub b RWN en de circulaire wijziging van het beleid inzake het doen van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit bij naturalisatie tot Nederlander kenmerk 639862/97/ind van 21 augustus 1997;
· Landelijke invoering herziene naturalisatieprocedure (in werking getreden 1 april 1998), kenmerk 683638/98/ind van 25 februari 1998;
· Besluit Naturalisatiegelden 1997 (in werking getreden op 1 april 1998), kenmerk 680801/98/ind van 26 februari 1998;
· Adoptie en de verkrijging van het Nederlanderschap per 1 oktober 1998, kenmerk 742622/99/ind van 23 februari 1999;
· Openbare orde bij naturalisatie, kenmerk 763314/99/ind van 14 augustus 1999.
Ten opzichte van de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 1994 zijn in de Handleiding RWN 1999 de toelichtingen op de artikelen 5, 6, 7, 9, en 13 RWN gewijzigd.
De wijzigingen in die toelichtingen onder de artikelen 5, 7, 9, en 13 RWN komen voort uit de hierboven genoemde circulaires. De wijziging in de toelichting op artikel 6 RWN in de Handleiding, waarin optie voor het Nederlanderschap is geregeld, heeft o.a. betrekking op een uiteenzetting van het begrip afgeleide woonplaats.
De keuze is gemaakt om een losbladige versie van de Handleiding RWN 1999 uit te brengen, zodat wijzigingen in de toekomst sneller verwerkt kunnen worden. Wijzigingen worden in eerste instantie bekendgemaakt door middel van tussentijdse berichten nationaliteiten, de zgn. TBN’s.
De Handleiding RWN 1999 is opgenomen in de bundel Handleiding Rijkswet Nederlanderschap. In deze bundel is alle van belang zijnde informatie voor de uitvoering van de Rijkswet op het Nederlanderschap, zoals besluiten, brieven en circulaires, opgenomen. Het hierbij gevoegde exemplaar ontvangt u kosteloos, evenals de bij dit exemplaar behorende TBN’s en aanvullingen.
Voor voorstellen tot wijziging van de Handleiding RWN 1999 alsmede de bundel Handleiding Rijkswet Nederlanderschap houd ik mij gaarne aanbevolen indien de bruikbaarheid daarvan wordt verhoogd.
De circulaire Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap treedt in werking op 15 november 1999.
Voor wat betreft het openbare orde beleid wijs ik u op de volgende overgangsregeling. Het openbare beleid, opgenomen in de Handleiding RWN 1999, is alleen van toepassing op verzoeken om naturalisatie of kennisgevingen van het voornemen van naturalisatie die na deze datum worden ontvangen.
Voor verzoeken om danwel kennisgevingen van het voornemen van naturalisatie ingediend vóór 15 november 1999, geldt het beleid zoals beschreven in de Handleiding voor toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 1994. Hierbij geldt dat de kennisgevingen moeten worden omgezet in een verzoek vóór 15 november 2000.
De Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap wordt uitgegeven door Sdu Uitgevers in Den Haag. Uiteraard bestaat de mogelijkheid (extra) exemplaren van de Handleiding te bestellen, U kunt hiertoe contact opnemen met de Sdu Uitgevers, afdeling Verkoop, tel 070-3789880 of fax 070-3789783.
Den Haag, 1 september 1999.
De Staatssecretaris van Justitie,namens deze,
Het hoofd van Immigratie- en Naturalisatiedienst,
L.
Elting.
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Artikel 1
sub b
sub e
sub f
Artikel 2
Hoofdstuk 2 Verkrijging van het Nederlanderschap van rechtswege
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 5
Hoofdstuk 3 Verkrijging van het Nederlanderschap door optie
Artikel 6
Hoofdstuk 4 Verlening van het Nederlanderschap
Artikel 7
Artikel 8
lid 1 sub a
lid 1 sub b
lid 1 sub c
lid 1 sub d
lid 2
lid 3
lid 4
Artikel 9
lid 1 sub a
lid 1 sub b
lid 1 sub c
llid 2
lid 3
lid 4
Artikel 10
Artikel 11
Artikel 12
Artikel 13
Hoofdstuk 5 Verlies van het Nederlanderschap
Artikel 14
Artikel 15
Artikel 16
Hoofdstuk 6 Vaststelling van het Nederlanderschap
Artikel 17
Artikel 18
Artikel 19
Artikel 20
Hoofdstuk 7 Verklaringen en registers
Artikel 21
Artikel 22
Hoofdstuk 8 Slotbepalingen
Artikel 23
Artikel 24
Hoofdstuk 9 Overgangsbepalingen
Artikel 25
Artikel 26
Artikel 27
Artikel 28
Bijlage 1 Landen van de Islamitische wereld waar polygamie en/of verstoting mogelijk is
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Voor de toepassing van deze Rijkswet wordt verstaan onder
a. Onze minister: Onze Minister van Justitie van het Koninkrijk;
b. meerderjarige: hij die de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt of voordien in het huwelijk is getreden;
c. moeder: de vrouw die het kind ter wereld heeft gebracht;
d. vader: de man tot wie het kind, anders dan door adoptie, in de eerste graad in opgaande lijn in familierechtelijke betrekking staat;
e. vreemdeling: hij die de Nederlandse nationaliteit niet bezit; en
f. staatloze: hij die geen nationaliteit heeft of wiens nationaliteit niet kan worden vastgesteld.
De Rijkswet op het Nederlanderschap heeft een eigen begrip meerderjarigheid, bepaald in artikel 1 sub b. Een verzoeker (N.B.: de Rijkswet spreekt over ’verzoek’ en ’verzoeker’; in Algemene wet bestuursrecht (Awb-)terminologie is dit ’aanvraag’ en ’aanvrager’) moet meerderjarig zijn naar deze wet. Dit betekent dat het al of niet meerderjarig zijn naar het eigen recht van de vreemdeling geen rol speelt. Zo zal van een 19-jarige vreemdeling die naar zijn eigen nationale recht nog minderjarig is en die om naturalisatie tot Nederlander verzoekt niet kunnen worden verlangd dat zijn ouders of voogd het verzoek voor hem doen.
Met de zinsnede ’of voordien in het huwelijk is getreden’ wordt gedoeld op degenen die jonger dan achttien jaar waren toen zij huwden. Ook na een echtscheiding of overlijden van de echtgeno(o)t(e), voordat betrokkene achttien jaar geworden is, blijft sprake van meerderjarigheid.
Minderjarig in de zin van de Rijkswet is een ieder die niet meerderjarig is in de zin van artikel 1 sub b.
De Rijkswet definieert als vreemdeling personen die niet in het bezit zijn van de Nederlandse nationaliteit. Hieronder vallen dus ook staatlozen (zie ad f).
Artikel 1 van de Vreemdelingenwet (Vw) kent een andere definitie van het begrip vreemdeling: ieder die de Nederlandse nationaliteit niet bezit en niet op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander wordt behandeld. Een dergelijke wet is de Wet betreffende de positie van Molukkers (Stb. 1976, 468): zij worden in het kader van de Vreemdelingenwet als Nederlander behandeld, maar kunnen in het kader van de Rijkswet wel een verzoek indienen.
Opname van deze begripsbepaling was nodig in verband met het feit dat het begrip staatloosheid in enkele artikelen in de wet wordt gebruikt. Nederland is verdragspartij bij het Verdrag van New York tot beperking der staatloosheid (Trb. 1967, 124) en de Overeenkomst van Bern (Trb. 1974, 32) tot beperking van gevallen van staatloosheid. Op verschillende plekken in de Rijkswet komt dit gegeven tot uiting.
Zo is onder bepaalde voorwaarden ingevolge artikel 6 lid 1 sub b verkrijging van het Nederlanderschap voor minderjarige staatlozen door optie mogelijk.
Zie hiervoor verder de toelichting bij artikel 6 RWN.
Verder heeft volgens artikel 14 lid 2 geen verlies van het Nederlanderschap uit welken hoofde dan ook plaats indien staatloosheid daarvan het gevolg zou zijn.
Zie hiervoor verder de toelichting bij artikel 14 RWN.
Onbekende nationaliteit staat gelijk aan staatloosheid.
De verkrijging en het verlies van het Nederlanderschap hebben geen terugwerkende kracht.
Degene die door erkenning (na geboorte), wettiging, adoptie, naturalisatie of optie Nederlander is geworden, wordt dus in geen geval geacht op een eerder tijdstip, bijvoorbeeld bij de geboorte, het Nederlanderschap te hebben verkregen. Mutatis mutandis geldt dit ook voor verlies van het Nederlanderschap. Dit in tegenstelling tot de Wet op het Nederlanderschap en Ingezetenschap (WNI) waar erkenning wel nationaliteitsrechtelijk terugwerkte tot de geboorte.
Zie voor een uitzondering op deze regel (de toelichting bij) artikel 28 RWN.
Een niet-Nederlandse vrouw heeft op 18 februari 1992 een kind ter wereld gebracht. Op 6 mei 1993 huwt zij met de vader van het kind, die Nederlander is. De vader erkent het kind op 8 augustus 1994. Hierdoor wordt het kind wettig, te rekenen vanaf 6 mei 1993, maar het is Nederlander te rekenen vanaf 8 augustus 1994.
Hoofdstuk 2 Verkrijging van het Nederlanderschap van rechtswege
- 1. Nederlander is het kind waarvan ten tijde van zijn geboorte de vader of de moeder Nederlander is, alsmede het kind van een Nederlander die voordien is overleden.
- 2. Het op het grondgebied van Nederland, onderscheidenlijk de Nederlandse Antillen of Aruba, of aan boord van een in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba te boek gesteld zeeschip of luchtvaartuig, gevonden kind wordt aangemerkt als het kind van een Nederlander tenzij binnen vijf jaren, te rekenen vanaf de dag waarop het is gevonden, blijkt dat het kind door geboorte een vreemde nationaliteit bezit.
- 3. Nederlander is het kind van een ten tijde van zijn geboorte in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba wonende vader of moeder die zelf geboren is uit een in één van die landen wonende moeder.
Een kind, geboren na 31 december 1984, is, volgens lid 1 van dit artikel, Nederlander als bij zijn geboorte één van zijn ouders Nederlander is. Wordt het kind na de dood van zijn vader geboren, dan is het Nederlander, wanneer zijn vader bij diens overlijden Nederlander was. Voor kinderen, van een Nederlandse moeder, geboren vóór 1 januari 1985, was er een overgangsregeling.
Zie hiervoor verder de toelichting bij artikel 27 RWN.
Nederlander is ingevolge lid 2 van dit artikel ook een kind dat op het grondgebied van Nederland of de Nederlandse Antillen (of aan boord van een in Nederland of de Nederlandse Antillen te boek gesteld zeeschip of luchtvaartuig) is gevonden. Blijkt echter binnen vijf jaar dat het kind door geboorte een vreemde nationaliteit heeft, dan gaat dat Nederlanderschap weer verloren. Uiteraard moet dit zo worden verstaan dat het kind Nederlander blijft wanneer het, bijvoorbeeld door de vader, een vreemde nationaliteit heeft, maar daarnaast, bijvoorbeeld door de moeder, het Nederlanderschap bezit.
Ten slotte is in het derde lid van artikel 3 bepaald dat Nederlander het kind van een vader of moeder is, die ten tijde van de geboorte van het kind zijn of haar woonplaats heeft in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba. Die ouder moet zelf geboren zijn als kind van een moeder die ten tijde van de geboorte woonplaats had in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba. Er moet dus wel een rechte lijn zijn. Het kind is dus geen Nederlander wanneer bij zijn geboorte zijn vader wel en zijn moeder niet in Nederland woonde, en de vader is geboren in België uit aldaar wonende ouders, doch de moeder is geboren uit in Nederland wonende ouders.
Op 23 april 1992 wordt geboren kind A, zoon van het te Rotterdam wonende Duitse echtpaar B-C. Toen vader B werd geboren woonden zijn ouders in Frankrijk, toen moeder C werd geboren woonde haar moeder te Delft. A is (behalve Duitser ook) Nederlander. Er is met opzet geen geboorteplaats van het kind vermeld, want die speelt geen enkele rol. Bepalend is uitsluitend de woonplaats van de ouder(s).
- 1. Nederlander wordt de minderjarige vreemdeling die door een Nederlander wordt erkend.
- 2. Nederlander wordt de minderjarige vreemdeling die zonder erkenning door wettiging het kind wordt van een Nederlander.
- 3. Het kind van degene die door erkenning of door wettiging het Nederlanderschap verkrijgt, deelt in die verkrijging.
Ingevolge de bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek kan een onwettig kind worden erkend door een man (artikel 1:223 BW e.v.). Het Nederlanderschap wordt door erkenning alleen verkregen wanneer die erkenning plaats heeft tijdens de minderjarigheid van betrokkene (zie hiervoor verder de toelichting bij artikel 1 sub b RWN).
Er wordt hier uitdrukkelijk gesproken over ’Nederlander wordt...’ om aan te geven dat hier de verkrijging van het Nederlanderschap geen terugwerkende kracht heeft (zie hiervoor verder de toelichting bij artikel 2 RWN).
Wordt een kind na de huwelijkssluiting van een Nederlander met de moeder van dat kind erkend, dan wordt het kind Nederlander te rekenen vanaf de datum van de erkenning. Het feit dat de wettiging, anders dan door erkenning, terugwerkt, namelijk tot het tijdstip van de huwelijkssluiting (artikel 1:217 BW) is daarop niet van invloed. De nationaliteitsverkrijging werkt niet terug.
Het tweede lid slaat op gevallen, waarin Nederland een wettiging zonder voorafgaande erkenning moet aanvaarden op grond van de Overeenkomst van Rome van 10 september 1970 inzake wettiging door huwelijk (Trb. 1972, 61) en ook op de zeldzame gevallen van brieven van wettiging.
Wordt een kind door erkenning of wettiging Nederlander, dan wordt, zo zegt het derde lid van artikel 4, diens kind ook Nederlander. Dit zal niet zo vaak voorkomen, omdat de erkende/gewettigde minderjarig moet zijn om Nederlander te kunnen worden door die erkenning/wettiging.
Een zeventienjarige ongehuwde Française bevalt van een dochter. Kort daarna wordt de jonge moeder (vóór haar achttiende verjaardag) erkend door een Nederlander. Moeder en kind worden beiden Nederlander.
- 1. Nederlander wordt het kind dat in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba bij rechterlijke uitspraak wordt geadopteerd, indien de adoptief-vader of adoptief-moeder op de dag dat die uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen Nederlander is en het kind op de dag van uitspraak in eerste aanleg minderjarig was.
- 2. Nederlander wordt ook het kind dat in het buitenland bij uitspraak van een ter plaatse bevoegde autoriteit wordt geadopteerd in overeenstemming met het op 29 mei 1993 te
’s-Gravenhage tot stand gekomen verdrag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van interlandelijke adoptie, indien en op het tijdstip waarop aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a. de adoptie is in overeenstemming met het voornoemde verdrag tot stand gekomen, en
b. die adoptie heeft tot gevolg dat de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen worden verbroken, en
c. de adoptief-vader of adoptief-moeder is Nederlander op de dag dat de uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen, en
d. het kind was op de dag van de uitspraak in eerste aanleg minderjarig.
- 3. Nederlander wordt voorts het kind dat in het buitenland in overeenstemming met het op 29 mei 1993 te
’s-Gravenhage tot stand gekomen verdrag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van interlandelijke adoptie is geadopteerd bij een adoptie die niet tot gevolg heeft dat de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen worden verbroken, welke adoptie in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba bij rechterlijke uitspraak in overeenstemming met artikel 27 van voornoemd verdrag wordt omgezet in een adoptie naar Nederlands, Nederlands-Antilliaans of Arubaans recht, indien en op het tijdstip waarop aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a. de adoptie is in overeenstemming met het voornoemde verdrag tot stand gekomen; en
b. de adoptief-vader of adoptief-moeder is Nederlander op de dag nadat twee maanden sinds de uitspraak houdende omzetting in eerste aanleg of hoger beroep zijn verstreken zonder dat daartegen hoger beroep of cassatie is ingesteld, dan wel, indien beroep in cassatie is ingesteld, op de dag van de uitspraak in cassatie; en
c. het kind was op de dag van de uitspraak houdende omzetting in eerste aanleg minderjarig.
- 4. Het kind van degene die door adoptie het Nederlanderschap verkrijgt deelt in die verkrijging.
Bij Rijkswet van 14 mei 1998, Stb. 303, welke wet in werking is getreden op 1 oktober 1998, is artikel 5 van de RWN gewijzigd. In dit artikel wordt de verkrijging van het Nederlanderschap door adoptie geregeld. Deze wijziging heeft plaatsgevonden in verband met de uitvoering van het op 29 mei 1993 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen verdrag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van interlandelijke adoptie. Dit verdrag is eveneens op 1 oktober 1998 in werking getreden. Het Verdrag voorziet in de erkenning van rechtswege van adopties die conform het verdrag tot stand zijn gekomen in alle verdragsstaten (zie hierna). Het verdrag verplicht Nederland dus om een in een andere verdragsstaat, in overeenstemming met het verdrag tot stand gekomen adoptie te erkennen. De wijziging van de Rijkswet houdt daarmee verband.
Tot 1 oktober 1998 kon, onder voorwaarden het Nederlanderschap door adoptie slechts worden verkregen indien de adoptie in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba tot stand was gekomen.
Vanaf 1 oktober 1998 verkrijgt een door adoptanten met gewone verblijfplaats in Nederland geadopteerd kind, ook indien de uitspraak in het land van herkomst van het kind tot stand is gekomen, van rechtswege het Nederlanderschap mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1. de adoptie is in overeenstemming met het verdrag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van interlandelijke adoptie tot stand gekomen; en
2. de adoptie heeft tot gevolg dat de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen worden verbroken; en
3. de adoptief-vader of adoptief-moeder is Nederlander op de dag dat de uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen; en
4. het kind was op de dag van de uitspraak in eerste aanleg minderjarig.
Is aan alle hierbovengenoemde vereisten voldaan, dan verkrijgt het overeenkomstig het verdrag geadopteerde kind ingevolge artikel 5 lid 2 RWN het Nederlanderschap op de dag waarop de uitspraak betreffende de adoptie in kracht van gewijsde is gegaan.
De hier bedoelde, in een verdragsstaat tot stand gekomen adoptie door echtgenoten of door een persoon (gehuwd of ongehuwd), waarbij familierechtelijke betrekkingen tussen het kind en de adoptant(en) ontstaan, wordt (behoudens, gelet op het belang van het kind, kennelijke strijd met de openbare orde) in alle verdragsstaten van rechtswege erkend.
Een zogenaamde verdragsadoptie is redelijk eenvoudig als zodanig te herkennen, omdat de verdragsstaat, waar de adoptie heeft plaatsgevonden, een verklaring dient af te geven, waaruit blijkt dat de adoptie overeenkomstig het verdrag tot stand is gekomen. Tevens zal uit die verklaring blijken of de familierechtelijke betrekkingen met de oorspronkelijke ouders door de adoptie al dan niet zijn verbroken. Elke verdragsstaat dient een instantie aan te wijzen die deze verklaring afgeeft.
In het hierboven besproken geval gaat het om een adoptie, waarbij de familierechtelijke betrekkingen met de ouders door de adoptie zijn verbroken (een zgn. ’sterke’ adoptie), waardoor het kind van rechtswege de Nederlandse nationaliteit verkrijgt.
Ook een verdragsadoptie waarbij de familierechtelijke betrekkingen met de ouders niet verbroken zijn (een zgn. ’zwakke’ adoptie) moet door alle verdragsstaten worden erkend en het kind zal als kind van de adoptant(en) aangemerkt moeten worden.
Door de ’zwakke’ adoptie verkrijgt het kind niet het Nederlanderschap. De ’zwakke’ adoptie kan echter in Nederland (de Nederlandse Antillen of Aruba) bij rechterlijke uitspraak worden omgezet in een adoptie naar Nederlands recht (of wel een ’sterke adoptie’). Uit het nieuwe derde lid van artikel 5 van de RWN blijkt, dat door die omzetting het Nederlanderschap wordt verkregen indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
1. de adoptie is in overeenstemming met het verdrag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van interlandelijke adoptie tot stand gekomen; en
2. de adoptief-vader of adoptief-moeder is Nederlander op de dag nadat twee maanden sinds de uitspraak houdende de omzetting in eerste aanleg of in hoger beroep zijn verstreken zonder dat daartegen hoger beroep of cassatie is ingesteld, dan wel, indien beroep in cassatie is ingesteld, op de dag van de uitspraak in cassatie; en
3. het kind was op de dag van de uitspraak houdende omzetting in eerste aanleg minderjarig.
In de hierboven bedoelde gevallen verkrijgt het kind het Nederlanderschap op het tijdstip bedoeld onder 2, dus:
- óf op de dag nadat twee maanden zijn verstreken sinds de uitspraak houdende de omzetting in eerste aanleg of hoger beroep;
- óf op de dag van de uitspraak in cassatie.
Ook verdragsadopties, waarbij niet Nederland en een verdragsstaat van herkomst, maar wel twee andere verdragsstaten betrokken zijn geweest, zullen in Nederland worden erkend. Ook dergelijke adopties kunnen, op de wijze als hiervoor vermeld, verkrijging van het Nederlanderschap tot gevolg hebben.
Het verdrag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van interlandelijke adoptie is in werking getreden voor de volgende staten (situatie van 1 februari 1999):
Andorra
Australië
Burkina Faso
Burundi
Canada
Colombia
Costa Rica
Cyprus
Denemarken
Ecuador
Filipijnen
Finland
Frankrijk
Litouwen
Mauritius
Mexico
Moldavië
Nederland (Koninkrijk in Europa)
Nieuw Zeeland
Noorwegen
Paraguay
Peru
Polen
Roemenië
Spanje
Sri Lanka
Venezuela
Zweden
Hoofdstuk 3 Verkrijging van het Nederlanderschap door optie
- 1. Door het afleggen van een daartoe strekkende verklaring verkrijgt het Nederlanderschap:
a. de meerderjarige vreemdeling die in Nederland, onderscheidenlijk de Nederlandse Antillen of Aruba, is geboren en aldaar sedert zijn geboorte woonplaats of werkelijk verblijf heeft, mits hij de leeftijd van 25 jaar nog niet heeft bereikt;
b. degene die in Nederland, onderscheidenlijk de Nederlandse Antillen of Aruba is geboren, aldaar tenminste 3 jaren woonplaats of werkelijk verblijf heeft en sedert zijn geboorte staatloos is, mits hij de leeftijd van 25 jaar nog niet heeft bereikt. Voor een minderjarige moet de verklaring worden afgelegd door zijn wettelijke vertegenwoordiger.
- 2. Voor de toepassing van het in de aanhef en onder b bepaalde wordt geboorte aan boord van een in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba te boek gesteld zeeschip of luchtvaartuig gelijk gesteld met de geboorte in Nederland, onderscheidenlijk de Nederlandse Antillen of Aruba.
De optie is een verklaring ter verkrijging van het Nederlanderschap. Het is een eenzijdige rechtshandeling waarmee de optant zich tot Nederlander maakt en waarvoor geen goedkeuring of bevestiging van overheidswege nodig is. Hij moet wel aan bepaalde voorwaarden voldoen. Voldoet hij daar niet aan, dan zal de optie geen rechtsgevolgen hebben.
In Nederland is de burgemeester (namens hem de ambtenaar) bevoegd de verklaring in ontvangst te nemen (zie artikel 21 RWN). De bevoegde functionaris is in beginsel passief. Dat is een verschil met de rol van de ambtenaar bij de behandeling van naturalisatieverzoeken.
In de praktijk worden voor het uitbrengen van opties formulieren gebruikt die aanwezig zijn bij de instanties. De term optie is in de Rijkswet alleen gebezigd in de titel van hoofdstuk 3. In de wetsartikelen zelf wordt gesproken van het afleggen van een verklaring.
Voor deze verklaringen worden door de Minister van Justitie formulieren in vijfvoud verstrekt. Eén exemplaar is voor betrokkene, twee voor het Ministerie van Justitie en twee voor de gemeentesecretarie. Van laatstgenoemde twee exemplaren is er één bestemd voor de vreemdelingendienst ter plaatse. Het Ministerie van Justitie behoudt één van de toegezonden exemplaren voor het openbaar register, bedoeld in artikel 22 RWN. Het andere exemplaar wordt, zo nodig, gebruikt voor de uitwisseling van gegevens inzake nationaliteitswijziging met landen, waarmee dat is overeengekomen (o.a. verdrag van Parijs van 10 september 1964 en Aanvullend Protocol van 24 november 1977), te weten: België, Frankrijk, Duitsland, Griekenland, Italië, Luxemburg, Noorwegen, Oostenrijk, Portugal, Suriname en Turkije.
Overigens moet er uitdrukkelijk op worden gewezen dat volgens de geldende wet opties vormvrij zijn; dit betekent dat ook andersoortige schriftelijke verklaringen en een mondelinge wilsuiting opties zijn en dat voor het afleggen van opties géén leges geheven mogen worden! Niettemin verdient het in verband met bewijsrechtelijke problematiek de voorkeur om aan te dringen op het uitbrengen van de optie door middel van het standaardformulier.
Aan het opteren zijn in de huidige wet uitsluitend formele voorwaarden gesteld, en niet de overige voorwaarden die bij naturalisatie worden gesteld zoals inburgering en de eis dat betrokkene geen ernstig gevaar mag vormen voor de openbare orde. Daardoor kan ook een gedetineerde een optie uitbrengen.
Bij optie is naamsvaststelling en naamswijziging niet mogelijk. Een optant kan dus niet verplicht worden zijn naam te laten vaststellen bij het uitbrengen van een optie.
In dit soort gevallen is het gewenst verzoeker aan te bevelen door middel van een naamswijzigingsprocedure hiervoor zorg te dragen. Althans als dit bij een naturalisatieprocedure ook gebeurd zou zijn.
Zo ook kan het aanbeveling verdienen de naam te wijzigen.
Zie de Richtlijnen Geslachtsnaamswijziging.
Het al of niet verliezen van de oorspronkelijke nationaliteit bij optie (of naturalisatie) hangt af van het recht van de oorspronkelijke nationaliteit van verzoeker. Geadviseerd wordt om verzoeker voor informatie hieromtrent door te verwijzen naar zijn eigen ambassade/consulaat. Zie ook de toelichting bij artikel 9 lid 1 sub b RWN.
Zie voor een overzicht van de regels voor elk land het losbladig systeem Nationaliteitswetgeving (Uitg. Vuga).
In tegenstelling tot de naturalisatieprocedure, krijgen minderjarige kinderen niet tegelijk met hun ouder de Nederlandse nationaliteit. Ten behoeve van deze kinderen kan een beroep gedaan worden op artikel 10 van de Rijkswet.
Bij het bepalen van de woonplaats van optanten gedurende hun minderjarigheid, gaat men uit van de zogenoemde afgeleide woonplaats. Dit betekent dat men er vanuit gaat dat zij gedurende hun minderjarigheid de woonplaats van hun ouders volgen, ongeacht hun eigen, feitelijke woonplaats. Bij de naturalisatieprocedure wordt de afgeleide woonplaats niet gehanteerd. Een kind van in Nederland wonende ouders die naturalisatie verzoeken, heeft afgeleide woonplaats in Nederland, maar wordt desalniettemin uitgesloten van naturalisatie (zie artikel 11 RWN).
Artikel 6 lid 1 aanhef en onder a
Lid 1 van artikel 6 RWN biedt vreemdelingen in bepaalde gevallen de mogelijkheid om door middel van optie het Nederlanderschap te verkrijgen. Voorwaarde is dat zij hier geboren zijn en hier altijd woonplaats of werkelijk verblijf hebben gehad en op het moment dat zij hun optie uit brengen nog geen 25 jaar oud zijn.
Of iemand hier geboren is, is relatief eenvoudig vast te stellen aan de hand van een uittreksel uit het geboorteregister dan wel een uittreksel uit de gemeentelijke basisadministratie. Of iemand hier woonplaats of werkelijk verblijf heeft gehad kan aan de hand van de volgende regels worden vastgesteld.
- Welke woonplaats iemand heeft wordt geregeld door artikel 10 lid 1 Boek 1 BW:
’De woonplaats van een natuurlijk persoon bevindt zich te zijner woonstede, en bij gebreke van woonstede ter plaatse van zijn werkelijk verblijf.’
- Aan de hand van artikel 12 lid 1 Boek 1 BW kan worden bepaald waar een minderjarige woonplaats of werkelijk verblijf heeft:
’Een minderjarige volgt de woonplaats van hem die het gezag over hem uitoefent (...). Oefenen beide ouders tezamen het gezag over hun minderjarige kind, doch hebben zij niet dezelfde woonplaats, dan volgt het kind de woonplaats van de ouder bij wie het werkelijk verblijft dan wel heeft verbleven.’
Voordat de Wet van 30 augustus 1984, Stb. 404 ’tot wegneming van een aantal ongelijkheden tussen man en vrouw in het personen- en familierecht en in enige andere wetten’, in werking was getreden (1 januari 1985), werd in artikel 12 lid 1 Boek 1 BW bepaald dat:
’wanneer beide ouders te zamen het gezag over hun minderjarig kind uitoefenen, dit de woonplaats van zijn vader volgt.’
- Wie het gezag over het kind uitoefent (één of beide ouders) wordt bepaald aan de hand van het interne recht van het kind. Ingevolge artikel 3 van het Haags Kinderbeschermingsver-drag dient de rechtstreeks uit de interne wet van betrokkene voortvloeiende gezagsverhouding hier te land worden erkend. Zo berust het gezag over minderjarigen naar Marokkaans recht uitsluitend bij de vader (zie rechtbank
’s-Gravenhage, rek.nr. 97.181).
- Uit jurisprudentie blijkt dat de woonplaats van iemand afgeleid kan worden aan de hand van feitelijke omstandigheden en mede daaruit af te leiden bedoelingen van die persoon. Inschrijving of uitschrijving in de gemeentelijke basisadministratie geeft een belangrijke indicatie, maar is niet doorslaggevend.
Samengevat: kinderen volgen de woonplaats van degene die het ouderlijk gezag uitoefent. Zolang de ouders getrouwd zijn én samenwonen vergt dit vraagstuk geen bijzondere aandacht. In het geval dat de ouders niet meer samenwonen, maar niet officieel gescheiden zijn, volgde een kind tot 1 januari 1985 de woonplaats van zijn vader. Na die datum volgt het kind de woonplaats van de ouder bij wie het feitelijk verblijft of laatstelijk heeft verbleven, tenzij het interne recht van het kind bepaalt dat het gezag slechts bij een van de ouders berust. Indien de ouders officieel zijn gescheiden volgt het kind de woonplaats van de ouder aan die de voogdij respectievelijk het gezag uitoefent.
1. Een Marokkaan wordt op 1 mei 1970 in Amsterdam geboren. Na zijn geboorte sturen zijn ouders hem naar Marokko. De ouders blijven in Nederland wonen. Op 1 juni 1988 keert hij terug naar Nederland en op 1 juli 1988 wil hij opteren voor het Nederlanderschap. De gemeente moet weigeren rechtsgevolgen aan de optie toe te kennen: de optant had niet zijn gehele leven woonplaats of verblijf in Nederland, omdat hij van 1 mei 1988 tot 1 juni 1988 als meerderjarige in Marokko woonde. Immers, de afgeleide woonplaats geldt alleen voor minderjarigen. Daarmee voldoet hij niet langer aan de voorwaarden van artikel 6 lid 1 RWN.
2. De Chinese Z wordt op 1 mei 1970 in Amsterdam geboren. In 1975 vertrekt zij met haar moeder naar China, terwijl haar vader in Nederland achterblijft. De ouders zijn niet officieel gescheiden. In april 1988 komt Z weer naar Nederland. Indien Z wil opteren voor het Nederlanderschap moet de gemeente weigeren rechtsgevolgen aan de optie toe te kennen: tot 1 januari 1985 was de afgeleide woonplaats van Z die van haar vader (dus in Nederland). Daarna gold als woonplaats van Z de plaats van de ouder bij wie zij werkelijk verbleef (haar moeder).
3. De Marokkaanse Y wordt op 16 januari 1976 in Breda geboren. In 1986 vertrekt hij met zijn moeder naar Marokko, terwijl de vader in Nederland blijft wonen. In 1990 keert hij weer terug naar Nederland. Indien Y wil opteren voor het Nederlander-schap moet de gemeente rechtsgevolg verbinden aan die optie. Naar Marokkaans recht berust het gezag over minderjarigen bij de vader. Gelet op het bepaalde in artikel 12 lid 1 van Boek 1 BW heeft Y dan ook onafgebroken (afgeleide) woonplaats in Nederland gehad.
Artikel 6 lid 1 aanhef en onder b
Vereisten voor optie door staatlozen (ex artikel 6 lid 1 onder b RWN):
- sinds de geboorte staatloos;
- nog geen 25 jaar oud;
- in Nederland geboren;
- ten minste drie jaren woonplaats of werkelijk verblijf (zie ook: afgeleide woonplaats).
Zie voor de vereisten voor optie door een voorheen gehuwde vrouw (de toelichting bij) artikel 28 RWN.
Hoofdstuk 4 Verlening van het Nederlanderschap
- 1. Met inachtneming van de bepalingen van dit hoofdstuk verlenen wij op voordracht van Onze Minister het Nederlanderschap aan vreemdelingen die daarom verzoeken.
