Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Justitie | Staatscourant 1999, 188 pagina 5 | Overig |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Justitie | Staatscourant 1999, 188 pagina 5 | Overig |
Aan:
- de Korpschefs Politieregio’s
- de Staf van de Koninklijke Marechaussee
i.a.a:
- de Procureurs-Generaal
Onderdeel: Uitvoeringsbeleid
Datum: 1 oktober 1999
Ons kenmerk: 790851/99/IND
Code: TBV 1999/23
Geldig van/tot: 1 oktober 1999 tot 1 december 1999
Onderwerp: Tijdelijke regeling witte illegalen
In het kader van de behandeling van de Koppelingswet in juni 1998 is door leden van de Tweede Kamer opnieuw aandacht gevraagd voor vreemdelingen die geen beroep meer konden doen op het op 1 januari 1998 beëindigde illegalenbeleid. Tijdens het plenair debat van 25 juni 1998 is een motie aangenomen van de leden Dittrich (D’66) en Albayrak (PvdA) (TK 1997-1998, 19367, nr. 351) om in voorkomende schrijnende gevallen verstandig gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid.
In mijn brief van 1 februari 1999 (TK 1998-1999, 25457, nr. 12) heb ik vermeld dat bij de aanvragen van een vergunning tot verblijf door langdurig illegalen die ná 1 januari 1998 zijn ingediend, wordt getoetst of er sprake is van dermate bijzondere omstandigheden dat toelating op grond van klemmende redenen is geïndiceerd. Het gebruiken van deze zogenaamde discretionaire bevoegdheid gebeurt daar waar het gaat om een samenstel c.q. combinatie van bijzondere factoren, die er in hun onderlinge samenhang bezien, toe leiden dat de toepassing van het beleid in het concrete individueel geval getuigt van een onbedoelde bijzondere hardheid. Het gaat hierbij met name om factoren - uiteraard in hun onderlinge samenhang - als een zeer lange verblijfsduur in Nederland, medische factoren, gezinsomstandigheden en overige klemmende redenen van humanitaire aard.
In lijn van de motie van de leden Dittrich en Albayrak heb ik op 8 maart 1999 ingestemd met het voorstel van de burgemeester van Amsterdam, om de burgemeesters van de vier grote steden, te weten Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Utrecht, een advies te laten uitbrengen over de gezinsomstandigheden en de mate van inburgering van langdurig in Nederland verblijvende illegalen die naar hun oordeel een rol dienen te spelen bij het gebruik van de discretionaire bevoegdheid.
Bij brief van 1 juli 1999 heeft deze commissie van burgemeesters mij ingelicht over de werkzaamheden die zij tot die datum hebben verricht en hun bevindingen terzake. Daarbij is onder meer de door de commissie gehanteerde werkwijze aan de orde gekomen. De commissie toetst voordat zij overgaat tot advisering aan een aantal voorwaarden. Indien een vreemdeling niet aan die voorwaarden voldoet, wordt geen advies uitgebracht over de mate van inburgering. Indien het verzoek wel voldoet aan de door de commissie gestelde voorwaarden en derhalve ontvankelijk wordt verklaard, wordt aan de hand van een aantal criteria een advies uitgebracht over de mate van inburgering in de Nederlandse samenleving.
De arrondissementsrechtbank te Den Haag, Sector bestuursrecht, rechtseen-heidskamer Vreemdelingenzaken (Rek) heeft op 10 juni jongstleden een drietal uitspraken gedaan die zien op de uitleg van het zogenaamde witte-illegalenbeleid. In de uitspraak AWB 99/1485 VRWET overweegt de rechtbank dat uit de ratio van het langdurig illegalenbeleid niet zonder meer volgt dat onverkorte toepassing van het middelenvereiste geëigend is. Verder acht de rechtbank in deze uitspraak een enkele uitschrijving uit het bevolkingsregister onvoldoende voor de conclusie dat er geen sprake is geweest van ononderbroken verblijf. In de uitspraken AWB 99/1481 VRWET en AWB 99/1484 spreekt de rechtbank uit dat een eerdere, onder het oude beleid ingediende (en eventueel afgewezen) aanvraag niet kan worden tegengeworpen aan een vreemdeling die opnieuw een aanvraag om toelating heeft ingediend.
In het licht van de bevindingen van de commissie, alsmede de eerdergenoemde uitspraken van de rechtseenheidskamer, heb ik in het kader van mijn discretionaire bevoegdheid besloten tot de volgende tijdelijke regeling.
Deze regeling stelt de voorwaarden om in aanmerking te kunnen komen voor advisering door de commissie van burgemeesters en bepaalt vervolgens de criteria die een rol spelen bij de vaststelling van de mate van inburgering.
