Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Financiën | Staatscourant 1999, 158 pagina 9 | Overig |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Financiën | Staatscourant 1999, 158 pagina 9 | Overig |
9 augustus 1999
Nr. AFZ98/1437 M
Directie algemene fiscale zaken
De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten:
Hoofdstuk 1 Inleidende opmerkingen
In dit Voorschrift wordt verstaan onder:
- verzoekende autoriteit: de bevoegde autoriteit van een staat, die een verzoek om bijstand bij de invordering aan een andere staat doet;
- aangezochte autoriteit: de bevoegde autoriteit van een staat aan wie een verzoek om bijstand bij de invordering is gericht;
- de ontvanger: het hoofd van de eenheid aan wie de invordering van de binnenlandse en/of buitenlandse vordering is opgedragen;
- staat: hetzij
1) een lidstaat van de Benelux (België, Nederland en Luxemburg);
2) een lidstaat van de Europese Unie, (België, Nederland, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Ierland, Italië, Luxemburg, Oostenrijk, Portugal, Spanje, Verenigd Koninkrijk en Zweden);
3) een lidstaat van de OESO/Raad van Europa, die het WABB-verdrag heeft geratificeerd (Finland, Noorwegen, V.S., Nederland, Zweden, Denemarken, IJsland en Polen);
4) een mogendheid waarmee Nederland een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten, alsmede
5) de Nederlandse Antillen en Aruba;
- internationale regelingen:
· verdragen ter voorkoming van dubbele belasting,
· Verordeningen en Richtlijnen van de Europese Unie,
· Verdrag inzake de Wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken (WABB-Verdrag),
· het Benelux Invorderingsverdrag,
· de Belastingregeling voor het Koninkrijk,
· overige regelingen waarbij Nederland betrokken is;
- Invorderingswet: Invorderingswet 1990 (Wet van 30 mei 1990 op de invordering van rijksbelastingen, Stb 1990, 221);
- WWB: Wet wederzijdse bijstand bij de invordering van enkele EEG-heffingen, de omzetbelasting en de accijnzen (Wet van 24 oktober 1979, Stb. 572);
- ministerie: Ministerie van Financiën, directie Algemene Fiscale Zaken, afdeling Wederzijdse Bijstand;
- FIOD: het hoofd van de FIOD te Haarlem;
- DA: het hoofd van het Douanedistrict Arnhem;
- Centraal aanspreekpunt: aanduiding voor de FIOD respectievelijk het Douanedistrict Arnhem;
- GAK: het Landelijk instituut sociale verzekeringen, vertegenwoordigd door GAK Nederland B.V.
Onder de overige in dit voorschrift gebezigde begrippen wordt zoveel als mogelijk hetzelfde verstaan als daaromtrent in de WWB en de Invorderingswet (Stb.1990, 221) wordt verstaan.
Dit Voorschrift ziet op:
a) de inlichtingenuitwisseling ten behoeve van de invordering met andere staten;
b) het laten betekenen van Nederlandse akten in andere staten en het betekenen van buitenlandse akten in Nederland (notificatie);
c) de invordering in andere staten van Nederlandse vorderingen en de invordering van buitenlandse vorderingen in Nederland;
d) het treffen van conservatoire maatregelen in andere staten voor Nederlandse vorderingen en het treffen van conservatoire maatregelen in Nederland voor buitenlandse vorderingen terzake van Nederlandse belastingen, sociale verzekeringspremies, premies Wet Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAZ), douanerechten en andere gelden, waarvan de inning aan de Belastingdienst is opgedragen.
1.3. Eerst de nationale mogelijkheden benutten
Een verzoek om inlichtingen, bijstand bij de invordering of om conservatoire maatregelen in een andere staat wordt in beginsel pas gevraagd indien de ontvanger mag aannemen dat het treffen van invorderingsmaatregelen in Nederland niet of niet geheel tot betaling van de schuld zullen leiden. Er hoeft daarbij niet te worden gewacht tot een daadwerkelijke invorderingsprocedure is gestart of is afgerond. Evenmin staat een mogelijkheid tot paspoortsignalering, lijfsdwang of aansprakelijkstelling een verzoek om bijstand bij de invordering in de weg.
Wanneer een derde (mede) aansprakelijk is gesteld dan wel kan worden gesteld voor de voldoening van de schuld, wordt getracht de schuld eerst te verhalen op de vermogensbestanddelen van de belastingschuldige zelf, derhalve ook op bestanddelen die zich in een andere staat bevinden, en pas daarna op de vermogensbestanddelen van de aansprakelijkgestelde.
Bijstand bij de invordering is ook mogelijk met betrekking tot aansprakelijkgestelden; de bijstand vindt zoveel als mogelijk op overeenkomstige wijze plaats als ten aanzien van de hoofdschuldenaar. Ter wille van de leesbaarheid van dit Voorschrift is vermeden tevens de aansprakelijkgestelden te noemen, zonder dat hiermee wordt beoogd de toepasselijkheid van die voorschriften op de internationale invordering met betrekking tot aansprakelijkgestelden te beperken.
Het door het hoofd van de FIOD, het hoofd van de directie Douane en de ontvangers van de Belastingdienst te voeren beleid met betrekking tot het doen van verzoeken om wederzijdse bijstand aan andere staten en het door hen te voeren beleid inzake de behandeling van buitenlandse verzoeken in Nederland wordt in dit Voorschrift beschreven en toegelicht. Daarbij dient bedacht te worden dat de internationale invordering zich kenmerkt door verschillende vormen, die hun grondslag vinden in verschillende nationale en internationale regelingen voor belastingen, premies sociale zekerheid en douanerechten, met inhoudelijk verschillende bepalingen. In verband daarmede gaat de opbouw van het Voorschrift uit van een zekere gelaagdheid: In eerste instantie worden per instrument van wederzijdse bijstand van alle regelingen de gemeenschappelijke elementen en het te voeren beleid aangegeven (hoofdstukken 1 tot en met 8); de ontvanger dient echter bij elke regeling die hij toepast in de afzonderlijke hoofdstukken (hoofdstukken 9 tot en met 13) na te gaan of er de afwijkende bepalingen en afzonderlijk beleid geformuleerd is. Om inzicht te geven in elke regeling is een korte toelichting noodzakelijk.
Het Voorschrift geeft in hoofdstuk 2 het kader en het begrip aan van de internationale invordering; hoofdstuk 3 gaat over de instanties die belast zijn met de internationale invordering.
Daarna wordt het algemene beleid beschreven terzake van de vier vomen/instrumenten van wederzijdse bijstand bij de invordering: de inlichtingenuitwisseling in hoofdstuk 4, de notificatie in hoofdstuk 5 en de bijstand bij de invordering en de bijstand voor het treffen van conservatoire maatregelen in de hoofdstukken 6, 7en 8.
In de hoofdstukken 9 tot en met 13 worden de afzonderlijke internationale regelingen nader toegelicht; daarbij wordt aangegeven of een internationale regeling afwijkende bepalingen bevat.
De invordering van premies sociale zekerheid wordt behandeld in hoofdstuk 14, de overige internationale invorderingskwesties en de faillissementen in hoofdstuk 15. De inwerkingtreding van het Voorschrift wordt geregeld in hoofdstuk 16.
1.6. Relatie Voorschrift met het Modellenboek Internationale Invordering
Ten behoeve de efficiënte, goede en gelijke behandeling van gevallen bestaat naast dit Voorschrift een geautomatiseerd Modellenboek Internationale Invordering. Dit Modellenboek bevat modellen voor het doen van verzoeken om wederzijdse bijstand, alsmede modellen ten behoeve van de invordering van buitenlandse schulden in Nederland. De modellen hebben een gedeelte vaste tekst Deze tekst is altijd hetzelfde. Daarnaast wordt met keuzevelden en invoervelden gewerkt. Voor een overzicht van de modellen wordt verwezen naar de bijlage.
Voor een beknopt overzicht van de mogelijkheden op het terrein van de internationale invordering per land en per regeling wordt verwezen naar bijlage 1.
Hoofdstuk 2 Algemeen en uitgangspunten internationale invordering
2.1. Internationale rechtshandhaving en samenwerking
Door de toenemende internationalisering en digitalisering bewegen belastingplichtigen zich vaker in een internationale context. De mogelijkheden tot het ontgaan van belastingen en belastingontduiking worden daardoor vergroot.
De kern van het internationale rechtshandhavingsbeleid is nauw verbonden met het nationale beleid en is er in de eerste plaats op gericht om risico’s van misbruik en oneigenlijk gebruik van fiscale regelgeving door preventieve maatregelen te ondervangen. De Belastingdienst moet tevens in staat zijn adequaat te reageren op grensoverschrijdende fraude; rechtshandhaving moet ook in een internationale context zijn verzekerd.
Internationale samenwerking tussen belasting- en douaneadministraties is van belang om zicht te krijgen op de activiteiten van belastingplichtigen en het bestrijden van internationale fraude. De voornaamste doelstellingen van de wederzijdse bijstand zien op verbetering van de internationale samenwerking op het terrein van de inlichtingenuitwisseling, de controle en de invordering.
2.2. Internationale invordering algemeen
Uitgangspunt van de internationale invordering is dat de in het buitenland wonende belastingschuldige eenzelfde behandeling toekomt als de in Nederland wonende belastingschuldigen en dat zijn schuld derhalve zo nodig door middel van dwangmaatregelen moet kunnen worden ingevorderd. De Belastingdienst benut daarbij in eerste instantie de nationale regelingen om de invordering te bewerkstelligen. Als de invordering niet langs die weg op effectieve wijze kan worden verkregen, wordt bijstand bij de invordering gevraagd aan de betrokken buitenlandse belastingadministratie.
Binnen de Europese Unie (EU) zijn er diverse regelingen op grond waarvan de Nederlandse ontvanger een beroep kan en moet doen op bijstand bij de invordering van Nederlandse schulden in een andere lidstaat. Ook buiten Europees verband worden door Nederland in toenemende mate verdragen afgesloten waarin een afspraak wordt gemaakt over het verlenen van wederzijdse bijstand bij de invordering.
De wederzijdse bijstand bij de invordering van belastingen en premies sociale zekerheid wordt in aparte verdragen geregeld en andere autoriteiten zijn voor de uitvoering bevoegd verklaard; de in te vorderen inkomensheffing moet dan ook in voorkomende gevallen worden gesplitst.
Een aantal internationale regelingen heeft uitsluitend betrekking op de internationale invordering; daarnaast zijn er diverse regelingen waarin invorderingsbepalingen zijn opgenomen.
De regelingen zijn opgenomen in de boekwerken Invordering 1990, Internationale Fiscale Zaken en Premieheffing Internationaal.
Indien er geen regeling terzake van de wederzijdse bijstand bij de invordering van belastingen of premieschulden is afgesloten hoeft de schuld niet zonder meer oninbaar te worden geleden; in sommige gevallen bestaat de mogelijkheid in het buitenland in te vorderen zonder tussenkomst van de fiscale en/of premieautoriteiten; verwezen wordt naar hoofdstuk 15.
2.3. Term Internationale Invordering
De term internationale invordering omvat alle maatregelen die in het buitenland kunnen worden getroffen om Nederlandse belasting-, premie- en overige schuldvorderingen in te vorderen. Onder het begrip internationale invordering valt ook de wederzijdse bijstand bij de invordering, waarbij de bevoegde fiscale en/of premie autoriteiten elkaar bijstaan, zulks op grond van afspraken die neergelegd zijn in internationale regelingen.
De internationale invordering ziet tevens op alle maatregelen die op verzoek van een andere staat in Nederland genomen kunnen worden om een buitenlandse schuld in te invorderen.
De wederzijdse bijstand bij de invordering behelst vier hoofdvormen:
a. inlichtingenuitwisseling ten behoeve van de invordering (hoofdstuk 4);
b. notificatie (hoofdstuk 5);
c. bijstand bij de invordering (hoofdstukken 6 en 8);
d. bijstand voor het treffen van conservatoire maatregelen (hoofdstukken 7 en 8).