- 2. Ten aanzien van hen die woonachtig zijn in de Nederlandse Antillen, onderscheidenlijk Aruba, adviseert Onze Minister van Justitie van de Nederlandse Antillen, onderscheidenlijk Onze Minister van Justitie van Aruba, omtrent het verzoek.
Artikel 7 kan als een inleidend artikel worden beschouwd waaruit af te leiden valt dat naturalisatie (de Rijkswet spreekt van ’verlening van het Nederlanderschap’) tot stand komt bij Koninklijk besluit en alleen als iemand daar zelf om vraagt. Een Koninklijk Besluit is een zogenoemd ’klein KB’, waarvoor geen overleg in de ministerraad is vereist, waarvoor het advies van de Raad van State achterwege gelaten kan worden en waarvoor geen plaatsing in het Staatsblad nodig is. Lid 2 verleent aan de Minister van Justitie van de Nederlandse Antillen respectievelijk Aruba een adviserende functie, maar de uiteindelijke voordracht vindt ingevolge lid 1 plaats door de Minister van Justitie van Nederland. De Minister is tevens bevoegd het verzoek aan te houden of af te wijzen (artikel 9 lid 4 RWN).
Een verzoek om naturalisatie wordt in persoon ingediend bij de Burgemeester.
Omdat in het kader van naturalisatie van belang is dat wordt aangetoond dat de verzoeker diegene is die hij opgeeft te zijn, dient de verzoeker bij het indienen van zijn verzoek in beginsel in persoon te verschijnen. De Burgemeester die het verzoek in ontvangst neemt, moet zich door middel van onderzoek de nodige zekerheid verschaffen omtrent de identiteit van de verzoeker. In dit kader wordt de verzoeker verzocht om een geldig identiteitsdocument te overleggen. Daarnaast kan de verzoeker verzocht worden andere bewijsstukken, zoals bijvoorbeeld een geboorteakte te tonen (zie hierna onder ’Gegevens’ en ’Documenten’).
De eis van persoonlijke verschijning is daarnaast ingegeven door doelmatigheidsoverwegingen. Het loketcontact met verzoeker biedt de mogelijkheid verzoeker voorlichting te geven. In concrete gevallen zal de verzoeker worden ingelicht over de criteria waaraan verzoekers in het algemeen en bepaalde categorieën verzoekers in het bijzonder moeten voldoen.
Het persoonlijke contact biedt de ontvangende autoriteit tegelijkertijd de mogelijkheid een verzoeker te wijzen op bijvoorbeeld zijn (nog) gebrekkige kennis van de Nederlandse taal.
Indien de Burgemeester die het verzoek in ontvangst neemt, van oordeel is dat de verschijning in persoon om zwaarwegende redenen niet kan worden verlangd van verzoeker, kan het verzoek worden ingediend door een schriftelijk daartoe gemachtigde mits voldoende zekerheid kan worden verkregen over de identiteit van de verzoeker en de gemachtigde. Bij zwaarwegende redenen wordt gedacht aan fysieke en/of psychische onmogelijkheid om in persoon te verschijnen. De door verzoeker en/of gemachtigde aangevoerde zwaarwegende redenen dienen aangetoond te worden.
De gemachtigde dient in persoon aan het loket te verschijnen en verschaft de nodige zekerheid over zijn identiteit door het overleggen van een geldig identiteitsbewijs. De machtiging dient schriftelijk te zijn en ondertekend door verzoeker. De gemachtigde dient een geldig identiteitsbewijs van verzoeker te overleggen. In voorkomende gevallen kan de Burgemeester verlangen dat de verzoeker hem ontvangt om in persoon de benodigde gegevens voor de vorming van het advies te verstrekken.
Indien een verzoeker (nog) niet aan de voorwaarden voor naturalisatie voldoet, dient hem ontraden te worden een verzoek in te dienen. Indien verzoeker er niettemin op staat een verzoek in te dienen, ondanks het feit dat hij (nog) niet aan de voorwaarden voor naturalisatie voldoet, dient de Burgemeester het verzoek in ontvangst te nemen. Het verdient aanbeveling een woordelijk verslag op te maken en dit door verzoeker te laten ondertekenen. Verzoeker wordt erop gewezen dat, in het geval zijn verzoek tot naturalisatie niet wordt ingewilligd, hij de voor naturalisatie betaalde leges niet terugkrijgt. De Burgemeester kan verlangen dat verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in model F1.5.
Het verzoek dient op schrift te worden gesteld. Een model van een dergelijk verzoekschrift is als model F1.1 opgenomen.
De verzoeker verstrekt bij de indiening van het verzoek de volgende gegevens betreffende zichzelf, alsmede betreffende de personen om wier medenaturalisatie wordt verzocht:
a. (geslachts)na(a)m(en) en/of voorna(a)m(en);
b. geboortedatum, geboorteplaats en geboorteland;
c. adres en woonplaats;
d. geslacht;
e. nationaliteit(en);
f. indien van toepassing:gegevens omtrent huwelijk of geregistreerd partnerschap, dan wel de ontbinding daarvan;
g. indien van toepassing: gegevens omtrent de kinderen tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat dan wel zijn adoptiefkinderen;
h. indien van toepassing: duur van het huidig verblijf in het Koninkrijk;
i. indien van toepassing: duur van eerder verblijf in het Koninkrijk;
j. indien van toepassing: verblijfsrechtelijke status;
k. indien van toepassing: bestaan en duur van samenleving met een Nederlander;
l. indien van toepassing: een ondertekende verklaring, houdende dat hij bereid is het mogelijke te zullen doen om na de totstandkoming van de naturalisatie zijn andere nationaliteit(en) te verliezen;
m. een ondertekende verklaring dat de verstrekte gegevens naar waarheid zijn;
n. overige gegevens die de Burgemeester, eventueel na overleg met de IND, in het bijzondere geval nodig acht voor de beoordeling van het verzoek.
‐ ad a t/m i en k. De Burgemeester voegt bij het naturalisatieverzoek (een) uittreksel(s) uit de gemeentelijke basisadministratie, van verzoeker(s) en van degenen wier medenaturalisatie wordt verzocht, waaruit de gegevens genoemd onder a tot en met i en k blijken.
‐ ad j. Voor wat betreft de stukken omtrent de verblijfsrechtelijke status, die in het naturalisatiedossier gevoegd dienen te worden, wordt verwezen naar hetgeen hierna onder ’geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd’ (zie Administratieve behandeling van een verzoek om naturalisatie in Nederland) is opgenomen.
‐ ad l. Voorbeelden van verklaringen bedoeld onder l zijn opgenomen als model F1.2 en F1.3.
‐ ad m. In de ’Waarheidsverklaring’ bedoeld onder m, verklaart verzoeker tevens of hij al dan niet in aanraking is geweest met politie en/of justitie. Indien verzoeker in deze verklaring (zie model F1.4) aangeeft wel in aanraking te zijn geweest met politie en/of justitie zet de Burgemeester het openbare orde beleid bij naturalisatie uiteen en wijst verzoeker er op dat een en ander gevolgen kan hebben voor de beslissing op zijn naturalisatieverzoek. Betrokkene wordt in de gelegenheid gesteld om op de ’waarheidsverklaring’ aan te geven of er sprake is van bijzondere feiten en/of omstandigheden op grond waarvan, naar zijn mening, de openbare orde niet behoort te worden tegengeworpen.
‐ ad n. In sommige gevallen kan het noodzakelijk zijn nadere gegevens en bewijsstukken te vragen. Te denken valt bijvoorbeeld aan het geval dat een verzoeker beweert in het verleden in het bezit geweest te zijn van de Nederlandse nationaliteit. Indien de Burgemeester, na raadpleging van de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, twijfelt aan het beweerde oud-Nederlanderschap of oud-Nederlandsonderdaanschap, dient daarvan een bewijs overgelegd te worden door verzoeker.
De Burgemeester die het verzoek in ontvangst neemt, dient in beginsel van verzoeker te verlangen dat hij gegevens bewijst door middel van documenten.
In de herziene procedure dient zoveel mogelijk gestreefd te worden naar inontvangstneming van complete verzoeken. Indien verzoeker een aantal benodigde gegevens niet kan verstrekken, dient hem geadviseerd te worden te wachten met indiening van het verzoek tot het moment dat alle verlangde gegevens verstrekt kunnen worden.
Mocht verzoeker er echter op staan zijn verzoek, ondanks het niet overleggen van de door de Burgemeester gevraagde documenten of het niet voldoen aan de voorwaarden voor naturalisatie, in te dienen, dan dient de Burgemeester het verzoek in ontvangst te nemen. De Burgemeester kan in dit geval verlangen dat verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in model F1.5.
In beginsel dient verzoeker een geldig buitenlands reisdocument te overleggen. In gevallen waarin dit niet mogelijk is, bijvoorbeeld als betrokkene een door Nederland erkend vluchteling is of houder van een geldige vergunning tot verblijf, die is afgegeven op grond van artikel 9 van de Vreemdelingenwet en waarbij betrokkene op grond van artikel 28 lid 7 van het Voorschrift Vreemdelingen is vrijgesteld van het paspoortvereiste, hetgeen door verzoeker aangetoond moet worden, mag verzoeker óf een vluchtelingen- óf een vreemdelingenpaspoort overleggen. Indien verzoeker niet in het bezit is van een vluchtelingenpaspoort óf een vreemdelingenpaspoort, kan volstaan worden met het overleggen van het verblijfsdocument.
Voor wat betreft verklaringen en/of afschriften dan wel uittreksels van akten van de burgerlijke stand geldt dat, indien dezen als brondocument voor de gemeentelijke basisadministratie kunnen worden geaccepteerd, deze brondocumenten ook voor naturalisatie worden aanvaard. In de regel zal de voordracht tot naturalisatie plaatsvinden op basis van de inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie. Wordt tijdens het naturalisatie-onderzoek een document overgelegd waaruit blijkt dat de aanvankelijke inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie aanpassing behoeft, dan dient hiervoor, zo mogelijk, zorg gedragen te worden alvorens het advies op het naturalisatieverzoek gegeven wordt.
Van overlegging van afschriften en/of uittreksels van akten van de burgerlijke stand kan worden afgezien indien deze in eerdere instantie reeds zijn overgelegd en verwerkt in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Hierbij geldt dat de verwerking van gegevens in de gemeentelijke basisadministratie moet hebben plaatsgevonden op basis van gelegaliseerde en inhoudelijk geverifieerde afschriften en/of uittreksels, indien dit ingevolge de circulaire legalisatie en verificatie van buitenlandse bewijsstukken omtrent de staat van personen van 8 mei 1996 nr. 555949/96/6 vereist is.
Voor zowel het verkrijgen van documenten als de vertalingen en eventuele legalisatie en inhoudelijke verificatie van stukken, dient betrokkene zelf zorg te dragen. Indien de documenten zijn opgesteld in een andere taal dan het Nederlands, Engels, Duits of Frans, dient verzoeker zorg te dragen voor een beëdigde vertaling, die gehecht moet zijn aan het originele (afschrift van het) document. De circulaire legalisatie en verificatie van buitenlandse bewijsstukken omtrent de staat van personen van 8 mei 1996 nr. 555949/96/6 is van (overeenkomstige) toepassing.
Indien de door de Burgemeester gevraagde documenten niet worden overgelegd, maakt de Burgemeester in de toelichting op zijn advies hier melding van. Een consequentie van het niet overleggen van de gevraagde documenten kan zijn, dat op het regiokantoor van de IND besloten wordt de aanvraag buiten behandeling te stellen (artikel 4:5 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht).
Administratieve behandeling van een verzoek om naturalisatie in Nederland
De Burgemeester neemt verzoeken om naturalisatie en om medenaturalisatie in ontvangst van personen die:
1. als ingezetene zijn ingeschreven in de basisadministratie van zijn gemeente; of
2. ingevolge artikel 32 lid 1 juncto lid 2 of artikel 33 lid 1 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens niet voor inschrijving in de basisadministratie in aanmerking komen, indien zij woonplaats hebben in zijn gemeente.
De Burgemeester toetst de verstrekte gegevens van personen, bedoeld onder 1, aan de gegevens die in de basisadministratie zijn opgenomen betreffende de verzoeker en de personen om wier medenaturalisatie verzocht is. De gegevens van personen bedoeld onder 2, het betreft hier diplomatiek personeel, worden door de Burgemeester getoetst aan de gegevens die zijn opgenomen in het door de Minister van Buitenlandse Zaken gehouden register. Indien de Burgemeester vragen heeft over de gegevens opgenomen in het door de Minister van Buitenlandse Zaken gehouden register, neemt hij contact op met de Directie Kabinet en Protocol van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, telefoonnummer 070-3484848.
Alvorens een bewijs van inontvangstneming van het verzoek (zie model F1.6) aan betrokkene af te geven, beoordeelt de Burgemeester of de verzoeker al dan niet dient te betalen overeenkomstig het Besluit Naturalisatiegelden 1997 (Stb. 244). Indien de verzoeker betaling verschuldigd is, wordt hem zulks medegedeeld en de gelegenheid gegeven de betaling te verrichten (zie de toelichting onder artikel 13).
Na de betaling van het voor naturalisatie verschuldigde bedrag, de vaststelling dat geen betaling verschuldigd is, of de beslissing tot gehele ontheffing van betaling, dan wel na ontvangst van de gevraagde aanvulling van het verzoek, onderzoekt de Burgemeester of het verzoek voor inwilliging in aanmerking komt.
De Burgemeester onderzoekt of verzoeker de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt of voordien in het huwelijk is getreden. Dit geschiedt aan de hand van de gegevens in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Indien uit overgelegde stukken blijkt dat bijvoorbeeld de geboortedatum, welke in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens is opgenomen, niet juist is, wordt zo mogelijk zorggedragen voor aanpassing van de basisadministratie.
Indien verzoeker minderjarig is, onderzoekt de Burgemeester of van de voorwaarde gesteld in artikel 8 lid 1 aanhef en onder a van de RWN kan worden afgeweken, zodat verzoeker eventueel op grond van artikel 10 RWN toch voor naturalisatie in aanmerking komt. Indien de Burgemeester van mening is dat artikel 10 RWN kan worden toegepast, neemt hij dit uitdrukkelijk op in zijn advies. Voor beleidsregels betreffende de toepassing van artikel 10 RWN wordt verwezen naar de hierna opgenomen toelichting van artikel 10 RWN.
Geen bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd
Voor wat betreft het vereiste van geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde duur, dient door verzoeker in beginsel een verblijfsdocument overgelegd te worden. Indien hij wel is toegelaten maar (nog) niet over een verblijfsdocument beschikt, kan volstaan worden met de beschikking afgegeven door óf de Korpschef óf de Staatssecretaris van Justitie, waaruit blijkt dat verzoeker is toegelaten. In dat geval, maar ook in geval van twijfel, dient de verblijfsgerechtigdheid gecontroleerd te worden.
Er zijn vreemdelingen die over geen van de hiervoor genoemde documenten kunnen beschikken maar toch voor naturalisatie in aanmerking komen, te weten oud-Nederlanders en oud-Nederlandse onderdanen met bijzondere banden met Nederland. Voor een uiteenzetting van het vereiste van geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd en van het bijzondere bandenbeleid bij naturalisatie, wordt verwezen naar de hierna opgenomen toelichting van artikel 8 lid 1 aanhef en sub b RWN.
Ook voor wat betreft eventuele minderjarige kinderen van verzoeker, moet vast komen te staan dat er geen bedenkingen bestaan tegen hun verblijf voor onbepaalde duur. De Burgemeester dient de gegevens van kinderen tegen wier verblijf voor onbepaalde duur bedenkingen bestaan, uitdrukkelijk in zijn advies op te nemen.
Aan de hand van de gegevens in de gemeentelijke basisadministratie toetst de Burgemeester of verzoeker aan de op hem van toepassing zijnde verblijfs- dan wel huwelijks- of samenlevingstermijn voldoet. Indien deze gegevens niet afdoende uit de gemeentelijke basisadministratie blijken, kan de verzoeker dit door middel van andere bewijsstukken aantonen.
Indien verzoeker niet aan de termijn gesteld in artikel 8 lid 1 aanhef en onder c RWN voldoet, onderzoekt de Burgemeester of betrokkene eventueel voor toepassing van artikel 10 RWN in aanmerking komt. Indien de Burgemeester van mening is dat artikel 10 RWN kan worden toegepast, neemt hij dit uitdrukkelijk op in zijn advies. In welke gevallen artikel 10 RWN kan worden toegepast is uiteengezet in deze Handleiding in de toelichting op artikel 10 RWN.
De Burgemeester onderzoekt of verzoeker beschikt over een redelijke kennis van de Nederlandse taal. Daarnaast beoordeelt hij of verzoeker zich ook overigens in de Nederlandse samenleving heeft doen opnemen. Hieronder valt het onderzoek naar het tegelijkertijd naast elkaar bestaan van meerdere huwelijken.
Indien verzoeker niet aan het vereiste van artikel 8 lid 1 aanhef en onder d van de RWN voldoet, onderzoekt de Burgemeester of aan verzoeker het Nederlanderschap zou kunnen worden verleend op grond van artikel 10 van de RWN. De Burgemeester geeft in zijn advies gemotiveerd weer of toepassing van artikel 10 RWN plaats kan vinden. Voor wat betreft lagere eisen aangaande de inburgering, wordt verwezen naar de hierna opgenomen toelichting onder artikel 8 lid 1 aanhef en onder d RWN.
Ter beoordeling van artikel 9 lid 1 onder a van de RWN vraagt de Burgemeester gegevens van verzoeker(s) en van zijn/ haar minderjarig(e) kind(eren) vanaf twaalf jaar op bij de Herkenningsdienst van de plaatselijke politie (HKD) (zie model F1.7. De bevoegdheid om deze gegevens op te vragen is geregeld in het Besluit van 11 juni 1996 tot wijziging van het Besluit politieregisters (Stb. 1996, 349).
Daarnaast vraagt hij bij de Justitiële Documentatiedienst (JDD) gegevens op van verzoeker(s) en zijn/ haar minderjarig(e) kind(eren) van zestien jaar of ouder (zie model F1.8). De gegevens van de Justitiële Documentatiedienst worden verkregen op grond van het Besluit Inlichtingen Justitiële Documentatie van 23 september 1958, Stb. 466, laatstelijk gewijzigd bij Besluit van 30 mei 1997, Stb. 230.
Voor de te nemen beslissing op het naturalisatieverzoek geldt dat bovengenoemde uittreksels niet ouder mogen zijn dan zes maanden.
Ingevolge artikel 9 lid 1 sub b RWN onderzoekt de Burgemeester of verzoeker, na de tot totstandkoming van de naturalisatie tot Nederlander, afstand moet doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Indien verzoeker niet valt onder één van de uitzonderingscategorieën genoemd onder nummer 10 a, b, c, e, f, g, h of i, van de circulaire van 18 juni 1997, kenmerk 631150/97/6, vraagt de Burgemeester of verzoeker bereid is om afstand te doen. Verzoeker dient schriftelijk aan te geven al dan niet bereid te zijn afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit (zie modellen F1.2 en F1.3). Voor de procedure betreffende de afstandsverplichting zie hierna onder ’Administratieve handelingen inzake de afstandsverplichting’.
Vervolgens onderzoekt de Burgemeester of het verzoek voor inwilliging in aanmerking komt en brengt hij schriftelijk advies uit (zie model F1.9). Een toelichting op het invullen van het adviesblad en het te vormen dossier is te vinden in ditzelfde model F1.9.
De adviezen die gegeven kunnen worden, zijn ’geen bezwaar’, ’bezwaar’ en ’aanhouding’. Aanhouding van de beslissing op het naturalisatieverzoek dient, zo mogelijk, met instemming van verzoeker te gebeuren (zie model F1.10). In het kader van de herziene procedure wordt verzoeker bij de voorlichting door de Burgemeester al gewezen op het feit dat, indien betrokkene niet voldoende Nederlands spreekt, hij beter kan wachten met de indiening van zijn verzoek. Het uitgangspunt bij de beslissing tot aanhouding is, dat de verwachting bestaat dat binnen de aangehouden periode betrokkene wel voldoende Nederlands spreekt. Indien verzoeker niet wenst in te stemmen met de aanhouding van de beslissing op het verzoek, geeft de Burgemeester als advies ’bezwaar’. Een beslissing tot aanhouding wordt in elk geval genomen, indien tijdens het onderzoek blijkt dat er (slechts) openstaande zaken op het uittreksel van de JDD voorkomen.
Eventuele bedenkingen tegen medenaturalisatie van het minderjarige kind/de minderjarige kinderen van verzoeker(s) worden in het advies opgenomen.
De Burgemeester stelt de (andere) wettelijke vertegenwoordiger in de gelegenheid zijn zienswijze betreffende de medenaturalisatie kenbaar te maken (zie model F1.11). Indien een kind dat voor medenaturalisatie in aanmerking komt, de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, wordt ook hij in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken (zie model F1.12). Indien de Burgemeester van mening is dat er tegen verkrijging van het Nederlanderschap door het kind/de kinderen bezwaren bestaan, dan licht hij verzoeker en/of de (andere) wettelijke vertegenwoordiger daarover in.
De Burgemeester overlegt zonodig met verzoeker over (een) vast te stellen geslachtsna(a)m(en)/of voorna(a)m(en), alsmede over de vaststelling van deze namen van de personen om wier medenaturalisatie is verzocht, en brengt hierover advies uit. Voorts adviseert de Burgemeester over de in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens waarin de naam van de verzoeker, en de namen van de personen om wier medenaturalisatie wordt verzocht, worden overgebracht.
Indien bij de naturalisatie tevens om naamswijziging wordt verzocht, adviseert de Burgemeester hieromtrent. Het namenbeleid bij naturalisatie is opgenomen in deze Handleiding in de toelichting op artikel 12 RWN.
Zowel bij naamsvaststelling als bij naamswijziging worden de (andere) wettelijke vertegenwoordiger en de kinder(en), die de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt, in de gelegenheid gesteld hun zienswijze kenbaar te maken.
Voorbeelden van verzoeken tot naamswijziging/naamsvaststelling, alsmede verklaringen van instemming van de (andere) wettelijke vertegenwoordiger en de kinderen, die de leeftijd van twaalf jaar en ouder hebben bereikt, zijn opgenomen in de modellen F1.13 - F1.18.
De Burgemeester zendt het verzoek tot naturalisatie, de bewijzen van persoonsgegevens, de door verzoeker ondertekende verklaringen en verzoeken, en het advies aan het regiokantoor van de IND, waar zijn gemeente onder ressorteert. De IND bevestigt de ontvangst hiervan aan de Burgemeester.
Het regiokantoor van de IND stelt de verzoeker en de Burgemeester in kennis van de beslissing op het verzoek. Beslissingen tot afwijzing of tot aanhouding van verzoeken worden aan verzoeker per aangetekende post verzonden.
Administratieve handelingen inzake de afstandsverplichting
Indien een verzoeker om naturalisatie niet valt onder één van de uitzonderingscategorieën, dient hem gevraagd te worden of hij bereid is om afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Zowel de bereidheid om afstand te doen als de weigering afstand te doen worden schriftelijk vastgelegd door middel van model F1.2. Indien verzoeker dan niet bereid is afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit wordt hij gewezen op het feit dat het naturalisatieverzoek wordt afgewezen.
Reeds in de voorlichtingsfase dient verzoeker op dit gevolg gewezen te worden, zodat hij alvorens hij een verzoek indient ter dege beseft dat indien hij volhardt in zijn weigering afstand te doen, het verzoek wordt afgewezen en hij het bedrag aan betaalde leges niet terugkrijgt. Tevens dient verzoeker in de voorlichtingsfase er op gewezen te worden dat indien hij nadat hij genaturaliseerd is weigert afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit, het besluit waarbij hem het Nederlanderschap is verleend, kan worden ingetrokken.
Verzoeker dient de verklaring te ondertekenen. Het origineel wordt in het dossier gevoegd ten behoeve van de IND en een kopie wordt door de burgemeester, bewaard in het door hem aangelegde dossier. Op het adviesblad dient te worden aangegeven of verzoeker onder een uitzonderingscategorie valt dan wel bereid is al dan niet afstand te doen van zijn huidige nationaliteit.
Tegelijkertijd met de kennisgeving dat verzoeker Nederlander is geworden ontvangt hij in voorkomende gevallen een verzoek van de Staatssecretaris om afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Van dit verzoek wordt een kopie gezonden aan de Burgemeester.
Indien hij zich, na ontvangst van de kennisgeving, meldt ten behoeve van een aanvraag tot afgifte van een Nederlands paspoort dient, indien mogelijk, gevraagd te worden of hij inmiddels afstand heeft gedaan van zijn oorspronkelijke nationaliteit.
Indien betrokkene daadwerkelijk afstand heeft gedaan, dient hij een verklaring van de betreffende autoriteiten te overleggen bij de afdeling burgerzaken.
Een verklaring waarin wordt aangegeven dat hij zijn paspoort heeft ingeleverd is niet voldoende. De verklaring van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit dient in elk geval de personalia van betrokkene te bevatten en de datum met ingang waarvan betrokkene niet meer in het bezit is van zijn oorspronkelijke nationaliteit.
De gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens dient te worden bijgewerkt.
Een kopie van de verklaring dient vervolgens naar de IND gestuurd te worden. De IND heeft een eigen verantwoordelijkheid in het beoordelen van de verklaring van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit. Indien de IND van mening is dat de verklaring van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit niet voldoet, wordt contact met de betreffende afdeling burgerzaken opgenomen.
Indien betrokkene nog geen afstand heeft gedaan van zijn oorspronkelijke nationaliteit kan toch een Nederlands paspoort of een Europese identiteitskaart worden afgegeven, immers hij is Nederlander geworden.
Indien de IND drie maanden na het versturen van de kennisgeving aan betrokkene nog geen verklaring van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit heeft verkregen, wordt betrokkene nogmaals schriftelijk verzocht afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit. Indien hij na één maand hierop niet reageert ontvangt hij een tweede rappel. In dit schrijven wordt hij wederom verzocht afstand te doen en tevens wordt aangegeven dat indien hij niet binnen 1 maand reageert, het Koninklijk Besluit waarbij het Nederlanderschap werd verleend zal worden ingetrokken. Alvorens tot intrekking van het Koninklijk Besluit wordt overgegaan neemt de IND zekerheidshalve contact op met de gemeente om na te gaan of betrokkene inderdaad geen verklaring tot afstand van de oorspronkelijke nationaliteit heeft overgelegd.
Indien betrokkene na ontvangst van dit schrijven alsnog een verklaring van afstand aan de IND overlegt, stelt de IND de gemeente in kennis. De gemeente ontvangt tevens de originele afstandsverklaring; een kopie wordt aan het naturalisatiedossier toegevoegd.
Betrokkene kan in deze fase niet alsnog een beroep doen op één van de uitzonderingscategorieën. Immers ten tijde van de indiening van het verzoek is hij op de hoogte gesteld van de gevolgen van verkrijging van het Nederlanderschap ten aanzien van zijn oude nationaliteit.
Indien verzoeker ondanks herhaalde herinneringsbrieven nalatig blijft al het mogelijke te doen zijn andere nationaliteit(en) te verliezen, zal overgegaan worden tot de intrekking van het besluit waarbij het Nederlanderschap is verleend, zulks overeenkomstig het bepaalde in artikel 15, onder d, van de Rijkswet op het Nederlanderschap. Van het besluit tot intrekking wordt de verzoeker per aangetekende post in kennis gesteld. Daarnaast wordt de Burgemeester in kennis gesteld. Een eventueel door verzoeker ingesteld bezwaar of beroep tegen de intrekking van het besluit waarbij het Nederlanderschap is verleend, heeft geen schorsende werking (artikel 6:16 Awb).
Als de Burgemeester in kennis wordt gesteld van een besluit tot intrekking, draagt hij er zorg voor dat:
a. het besluit tot intrekking in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens wordt verwerkt;
b. de Nederlandse reisdocumenten die, aan de verzoeker en degenen die zijn begrepen in de naturalisatie, waren uitgereikt, worden ingenomen;
c. betrokkenen worden verwezen naar de vreemdelingendienst van de politie;
d. in voorkomende gevallen de akten van de burgerlijke stand worden bijgewerkt.
Mocht na ingesteld bezwaar c.q. beroep betrokkene alsnog moeten worden aangemerkt als Nederlander, wordt de Burgemeester wederom door de IND in kennis gesteld.
Vanaf juli 1991 worden door het departement geen mededelingen van naturalisatie meer verstuurd aan de vreemdelingendiensten. De gemeenten dienen daarom alle nationaliteitsmutaties aan de vreemdelingendienst door te geven: niet alleen de nationaliteitsmutaties ingevolge naturalisatie, maar ook die ten gevolge van optie, adoptie, erkenning en wettiging.
- 1. Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komen slechts in aanmerking verzoekers:
a. die meerderjarig zijn;
b. tegen wier verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland, onderscheidenlijk de Nederlandse Antillen of Aruba, geen bedenkingen bestaan;
c. die tenminste vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek in Nederland, onderscheidenlijk de Nederlandse Antillen of Aruba, woonplaats of werkelijk verblijf hebben gehad; en
d. die in de Nederlandse, onderscheidenlijk Nederlands-Antilliaanse of Arubaanse, samenleving als ingeburgerd kunnen worden beschouwd op grond van het feit dat zij beschikken over een redelijke kennis van de Nederlandse taal, dan wel - indien zij in de Nederlandse Antillen of Aruba wonen - de taal die op het eiland van inwoning naast het Nederlands gangbaar is, en zij zich ook overigens in de Nederlandse, onderscheidenlijk Nederlands-Antilliaanse of Arubaanse, samenleving hebben doen opnemen.
- 2. Het in het eerste lid, onder c bepaalde geldt niet met betrekking tot een verzoeker die hetzij te eniger tijd het Nederlanderschap of de staat van Nederlands onderdaan-niet-Nederlander heeft bezeten, hetzij sedert tenminste drie jaren de echtgenoot is van een Nederlander, hetzij tijdens zijn meerderjarigheid door erkenning of wettiging het kind is geworden van een Nederlander, dan wel in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba is geadopteerd door ouders van wie in elk geval één het Nederlanderschap bezit.
- 3. De in het eerste lid, onder c, genoemde termijn wordt op twee jaren gesteld voor degenen die in totaal ten minste tien jaren in Nederland, onderscheidenlijk de Nederlandse Antillen of Aruba, hebben gewoond.
- 4. De in het eerste lid, onder c genoemde termijn wordt op drie jaren gesteld voor ongehuwden die tenminste drie jaren met een ongehuwde Nederlander in een duurzame relatie anders dan het huwelijk samenleven.
Verzoeker moet op het moment van indiening voldoen aan de vereisten van artikel 8. Voldoet betrokkene op het eerste gezicht niet aan de wettelijke vereisten dan wordt betrokkene geadviseerd het verzoek niet in te dienen (zie [A1 - art. 7] pagina 2).
‐ ad lid 1 sub a. Meerderjarigheid
Zie voor het begrip meerderjarigheid de toelichting bij artikel 1 sub b.
Is iemand nog minderjarig, maar zijn de omstandigheden zo bijzonder, dat naturalisatie gewenst lijkt, dan kan de naturalisatie alleen plaatshebben krachtens artikel 10 (zie hiervoor verder de toelichting bij artikel 10).
‐ ad lid 1 sub b. Geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd
Indien het een vreemdeling op verblijfsrechtelijke gronden niet is toegestaan om in Nederland te verblijven, zal het verzoek om naturalisatie worden afgewezen.
Het verzoek wordt eveneens afgewezen in het geval dat een vreemdeling wel in het bezit is van een vergunning tot verblijf, maar deze vergunning een tijdelijk karakter heeft. Voorbeelden van dit soort vergunningen zijn: de vergunning tot verblijf voor studie, voor medische behandeling of voor verblijf als au pair.
Bedacht dient te worden dat iedere vergunning tot verblijf ten hoogste dan een jaar geldig is en na dat jaar verlengd dient te worden. Uit het enkele feit dat de vergunning slechts een jaar geldig is, kan echter niet worden afgeleid dat het gaat om een vergunning met een tijdelijk karakter.
Indien een vreemdeling slechts beschikt over een visum, bestaan er in beginsel steeds bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. Hetzelfde geldt voor zeelieden en vreemdelingen die op boorplatforms werken, die op grond van artikel 44 Vreemdelingenbesluit kortstondig in Nederland mogen verblijven om te passagieren.
Ook zijn er categorieën vreemdelingen op wie het Nederlandse vreemdelingenrecht in het geheel niet van toepassing is. Hierbij moet in het bijzonder gedacht worden aan de volgende personen.
1. Diplomatieke ambtenaren en andere geprivilegieerde personen (hoofdstuk B20 van de Vreemdelingencirculaire).
2. Buitenlandse werknemers op Nederlandse zeeschepen, Nederlandse schepen in de internationale binnenvaart, mijnbouwinstallaties op het Nederlandse deel van het continentaal plat en in het internationaal wegtransport. In bijzondere gevallen wordt er wel een vergunning tot verblijf verleend aan bovengenoemde personen. De Vreemdelingenwet is dan van toepassing. Zie hoofdstuk B11 van de Vreemdelingencirculaire.
Ten aanzien van de onder 1 en 2 genoemde personen bestaan in beginsel steeds bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd.
3. Molukkers op wie de Wet betreffende de positie van Molukkers van toepassing is. Zij zijn geen vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet (hoofdstuk B19 van de Vreemdelingencirculaire).
Ten aanzien van deze personen bestaan geen bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. Overigens dienen zij wel aan de andere vereisten in de Rijkswet te voldoen.