Om te kunnen komen tot een spoedige afronding van de advisering door de commissie van burgemeesters heb ik besloten om vreemdelingen die menen in aanmerking te komen voor een advies van de commissie, gedurende twee maanden de gelegenheid te geven om een verzoek om advies over de mate van hun inburgering in te dienen. De voorwaarden om in aanmerking te komen voor een advies worden getoetst door de Immigratie- en Naturalisatiedienst, die - indien een verzoek voldoet aan de gestelde voorwaarden - zal zorgdragen voor het doorsturen van het verzoek aan de commissie van burgemeesters.
Nadat de commissie van burgemeesters aan mij een advies heeft uitgebracht over de mate van inburgering in een individueel geval, zal ik beoordelen of in dat geval gebruik moet worden gemaakt van de discretionaire bevoegdheid.
Een verzoek om advies over de mate van inburgering door de commissie van burgemeesters wordt alleen in behandeling genomen indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
1. Het verzoek moet tussen 1 oktober 1999 en 1 december 1999 worden ingediend en ontvangen zijn bij:
Immigratie- en Naturalisatiedienst
Postbusnummer 3022
2280 GA Rijswijk
2. De vreemdeling dient aan te tonen dat hij vanaf 1 januari 1992 ononderbroken woonplaats heeft gehad in Nederland.
3. De vreemdeling dient in ieder geval vanaf 1 januari 1992 tot en met 1 juli 1998 (rechtmatig) in het bezit te zijn geweest van een sofinummer.
4. De vreemdeling dient in het bezit te zijn van een geldig paspoort.
5. De vreemdeling mag gedurende de onder 2 genoemde periode niet Nederland zijn uitgezet.
6. De vreemdeling mag niet in het bezit zijn geweest dan wel gebruik hebben gemaakt van valse c.q. vervalste documenten.
7. De vreemdeling mag geen onjuiste gegevens hebben verstrekt.
8. Er mag geen sprake zijn van criminele antecedenten.
Een verzoek om advies dient te voldoen aan de voorwaarden zoals neergelegd in artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht en in ieder geval te worden on-derbouwd met een bewijs waaruit blijkt dat betrokkene vanaf 1 januari 1992 tot het moment van indiening van het verzoek ononderbroken woonplaats heeft gehad in Nederland (bijvoorbeeld door middel van een uittreksel uit de Gemeentelijk Basisadministratie) en een kopie van een te zijner naam gesteld geldig paspoort. Indien laatstgenoemde stukken niet bij het verzoek om advies worden aangetroffen, zal het verzoek buiten behandeling worden gesteld. Ook verzoeken die op of ná 1 december 1999 worden ontvangen zullen buiten behandeling worden gesteld.
Ad. 2. Ononderbroken verblijf in Nederland
Een volgende voorwaarde om voor advisering in aanmerking te komen is dat de betrokken vreemdeling in ieder geval vanaf 1 januari 1992 tot het moment van indiening van het verzoek om advies, woon- of verblijfplaats in Nederland heeft gehad. Hiertoe kan betrokkene een uittreksel uit de Gemeentelijke Basisadministratie van de gemeente van zijn woon- of verblijfplaats overleggen.
De vreemdeling dient vanaf 1 januari 1992 tot in ieder geval 1 juli 1998 rechtmatig in het bezit te zijn geweest van een sofinummer. Hiertoe dient bij de indiening van het verzoek om advies het sofinummer te worden overgelegd. Vervolgens zal de Immigratie- en Naturalisatiedienst bij de belastingdienst verifiëren of het overgelegde sofinummer vóór 1 januari 1992 is toegekend. Bij gebreke van het sofinummer zal het verzoek niet in behandeling worden genomen.
De vreemdeling dient in het bezit te zijn van een geldig paspoort conform artikel 42 van het Vreemdelingen-besluit en artikel 28, zesde lid van het Voorschrift Vreemdelingen.
In voorkomende gevallen kan ontheffing op grond van artikel 28, zevende lid van het Voorschrift Vreemdelingen worden verleend.
Zoals hiervoor is aangegeven dient een kopie van het paspoort bij het verzoek om advies te worden gevoegd.
De voorwaarde dat een vreemdeling in de onder punt 2 genoemde periode niet Nederland mag zijn uitgezet, houdt in dat het hier alleen gaat om de fysieke uitzetting van een vreemdeling. Het betreft hier dus niet slechts de last tot uitzetting.
Ad. 6 en 7. Valse documenten en onjuiste gegevens
De vreemdeling mag in eerdere procedures niet in het bezit zijn geweest dan wel gebruik hebben gemaakt van valse c.q. vervalste documenten. Het verstrekken van in dit kader relevante onjuiste gegevens leidt tot het buiten behandeling stellen van een verzoek om advies.
Hoofdstuk A4/4.3.2.1 van de Vreemde-lingencirculaire is van toepassing.