De internationale invordering geschiedt op grond van diverse internationale regelingen en nationale wetten. De verhouding tussen het nationale recht en het internationale recht is geregeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet. Kern van deze artikelen is dat verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties boven de nationale wet gaan.
2.4. Nut van de wederzijdse bijstand
De ontvanger beperkt door de toepassing van de wederzijdse bijstand zowel de invorderingsverliezen op een directe wijze, als op een indirecte wijze. Wederzijdse bijstand bij de invordering bevordert namelijk de internationale rechtshandhaving en heeft daardoor een preventieve werking.
De internationale invordering verschaft de Nederlandse Belastingdienst en de buitenlandse belastingadministraties de mogelijkheid om vermogensobjecten in een andere staat te traceren en zo nodig uit te winnen. Ook is het mogelijk om te controleren of belastingschuldigen de juiste en volledige informatie verschaffen aan de ontvanger.
Ook voor de internationale invordering geldt dat werken in de actualiteit vaak tot het gewenste resultaat leidt. De ontvanger moet derhalve zo snel als mogelijk is een verzoek om internationale invordering aan een andere staat doen.
2.5. Vorderingen van andere staten
Wederzijdse bijstand impliceert dat de Nederlandse ontvanger ook geconfronteerd wordt met verzoeken van andere staten om hun vorderingen in Nederland in te vorderen. Het is de taak van de ontvanger te bewerkstelligen dat binnen de in dit Voorschrift gestelde termijnen voldaan wordt aan het verzoek van de verzoekende autoriteit, zodat zo spoedig mogelijk aan de betalingsverplichtingen wordt voldaan.
De invordering van buitenlandse schulden geschiedt in lijn met hetgeen bepaald is in de Leidraad Invordering 1990, zulks met inachtneming van het in dit Voorschrift bepaalde.
2.6. Uitgangspunten internationale invordering
Voor wat betreft de internationale invordering gelden de volgende algemene uitgangspunten:
- de internationale regeling waarop een beroep is gedaan alsmede de wet en regelgeving van de aangezochte staat beheersen zoveel mogelijk de wijze van executie van de buitenlandse schuld;
- de aangezochte staat mag er op vertrouwen dat de belastingschuld in de verzoekende staat is vastgesteld overeenkomstig het geschreven en ongeschreven recht van de verzoekende staat, met inbegrip van het aldaar toepasselijk internationaal recht;
- de aangezochte staat mag er op vertrouwen dat de mogelijkheden tot invordering op het grondgebied van de verzoekende staat onvoldoende zijn om de schuld te delgen;
- de aangezochte autoriteit hoeft geen middelen toe te passen waarvoor de wet van de verzoekende staat geen voorziening kent;
- de belastingvorderingen van de verzoekende staat hebben in de aangezochte staat geen voorrecht;
- de wederzijdse bijstand tussen staten beperkt zich tot de belastingen, de premies en/of de andere middelen die het onderwerp van de regeling uitmaken;
- wederzijdse bijstand heeft betrekking op de invordering van belastingen en/of premies en/of overige schuldvorderingen, inclusief eventuele vervolgingskosten, rente en bestuurlijke boeten;
- de aangezochte staat spant zich zoveel mogelijk in om op juiste en snelle wijze wederzijdse bijstand te verlenen terzake van de invordering van de schuldvorderingen van de verzoekende staat.
Van deze uitgangspunten wordt uitgegaan tenzij de desbetreffende internationale regeling anderszins bepaalt.
De bedragen in dit Voorschrift zijn uitgedrukt in guldens en euro’s. Vorderingen waarvoor bijstand bij de invordering wordt gevraagd aan andere staten, die de euro als valuta aanvaard hebben, worden vanaf 1999 zowel in guldens als in euro’s vermeld. Voor de overige staten wordt de vordering in guldens en in de valuta van de aangezochte staat vermeld.
Vorderingen van andere staten, die in Nederland ingevorderd moeten worden, worden in de periode 1999 tot 2002 door de ontvanger in guldens ingevorderd, onder vermelding van het bedrag aan euro’s voorzover de verzoekende lidstaat zijn vordering in euro’s heeft uitgedrukt.
2.8. Relatie tussen restrictieve en verdergaande verdragsbepalingen
Het komt voor dat bijstand kan worden gevraagd aan een bepaalde staat op grond van verschillende internationale regelingen. Het is dan mogelijk dat de ene regeling een ruimere wederzijdse bijstand toestaat dan de andere. In dat geval kan het verzoek worden gebaseerd op de regeling die de ruimste mogelijkheden biedt.
Hoofdstuk 3 Instanties en hun taken
3.1. De bevoegde Nederlandse autoriteit/mandaat
De wederzijdse bijstand gaat uit van contacten tussen bevoegde autoriteiten. Voor Nederland is dat de Minister van Financiën of de door hem aangewezen bevoegde autoriteit.
De Directeur-generaal der Belastingen en de directeur Algemene Fiscale Zaken (AFZ) zijn aangewezen om namens de Staatssecretaris van Financiën te handelen als bevoegde autoriteit voor de internationale invordering en zij zijn bevoegd namens hem besluiten te nemen die zien op de internationale invordering.
De Directeur AFZ is belast met de internationale wederzijdse bijstand namens de Staatssecretaris van Financiën. De werkzaamheden van met name beleidsmatige aard en bijzondere werkzaamheden van uitvoerende aard op dit gebied worden uitgevoerd door de afdeling Wederzijdse Bijstand van deze directeur. De afdeling Wederzijdse Bijstand is tevens belast met de behandeling van verzoeken aan H.M. de Koningin, de Commissie voor de Verzoekschriften van de Eerste en Tweede Kamer der Staten Generaal, de Benelux Ombudsman, de Commissie voor de Verzoekschriften van het Europese Parlement en andere soortgelijke organen, waarvan klachten op het gebied van de internationale invordering kunnen worden voorgelegd.
De Directeur-generaal en de directeur AFZ zijn gemachtigd om met betrekking tot het nemen van besluiten in het kader van de internationale invordering (onder)mandaat te verlenen aan daartoe door hen aan te wijzen functionarissen. De uitvoerende werkzaamheden op het gebied van de internationale invordering zijn zo veel mogelijk verlegd naar de Belastingdienst.
3.2. Belastingdienst/Centrale aanspreekpunten FIOD en Douanedistrict Arnhem
De directe contacten tussen de Nederlandse en buitenlandse belasting-administraties vinden uit een oogpunt van herkenbaarheid plaats door de directie AFZ en een beperkt aantal centrale aanspreekpunten, die functioneel onder de directeur AFZ vallen.
Voor de eenheden Particulieren, Ondernemingen, Grote Ondernemingen en Registratie en Successie fungeert de Belastingdienst/ FIOD te Haarlem als Centraal aanspreekpunt.
Voor de Douanedistricten is het Centrale aanspreekpunt de Belastingdienst/ Directie Douane te Rotterdam.
De FIOD en de Directie Douane worden hierna ook wel aangeduid als ’het Centrale aanspreekpunt’.
Voor de invordering van premies zijn andere instanties actief (zie hoofdstuk 14).
Ten aanzien van de wederzijdse bijstand bij de invordering van belastingen naar het inkomen, de winst en het vermogen, van belastingen van nalatenschappen en verkrijgingen krachtens erfrecht en schenkingen, alsmede de omzetbelasting is het hoofd van de Belastingdienst/FIOD te Haarlem (hierna te noemen FIOD) bevoegd om namens de Staatssecretaris van Financiën verzoeken om bijstand bij de invordering te behandelen, die gebaseerd zijn op een internationale regeling, waarin een bepaling is opgenomen inzake de internationale invordering van belastingen.
De FIOD is voor wat betreft de hiervoor genoemde middelen belast met en het toezicht houden op de juiste en tijdige uitvoering van de wederzijdse bijstand bij de invordering. De FIOD is in verband daarmede ook bevoegd om ten behoeve van de Belastingdienst met inachtneming van het bepaalde in dit voorschrift te handelen overeenkomstig het bepaalde in:
a) de artikelen 3, 5 en 7, 8, 10 en 11, 12, 15, 17 en 18, 22, 24, 25, 28, en 30 en 34 Wet wederzijdse bijstand bij de invordering van enkele EEG-heffingen, de omzetbelasting en de accijnzen (WWB);
b) artikel 2 van de Goedkeuringswet Benelux Invorderingsverdrag (Wet van 8 juli 1953, Stb. 332) en artikel 3 van de Uitvoeringsbeschikking Benelux Invorderingsverdrag, Beschikking 10 december 1956 (Ned. Stcrt. van 14 december 1956, nr. 245);
c) artikel 2 van de Goedkeuringswet Overeenkomst met Denemarken ter vermijding van dubbele belasting (Wet van 23 oktober 1957, Stb. 438);
d) artikel 2 van de Goedkeuringswet Verdrag met de Verenigde Staten van Amerika ter voorkoming van dubbele belasting (Wet van 29 oktober 1948, Stb. 464);
e) artikel 36 van de Belastingregeling voor het Koninkrijk (Rijkswet van 28 oktober 1964, Stb. 425)
en gelijksoortige bepalingen die opgenomen zijn in internationale regelingen met bepalingen inzake de wederzijdse bijstand bij de invordering. Het hoofd van de FIOD is gemachtigd om met betrekking tot het nemen van besluiten ondermandaat te verlenen aan daartoe door hem aan te wijzen functionarissen.
De FIOD fungeert voor verzoeken m.b.t. genoemde middelen voor de wederzijdse bijstand bij de invordering als centraal aanspreekpunt dat ten behoeve van de Belastingdienst in individuele gevallen de contacten met andere staten onderhoudt. Alle verzoeken om wederzijdse bijstand die betrekking hebben op genoemde middelen moeten derhalve rechtstreeks worden gericht aan:
Belastingdienst/FIOD/CVI/Internatio-naal
Postbus 1603
2003 BR Haarlem
telefoon 023 546 15 70
telefax 023 546 18 46.
3.4. Directie Douane en Douanedistrict Arnhem
Ten aanzien van de wederzijdse bijstand bij de invordering van schuldvorderingen die verband houden met douanerechten, accijnzen, omzetbelasting, landbouwheffingen en restituties, interventies en andere maatregelen die deel uit maken van algehele of gedeeltelijke financiering door het Europese Oriëntatie en Garantiefonds voor de Landbouw is het hoofd van de Belastingdienst/ Directie Douane bevoegd verzoeken om administratieve samenwerking te behandelen. De directeur is in verband daarmede ook bevoegd om namens de Staatssecretaris van Financiën en ten behoeve van de douane districten met inachtneming van het bepaald in dit voorschrift te handelen overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 3, 5 en 7, 8, 10 en 11, 12, 15, 17 en 18, 22, 24, 25, 28 en 30 en 34 WWB.
De Directie Douane fungeert voor verzoeken m.b.t. genoemde middelen voor de wederzijdse bijstand bij de invordering als Centraal aanspreekpunt dat ten behoeve van de douanedistricten van de Belastingdienst in individuele gevallen de contacten met andere staten onderhoudt.
De Directeur Douane is gemachtigd om met betrekking tot het nemen van besluiten (onder)mandaat te verlenen aan daartoe door hem aan te wijzen functionarissen.
De feitelijke werkzaamheden terzake van de internationale invordering worden in opdracht van de Directie Douane uitgevoerd door het douanedistrict Arnhem. De douanedistricten richten hun verzoeken om wederzijdse bijstand bij de invordering aan een andere staat dan ook rechtstreeks aan:
Belastingdienst/Douanedistrict Arnhem
Postbus 9046
6800 GJ Arnhem
telefoon 026 378 11 00
telefax 026 378 11 99.
3.5. Autoriteiten bij premie-invordering
Voor wat betreft de instanties die betrokken zijn bij de invordering van premies sociale zekerheid wordt verwezen naar hoofdstuk 14.