Tot voor kort deed zich nogal eens het probleem voor dat kinderen van een verzoeker om naturalisatie, die wel feitelijk in Nederland verbleven maar niet beschikten over een vergunning tot verblijf, onbedoeld mee-genaturaliseerd werden. Om dit te voorkomen wordt vanaf 1 september 1992 de volgende clausule opgenomen:
’Het Nederlanderschap wordt onthouden aan de minderjarige kinderen van de in artikel 1 van dit besluit vermelde personen, aan wie geen verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland, onderscheidenlijk Nederlandse Antillen of Aruba is toegestaan.’
In bepaalde gevallen kan een vreemdeling worden genaturaliseerd, ondanks het feit dat hij niet in het Koninkrijk woont (en dus niet is toegelaten) en in zeer bijzondere gevallen wanneer slechts verblijf voor bepaalde tijd is toegestaan. Het gaat hier om drie groepen.
1. Huwelijkspartners van Nederlanders (zie artikel 8 lid 2).
2. Oud-Nederlanders en oud-Nederlandse onderdanen die in het buitenland wonen, maar niet in het land van hun nationaliteit.
Bij deze groep dient altijd nagegaan te worden of tegen hun eventuele vestiging in Nederland vreemdelingrechtelijke bezwaren bestaan.
3. Oud-Nederlanders en oud-Nederlandse onderdanen die niet voor onbepaalde tijd zijn toegelaten.
Wanneer zij beschikken over bijzondere banden kunnen zij toch worden genaturaliseerd. Onder bijzondere banden wordt verstaan hier te lande minstens de helft van het basisonderwijs hebben gevolgd of gedurende hun minderjarigheid een opleiding hebben gevolgd, die meer dan destijds gebruikelijk was op Nederland zelf was gericht.
Hier behoeft niet te worden gelet op het doel waarvoor de verblijfsvergunning is afgegeven.
‐ ad lid 1 sub c (j° lid 2, 3 en 4). Vijf jaar woonplaats
De eis dat verzoeker minstens vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek, in Nederland of de Nederlandse Antillen of Aruba moet hebben gewoond speelt reeds bij de ontvankelijkheidstoetsing van het naturalisatieverzoek een belangrijke rol. Deze gestelde verblijfstermijn heeft van oudsher (ook vóór 1985) gediend om enige garantie te verschaffen dat een bepaalde mate van inburgering tot stand is gekomen en dat betrokkene in het Koninkrijk wil blijven wonen. Verblijf op de Nederlandse Antillen of Aruba kan worden meegerekend voor het bepalen van de verblijfstermijn in het Koninkrijk.
Een belangrijk aandachtspunt is dat de Rijkswet uitgaat van feitelijk verblijf hier te lande bij het bepalen van de termijnen voor naturalisatie. Op het moment van de naturalisatie zelf mogen er geen bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd, maar de vreemdeling hoeft niet de gehele voor naturalisatie vereiste termijn in Nederland te hebben verbleven op basis van een vergunning tot verblijf. Ook illegaal verblijf wordt meegerekend.
In leden 2, 3 en 4 van artikel 8 RWN worden nogal wat uitzonderingen op deze algemene regel gegeven (zie toelichting op deze leden).
‐ ad lid 1 sub d. De inburgeringseis
De inburgering moet uit twee omstandigheden blijken:
1. verzoeker moet beschikken over een redelijke kennis van de Nederlandse taal; en
2. verzoeker moet zich hebben doen opnemen in de Nederlandse samenleving. Hieronder valt de voorwaarde van naar Nederlands recht monogaam gehuwd zijn.
De in bovengenoemd artikel vermelde eis is in beginsel een strikte voorwaarde die aan naturalisandi wordt gesteld.
Het begrip inburgering dient om een ontwikkelingsproces aan te duiden dat leidt tot een daadwerkelijke participatie in de samenleving die men heeft aanvaard en waarin men zijn weg heeft leren vinden.
Het mag niet zo worden opgevat dat een aanpassing aan de Nederlandse samenleving vereist zou zijn waarbij de vreemdeling zijn culturele identiteit heeft opgegeven of zijn nationale afkomst heeft verloochend. Wel mag worden verlangd dat de verzoeker niet uitsluitend op zijn eigen (minderheids)groep is georiënteerd of daarvan geheel afhankelijk is. Hij moet in staat zijn ook met anderen te communiceren. Aangezien de taal het belangrijkste communicatiemiddel is, is voldoende beheersing van het Nederlands een kenmerk van inburgering.
Hoe die kennis wordt verkregen is van geen belang, doch het spreekt voor zich dat indien er een cursus wordt gevolgd de taalvaardigheid in het algemeen sneller zal toenemen dan wanneer er geen cursus wordt gevolgd.
Ten tijde van de naturalisatie hoeft het proces, waarin de verbondenheid met de Nederlandse samenleving ontstaat, niet te zijn voltooid. Wel moet het alsdan duidelijk zijn gevorderd. De mate van inburgering zal steeds moeten worden afgeleid uit uiterlijk waarneembare omstandigheden. Taalbeheersing en sociale contacten behoren tot de indicaties die in onderling verband tot de conclusie kunnen leiden dat betrokkene is ingeburgerd.
Nederlands spreken en verstaan
Zoals hiervoor is aangegeven, kunnen in het vereiste van inburgering twee elementen worden onderscheiden die ook in de wet zijn vastgelegd: redelijke kennis van de taal en opneming in de samenleving.
Van ’redelijke kennis van de Nederlandse taal’ kan worden gesproken als een verzoeker de Nederlandse taal kan spreken en verstaan, minimaal een eenvoudig gesprek in het Nederlands over alledaagse dingen kan voeren.
De taalvaardigheid kan worden getoetst aan de hand van:
- het gemak waarmee betrokkene antwoord geeft op vragen tijdens het inwinnen van informatie of het indienen van het verzoek;
- het gesprek dat gericht is op de toetsing van de taalvaardigheid: het eigenlijke inburgeringsgesprek, waarbij enkele vragen over alledaagse activiteiten van verzoeker kunnen worden gesteld (m.b.t. bijv. werk, hobby’s, familie, buren etc.).
Het lezen en schrijven wordt niet verlangd.
De toetsing als zodanig geldt voor iedere verzoeker afzonderlijk, de echtgenoot/partner mag de ander dus niet helpen (voorzeggen, vertalen).
De inburgering wordt in beginsel getoetst aan de hand van de eis van taalbeheersing. Het ’zich ook overigens hebben doen opnemen in de Nederlandse (of Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse) samenleving’ heeft geringe zelfstandige betekenis. Voor degenen die vanuit het buitenland het Nederlanderschap aanvragen, bijvoorbeeld de vreemdeling die met een Nederlandse vrouw is gehuwd, is opneming in de Nederlandse samenleving een onmogelijke opgave.
Slechts in het extreme geval dat een vreemdeling, die wel redelijk Nederlands spreekt, zich opzettelijk afzijdig houdt van alles wat Nederlands is, of zich afzet tegen alles wat Nederlands is of op Nederland betrekking heeft, weigert zijn kinderen naar school te laten gaan, of naar Nederlands recht polygaam gehuwd is (zie verderop de toelichting bij bigamie), zal hij niet kunnen worden beschouwd als te zijn opgenomen in onze samenleving en zal zijn verzoek worden afgewezen. Er moeten dus omstandigheden zijn die blijk geven van onvoldoende inburgering, van contra-indicaties als het ware.
Inburgering veronderstelt derhalve in algemene zin een zekere aanvaarding van de Nederlandse (of Nederlands-Antilliaanse/Arubaanse) samenleving.
De reden dat vreemdelingen na vijf jaar verblijf in Nederland een verzoek tot naturalisatie kunnen indienen, is dat na deze periode een zekere inburgering in de Nederlandse, Nederlands-Antilliaanse of Arubaanse samenleving mag worden verondersteld.
Na tien jaar verblijf bestaat er weinig of geen grond om gewicht toe te kennen aan contra-indicaties; ook hier geldt dat alleen een sprekend bewijs van het tegendeel - bijvoorbeeld dat betrokkene ondanks zijn langdurig verblijf hier te lande het Nederlands in zeer onvoldoende mate beheerst, alleen omgang heeft met landgenoten of herhaaldelijk lange periodes in zijn vaderland dan wel elders buiten Nederland verblijft - tot een afwijzing kunnen leiden.
Omdat de eis van taalbeheersing zich niet in alle gevallen gelijkelijk laat toepassen wordt hierna aangegeven in welke gevallen er aanleiding is enige soepelheid te betrachten. Te denken valt aan analfabeten, mensen met een beperkte schoolopleiding, aan mensen met een geestelijke of lichamelijke handicap en aan ouderen.
Met leeftijd en opleiding mag rekening worden gehouden. Aan iemand die omstreeks zijn 50e jaar, of daarna, in Nederland binnenkomt, kunnen, wanneer hij naar verloop van tijd voor naturalisatie in aanmerking wil komen, geen eisen meer worden gesteld wat betreft taalbeheersing. In die gevallen kan naturalisatie, door middel van voordracht op een gewoon Koninklijk besluit geschieden.
Ook moet worden bedacht dat naturalisatie vaak geen enkelingen, maar hele gezinnen betreft. Wanneer bijvoorbeeld de inburgering van een gehuwde vrouw is achtergebleven bij die van haar man, als gevolg van de nu eenmaal bij sommige minderheidsgroepen bestaande opvattingen over de rol van de vrouw, is soepelheid geboden en lijkt afwijzing te hard. In dit verband mag de taalvaardigheid van de man, de vrouw tot voordeel strekken en andersom, tenzij er duidelijk sprake is van de situatie dat de andere partij de Nederlandse taal in het geheel niet machtig is en ook niet getracht heeft door middel van een cursus, dan wel anderszins, de Nederlandse taal beter te leren.
Naast deze gevallen waarin soepelheid wordt betracht, wordt bij de beslissing op het verzoek ook de leeftijd waarop de verzoeker Nederland is binnengekomen, diens opleiding, alsmede de totale verblijfsduur in relatie tot het moment waarop een cursus Nederlands wordt aangevangen, betrokken.
Omdat de omstandigheden zelden gelijk zijn zal zulks van geval tot geval aan de hand van het onderzoek op de eigen merites moeten worden bezien. Ook hier geldt dat leeftijd, opleiding en verblijfsduur bij de beslissing worden betrokken.
Is een verzoeker nog niet in staat tot een eenvoudig gesprek in het Nederlands, maar kan hij aantonen dat hij zich wel heeft ingespannen, bijvoorbeeld omdat hij een cursus Nederlands heeft gevolgd en er van de cursusleiding een verklaring wordt overgelegd waaruit blijkt dat de lessen frequent zijn bezocht, dan kan dit tot toewijzing van zijn verzoek leiden ook al is de cursus niet met succes afgerond. Ingevolge de rechtspraak van de Raad van State op dit punt verdraagt die soepelheid zich in zo’n geval met de tekst van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d RWN. Er is dan sprake van een zodanige mate van kennis van de Nederlandse taal dat het redelijkerwijs gesproken gewaarborgd is dat die kennis in de toekomst verder zal uitgroeien.
Wat betreft kennis van de Nederlandse taal is het beleid dat, indien onderzoek uitwijst dat die kennis nog onvoldoende is, het niet direct tot een afwijzing hoeft te leiden. De wet biedt de mogelijkheid de beslissing op het verzoek twee keer zes maanden aan te houden teneinde betrokkene in de gelegenheid te stellen zich het Nederlands beter eigen te maken. In die gevallen wordt geadviseerd een cursus Nederlands te gaan volgen, dan wel het Nederlands met behulp van familieleden, vrienden of kennissen die de Nederlandse taal wel beheersen, te leren (N.B.: de wettelijke perioden van aanhouding mogen niet bij elkaar opgeteld worden tot één periode van een jaar).
Mocht na ommekomst van de periode van aanhouding uit het hernieuwde onderzoek blijken dat geen of onvoldoende verbetering is opgetreden, dan gaat er nogmaals een bericht van aanhouding uit, aangevuld met de opmerking dat, indien daarna niet voldoende resultaat blijkt, rekening moet worden gehouden met een afwijzende beslissing.
De praktijk heeft uitgewezen dat veel vreemdelingen, waaronder ook analfabeten, na enig tijdsverloop in staat waren begrijpelijk Nederlands te spreken.
Ten slotte is er een groep verzoekers, van wie op voorhand duidelijk is dat zij als voldoende ingeburgerd kunnen worden beschouwd, waardoor het inburgeringsgesprek achterwege gelaten kan worden;
- Oud-Nederlanders;
- Verzoekers, die tussen hun 5e en 17e jaar vijf jaren in Nederland hebben verbleven; van hen wordt aangenomen dat zij in die vijf jaren, waarin zij leerplichtig waren, in Nederland onderwijs hebben genoten en derhalve de Nederlandse taal voldoende machtig zijn.
Resumerend kan worden gesteld dat het inburgeringsbegrip zich niet leent voor een uniforme en rigide toepassing en dat er om die reden in bepaalde gevallen soepelheid kan worden betracht.
Aan de hand van de aangevoerde omstandigheden in het verzoekschrift, c.q. die tijdens het onderzoek van de burgemeester, dan wel nadien, naar voren zijn gekomen zal van geval tot geval worden bezien of er grond is de aanvrager voor verkrijging van het Nederlanderschap voor te dragen.
Voor wat betreft bigamie kan worden opgemerkt dat van opneming in de Nederlandse samenleving kan worden gesproken wanneer de verzoeker zijn situatie in overeenstemming heeft gebracht met de in Nederland geldende rechtsbeginselen, waaronder dat van monogamie.
Het rechtsbeginsel van monogamie komt onder andere tot uiting in artikel 33 en artikel 69 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Deze artikelen bepalen respectievelijk dat een man slechts met één vrouw, de vrouw slechts met één man kan zijn gehuwd en dat een bigaam huwelijk nietig kan worden verklaard. Het beginsel van monogamie komt ook tot uitdrukking in artikel 3 van de Wet conflictenrecht huwelijk. Dit artikel verbiedt het voltrekken van een bigaam huwelijk in Nederland.
De Nederlandse openbare orde verzet zich dan ook tegen het voortbestaan van een bigaam huwelijk van een vreemdeling op het moment waarop deze het Nederlanderschap heeft verkregen. Onder inburgering valt dus ook dat verzoeker slechts met één vrouw gehuwd mag zijn.
Indien een verzoeker zich niet wenst te conformeren aan de in Nederland geldende fundamentele rechtsbeginselen, is hij niet voldoende ingeburgerd: zijn situatie is dan niet in overeenstemming met de Nederlandse openbare orde.
De vraag of een naturalisandus monogaam is, doet zich het meest voor bij personen afkomstig uit Islamitische landen die polygamie kennen, alsmede huwelijksontbinding door verstoting. Zie voor een overzicht van deze landen bijlage 1.
Artikel 3 van de Wet conflictenrecht echtscheiding (Stb. 1981, 166) geeft onder meer aan dat een in het buitenland uitgesproken verstoting in Nederland slechts dan als een rechtsgeldige ontbinding van het huwelijk wordt aangemerkt, eerst dan naar Nederlands recht erkend kan worden, indien de verstoting onherroepelijk is en de vrouw hiermee (uitdrukkelijk of stilzwijgend) heeft ingestemd of zich erbij heeft neergelegd, door middel van bijvoorbeeld een bewijs van verstotingshandeling (waaruit de instemming van de vrouw kan worden afgeleid), een bewijs van instemming of berusting, een bewijs dat de ex-echtgenote hertrouwd is of een huwelijksakte van de man betreffende een huwelijk gesloten ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand in Nederland. Als bewijs dat een polygaam huwelijk niet meer in stand is dient uiteraard ook de overlijdensakte van de verstoten vrouw. Verstotingen van vóór de inwerkingtreding van de Wet conflictenrecht worden analoog behandeld.
Wanneer verzoeker niet kan aantonen dat zijn huwelijk op een voor Nederland acceptabele wijze is ontbonden, kan hij het eerdere huwelijk laten ontbinden door de Nederlandse rechter.
Beoordeling buitenlandse verstotingsakten
Bij de behandeling van naturalisatieverzoeken worden moeilijkheden ondervonden die vaak verband houden met de beoordeling door ambtenaren voor de bevolkingsadministratie van buitenlandse verstotingsakten. Het blijkt namelijk dat bij de inschrijving in het bevolkingsregister van eenzijdige verstotingen veelal is nagelaten na te gaan of de vrouw met de verstoting heeft ingestemd dan wel zich daarbij heeft neergelegd. Dit kan tot gevolg hebben dat de ongeldigheid van een verstoting jaren na de inschrijving alsnog aan de betrokken persoon wordt tegengeworpen. Het kan dan voor hem moeilijk zijn na zo lange tijd nog een bewijs van de berusting van de vrouw te verkrijgen.
Mede teneinde een adequate afhandeling van verzoeken tot naturalisatie te bevorderen dienen de ambtenaren van de bevolkingsadministratie steeds de geldigheid van een eenzijdige verstoting aan de hand van de door de wet gestelde criteria te toetsen. Daartoe worden hier enige richtlijnen gegeven.
Een eenzijdige verstoting door de man leidt tot een in Nederland rechtsgeldige huwelijksontbinding als aan twee voorwaarden is voldaan (Wet conflictenrecht echtscheiding, artikel 3):
1. Er is, conform het nationale recht van de man, een verstotingsakte opgemaakt en gehomologeerd in het land van herkomst of in een ander land dat de verstoting kent. De verstotingsakte mag niet door het consulaat van het land van herkomst in Nederland zijn opgemaakt. Is dit het geval, dan is geen geldige verstoting tot stand gekomen. Verklaart het consulaat dat een akte in het land van herkomst is opgemaakt, dan is dit onvoldoende bewijs.
2. De vrouw heeft uitdrukkelijk of stilzwijgend ingestemd met de verstoting of zich erbij neergelegd. Dit blijkt slechts in incidentele gevallen uit de verstotingsakte.
De instemming/berusting van de vrouw kan wel worden afgeleid uit onder meer de volgende omstandigheden:
- de vrouw heeft zelf om inschrijving van de verstotingsakte in het Nederlandse bevolkingsregister of in het register van de burgerlijke stand gevraagd;
- de vrouw is blijkens een huwelijksakte - of een andere officieel document hertrouwd (N.B.: een islamitische vrouw mag zelf geen bigaam huwelijk aangaan);
- uit de vrouw zijn na de verstoting natuurlijke kinderen geboren, hetgeen blijkt uit het feit dat deze kinderen in de buitenlandse geboorteakte onder haar naam, althans niet onder de naam van de gewezen echtgenoot, staan vermeld;
- de vrouw heeft schriftelijk verklaard dat zij instemt met de verstoting, of zij heeft terzake tegenover een Nederlandse instantie een mondelinge verklaring afgelegd, van welke verklaring aantekening is gemaakt;
- de man is hertrouwd ten overstaan van de Nederlandse ambtenaar van de burgerlijke stand. In dit geval wordt ervan uitgegaan, dat die ambtenaar de verstoting op geldige grond heeft erkend;
- de verstotingsakte vermeldt, dat de vrouw om de verstoting heeft verzocht en voor die verstoting een vergoeding (’khul’) aan de man heeft toegezegd; zij kan bijvoorbeeld afstand gedaan hebben van bepaalde rechten die zij gewoonlijk na de verstoting heeft, zoals het recht op betaling van het restant van de bruidsgift (’mahr’ of ’sadaq’ geheten), op alimentatie, zij kan de feitelijke zorg voor de kinderen aan de man hebben overgedragen; zij kan ook verplichtingen op zich hebben genomen zoals de betaling van het onderhoud van de kinderen. In het geval van een ’khul’ is de verstoting steeds onherroepelijk;
- de verstotingsakte vermeldt, dat de vrouw, optredend als vertegenwoordiger van de man, zichzelf verstoot.
De hiervoor gegeven criteria zijn uiteraard vatbaar voor rechterlijke toetsing.
N.B. I: Het enkele feit dat de vrouw aanwezig was bij de verstoting of de homologatie, dan wel daarbij was opgeroepen, is onvoldoende reden om instemming aan te nemen.
N.B. II: In vertalingen van verstotingsakten wordt de verstoting (’talaq’) soms ten onrechte vertaald met ’echtscheiding’ of ’divorce’. Of er sprake is van een rechterlijke ontbinding van het huwelijk zal uit de inhoud van de akte, niet uit het enkele woord ’echtscheiding’ of ’divorce’ moeten blijken.
N.B. III: De hiervoor genoemde lijst van omstandigheden waaruit de instemming of de berusting blijkt, is niet limitatief. Er kunnen andere feitelijke omstandigheden zijn die er mede op wijzen dat de vrouw zich bij de verstoting heeft neergelegd.
‐ ad lid 2. De termijn van vijf jaren geldt niet voor de verzoeker die:
- te eniger tijd Nederlander of Nederlands onderdaan-niet-Nederlander is geweest. Tot deze categorie behoren degenen die:
ingevolge artikel 7 WNI of Hoofdstuk 5 RWN hun Nederlanderschap verloren hebben;
door of in verband met het huwelijk hun Nederlandse nationaliteit hebben verloren en de optie ex artikel 28 niet binnen een jaar na de ontbinding van dit huwelijk hebben uitgebracht;
zich zonder (Koninklijk) verlof hebben begeven in vreemde krijgs- of staatsdienst (artikel 7, 4o Wet op het Nederlanderschap en het Ingezetenschap (WNI), zoals die bij verschillende wetten is gewijzigd) en op wie de Wet van 2 juli 1986 tot aanpassing van enige wetten aan de Rijkswet op het Nederlanderschap, artikel 5 (Stb. 86.373), niet toegepast wordt;
hun Nederlandse nationaliteit verloren hebben, omdat zij meer dan tien achtereenvolgende jaren buiten het Koninkrijk woonplaats hebben en voor het verstrijken van die termijn voor 1 januari 1985 hebben verzuimd aan de Nederlandse autoriteiten mee te delen dat zij Nederlander willen blijven (artikel 7, 5o WNI);
op grond van de toescheidingsovereenkomst met Indonesië (Wet Souvereiniteitsoverdracht Indonesië van 21 december 1949, Stb. J 570) resp. Suriname (overeenkomst van 25 november 1975, Trb. 1975, 132) de nationaliteit van dat land verkregen hebben.
- ten minste drie jaar onafgebroken getrouwd is en samenwoont met één-en-dezelfde Nederlander (tenzij deze verzoeker in het land woont waarvan hij onderdaan is: artikel 9 lid 1 sub c). Samenwoning kan worden aangetoond door het ingeschreven staan op eenzelfde adres. De periode van ongehuwd samenwonen voorafgaand aan het huwelijk met een Nederlander in Nederland, onderscheidenlijk de Nederlandse Antillen en Aruba mag worden meegeteld, de termijn waarin verzoeker in het buitenland ongehuwd met een Nederlander heeft samengewoond telt niet mee. De (niet-Nederlandse) echtgenoot van een tot Nederlander genaturaliseerde vreemdeling kan een beroep doen op lid 2, mits het huwelijk ten minste drie jaar heeft geduurd, waarbij ook de duur van het huwelijk in het buitenland mag worden meegeteld. Het is dus niet zo dat pas drie jaren na de naturalisatie van de één, de ander een verzoek kan indienen;
- tijdens meerderjarigheid door erkenning of door wettiging het kind is geworden van een Nederlander;
- in Nederland (of de Nederlandse Antillen of Aruba) als meerderjarige is geadopteerd door ouders, van wie in elk geval één Nederlander is, ten tijde van de adoptie.
‐ ad lid 3. Een termijn van twee jaar geldt voor een verzoeker die:
- in totaal tien jaar of meer in Nederland heeft gewoond, maar het verblijf in Nederland onderbroken heeft doordat hij in een ander land woonde. N.B.: deze twee jaren dient hij onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek aaneengesloten in Nederland te hebben gewoond;
‐ ad lid 4. Een termijn van drie jaar geldt voor een verzoeker die:
- ten minste drie jaar onafgebroken ongehuwd samenwoont met één-en-dezelfde ongehuwde Nederlandse partner in Nederland, onderscheidenlijk de Nederlandse Antillen en Aruba. Om de samenwoning te kunnen aantonen dienen betrokkenen steeds ingeschreven te hebben gestaan op eenzelfde adres. De niet-Nederlandse partner kan een beroep doen op lid 2 mits de samenwoning tenminste drie jaar heeft geduurd in Nederland, onderscheidenlijk de Nederlandse Antillen of Aruba.
Ten slotte is voor toegelaten vluchtelingen de termijn waarna een verzoek kan worden ingediend gesteld op vier jaren: verlening van het Nederlander-schap kan dan direct na vijf jaar plaatshebben.
In bepaalde bijzondere gevallen kan met gebruik van artikel 10 RWN van de termijnen worden afgeweken.
- 1. Een verzoek van een vreemdeling die voldoet aan de bepalingen van de beide voorgaande artikelen wordt niettemin afgewezen, indien
a. op grond van het gedrag van verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, goede zeden, de volksgezondheid, of de veiligheid van het Koninkrijk; of
b. de verzoeker die een ander nationaliteit bezit, niet het mogelijke heeft gedaan om die nationaliteit te verliezen, dan wel bereid is het mogelijke te zullen doen om, na de totstandkoming van de naturalisatie, die nationaliteit te verliezen, tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden verlangd.
c. de verzoeker, op wie één van de uitzonderingen van artikel 8, tweede lid, van toepassing is, woont in het land waarvan hij onderdaan is.
- 2. Indien de verzoeker het Nederlanderschap heeft verloren ingevolge artikel 16, eerste lid, kan het verzoek op de in het voorafgaande lid onder a omschreven grond alleen worden afgewezen, indien hij binnen een periode van 10 jaren voorafgaande aan het verzoek veroordeeld is wegens een strafbaar feit tegen de veiligheid van het Koninkrijk of is veroordeeld tot een gevangenisstraf van tenminste 5 jaren wegens een ander strafbaar feit.
- 3. Op het verzoek wordt binnen één jaar na indiening van het verzoek beslist. De beslissing kan ten hoogste tweemaal zes maanden worden aangehouden.
- 4. Beslissingen tot afwijzing of aanhouding van verzoeken tot verkrijging van het Nederlanderschap kunnen door Onze Minister worden genomen.
Lid 1 van artikel 9 RWN geeft 3 additionele eisen waaraan een verzoeker moet voldoen, naast de gestelde criteria uit artikel 8;
‐ ad lid 1 sub a. Hieronder wordt uiteengezet wanneer ernstige vermoedens bestaan dat de verzoeker een gevaar oplevert voor de openbare orde. Daarbij staan centraal de verwachtingen over het toekomstige gedrag van de verzoeker. Die verwachtingen worden gebaseerd op zijn gedrag in het heden en het recente verleden.
Samengevat komt het beleid erop neer dat het naturalisatieverzoek wordt afgewezen, indien
1. De verblijfstitel op grond van de Vreemdelingenwet kan worden ingetrokken (zie onder 2).
2. Er op het moment van indiening van het verzoek of de beslissing daarop, serieuze verdenkingen bestaan dat de verzoeker een misdrijf heeft gepleegd waarop nog een sanctie kan volgen (zie onder 3). Met sanctie wordt niet alleen bedoeld een straf (geldboete, taak- of gevangenisstraf) die door de strafrechter is opgelegd, maar ook bijvoorbeeld transacties (door Politie of Openbaar Ministerie opgelegde boetes). Van een serieuze verdenking is onder meer sprake, indien
a. tegen de verzoeker proces-verbaal wegens misdrijf is opgemaakt, en de strafzaak niet is beëindigd;
b. tegen de verzoeker een strafzaak wegens misdrijf openstaat;
c. de verzoeker zich nog in de proeftijd bevindt. Een proeftijd kan worden verbonden aan een voorwaardelijk sepot, een voorwaardelijke veroordeling of voorwaardelijke gratie; of
d. er sprake is van een nog niet onherroepelijk geworden strafvonnis.
3. In de periode van vier jaar direct voorafgaande aan het verzoek of de beslissing daarop, een sanctie terzake van een misdrijf is opgelegd of tenuitvoer is gelegd (zie onder 4). Met sanctie wordt hier bedoeld iedere
a. vrijheidsbenemende straf of maatregel
b. taak- of leerstraf
c. geldboete van f 1000 of meer
d. transactie van f 1000 of meer
e. transactie of geldboete van f 500 of meer, mits er in de periode van vier jaren direct voorafgaande aan het verzoek of de beslissing daarop meerdere transacties of geldboeten van f 500 of meer zijn opgelegd of betaald, met een totaal van f 1500 of meer.
Daarbij is niet relevant of de sanctie voorwaardelijk is opgelegd, en evenmin of de tenuitvoerlegging geheel of gedeeltelijk door gratie is kwijtgescholden.
Alleen in zeer bijzondere gevallen is afwijking van het vorenstaande mogelijk.
2. Het verzoek wordt afgewezen als de verblijfstitel op grond van de Vreemdelingenwet kan worden ingetrokken
Het openbare orde beleid bij naturalisatie komt niet geheel overeen met het openbare orde beleid in het vreemdelingenrecht. De reden daarvoor is dat de verlening van het Nederlanderschap iets geheel anders is dan de verlening van een vergunning tot verblijf. Het Nederlanderschap geeft immers rechten die een verblijfsvergunning niet geeft, bijvoorbeeld het recht op diplomatieke bescherming en actief en passief kiesrecht voor de Staten-Generaal, en stelt bepaalde ambten open die niet voor vreemdelingen openstaan. Daarom mogen er ook andere regels worden gesteld.
De vreemdeling mag niet genaturaliseerd worden als zijn verblijfstitel (bijvoorbeeld zijn vergunning tot verblijf, zijn vergunning tot vestiging of zijn toelating als vluchteling) wegens inbreuk op de openbare orde op grond van de Vreemdelingenwet kan worden ingetrokken. Dat wil echter niet zeggen dat de verzoeker, indien zijn verblijfstitel op grond van de Vreemdelingenwet niet kan worden ingetrokken, zonder meer genaturaliseerd kan worden. Omdat het openbare orde beleid voor naturalisatie anders is dan het openbare orde beleid in het vreemdelingenrecht, kunnen er in zo’n geval wel degelijk ernstige vermoedens (in de zin van art. 9 lid 1 sub a RWN) bestaan dat de verzoeker een gevaar oplevert voor de openbare orde.
3. Het verzoek wordt afgewezen indien er serieuze verdenkingen bestaan dat de verzoeker een misdrijf heeft gepleegd waarop nog een sanctie kan volgen
De woorden ernstige vermoedens (in art. 9 lid 1 onder a RWN) geven aan dat niet alleen misdrijven waarvoor de verzoeker al onherroepelijk is veroordeeld in aanmerking moeten worden genomen, maar ook misdrijven waarvan hij op goede gronden wordt verdacht en waarop alsnog een sanctie kan volgen.
Met sanctie wordt hier niet alleen bedoeld een straf (bijvoorbeeld geldboete, taakstraf of gevangenisstraf) die door de strafrechter is opgelegd, maar ook door de politie of het openbaar ministerie opgelegde boeten. De verzoeker mag weliswaar niet voor schuldig worden gehouden zolang dat niet is komen vast te staan, maar dat brengt niet met zich mee dat een serieuze verdenking terzake van misdrijf irrelevant is. De wet bepaalt immers dat het verzoek moet worden afgewezen, indien op grond van het gedrag van de verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij een gevaar oplevert voor de openbare orde. Indien naderhand blijkt dat de ernstige vermoedens toch niet hebben geleid tot een sanctie, zal dat bij de verdere behandeling van de procedure worden betrokken.
Aanleiding voor het aannemen van een serieuze verdenking kan bijvoorbeeld zijn een tegen verzoeker wegens misdrijf opgemaakt proces-verbaal of de vermelding op het uittreksel van de Justitiële Documentatiedienst (JDD) van een openstaande strafzaak terzake van misdrijf. Ook indien de verzoeker reeds is veroordeeld voor een misdrijf, maar tegen het vonnis in beroep is gegaan, is de strafzaak nog niet onherroepelijk afgedaan en is er nog steeds sprake van een serieuze verdenking. Het is mogelijk dat verzoeker in hoger beroep wordt veroordeeld tot een andere straf. Verder is er sprake van ernstige vermoedens indien de verzoeker zich nog in de proeftijd bevindt. Een proeftijd kan worden verbonden aan een voorwaardelijk sepot, een voorwaardelijke veroordeling of voorwaardelijke gratie. Als verzoeker zich niet houdt aan de voorwaarden, kan alsnog strafvervolging worden ingesteld of kan de gratie ongedaan gemaakt worden.
Van belang is dat een afwijzende beslissing nimmer kan worden gebaseerd op alleen een enkel proces-verbaal. Een proces-verbaal leidt immers niet altijd tot het opleggen van een sanctie. Wel vormt het proces-verbaal aanleiding om een nader onderzoek in te stellen. Zolang niet vast staat dat de verzoeker geen gevaar oplevert voor de openbare orde, kan hij niet genaturaliseerd worden. Telkens zal zorgvuldig moeten worden onderzocht of er goede redenen aanwezig zijn om aan te nemen dat het vermeende misdrijf zal kunnen leiden tot een sanctie.