Een verzoek om advisering door de commissie van burgemeesters dat voldoet aan de gestelde voorwaarden zal door de Immigratie- en Naturalisatie-dienst ter advisering worden doorgestuurd naar de commissie van burgemeesters.
Zoals reeds hiervoor aangegeven, onderzoeken de burgemeesters de mate van inburgering van de vreemdelingen die langdurig illegaal in Nederland hebben verbleven. Hierbij zal worden meegewogen, de mate waarin de vreemdeling tijdens zijn verblijf in Nederland in zijn eigen onderhoud heeft voorzien.
Bij de beoordeling van de mate van inburgering zal aansluiting worden gezocht bij het vereiste zoals dat is neergelegd in de Rijkswet op het Nederlanderschap van 19 december 1984, (Stb. 628).
Het begrip ’inburgering’ dient om een ontwikkelingsproces aan te duiden, dat leidt tot daadwerkelijke participatie in de Nederlandse samenleving. Van de vreemdeling mag worden verlangd dat hij zich niet uitsluitend oriënteert op zijn eigen gemeenschap of daarvan geheel afhankelijk is. Aangezien de taal het belangrijkste communicatiemiddel is, is voldoende beheersing van de Nederlandse taal een kenmerk van inburgering. Van redelijke kennis van de Nederlandse taal kan worden gesproken als een vreemdeling minimaal een eenvoudig gesprek in het Nederlands over alledaagse zaken kan voeren.
De eis van taalbeheersing laat zich niet in alle gevallen gelijkelijk toepassen.
In bepaalde gevallen kan enige soepelheid worden betracht. Te denken valt aan analfabeten, aan mensen met een beperkte schoolopleiding en aan ouderen. Met leeftijd en schoolopleiding mag rekening gehouden worden.
Er zijn overigens nog andere kenmerken van inburgering, zoals het deelnemen in verenigingsleven of het onderhouden van (intensieve) contacten binnen de Nederlandse gemeenschap.
Verder dient aandacht te worden besteed aan de positie van de gezinsleden die hier te lande verblijven. Ook hier speelt de mate van ingeburgerd zijn in de Nederlandse samenleving een rol.
Bijvoorbeeld kan worden gedacht aan minderjarige kinderen die gedurende het illegale verblijf van hun ouder(s) hier onderwijs hebben gevolgd en daarmee bijzondere banden met Nederland hebben opgebouwd. Ook banden die gezinsleden hebben opgebouwd met Nederland kunnen een rol te spelen bij de vaststelling van de mate van inburgering.
Het advies dient te worden gedragen door een deugdelijke motivering.
6. Gebruik discretionaire bevoegdheid
Naar aanleiding van het advies van de commissie van burgemeesters zal worden beoordeeld of in het verblijf hier te lande moet worden berust en derhalve gebruik moet worden gemaakt van de discretionaire bevoegdheid. Zoals ik heb aangegeven in mijn brief van 1 februari 1999 moet het daarbij gaan om een samenstel c.q. combinatie van bijzondere factoren die er toe leiden dat de toepassing van het beleid getuigt van een onbedoelde bijzondere hardheid. Het gaat hierbij dus om een samenstel van factoren zoals de duur van het verblijf in Nederland, medische gesteldheid van de aanvrager en diens gezinsleden en overige klemmende redenen van humanitaire aard.
Indien deze afweging tot de conclusie leidt, dat tot verblijfsaanvaarding dient te worden besloten, zal op een aanvraag om toelating positief worden beslist en zal tevens ontheffing worden verleend van het vereiste dat dient te worden beschikt over een machtiging tot voorlopig verblijf.
Zoals reeds hiervoor is vermeld, zal een verzoek om advisering door de commis-sie van burgemeesters dat niet voldoet aan de gestelde voorwaarden buiten behandeling worden gesteld.
In het geval het advies van de commissie van burgemeesters negatief is of in het geval geen gebruik wordt gemaakt van de discretionaire bevoegdheid, zal een eventueel verzoek om toelating dienen te voldoen aan alle voorwaarden die gelden voor de reguliere toelatingsprocedure, inclusief het vereiste dat de vreemdeling dient te beschikken over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv-vereiste). Dit betekent dat de reeds ontstane praktijk van het indienen van een zogenaamd ’verzoek om heroverweging’ is beëindigd.
Reeds gedane zogenoemde verzoeken om heroverweging, die op datum van publicatie van de onderhavige circulaire nog in behandeling zijn, worden beschouwd als een verzoek om advies in de zin van deze circulaire.
Op overige aanvragen om toelating ingediend buiten de geldigheidsduur van deze circulaire is het reguliere toelatingsbeleid (inclusief het mvv-vereiste) in volle omvang van toepassing.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-1999-188-p5-SC20608.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.