3.6. Ontvanger/verzoeken aan een andere staat/Modellenboek Internationale Invordering
De ontvangers hebben de primaire taak de internationale invordering voor wat betreft de Nederlandse en de buitenlandse schuldvorderingen op juiste en voortvarende wijze uit te voeren. De Nederlandse ontvanger is verplicht om in voorkomende gevallen bijstand bij de invordering aan een andere staat te vragen. De ontvanger wendt zich daartoe met een concreet verzoek tot de FIOD, het Douanedistrict Arnhem of een bevoegde instantie m.b.t. de premieinvordering (zie hoofdstuk 14).
De eenheden zijn niet bevoegd rechtstreeks verzoeken om bijstand aan een andere staat te doen.
De ontvanger maakt daarbij gebruikt van de in het Modellenboek internationale Invordering opgenomen formulieren. Een verzoek aan een andere staat geschiedt zowel in de Nederlandse taal als in de taal van de aan te zoeken autoriteit. Het modellenboek biedt deze mogelijkheid. In bijlage 2 van dit Voorschrift is een overzicht weergegeven welke modellen in het Modellenboek Internationale Invordering zijn opgenomen.
Indien de invordering per omgaande in de andere staat moet plaatsvinden wordt dit duidelijk en vooraf door de ontvanger aan de FIOD of het Douanedistrict Arnhem kenbaar gemaakt.
De FIOD c.q. het Douanedistrict Arnhem toetst het verzoek van de eenheid aan de voorwaarden van de desbetreffende nationale en internationale regeling en draagt zorg voor de vertaling van de bijlagen, de verzending naar de andere staat, de voortgangsbewaking en de resultaatmelding naar de eenheid. Indien de FIOD of het Douanedistrict Arnhem van mening is dat verzending niet kan plaatsvinden wordt de eenheid hiervan op de hoogte gesteld onder uiteenzetting van de redenen.
3.7. Ontvanger/behandeling van verzoeken van een andere staat/ behandeltermijnen
Verzoeken om bijstand van een andere staat komen binnen bij de FIOD of het Douanedistrict Arnhem.
De eenheden zijn niet bevoegd om rechtstreeks buitenlandse verzoeken om bijstand in behandeling te nemen.
De FIOD c.q. het Douanedistrict Arnhem bevestigt de ontvangst van elk verzoek om wederzijdse bijstand. De verzoeken worden getoetst aan de in de van toepassing zijnde regeling gestelde voorwaarden; voorzover een verzoek niet aan de voorwaarden voldoet, wordt de verzoekende autoriteit daarvan op de hoogte gesteld.
Na ontvangst van het verzoek uit de andere staat wijst de FIOD c.q. het douanedistrict Arnhem namens de Staatssecretaris een ontvanger aan om de bijstand te verlenen onder vermelding van de datum van ontvangst van het verzoek. Bij de aanwijzing van de ontvanger wordt uitgegaan van de competentie in Beheer van Relaties.
De ontvanger is vanaf de aanwijzing door het Centrale aanspreekpunt belast met de leiding van de invordering en verantwoordelijk voor een juiste en tijdige behandeling, waarbij hij overeenkomstig de aanwijzingen van het ministerie en/of de FIOD of het Douanedistrict Arnhem handelt Hij verleent de gevraagde bijstand binnen drie maanden na ontvangst van het verzoek.
Voor een verzoek om inlichtingen, notificatie en het treffen van conservatoire maatregelen geldt een termijn van een maand. De FIOD c.q. het Douanedistrict Arnhem wordt van de resultaten op de hoogte gesteld met het verzoek de verzoekende buitenlandse autoriteit terzake te informeren.
Voorzover het (tijdig) verlenen van bijstand bij de invordering niet mogelijk is, wordt de FIOD c.q. het Douanedistrict Arnhem hiervan onder opgaaf van redenen in kennis gesteld. De ontvanger houdt deze instantie vervolgens regelmatig op de hoogte omtrent de voortgang van de invordering.
3.8. Overleg met het ministerie
Verzoeken waarvan de voldoening kan leiden tot aantasting van de openbare orde of andere wezenlijke belangen van de staat dan wel invloed kan hebben op het gevoerde beleid worden voorgelegd aan de directie Algemene Fiscale Zaken, afdeling Wederzijdse Bijstand (AFZ).
Hiervan is in ieder geval sprake bij strafrechtelijke aspecten en grote financiële of economische belangen, alsmede indien een aangezochte staat de door Nederland verzochte bijstand niet, onvolledig of niet tijdig verstrekt. Ook indien de te verlenen bijstand een commercieel, industrieel of een beroepsgeheim zou onthullen of indien de bevoegdheden om aan een verzoek te voldoen ontbreken, alsmede indien een andere staat zijn beklag doet over de handelingen van de Belastingdienst, wordt overleg met het ministerie gevoerd.
De ontvanger wendt zich ook tot het ministerie in gevallen van internationale invordering waarin het vragen van toestemming nodig is dan wel overleg moet voeren. Dit doet zich voor bij het aanvragen van een faillissement of lijfsdwang en voor alle in het buitenland te voeren procedures waarin de ontvanger als eiser wil optreden.
De ontvanger vraagt ook toestemming indien hij het nodig acht om in het kader van de internationale invordering tegen in Nederland woonachtige of gevestigde personen onherroepelijke maatregelen te treffen. Voor het leggen van beslag is slechts toestemming nodig indien er sprake is van een daadwerkelijke bedreiging voor het voortbestaan van een bedrijf waaraan in totaal meer dan 50 werknemers zijn verbonden.
3.9. Bestuurlijke en andere informatie
De FIOD en het Douanedistrict Arnhem dragen zorg voor een goede registratie van gegevens en doorloopsnelheden van de verzoeken per staat en per belastingeenheid. Het Centrale aanspreekpunt brengt hierover halfjaarlijks verslag uit aan het ministerie.
Vonnissen van binnen- en buitenlandse gerechtelijke instanties, die betrekking hebben op de internationale invordering worden door het Centrale aanspreekpunt per omgaande aan de Directie AFZ, afdeling Wederzijdse Bijstand gestuurd.
Hoofdstuk 4 Inlichtingenuitwisseling
De verzameling van relevante gegevens en inlichtingen is van belang om te komen tot een juiste belastingheffing en tot een optimale invordering van de schuldvordering. Inlichtingenbepalingen in internationale regelingen verschaffen een basis voor de uitwisseling van inlichtingen tussen staten. Uitgangspunt bij het verkrijgen van inlichtingen is dat de Belastingdienst eerst de ter beschikking staande, nationale regelingen benut om de benodigde inlichtingen te verkrijgen. Als de inlichtingen niet langs die weg kunnen worden verkregen dan wel indien er gevreesd wordt dat het beoogde resultaat gevaar loopt doordat eerst de nationale mogelijkheden benut worden, kunnen aan de buitenlandse bevoegde autoriteit inlichtingen worden gevraagd. Daarnaast kunnen gegevens worden verkregen door middel van spontane uitwisseling van inlichtingen (zie 4.5) en automatische inlichtingenuitwisseling tussen de bevoegde autoriteiten (zie 4.6).
Inlichtingenuitwisseling ten behoeve van de invordering moet betrekking hebben op belastingen, premies of andere middelen die onder de werking van de internationale regeling vallen, zoals Richtlijn 76/308/EEG, het WABB-verdrag en verdragen, waarin een bijstandsbepaling is opgenomen.
4.2. Inlichtingenuitwisseling op verzoek.
De onder 4.1 genoemde regelingen scheppen een verplichting voor landen om elkaars verzoeken te beantwoorden. Bij het op verzoek verstrekken van inlichtingen gaat het om concrete gevallen waarin specifieke inlichtingen door de bevoegde autoriteit worden gevraagd.
Voor wat betreft het verzoeken om inlichtingen door de Nederlandse ontvanger valt onder meer te denken aan het verifiëren van naam en adres van belastingschuldige of een aansprakelijkgestelde, diens solventie of objecten waarop verhaal kan worden uitgeoefend en de controle van verstrekte gegevens in het kader van een kwijtschedingsverzoek. De ontvanger kan tevens om inlichtingen verzoeken indien hij tot paspoortsignalering of aansprakelijkstelling overgaat.
De aangezochte autoriteit stelt zo nodig een onderzoek in om de gestelde vragen te beantwoorden.
4.3. Verzoek om inlichtingen aan een andere staat
4.3.1. Vereisten voor het doen van een verzoek
Indien de ontvanger niet via de gebruikelijke mogelijkheden in staat is inlichtingen te verkrijgen, die van nut kunnen zijn voor de invordering van een Nederlandse schuldvordering, doet hij een verzoek om inlichtingen aan een andere staat. De ontvanger kan in elk stadium van de invordering een verzoek daartoe doen. Inlichtingen kunnen derhalve ook worden gevraagd wanneer een schuld nog niet onherroepelijk vaststaat. Een verzoek tot het verstrekken van inlichtingen wordt door tussenkomst van de FIOD, het Douanedistrict Arnhem of de bevoegde autoriteit op het terrein van de premie-invordering gedaan (zie 3.7).
Alvorens een voorstel tot een verzoek te doen gaat de ontvanger na of dit op grond van internationale afspraken mogelijk is (zie bijlage 1 ).
4.3.2. Minimum bedrag waarvoor inlichtingen gevraagd kunnen worden
Tot het inwinnen van inlichtingen in het buitenland wordt niet overgegaan indien het verschuldigde bedrag aan belasting minder dan f. 500,- (circa 225 euro) bedraagt, tenzij bijzondere omstandigheden rechtvaardigen dat voor een lager bedrag inlichtingen worden gevraagd.
4.3.3. Doen van een verzoek om inlichtingen
De ontvanger maakt daarbij gebruik van de in het Modellen-boek Internationale Invordering opgenomen formulieren. Bij de hoofdstukken 9 tot en met 15 is per regeling aangegeven welk formulier gebruikt moet worden. Zie voor een overzicht van de formulieren en de te vermelden gegevens bijlage 2 van dit Voorschrift.
De FIOD/ het Douanedistrict Arnhem zorgt voor verzending naar de aan te zoeken autoriteit en houdt toezicht op de tijdige en juiste beantwoording door de aangezochte autoriteit. Indien de aangezochte staat niet binnen drie maanden reageert, stuurt het Centrale aanspreekpunt een rappel. Na ontvangst van de inlichtingen uit het buitenland worden deze aan de ontvanger doorgezonden met het verzoek t.z.t. het resultaat te melden.
4.4. Verzoeken om inlichtingen uit een andere staat
Aan een verzoek om inlichtingen wordt door de FIOD of het Douanedistrict Arnhem geen gevolg gegeven wanneer het verzoek niet vermeldt de naam en het adres van de persoon waarop de te verstrekken gegevens betrekking hebben, dan wel geen melding wordt gemaakt van de aard en het bedrag van de schuldvordering uit hoofde waarvan het verzoek wordt ingediend. Het belang van de verzoekende staat wordt in beginsel verondersteld. Bij twijfel daarover neemt het Centrale aanspreekpunt contact op met de verzoekende autoriteit.
De Nederlandse Belastingdienst mag er daarbij op vertrouwen dat de gewenste informatie in het verzoekende land niet (volledig) verkrijgbaar is. Verzoeken om informatie van een andere staat aan Nederland worden behandeld conform het gestelde onder 3.8 en doorgezonden naar de ontvanger, die met het verzamelen van de informatie wordt belast.
De in Nederland wonende belanghebbende wordt niet op de hoogte gesteld van het kader waarin de gegevens door de verzoekende staat worden gevraagd (zie ook 4.4.3). De te verstrekken informatie dient binnen de grenzen te blijven van de door de verzoekende autoriteiten gestelde vragen.
De ontvanger verstrekt de gevraagde informatie binnen een maand aan het Centrale aanspreekpunt; zo nodig stelt hij een onderzoek in om de gewenste informatie te verzamelen onder toepassing van de informatiebepalingen van de Invorderingswet (art. 58 e.v.) en met inachtneming van het Voorschrift verzoeken om informatie over derden bij banken.