4. Het verzoek wordt afgewezen indien in de periode van vier jaar direct voorafgaande aan het verzoek (of de beslissing daarop) een sanctie terzake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer gelegd
De verzoeker mag in de periode van vier jaren direct voorafgaande aan het verzoek of de beslissing daarop (de zogenaamde rehabilitatietermijn) niet onderworpen zijn geweest aan sanctionering van een misdrijf of aan de gevolgen daarvan. Daarbij geldt het volgende.
a. Iedere vrijheidsbenemende straf of maatregel (onder meer gevangenisstraf en TBS) leidt, ongeacht de duur daarvan, tot afwijzing van het naturalisatieverzoek.
b. Iedere taakstraf (werk- of leerstraf) leidt, ongeacht de duur daarvan en ongeacht of die straf is opgelegd in plaats van een gevangenisstraf of een andere straf dan wel in het kader van een transactievoorstel, tot afwijzing van het verzoek.
c. Iedere vermogenssanctie (transactie, geldboete) van f 1000 of meer leidt tot afwijzing van het verzoek.
d. Een serie vermogenssancties (boeten, transacties) onder de f 1000 leidt tot afwijzing van het naturalisatieverzoek, indien
- binnen een periode van vier jaar direct voorafgaande aan de aanvraag of de beslissing daarop
- meerdere vermogenssancties (boeten, transacties) van ten minste f 500 terzake van misdrijf zijn opgelegd of tenuitvoergelegd;
- waarvan het totaalbedrag in die vier jaren ten minste f 1500 bedraagt.
Daarbij is niet van belang
a. of het misdrijf aan de strafrechter is voorgelegd en door een strafrechter bewezen is verklaard. Een misdrijf is ook relevant, indien de strafvervolging nog loopt, of als het misdrijf (buiten de strafrechter om) is afgesloten met bijvoorbeeld een transactie, of als de strafzaak nog openstaat.
b. waar het misdrijf is gepleegd. Ook in het buitenland gepleegde misdrijven tellen mee.
c. of het feit is gepleegd voordat of nadat de verzoeker tot Nederland is toegelaten.
d. of de verzoeker ten tijde van het misdrijf minder- of meerderjarig was.
Het verzoek wordt afgewezen, indien er binnen vier jaren voor de indiening van het verzoek of de beslissing daarop zo’n sanctie is opgelegd. Daarbij is niet van belang
a. of de sanctie voorwaardelijk of onvoorwaardelijk is opgelegd;
b. of er na het opleggen van de sanctie geheel of gedeeltelijk, of voorwaardelijk of onvoorwaardelijk, gratie is verleend.
Het verzoek wordt ook afgewezen, indien er in die periode van vier jaar zo’n sanctie tenuitvoer is gelegd. De sanctie is ten uitvoer gelegd:
a. ingeval van vrijheidsbenemende straf of maatregel: de datum van invrijheidstelling;
b. ingeval van taakstraf: de datum waarop de taakstraf is voltooid;
c. ingeval van vermogenssanctie: de datum waarop de geldboete of transactie is betaald.
Het is van belang dat de verzoeker zelf stukken overlegt waaruit blijkt op welke datum de sanctie ten uitvoer is gelegd, dus de verzoeker in vrijheid is gesteld, het bedrag heeft betaald of de taakstraf heeft voltooid.
Indien er sprake is van een voorwaardelijke afdoening (zoals een voorwaardelijk opgelegde straf, een voorwaardelijk sepot, of voorwaardelijke gratie) met een proeftijd, moet de proeftijd zijn verstreken. Als de verzoeker gedurende de proeftijd heeft voldaan aan de voorwaarden, en de voorwaardelijk opgelegde straf dus niet alsnog ten uitvoer wordt gelegd, begint de rehabilitatietermijn (achteraf bezien) op het moment waarop de uitspraak onherroepelijk is geworden. Er is immers geen sprake van de tenuitvoerlegging van de straf.
Indien de verzoeker in één strafrechtelijke procedure voor verschillende gevoegde feiten (verschillende misdrijven of een combinatie van misdrijven en overtredingen) is veroordeeld tot één enkele straf, die gelijk is aan of uitstijgt boven de hierboven gegeven norm, wordt het verzoek afgewezen.
Een ernstig vermoeden dat de verzoeker een gevaar voor de openbare orde vormt, wordt niet gebaseerd op zo maar iedere willekeurige misstap die tot een sanctie heeft geleid. De misdraging moet wel voldoende ernstig zijn geweest. De ernst komt tot uiting in het feit dat alleen misdrijven in aanmerking worden genomen. Bovendien moet ook de sanctie die daarop is gevolgd, voldoende zwaar zijn. Dat betekent dat misdragingen die strafrechtelijk als overtreding worden gekwalificeerd of die buiten het strafrecht zijn afgedaan (bijvoorbeeld met een bestuurlijke boete of uitsluitend een civiele veroordeling tot schadevergoeding) buiten beschouwing blijven. Of een bepaalde misdraging een misdrijf of een overtreding is, is afhankelijk van de betreffende wetgeving. Misdrijven zijn opgenomen in het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht (de art. 92-423 Sr), maar soms ook in bijzondere wetten, zoals de Wet Economische Delicten (WED) en de Opiumwet. Steeds zal de betreffende wet moeten worden geraadpleegd om te bezien of het betreffende feit een misdrijf (of een overtreding) is.
Een enkele transactie terzake van misdrijf leidt tot afwijzing van het naturalisatieverzoek, indien het transactiebedrag f 1000 of meer bedraagt, of de voorwaarde voor transactie een taakstraf is. De rehabilitatietermijn van vier jaar vangt aan als het bedrag is betaald of de taakstraf is vervuld. Meerdere transacties terzake van misdrijf, van ieder ten minste f 500 leiden tot afwijzing van het naturalisatieverzoek, indien de som van deze transacties in de periode van vier jaar direct voorafgaande aan de aanvraag of de beslissing daarop ten minste f 1500 bedraagt. Hetzelfde geldt voor de combinatie van transactie(s) en boete(s). Voor de afdoening van misdrijven is niet altijd een uitspraak van de strafrechter nodig. Ongeveer een derde van de misdrijfzaken wordt door middel van een transactie afgedaan. Het gebruik van transacties is in hoge mate vastgelegd in richtlijnen van het Openbaar Ministerie. Een transactie voor een misdrijf is een alternatieve vorm van sanctie, zij het dat die sanctie niet na berechting en niet door de strafrechter wordt opgelegd, en dat de vrijwillige instemming van de verdachte is vereist. Met de transactie geeft de Nederlandse overheid aan voldoende belang te hechten aan sanctionering van het misdrijf. De ernst van het misdrijf komt tot uiting in de hoogte van het transactiebedrag, waarmee de verdachte strafvervolging kan afkopen. Dat voorstel mag uitsluitend worden gedaan als een veroordeling door de rechter in een gewone strafrechtelijke procedure ook daadwerkelijk haalbaar is. Als langs de weg van de gewone procedure geen sanctionering zou kunnen volgen, behoort een transactieaanbod achterwege te blijven. De verdachte hoeft niet op het voorstel in te gaan en kan kiezen voor behandeling door de strafrechter. De transactie houdt formeel weliswaar geen erkenning door de verdachte in dat hij het strafbare feit heeft gepleegd - en de mogelijkheid is dus aanwezig dat de verdachte het feit terzake waarvan verdenking is gerezen niet heeft gepleegd en slechts ingaat op het transactievoorstel om van de zaak af te zijn, bijvoorbeeld om het openbaar terechtstaan, het opmaken van een strafblad, de civielrechtelijke bewijspositie van de veroordeelde en onzekerheid over de uitkomst van het strafgeding te voorkomen - maar voor iedere transactie is de vrijwillige instemming van de verdachte met de transactie essentieel. Het prijsgeven van rechtsbescherming door de strafrechter en de mogelijkheid van vrijspraak of lagere strafoplegging, geschiedt vrijwillig. In sommige gevallen (art. 74a Sr) kan een door de verdachte aangeboden transactie ook niet door het Openbaar Ministerie worden geweigerd. Bovendien gaat het in naturalisatiezaken om relatief hoge bedragen (f 1000 of meer, dan wel ingeval van herhaalde misdrijven f 500 of meer) dat voorshands niet kan worden aangenomen dat de verzoeker (telkenmale) onschuldig transigeert om van de zaak af te zijn. Ook in het krachtens artikel 11 vijfde lid van de Vreemdelingenwet gevoerde toelatingsbeleid leiden transacties terzake van misdrijven tot de afwijzing van een verzoek om een vergunning tot verblijf.
Het beleid dat een enkele financiële sanctie (boete, transactie) van minder dan f 1000 ter zake van misdrijf niet bij de beoordeling van het gedrag wordt betrokken, blijft in beginsel gehandhaafd, zij het dat een serie met lagere vermogenssancties afgedane misdrijven thans ook tot afwijzing van het naturalisatieverzoek kan leiden. Het is als onrechtvaardig ervaren dat de verzoeker die zich regelmatig schuldig maakt aan misdrijven, maar die daarvoor telkenmale sancties krijgt opgelegd van minder dan f 1000 wel, en de verzoeker die eenmalig een misdrijf heeft begaan waarvoor hij met een boete van f 1000 of meer is bestraft gedurende vier jaren nadien niet voor naturalisatie in aanmerking komt. Met de cumulatieregeling is beoogd aan deze onrechtvaardigheid tegemoet te komen. Indien de verzoeker binnen een bepaald tijdsbestek wegens herhaalde misdrijven is gesanctioneerd, kan daarmee rekening worden gehouden. Om te voorkomen dat een opeenstapeling van vermogenssancties ter zake van diverse misdrijven (te snel) tot weigering van naturalisatie leidt, is per sanctie een minimumbedrag van f 500 vastgesteld. Deze ondergrens van f 500 is gebaseerd op (in richtlijnen van het openbaar ministerie opgenomen vermogenssancties die kunnen worden opgelegd ter zake van) misdrijven, waarvan bij herhaling kan worden aangenomen dat er sprake is van ernstige vermoedens van gevaar voor de openbare orde. Met het totaalbedrag van f 1500 is beoogd te voorkomen dat een te gering aantal sancties uiteindelijk toch tot weigering van naturalisatie zal gaan leiden. Tenslotte is er ook in de tijd een grens gesteld: de sancties die zich voor cumulatie lenen, moeten binnen een tijdsbestek van vier jaar direct voorafgaande aan de aanvraag of de beslissing daarop, zijn opgelegd of tenuitvoergelegd. Deze termijn sluit aan bij de hieronder behandelde rehabilitatietermijn. Niet doorslaggevend is daarom de datum waarop de misdrijven zijn gepleegd.
De verzoeker kan verschillende strafbare feiten hebben begaan die allen tezamen in een en dezelfde strafrechtelijke procedure aan de strafrechter worden voorgelegd. In een dergelijk geval kan het voorkomen dat voor al die feiten een enkele straf wordt opgelegd, waarbij niet duidelijk is welk gedeelte van die straf voor welk feit is opgelegd. Als voorbeeld geldt de verzoeker die twee jaar geleden wegens twee misdrijven en een overtreding een geldboete van f 2000 wordt opgelegd. In dat geval wordt het naturalisatieverzoek afgewezen, omdat ten minste één van de strafbare feiten een misdrijf was en de totale straf genoeg is om een naturalisatieverzoek af te wijzen.
Een taakstraf is ofwel een werkstraf (het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemene nutte, ATAN) ofwel een leerstraf (het volgen van een leertraject). Er wordt bij taakstraffen dus geen onderscheid gemaakt tussen werk- en leerstraffen. De taakstraf staat tussen de geldboete en de vrijheidsstraf in, en komt in plaats van een gevangenisstraf. Bij naturalisatie worden zowel geldboeten als vrijheidsstraffen voor misdrijven tegengeworpen, ongeacht de vraag of zij voorwaardelijk of onvoorwaardelijk zijn opgelegd. Er bestaat geen aanleiding om voorbij te gaan aan de (voor een misdrijf opgelegde) taakstraf die thans nog in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd, indien zowel de daad als de dader strafbaar zijn bevonden. Gehandhaafd is tevens het uitgangspunt in het naturalisatiebeleid dat de taakstraf wordt tegengeworpen ongeacht de duur van de taakstraf. Dat sluit aan bij de regeling van de vrijheidsstraf, die eveneens ongeacht de duur wordt tegengeworpen. Overigens is de leerstraf inmiddels niet meer een experiment en is voorgesteld om de leerstraf als hoofdstraf in de wet te regelen (Kamerstukken 26 114).
Omdat het bij de vraag naar het ernstige vermoeden dat de verzoeker een gevaar voor de openbare orde oplevert, primair gaat om diens gedragingen, is in beginsel irrelevant waar deze gedragingen hebben plaatsgevonden. Een bepaalde gedraging is immers niet minder ernstig indien het buiten de landsgrenzen heeft plaatsgevonden. Aangezien het gaat om het ernstige vermoeden dat de verzoeker een gevaar voor de Nederlandse openbare orde vormt, wordt niet tegengeworpen de bestraffing van een gedraging die naar Nederlands recht geen misdrijf vormt. Bovendien moet er rekening mee worden gehouden dat in het buitenland bepaalde gedragingen in het algemeen zwaarder of lichter kunnen worden bestraft dan in Nederland. Daarom moet tevens worden beoordeeld of de buitenlandse beoordeling van het misdrijf vergelijkbaar is met de Nederlandse beoordeling. Buitenlandse feiten kunnen bijvoorbeeld blijken uit gegevens van de Justitiële Documentatiedienst (JDD) of uit de verklaringen van de verzoeker zelf.
Er is geen reden om alleen rekening te houden met die buitenlandse feiten die zijn gepleegd ná de vreemdelingenrechtelijke toelating van de verzoeker. Gelet op de vereiste verblijfstermijnen zullen de meeste vóór de toelating gepleegde feiten en de sanctionering daarvan, veelal ouder zijn dan vier jaar, en daarmee niet meer relevant. Voor bepaalde categorieën verzoekers gelden echter geen of kortere verblijfstermijnen. Ook is het mogelijk dat in de vreemdelingenrechtelijke toelatingsprocedure een eerder of buitenlands feit is verzwegen of niet (voldoende) is onderkend, of dat de vóór de toelating van de verzoeker opgelegde sanctie nog niet is tenuitvoergelegd. Daardoor is niet ondenkbaar dat het in het buitenland vóór de toelating gepleegde feit of de sanctionering toch relevant is voor het naturalisatieverzoek.
Er bestaat geen aanleiding om een misdrijf dat is gepleegd door iemand ten aanzien van wie recht is gedaan overeenkomstig Titel VIII A van het Wetboek van Strafrecht (jeugdstrafrecht) anders te beoordelen dan hetzelfde misdrijf indien dat is gepleegd door een meerderjarige. Jeugdstrafrecht is ook strafrecht dat wordt toegepast naar aanleiding van een feitelijke misdraging. Jeugdstrafrecht kent een afwijkend sanctiepakket. Met de jeugdige leeftijd van de dader is reeds rekening gehouden, omdat het jeugdstrafrecht beduidend lichtere straffen kent.
Het gaat bij de beoordeling van het ernstige vermoeden van gevaar voor de openbare orde om de verwachtingen over het toekomstige gedrag van de verzoeker. Die verwachtingen worden noodzakelijkerwijs gebaseerd op het gedrag van de verzoeker in het heden en recente verleden. Als maatstaf voor de beoordeling van het gedrag wordt gehanteerd de vraag of het gedrag van de verzoeker heeft geleid tot een veroordeling of andere sanctie terzake van misdrijf of de tenuitvoerlegging daarvan. Omdat het echter blijft gaan om het toekomstige gedrag, wordt niet iedere sanctie en tenuitvoerlegging daarvan (ook niet als die sanctie zeer zwaar was) blijvend tegengeworpen. De omstandigheid dat iemand in het verleden wegens bepaalde strafbare feiten in aanraking is gekomen met justitie is op zichzelf onvoldoende grond voor afwijzing. Aan het gedrag van de verzoeker in het verre verleden kunnen geen conclusies worden verbonden, voor wat betreft zijn toekomstige gedrag. Voor de beoordeling van naturalisatieverzoeken is als maatstaf aangelegd dat er gedurende een periode van vier jaar, direct voorafgaande aan de indiening van het verzoek of de beslissing daarop, geen sprake mag zijn geweest van een misdrijf, de sanctionering van een misdrijf, of de tenuitvoerlegging van een dergelijke sanctie.
Een stelsel dat uitgaat van de datum waarop het misdrijf heeft plaatsgevonden, is niet wenselijk. Een nadelig gevolg daarvan zou zijn dat een misdrijf dat eerst geruime tijd na dato aan het licht komt, niet kan leiden tot het weigeren van de Nederlandse nationaliteit. De strafrechtelijke verjaringstermijnen zijn in het algemeen aanzienlijk langer dan vier jaar. In dat geval zou de verzoeker moeten worden voorgedragen voor het Nederlanderschap, terwijl hij nog aan strafvervolging wegens een ernstig feit is onderworpen of de opgelegde straf nog ondergaat.
Dat zou ook kunnen gebeuren indien de verzoeker is veroordeeld tot een zeer lange gevangenisstraf. Voor zover het tussen de pleegdatum en de datum van veroordeling verstreken tijdsverloop relevant is te achten, zal dat in de strafmaat tot uitdrukking worden gebracht. Voorts doet een stelsel dat uitgaat van de pleegdatum geen recht aan de gedachte dat van daadwerkelijke rehabilitatie geen sprake kan zijn, zolang de verzoeker nog strafvervolging of de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel boven het hoofd hangt. Een stelsel dat uitgaat van de pleegdatum in combinatie met een (aanzienlijk) langere rehabilitatietermijn dan vier jaar na die pleegdatum, zal in de praktijk onbillijk uitpakken voor die verzoekers die in het verleden - achteraf bezien eenmalig - een misstap hebben begaan en de daarop gestelde sanctie hebben ondergaan. Zij dienen in dat geval immers langer te wachten voordat zij voor naturalisatie in aanmerking komen. Het huidige stelsel gaat uit van de datum waarop de sanctiebeslissing onherroepelijk is geworden en de datum waarop de sanctie ten uitvoer is gelegd. Dit stelsel blijft gehandhaafd. Een ernstig vermoeden dat de verzoeker een gevaar voor de openbare orde vormt, wordt mitsdien aangenomen gedurende vier jaren, te rekenen vanaf (a) de datum waarop de beslissing tot sanctionering onherroepelijk is geworden, of (b), indien de tenuitvoerlegging daarna is voltooid, het einde van de tenuitvoerlegging. Bij vrijheidsbeneming is dat de datum van de (vervroegde) invrijheidstelling, bij geldboete of transactie is dat de datum van betaling van de volledige geldsom en bij taakstraf is dat de datum waarop de taakstraf is beëindigd. De verzoeker moet daarover gegevens en onderbouwende stukken verstrekken.
Ingeval van een vermogensstraf met afbetalingsregeling, wordt een beroep op die afbetalingsregeling (die de aanvang van de rehabilitatietermijn opschuift) niet gehonoreerd, aangezien die regeling is getroffen op verzoek van de veroordeelde verzoeker zelf. Ingeval van vrijheidsstraf wordt een beroep op de duur tussen de datum waarop het vonnis onherroepelijk is geworden en de datum waarop de vrijheidsstraf kan worden ondergaan, in het algemeen niet gehonoreerd als een bijzondere omstandigheid. Die duur is thans een kwestie van maanden, tenzij de verzoeker zelf verzoekt om uitstel van tenuitvoerlegging. Zij is in het verleden wel langer geweest, maar ook toen stond het de veroordeelde vrij zich tot de overheid te wenden met het verzoek om de opgelegde straf met voorrang te ondergaan. Indien de verzoeker zich er op beroept dat er tussen de datum waarop het misdrijf is gepleegd en de datum waarop de veroordeling onherroepelijk is geworden, een bijzonder lange tijd is verstreken, dient de verzoeker zelf aan te geven hoe dat komt en zulks met bescheiden te onderbouwen. In de meeste gevallen zal het gaan om misdrijven die eerst geruime tijd na de pleegdatum aan het licht komen en vervolgens tot strafvervolging leiden. In die gevallen is het tijdsverloop het gevolg van het stilzwijgen van de verzoeker zelf. Indien verzoeker meent dat er in zijn geval sprake is van zeer bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan toepassing van deze regeling kennelijk onredelijk is, dient hij die bijzondere feiten of omstandigheden zelf naar voren te brengen en te onderbouwen.
Geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke straffen
Ook ingeval van een voorwaardelijk opgelegde straf is er sprake van een onvoorwaardelijke veroordeling, waarbij alleen de tenuitvoerlegging van de straf (of een gedeelte daarvan) onder bepaalde voorwaarden wordt opgeschort. Het voorwaardelijk opschorten van de tenuitvoerlegging van (een gedeelte van) de straf, doet niets af aan de veroordeling en daarmee aan de strafbaarheid van de daad en dader. Ook als een straf voorwaardelijk is opgelegd, is het misdrijf gepleegd en zijn daad en dader strafbaar bevonden. Voor naturalisatie is dus niet van belang of de straf voorwaardelijk of onvoorwaardelijk is opgelegd. Bij de beoordeling van het gedrag van de verzoeker wordt gekeken naar de totale straf die de rechter heeft opgelegd, dus ook naar het voorwaardelijke gedeelte ervan. Daarbij is het enkele feit dat de straf (geheel of gedeeltelijk) voorwaardelijk is opgelegd, dus niet van belang en wordt ook het voorwaardelijk opgelegde gedeelte in aanmerking genomen. Het feit dat de straf voorwaardelijk is opgelegd is wel van belang voor de rehabilitatietermijn. Er zijn twee mogelijkheden:
a. Als de verzoeker gedurende de proeftijd heeft voldaan aan de voorwaarden, en de voorwaardelijk opgelegde straf dus niet alsnog ten uitvoer wordt gelegd, begint de rehabilitatietermijn (achteraf bezien) op het moment waarop de uitspraak onherroepelijk is geworden. Er is immers geen sprake van de tenuitvoerlegging van de straf.
b. Als de verzoeker gedurende de proeftijd niet heeft voldaan aan de voorwaarden, en de voorwaardelijk opgelegde straf alsnog ten uitvoer wordt gelegd, begint de rehabilitatietermijn op het moment waarop de tenuitvoerlegging van de straf is voltooid.
De verzoeker komt tijdens de proeftijd niet in aanmerking voor naturalisatie.
Sepots en voorwaardelijke sepots
Onvoorwaardelijke sepots worden niet tegengeworpen. Indien de verzoeker ten onrechte als verdachte is aangemerkt, indien de daad en/of de dader naar het oordeel van het Openbaar Ministerie niet strafbaar zijn, indien wettig en overtuigend bewijs ontbreekt, of de zaak uit opportuniteitsoverwegingen wordt geseponeerd, is de zaak ten einde en kunnen daaraan in het algemeen verder geen gevolgen worden verbonden. Het vermeende misdrijf wordt immers niet gesanctioneerd. Met het onvoorwaardelijke sepot is de zaak direct afgedaan. Onvoorwaardelijke sepots leiden dus niet tot afwijzing van het naturalisatieverzoek. Vermeende misdrijven die onvoorwaardelijk zijn geseponeerd, blijven geheel buiten beschouwing. Omdat er geen sprake is van een sanctie, gaat ook geen rehabilitatietermijn van vier jaar lopen.
Met een voorwaardelijke sepot is echter nog geen einde aan de zaak gekomen. Met een voorwaardelijk sepot ziet het Openbaar Ministerie slechts af van strafvervolging, indien aan (een) bepaalde voorwaarde(n) wordt voldaan. Indien aan die voorwaarden niet wordt voldaan, kan alsnog tot dagvaarding worden overgegaan en kan het misdrijf alsnog leiden tot een sanctie. De voorwaardelijk geseponeerde zaak lijkt in dier voege op een openstaande strafzaak en wordt bij naturalisatieverzoeken op vergelijkbare wijze beoordeeld. Omdat strafvervolging en -oplegging niet uitgesloten zijn, dient de verzoeker eerst de proeftijd af te wachten. Voorwaardelijke sepots leiden evenmin tot afwijzing van het naturalisatieverzoek, mits aan de voorwaarden van het sepot is voldaan en de proeftijd is verstreken. Indien een misdrijf voorwaardelijk is geseponeerd, dient altijd de proeftijd te worden afgewacht. Als betrokkene nog in de proeftijd zit, dient hij te worden geadviseerd te wachten met de indiening van het naturalisatieverzoek totdat de proeftijd is verstreken. Indien hij er niettemin op staat het verzoek in te dienen en de proeftijd nog niet is verstreken, wordt het verzoek afgewezen. Pas als de proeftijd is verstreken en aan de voorwaarden is voldaan, kan (achteraf) worden vastgesteld dat het vermeende misdrijf niet tot een sanctie heeft geleid en dat er ook geen rehabilitatietermijn is aangevangen.
De enkele verplichting om aangerichte schade te vergoeden wordt niet tegengeworpen, ook niet indien die schade is veroorzaakt door een misdrijf. Soms wordt de plicht tot schadevergoeding gekoppeld aan een andere afdoeningsvorm (bijvoorbeeld als voorwaarde aan een voorwaardelijk sepot of opgelegd naast een boete of al dan niet voorwaardelijke gevangenisstraf). Bij naturalisatie wordt bij de beoordeling van het gedrag van de verzoeker gekeken naar afdoening van het misdrijf (dus, naar het voorwaardelijk sepot, de boete of de al dan niet voorwaardelijke gevangenisstraf). Schadevergoeding kan in diverse vormen voorkomen als voorwaarde om een sanctie te voorkomen. Voor vormen als dading en Halt-afdoeningen wordt verwezen naar voorwaardelijk sepot.
Schadevergoeding is in beginsel een zaak tussen degene die de schade heeft aangericht en de benadeelde. Veroordelingen door de civiele rechter tot schadevergoeding aan de benadeelde worden niet tegengeworpen bij naturalisatie. Schadevergoeding kan echter ook in het strafproces een rol spelen, bijvoorbeeld als voorwaarde verbonden aan een voorwaardelijk opgelegde straf of aan een beslissing om een strafzaak te seponeren. Bij de strafrechtelijke dading (een civielrechtelijke overeenkomst tussen de verdachte en de benadeelde van een strafbaar feit) wordt strafrechtelijke vervolging voorkomen. De verdachte komt overeen om de door de benadeelde geleden schade te vergoeden. Bij de beoordeling van dading voor de naturalisatiepraktijk wordt aangesloten bij wat hiervoor is vermeld onder voorwaardelijk sepot . Bij het Openbaar Ministerie moet dus worden nagegaan of de dadingsovereenkomst inderdaad is nagekomen en het Openbaar Ministerie niet alsnog vervolging heeft ingesteld. Tot die tijd moet de aanvraag worden aangehouden. Als de dadingsovereenkomst niet is nagekomen, en de strafrechter alsnog (al dan niet voorwaardelijk) een geldboete van f 1000 of meer (ingeval van herhaalde misdrijven, f 500 of meer), een taakstraf of een vrijheidsbenemende straf of maatregel heeft opgelegd, wordt het feit wel tegengeworpen. Ook de Halt-afdoening komt neer op een sepot onder voorwaarde. Indien de afspraken niet worden nagekomen, kan publiekrechtelijke sanctionering (in het kader van het jeugdstrafrecht) volgen. Gecontroleerd moet worden of de dienstverlening is voltooid. Indien dat niet het geval is, wordt de aanvraag aangehouden. Indien alsnog tot strafvervolging wordt overgegaan, wordt het feit alleen tegengeworpen indien de strafrechter een geldboete van f 1000 of een (al dan niet voorwaardelijke) vrijheidsbenemende straf of maatregel heeft opgelegd. Dit sluit aan bij de voorgestelde beoordeling van dading.
Bij de beoordeling van het gedrag van de verzoeker is niet van belang of de voor het misdrijf opgelegde straf geheel of gedeeltelijk door gratie is kwijtgescholden. Gekeken wordt naar de straf die de rechter oorspronkelijk heeft opgelegd, dus ook naar het gedeelte dat door gratie is kwijtgescholden. Voor naturalisatie heeft het enkele feit dat de straf geheel of gedeeltelijk door gratie is kwijtgescholden, dus geen invloed op de beoordeling van het gedrag; het misdrijf en de dader zijn immers strafbaar bevonden en de strafrechter heeft daarvoor straf opgelegd. Gratie kan wel invloed hebben op de aanvang van de rehabilitatietermijn:
a. Indien de gehele straf door gratie is kwijtgescholden, is er immers geen sprake van dat de opgelegde straf ten uitvoer zal worden gelegd. De rehabilitatietermijn van vier jaar kan dus in dat geval niet aanvangen op het moment waarop de tenuitvoerlegging is voltooid. De termijn vangt in dat geval aan op het moment waarop gratie is verleend. Dat is de datum waarop het betreffende Koninklijke Besluit, waarbij de gratie is verleend, is betekend.
b. Indien slechts een gedeelte van de straf door gratie is kwijtgescholden, zal het niet-kwijtgescholden gedeelte ten uitvoer worden gelegd. In dat geval begint de termijn van vier jaar volgens de hoofdregel aan op de laatste van de volgende twee data:
- de datum waarop het vonnis onherroepelijk is geworden; of
- de datum waarop de sanctie ten uitvoer is gelegd (de datum van invrijheidstelling, van voltooiing van de taakstraf of betaling van het volledige bedrag).
De rehabilitatietermijn vangt dus niet aan op de datum waarop de veroordeling onherroepelijk is geworden. In de periode tussen die datum en de gratieverlening was er immers wel sprake van dat de opgelegde straf ten uitvoer zou worden gelegd. Van daadwerkelijke rehabilitatie (en de aanvang van de rehabilitatietermijn) kan geen sprake zijn, zolang de betrokkene nog onderworpen is aan de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel of dat hem nog boven het hoofd hangt.
Het vorenstaande geldt ook indien de straf geheel of gedeeltelijk voorwaardelijk door gratie is kwijtgescholden. Gekeken wordt naar de totale straf die de rechter oorspronkelijk heeft opgelegd, en de rehabilitatietermijn vangt aan op de datum waarop het vonnis onherroepelijk is geworden (voorwaardelijke kwijtschelding van de gehele straf) of de datum waarop het resterende gedeelte ten uitvoer is gelegd (voorwaardelijke kwijtschelding van een gedeelte van de straf). Van belang is dat een verzoeker nimmer tijdens de proeftijd mag worden genaturaliseerd.
Gratie betreft de opheffing of de verlichting van de gevolgen van een strafvonnis. Gratie kan voorwaardelijk worden verleend, hetgeen neerkomt op het omzetten van de straf in een geldboete of schadevergoeding of in een taakstraf. Daarbij kan een proeftijd worden opgelegd. Een Koninklijk Besluit waarbij gratie is verleend kan worden ingetrokken indien de voorwaarden niet worden nageleefd. Op het moment waarop de gratieverlening wordt betekend, worden de gevolgen van het vonnis opgeheven of verlicht. Het vonnis zelf blijft bestaan. Pas vanaf dat moment kan de verleende gratie bij de beoordeling van het gedrag van de verzoeker een rol gaan spelen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de gratie slechts de tenuitvoerlegging van de oorspronkelijk opgelegde straf aantast. Het doet niet af aan het feit dat daad en dader door de strafrechter strafbaar zijn bevonden, en dat er oorspronkelijk ook een straf is opgelegd, die tot het moment van de gratieverlening ten uitvoer moest worden gelegd. Uitgegaan wordt derhalve van de oorspronkelijk opgelegde straf, en er wordt niet uitgegaan van de sanctie die resteert na de gratieverlening. In de regeling voor gratie is voorts aangesloten bij het algemene uitgangspunt dat de rehabilitatietermijn niet kan beginnen zolang de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf nog niet is aangevangen of voltooid. Daarom werkt gratie pas vanaf het moment van gratieverlening, en begint de termijn te lopen op het moment van de gratieverlening (ingeval van onvoorwaardelijke gratie) of het moment waarop aan de voorwaarden is voldaan (ingeval van voorwaardelijke gratie). Bij de invloed van de proeftijd die bij gratie kan worden vastgesteld, is aangesloten bij de regeling voor de proeftijd die door de strafrechter wordt vastgesteld ingeval van een voorwaardelijke veroordeling. Indien de voorwaarden niet worden nageleefd, kan de gratiebeslissing immers worden herroepen. Indien dat het geval is gelden de algemene uitgangspunten van het openbare orde beleid bij naturalisatie.
Ook de door gratie kwijtgescholden gevangenisstraf of geldboete kan dus gewoon worden meegeteld. Dat geldt ook in de cumulatie-regeling van f 1500 mits de kwijtgescholden boete was opgelegd voor misdrijf en ten minste f 500 bedraagt.
De voorwaardelijke gratie komt neer op het omzetten van de oorspronkelijke straf in de betaling van een geldboete of schadevergoeding, of in een taakstraf (werkstraf of leerstraf). Bij voorwaardelijke gratie kan in veel gevallen een proeftijd worden bepaald. Als de voorwaarden niet worden nageleefd, kan het Koninklijk Besluit waarbij gratie is verleend worden ingetrokken. Daarom dient bij voorwaardelijke gratie altijd de eventuele proeftijd te worden afgewacht. Als achteraf blijkt dat de proeftijd met goed gevolg is doorstaan, vangt de rehabilitatietermijn aan op het moment waarop de nieuwe straf is voltooid. Als de voorwaarde was de betaling van een boete of schadevergoeding, vangt de termijn dus aan op de datum van betaling. Als de voorwaarde was het verrichten van arbeid ten algemene nutte (werkstraf) of het deelnemen aan een leerproject (leerstraf), vangt de termijn aan op de datum waarop de werk- of leerstraf is voltooid.
5. Afwijking van deze regels is slechts mogelijk, indien er sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die afwijking noodzakelijk maken
Bovenstaande regels geven een nadere invulling van het criterium ’ernstig gevaar voor openbare orde’ (art. 9 lid 1 sub a RWN). Zij dienen door iedereen op dezelfde wijze uitgevoerd te worden. Deze regels vervangen art. 9 lid 1 sub a RWN niet. Zij sluiten dus ook niet uit dat zich in een concreet individueel geval heel bijzondere feiten of omstandigheden kunnen voordoen, die tot gevolg hebben dat alleen maar tot een juiste wetstoepassing kan worden gekomen door van deze regels af te wijken. Bij de toepassing van deze regels dient men er dus altijd op bedacht te zijn dat zich in een concreet individueel geval heel bijzondere feiten of omstandigheden kunnen voordoen, die afwijking noodzakelijk kunnen maken.
Het is in zeer bijzondere gevallen dus mogelijk dat een verzoek dat op grond van bovenstaande regels zou moeten worden afgewezen, toch moet worden ingewilligd. Anderzijds is het in zeer bijzondere gevallen dus ook mogelijk dat een bepaald verzoek dat niet onder een van bovenstaande regels kan worden gebracht, toch moet worden afgewezen omdat er ernstige vermoedens bestaan dat de verzoeker een gevaar voor de openbare orde vormt. Het is immers niet mogelijk om ieder individueel geval dat zich ooit zal kunnen voordoen, van te voren te voorzien en daarvoor een regel op te stellen. Een dergelijk verzoek moet dan apart worden onderzocht en beoordeeld. Voor een dergelijk verzoek zal dan een oplossing moeten worden gevonden die aansluit bij de algemene uitgangspunten van het beleid en bij de wél in dit hoofdstuk van de Handleiding geregelde situaties. Een en ander neemt niet weg dat het voor de eenduidigheid, de rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid van het grootste belang is dat niet snel van bovenstaande regels wordt afgeweken. Er moet zeer grote terughoudendheid worden betracht.
Een bijzondere omstandigheid kan in het algemeen worden omschreven als een omstandigheid die wel belangrijk is, maar waaraan bij het opstellen van de regels niet of onvoldoende kon worden gedacht. Juist omdat het bijzondere omstandigheden zijn, kan niet van tevoren worden aangegeven welke omstandigheden zo bijzonder zijn dat zij tot afwijking van de regels in dit hoofdstuk moeten leiden.
Uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State kan echter wel worden afgeleid welke omstandigheden in het algemeen niet als bijzondere omstandigheden worden aangemerkt. Niet bijzonder is bijvoorbeeld
- dat de naturalisandus al een lange tijd in Nederland verblijft;
- dat hij in de Nederlandse samenleving is ingeburgerd;
- dat hij nimmer eerder een (dergelijk) strafbaar feit heeft gepleegd;
- dat hij lering heeft getrokken uit het gebeurde;
- dat hij thans ieder strafbaar gedrag poogt te vermijden;
- dat hij inmiddels bij verschillende werkgevers is geplaatst;
- dat hij de misdraging heeft gepleegd in een bijzonder moeilijke periode die definitief is afgesloten;
- dat hij inmiddels is gehuwd, een kind heeft gekregen en stelt zijn leven aanzienlijk te hebben verbeterd; of
- dat hij bij internationale werkzaamheden hinder ondervindt van zijn buitenlandse paspoort.
Evenmin kunnen als bijzonder worden aangemerkt omstandigheden die hebben geleid of bijgedragen tot het misdrijf, aangezien die omstandigheden, voor zover zij als verzachtende omstandigheden hebben te gelden, door de strafrechter bij diens oordeel zijn betrokken. Deze voorbeelden zijn niet-limitatief.
Als er al sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden, is het aan de verzoeker om die zelf aan te voeren. Dat ligt niet op de weg van de burgemeester en de IND, omdat die in de regel ook geen kennis kunnen hebben van bijzondere omstandigheden. Wel ligt het op de weg van de burgemeester en de IND om naar de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden te vragen en de betekenis daarvan zonodig te onderzoeken. De verzoeker kan op de waarheidsverklaring die hij bij de indiening van zijn aanvraag bij de burgemeester invult, aangeven of er volgens hem sprake is van bijzondere omstandigheden. Bij het nemen van de beslissing beoordeelt de IND namens de Staatssecretaris de eventueel aangevoerde omstandigheden. Indien het verzoek wordt afgewezen en bezwaar wordt gemaakt, zal de verzoeker in het algemeen in de gelegenheid moeten worden gesteld zijn bezwaren mondeling toe te lichten.
De beoordeling van bijzondere omstandigheden geschiedt bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Die bijzondere omstandigheden kunnen hoogstens leiden tot de conclusie dat de verzoeker geen gevaar vormt voor de openbare orde. Indien er wel sprake is van ernstige vermoedens dat de verzoeker een gevaar voor de openbare orde vormt, mag hij niet worden genaturaliseerd. Daarvan kan niet met toepassing van artikel 10 RWN worden afgeweken.
In de herziene naturalisatieprocedure wordt het naturalisatieverzoek ingediend bij de burgemeester, die een onderzoek instelt en de Staatssecretaris (IND) daarover adviseert. Het advies ziet onder meer op de vraag of er ernstige vermoedens bestaan om aan te nemen dat de verzoeker een gevaar voor de openbare orde vormt.
Indien reeds voor de indiening van het verzoek duidelijk is dat de betrokkene (bijvoorbeeld wegens een openstaande strafzaak of recente sanctie) niet voor naturalisatie in aanmerking komt, dient hij er op te worden gewezen dat het verzoek waarschijnlijk zal worden afgewezen en dat hij beter kan wachten met de indiening van het verzoek totdat de (rehabilitatie)termijn wel gehaald wordt. Indien hij er desalniettemin op staat om een verzoek in te dienen, moet dat verzoek wel in behandeling worden genomen en onderzocht. Het advies van de burgemeester over de openbare orde is gebaseerd op gegevens uit verschillende bron.
a. Gegevens van verzoeker zelf
Iedere verzoeker moet bij de indiening van een naturalisatieverzoek een waarheidsverklaring invullen, waarop hij naar waarheid gegevens over zijn antecedenten moet verstrekken. De bestaande waarheidsverklaring is aangepast. De aangepaste versie van de waarheidsverklaring is als model F1.4 opgenomen. In de waarheidsverklaring zijn verschillende verklaringen opgenomen. Indien verzoeker aangeeft een of meer van die verklaringen niet naar waarheid te kunnen afleggen, moet de burgemeester
a. die betreffende verklaring(en) doorhalen voordat de verzoeker de overige verklaringen ondertekent;
b. de verzoeker in de gelegenheid stellen aan te geven waarom deze de doorgehaalde verklaringen niet kan ondertekenen;
c. de verzoeker zijn verklaringen laten onderbouwen met alle gegevens waarover hij redelijkerwijs kan beschikken. Indien verzoeker beschikt over stukken in een vreemde taal, dient de verzoeker zelf zorg te dragen voor een beëdigde vertaling;
d. de verzoeker in de gelegenheid te stellen aan te geven of er naar zijn mening sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die in afwijking van het beleid tot inwilliging van het verzoek moeten leiden. De verzoeker moet dan zelf aangeven welke omstandigheden dat zijn en waarom die tot inwilliging van het verzoek zouden moeten leiden. Hij dient dat zo volledig mogelijk te onderbouwen. Indien hij beschikt over stukken in een vreemde taal, dient hij zelf zorg te dragen voor een beëdigde vertaling.
Indien de verzoeker aangeeft dat er sprake is van buitenlandse feiten, dient hij daarover zoveel mogelijk gegevens te verstrekken. Indien hij beschikt over documentaire gegevens, zoals het buitenlandse vonnis, dient daarvan kopie te worden genomen. De verzoeker dient zo gedetailleerd mogelijk aan te geven welk(e) feit(en) het betrof, welke rechtbank en welke kamer op welke datum daarover heeft beslist, welke rechtsmiddelen eventueel zijn aangewend en met welk resultaat, waar en wanneer de beslissing van de rechtbank ten uitvoer is gelegd en eventuele andere bijzonderheden.
De verzoeker dient aan te geven of er binnen vier jaar voor de indiening van het verzoek een sanctie ten uitvoer is gelegd. Daarbij is van belang dat de verzoeker zelf stukken overlegt waaruit blijkt op welke datum de sanctie ten uitvoer is gelegd, dus op welke datum de verzoeker in vrijheid is gesteld, de taakstraf heeft voltooid, of het bedrag heeft betaald.
b. Gegevens uit het register van de Justitiële Documentatie
De burgemeester moet, ongeacht hetgeen de verzoeker zelf verklaart, voor ieder naturalisatieverzoek de Justitiële Documentatiedienst (JDD) raadplegen. Het reeds bestaande model is niet gewijzigd. Indien uit het JDD gegevens met betrekking tot misdrijven naar voren komen die niet overeenkomen met hetgeen de verzoeker zelf heeft verklaard, dient de burgemeester dat op het adviesblad te vermelden. De verzoeker dient in dat geval door de IND in de gelegenheid te worden gesteld zijn zienswijze daarop naar voren te brengen (art. 4:7 Awb). Deze zienswijze van verzoeker wordt bij de beoordeling van het verzoek betrokken.
Verder dient de burgemeester contact op te nemen met de korpschef om te verifiëren of de verzoeker voorkomt in
a. het Schengen Informatie Systeem (NSIS);
b. het Opsporingsregister (OPS);
c. het register van de herkenningsdienst (HKD).
Het reeds bestaande formulier is gewijzigd (model F1.7). Het bericht van de korpschef wordt integraal opgenomen bij het adviesblad. Indien uit het bericht van de korpschef blijkt van gegevens uit het NSIS, OPS of HKD met betrekking tot misdrijven die niet overeenkomen met hetgeen de verzoeker zelf heeft verklaard, dient de burgemeester dat op het adviesblad te vermelden. De verzoeker dient in dat geval door de IND in de gelegenheid te worden gesteld zijn zienswijze daarop naar voren te brengen (art. 4:7 Awb). Deze zienswijze van verzoeker wordt bij de beoordeling van het verzoek betrokken.
De burgemeester stelt op basis van de aldus verkregen gegevens een advies op en zendt dat aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), die waar nodig (een) vervolgonderzoek(en) instelt.
Indien er sprake is van openstaande zaken, neemt de IND contact op met het parket van de Officier van Justitie om te onderzoeken of de verzoeker voor dat misdrijf reeds wordt of nog zal worden vervolgd. Indien dat het geval is, dient te worden geïnformeerd of er een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een taakstraf, of een boete van f 1000 of meer kan worden gevorderd. Tevens moet verzocht worden om de uitkomst van de strafprocedure onder vermelding van het IND-dossier-nummer en CRV-nummer aan de IND terug te melden. Indien de verzoeker een transactievoorstel zal kunnen worden gedaan, dient te worden geïnformeerd of de hoogte van het transactiebedrag f 1000 of meer (dan wel, indien de verzoeker reeds eerder vermogenssancties zijn opgelegd: f 500 of meer) kan zijn. Indien de zaak zal worden geseponeerd, dient te worden geïnformeerd of het sepot een onvoorwaardelijk sepot zal zijn en zo dat niet het geval is, welke de voorwaarden en eventuele proeftijd zullen zijn. De voor de beslissing op het naturalisatieverzoek vereiste zorgvuldigheid strekt niet zover dat de IND zich zelfstandig een oordeel behoort te vormen over de mogelijke uitkomst van de strafzaak. De beslissing op het naturalisatieverzoek wordt niet onnodig aangehouden in afwachting van de uitkomst van een strafprocedure.
Indien er sprake is van buitenlandse feiten, onderzoekt de IND of het betreffende feit naar Nederlands recht een misdrijf is. De IND neemt voorts contact op met het parket van de Officier van Justitie om te onderzoeken of de beoordeling van het misdrijf door de buitenlandse rechter vergelijkbaar is met de beoordeling naar Nederlandse maatstaven. Indien het (Nederlandse) Openbaar Ministerie voor de eis ter zitting richtlijnen hanteert, dienen die richtlijnen als uitgangspunt. Met de individuele omstandigheden kan daarbij in het algemeen geen rekening worden gehouden. Het OM noch de IND kan zich een oordeel vormen over het aan de strafrechter toekomend oordeel over de juiste strafmaat in een individuele casus. Het Openbaar Ministerie kan in het algemeen slechts adviseren over de eis ter zitting. De daarbij door het Openbaar Ministerie gehanteerde richtlijnen geven echter duidelijke en objectieve maatstaven aan de hand waarvan de gangbare straf voor de betreffende delicten uniform kan worden beoordeeld. Dat laat onverlet dat in zeer bijzondere (individuele) gevallen alleen dan tot een juiste toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap kan worden gekomen door af te wijken.
Ook de beoordeling van door verzoeker naar voren gebrachte bijzondere feiten of omstandigheden geschiedt bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.
‐ ad lid 1 sub b. In de periode van 1 januari 1992 tot 1 oktober 1997 was dit vereiste een dode letter in de RWN (zie circulaire van 20 december 1991 (Stcrt. 1992, 25). Dit kwam doordat op 22 oktober 1991 de Tweede Kamer der Staten-Generaal de motie Apostolou/Soutendijk-van Apeldoorn (TK 1991-1992, 21 971, nr. 29) inzake het doen van afstand bij naturalisatie had aangenomen.
Naar aanleiding van deze motie werd besloten met ingang van 1 januari 1992 de eis, zoals geformuleerd in artikel 9, lid 1 sub b, vooruitlopend op de aanpassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap te laten vallen.
Uit het gevoerde naturalisatie-onderzoek zou wel moeten blijken dat de verzoeker geattendeerd was op voor- en nadelen verbonden aan het mogelijk bezit van meer dan één nationaliteit. Voorts moest blijken dat verzoeker, indien van toepassing, een keuze had gemaakt al of niet zijn oorspronkelijke nationaliteit te behouden. Welke die keuze was, behoefde niet te worden aangegeven.
Voor eventuele consequenties dienden verzoekers verwezen te worden naar de autoriteiten van het land van herkomst (hetzij direct, hetzij door tussenkomst van de ambassade of het consulaat) of naar de voor hen geëigende organisaties voor minderheden.
Met ingang van 1 oktober 1997 dient de verzoeker om naturalisatie weer een bereidheidsverklaring te tekenen tot het doen van afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit, tenzij verzoeker onder één van de hieronder genoemde uitzonderingscategorieën valt.
Personen die vóór 1 oktober 1997 een naturalisatieverzoek hebben ingediend of aan de met naturalisatie belaste instanties te kennen hebben gegeven het Nederlanderschap te willen verkrijgen zullen worden beoordeeld naar de voorwaarden, gesteld in de circulaire van 20 december 1991 (Stcrt. 1992, 25). Indien men in dit verband vóór 1 oktober 1997 te kennen heeft gegeven voor naturalisatie in aanmerking te willen komen, dient men vóór laatstgenoemde datum aan de voorwaarden voor naturalisatie te voldoen.
In verband met bewijsrechtelijke problemen is het aan te raden van deze kennisgevingen, op een of andere wijze, aantekeningen te maken.
Van verzoekers die vallen onder een van de hierna genoemde categorieën kan niet verlangd worden dat zij afstand doen van hun huidige nationaliteit:
1. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat, in wier wetgeving de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit leidt tot het verlies van die nationaliteit.
Verzoeker heeft de nationaliteit van Burundi. In de wetgeving van Burundi is geregeld dat een Burundiër die vrijwillig een andere nationaliteit verkrijgt de Burundische nationaliteit verliest. In geval van automatisch verlies door naturalisatie tot een andere nationaliteit heeft het geen zin afstand te vragen.
2. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat wier wetgeving of rechtspraktijk geen afstand van nationaliteit toestaat.
Verzoeker heeft de Marokkaanse nationaliteit. De Marokkaanse nationaliteitswetgeving geeft aan dat in geval van naturalisatie tot een vreemde nationaliteit, betrokkene evenwel een machtiging kan krijgen om de Marokkaanse nationaliteit te verwerpen. In de praktijk blijkt de machtiging niet verkregen te kunnen worden.
In feite betekent dit dus behoud van de Marokkaanse nationaliteit en heeft het geen zin om afstand te vragen.
3. Verzoeker is onderdaan van een Staat die Partij is bij het op 2 februari 1993 te Straatsburg tot stand gekomen Tweede Protocol tot wijziging van het Verdrag betreffende de beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen ingeval van meervoudige nationaliteit.
Italië, Frankrijk en Nederland zijn inmiddels aangesloten bij het Tweede Protocol.
Indien een verzoeker de Italiaanse of Franse nationaliteit heeft wordt in geen geval verlangd dat verzoeker afstand doet. Immers, of hij verliest zijn nationaliteit op grond van het Verdrag van 1963 of hij valt onder het Tweede Protocol bij dit Verdrag, in welk geval geen verlies intreedt.
4. Verzoeker kan pas na verkrijging van de Nederlandse nationaliteit afstand doen (zoals bijvoorbeeld Hongarije) in welk geval hij bereid moet zijn afstand te doen, tenzij hij behoort tot een der andere hier volgende gevallen.
Een verzoeker die de Hongaarse nationaliteit bezit kán eerst nadat hij genaturaliseerd is tot Nederlander de Hongaarse autoriteiten verzoeken of hij ontslag kan krijgen uit het Hongaarse staatsverband.
5. Verzoeker is geboren in het Koninkrijk der Nederlanden en verblijft ten tijde van het verzoek om naturalisatie in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba. Onder het Koninkrijk der Nederlanden dient hier te worden verstaan: Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba.
Verzoeker, burger van Bosnië-Hercegovina, is geboren in Aruba. Kort na zijn geboorte vertrekt hij met zijn ouders naar Indonesië. Na zijn meerderjarigheid vestigt hij zich in Nederland. Zodra hij aan de voorwaarden voor naturalisatie voldoet dient hij een verzoek in. Van verzoeker wordt niet verlangd dat hij afstand doet van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Immers, hij is in het Koninkrijk geboren en verblijft ten tijde van het indienen van zijn naturalisatieverzoek in Koninkrijk.
6. Verzoeker heeft vóór het bereiken van de meerderjarige leeftijd een aaneengesloten periode van tenminste vijf jaar in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba zijn gewone verblijfplaats gehad.
Verzoekster is geboren in de Maladiven en is burger van de Maladiven. Op haar twaalfde is zij verhuisd naar Aruba. Na twee jaar op Aruba te hebben gewoond, is zij verhuisd naar Bonaire. Als zij achttien jaar wordt dient zij op Bonaire een naturalisatieverzoek in. Van verzoekster wordt niet verlangd dat zij afstand doet van haar oorspronkelijke nationaliteit nu zij vóór het bereiken van de meerderjarige leeftijd een aaneengesloten periode van vijf jaar haar gewone verblijfplaats in het Koninkrijk had. Het begrip gewone verblijfplaats houdt niet alleen legaal verblijf in, maar ook illegaal verblijf, mits aantoonbaar.
7. Verzoeker is gehuwd met een Nederlander.
Een vrouw met de Britse nationaliteit, gehuwd met een Nederlander verkrijgt door naturalisatie de Nederlandse nationaliteit. Verzoekster verliest door de naturalisatie tot Nederlandse niet haar Britse nationaliteit.
Stel dat het huwelijk van de vrouw - anders dan door overlijden - tussen de indiening van de aanvraag tot naturalisatie en de beslissing op de aanvraag ontbonden is, dan zal de vrouw alsnog afstand moeten doen van haar nationaliteit. Immers het moment van de beslissing op het naturalisatieverzoek is bepalend voor de beoordeling of betrokkene aan de voorwaarden voldoet.
8. Verzoeker is het minderjarige kind van ouders, waarvan een Nederlander is.
Een minderjarig kind staande huwelijk geboren op 18 december 1984 uit een Nederlandse moeder en een Turkse vader verliest de Turkse nationaliteit niet door naturalisatie tot Nederlander.
9. Verzoeker is een door Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba erkende vluchteling of van het paspoortvereiste vrijgestelde vreemdeling.
A. Erkende vluchtelingen
Verzoekers in het bezit van de A-status en een B-document zijn ontheven van het paspoortvereiste (zie Vreemdelingencirculaire B/8.5.1, 9.1).
B. Van het paspoortvereiste vrijgestelden
Daarnaast kunnen verzoekers veelal in het bezit van een D-document met als doel humanitaire gronden op grond van de Vreemdelingencirculaire worden ontheven van het paspoortvereiste (zie Vreemdelingencirculaire B7/8.5.1).
Indien verzoeker zelf niet kan aantonen dat hij ontheffing heeft verkregen van het paspoortvereiste, dient dit bij de vreemdelingenpolitie of bij de IND geverifieerd te worden.
10. Verzoeker zal voor het doen van afstand een betaling moeten doen van zodanige hoogte dat hij daardoor een substantieel financieel nadeel zal lijden.
Indien verzoeker een bedrag aan leges dient te betalen om afstand te kunnen doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit, wordt niet verlangd dat hij afstand doet van zijn oorspronkelijke nationaliteit, indien dat bedrag zo hoog is dat van een substantieel financieel nadeel kan worden gesproken. Dat verzoeker het genoemde bedrag dient te betalen zal hij moeten aantonen door middel van bijvoorbeeld een verzoek om betaling van de autoriteiten van het land van herkomst. Hij zal voorts moeten aantonen dat dit bedrag voor hem/ haar moeilijk is op te brengen; hier komt dus een individuele beoordeling aan de orde. Voor een verzoeker die leeft van een inkomen gelijk of minder dan het voor hem geldende minimum ingevolge de Algemene Bijstandswet zal het substantieel financieel nadeel eerder kunnen worden aangenomen dan voor een verzoeker wiens inkomen hoger dan dat minimum is. Bij een substantieel nadeel dient gedacht te worden aan een ernstig financieel nadeel.
11. De verzoeker zal - naar hij aantoont - door het doen van afstand zodanige vermogensrechtelijke rechten, waaronder erfrechtelijke aanspraken, die hij thans in het land van oorsprong bezit, verliezen dat hij daardoor een substantieel financieel nadeel zal lijden.
De verzoeker die in het land van zijn nationaliteit bijvoorbeeld eigendommen bezit, waarvan de waarde boven een bepaald bedrag ligt en die hij kwijt zou raken door afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit, wordt niet gevraagd afstand te doen. Het is aan verzoeker om aan te tonen dat de waarde boven een zodanig bedrag ligt dat hij door het doen van afstand een ernstig financieel nadeel lijdt. Dit is afhankelijk van de individuele situatie, zie hetgeen hierboven onder 10 is vermeld.
Uiteraard zal verzoeker vermogensrechtelijke rechten, aan moeten tonen door bijvoorbeeld een verklaring van de autoriteiten van het land van herkomst. Hetzelfde geldt voor andere vermogensrechtelijke aanspraken als recht op bepaalde uitkeringen of erfrechtelijke aanspraken. Voorts zal betrokkene moeten aantonen dat hij deze rechten, door verlies van de oorspronkelijke nationaliteit, verliest.
Indien verzoeker kan aantonen dat hij onder deze uitzonderingscategorie valt, geldt dat niet tevens voor zijn echtgeno(o)t(e). De echtgeno(o)t(e) dient dit afzonderlijk aan te tonen, tenzij uiteraard een en ander kan worden opgemaakt uit de door verzoeker overgelegde documenten.
12. De verzoeker zal - naar hij aantoont - slechts dan afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit kunnen doen, nadat hij aldaar zijn militaire dienstplicht heeft verricht of deze heeft afgekocht.
Door betrokkene zal een bewijs overgelegd moeten worden dat hij zijn dienstplicht nog niet vervuld heeft in het land waarvan hij de nationaliteit bezit en dat hij daarom van die nationaliteit geen afstand kan doen.
13. De verzoeker heeft - naar hij stelt en aantoont - bijzondere en objectief waardeerbare redenen om geen afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit.
Een voorbeeld hiervan kan zijn dat de lichamelijke of geestelijke gezondheid van betrokkene door het doen van afstand in ernstige mate schade zou lijden. De schade aan lichamelijke en/of geestelijke gezondheid zal uit een rapport van een psychiater moeten blijken.
De hardheidsclausule is conform hetgeen in artikel 9 lid 1 sub b wordt gesteld opgenomen. Het kan voorkomen dat van een verzoeker, niet vallende onder een der andere categorieën, redelijkerwijs geen afstand gevraagd kan worden. Indien twijfel bestaat of er sprake is van bijzondere en objectief waardeerbare redenen kan contact opgenomen worden met de IND.
In de toelichting op ad lid 1 sub b wordt op verschillende plaatsen aangegeven dat er verklaringen en/of documenten overgelegd dienen te worden indien verzoeker meent onder één van de uitzonderingscategorieën te vallen. Kopieën van die verklaringen en documenten dienen in het dossier ten behoeve van de IND te worden gevoegd.
Voor zowel het verkrijgen van verklaringen en/of documenten als de vertalingen en eventuele legalisatie van stukken dient betrokkene zelf te zorgen.
Indien de verklaringen en/of documenten zijn opgesteld in een andere taal dan het Nederlands, Engels, Duits of Frans, dient betrokkene zorg te dragen voor een beëdigde vertaling, welke gehecht dient te worden aan het/de originele document/verklaring. De circulaire legalisatie en verificatie van buitenlandse bewijsstukken omtrent de staat van personen van 8 mei 1996 nr. 555949/96/6 is van overeenkomstige toepassing.
N.B.: In de bijlage (welke gewijzigd is bij circulaire van 10 februari 1999, kenmerk 742865/99/ind) bij de circulaire van 18 juni 1997, kenmerk 631150/97/6, inzake wijziging van het beleid inzake het doen van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit bij naturalisatie tot Nederlander is een lijst van landen opgenomen met vermelding van behoud of verlies van de nationaliteit bij naturalisatie tot Nederlander. Achter sommige landen is aangegeven dat niet bekend is of men de oorspronkelijke nationaliteit behoudt of verliest. In deze gevallen kan betrokkene niet gevraagd worden een afstandsverklaring te ondertekenen en dient er vooralsnog van uit te worden gegaan dat hij de oorspronkelijk nationaliteit behoudt.
‐ ad lid 1 sub c. Een verzoeker komt niet voor naturalisatie in aanmerking, wanneer hij in het land woont waarvan hij onderdaan is. Hierbij moet gedacht worden aan verzoekers voor wie geen woontermijn in Nederland of de Nederlandse Antillen of Aruba geldt. Dus aan oud-Nederlanders; echtgeno(o)t(e) van een Nederlander, en personen die tijdens hun meerderjarigheid het kind zijn geworden van een Nederlander door wettiging, erkenning en adoptie. Indien daarvoor dringende reden bestaan, kan middels artikel 10 RWN hierop een uitzondering worden gemaakt.
‐ ad lid 2. Lid 2 van artikel 9 RWN stelt dat, wanneer iemand het bij de geboorte verkregen Nederlanderschap heeft verloren door erkenning, wettiging of adoptie, de algemene gronden voor afwijzing van een naturalisatieverzoek voor hem niet gelden. Wat het gedrag betreft, mag het verzoek alleen worden afgewezen, als betrokkene in de voorafgaande periode van tien jaar veroordeeld is wegens een strafbaar feit tegen de veiligheid van het Koninkrijk(ongeacht de ten gevolge hiervan opgelegde straf) of is veroordeeld tot een gevangenisstraf van ten minste vijf jaar wegens een ander strafbaar feit.
‐ ad lid 3. Lid 3 bepaalt dat op een verzoek om naturalisatie binnen één jaar na de indiening daarvan wordt beslist en dat deze beslissing ten hoogste twee maal zes maanden (i.v.m. inburgering of openbare orde) kan worden aangehouden. Wanneer dus niet binnen een jaar is beslist en die beslissing ook niet ‐ met medeweten van verzoeker ‐ is aangehouden, kan deze in beroep gaan tegen een fictieve afwijzing van zijn verzoek.
Artikel 6:2 Awb luidt:
’Voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep worden met een besluit gelijkgesteld:
a. de schriftelijke weigering een besluit te nemen, en
b. het niet tijdig nemen van een besluit.’
Overigens dient verzoeker in het kader van artikel 7:1 Awb, alvorens beroep in te stellen, bezwaar te maken.
‐ ad lid 4. Lid 4 bepaalt dat de Minister van Justitie de beslissing tot afwijzing of aanhouding neemt (N.B.:’afwijzen van een verzoek’ is in Awb-terminologie ’niet inwilligen van een aanvraag’). Van beide beslissingen kan de verzoeker in beroep gaan (artikel 8:1 Awb), ná de bezwaarschriftprocedure ex artikel 7:1 Awb, bij de sector bestuursrecht van de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de indiener van het beroepschrift zijn woonplaats in Nederland heeft (artikel 8:7 lid 2 Awb). Ook tegen het niet tijdig nemen van een beslissing kan bezwaar en beroep worden ingesteld (artikel 6:2 Awb).
Wij kunnen, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, in bijzondere gevallen het Nederlanderschap verlenen met afwijking van het bepaalde in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, c en d, en artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c.
Artikel 10 is een hardheidsclausule. Het artikel biedt de mogelijkheid van naturalisatie wanneer aan bepaalde voorwaarden niet is voldaan.
Die voorwaarde luidt dat er sprake is van een ’bijzonder geval’. In uitzonderlijke gevallen kunnen er belangen zijn die prevaleren boven het handhaven van de wettelijke voorwaarden voor naturalisatie. Het moet dan mogelijk zijn om van die voorwaarden af te wijken. Het Koninklijk Besluit wordt niet genomen voordat de Raad van State is gehoord. Volgens de MvT (blz. 16) dient het in casu te gaan om gevallen waarin redenen van staatsbelang of andere gewichtige Nederlandse of NederlandsAntilliaanse belangen zich voordoen, zoals op het gebied van de internationale economische en culturele betrekkingen.
In concreto kan worden gedacht aan vreemdelingen die in aanmerking komen voor een functie waarvoor het Nederlanderschap vereist of gewenst is en eventueel hun echtgenoten/partners. Voorts valt te denken aan politieke omstandigheden die naturalisatie gewenst doen zijn (bijv. de echtgenote van een Nederlander die anders niet haar land uit kan komen en andere dwingende redenen van humanitaire aard). Zoals uit de wetstekst blijkt kan met artikel 10 dus niet worden afgeweken van het gestelde in artikel 8 lid 1 aanhef en onder b RWN (geen bedenkingen voor verblijf voor onbepaalde tijd) en artikel 9 lid 1 aanhef en onder a (gevaar voor de openbare orde, etc.). Ook kan niet afgeweken worden van het gestelde in artikel 9 lid 1 aanhef en onder b.
Het is niet de bedoeling dat op grote schaal van artikel 10 gebruik gemaakt wordt. De uitzonderingen zijn alleen toegestaan indien zich zeer bijzondere omstandigheden voordoen. Veralgemenisering ligt dus niet in de rede.
Er zijn geen eenduidige criteria op grond waarvan met grote stelligheid voorspeld kan worden of iemand in aanmerking komt voor naturalisatie op grond van artikel 10 RWN. Dikwijls gaat het om een afweging van argumenten pro en contra. In zijn algemeenheid geldt daarbij dat naarmate verzoeker minder afwijkt van de standaardvoorwaarden de drempel om te naturaliseren op grond van artikel 10 gemakkelijker te nemen is.
Zo zal iemand die nog maar een half jaar in Nederland is, nog nauwelijks Nederlands spreekt en met wiens naturalisatie wel belangen, maar geen uitzonderlijke, gemoeid zijn, minder snel langs deze weg genaturaliseerd worden, dan iemand die hier al drie jaar is, in zijn functie of beroep volop participeert in de Nederlandse samenleving, redelijk Nederlands spreekt, hier wil blijven wonen en ten aanzien van wie het van groot belang is dat hij de Nederlandse nationaliteit krijgt.
Bovendien kan het oordeel ook afhangen van de voorwaarde waar in het concrete geval gevraagd wordt van af te wijken.
Ten behoeve van de beeldvorming, met betrekking tot de vraag wanneer er sprake kan zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan artikel 10 kan worden toegepast, volgen onderstaand een aantal praktijkvoorbeelden.
Nederlands belang (overheidsbelang, economisch en cultureel)
- echtgenoten van Nederlands diplomatiek personeel;
- personen die voor uitoefening van een functie in het bezit moeten zijn van de Nederlandse nationaliteit (bijv. politie, marine, land- of luchtmacht);
- personen die in het kader van hun werkzaamheden voor bedrijven die voor de Nederlandse economie van groot belang zijn en aantoonbaar veel hinder ondervinden bij de uitoefening van de functie als gevolg van het niet bezitten van de Nederlandse nationaliteit;
- het kunnen deelnemen als vertegenwoordiger voor Nederland aan internationale concoursen, conferenties, organisaties, tentoonstellingen, sportwedstrijden.
- adoptief- of pleegkind dat niet deelt in de naturalisatie van de adoptief- of pleegouder(s) waardoor het kind ten opzichte van de eigen kinderen van de ouders in een uitzonderingspositie komt te verkeren;
- tijdens de procedure overlijden de ouder (of overlijden de ouders) die om naturalisatie heeft (hebben) verzocht en daarvoor ook in aanmerking zou(den) zijn gekomen, waardoor het kind niet meer meegenaturaliseerd kan worden;
- oud-Nederlanders, die wonen in het land waarvan zij de nationaliteit bezitten en die in verband met de aard van de werkzaamheden vrijwillig, doch met het accent op ’min of meer gedwongen’, die nationaliteit hebben aangenomen.