Een aantal oudere verdragen beperkt uitdrukkelijk de inlichtingenuitwisseling tot de gegevens die geordend voorhanden zijn. De ontvanger stelt in dat geval geen invorderingsonderzoek in.
4.4.2. Verstrekking door het Centrale aanspreekpunt
De FIOD/ het Douanedistrict Arnhem toetst of de door de ontvanger vermelde informatie kan worden verstrekt aan de verzoekende autoriteit. De informatie wordt zo spoedig mogelijk na binnenkomst van het bericht van de ontvanger aan de andere staat verstrekt.
4.5. Spontane inlichtingenuitwisseling.
Spontane inlichtingen zijn inlichtingen waarom niet is verzocht, maar waarvan het vermoeden bestaat dat zij van belang kunnen zijn voor de heffing en/of de invordering in een andere staat.
De Belastingdienst verstrekt in voorkomende gevallen uit eigen beweging inlichtingen aan een andere staat indien het vermoeden bestaat dat de informatie van nut kan zijn voor de belastingheffing en/of inning in die staat. Ingeval een belastingschuldige Nederland verlaat zonder zijn schulden te betalen is het bijvoorbeeld voor de autoriteiten van vestiging van belang op de hoogte te zijn van het getoonde fiscale gedrag. De buitenlandse autoriteiten kunnen dan hun beleid daarop afstemmen, waardoor de invorderingsverliezen in het buitenland beperkt kunnen worden. Ook indien in het verleden een verzoek om invordering door een andere staat niet geleid heeft tot integrale betaling en naderhand alsnog blijkt dat er verhaalsobjecten in Nederland aanwezig zijn, alsmede in het geval dat in Nederland een faillissement wordt uitgesproken of een sanering van schulden wordt bewerkstelligd waarbij een andere staat belang heeft, meldt de ontvanger dit uit eigen beweging per omgaande via het Centrale aanspreekpunt aan de verzoekende staat.
Indien een verzoek om wederzijdse bijstand loopt, informeert de ontvanger de buitenlandse autoriteit niet nog eens afzonderlijk over het fiscale gedrag van betrokkene in Nederland. Het verzoek om bijstand bij de invordering behelst alsdan reeds spontane informatieverstrekking.
4.6. Automatische inlichtingenuitwisseling
Bij het automatisch uitwisselen van inlichtingen gaat het om inlichtingen ten aanzien van gevallen of groepen van gevallen die periodiek met een andere staat worden uitgewisseld. Regelingen over automatische inlichtingenuitwisseling zijn met België, Duitsland, Frankrijk en Canada overeengekomen. De teksten daarvan zijn opgenomen in het Boekwerk Belastingen Algemeen. In de regelingen met Frankrijk, Belgie en Duitsland worden onder meer teruggaven omzetbelasting, inclusief de bankrekeningnummers waarop het bedrag gestort is, automatisch uitgewisseld (vergelijk artikel 2, lid 2, sub e, van de Invorderingswet). De ontvanger kan van deze gegevens gebruik om verhaalsobjecten in het buitenland te traceren teneinde een gericht verzoek om bijstand bij de invordering te doen.
4.7. Geheimhoudingsverplichting/Rechts-bescherming
De geheimhoudingsbepalingen zoals weergegeven in artikel 67 van de Invorderingswet, alsmede bepalingen betreffende de geheimhouding die opgenomen zijn in de desbetreffende internationale regeling zijn onverkort van toepassing. De verkregen informatie mag niet gebruikt worden voor de inning en/of heffing van (andere) vorderingen, tenzij de internationale regeling een ruimer gebruik toestaat. Een ruimer gebruik is toegestaan indien de informatie afkomstig is uit een openbaar register.
De Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen (Wet van 24 april 1986, Stb.249) en de daarin opgenomen bekendmakingsprocedure die moet plaatsvinden bij het verstrekken van informatie aan een andere staat geldt niet voor de informatieverstrekking ten behoeve van de invordering. Indien een belanghebbende zich wendt tot de burgerlijke rechter om te voorkomen dat de inlichtingen aan een andere staat worden verstrekt, wordt contact opgenomen met het ministerie.
Onder notificatie wordt verstaan het betekenen of uitreiken van dwangbevelen, (andere) akten en beslissingen met betrekking tot schuldvorderingen. Belastingautoriteiten van de lidstaten van de Europese Unie staan elkaar met behulp van het instrument notificatie rechtstreeks bij het betekenen of uitreiken van elkaars akten.
Notificatie komt in de plaats van de op grond van artikel 4 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voorgeschreven procedure voor het betekenen van stukken ten behoeve van in het buitenland verblijvende personen.
Notificatie biedt de garantie dat het te notificeren stuk ook daadwerkelijk in het buitenland wordt uitgereikt aan betrokkene. Naast een preventieve werking gaat van notificatie een ontlastende werking uit voor het openbaar ministerie, het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de ambassades die bij de procedure ex artikel 4 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering als verbindingsschakels voor de uitreiking van documenten worden benut.
Notificatie kan plaatsvinden voor alle stukken die betrekking hebben op de invordering, zoals een dwangbevel, een aansprakelijkstelling, een beslissing op een verzoek om kwijtschelding of een beslissing op een verzoek om uitstel van betaling.
Notificatie ten behoeve van de invordering is mogelijk voor de omzetbelasting, accijnzen en douanerechten op basis van Richtlijn 76/308/EEG juncto de WWB voor de lidstaten van de Europese Unie en voor de directe belastingen op basis van het aanvullend protocol bij de op 16 juni 1959 te ’s-Gravenhage tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot stand gekomen overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen van het inkomen en van het vermogen alsmede van verscheidene andere belastingen en tot het regelen van andere aangelegenheden op belastinggebied.
5.2. Verzoek tot notificatie aan een andere staat
5.2.1. Middelen, landen en object
Een verzoek tot notificatie kan alleen aan een bevoegde autoriteit van een andere lidstaat van de Europese Unie voor de omzetbelasting, de accijnzen en douanerechten e.d. op basis van de Richtlijn en op basis van het protocol met Duitsland, zoals vermeld in 5.1 (zie ook 1.1. en de hoofdstukken 9 en 13). Een verzoek moet betrekking hebben op een persoon die kennis dient te dragen van een gerechtelijke of buiten gerechtelijke akte of een beslissing die hem betreft en die betrekking heeft op een vordering of de invordering daarvan.
5.2.2. Verhouding artikel 4 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
De ontvanger doet een verzoek tot notificatie indien een in het buitenland wonende belanghebbende kennis moet dragen van een beslissing
De ontvanger mag vanwege doelmatigheidsredenen van notificatie af zien en gebruik te maken van de procedure ex artikel 4 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in het geval diverse dwangbevelen aan de Officier van Justitie ex artikel 4 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering moeten worden betekend en slechts bij één dwangbevel van de belastingschuldige de mogelijkheid tot notificatie bestaat, dan wel in het geval dat de invordering daarmede gebaat is.
De ontvanger maakt voor het doen van een verzoek tot notificatie aan een andere staat gebruik van de in het Modellenboek Internationale Invordering opgenomen formulier OV303. Ingeval notificatie plaats vindt op basis van het verdrag met Duitsland (zie hoofdstuk 13) is geen apart formulier voorhanden Bij het doen van een verzoek aan Duitsland vermeldt de ontvanger op het verzoek de naam en het adres van de geadresseerde, de aard en het onderwerp van de te notificeren akte of beslissing en, in voorkomend geval de naam en het adres van de debiteur, de schuldvordering, alsmede alle andere nuttige inlichtingen.
Een verzoek tot notificatie wordt in tweevoud aan de FIOD c.q. het Douanedistrict Arnhem gezonden. De akte of de beslissing, waarvoor notificatie wordt verzocht wordt in tweevoud bijgevoegd.
De FIOD/ Douanedistrict Arnhem zorgt zo nodig voor vertaling en voor verzending naar de aan te zoeken staat; zij houdt tevens toezicht op de tijdige en juiste beantwoording door de aangezochte autoriteit. Indien de aangezochte staat niet binnen een maand reageert, stuurt het Centrale aanspreekpunt een rappel.
Na ontvangst van de genotificeerde akten worden deze aan de ontvanger doorgezonden.
5.3. Verzoeken van een andere staat
Aan het verzoek tot notificatie wordt door de FIOD c.q. het Douanedistrict Arnhem slechts gevolg gegeven indien in het verzoek zijn vermeld de naam en het adres van de geadresseerde, de aard en het onderwerp van de te betekenen of uit te reiken akten of beslissingen, in voorkomend geval, de naam en het adres van de debiteur en de in de akte of beslissing bedoelde schuldvordering. Het belang van de notificatie wordt verondersteld.
Indien het Centrale aanspreekpunt een verzoek tot notificatie, van een andere staat ontvangt, beoordeelt zij of het stuk door haar per aangetekende post aan betrokkene kan worden verzonden dan wel of uitreiking of betekening door een deur-waarder dient te geschieden.
In het laatste geval wordt de te notificeren akte binnen een week naar de ontvanger gezonden.
De ontvanger draagt binnen een maand zorg voor het betekenen of uitreiken van de uit de andere staat toegezonden stukken met inachtneming van de vormen, die in de wet, c.q. regelgeving zijn voorzien voor de betekening of uitreiking van soortgelijke stukken die in Nederland zijn opgemaakt en die bestemd zijn voor personen die zich in Nederland bevinden. Een dwangbevel van een andere staat wordt derhalve door een belastingdeurwaarder betekend.
De Kostenwet invordering rijksbelastingen is van toepassing. De berekende vervolgingskosten komen ten goede aan de Nederlandse Staat. De ontvanger draagt zorg voor de invordering van de berekende vervolgingskosten.
De genotificeerde akte wordt per omgaande aangeboden aan het Centrale aanspreekpunt. Het Centrale aanspreekpunt verzendt de akte binnen een week na ontvangst aan de verzoekende autoriteit. Daarbij wordt melding gemaakt van de eventueel verschuldigde kosten.
Hoofdstuk 6 Invordering in een andere staat
6.1. Algemeen/overzicht landen
Zodra het de ontvanger duidelijk is dat invordering van een belastingschuld in Nederland niet of niet geheel mogelijk is, en hij het vermoeden heeft dat belastingschuldige naar een hieronder vermeld land is vertrokken of daar verhaalsobjecten kan hebben, gaat hij na of een verzoek om bijstand bij de invordering aan een andere staat mogelijk is (zie voor het landenoverzicht ook bijlage 1).
Een verzoek om bijstand wordt gedaan indien de gehele schuld niet in Nederland kan worden verhaald. Er hoeft niet te worden gewacht tot een daadwerkelijke invorderingsprocedure in Nederland is gestart of is afgerond. Evenmin staat een mogelijkheid tot paspoortsignalering, lijfsdwang of aansprakelijkstelling een verzoek om bijstand in de weg.
De ontvanger is verplicht een verzoek om bijstand bij de invordering te doen indien met een staat een afspraak over de bijstand bij de invordering is gemaakt en indien aan de voorwaarden daarvoor wordt voldaan (zie ook 3.7).
Het gevolg van het verzoek tot bijstand bij de invordering is tweeledig. Enerzijds blijft sprake van een Nederlandse belastingschuld waarop de wetgeving van Nederland van toepassing is. De hoogte van de aanslag, de formele vereisten (zoals bijvoorbeeld die ten aanzien van de bezwaar en bewaartermijnen van bescheiden ) en de rechtsmiddelen worden beheerst door de Nederlandse wetgeving terzake. Anderzijds geldt ten aanzien van de invordering dat de buitenlandse belastingdienst overeenkomstig de internationale regeling en geldende wetten van de aangezochte staat overgaat tot de invordering van de schuld.
Op grond van internationale afspraken is het mogelijk bijstand bij de invordering te verzoeken aan:
a) Aruba en de Nederlandse Antillen (hoofdstukken 12 en 14);
b) de lidstaten van de Europese Unie
- België (hoofdstukken 9, 11 en 14)
- Denemarken (hoofdstukken 9, 10, 13 en 14)
- Duitsland (hoofdstukken 9, 13 en 14)
- Finland (hoofdstukken 9, 10, 13 en 14)
- Frankrijk (hoofdstukken 9 en 14)
- Griekenland (hoofdstukken 9 en 14)
- Ierland(hoofdstukken 9 en 14)
- Italië (hoofdstukken 9 en 14)
- Luxemburg (hoofdstukken 9, 11 en 14)
- Oostenrijk (hoofdstukken 9 en 14)
- Portugal (hoofdstukken 9 en 14)
- Spanje(hoofdstukken 9 en 14)
- Verenigd Koninkrijk (hoofdstukken 9 en 14) en
- Zweden(hoofdstukken 9, 10, 13 en 14);
c) Buiten de Europese Unie
- Belarus (hoofdstuk 13)
- Canada (hoofdstuk 13)
- Chili (hoofdstuk 14)
- Estland (hoofdstuk 13)
- IJsland (hoofdstuk 14)
- Israël (hoofdstuk 14)
- Japan (hoofdstuk 13)
- Kaap Verdië (hoofdstuk 14)
- Kazachstan (hoofdstuk 13)
- Letland (hoofdstuk 13)
- Macedonië (hoofdstuk 13)
- Marokko ( hoofdstuk 14)
- Nieuw Zeeland (hoofdstuk 15)
- Noorwegen (hoofdstukken 10, 13 en 14)
- Oekraïne (hoofdstuk 13)
- Polen (hoofdstukken 10 en 14)
- Russische Federatie (hoofdstuk 13)
- Suriname (hoofdstuk 13)
- Tunesië hoofdstuk 14)
- Turkije (hoofdstuk 14)
- Venezuela (hoofdstuk 13)
- Verenigde Staten van Amerika (hoofdstukken 10 en 13)
- Zwitserland (hoofdstuk 14);
d) overige staten: hoofdstuk 15.
Voor een landenoverzicht waarbij de middelen zijn vermeld: zie bijlage 1.
De schuldenaar hoeft niet noodzakelijkerwijs te wonen, te verblijven of te zijn gevestigd in de staat waaraan het verzoek is gericht. Ook is niet vereist dat met de staat waarvan de belastingschuldige inwoner is een internationale regeling is gesloten. Het is voldoende dat in de staat waaraan het verzoek wordt gericht verhaalsobjecten aanwezig zijn. Voorwaarde is dat met de staat waaraan het verzoek om bijstand bij de invordering wordt gericht zich aan een internationale regeling heeft gebonden, waarin een bepaling terzake van de invordering is opgenomen.
Indien de belastingschuldige niet de nationaliteit bezit van de verzoekende staat kan niet in alle gevallen een beroep op een verdrag worden gedaan. In een beperkt aantal internationale regelingen waarin een invorderingsbepaling is opgenomen, is bepaald dat de hulp en bijstand niet geldt ten aanzien van de onderdanen van de staat waaraan het verzoek wordt gericht.
Tot het inroepen van bijstand wordt niet overgegaan indien het verschuldigde bedrag beneden f 500,- ligt, voor wat betreft het Benelux Invorderingsverdrag (hoofdstuk 11) is tussen de betrokken staten een bedrag van f 1500,- (circa 680 euro) afgesproken en voor de Richtlijn 76/308 (hoofdstuk 9) 1500 euro (circa f 3300,-).
Bijzondere, in het verzoek aangegeven, omstandigheden kunnen bijstand rechtvaardigen voor een lager bedrag. Wanneer tegelijkertijd op grond van verschillende internationale regelingen een verzoek om bijstand wordt gedaan, mogen de bedragen van de verzoeken niet bij elkaar worden geteld.
Bijstand bij de invordering wordt door de ontvanger verzocht voor aanslagen die onherroepelijk vaststaan, geheel invorderbaar zijn en waarvoor een dwangbevel voor de gehele schuld is uitgevaardigd en betekend. Het mag daarbij ook gaan om een ambtshalve aanslag, waarvan het vermoeden gerechtvaardigd is dat deze gedeeltelijk materieel verschuldigd is. Voor de mogelijkheid om conservatoire maatregelen te treffen wordt verwezen naar hoofdstuk 7.
De ontvanger maakt voor het doen van een verzoek gebruik van de in het Modellenboek Internationale Invordering opgenomen formulieren onder bijvoeging van de noodzakelijke bijlagen en stuurt het verzoek aan de FIOD c.q. het Douanedistrict Arnhem.
Voor een overzicht van de formulieren en van de gegevens die in een verzoek om invordering moeten worden vermeld wordt verwezen naar bijlage 2 en de specifieke regeling waarvoor bijstand wordt gevraagd (hoofdstukken 9 tot en met 14).
De FIOD c.q. het Douanedistrict Arnhem gaat na of aan de voorwaarden voldaan is en wendt zich vervolgens tot de bevoegde autoriteit van de andere staat. (Zie verder 3.6 en hierna). Het Centrale aanspreekpunt houdt tevens toezicht op de voortgang en rappelleert zo nodig de aangezochte staat na drie maanden.
6.5. Spoedeisend karakter verzoek
Indien invordering in de andere staat met spoed dient plaats te vinden, vermeldt de ontvanger dit expliciet in zijn voorstel en neemt zo nodig van te voren telefonisch contact op met het Centrale aanspreekpunt. In dat geval wordt de aangezochte autoriteit door het Centrale aanspreekpunt verzocht de invordering met spoed ter hand te nemen.
Wordt een bezwaarschrift ingediend nadat een verzoek om bijstand is gedaan, dan stelt de ontvanger door tussenkomst van de FIOD c.q. het Douanedistrict Arnhem de aangezochte autoriteit hiervan zo spoedig mogelijk op de hoogte. De invordering in het buitenland wordt vervolgens aangehouden. De ontvanger vermeldt daarbij of zekerheidsmaatregelen gewenst zijn (zie hoofdstuk 7).
De ontvanger bevordert dat het bezwaarschrift zo spoedig mogelijk wordt afgedaan, zo mogelijk binnen drie maanden. De ontvanger stelt het Centrale aanspreekpunt op de hoogte van de beslissing op het ingediende bezwaarschrift. Indien de termijn van drie maanden niet haalbaar is, wordt het Centrale aanspreekpunt hiervan op de hoogte gesteld en wordt de te verwachten termijn van afdoening gemeld.
De ontvanger bericht veranderingen in de openstaande bedragen, verzoeken om kwijtschelding van de belastingschuldige en andere feiten en omstandigheden die van belang zijn per omgaande aan het Centrale aanspreekpunt, met vermelding van de wijze waarop een eventuele schuldvermindering tot stand is gekomen.
Bij de beoordeling van verzoeken om kwijtschelding van Nederlandse belastingschuld, die zijn ingediend door in het buitenland wonende belastingschuldigen, gelden dezelfde normbedragen als voor belastingschuldigen die in Nederland wonen. Het is bij vorderingen van een behoorlijke omvang raadzaam om de verstrekte gegevens door de buitenlandse belastingadministratie te laten verifiëren (zie hoofdstuk 4).
Indien de ontvanger een verzoek om bijstand bij de invordering aan een andere staat heeft gedaan en de desbetreffende belastingschuldige verzoekt om kwijtschelding, dan mag alleen kwijtschelding worden verleend nadat de gegevens door de aangezochte autoriteit geverifieerd zijn, tenzij dat naar het oordeel van de FIOD of het Douanedistrict Arnhem niet noodzakelijk is. De ontvanger doet alsdan een aanvullend verzoek om informatie.
Indien om bijstand bij de invordering aan het buitenland is verzocht, wordt een verzoek om uitstel van betaling voor deze vorderingen door de Nederlandse ontvanger afgewezen. De ontvanger verwijst de verzoeker daarbij naar de aangezochte buitenlandse autoriteiten.
In voorkomende gevallen kan de aangezochte autoriteit worden gevraagd de invordering op te schorten.
De schuld, waarvoor bijstand bij de invordering is verzocht, wordt pas oninbaar geleden nadat van het Centrale aanspreekpunt bericht is ontvangen dat de invordering in de andere staat zonder resultaat is gebleven of niet tot het gehele bedrag heeft kunnen plaatsvinden.
Hoofdstuk 7 Conservatoire maatregelen in een andere staat
Voor verzoeken om conservatoire maatregelen aan een andere staat geldt in zijn algemeenheid hetzelfde als voor een verzoek om bijstand bij de invordering, met dat verschil dat de aanslag niet onbetwist of onherroepelijk vast hoeft te staan en zekerheidsmaatregelen noodzakelijk zijn.
De ontvanger geeft bij zijn verzoek een uiteenzetting waarom hij de conservatoire maatregelen noodzakelijk acht. De aangezochte staat zal voor het treffen van conservatoire maatregelen in de regel toestemming moeten vragen aan de rechter. Voor een overzicht van de internationale regelingen waarin de mogelijkheid is opgenomen conservatoire maatregelen te laten treffen in een andere staat wordt verwezen naar de bijlage en de specifieke regelingen (hoofdstukken 9 tot en met 14). Het gestelde in hoofdstuk 6 is van toepassing, tenzij daarvan hierna wordt afgeweken. Een verzoek tot het treffen van conservatoire maatregelen wordt zo snel mogelijk gevolgd door een verzoek tot het treffen van executoriale maatregelen.
7.2. Het doen van een voorstel
De ontvanger maakt gebruik van de in het Modellenboek Internationale Invordering opgenomen formulieren voor het doen van een verzoek. Voor een overzicht van deze formulieren en de punten die in het verzoek worden vermeld wordt verwezen naar bijlage 2 en de afzonderlijke regelingen.
7.3. Benaderen buitenlandse autoriteit
De ontvanger kondigt zijn verzoek zoveel mogelijk telefonisch aan bij de FIOD c.q. het Douanedistrict Arnhem. Een verzoek tot conservatoire maatregelen wordt gedaan wanneer voor de betrokken schuldvordering in Nederland een executoriale titel tot stand is gekomen. Alleen indien de internationale of nationale regeling deze eis niet stelt en de betekening van de executoriale titel het treffen van de conservatoire maatregelen in gevaar zou brengen wordt daarvan afgezien.
Het Centrale aanspreekpunt gaat per omgaande na of aan de voorwaarden voldaan is en wendt zich vervolgens tot de bevoegde autoriteit van de andere staat. (Zie verder de hoofdstukken 3 en 6 en de specifieke regelingen). Het Centrale aanspreekpunt houdt toezicht op de voortgang en rappelleert zo nodig de aangezochte staat na een maand of zo veel eerder als gewenst is.
De ontvanger laat een voorstel tot het nemen van conservatoire maatregelen in het buitenland achterwege indien het verschuldigde bedrag lager is dan f 5000 (circa 2200 euro), tenzij bijzondere omstandigheden maatregelen voor een lager bedrag rechtvaardigen.
Hoofdstuk 8 Invordering schuldvorderingen van andere staten in Nederland
Op grond van internationale afspraken bestaat de mogelijkheid voor bevoegde autoriteiten uit andere staten de Nederlandse belastingdienst te vragen de schuld in te vorderen. Het gevolg van het verzoek tot invordering van de buitenlandse vordering schuld is tweeledig. Enerzijds blijft sprake van een buitenlandse belastingschuld waarop de wetgeving van de verzoekende staat van toepassing is. De hoogte van de aanslag, de formele vereisten (zoals bijvoorbeeld die ten aanzien van de bezwaar- en bewaartermijnen van bescheiden) en de rechtsmiddelen worden beheerst door de wetgeving van de verzoekende staat terzake. Anderzijds geldt ten aanzien van de invordering dat de Nederlandse Belastingdienst overeenkomstig de internationale regeling en in Nederland geldende regelgeving overgaat tot de invordering van de schuld.