- onjuiste informatie of nalatigheid van de kant van de overheid, waardoor het Nederlanderschap niet is toegekend (bijv.: optietermijn verstreken);
- onjuiste informatie van de kant van de overheid, waardoor het Nederlanderschap verloren is gegaan (bijvoorbeeld over de consequenties voor het Nederlanderschap bij het vrijwillig aanvaarden van een andere nationaliteit);
- personen die ten onrechte langere tijd als Nederlander zijn aangemerkt en om die reden in het bezit zijn van een Nederlands paspoort (opgewekte verwachtingen);
- termijnoverschrijding bij naturalisatieprocedure, te wijten aan de overheid, waardoor inmiddels meerderjarig geworden kinderen ’buiten de boot’ zijn gevallen;
- lacunes in de wet (bijv.: kinderen van een persoon die door optie het Nederlanderschap heeft verkregen delen niet in de optie).
- Minderjarige kinderen die ten tijde van de naturalisatie van de ouder(s) buiten het Koninkrijk verbleven, kunnen met toepassing van artikel 10 worden voorgedragen, indien zij aan de volgende voorwaarden voldoen:
- zij hebben ten minste een aaneengesloten periode van drie jaar woon- of verblijfplaats binnen het Koninkrijk, onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek;
- zij zijn ingeburgerd in de Nederlandse samenleving;
- tegen hun verblijf voor onbepaalde tijd bestaat geen bedenkingen;
- zij vormen geen gevaar voor de openbare orde;
- kinderen van twaalf jaar en ouder zelf, zowel als hun ouder(s) of wettelijk vertegenwoordiger geven daartoe toestemming.
Met betrekking tot kinderen geboren na de indiening van het verzoek en voorafgaand aan het Koninklijk Besluit kan van de drie jaar worden afgeweken.
De verscheidenheid van de gevallen waarbij een beroep op toepassing van dit artikel wordt gedaan is groot. Om die reden is het niet mogelijk een limitatieve opsomming te geven. Ieder verzoek wordt op de eigen merites bezien.
Familieomstandigheden die overkomst naar het land van herkomst nodig maken, reisproblemen die men op vakantie ondervindt, zijn over het algemeen geen reden om artikel 10 toe te passen.
Tot 1 januari 1994 was het niet mogelijk (ingevolge artikel 5 sub a wet Arob), nadat een ontwerp-Koninklijk Besluit aan de Raad van State was voorgelegd en wanneer deze van oordeel was dat naturalisatie niet behoorde plaats te vinden, tegen de daarop volgende afwijzende beslissing in beroep te gaan. In artikel 8:4 Awb komt deze beperking thans niet meer voor en er kan dan ook met ingang van de hiervoor genoemde datum bezwaar en beroep worden ingesteld tegen een afwijzende beslissing op grond van een negatief advies van de Raad van State met betrekking tot de toepassing van artikel 10 RWN.
- 1. Het minderjarige niet-Nederlandse kind van een vader of moeder aan wie het Nederlanderschap is verleend deelt in deze verkrijging, tenzij te zijnen aanzien in het besluit een voorbehoud is gemaakt. De wettelijke vertegenwoordiger en het kind, mits het de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt, worden in de gelegenheid gesteld hun zienswijze omtrent de mede-naturalisatie naar voren te brengen.
- 2. Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste lid wordt onder vader mede verstaan de adoptief-vader, onder moeder mede adoptief-moeder, indien de adoptie tot stand is gekomen in overeenstemming met de regelen van Nederlands internationaal privaatrecht en het kind door die adoptie de staat van wettig kind van de adoptanten heeft verkregen.
In artikel 11 is mede-naturalisatie geregeld. Zoals in artikel 3 is bepaald dat een kind bij de geboorte Nederlander is, wanneer zijn vader of zijn moeder Nederlander is, zo is hier bepaald dat een (minderjarig) kind deelt in de naturalisatie van zijn vader of moeder. Is een kind twaalf jaar of ouder dan wordt hem gevraagd of het prijs stelt op die mede-naturalisatie. De wet staat toe dat een voorbehoud wordt gemaakt. Dit gebeurt wanneer een kind buiten het Koninkrijk verblijf houdt, of wanneer een kind dat twaalf jaar of ouder is, uitdrukkelijk heeft verklaard, de mede-naturalisatie niet op prijs te stellen. De mogelijkheid om de wettelijk vertegenwoordiger van het kind te vragen om instemming met de medenaturalisatie wordt achterwege gelaten indien deze (andere) wettelijk vertegenwoordiger reeds Nederlander is of (separaat) eveneens een naturalisatieverzoek heeft ingediend.
In ieder Koninklijk Besluit wordt vanaf 1 september 1992 een artikel opgenomen, luidende:
’Het Nederlanderschap wordt onthouden aan minderjarige kinderen van de in artikel 1 van dit besluit vermelde personen, aan wie geen verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland, onderscheidenlijk de Nederlandse Antillen of Aruba is toegestaan.’
Tijdens het onderzoek zal vast moeten komen te staan dat er geen bezwaar tegen verblijf voor onbepaalde tijd van het minderjarige kind in het Koninkrijk bestaat. In de regel zijn minderjarige kinderen niet in het bezit van een zelfstandige verblijfsvergunning. Zij dienen vanaf hun twaalfde jaar (dit geldt per 1 juni 1994) wel over een verblijfsdocument te beschikken. Dit verblijfsdocument is afhankelijk van de verblijfsvergunning van de ouders.
Indien een minderjarige niet in het bezit is van een verblijfsdocument dient de verblijfsrechtelijke positie geverifieerd te worden bij de vreemdelingendienst.
Minderjarige kinderen worden tevens van medenaturalisatie uitgesloten, indien er ernstige vermoedens bestaan dat zij een gevaar opleveren voor de openbare orde (artikel 11 lid 1, j° artikel 9 lid 1 sub a RWN). Om deze reden worden dan ook gegevens bij de Herkenningsdienst van de plaatselijke politie (vanaf twaalf jaar) en de Justitiële Documentatiedienst (vanaf zestien jaar) opgevraagd.
Minderjarige kinderen die ten tijde van de naturalisatie van de ouder(s) buiten het Koninklijk verbleven en dus niet zijn medegenaturaliseerd, kunnen met toepassing van artikel 10 RWN worden voorgedragen voor na-naturalisatie (zie de toelichting bij artikel 10 RWN).
Een kind dat ten tijde van het indienen en beoordelen op ontvankelijkheid van het verzoek minderjarig was en in de loop van de behandeling van het verzoek meerderjarig wordt (ook wel ’meerijder’ genoemd), wordt geen Nederlander door medenaturalisatie, maar kan dat worden door zelfstandige naturalisatie. Dit meerderjarige kind dient aan alle voorwaarden die de Rijkswet aan naturalisatie stelt (behalve het betalen van de legeskosten) te voldoen. De zogenaamde afgeleide woonplaats zoals omschreven bij artikel 6 RWN (optie) is hier niet van toepassing bij de berekening van de verblijfstermijn.
De naturalisatie strekt zich ook uit tot een adoptief-kind van de genaturaliseerde man of vrouw, maar alleen wanneer de adoptie voldoet aan de omschrijving van artikel 11, lid 2.
- 1. Indien de verzoeker geen geslachtsnaam of voornaam heeft of indien de juiste spelling daarvan niet vaststaat, zullen deze in overleg met hem worden vastgesteld bij het besluit waarbij het Nederlanderschap wordt verleend.
- 2. De naam van de verzoeker wordt zonodig in de in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens overgebracht en kan, indien dit voor de inburgering van belang is, met toestemming van de verzoeker bij het besluit tot verlening van het Nederlanderschap worden gewijzigd.
In artikel 12 is geregeld, dat wanneer de verzoeker geen geslachts- of voornamen heeft, deze voor hem kunnen worden vastgesteld. Wanneer dit voor de inburgering van belang is kan een geslachtsnaam worden gewijzigd.
Uitgangspunt is echter dat er in het kader van de naturalisatieprocedure zo min mogelijk wordt gesleuteld aan de voor- en geslachtsnamen van verzoeker. In de regel zal de voordracht tot naturalisatie plaatsvinden op basis van de vermelding van de naam in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Naamsvaststelling of -wijziging is niet altijd mogelijk.
a. Vaststelling van de naam of de spelling daarvan bij naturalisatie zal uitsluitend in twee gevallen moeten plaatsvinden:
- indien er geen onderscheid bestaat tussen voornaam en geslachtsnaam (bijv. Pakistan, India, Ethiopië, Javaanse Indonesiërs) of indien de naam slechts uit één bestanddeel bestaat (zgn. roepnaam);
- indien in documenten van gelijke rangorde de namen op uiteenlopende wijze worden gespeld.
b. Wijziging van de naam bij naturalisatie zal uitsluitend in de navolgende gevallen kunnen plaatsvinden:
- indien verzoeker een samengestelde geslachtsnaam heeft (bijv. Spanje, Portugal, Latijns-Amerika);
- indien een vrouw door of in verband met haar huwelijk de naam van haar echtgenoot heeft verkregen (bijv. Turkije);
- indien de geslachts- en voornamen van verzoeker moeilijk uitspreekbaar zijn of naar Nederlandse opvatting bespottelijk of onwelvoeglijk (bijv. China, Polen, Tsjechië, Slowakije);
- indien verzoeker een verbogen geslachtsnaam heeft (bijv. Bon/Bonova).
Wijziging van de naam geschiedt alleen wanneer verzoeker te kennen geeft hieraan behoefte te hebben en dit gelet op de inburgering nodig is.
Voor wijziging van uitsluitend de voornamen bestaat in de naturalisatieprocedure geen ruimte. Verzoekers kunnen hiertoe zonodig worden geattendeerd op de bestaande procedure bij de rechtbank (artikel 4 Boek 1 BW).
Voor het wijzigen of vaststellen van namen zijn model-verklaringen beschikbaar (zie model F1.13 - F1.18).
Bij algemene maatregel van rijksbestuur worden regelen gesteld betreffende het voor de verlening van het Nederlanderschap verschuldigde recht, de gevallen waarin daarvan geheel of gedeeltelijk ontheffing kan worden verleend en de wijze waarop het moet worden voldaan.
Bij besluit van 27 januari 1986, Stb. 18, zoals gewijzigd bij de Besluiten van 2 mei 1988, Stb. 247, 28 januari 1993, Stb. 67, is het Besluit Naturalisatiegelden 1986 vastgesteld. Bij Besluit van 11 juni 1997 (zie onder B1 pag.’s 1 t/m 7) is het Besluit Naturalisatiegelden 1986 gewijzigd, Stb. 244. Ingevolge dit Besluit veranderen zowel de hoogte van het verlaagd tarief en het tarief van een gemeenschappelijk verzoek als de wijze van betaling van de naturalisatiegelden. Bij Koninklijk Besluit van 12 januari 1998, Stb. 29 is bepaald dat dit Besluit per 1 april 1998 in werking treedt.
Voor naturalisatie is in het algemeen betaling van leges verschuldigd. Per individueel geval dient bekeken te worden welk bedrag aan leges betaald moet worden. Hierbij zijn te onderscheiden:
1 a. het gewone tarief voor een enkelvoudig verzoek;
b. het gewone tarief voor een gemeenschappelijk verzoek;
2 a. het verminderd tarief voor een enkelvoudig verzoek;
b. het verminderd tarief voor een gemeenschappelijk verzoek;
3. een tweetal gevallen waarin geen leges verschuldigd zijn en naturalisatie kosteloos is;
4. gevallen waarin ontheffing kan worden verleend van het betalen van naturalisatieleges.
Hieronder volgt een uiteenzetting van genoemde categorieën.
a. Het gewone tarief van een enkelvoudig naturalisatieverzoek bedraagt f 500.
b. Voor een gemeenschappelijk verzoek, dat wil zeggen een verzoek tot naturalisatie van twee met elkaar gehuwde personen of twee ongehuwde personen die in een duurzame relatie anders dan het huwelijk samenleven, bedraagt het gewone tarief f 700 (dit was onder het Besluit Naturali-satiegelden 1986 f 500). Het geregistreerd partnerschap wordt in dat kader gelijkgesteld met het huwelijk. Ook verzoekers die nog geen drie jaar met elkaar gehuwd zijn en/of samenwonen kunnen, indien zij beiden zelfstandig voldoen aan de voorwaarden voor naturalisatie, een gemeenschappelijk verzoek indienen. De termijn van drie jaar gehuwd zijn en/of samenwonen is alleen van belang in het kader van beoordeling of voldaan is aan de verblijfstermijn op grond van drie jaar gehuwd zijn en/of samenwonen (artikel 8 lid 1 onder c j° lid 2 en 4 van de Rijkswet op het Nederlanderschap).
In geval van min- en onvermogen van de verzoeker is het verminderd tarief van toepassing.
a. Het verminderd tarief voor een enkelvoudig verzoek bedraagt f 250 (dit was onder het Besluit Naturalisatiegelden 1986 f 125).
b. Het verminderd tarief voor een gemeenschappelijk verzoek, dat wil zeggen een verzoek tot naturalisatie van twee met elkaar gehuwde personen of twee ongehuwde personen die in een duurzame relatie anders dan het huwelijk samenleven, bedraagt f 450 (dit was onder het Besluit Naturalisatiegelden 1986 f 125). Het geregistreerd partnerschap wordt in dat kader gelijkgesteld met het huwelijk. Ook verzoekers die nog geen drie jaar met elkaar gehuwd zijn en/of samenwonen kunnen, indien zij beiden zelfstandig voldoen aan de voorwaarden voor naturalisatie, een gemeenschappelijk verzoek indienen. De termijn van drie jaar gehuwd zijn en/of samenwonen is alleen van belang in het kader van de beoordeling of voldaan is aan de verblijfstermijn op grond van drie jaar gehuwd zijn en/of samenwonen (artikel 8 lid 1 onder c j° lid 2 en 4 van de Rijkswet op het Nederlanderschap).
Een verzoeker komt in aanmerking voor verminderd tarief als zijn/haar netto-inkomen en dat van zijn/haar eventuele echtgeno(o)t(e) of partner samen niet boven de (gezins)uitkering ingevolge de Algemene Bijstandswet uitkomen.
In de Algemene Bijstandswet wordt voor een aantal categorieën gesproken over een toeslag van maximaal 20% van het minimumloon (bijvoorbeeld: een alleenstaande ouder of een alleenstaande kan in aanmerking komen voor een toeslag, wanneer de woonkosten niet met een ander gedeeld kunnen worden).
De Gemeentelijke Sociale Diensten hebben een beleidsvrijheid met het toekennen van deze toeslagen en er zijn geen standaardnormeringen ontwikkeld. In dat kader dient uitsluitend getoetst te worden aan de bijstandsnormen zonder toeslagen.
De bijstandsnormen worden halfjaarlijks gewijzigd. De datum van de indiening van het naturalisatieverzoek is bepalend voor de toepasselijke bijstandsnorm. Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid maakt de nieuwe bijstandsnormen bekend via persberichten. Nadere informatie kan worden verkregen bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid, telefoonnummer: 070-333 44 33.
Als een verzoeker voor het verminderd tarief in aanmerking wenst te komen, dient hij door middel van een gewaarmerkte verklaring omtrent inkomen en vermogen of een salaris- en/of uitkeringsspecificatie aan te tonen dat zijn inkomen niet hoger is dan de voor hem geldende bijstandsnorm. De verklaring omtrent inkomen en vermogen, de salaris- of uitkeringsspecificatie mogen niet ouder dan twee maanden zijn. Indien blijkt dat er een wijziging is opgetreden in het inkomen van de verzoeker, dient de laatst ontvangen salaris- of uitkeringsspecificatie te worden overgelegd.
Indien betrokkene deze stukken niet kan overleggen wordt het tarief op f 500 gesteld in geval het een enkelvoudig verzoek betreft en in geval het een gemeenschappelijk verzoek betreft op f 700. Hem wordt een termijn van dertien weken toegestaan om de ontbrekende stukken alsnog te overleggen (zie hierna onder ’Termijn van betaling’).
Het komt voor dat verzoekers die een combinatie van verschillende uitkeringen ontvangen, door verschillende berekeningssystemen van de uitkeringsinstanties, een inkomen genieten dat slechts enkele guldens boven de voor hen geldende bijstandsnorm ligt. Uitsluitend in gevallen waarin de verzoeker en zijn/haar eventuele echtgeno(o)t(e) of partner verschillende uitkeringen geniet(en) (dus bijvoorbeeld niet in gevallen waarin inkomsten uit arbeid worden genoten), geldt dat als het inkomen niet meer dan f 10 boven de betreffende bijstandsnorm ligt, de verzoeker toch in aanmerking komt voor het verminderd tarief. Ook hier geldt dat de verzoeker een en ander door middel van een gewaarmerkte verklaring omtrent inkomen en vermogen of uitkeringsspecificaties dient aan te tonen. De verklaring omtrent inkomen en vermogen en de uitkeringsspecificaties mogen niet ouder dan twee maanden zijn. Indien blijkt dat er een wijziging is opgetreden in het inkomen van de verzoeker, dienen de laatst ontvangen uitkeringsspecificaties te worden overgelegd.
Een verzoeker heeft een WAO-uitkering. Omdat deze uitkering beneden het bijstandsniveau ligt, ontvangt de verzoeker een aanvulling op grond van de Toeslagenwet. Hierdoor is het netto-inkomen van de verzoeker f 5,25 hoger dan de voor hem geldende bijstandsnorm. De aanvulling op grond van de Toeslagenwet is verleend om het inkomen van de verzoeker aan te vullen tot het bijstandsniveau. Door de verschillende berekeningssystemen van de bedrijfsvereniging en de Sociale Dienst ligt het inkomen van verzoeker iets boven de voor hem geldende bijstandsnorm. De achterliggende gedachte van de verleende aanvulling is om de verzoeker een inkomen op bijstandsniveau te verschaffen. In dat kader komt de verzoeker in aanmerking voor het verminderd tarief.
In een tweetal gevallen zijn geen naturalisatieleges verschuldigd, namelijk indien het een verzoek tot naturalisatie betreft:
a. van een minderjarige, mits het verzoek deel uitmaakt van het verzoek van zijn vader en/of moeder;
b. van een persoon die ingevolge de Wet betreffende de positie van Molukkers als Nederlander wordt behandeld.
Voor minderjarigen wier verzoek deel uitmaakt van het verzoek tot naturalisatie van de vader en/of moeder geldt dat zij doorgaans meegenaturaliseerd worden met hun ouder(s). Teneinde ongeacht het aantal kinderen de kosten van naturalisatie voor deze ouder(s) op een redelijk peil te houden, worden de kinderen zonder kosten meegenaturaliseerd.
Het uitgangspunt van de Wet betreffende de positie van Molukkers van 9 september 1976 (Stb. 468) brengt met zich mee dat Molukkers, die ingevolge genoemde wet worden behandeld als Nederlanders, eveneens zijn vrijgesteld van het betalen van naturalisatieleges. Op het adviesblad dient te worden aangeven dat het een verzoek van een Molukker betreft die ingevolge genoemde wet wordt behandeld als Nederlander.
Genoemde twee categorieën kwamen onder de vigeur van het Besluit Naturalisatiegelden 1986 ook al voor kosteloze naturalisatie in aanmerking.
Voorts kan Onze Minister aan de volgende personen ontheffing verlenen van betaling van de naturalisatieleges:
a. een minderjarige die zelfstandig een verzoek tot naturalisatie indient;
b. een persoon die ingevolge een administratieve vergissing reeds meer dan een jaar als Nederlander is aangemerkt;
c. een persoon die op grond van staatsbelang of van zijn verdiensten voor de staat genaturaliseerd wordt.
Hieronder wordt toegelicht onder welke omstandigheden aan bovengenoemde categorieën van personen ontheffing wordt verleend.
‐ ad a. In geval van een zelfstandig verzoek om naturalisatie van een minderjarige is er in beginsel geen reden om met betrekking tot de naturalisatiegelden anders te handelen dan in geval van een zelfstandige naturalisatie van een meerderjarige. In beide gevallen wordt eenzelfde inspanning van de gemeente en het Ministerie van Justitie vereist. Slechts twee categorieën minderjarigen die zelfstandig een naturalisatieverzoek indienen, komen in aanmerking voor ontheffing (zie onder 1 en 2).
Het toepasselijke tarief (gewoon of verminderd tarief) wordt bepaald aan de hand van het inkomen van de wettelijk vertegenwoordiger van het kind (zie hierboven onder ’Gewoon tarief’ en ’Verminderd tarief’).
Aan de volgende categorieën minderjarigen die zelfstandig een naturalisatieverzoek indienen, wordt ontheffing verleend.
1. Indien gelijktijdig om naturalisatie van meerdere kinderen binnen één gezin verzocht wordt, wordt voor het tweede kind het toepasselijke tarief verhoogd met een bedrag van f 200 (analoog aan de regeling voor gemeenschappelijke verzoeken). Elk volgend kind wordt ontheven van de betaling van de naturalisatieleges, omdat anders financiële redenen ertoe zouden kunnen leiden dat binnen gezinnen verschillen in nationaliteit ontstaan. Het is daarom niet redelijk in geval van een gelijktijdig naturalisatieverzoek van meerdere kinderen binnen een gezin een hoger bedrag aan leges op te leggen dan het bedrag in geval van een gemeenschappelijk verzoek.
Dit betekent dat de leges bij een gelijktijdig naturalisatieverzoek van meerdere kinderen binnen een gezin f 450 bedragen, indien het verminderd tarief van toepassing is, en indien het gewone tarief van toepassing is, bedragen de naturalisatieleges f 700.
2. In bijzondere gevallen waarin een kind buiten eigen toedoen niet meegenaturaliseerd is, wordt ontheffing verleend van de betaling van de naturalisatieleges. Hierbij kan gedacht worden aan een kind dat door zwaarwegende lichamelijke of psychische omstandigheden ten tijde van de naturalisatie van de ouders niet in Nederland verbleef en niet is mee-genaturaliseerd. Bijvoorbeeld een kind dat in het land van herkomst tijdelijk is opgenomen in een ziekenhuis of psychiatrische inrichting. Een en ander dient aangetoond te worden door middel van een verklaring van een medisch specialist of psychiater.
‐ ad b. Met betrekking tot personen die ingevolge een administratieve vergissing reeds meer dan een jaar als Nederlander zijn aangemerkt, geldt dat als de administratie een fout heeft gemaakt, deze fout hersteld moet worden zonder kosten voor betrokkene. Indien de fout aan betrokkene zelf te wijten is, bijvoorbeeld indien er sprake is van frauduleus of onzorgvuldig gedrag van de betrokkene, wordt geen ontheffing van betaling van de naturalisatieleges verleend.
‐ ad c. In gevallen waarin iemand op grond van staatsbelang of zijn verdiensten voor de staat genaturaliseerd wordt, wordt ontheffing verleend van de betaling van de naturalisatieleges vanwege dat staatsbelang en die verdiensten voor de staat.
1. Een hoogleraar van vreemde nationaliteit komt in aanmerking voor de functie van Procureur-Generaal bij de Hoge Raad. Voor de vervulling van dit ambt is het bezit van het Nederlanderschap vereist. Deze persoon kan op grond van staatsbelang voor naturalisatie in aanmerking komen (ervan uitgaande dat tegen het verblijf voor onbepaalde duur geen bedenkingen bestaan).
2. Een militair die een uitzonderlijk hoge militaire onderscheiding heeft gekregen, kan op grond van verdiensten voor de staat in aanmerking komen voor naturalisatie.
De bevoegdheid tot verlening van ontheffing is gemandateerd aan de Burgemeester. Uitgangspunt van de huidige naturalisatieprocedure is immers dat slechts zo compleet mogelijke dossiers worden aangeboden aan de IND. In voorkomende gevallen kan contact worden opgenomen met het betreffende regiokantoor van de IND waaronder de gemeente ressorteert. Een model van een schriftelijke bevestiging dat aan betrokkene ontheffing van de betaling van de naturalisatieleges is verleend is opgenomen als model F2.1.
Naturalisatiegelden zijn verschuldigd voor de behandeling van een verzoek tot naturalisatie. Indien betrokkene zich meldt voor het indienen van een verzoek tot naturalisatie en reeds dan blijkt dat betrokkene niet voldoet aan de vereisten van objectieve aard, zoals bijvoorbeeld aan het vereiste dat er geen bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde duur mogen bestaan, dient betrokkene ontraden te worden zijn verzoek in te dienen. Ziet hij op dat moment af van het indienen van een verzoek, dan worden geen leges in rekening gebracht. De gemeente heeft in dat geval slechts informatie verstrekt waarvoor betrokkene niet hoeft te betalen. Staat de verzoeker op indiening van zijn verzoek, dan dient zijn verzoek in ontvangst genomen te worden en zijn leges verschuldigd, ongeacht de beslissing op het verzoek.
In de huidige naturalisatieprocedure dient ernaar gestreefd te worden dat gelijktijdig met het indienen van het verzoek de naturalisatieleges worden voldaan. In dat kader dient vóór de indiening van het verzoek de hoogte van de te betalen leges te worden vastgesteld. De behandelend ambtenaar informeert de verzoeker over de regeling inzake de voor naturalisatie verschuldigde leges. Zo dient hij de verzoeker te informeren over de regels met betrekking tot het verminderd tarief en de mogelijkheid tot het indienen van een verzoek om ontheffing. Na de betaling van de leges vindt geen restitutie plaats, ook niet indien het verzoek wordt afgewezen of ingetrokken.
Als een verzoeker voor het verminderd tarief in aanmerking wenst te komen, dient hij een gewaarmerkte verklaring omtrent vermogen en inkomen of een salaris- en/of uitkeringsspecificatie te overleggen. De verklaring omtrent vermogen en inkomen, de salaris- of uitkeringsspecificatie mogen niet ouder dan twee maanden zijn. Indien blijkt dat er een wijziging is opgetreden in het inkomen van de verzoeker, dient de laatst ontvangen salaris- of uitkeringsspecificatie te worden overgelegd. Kan een verzoeker deze stukken niet overleggen, dan moet hem geadviseerd worden te wachten met de indiening van het verzoek totdat hij wel over de benodigde stukken beschikt.
Desalniettemin dient het verzoek in ontvangst te worden genomen, indien de verzoeker erop staat zijn verzoek in te dienen in afwachting van het overleggen van genoemde stukken. Het verdient aanbeveling in voorkomende gevallen een woordelijk verslag op te maken en het verslag te laten ondertekenen door betrokkene. De te betalen leges worden in dat geval op f 500 gesteld of, indien het een gemeenschappelijk verzoek betreft, op f 700 en de verzoeker krijgt dertien weken de tijd om de ontbrekende stukken alsnog te overleggen.
Bij de indiening van het naturalisatieverzoek tekent de verzoeker een verklaring dat hij instemt met de betaling van de opgelegde leges. Indien de verzoeker in aanmerking voor ontheffing wil komen, dient hij daartoe een gemotiveerd verzoek in, gelijktijdig met de indiening van zijn naturalisatieverzoek.
Een model van een schriftelijke bevestiging van betrokkene dat hij geïnformeerd is over de hoogte en de termijn van de te betalen leges en dat hij instemt met de betaling van de opgelegde leges dan wel is vrijgesteld van de betaling van de naturalisatieleges dan wel een verzoek om ontheffing heeft ingediend is opgenomen als model F2.2. De vaststelling van de hoogte van de te betalen leges is een voorbereidingshandeling zoals bedoeld in artikel 6:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en is niet afzonderlijk vatbaar voor bezwaar of beroep.
Procedure in geval van het gewoon tarief of verminderd tarief dan wel vrijstelling
Heeft de verzoeker niet gelijktijdig met het indienen van het verzoek betaald, dan dient hij alsnog binnen dertien weken na de indiening van het verzoek te betalen. Teneinde betrokkene in staat te stellen de benodigde stukken om voor het verminderd tarief in aanmerking te komen alsnog te overleggen is de termijn van betaling langer dan gebruikelijk in het administratieve recht. Overlegt de verzoeker binnen deze termijn alsnog stukken waaruit blijkt dat hij in aanmerking komt voor het verminderd tarief dan wordt de hoogte van de te betalen leges alsnog gesteld op f 250 c.q. f 450.
Ingevolge artikel 4:5 Awb dient aan de verzoeker, indien hij niet betaald heeft, na afloop van de termijn van dertien weken een hersteltermijn te worden gegund om alsnog stukken te overleggen en te betalen. Deze hersteltermijn wordt gesteld op twee weken.
Een model van een kennisgeving aan betrokkene dat hij binnen twee weken stukken dient te overleggen en dient te betalen is opgenomen als model F2.3.
Wordt binnen deze termijn (d.w.z. binnen vijftien weken na indiening van het naturalisatieverzoek) niet tot betaling overgegaan, dan wordt het verzoek buiten behandeling gesteld. De bevoegdheid tot het buiten behandeling stellen is gemandateerd aan de Burgemeester. Uitgangspunt van de herziene naturalisatieprocedure is immers dat slechts zo compleet mogelijke dossiers worden aangeboden aan de IND.
Betrokkene wordt van de buitenbehandelingstelling binnen vier weken na afloop van bovengenoemde termijn van vijftien weken schriftelijk op de hoogte gesteld (model F2.4). De verzoeker kan binnen zes weken bezwaar aantekenen tegen de buitenbehandelingstelling bij de IND.
Indien betrokkene geen bezwaar aantekent tegen de buitenbehandelingstelling en hij stelt alsnog prijs op naturalisatie tot Nederlander, dan zal hij opnieuw een verzoek daartoe moeten indienen. Op het tijdstip van indiening van het nieuwe verzoek, begint een nieuwe termijn van dertien weken te lopen.
Procedure in geval een verzoek om ontheffing is ingediend
In voorkomende gevallen kan aan de verzoeker na indiening van het verzoek om ontheffing een termijn van vier weken worden verleend voor het indienen van nadere stukken. In de meeste gevallen zal echter op grond van hetgeen in het verzoek is gesteld, een beslissing genomen kunnen worden. De bevoegdheid tot het verlenen van ontheffing is gemandateerd aan de Burgemeester. Uitgangspunt van de huidige naturalisatieprocedure is immers dat slechts zo compleet mogelijke dossiers worden aangeboden aan de IND.
De afwijzende beslissing op het verzoek om ontheffing dient gemotiveerd te zijn. Een voorbeeld van een dergelijke afwijzing is opgenomen als model F2.5. De verzoeker kan binnen zes weken bezwaar aantekenen tegen de afwijzing op het verzoek om ontheffing bij de IND. Een eventueel ingediend bezwaar tegen de afwijzing heeft geen schorsende werking (artikel 6:16 Awb), hetgeen betekent dat binnen dertien weken nadat de afwijzing op het verzoek aan betrokkene is bekend gemaakt betaald moet worden op straffe van buitenbehandelingstelling. Ingevolge artikel 4:5 Awb dient aan de verzoeker, indien hij niet betaald heeft, na afloop van de termijn van dertien weken een hersteltermijn te worden gegund om alsnog stukken te overleggen en te betalen. Deze hersteltermijn wordt gesteld op twee weken. Een voorbeeld van een kennisgeving aan betrokkene dat hij binnen twee weken stukken dient te overleggen en dient te betalen is opgenomen als model F2.3. Wordt binnen deze termijn (d.w.z. binnen vijftien weken nadat de afwijzende beslissing op het verzoek om ontheffing aan betrokkene is bekend gemaakt) niet tot betaling overgegaan, dan wordt het verzoek buiten behandeling gesteld. De bevoegdheid tot het buiten behandeling stellen is gemandateerd aan de Burgemeester. Uitgangspunt van de huidige naturalisatieprocedure is immers dat slechts zo compleet mogelijke dossiers worden aangeboden aan de IND.
Betrokkene wordt van de buitenbehandelingstelling binnen vier weken na afloop van bovengenoemde termijn van vijftien weken schriftelijk op de hoogte gesteld (model F2.4). De verzoeker kan binnen zes weken bezwaar aantekenen tegen de buitenbehandelingstelling bij de IND.
Indien betrokkene geen bezwaar aantekent tegen de buitenbehandelingstelling en hij stelt alsnog prijs op naturalisatie tot Nederlander, dan zal hij opnieuw een verzoek daartoe moeten indienen. Op het tijdstip van indiening van het nieuwe verzoek, begint een nieuwe termijn van dertien weken te lopen.
Afdracht ontvangen naturalisatieleges
De gemeente behoudt per enkelvoudig naturalisatieverzoek f 200, ongeacht of betrokkene het gewone tarief of het verminderd tarief betaalt. Het resterende bedrag dat aan leges is ontvangen, wordt afgedragen aan het Ministerie van Justitie (f 300 bij het gewone tarief en f 50 bij het verminderd tarief).
Bij een gemeenschappelijk verzoek of een gelijktijdig verzoek om naturalisatie van meerdere kinderen binnen één gezin ontvangt de gemeente f 400, eveneens ongeacht of het gewone tarief of het verminderd tarief betaald is. Het resterende bedrag dat aan leges is ontvangen, wordt afgedragen aan het Ministerie van Justitie (f 300 bij het gewone tarief en f 50 bij het verminderd tarief). Indien de verzoeker tijdens de naturalisatieprocedure verhuist, behoudt de gemeente die de leges geïnd heeft het bedrag van f 200 of f 400 en draagt zorgt voor de afdracht van het resterende bedrag.