Verzoeken om schuldvorderingen van andere staten in Nederland in te vorderen worden gericht aan de bevoegde (Nederlandse) autoriteit en komen binnen bij de FIOD of het Douanedistrict Arnhem. Aan het verzoek wordt slechts gevolg gegeven indien het verzoek vermeldt de naam en het adres van de persoon tegen wie de executoriale titel ten uitvoer moet worden gelegd, de aard van de schuldvordering en het bedrag van de vordering.
Aan een verzoek om bijstand bij de invordering wordt niet voldaan wanneer de schuldvordering of de executoriale titel waarop het verzoek betrekking heeft wordt betwist c.q. wordt aangevochten in de verzoekende staat. Het verzoek dient vergezeld te zijn van een (gewaarmerkt afschrift van een) executoriale titel.
Indien met inachtneming van de overige voorwaarden in de internationale en nationale regelgeving het verzoek geaccepteerd kan worden, wordt door het Centrale aanspreekpunt een ontvanger aangewezen om de bijstand te verlenen. Het belang van de verzoekende staat wordt in beginsel verondersteld. Bij twijfel daarover neemt het Centrale aanspreekpunt contact op met de verzoekende autoriteit.
De Nederlandse Belastingdienst mag er daarbij op vertrouwen dat de invordering in het verzoekende land niet (volledig) mogelijk is. Verzoeken om invordering van een andere staat aan Nederland worden behandeld conform het gestelde onder 3.7 en doorgezonden naar de ontvanger, die met de invordering wordt belast. De te verlenen bijstand dient binnen de grenzen te blijven van de door de verzoekende autoriteiten aangegeven vorderingen.
Zo nodig stelt de ontvanger een onderzoek in onder toepassing van de informatiebepalingen van de Invorderingswet (art. 58 e.v.) en met inachtneming van het Voorschrift verzoeken om informatie over derden bij banken (Besluit van 1 april 1998, AFZ98/1228M, Stcrt.1998, 70).
De invordering van een schuldvordering van een andere staat in Nederland vindt plaats aan de hand van het gestelde in dit Voorschrift. Voorzover in dit Voorschrift geen specifieke bepalingen zijn opgenomen geldt het volgende:
a. Belgische en Luxemburgse belastingen worden ingevorderd overeenkomstig de voorschriften die gelden voor een als soortgelijk aangemerkte Nederlandse belasting. Hiertoe wordt geraadpleegd de bijlage van de Uitvoeringsbeschikking Benelux Invorderingsverdrag.
b. EEG-heffingen genoemd in artikel 1, eerste lid, letter a, van de Wet wederzijdse bijstand worden langs civiele weg ingevorderd.
c. Heffingen genoemd in artikel 1, eerste lid, letters b, c, d, en e van de Wet wederzijdse bijstand worden ingevorderd overeenkomstig het bepaalde in de Wet wederzijdse bijstand. Bij de invordering van omzetbelasting en accijnzen is zoveel mogelijk het beleid van toepassing zoals dat geldt voor de overeenkomstige Nederlandse heffingen, zulks met inachtneming van het bepaalde in de Wet wederzijdse bijstand.
d. Voor de overige heffingen geschiedt de invordering zoveel als mogelijk is overeenkomstig de voorschriften, die gelden ten aanzien van een gelijksoortige Nederlandse vordering.
Op grond van de hiervoor bedoelde regelingen wordt hier te lande namens de Staatssecretaris door de FIOD of het Douanedistrict Arnhem de bevoegde ontvanger aangewezen voor de invordering van de buitenlandse schuld. Bij aanwijzing van de ontvanger wordt uitgegaan van de competentie in Beheer van Relaties.
Nadat de ontvanger is aangewezen voor de invordering van de buitenlandse schuld nodigt hij de in Nederland wonende of gevestigde schuldenaar schriftelijk uit om het verschuldigde bedrag binnen tien dagen te voldoen. De ontvanger maakt daartoe gebruik van de in het Modellenboek Internationale Invordering opgenomen standaard betalingsuitnodiging Internationale Invordering (V305-3Z*2PL), waarin wordt aangegeven wat de rechten en plichten van de schuldenaar zijn. Aan deze uitnodiging zijn geen kosten verbonden. De be-talingsuitnodiging kan betrekking
hebben op verschillende buitenlandse belastingvorderingen.
Een betalingsuitnodiging wordt niet verstuurd indien zich een situatie voordoet waarbij versnelde invordering, als bedoeld in artikel 15 van de Invorderingswet noodzakelijk wordt geacht. Zo’n situatie doet zich bijvoorbeeld voor indien de schuldenaar in een andere staat woont of gevestigd is dan wel in Nederland geen vaste woonplaats of plaats van vestiging heeft en de verzoekende autoriteit aannemelijk maakt dat gegronde vrees bestaat dat de belastingschuld niet kan worden verhaald op de in Nederland aanwezige goederen indien belastingschuldige vooraf in kennis wordt gesteld.
8.4. Het internationale dwangbevel/verrekening na uitvaardiging
Als de buitenlandse schuldvordering niet binnen de daartoe gestelde termijn wordt betaald, wordt overgegaan tot vervolging van de schuldenaar in Nederland. Voordat de ontvanger tot invordering kan overgaan, moet hij de buitenlandse executoriale titel vervangen door een Nederlandse titel. Daarvoor gebruikt hij het dwangbevel Internationale Invordering (nr. OV304-3Z*2pl). Bevat het verzoek meerdere vorderingen dan worden deze afzonderlijk op het dwangbevel Internationale Invordering vermeld en vervolgens getotaliseerd.
Na de uitvaardiging van het dwangbevel worden teruggaven niet meer uitbetaald, maar verrekend met de openstaande schuldvordering.
Voor het verrichten van werkzaamheden door de Nederlandse ontvanger en de deurwaarder ten behoeve van de invordering van buitenlandse schuldvordering worden na de uitvaardiging van het dwangbevel vervolgingskosten in rekening gebracht. Deze kosten vormen een vergoeding voor de werkzaamheden die door de Nederlandse belastingdienst worden verricht en komen dan ook ten goede aan de Nederlandse schatkist. De Kostenwet is, met uitzondering van artikel 2, van toepassing op het verrichten van invorderingshandelingen.
De belastingschuldige kan tegen de in Nederland berekende vervolgingskosten, niet voortspruitende uit de gerechtelijke tenuitvoerlegging van het dwangbevel, bezwaar maken op grond van artikel 7 van de Kostenwet. Betrokkene moet binnen zes weken na de uitvaardiging van het dwangbevel een bezwaarschrift indienen bij de ontvanger. Het bezwaarschrift is tijdig als het binnen de gestelde termijn ter post is bezorgd en het niet later dan een week na afloop van die termijn door de Belastingdienst is ontvangen.
Voor het geval dat de in Nederland berekende vervolgingskosten niet verhaalbaar zijn op de belastingschuldige meldt de ontvanger de hoogte van de niet verhaalbare kosten aan de instantie door wiens tussenkomst het verzoek om bijstand bij de invordering is gedaan.
Het beleid zoals neergelegd in Hoofdstuk XII van de Leidraad Invordering 1990 is zoveel mogelijk van toepassing met dien verstande dat de ontvanger rekening dient te houden met het door belastingschuldige in het buitenland getoonde fiscale gedrag en de eventuele mogelijkheid om de vervolgingskosten in voorkomende gevallen te declareren bij de verzoekende buitenlandse autoriteit.
Betekeningskosten van het dwangbevel en de kosten van beslaglegging worden niet in rekening gebracht als de schuldenaar niet in de gelegenheid is geweest om van die belastingschuld kennis te nemen en deze te voldoen. De schuldenaar wordt in elk geval geacht wél kennis te hebben genomen van zijn belastingschuld en in de gelegenheid te zijn geweest deze te voldoen, als na de dag waarop in de verzoekende staat een executoriale titel aan hem of - in het geval van een rechtspersoon - aan zijn bestuurder is uitgereikt, twee werkdagen zijn verstrekken, alsmede in de gevallen waarin een betalingsuitnodiging is gestuurd. Direct na deze termijn stelt de belastingdeurwaarder de vervolgingskosten vast bij een voor bezwaar vatbare beschikking, tenzij inmiddels uitstel van betaling is verleend voor de bedoelde schuldvordering.
De in Nederland krachtens internationale regelingen in te vorderen buitenlandse belasting vorderingen en E.E.G.-heffingen genieten geen voorrecht als bedoeld in artikel 21 van de Invorderingswet, tenzij in de internationale regeling bepaald is dat de vordering wel bevoorrecht is (zie de hoofdstukken 9 tot en met 14).
Indien gedurende de invorderingsprocedure in Nederland de juistheid van de schuldvordering en/of de geldigheid van de in de staat waar de verzoekende autoriteit is gevestigd afgegeven executoriale titel, dan wel de rechtmatigheid van het verzoek om bijstand door een belanghebbende wordt betwist, dient hij zich te wenden tot de bevoegde instantie van de verzoekende staat. De ontvanger schorst de tenuitvoerlegging in Nederland alleen indien hij een schriftelijke en onderbouwde mededeling heeft ontvangen van de verzoekende autoriteit en/of de belanghebbende dat in de verzoekende staat de vordering wordt betwist of de executoriale titel wordt aangevochten. Bij schorsing op verzoek van de belanghebbende wordt de verzoekende autoriteit per omgaande geïnformeerd. De invordering in Nederland wordt niet geschorst indien het verzet gegrond is op de stelling dat het aanslagbiljet, de buitenlandse executoriale titel of de onder 8.3 genoemde be-talingsuitnodiging Internationale invordering niet is ontvangen door
de schuldenaar.
Verzet tegen de geldigheid of de gevolgen van executoriale maatregelen, voortvloeiende uit de tenuitvoerlegging in Nederland van een titel tot invordering van buitenlandse schuldvorderingen wordt bij de Nederlandse rechter ingesteld. De administratieve behandeling van een dergelijk verzet geschiedt op dezelfde wijze als voor een verzet inzake de invordering van soortgelijke Nederlandse belasting is voorgeschreven. Het ministerie wordt in kennis gesteld van het verzet.
De invordering in Nederland wordt niet geschorst indien het verzet gegrond is op de stelling dat het aanslagbiljet, de buitenlandse executoriale titel of de betalingsuitnodiging Internationale Invordering niet is ontvangen door de schuldenaar
8.8. Betaling, toerekening en interest
Van de belastingschuldige wordt in de betalingsuitnodiging betaling van de vordering gevraagd in guldens en in euro’s, zulks naar de koers van het tijdstip van het verzoek. Indien de debiteur in de valuta van de verzoekende autoriteit afrekent, dan wordt dit als betaling aanvaard.
De vervolgingskosten dienen in guldens of in euro’s te worden betaald.
De toerekening van de betaling vindt in het algemeen plaats overeenkomstig het bepaalde in artikel 7 van de Invorderingswet. Voor de toerekening van betalingen die betrekking hebben op vorderingen die op grond van richtlijn 76/308 juncto de Wet wederzijdse bijstand worden ingevorderd, wordt verwezen naar artikel 21 van deze wet (zie ook hoofdstuk 9).
Terzake van een verzoek tot invordering van een andere lidstaat geldt dat de interest berekening geschiedt op grond van de bepalingen zoals die gelden in de verzoekende staat. Bij toepassing van Richtlijn 76/308 in Nederland (zie hoofdstuk 9) is voor omzetbelasting of accijnzen overeenkomstig de bepalingen van Hoofdstuk V van de Invorderingswet interest verschuldigd. Voor de berekening van de verschuldigde interest wordt als vervaldag aangemerkt de dag waarop het verzoek tot invordering door het Centrale aanspreekpunt is ontvangen. De geïnde interest komt ten goede aan de verzoekende lidstaat.