In geval van ontheffing van betaling van de naturalisatieleges kan de gemeente verzoeken om een vergoeding (artikel 3 lid 2 j° artikel 6 van het Besluit Naturalisatiegelden 1997).
Een dergelijk schriftelijk verzoek dient te worden gericht aan de coördinator Financieel Beheer van de afdeling Financiën, Planning en Control van de IND, postbus 30126, 2500 GC Den Haag. Indien de gemeente een dergelijk verzoek niet indient, ontvangt deze geen vergoeding.
Zie voor de wijze van afdracht van de ontvangen naturalisatiegelden door de gemeente aan de IND, de brief 4 maart 1998 van de afdeling Financiën, Planning en Control van de IND.
Na de inwerkingtreding van het Besluit Naturalisatiegelden 1997 kan zich een aantal situaties voordoen:
a. het verzoek is ingediend ná 1 april 1998 c.q. het voornemen tot indiening van een naturalisatieverzoek is kenbaar gemaakt ná 1 april 1998;
b. het verzoek is ingediend vóór 1 april 1998 door een verzoeker die woont:
- in een gemeente die nog volgens de oude naturalisatieprocedure werkt;
- in een gemeente die volgens de herziene naturalisatieprocedure werkt;
c. het voornemen het Nederlanderschap tot indiening van een naturalisatieverzoek is kenbaar gemaakt vóór 1 april 1998 door een verzoeker die woont;
- in een gemeente die nog volgens de oude naturalisatieprocedure werkt;
- in een gemeente die volgens de herziene naturalisatieprocedure werkt.
‐ ad a. Voor verzoeken die ná 1 april 1998 worden ingediend geldt het Besluit Naturalisatiegelden 1997. Hetzelfde geldt voor voornemens tot indiening van een naturalisatieverzoek, kenbaar gemaakt ná 1 april 1998.
‐ ad b. Voor verzoeken die vóór 1 april 1998 zijn ingediend blijft het Besluit Naturalisatiegelden 1986, gewijzigd bij Besluiten van 2 mei 1988 (Stb. 247) en 28 januari 1993 (Stb. 67), van kracht.
- Voor gemeenten die ten tijde van het verzoek nog volgens de oude procedure werken betekent dat het volgende. In de oude procedure worden verzoeken tot naturalisatie ingediend bij Hare Majesteit de Koningin (lees: Ministerie van Justitie/IND). De naturalisatieleges worden geïnd door het Ministerie van Justitie. Een verzoeker die woont in een gemeente die volgens de oude naturalisatieprocedure werkt, moet zijn naturalisatieverzoek indienen bij Hare Majesteit de Koningin (lees: Ministerie van Justitie/IND).
Het Ministerie van Justitie blijft de naturalisatieleges innen en stelt het voor naturalisatie gebruikelijke onderzoek in. De gemeente ontvangt geen vergoeding.
- Met gemeenten die vóór 1 april 1998 volgens de herziene naturalisatieprocedure werken, is al dan niet bij convenant afgesproken dat zij f 100 per aanvraag afdragen aan het Ministerie van Justitie. Het resterende bedrag (f 400 bij het gewone tarief en f 25 bij het verminderd tarief) behouden de gemeenten zelf.
Indien het verzoek vóór 1 april 1998 is ingediend en de gemeente werkt ten tijde van het verzoek volgens de herziene naturalisatie-procedure, draagt de gemeente derhalve f 100 per aanvraag af aan het Ministerie van Justitie. Het resterende bedrag behoudt de gemeente zelf.
‐ ad c. Voor personen die vóór 1 april 1998 te kennen geven voor naturalisatie in aanmerking te willen komen, maar die in verband met bijvoorbeeld het door de gemeente gehanteerde afsprakensysteem of het niet beschikken over de juiste documenten niet vóór 1 april 1998 een verzoek tot naturalisatie kunnen indienen, blijft het Besluit Naturalisatiegelden 1986, gewijzigd bij Besluit van 2 mei 1988 (Stb. 247) en 28 januari 1993 (Stb. 67), van kracht. Eveneens geldt in die gevallen het afdrachtsysteem van vóór 1 april 1998. Voorwaarde is wel dat de betrokken personen vóór 1 april 1998 aan de voorwaarden voor naturalisatie voldoen en vóór 1 januari 1999 een naturalisatieverzoek indienen en de verschuldigde leges betalen.
Vluchtelingen kunnen als zij vier jaar in Nederland woonplaats of werkelijk verblijf hebben gehad, een naturalisatieverzoek indienen. Vluchtelingen die vóór 1 april 1998 vier jaar woonplaats of werkelijk verblijf in Nederland hebben, maar nog geen vijf jaar, kunnen vóór 1 april 1998 een naturalisatieverzoek indienen dan wel het voornemen kenbaar maken het Nederlanderschap te willen verkrijgen. In beide gevallen blijft het Besluit Naturalisatiegelden 1986, gewijzigd bij Besluit van 2 mei 1988 (Stb. 247) en 28 januari 1993 (Stb. 67), van kracht. Eveneens geldt in die gevallen het afdrachtsysteem van vóór 1 april 1998.
- Voor gemeenten die ten tijde van het kenbaar maken van het voornemen tot naturalisatie nog volgens de oude procedure werken betekent dat het volgende. Het voornemen tot naturalisatie dient kenbaar gemaakt te worden bij Hare Majesteit de Koningin (lees: Ministerie van Justitie/IND). Indien een persoon zich meldt bij de gemeente om het voornemen tot naturalisatie kenbaar te maken maakt de gemeente een verklaring op omtrent het voornemen om het Nederlanderschap te verkrijgen. Bijgaand treft u een model van een dergelijke verklaring aan (model F2.6). Op grond van artikel 2:3 Awb heeft de gemeente een doorzendplicht. In dat kader stuurt de gemeente de opgemaakte verklaring door naar het Ministerie van Justitie.
Ook het naturalisatieverzoek dient te worden ingediend bij Hare Majesteit de Koningin (lees: Ministerie van Justitie/IND). Indien betrokkene het naturalisatie-verzoek indient bij de gemeente geldt eveneens de doorzendplicht (zie hierboven). De naturalisatieleges, gebaseerd op het Besluit Naturalisatiegelden 1986, gewijzigd bij Besluit van 2 mei 1988 (Stb. 247) en 28 januari 1993 (Stb. 67), worden geïnd door het Ministerie van Justitie.
Ook verricht het Ministerie van Justitie het voor naturalisatie gebruikelijke onderzoek. De gemeente ontvangt geen vergoeding.
- Voor gemeenten die ten tijde van het kenbaar maken van het voornemen tot naturalisatie reeds volgens de nieuwe procedure werken betekent dat dat het voornemen tot naturalisatie kenbaar gemaakt moet worden bij de gemeente. Ook het naturalisatieverzoek wordt ingediend bij de gemeente. De gemeente int de leges, gebaseerd op het Besluit Naturalisatie-
gelden 1986, gewijzigd bij Besluit van 2 mei 1988 (Stb. 247) en 28 januari 1993 (Stb. 67) en het al dan niet met de gemeente gesloten convenant, en draagt f 100 per aanvraag af aan het Ministerie van Justitie (zie hierboven onder b). Het resterende bedrag behoudt de gemeente zelf.
Bijgaand is een voorbeeld opgenomen van een verklaring omtrent het voornemen om het Nederlanderschap te verkrijgen (zie model F2.6).
Hoofdstuk 5 Verlies van het Nederlanderschap
- 1. Behalve door het vervallen van de familierechtelijke betrekking waaraan het Nederlanderschap wordt ontleend ingevolge een van de bepalingen van de artikelen 3, 4 en 5 wordt het Nederlanderschap niet verloren dan krachtens een van de bepalingen van de artikelen 15 en 16.
- 2. Geen verlies van het Nederlanderschap uit welken hoofde ook heeft plaats indien staatloosheid daarvan het gevolg zou zijn.
Hoofdstuk 5 van de Rijkswet regelt het verlies van het Nederlanderschap. Een belangrijke regel is, dat het Nederlanderschap in geen geval verloren gaat, als daarvan staatloosheid het gevolg is. Het Nederlanderschap gaat, ongeacht of de betrokkene meerder- of minderjarig is,verloren wanneer de familierechtelijke betrekking waaraan het Nederlanderschap is ontleend, vervalt. Bijvoorbeeld: staande het huwelijk van een Nederlandse man en een Franse vrouw wordt een kind geboren. De man ontkent met succes het vaderschap. Het kind verliest daardoor het Nederlanderschap. Dit kan, want het kind heeft nog de Franse nationaliteit.
Wanneer het Nederlanderschap wordt ontleend aan artikel 11 RWN (mede-naturalisatie), gaat het Nederlanderschap niet verloren wanneer de familierechtelijke betrekking, waaraan de medenaturalisatie ontleend was, vervalt, bijvoorbeeld door ontkenning van het vaderschap. In een voorkomend geval is het raadzaam om hierover in contact te treden met de IND.
Het Nederlanderschap gaat voor een meerderjarige verloren:
a. door het vrijwillig verkrijgen van een andere nationaliteit;
b. door het afleggen van een verklaring van afstand;
c. wanneer de betrokkene na zijn meerderjarigheid gedurende een ononderbroken periode van 10 jaren woonplaats buiten Nederland, de Nederlandse Antillen en Aruba heeft in het land waarin hij is geboren en waarvan hij eveneens de nationaliteit bezit, anders dan in een dienstverband met Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba dan wel een internationaal orgaan waarin het Koninkrijk is vertegenwoordigd, of als echtgenoot van een persoon met een zodanig dienstverband;
d. door intrekking van het besluit waarbij het Nederlanderschap is verleend, welke kan plaatsvinden, indien de betrokkene heeft nagelaten na de totstandkoming van zijn naturalisatie al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen.
Artikel 15 regelt het verlies van het Nederlanderschap voor meerderjarigen. Dit verlies treedt in:
a. door vrijwillig een ander nationaliteit te verkrijgen (bijv. door naturalisatie of optie);
b. door een verklaring van afstand af te leggen (dit is zelfs mogelijk wanneer betrokkene in het koninkrijk woont, maar ook hier geldt: hij mag niet staatloos worden);
c. door tien jaren onafgebroken in het buitenland te wonen, maar alleen als men woont in het land waarvan men onderdaan is en waar men is geboren. Bijvoorbeeld: iemand is te Londen geboren uit aldaar wonende Nederlandse ouders. Hij is Nederlander en Brit. Als hij in Groot-Brittannië blijft wonen verliest hij het Nederlander-schap op zijn 28e verjaardag (nl. tien jaar na het bereiken van de meerderjarigheid). Hij kan dat voorkomen óf door zich voordat de tien jaar om zijn buiten Groot-Brittannië te vestigen, óf door tijdig afstand te doen van de Britse nationaliteit. Geen verlies van het Nederlanderschap op deze wijze is er voor een Nederlander die in het land van zijn geboorte en van zijn tweede nationaliteit woont, wanneer hij daar een functie vervult in een dienstverband met Nederland of de Nederlandse Antillen, ten behoeve van het Koninkrijk of in een dienstverband met een internationaal orgaan of als echtgenoot van zo’n iemand.
d. door intrekking van het naturalisatiebesluit. Intrekking op grond van het feit dat de genaturaliseerde geen afstand heeft gedaan van zijn oorspronkelijke nationaliteit is sinds 1 oktober 1997 geen dode letter meer (zie toelichting artikel 9 lid 1 sub b RWN).
- 1. Het Nederlanderschap gaat voor een minderjarige verloren:
a. door erkenning, wettiging of adoptie door een vreemdeling, indien hij diens nationaliteit daardoor verkrijgt, of deze reeds bezit;
b. indien zijn vader of moeder vrijwillig een ander nationaliteit verkrijgt en hij in die verkrijging deelt of deze nationaliteit reeds bezit;
c. indien zijn vader of moeder het Nederlanderschap verliest ingevolge artikel 15, onder b, c of d;
d. indien hij zelfstandig dezelfde nationaliteit verkrijgt als zijn vader of moeder.
Voor de toepassing van het bepaalde onder b, c en d worden onder vader, onderscheidenlijk moeder mede verstaan de adoptief-vader en de adoptief-moeder aan wie de minderjarige het Nederlanderschap ontleent.
- 2. Het verlies van het Nederlander-schap treedt niet in, indien en zolang de andere ouder het Nederlanderschap bezit.
In artikel 16 zijn de verliesbepalingen met betrekking tot minderjarigen opgenomen. Voor een minderjarige gaat het Nederlanderschap verloren:
a. in geval van erkenning, wettiging of adoptie door een vreemdeling, als hij daardoor diens nationaliteit verkrijgt of als hij die reeds bezat (voor minderjarigen geldt niet alleen dat hij niet staatloos mag worden maar bovendien dat hij het Nederlanderschap niet verliest, zolang één van zijn ouders nog Nederlander is. Bijvoorbeeld: een kind van een Nederlandse vrouw wordt erkend door een Fransman. Het kind wordt Fransman, maar blijft Nederlander omdat zijn moeder dat is).
b. wanneer de vader of de moeder vrijwillig een andere nationaliteit verkrijgt en de minderjarige daarin deelt of die nationaliteit reeds bezat (bijvoorbeeld: uit Nederlandse ouders wordt in Australië een kind geboren. Het kind is Nederlander en Australiër. Wanneer zijn ouders door naturalisatie Australiër worden, verliest het kind hoewel het niet deelt in de Australische naturalisatie, evenals zijn ouders, het Nederlanderschap).
c. als zijn vader of moeder het Nederlanderschap verliest door het doen van afstand, door tien jaar wonen in het geboorteland, tevens tweede vaderland of door intrekking van het naturalisatiebesluit
(N.B.: Ook hier geldt: het kind blijft Nederlander als één van zijn ouders dat is).
d. als hij zelfstandig (d.w.z. onafhankelijk van zijn ouders) dezelfde nationaliteit verkrijgt als zijn vader of moeder (bijvoorbeeld: een kind van Nederlandse ouders heeft niet gedeeld in de naturalisatie van zijn ouders tot Australiër, omdat hij 16 jaar of ouder was. Wanneer hij nu op zijn 16e of 17e jaar ook tot Australiër wordt genaturaliseerd, verliest hij het Nederlander-schap).
Hoofdstuk 6 Vaststelling van het Nederlanderschap
- 1. Een ieder die, buiten een bij enige in een der delen van het Koninkrijk gevestigde rechterlijke instantie of
een in administratief beroep aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft, kan bij de rechtbank te
’s-Gravenhage of, indien hij in de Nederlandse Antillen of Aruba woonachtig is, bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba een verzoek indienen tot vaststelling van zijn Nederlanderschap of tot vaststelling dat hij het Nederlanderschap niet bezit. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip het Nederlanderschap al dan niet bezat.
- 2. Een verzoek als in het vorige lid bedoeld kan ook ten aanzien van een overledene worden gedaan.
Zie Toelichting onder art. 20.
- 1. Omtrent verzoeken als bedoeld in het vorige artikel hoort de rechtbank, onderscheidenlijk het Hof van Justitie, het Openbaar Ministerie. Voor Nederland zijn de artikelen 429d, 429f-429l en 429s-429t van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering van toepassing.
- 2. Voor de belanghebbenden staat van de beschikking uitsluitend beroep in cassatie open.
Zie Toelichting onder art. 20.
Aan een onherroepelijk geworden beschikking, gegeven met toepassing van artikel 17, is elk met de uitvoering van enige wettelijke regeling belast orgaan gebonden.
Zie Toelichting onder art. 20.
- 1. Indien in enige voor een rechterlijke instantie in Nederland, onderscheidenlijk de Nederlandse Antillen of Aruba, aanhangige zaak onzeker is of een bij de zaak belanghebbende al dan niet het Nederlanderschap bezit of op een vroeger tijdstip bezat, kan de rechter terzake het advies van Onze Minister, onderscheidenlijk van Onze Minister van Justitie van de Nederlandse Antillen, onderscheidenlijk Onze Minister van Justitie van Aruba vragen.
- 2. Indien in enig administratief beroep in Nederland, onderscheidenlijk de Nederlandse Antillen en Aruba, ingesteld een in het vorige lid bedoelde onzekerheid bestaat, houdt die instantie de behandeling van de zaak aan en vraagt zij terzake het advies van Onze Minister, onderscheidenlijk van onze Minister van Justitie van de Nederlandse Antillen, onderscheidenlijk Onze Minister van Justitie van Aruba.
- 3. De behandeling van de zaak wordt terstond hervat zodra het in de vorige leden bedoelde advies is ontvangen.
In hoofdstuk 6 van de Rijkswet is de vaststelling van het Nederlanderschap geregeld.
Die vaststelling kan als volgt geschieden. Wanneer alleen de vaststelling van de nationaliteit aan de orde is, dan is in Nederland uitsluitend de rechtbank te ’s-Gravenhage, en in de Nederlandse Antillen of Aruba het gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen bevoegd. Is er echter al ergens een zaak aanhangig bij een rechterlijke instantie of in een administratief beroep, waarbij het mede van belang is dat het al of niet bezitten van het Nederlanderschap wordt vastgesteld, dan is een procedure voor de Haagse rechtbank of het Antilliaanse Hof niet mogelijk. Iemand kan dus niet ’twee ijzers in het vuur hebben’.
De Haagse rechtbank/het Antilliaanse Hof kan ook het bezitten/niet bezitten van het Nederlanderschap op een bepaald tijdstip vaststellen. Dit geldt ook ten aanzien van een reeds overleden persoon (bijvoordbeeld: iemand heeft recht op een uitkering wanneer is aangetoond dat hij tussen 10 mei 1940 en 15 augustus 1945 Nederlander was. Heeft hij beroep aangetekend tegen een beschikking waarbij hem die uitkering is geweigerd, dan kan hij zich niet daarnaast tot de Haagse rechtbank/het Antilliaanse Hof wenden.)
De Haagse rechtbank c.q. het Antilliaanse Hof hoort het Openbaar Ministerie. Van de beschikking van de rechtbank/het Hof van Justitie staat uitsluitend beroep in cassatie open. Is een beschikking onherroepelijk geworden, dan is elk orgaan, dat belast is met de uitvoering van enige wettelijke regeling (korter gezegd: de administratie) daaraan gebonden.
In een rechtszaak, waarbij de vraag of iemand inderdaad (niet) Nederlander is, of op een bepaald moment (niet) Nederlander was, mede van belang is, kan de rechter het advies vragen van de Nederlandse c.q. van de Nederlands-Antilliaanse Minister van Justitie. Komt die vraag in een administratief beroep naar voren, dan moet het advies van de Nederlandse c.q. Nederlands-Antilliaanse Minister van Justitie gevraagd worden. De zaak wordt terstond hervat, zodra het advies (onverplicht voor een rechterlijke instantie, verplicht in een administratief beroep) van de Minister van Justitie is ontvangen.
Hoofdstuk 7 Verklaringen en registers
Tot het in ontvangst nemen van verklaringen tot verkrijging en van afstand van het Nederlanderschap zijn bevoegd:
a. in Nederland: de Burgemeesters;
b. in de Nederlandse Antillen: de door Onze Minister van Justitie van de Nederlandse Antillen aangewezen ambtenaren;
c. in Aruba: de door Onze Minister van Justitie van Aruba aangewezen ambtenaren;
d. in het buitenland: de Nederlandse diplomatieke en consulaire ambtenaren.
In hoofdstuk 7 is geregeld wie bevoegd zijn tot het in ontvangst nemen van verklaringen betreffende het Nederlanderschap. Dit zijn in Nederland de burgemeesters (dit behoeft niet beslist de burgemeester van de woonplaats te zijn), in de Nederlandse Antillen de door de Nederlands-Antilliaanse Minister van Justitie aangewezen ambtenaren, in het buitenland: de consulaire of diplomatieke vertegenwoordigers.
De bevoegde functionaris is in beginsel passief. Wanneer hij vermoedt dat een verklaring niet met rechtsgevolg kan worden gedaan, mag hij betrokkene niet weerhouden. Voorkomen moet worden dat door een misverstand een termijn verstrijkt. Uiteraard staat het de bevoegde functionaris vrij aan iemand die een verklaring heeft afgelegd tot verkrijging van het Nederlanderschap mee te delen dat hij niet aanstonds een Nederlands paspoort of een bewijs van Nederlanderschap kan verkrijgen, omdat eerst moet worden vastgesteld of de kennisgeving wel rechtsgevolg heeft.
- 1. Onze Minister houdt een openbaar register van:
a. de verklaringen tot verkrijging en afstand van het Nederlanderschap;
b. de verlening van het Nederlanderschap;
c. de intrekkingen, bedoeld in artikel 15, onder d.
- 2. Onze Ministers van Justitie van de Nederlandse Antillen en van Aruba houden een openbaar register van de in het eerste lid bedoelde akten welke betrekking hebben op personen die in hun land woonachtig zijn.
Dit artikel bepaalt dat er een register wordt gehouden van:
a. alle verklaringen tot verkrijging of afstand van het Nederlanderschap;
b. alle verleningen van het Nederlanderschap;
c. de besluiten houdende intrekking van een naturalisatiebesluit.
Het register berust bij de afdeling Naturalisatie en Nationaliteit van de regionale directie Zuid-West van de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie (postbus 3210, 2280 GE Rijswijk). In de Nederlandse Antillen en Aruba is een eigen register betreffende daar wonenden. De laatstbedoelde gegevens zijn dus zowel in Willemstad of Oranjestad als in Rijswijk aanwezig. Overige registers zijn:
- Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap;
- Toescheidingsovereenkomst met Indonesië;
- Toescheidingsovereenkomst met Suriname.
Wij kunnen bij algemene maatregel van rijksbestuur nadere regelen stellen ter uitvoering van deze Rijkswet.
Van deze mogelijkheid is, los van het besluit naturalisatiegelden op basis van artikel 13 RWN, tot op heden geen gebruik gemaakt. De verschillende gepubliceerde circulaires hebben niet de status van algemene maatregel van rijksbestuur.
- 1. Deze Rijkswet kan worden aangehaald als ’Rijkswet op het Nederlanderschap’. Zij treedt in werking op een door ons te bepalen tijdstip. Wij kunnen een ander tijdstip vaststellen waarop Hoofdstuk 6 in werking treedt.
- 2. De wet van 12 december 1892, Stb. 268, op het Nederlanderschap en het ingezetenschap, wordt ingetrokken.
De Rijkswet van 19 december 1984, Stb. 628, gewijzigd bij de Rijkswet van 19 december 1984, Stb. 629, is ingevolge het Koninklijk Besluit van 20 december 1984, Stb. 655, op 1 januari 1985 in werking getreden, met uitzondering van hoofdstuk 6 (m.i.v. 1 oktober 1986, besluit van 22 augustus 1986, Stb. 436).
Hoofdstuk 9 Overgangsbepalingen
Nederlanders in de zin van deze Rijkswet zijn mede zij, die bij haar inwerkingtreding het Nederlander-schap bezitten.
Artikel 25 bepaalt dat Nederlanders in de zin van de nieuwe wet ook degenen zijn die dat waren ingevolge de oude wet.
De in artikel 15, onder c, genoemde termijn vangt ten aanzien van Nederlanders die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze Rijkswet woonplaats buiten het Koninkrijk hebben, aan op dat tijdstip.
Artikel 26 bepaalt dat de tienjarige termijn, waarna het Nederlanderschap wordt verloren voor degenen die wonen in het geboorte-, tevens tweede vaderland, aanving bij de inwerkingtreding van de nieuwe Rijkswet op 1 januari 1985.
- 1. Artikel 3 van deze Rijkswet is alleen van toepassing op kinderen geboren na de inwerkingtreding van deze Rijkswet.
- 2. Het niet-Nederlandse kind - daaronder begrepen het in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba geadopteerde kind - van een vrouw die Nederlander is of - indien zij is overleden - ten tijde van het overlijden Nederlander was, verkrijgt, indien het op het tijdstip van inwerkingtreding van deze Rijkswet de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt en niet gehuwd of gehuwd is geweest is, het Nederlanderschap door het afleggen van een daartoe strekkende verklaring. Voor hen die de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt moet de verklaring worden afgelegd door de moeder of - indien deze is overleden - door de wettelijke vertegenwoordiger. Deze verklaring moet worden afgelegd binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze Rijkswet.
Artikel 27 zegt dat artikel 3 RWN (kind is Nederlander, wanneer (de vader of) de moeder Nederlander is) alleen van toepassing is op kinderen geboren na de inwerkingtreding van de Rijkswet. Voor kinderen die voor deze datum zijn geboren was er een optiemogelijkheid, wanneer aan de volgende voorwaarden werd voldaan:
1. betrokkene moest op 1 januari 1985 jonger zijn dan 21 jaar en niet gehuwd of gehuwd geweest zijn;
2. zijn moeder moest op het tijdstip van de optie Nederlander zijn of, als zij was overleden, op het tijdstip van overlijden Nederlander zijn geweest. Hoe en wanneer zij Nederlander is geworden speelde geen rol. Evenmin was van belang waar moeder en kind woonplaats hadden; de woonplaats kon ook verschillend zijn;
3. de verklaring moest worden afgelegd vóór 1 januari 1988, door betrokkene zelf als hij meerderjarig was, anders door de moeder of, als deze was overleden de wettelijke vertegenwoordiger.
De vrouw die het Nederlanderschap heeft verloren door of in verband met haar vóór de inwerkingtreding van deze Rijkswet gesloten huwelijk, verkrijgt het Nederlanderschap door het afleggen van een daartoe strekkende verklaring, welke moet worden afgelegd binnen een jaar na de ontbinding van dat huwelijk of binnen een jaar nadat zij van die ontbinding heeft kunnen kennis nemen. Deze verklaring werkt terug tot de datum van ontbinding van het huwelijk.
Artikel 28 bepaalt dat een vrouw die het Nederlanderschap heeft verloren door of in verband met haar vóór 1 januari 1985 gesloten huwelijk, het Nederlanderschap kan herkrijgen door het afleggen van een verklaring, binnen een jaar nadat het huwelijk is ontbonden.
- de vrouw is nog geen jaar weduwe of van echt gescheiden op het moment dat zij de verklaring aflegt;
- zij verloor haar Nederlanderschap door of in verband met huwelijk;
- dit huwelijk werd gesloten vóór 1 januari 1985. Indien het huwelijk vóór 1 januari 1964 gesloten is, zie de Rijkswet betrekking hebbende op gehuwde en gehuwd geweest zijnde vrouwen van 14 november 1963 (Stb. 467).
’Door of in verband met huwelijk’: hierbij moet niet alleen gedacht worden aan het verlies van de Nederlandse nationaliteit van rechtswege door en tengevolge van het huwelijk (situatie van vóór 1 maart 1964). Hieronder valt ook de situatie dat zij in verband met (niet na ontbinding van) het huwelijk vrijwillig de nationaliteit van de echtgenoot heeft verkregen of samen met hem een andere nationaliteit.
De herkrijging van het Nederlander-schap werkt terug tot de datum waarop het huwelijk is geëindigd! Alle in dit jaar uit de vrouw geboren kinderen krijgen dan van rechtswege de Nederlandse nationaliteit. De verkrijging werkt terug tot de datum van hun geboorte, indien het geboren is na de ontbinding van het huwelijk en voor de datum van de optie.
- Een Nederlandse vrouw is in 1960 gehuwd met een Belg. Zij werd Belgische en verloor het Nederlanderschap. Haar man overlijdt op 20 november 1993. Zij kan de verklaring afleggen vóór 20 november 1994.
- Een Nederlandse vrouw is in 1965 getrouwd met een Belg. Zij werd Belgische, maar bleef Nederlandse.
Zij heeft het Nederlanderschap verworpen, waardoor er een volkomen eenheid van nationaliteit tussen haar en haar man is ontstaan. In 1993 wordt het huwelijk door echtscheiding ontbonden. De vrouw kan nu verklaren weer Nederlandse te willen zijn.
N.B.: De herkrijging van het Nederlanderschap werkt terug tot de datum waarop het huwelijk is geëindigd!
Landen van de Islamitische wereld waar polygamie en/of verstoting mogelijk is


+: kent polygamie
*: polygamie onder beperkte voorwaarden
#: polygamie alleen voor islamitische groep
t: verstoting
=: geen verstoting
-: kent geen polygamie
?: onbekend
F Modellen/Standaardformulieren
F1.1 Verzoeken om naturalisatie tot Nederlander
F1.2 Verklaring in verband met verlies van de tegenwoordige nationaliteit(en) naar aanleiding van naturalisatie tot Nederlander
F1.3 Verklaring in verband met verlies van de Duitse/ Oostenrijkse/ Zuidafrikaanse nationaliteit naar aanleiding van naturalisatie tot Nederlander
F1.4 Waarheidsverklaring
F1.5 Advies geen inwilliging verzoek om naturalisatie
F1.6 Verklaring van ontvangst van verzoek om naturalisatie
F1.7 Verzoek om gegevens uit registers HKD
F1.8 Verzoek om inlichtingen uit strafregistergegevens en algemene documentatieregisters
F1.9 Adviesblad naturalisatie
F1.10 Verklaring instemming aanhouding
F1.11 Verklaring instemming medenaturalisatie (andere) wettelijke vertegenwoordiger
F1.12 Verklaring instemming kind van 12 jaar en ouder verkrijging Nederlanderschap
F1.13 Verzoek vaststelling geslachtsnaam
F1.14 Verklaring van (andere) wettelijke vertegenwoordiger tot instemming naamsvaststelling kind(eren)
F1.15 Verklaring instemming van kind van 12 jaar en ouder met naamsvaststelling
F1.16 Verzoek tot naamswijziging
F1.17 Verklaring van andere wettelijke vertegenwoordiger tot instemming naamswijziging kind(eren)
F1.18 Verklaring instemming van kind van 12 jaar en ouder met naamswijziging
F2.1 Verklaring ontheffing betaling naturalisatieleges
F2.2 Verklaring ’Ingelicht over betaling van naturalisatieleges’
F2.3 Verzoek tot betaling van verschuldigde naturalisatieleges
F2.4 Buitenbehandelingstelling naturalisatieverzoek wegens niet betaling van leges
F2.5 Beslissing verzoek ontheffing naturalisatieleges
F2.6 Voornemen om het Nederlanderschap te verkrijgen
F1.1 Verzoek om naturalisatie tot Nederlander
Verzoek om naturalisatie tot Nederlander
Majesteit,
Ondergetekende,
(Geslachts)na(a)m(en): ...
voorna(a)m(en): ...
geboren op: ...
geboorteplaats en geboorteland: ...
adres: ...
postcode en woonplaats: ...
verzoekt u hierbij hem/haar tot Nederlander te naturaliseren.
Te uwer informatie moge dienen, dat hij/zij de volgende nationaliteit(en) bezit: ...
geen/... minderjarig(e) kind(eren) heeft, voor wie medenaturalisatie wordt verzocht.
Hoogachtend,
..
(plaats) (datum) (handtekening)
F1.2 Verklaring in verband met verlies van de tegenwoordige nationaliteit(en) naar aanleiding van naturalisatie tot Nederlander
Verklaring in verband met verlies van de tegenwoordige nationaliteit(en) naar aanleiding van naturalisatie tot Nederlander
Ondergetekende,
(geslachts)na(a)m(en): ...
voorna(a)m(en): ...
geboren te: ... op: ...
nationaliteit(en): ...
adres: ...
postcode en woonplaats: ...
verklaart zich in verband met zijn/ haar verzoek tot verkrijging van het Nederlanderschap
wel/ niet*
bereid op eerste aanvraag van de Staatssecretaris van Justitie stappen te doen die er toe leiden, dat de nationaliteit(en) die hij/zij momenteel bezit, word(t)(en) verloren en de eventuele daaraan verbonden kosten te voldoen.
Toelichting indien niet bereid: ...
(plaats) (datum) (handtekening)
Bovenstaande verklaring wordt verlangd overeenkomstig artikel 9 lid 1 onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap. Dit artikel beoogt het ontstaan van dubbele nationaliteit te voorkomen. Indien u nalaat na de totstandkoming van uw naturalisatie al het mogelijke te doen om uw oorspronkelijke nationaliteit te verliezen, kan ingevolge artikel 15 onder d, het besluit waarbij u het Nederlanderschap is verleend, worden ingetrokken. Slechts in de uitzonderingsgevallen genoemd in de circulaire van 18 juni 1997, betreffende wijziging van het beleid inzake het doen van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit bij naturalisatie tot Nederlander, kan worden afgezien van het doen van afstand van die nationaliteit. De argumenten hiervoor dienen uitvoerig te worden vermeld en bewijsstukken te worden overgelegd, indien nodig gelegaliseerd en vertaald.
* Doorhalen wat niet van toepassing is.
F1.3 Verklaring in verband met verlies van de Duitse/Oostenrijkse/ Zuidafrikaanse nationaliteit naar aanleiding van naturalisatie tot Nederlander
(Gemeente)Nummer: ...
Verklaring in verband met verlies van de Duitse/Oostenrijkse/ Zuidafrikaanse nationaliteit naar aanleiding van naturalisatie tot Nederlander
Ondergetekende,
(Geslachts)na(a)m(en): ...
voorna(a)m(en): ...
geboren te: ... op: ...
nationaliteit(en): ...
adres: ...
postcode en woonplaats: ...
verklaart in verband met zijn/haar verzoek tot verkrijging van het Nederlanderschap dat hij/zij en zijn/haar minderjarig(e) kind(eren), voor de totstandkoming van de naturalisatie, geen woonplaats of duurzaam verblijf buiten Nederland, de Nederlandse Antillen en Aruba zal/zullen kiezen, en voorts dat door hem/haar en zijn/haar minderjarig(e) kind(eren) aan de betrokken Duitse/Oostenrijkse/Zuidafrikaanse autoriteiten niet is gevraagd noch zal worden gevraagd om verlof de Duitse/Oostenrijkse/ Zuidafrikaanse nationaliteit te behouden.