8.9. Overmaken ingevorderde bedragen
De ten behoeve van een andere staat ingevorderde bedragen worden na elke betaling van meer dan f 250,- overgemaakt aan de verzoekende staat op het in het verzoek aangegeven giro- of bankrekeningnummer, ook indien de schuld daarmee slechts gedeeltelijk is voldaan. Overmaking geschiedt zo veel mogelijk in dezelfde valuta waarmede de belastingschuldige betaald heeft. Overmakingskosten zijn voor rekening van de schuldenaar.
8.10. Invordering zonder resultaat
Indien de hier te lande ingestelde vervolging geen resultaat heeft opgeleverd of niet tot volledige betaling van de schuld heeft geleid, zendt de ontvanger de stukken terug aan het Centrale aanspreekpunt onder uiteenzetting van de omstandigheden waarom niet tot invordering kon worden overgegaan en onder vermelding van de eventuele niet geïnde vervolgingskosten. Indien naderhand alsnog blijkt dat er verhaalsobjecten in Nederland aanwezig zijn meldt de ontvanger dit uit eigen beweging per omgaande via het Centrale aanspreekpunt aan de verzoekende staat (zie hoofdstuk 4).
8.11. Uitstel van betaling vanwege betwisting van de schuld
Op verzoek van de schuldenaar kan de ontvanger uitstel van betaling verlenen in verband met de betwisting van de buitenlandse schuld. Voor het niet betwiste deel wordt de invordering voortgezet. Het uitstel wordt slechts verleend indien een afschrift wordt overgelegd van het met redenen omklede bezwaarschrift, dat aan de buitenlandse autoriteit is gezonden. Het gevoerde uitstelbeleid is in lijn met het beleid dat wordt gehanteerd voor Nederlandse vorderingen. De ontvanger eist indien het in Nederland en/of in de verzoekende staat getoonde fiscale gedrag van de schuldenaar daartoe aanleiding geeft zekerheid of neemt zekerheid door middel van beslaglegging. De ontvanger stelt door tussenkomst van de FIOD c.q. het Douanedistrict Arnhem de verzoekende autoriteit op de hoogte van het verleende uitstel.
8.12. Uitstel van betaling vanwege betalingsmoeilijkheden
Uitgangspunt is dat het gevoerde uitstelbeleid voor buitenlandse schuldvorderingen in lijn is met het uitstelbeleid dat wordt gehanteerd voor Nederlandse belastingvorderingen. Daarbij wordt rekening gehouden met de omstandigheid of een buitenlandse vordering concurrent is. De ontvanger zal bij de afweging ten aanzien van het verzoek om uitstel tevens rekening houden met de voorgeschiedenis en het verloop van de invorderingsprocedure in de verzoekende staat. Zo nodig kan de ontvanger overleg voeren met de autoriteiten van de verzoekende staat.
Uitgangspunt voor de looptijd van een betalingsregeling is dat het verschuldigde bedrag zo snel mogelijk wordt betaald en dat voor nieuwe aanslagen van de Nederlandse- en de verzoekende belastingdienst geen betalingsachterstand zal optreden. De ontvanger houdt bij het vaststellen van de termijnen rekening met verplichtingen aan andere in Nederland wonende of gevestigde schuldeisers.
Voor het geval dat de internationale regeling voorschrijft dat alvorens uitstel van betaling wordt verleend overleg met de verzoekende autoriteit dient plaats te vinden, verleent de ontvanger uitstel van betaling onder de ontbindende voorwaarde dat de verzoekende autoriteit toestemming verleent.
De ontvanger licht via het Centrale aanspreekpunt de buitenlandse autoriteit per omgaande in over het verleende uitstel. Voor zover uit het nadere overleg met de buitenlandse autoriteit naar voren komt dat (verder) uitstel van betaling ongewenst is, doet de ontvanger een beroep op de ontbindende voorwaarde en zet hij de invordering voort.
8.13. Kwijtschelding/niet verder bemoeilijken in Nederland
De Nederlandse belastingdienst is niet bevoegd kwijtschelding te verlenen voor schuldvorderingen van andere staten. Indien de belastingschuldige kwijtschelding wenst van de buitenlandse belastingvordering, interest of vervolgingskosten dan moet hij zelf een verzoek daartoe doen aan de buitenlandse instantie. De Nederlandse ontvanger kan hem gedurende de behandeling van het verzoek desgevraagd uitstel van betaling verlenen voor het bedrag waarvoor hij kwijtschelding verzoekt dan wel de invordering voor dat bedrag opschorten. Voor het restant wordt de invordering voortgezet.
De ontvanger gaat na of er reden is zekerheid te eisen dan wel te verschaffen. Een verzoek om kwijtschelding van belasting gedaan aan de Belgische autoriteiten zal overigens geen kans op succes bieden. De Belgische autoriteiten kunnen wel kwijtschelding verlenen van nalatigheidsinterest en vervolgingskosten.
Indien de in Nederland wonende belastingschuldige kan aantonen dat de buitenlandse belastingadministratie geen kwijtschelding verleent, dan kan hij een verzoek doen om in Nederland niet verder te worden bemoeilijkt voor de schuld. Het verzoek wordt ingediend bij de ontvanger. De ontvanger stelt na ontvangst van het verzoek een onderzoek in naar de persoonlijke en financiële omstandigheden van de belastingschuldige. Indien het de ontvanger op voorhand duidelijk is dat betrokkene niet in aanmerking komt voor een positieve beslissing dan wijst hij het verzoek per omgaande af, onder vermelding van de reden.
Indien de ontvanger van mening is dat een positief oordeel niet uitgesloten is, voorziet hij het verzoek van belastingschuldige van advies en zendt het verzoek aan het Centrale aanspreekpunt ter beslissing. Indien het Centrale aanspreekpunt van mening is dat het verzoek alsnog kan worden afgewezen, wordt de ontvanger verzocht alsnog een afwijzende beslissing te nemen.
8.14. Beleid niet verder bemoeilijken
Het gevoerde beleid met betrekking tot het niet verder bemoeilijken voor buitenlandse vorderingen in Nederland is in lijn met het kwijtscheldingsbeleid, dat voor Nederlandse belastingschulden gevoerd wordt met inachtneming van het navolgende.
In fraudegevallen en in het geval door de schuldenaar vermogensbestanddelen zijn aangeschaft terwijl hij op de hoogte was of had kunnen zijn van de buitenlandse vordering wordt het verzoek afgewezen. Indien er andere crediteuren in Nederland en/of in het buitenland zijn wordt alleen een beslissing tot niet verder bemoeilijken in Nederland genomen bij een sanering van alle schulden van de schuldenaar in Nederland en in de verzoekende staat. Bij een concurrente buitenlandse vordering wordt meegewerkt indien het te ontvangen deel van de belastingschuld tenminste hetzelfde percentage bedraagt van hetgeen (gemiddeld) aan concurrente schuldeisers op hun vorderingen zal worden uitgekeerd en vooruitlopend op een eventuele sanering een be-talingsregeling wordt overeengekomen, die een substantiële omvang heeft, zowel absoluut als in relatie tot de totale buitenlandse belastingschuld.
Een positieve beslissing op het verzoek houdt in dat afgezien wordt van verdere invordering hier te lande indien aan de gestelde voorwaarden is voldaan. Het verzoek om bijstand bij de invordering wordt alsdan aan de verzoekende autoriteit geretourneerd. De verzoekende staat kan buiten Nederland desgewenst verdere invorderingsmaatregelen treffen.
De Nederlandse ontvanger kan zelfstandig kwijtschelding verlenen van de in Nederland op grond van Nederlandse wetten berekende vervolgingskosten en rente. Voor wat betreft de behandeling van verzoeken om kwijtschelding of redressering van de in Nederland in rekening gebrachte vervolgingskosten spoort het beleid met het beleid dat gevoerd wordt voor vervolgingskosten die berekend worden voor Nederlandse vorderingen, met dien verstande dat de ontvanger rekening houdt met de eventuele mogelijkheid de kosten te verhalen op de verzoekende autoriteiten.
8.15. Aansprakelijkheid erfgenamen
Wanneer invordering plaatsvindt voor een buitenlandse schuld van een overledene, wordt de dwanginvordering beperkt tot de waarde van de nalatenschap c.q. de goederen, die de erfgenamen uit de nalatenschap hebben verkregen tenzij het ministerie toestemming verleent voor verdergaande maatregelen tegen de erfgenamen.
De wetgeving van de verzoekende staat bepaalt de duur van de verjaringstermijn. Het aldaar geldende recht is ook bepalend voor de schorsing en stuiting van de verjaring. Maatregelen ter stuiting of schorsing in de aangezochte staat hebben dezelfde werking alsof ze in de verzoekende staat zijn genomen. Indien een internationale regeling hierover niets vermeldt, dient de verzoekende staat zelf maatregelen te treffen.
De ontvanger mag ten behoeve van de invordering gebruik maken van de in artikel 19 van de Invorderingswet omschreven vordering.
Voor vorderingen van een schuldenaar die niet in Nederland woont of vast verblijft wordt geen beslagvrije voet vastgesteld, indien zijn persoonlijke en financiële omstandigheden onbekend zijn. Indien de schuldenaar onvoldoende middelen van bestaan heeft dient hij zich te wenden tot de verzoekende autoriteit dan wel de kantonrechter. Op verzoek van de kantonrechter en/of de buitenlandse verzoekende autoriteit wordt door de ontvanger een beslagvrije voet toegekend.
Verkeert de belastingschuldige in staat van faillissement dan wordt de buitenlandse vordering door de ontvanger aangemeld bij de curator, waarbij mededeling wordt gedaan of de vordering enig voorrecht geniet (zie verder hoofdstuk 15).
8.19 Treffen van conservatoire maatregelen in Nederland
Een verzoek tot het treffen van conservatoire maatregelen in Nederland moet door de verzoekende staat met redenen omkleed zijn en ten minste de naam en het adres van de persoon tegen wie de maatregelen moeten worden getroffen, de aard van de schuldvordering en het bedrag van de vordering bevatten, alsmede eventuele overige in de desbetreffende regeling opgesomde gegevens.
Indien daaraan niet voldaan is wordt het verzoek per omgaande onder vermelding van de reden geweigerd dan wel wordt de verzoekende autoriteit door het Centrale aanspreekpunt in de gelegenheid gesteld om het verzoek aan te vullen.
Bij een verzoek om conservatoire maatregelen in Nederland te treffen stelt het Centrale aanspreekpunt het verzoek per omgaande in handen aan de ontvanger. Een afschrift van het verzoek wordt rechtstreeks gezonden aan de rijksadvocaat. De rijksadvocaat vraagt vervolgens per omgaande namens de ontvanger toestemming aan de president van de rechtbank om de maatregelen te mogen treffen. De ontvanger draagt zorg voor het uitvoeren van de maatregelen (zie 3.7).
Hoofdstuk 9 Richtlijn 76/308/EEG en verordening 3/84 (omzetbelasting, accijnzen en douanerechten e.d. / EU-lidstaten)
9.1. Richtlijn 76/308/EEG algemeen
Richtlijn 76/308/EEG van Raad van Europese Gemeenschappen regelt de internationale invordering tussen de 15 lidstaten met betrekking tot enkele EEG heffingen, de omzetbelasting en de accijnzen. De richtlijn van de raad is nader uitgewerkt in richtlijn 77/794/EEG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen. Beide Richtlijnen zijn in de Nederlandse wetgeving verwerkt in de Wet wederzijdse bijstand bij de invordering van enkele EEG-heffingen, de omzetbelasting en de accijnzen (WWB). De Beschikking wederzijdse bijstand bij de invordering van enkele EEG-heffingen de omzetbelasting en de accijnzen geeft een aantal voorschriften ter uitvoering van de wet.
De richtlijnen hebben als doel het vaststellen van gemeenschappelijke regels voor wederzijdse bijstand op het gebied van de invordering om op die wijze te bereiken dat een schuldvordering die ontstaat in de ene lidstaat van de Europese Unie ook in iedere andere lidstaat kan worden ingevorderd. De bepalingen van de richtlijnen vormen geen beperking voor de wederzijdse bijstand welke sommige lidstaten elkaar op grond van bilaterale of multilaterale overeenkomsten of regelingen verlenen. Naast het in dit hoofdstuk vermelde is het gestelde in de vorige hoofdstukken van toepassing.