Toelichting indien niet bereid: ...
(plaats) (datum) (handtekening)
Bovenstaande verklaring wordt verlangd in verband met hetgeen in artikel 9, lid 1, onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap is bepaald. Dit artikel beoogt het ontstaan van dubbele nationaliteit te voorkomen.
(Gemeente)Nummer: ...
Ondergetekende,
(Geslachts)na(a)m(en): ...
Voorna(a)m(en): ...
geboren op: ...
geboorteplaats en geboorteland: ...
nationaliteit(en): ...
adres: ...
postcode en woonplaats: ...
verklaart:
a. dat hij/zij alle gegevens, nodig voor het nemen van een beslissing op zijn/haar naturalisatieverzoek, naar waarheid heeft verstrekt;*
b. dat hij/zij op dit moment niet in of buiten het Koninkrijk aan strafvervolging terzake van misdrijf is onderworpen;*
c. dat hij/zij in de vier jaren direct voorafgaande aan dit naturalisatieverzoek niet in of buiten het Koninkrijk wegens misdrijf is veroordeeld tot een voorwaardelijke of onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf of -maatregel, tot een werk- of leerstraf, of tot een geldboete van f 1000 of meer;*
d. dat jegens hem/haar in de vier jaar direct voorafgaande aan dit naturalisatieverzoek, in of buiten het Koninkrijk, geentenuitvoerlegging van een dergelijke sanctie heeft plaatsgevonden of nog moet plaatsvinden;*
e. dat hij/zij in de vier jaren direct voorafgaande aan dit naturalisatieverzoek niet in of buiten het Koninkrijk, terzake van misdrijf een transactie heeft aanvaard of betaald ter hoogte van f 1000 of meer, en evenmin in het kader van een transactievoorstel een taakstraf heeft aanvaard of verricht;
f. dat hij/zij niet verkeert in een proeftijd, verbonden aan een voorwaardelijk sepot, een voorwaardelijke veroordeling of voorwaardelijke gratieverlening;*
g. dat hij/zij in de vier jaren direct voorafgaande aan dit naturalisatieverzoek nietin of buiten het Koninkrijk meerdere transacties of boeten wegens misdrijf heeft betaald van ieder ten minste f 500 en met een totaal van ten minste f 1500.*
dat hij/zij van mening is dat het openbare orde aspect hem/haar niet kan worden tegengeworpen vanwege de volgende bijzondere feiten of omstandigheden: ...
bijlage: ja/nee
(plaats) (datum) (handtekening)
* Doorhalen de verklaring(en) die verzoeker niet naar waarheid kan afleggen.
F1.5 Advies geen inwilliging van
verzoek om naturalisatie
(Geslachtsnaam)na(a)m(en): ...
voorna(a)m(en): ...
geboren op: ...
geboorteplaats en geboorteland: ...
nationaliteit(en): ...
adres: ...
postcode en woonplaats: ...
verklaart dat hij/zij ter gelegenheid van het door hem/haar ingediende verzoek om naturalisatie tot Nederlander door de behandelend ambtenaar van de gemeente, is medegedeeld, dat op grond van de door hem/haar overgelegde/verstrekte gegevens met betrekking tot inwilliging van het verzoek tot naturalisatie geen positief advies aan de Staatssecretaris van Justitie kan worden uitgebracht.
Het advies zal inhouden het verzoek niet in te willigen aangezien:
0 niet voldaan wordt aan het meerderjarigheidsvereiste
0 er bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde duur
0 niet voldaan wordt aan de verblijfs-termijn van 5 jaar
0 niet voldaan wordt aan de huwelijkse- en/of samenlevingstermijn van tenminste 3 jaar
0 niet voldaan wordt aan de verblijfs-termijn van 10 jaar in totaal, waarvan de laatste 2 jaar onafgebroken voorafgaand aan het verzoek, in Nederland
0 niet beschikt wordt over een redelijke kennis van de Nederlandse taal
0 er sprake is van bigamie
0 niet voldaan wordt aan de vereisten op het gebied van openbare orde
0 er geen bereidheid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit van de naturalisatie tot Nederlander
0 overige
Ondergetekende is bekend met het feit dat geen restitutie van legesgelden plaatsvindt bij afwijzing of intrekking van de aanvraag.
(plaats) (datum) (handtekening)
F1.6 Verklaring van ontvangst van verzoek om naturalisatie
De Burgemeester verklaart heden in ontvangst te hebben genomen het verzoek om naturalisatie tot Nederlander van
(Geslachtsnaam)na(a)m(en): ...
voorna(a)m(en): ...
geboren op: ...
geboorteplaats en geboorteland: ...
nationaliteit(en): ...
adres: ...
postcode en woonplaats: ...
en van zijn/ haar echtgeno(o)t(e)
(Geslachtsnaam)na(a)m(en): ...
voorna(a)m(en): ...
geboren op: ...
geboorteplaats en geboorteland: ...
nationaliteit(en): ...
adres: ...
postcode en woonplaats: ...
Hoogachtend,
de Burgemeester,
namens deze,
..
(plaats) (datum) (handtekening)
F1.7 Verzoek om gegevens uit registers HKD
Geachte heer/ mevrouw,
Hiermede verzoek ik u, onder terugzending van deze brief, ten aanzien van:
(Geslachts)na(a)m(en): ...
voorna(a)m(en): ...
geboren op: ...
geboorteplaats en geboorteland: ...
nationaliteit(en): ...
adres: ...
postcode en woonplaats: ...
over wie ik, in verband met een verzoek om naturalisatie tot Nederlander, moet dienen van bericht en raad, mij de gegevens te verstrekken, welke voorkomen in
· het Schengen Informatie Systeem (NSIS)
· het Opsporingsregister (OPS)
· het register van de Herkennings-dienst (HKD).
Indien bovengenoemd persoon niet voorkomt in genoemde registers, verzoek ik u op deze brief daarvan melding te maken.
Hoogachtend,
de Burgemeester,
namens deze,
..
(plaats) (datum) (handtekening)
F1.8 Verzoek om inlichtingen uit strafregistergegevens en algemene documentatieregisters
(Gemeente)Nummer: ...
Naam Gemeente: ...
Betreft: inlichtingen uit de algemene documenatieregisters artikel 5 Besluit inlichtingen justitiële documentatie
Adressering: Centrale Justitiële Documentatiedienst
bij het Ministerie van Justitie
Postbus 337
7600 AH Almelo
Hierbij verzoek ik u mij, onder terugzending van deze brief, op grond van artikel 1, lid 1, van het Besluit inlichtingen strafregisters (Stcrt.1958, 221) en artikel 5 van het Besluit inlichtingen justitiële documentatie (Stb. 1958, 446) ten aanzien van:
(Geslachts)na(a)m(en): ...
voorna(a)m(en): ...
geboren op: ...
geboorteplaats en geboorteland: ...
nationaliteit(en): ...
adres: ...
postcode en woonplaats: ...
over wie ik in verband met een verzoek om naturalisatie tot Nederlander moet dienen van bericht en raad, te willen doen toekomen:
a. de strafregistergegevens;
b. een inlichting uit de algemene documentatieregisters, als bedoeld in artikel 5, lid 1, van bovengenoemd besluit met betrekking tot de uit het strafregister verwijderde strafbladen.
De ondergetekende is op grond van artikel 8 van bovengenoemd besluit door de Burgemeester van de gemeente gemachtigd tot het doen van deze aanvraag.
De Burgemeester,
namens deze,
..
Naam van de aanvrager: ...
Functie van de aanvrager: ...
(plaats) (datum) (handtekening)
vanaf 17 jaar per persoon invullen
Gemeentenummer:...
Contactpersoon: ...
Tel.: ...
Betreft:
0 man
0 vrouw
0 kind, (voor)na(a)m(en)
.. mee te naturaliseren minderjarige kinderen, waarvan
.. 12 jaar en ouder
1. Verificatie persoonsgegevens
0 akkoord
0 niet akkoord, zie toelichting
2. Meerderjarigheid
0 akkoord
0 niet akkoord, zie toelichting
3. Verblijfstermijn
0 akkoord
0 niet akkoord, zie toelichting
0 n.v.t.
4. Verblijf voor onbepaalde tijd
0 akkoord
0 niet akkoord, zie toelichting
0 bijzondere banden, zie toelichting
5. Inburgering
0 akkoord
0 niet akkoord, zie toelichting
6. Antecedenten
0 akkoord
0 niet akkoord, zie toelichting
7. Bereidverklaring tot het doen van afstand
0 niet verlangd, verzoek van voor 1/10/97
0 niet verlangd o.g.v. circulaire 10....(a, b, c, e, f, g, h of i)
0 akkoord, zie bereidverklaring
0 niet bereid, zie verklaring met bewijsstukken
8. Instemming medenaturalisatie
0 n.v.t.
0 akkoord
0 niet akkoord, zie verklaring en toelichting waarom andere wettelijke vertegenwoordiger of kind van 12 jaar en ouder niet instemt
9. Naamsverklaring
0 n.v.t.
0 akkoord zie bijlage(n)
0 niet akkoord, zie toelichting
10. Betaling
0 akkoord, zie kwitantie
0 niet akkoord
Advies
0 geen bezwaar
0 bezwaar op grond van ... met toelichting
0 aanhouding (zie toelichting)
0 overige
Toelichting
0 ja
0 nee
(plaats en datum) (functie en handtekening)
Toelichting op het invullen van het adviesblad en het te vormen dossier
Tijdens de herziene procedure wordt geen gebruik meer gemaakt van de staat van inlichtingen. In plaats daarvan is in overleg met een aantal gemeenten een adviesblad ontwikkeld (model F1.9). Een adviesblad moet worden ingevuld voor elke verzoeker, alsmede voor de kinderen die tijdens de behandeling van het verzoek meerderjarig kunnen worden. Vanaf 17 jaar moet voor ieder kind dus een apart adviesblad worden ingevuld.
Het is de bedoeling, dat het adviesblad - met daaraan toe te voegen uittreksels uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, verzoeken om naamsvaststelling/-wijziging, instemmingsverklaringen etc.- de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna te noemen IND) zoveel mogelijk dezelfde informatie verschaft als de ingevulde staat van inlichtingen.
Enkele gegevens, zoals nationaliteit (voor huwelijk en woonplaats van de niet in de gemeente ingeschreven (gewezen) echtgeno(o)t(e), alsmede nationaliteit en woonplaats van de ouders van verzoekers, zullen niet uit de uittreksels kunnen blijken. Vermelding van die gegevens blijft dan ook, tenzij echt noodzakelijk, achterwege.
Voor elke verzoeker dient een overzichtelijk uitgebreid uittreksel uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens te worden bijgevoegd. Het uittreksel dient in elk geval de volgende gegevens te bevatten:
· naam;
· geboortedatum;
· geboorteplaats;
· burgerlijke staat;
· adreshistorie (eerste datum van inschrijving in een Nederlandse gemeente en alle volgende adressen waar de persoon in Nederland heeft verbleven van wanneer tot wanneer);
· de huwelijkshistorie (chronologisch alle huwelijken vermelden, ook de wijze van ontbinding);
· alle eigen kinderen (naam, geboortedatum, geboorteplaats en nationaliteit);
namen van ouders van verzoeker.
Indien verzoeker gehuwd is met een in Nederland verblijvende (ex)echtgeno(o)t(e)/partner dan dient een uitgebreid uittreksel van deze (ex)echtgeno(o)t(e)/partner meegezonden te worden, ook als deze Nederlander is. Daarnaast dienen van alle mee te naturaliseren kinderen, uittreksels te worden bijgevoegd.
Het adviesblad mag met de pen worden ingevuld. Bevat een dossier meer dan één adviesblad, dan wordt linksbovenaan het blad aangegeven wie het betreft. Voorts wordt aangegeven hoeveel mee te naturaliseren kinderen in het verzoek zijn betrokken, en welk aantal daarvan de leeftijd van 12 jaar en ouder heeft bereikt. Op de rechterbovenkant van het adviesblad dient het gemeentenummer te worden ingevuld. Het gemeentenummer is als volgt samengesteld: gba-code, gevolgd door het laatste cijfer van het jaar, gevolgd door een volgnummer, waarbij de voorloopnul(len) van de gba-code wel en de voorloopnul(len) van het volgnummer niet hoeft/hoeven te worden vermeld. Een eerste naturalisatieverzoek in 1999 ingediend bij de Burgemeester van Rotterdam krijgt als gemeentekenmerk 0599.9.1. Daarnaast dient de naam van de contactpersoon, zijnde de behandelend ambtenaar, en het telefoonnummer van de contactpersoon te worden ingevuld. Het adviesblad dient ondertekend te worden door een daartoe bevoegde ambtenaar (onderaan het adviesblad). Tevens dient onderaan het adviesblad de datum van het advies te worden ingevuld. Bij de aanlevering van het advies van een gezin dienen de stukken per persoon gebundeld te worden en de stukken van de minderjarige kinderen kunnen bij die van de vader gevoegd worden.
1. Verificatie persoonsgegevens:
Indien de door verzoeker overgelegde documenten in overeenstemming zijn met zijn gegevens opgenomen in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens kan op het adviesblad akkoord worden ingevuld. Indien de overgelegde documenten niet in overeenstemming zijn of kunnen worden gebracht met de gegevens in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens dient op het adviesblad niet akkoord te worden ingevuld. Een uiteenzetting dient gegeven te worden in de toelichting bij het adviesblad naturalisatie.
2. Meerderjarigheid:
Bij minderjarigheid van verzoeker, dient in de toelichting op het adviesblad aangegeven te worden of de Burgemeester van mening is dat verzoeker met toepassing van artikel 10 van de Rijkswet op het Nederlander-schap genaturaliseerd kan worden.
3. Verblijfstermijn:
N.v.t. kan worden aangekruist bij oud-Nederlanders (en oud-Nederlandse onderdanen), 3 jaren huwelijk met een Nederlander en bij verzoekers die tijdens hun meerderjarigheid door een Nederlander zijn erkend, gewettigd of geadopteerd. Indien de Burgemeester van mening is dat artikel 10 van de Rijkswet van toepassing is kan hij dit in de toelichting motiveren.
4. Verblijfsvergunning:
Gegevens van de vergunning worden niet op het adviesblad genoteerd. Deze gegevens kunnen blijken uit de kopie van het verblijfsdocument danwel de beschikking van de Korpschef òf de Staatssecretaris van Justitie, waaruit blijkt dat verzoeker is toegelaten. Indien het verblijf niet akkoord is, dient een toelichting gegeven te worden. Hetzelfde geldt als verzoeker bijzondere banden met Nederland heeft.
5. Inburgering:
Bij niet akkoord dient in de toelichting aangegeven te worden op grond waarvan de Burgemeester van mening is dat aan dit vereiste niet wordt voldaan. Indien er een verzoek tot aanhouding van de beslissing door verzoeker is gedaan kan dit in de toelichting uitgebreid gemotiveerd worden. Voorts dient een mogelijke toepassing van artikel 10 RWN uitgebreid gemotiveerd te worden in de toelichting.
6. Antecedenten:
Hieronder moet worden verstaan: de inlichtingen verkregen van de Herkenningsdienst en de Justitiële Documentatiedienst.
7. Bereidverklaring tot het doen van afstand:
· Indien verzoeker voor 1 oktober 1997 kenbaar heeft gemaakt een naturalisatieverzoek te willen indienen en hij voldeed op dat moment aan de voorwaarden dan kan het eerste rondje worden aangekruist.
· Als van verzoeker niet verlangd kan worden dat hij afstand doet van zijn oorspronkelijke nationaliteit(en) op grond van de categorieën a, b, c, e, f, g, h, of i, genoemd onder nummer 10 van de betreffende circulaire, dient het tweede rondje te worden aangekruist. Aangegeven dient te worden welke uitzonderingscategorie op verzoeker van toepassing is.
· De derde mogelijkheid is bedoeld voor de verzoeker die afstand wil doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Tevens dient de bereidverklaring tot afstand volledig te zijn ingevuld.
· Het vierde rondje wordt aangekruist als verzoeker geen afstand wil doen en/of van mening is dat één van de uitzonderingscategorieën genoemd onder 10 j, k, l of m van de circulaire op hem van toepassing is. Ook hier dient de bereidheidverklaring tot het doen van afstand te zijn ingevuld.
Bij de tweede mogelijkheid, te weten ’bezwaar op grond van’, dient te worden aangegeven op grond van welk bovengemeld cijfer bezwaar bestaat. Een uiteenzetting kan in de toelichting aangegeven worden.
De volgorde van stukken, indien nodig bijgevoegd, is als volgt:
1. adviesblad en eventueel de toelichting
2. uitgebreid uittreksel gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (woon-, huwelijk- en kinderhistorie)
3. uittreksel(s) justitiële documentatiedienst (ook kinderen vanaf 16 jaar)
4. uittreksel(s) herkenningsdienst (ook kinderen vanaf 12 jaar)
5. verificatie vreemdelingendienst
6. kopie verblijfsvergunning (doel en geldigheid)
7. kopie paspoort (identiteitspagina en pagina geldigheid paspoort)
8. kopie (gelegaliseerde en geverifieerde) geboorteakte
9. kopie (gelegaliseerde en geverifieerde) huwelijksakte
10. kopie (gelegaliseerde en geverifieerde) verstotingsakte (zonder blijk van instemming vrouw geen huwelijksontbinding)
11. verzoek
12. naamsverklaring, dan kopie (gelegaliseerde en geverifieerde) geboorte- en of huwelijksakte 13. bereidheidsverklaring
14. instemmingsverklaring medenaturalisatie (ouder en kinderen vanaf 12 jaar)
15. waarheidsverklaring
16. uitkeringsspecificatie (gezins)inkomen (alleen bij laag tarief)
17. uitwisselingsformulier (voor personen afkomstig uit België, Duitsland, Frankrijk, Griekenland, Italië, Luxemburg, Noorwegen, Oostenrijk, Portugal of Turkije)
18. overige documenten en verklaringen
F1.10 Verklaring instemming aanhouding
Verklaring instemming aanhouding
Ondergetekende,
(Geslachts)na(a)m(en): ...
voorna(a)m(en): ...
geboren op: ...
geboorteplaats en geboorteland: ...
nationaliteit(en): ...
adres: ...
postcode en woonplaats: ...
stemt:
0 wel in met de aanhouding van de beslissing op zijn/haar naturalisatieverzoek voor de periode van zes maanden
0 niet in met de aanhouding van de beslissing op zijn/haar naturalisatieverzoek voor de periode van zes maanden omdat ...
(plaats) (datum) (handtekening)
F1.11 Verklaring instemming mede-naturalisatie (andere) wettelijke vertegenwoordiger
Verklaring instemming medenaturalisatie (andere) wettelijke vertegenwoordiger
Ondergetekende,
(Geslachts)na(a)m(en): ...
voorna(a)m(en): ...
geboren op: ...
geboorteplaats en geboorteland: ...
nationaliteit(en): ...
adres: ...
postcode en woonplaats: ...
0 heeft geen bezwaar tegen de medenaturalisatie van zijn/haar kind(eren) met de vader/moeder
0 heeft wel bezwaar tegen medenaturalisatie van zijn/haar kind(eren) met de vader/moeder, omdat:
(plaats) (datum) (handtekening)
F1.12 Verklaring instemming kind van 12 jaar en ouder verkrijging Nederlanderschap
Ondergetekende,
(Geslachts)na(a)m(en): ...
voorna(a)m(en): ...
geboren op: ...
geboorteplaats en geboorteland: ...
nationaliteit(en): ...
adres: ...
postcode en woonplaats: ...
zoon/dochter van: ...
geboren op: ... te ...
en van: ...
geboren op: ... te ...
verklaart hierbij wel/niet* in te stemmen met de verkrijging van het Nederlanderschap.
(plaats) (datum) (handtekening)
* Doorhalen wat niet van toepassing is.
F1.13 Verzoek vaststelling geslachtsnaam
Verzoek tot naamsvaststelling
(Geslachts)na(a)m(en): ...
voorna(a)m(en): ...
geboren op: ...
geboorteplaats en geboorteland: ...
nationaliteit(en): ...
adres: ...
postcode en woonplaats: ...
verzoekt hem/haar bij zijn/haar naturalisatie zijn/haar geslachtsnaam vast te stellen als:
Geslachtsnaam: ....
en zijn/haar voorna(a)m(en) als: ...
Voorna(a)m(en): ...
en de voorna(a)m(en) van zijn/haar op ...
geboren minderjarig(e) kind(eren)* als: ...
Voorna(a)m(en): ...
(plaats) (datum) (handtekening)
* Wordt naamsvaststelling voor een minderjarig kind verlangd maar kan het kind, ingevolge bepalingen van het burgerlijk wetboek (artikel 7, lid 3, boek 1), niet delen in de geslachtsnaamsvaststelling van de naturalisandus, dan dient een apart verzoek van de wettelijk vertegenwoordiger tot vaststelling van de geslachtsnaam van het kind te worden bijgevoegd (is het kind 12 jaar of ouder, dan dient het hiermee in te stemmen).
F1.14 Verklaring van (andere) wettelijke vertegenwoordiger tot instemming naamsvaststelling kind(eren)
Verklaring van (andere) wettelijke vertegenwoordiger tot instemming naamsvaststelling kind(eren)
Ondergetekende,
(Geslachts)na(a)m(en): ...
voorna(a)m(en): ...
geboren op: ...
geboorteplaats en geboorteland: ...
nationaliteit(en): ...
adres: ...
postcode en woonplaats: ...
verklaart dat hij/zij wel/geen* (*doorhalen wat niet van toepassing is) bezwaar heeft dat van zijn/haar minderjarig(e) kind(eren):
1)
2)
3)
de geslachtsnaam wordt vastgesteld als:
Geslachtsnaam: ...
en de voorna(a)m(en) als:
Voorna(a)m(en): ...
1)
2)
3)
(plaats) (datum) (handtekening)
F1.15 Verklaring instemming van kind van 12 jaar en ouder met naamsvaststelling
Verklaring instemming van kind van 12 jaar en ouder met naamsvaststelling
Ondergetekende,
(Geslachts)na(a)m(en): ...
voorna(a)m(en): ...
geboren op: ...
geboorteplaats en geboorteland: ...
nationaliteit(en): ...
adres: ...
woonplaats en postcode: ...
zoon/ dochter van: ...
geboren op: ... te ...
en van: ...
geboren op: ... te ...
verklaart hierbij wel/niet in te stemmen met de vaststelling van zijn/haar geslachtsnaam en voorna(a)m(en) als:
Geslachtsnaam: ...
Voorna(a)m(en): ...
(plaats) (datum) (handtekening)
F1.16 Verzoek tot naamswijziging*
Verzoek tot naamswijziging*
Ondergetekende,
Geslachtsnaam: ...
voorna(a)m(en): ...
geboren op: ...
geboorteplaats en geboorteland: ...
nationaliteit(en): ...
adres: ...
postcode en woonplaats: ...
verzoekt bij zijn/haar naturalisatie zijn/haar geslachtsnaam te wijzigen in:
geslachtsnaam: ...
(plaats) (datum) (handtekening)
* Wordt naamswijziging voor een minderjarig kind verlangd maar kan het kind, ingevolge bepalingen van het burgerlijk wetboek (artikel 7, lid 3, boek 1), niet delen in de geslachtsnaamswijziging van de naturalisandus, dan dient een apart verzoek van de wettelijk vertegenwoordiger tot wijziging van de geslachtsnaam van het kind te worden bijgevoegd (is het kind 12 jaar of ouder, dan dient het hiermee in te stemmen).
F1.17 Verklaring van andere wettelijke vertegenwoordiger tot instemming naamswijziging kind(eren)
Verklaring van andere wettelijke vertegenwoordiger tot instemming naamswijziging kind(eren)
Ondergetekende,
(Geslachts)na(a)m(en): ...
voorna(a)m(en): ...
geboren op: ...
geboorteplaats en geboorteland: ...
nationaliteit(en): ...
adres: ...
postcode en woonplaats: ...
verklaart dat hij/zij wel/geen* bezwaar heeft dat onderstaande kind(eren) de geslachtsnaam: ... verkrijgen.
1)
2)
3)
4)
5)
6)
(plaats) (datum) (handtekening)
* Doorhalen wat niet van toepassing is.
F1.18 Verklaring instemming van kind van 12 jaar en ouder met naamswijziging
Verklaring instemming van kind van 12 jaar en ouder met naamswijziging
Ondergetekende,
(Geslachts)na(a)m(en): ...
voorna(a)m(en): ...
geboren op: ...
geboorteplaats en geboorteland: ...
nationaliteit(en): ...
adres: ...
postcode en woonplaats: ...
zoon/dochter van: ...
geboren op: ... te ...
en van:
geboren op: ... te ...
verklaart hierbij wel/niet* in te stemmen met de wijziging van zijn/haar geslachtsnaam in:
Geslachtsnaam: ...
(plaats) (datum) (handtekening)
* Doorhalen wat niet van toepassing is.
F2.1 Verklaring ontheffing betaling naturalisatieleges
Aan ondergenoemde*,
(Geslachts)na(a)m(en): ...
voorna(a)m(en): ...
geboortedatum en -plaats: ...
adres: ...
postcode en woonplaats: ...
is ontheffing van de betaling van de naturalisatieleges verleend, omdat
0 het een verzoek tot zelfstandige naturalisatie van een minderjarige betreft;
0 hij/zij ingevolge een administratieve vergissing reeds meer dan een jaar als Nederlander is aangemerkt;
0 hij/zij op grond van staatsbelang of van zijn verdiensten voor de staat genaturaliseerd wordt.
Hoogachtend,
de Burgemeester,
namens deze,
..
(plaats) (datum) (handtekening)
* Indien het verzoek een minderjarige betreft, dient de naam van de wettelijk vertegenwoordiger te worden ingevuld.
F2.2 Verklaring ’Ingelicht over betaling van naturalisatieleges’
Ondergetekende*,
(Geslachts)na(a)m(en): ...
voorna(a)m(en): ...
geboortedatum en -plaats: ...
adres: ...
postcode en woonplaats: ...
verklaart hierbij dat hij/zij ter gelegenheid van het door hem/haar ingediende verzoek om naturalisatie tot Nederlander door de behandelend ambtenaar van de gemeente * is ingelicht over de regeling inzake de voor naturalisatie verschuldigde leges. Verzoeker is ermee bekend dat na de betaling van de leges deze niet meer worden terugbetaald, ook niet bij afwijzing of intrekking van het verzoek. Ook is hij/zij geïnformeerd over de regels met betrekking tot het verminderd tarief en de mogelijkheid tot het indienen van een verzoek om ontheffing van de betaling van de naturalisatieleges.
Hem/haar is bekend dat hij/zij dient te betalen het bedrag van
0 f 500
0 f 250
0 f 700
0 f 450
Hij/zij is ermee bekend dat hij/zij bovenstaand bedrag binnen dertien weken na indiening van het verzoek om naturalisatie per kas aan de gemeente dient te betalen.
0 Hij/zij is wel/niet vrijgesteld van betaling van de naturalisatieleges.
0 Hij/zij heeft op * (datum) een verzoek om ontheffing van de betaling van de naturalisatieleges ingediend.
(aankruisen hetgeen van toepassing is)
(plaats) (datum) (handtekening)
* Indien het verzoek een minderjarige betreft, dient de naam van de wettelijk vertegenwoordiger te worden ingevuld.
F2.3 Verzoek tot betaling van verschuldigde naturalisatieleges
Aan *
Behandelend ambtenaar: ... *
Doorkiesnummer: ...*
Datum: ...*
(Gemeente)Nummer: ...*
Betreft: betaling naturalisatieleges
Geachte heer/mevrouw,
Naar aanleiding van uw verzoek om naturalisatie laat ik u het volgende weten.
Voor de behandeling van een naturalisatieverzoek zijn leges verschuldigd. Bij de indiening van uw naturalisatieverzoek bent u op de hoogte gesteld dat u vóór * (datum) het bedrag van f * per kas aan de gemeente dient te voldoen. Uit mijn administratie blijkt dat u de verschuldigde naturalisatiegelden nog niet heeft voldaan. Indien u binnen twee weken na dagtekening van deze brief de verschuldigde naturalisatieleges niet heeft betaald, zal uw naturalisatieverzoek buiten behandeling worden gesteld.
De Staatssecretaris van Justitie,
namens deze,
de Burgemeester,
namens deze,
..
F2.4 Buitenbehandelingstelling naturalisatieverzoek wegens niet betaling van leges
Aan *
Behandelend ambtenaar: ...*
Doorkiesnummer: ...*
Datum: ...*
(Gemeente)Nummer: ...*
Betreft: buitenbehandelingstelling van uw naturalisatieverzoek
Geachte heer/mevrouw,
Naar aanleiding van uw verzoek om naturalisatie laat ik u het volgende weten.
U heeft op * (datum) een naturalisatieverzoek ingediend. Bij brief van * (datum) heb ik u meegedeeld dat uit mijn administratie blijkt dat u de voor naturalisatie verschuldigde leges niet heeft betaald. Tevens heb ik u meegedeeld dat indien u binnen twee weken de naturalisatieleges niet betaalt, uw naturalisatieverzoek buiten behandeling zal worden gesteld.
Uit mijn administratie blijkt dat u de verschuldigde naturalisatieleges niet binnen bovengenoemde termijn van twee weken heeft betaald. Op grond van artikel 4 van het Besluit Naturalisatiegelden 1997 j° artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht stel ik uw naturalisatieverzoek buiten behandeling.
Indien u toch prijs stelt op naturalisatie kunt u een nieuw naturalisatieverzoek indienen. Of u kunt, indien u het niet eens bent met mijn beslissing tot buitenbehandelingstelling, tegen deze beslissing bezwaar aantekenen. U moet dan binnen zes weken na dagtekening van deze brief een bezwaarschrift richten aan de Staatssecretaris van Justitie. Dit bezwaarschrift dient gemotiveerd te zijn en dient u te sturen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst, *(adres van het desbetreffende IND-regiokantoor). Vermeld dan linksboven uw brief het woord ’bezwaarschrift’ en het gemeentenummer van uw verzoek. Stuurt u tevens een kopie van deze brief mee.
De Staatssecretaris van Justitie,
namens deze,
de Burgemeester,
namens deze,
..
F2.5 Beslissing verzoek ontheffing naturalisatieleges
Aan *
Behandelend ambtenaar: ...*
Doorkiesnummer: ...*
Datum: ...*
(Gemeente)Nummer: ...*
Betreft: verzoek om ontheffing van betaling van de naturalisatieleges
Geachte heer/mevrouw,
Naar aanleiding van uw verzoek om naturalisatie laat ik u het volgende weten.
Ik wijs uw verzoek om ontheffing van de naturalisatieleges af. Ingevolge artikel 3 lid 2 van het Besluit Naturalisatiegelden 1997 kunnen de volgende categorieën personen in aanmerking komen voor ontheffing van de betaling van de naturalisatiegelden:
a. een minderjarige die zelfstandig een verzoek tot naturalisatie indient
b. een persoon die ingevolge een administratieve vergissing reeds meer dan een jaar als Nederlander is aangemerkt
c. een persoon die op grond van staatsbelang of van zijn verdiensten voor de staat genaturaliseerd wordt.
Slechts in bijzondere gevallen wordt aan de onder a genoemde personen ontheffing verleent. Aan de onder b genoemde personen wordt geen ontheffing verleend, indien de bedoelde vergissing het gevolg is van frauduleus of onzorgvuldig gedrag van de verzoeker.
U komt niet in aanmerking voor ontheffing, omdat * (motivering).
Indien u het niet eens bent met mijn beslissing om geen ontheffing te verlenen, kunt u daartegen bezwaar aantekenen. U moet dan binnen zes weken na dagtekening van deze brief een bezwaarschrift richten aan de Staatssecretaris van Justitie. Dit bezwaarschrift dient gemotiveerd te zijn en dient u te sturen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst, * (adres van het desbetreffende IND-regiokantoor). Vermeld dan linksboven uw brief het woord ’bezwaarschrift’ en het gemeentenummer van uw verzoek. Stuurt u tevens een kopie van deze brief mee.
Ik wijs u erop dat de indiening van een bezwaarschrift ingevolge artikel 6:16 van de Algemene wet bestuursrecht geen schorsende werking heeft, dat wil zeggen dat u binnen dertien weken na dagtekening van deze brief het bedrag van f * dient te betalen per kas aan de gemeente.
De Staatssecretaris van Justitie,
namens deze,
de Burgemeester,
namens deze,
..
F2.6 Voornemen om het Nederlanderschap te verkrijgen
Ondergetekende,
(Geslachts)na(a)m(en): ...
voorna(a)m(en): ...
geboortedatum en -plaats: ...
postcode en woonplaats: ...
heeft op * (datum) het voornemen kenbaar gemaakt het Nederlanderschap door middel van naturalisatie te willen verkrijgen. Hij/zij is op de hoogte gesteld dat bij de indiening van zijn/haar verzoek de hoogte van de te betalen naturalisatieleges zal worden bepaald op grond van het Besluit Naturalisatiegelden 1986.
Hoogachtend,
de Burgemeester,
namens deze,
..
(plaats) (datum) (handtekening)
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-1999-204-p12-SC20888.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.