9.2. Staten waaraan bijstand kan worden gevraagd/middelen
Op grond van de Richtlijn 76/308/EEG kan bijstand bij de invordering worden gevraagd aan elke andere lidstaat van de EU (zie 1.1) voor de volgende belastingen en heffingen:
- de omzetbelasting (belasting over de toegevoegde waarde);
- de volgende accijnzen:
· accijns op tabaksfabricaten;
· accijns op alcohol en alcoholische dranken;
· accijns op minerale oliën;
- restituties, interventies en andere maatregelen die deel uitmaken van het stelsel van algehele of gedeeltelijke financiering door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, met inbegrip van de in het kader van deze acties te innen bedragen (terugvordering, landbouwrestituties, art. 1, lid 1, letter a, WWB);
- de landbouwheffingen in de zin van artikel 2, sub a, van Besluit 70/243EGKS, EEG, Euratom en van artikel 128, sub a, van de Akte van Toetreding (landbouwheffingen, artikel 1, lid 1, letter b, WWB);
- de douanerechten in de zin van artikel 2, sub b, van genoemd besluit en van artikel 128, sub b, van de Akte van Toetreding;
- de kosten en interessen, verbonden aan de invordering van de hierboven genoemde schuldvorderingen.
Bijstand voor bestuurlijke boeten is niet mogelijk.
Op de uitvoering van het verzoek hebben de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betrekking die van toepassing zijn in de aangezochte staat en die van toepassing zijn op de notificatie, het inwinnen van inlichtingen en de invordering van soortgelijke schuldvorderingen, ontstaan in de aangezochte lidstaat.
Ten aanzien van de verjaring geldt dat de rechtsregels van de verzoekende lidstaat van toepassing zijn. Wanneer volgens die rechtsregels invorderingsmaatregelen gevolgen zouden hebben voor onderbreking of opschorting van de verjaring, geldt dat ook voor invorderingsmaatregelen die genomen worden in de aangezochte lidstaat.
9.4. Vier vormen van wederzijdse bijstand
Op basis van de richtlijn is het mogelijk de volgende vormen van wederzijdse bijstand toe te passen:
- inlichtingenuitwisseling (zie 9.5);
- de betekening en uitreiking van stukken (notificatie) (zie 9.6);
- bijstand bij de invordering (zie 9.7);
- het nemen van conservatoire maatregelen (zie 9.10).
Voorwaarde voor het doen van een verzoek om inlichtingen aan een andere lidstaat is dat de gevraagde gegevens zien op de invordering van de onder 9.1 genoemde middelen. Het verzoek kan betrekking hebben op belastingschuldige zelf of op een aansprakelijkgestelde.
De Richtlijn voorziet niet in de uitwisseling van gegevens met het oog op vaststelling van de schuldvordering of de opsporing van een strafbaar feit.
Voor het doen van een verzoek maakt de ontvanger gebruik van een standaard formulier (OV 302), opgenomen in het Modellenboek Internationale Invordering (zie bijlage).
De ontvanger past bij de uitvoering van een verzoek om inlichtingen dezelfde procedures toe als gebruikelijk zijn bij het verzamelen van gegevens ten behoeve van de invordering van een in Nederland ontstane schuldvordering van soortgelijke aard als die waarop het verzoek om inlichtingen betrekking heeft. Heeft het verzoek bijvoorbeeld betrekking op omzetbelasting dan kan de ontvanger de artikelen 58-63 van de Invorderingswet toepassen indien de gevraagde gegevens niet (volledig) voorhanden zijn (zie verder hoofdstuk 4).
Indien een dwangbevel of een andere akte of een beslissing terzake van de invordering van de in de Richtlijn genoemde middelen in een andere lidstaat van de EU moet worden betekend of uitgereikt verzoekt de ontvanger om notificatie. Voor notificatie wordt gebruik gemaakt van een in het modellenboek Internationale invordering opgenomen formulier (nr. OV 303-3Z*1pl.). Zie verder hoofdstuk 5 en de bijlage.
Zodra het de ontvanger duidelijk is dat invordering van schuldvorderingen terzake van omzetbelasting, accijnzen, douanerechten en andere in de Richtlijn genoemde middelen in Nederland niet tot gevolg heeft dat de schuld volledig wordt betaald verzoekt hij bijstand bij de invordering aan een andere lidstaat. Het bepaalde in hoofdstuk 8 is van toepassing met inachtneming van het navolgende.
Een verzoek om bijstand op basis van de Richtlijn is ook mogelijk indien de ontvanger niet op de hoogte is van eventuele verhaalsobjecten in de andere lidstaat. De wederzijdse bijstand is niet beperkt tot schuldvorderingen ten name van onderdanen van de verzoekende lidstaat. Ook is niet vereist dat de debiteur of een ander tot betaling van de schuldvordering gehouden persoon in de aangezochte lidstaat woont of gevestigd is. Voldoende is dat zich op het grondgebied van de aangezochte lidstaat voor beslag vatbare vermogensbestanddelen kunnen bevinden. Een verzoek tot invordering mag alleen worden gedaan, indien ten tijde van het verzoek noch de juistheid van de schuldvordering noch de geldigheid van de executoriale titel worden betwist. De schuldvordering hoeft daarbij niet onherroepelijk vast te staan. Wordt de juistheid van de schuldvordering en/of de geldigheid van de executoriale titel betwist dan is een verzoek tot het nemen van conservatoire maatregelen mogelijk.
9.7.1. Het doen van een verzoek
De ontvanger gebruikt voor het doen van een verzoek om bijstand bij de invordering het in het modellenboek Internationale Invordering opgenomen formulier (OV301).
De ontvanger verklaart door de ondertekening van het formulier waarbij om bijstand bij de invordering wordt verzocht, dat de schuld op het moment van indiening niet betwist wordt, de in Nederland tot stand gekomen executoriale titel op dat moment niet wordt aangevochten alsmede dat de invordering in Nederland niet (volledig) mogelijk is. Het is daarbij niet noodzakelijk dat de schuld onherroepelijk vaststaat.
De bijstand bij de invordering strekt zich uit tot de hoofdsom van de schuldvordering, de vervolgingskosten en de interest. De ontvanger kan om bijstand vragen ten laste van de belastingschuldige en ieder ander die voor de voldoening van de schuld aansprakelijk kan worden gesteld. Het minimum-bedrag waarvoor een verzoek om bijstand bij de invordering kan worden gedaan bedraagt 1.500 euro (circa f 3300,-). Dit bedrag is een verzamelbedrag voor alle in te vorderen aanslagen, inclusief de interest en de vervolgingskosten.
9.7.3. Verzoek van een andere lidstaat
Als een verzoek van een andere lidstaat voldoet aan de in de WWB gestelde eisen dan gaat de ontvanger over tot de invordering van de schuld volgens de rechtsregels en voorschriften die gelden voor soortgelijke nationale vorderingen met inachtneming van de WWB.
Voor wat betreft onverschuldigde be-talingen in het kader, van restituties, interventies en andere maatregelen die deel uitmaken van het stelsel van financiering van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de landbouw wordt het bedrag ingevorderd via de civiele route (artikel 6: 203 Burgerlijk Wetboek). De ontvanger vraagt de rechter toestemming de executoriale titel uit de andere lidstaat ten uitvoer te mogen leggen.
Voor de bijstand bij de invordering van omzetbelasting en accijnzen geeft de WWB in artikel 18 aan welke bepalingen van de Invorderingswet gelden. Vorderingen van een andere lidstaat genieten geen voorrecht en veel speciale bevoegdheden die de ontvanger voor de invordering van Nederlandse vorderingen kan toepassen, zoals bijvoorbeeld het bodemrecht, gelden niet.
9.7.4. Afboeking betalingen/vergoeding kosten
Betalingen op buitenlandse vorderingen worden in afwijking van artikel 7 van de Invorderingswet, eerst afgeboekt op de schuldvordering en de interest en pas daarna op de in Nederland op basis van de Kostenwet berekende vervolgingskosten. In de Richtlijn wordt afgezien van vergoeding van kosten die voortvloeien uit de wederzijdse bijstand voor het geval de kosten niet verhaalbaar zijn op de schuldenaar.
Terzake van een verzoek tot invordering van een andere lidstaat betreffende de omzetbelasting of accijnzen is overeenkomstig de bepalingen van Hoofdstuk V van de Invorderingswet interest verschuldigd. Voor de berekening van de verschuldigde interest wordt als vervaldag aangemerkt de dag waarop het verzoek tot invordering door het Centrale aanspreekpunt is ontvangen. De geïnde interest komt ten goede aan de verzoekende lidstaat.
Weigert de aangezochte staat aan een verzoek tot invordering te voldoen dan is die staat verplicht zowel de verzoekende lidstaat als de Europese Commissie van de beweegredenen op de hoogte te stellen. In verband daarmede wordt een verzoek van een andere lidstaat pas geweigerd nadat daarvoor toestemming is verkregen van het ministerie.
9.8. Verzoek aan een andere staat om conservatoire maatregelen te treffen
Indien de schuld betwist wordt of de executoriale titel wordt aangevochten kan de ontvanger geen verzoek om bijstand bij de invordering aan een andere lidstaat doen. De ontvanger kan in dat geval wel vragen om conservatoire maatregelen toe te passen in een andere lidstaat.
Bij een verzoek tot het nemen van conservatoire maatregelen in een andere lidstaat maakt de ontvanger eveneens gebruik van een standaardformulier (OV301).De aangezochte staat is niet verplicht over te gaan tot maatregelen om de invordering te waarborgen indien haar wetgeving daarin niet voorziet (zie verder hoofdstuk 7).
9.9. Verordening (EEG) nr. 3/84
Verordening 3/84 nader uitgewerkt in Verordening 2364/84, regelde de invordering van verschuldigde belastingen over goederen die tot 1 januari 1993 uit een lidstaat van de EU werden verzonden om tijdelijk in een andere lidstaat te worden gebruikt. De regeling is met name van belang voor de ontvangers van Douanedistricten. Verordening 3/84 kan via een formulier op een vrij eenvoudige manier om bijstand bij de invordering worden verzocht. Bijstand wordt altijd gevraagd door de lidstaat op het grondgebied waarvan een onregelmatigheid is begaan.
Met het vervallen van de binnengrenzen van de EU per 1 januari 1993 is ook de Verordening ingetrokken, met dien verstande dat de Verordening nog wel geldt voor de zuivering van carnets, die voor 1 januari 1993 zijn uitgegeven. Voor de behandeling van deze verzoeken wordt verder verwezen naar het besluit van 31 maart 1992, nr. AFZ92/1938.
Hoofdstuk 10 WABB-verdrag (Finland, Noorwegen, de Verenigde Staten van Amerika (met uitzondering van invordering), Zweden, Denemarken, IJsland en Polen).
Het multilaterale Verdrag inzake wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken (hierna ook WABB-verdrag) is op 25 januari 1988 te Straatsburg tot stand gekomen en door het Koninkrijk op 25 september 1990 ondertekend. Het verdrag is voor Nederland van toepassing geworden op 1 februari 1997. Het WABB-verdrag voorziet in wederzijdse bijstand bij de heffing en invordering van belastingen. In verband met de nauwe samenhang tussen de heffing van belastingen en premies voor de sociale zekerheid, strekt het verdrag zich ook uit tot de verplichte premies of bijdragen voortvloeiend uit de sociale zekerheid.
Het WABB-verdrag omvat:
- uitwisseling van inlichtingen t.b.v. de heffing en invordering;
- bijstand bij invordering ( zowel conservatoire als executoriale maatregelen);
- bijstand bij de uitreiking van documenten (notificatie).
De uitwisseling van inlichtingen omvat de uitwisseling op verzoek, de spontane en de automatische uitwisseling, gelijktijdige boekenonderzoeken en de deelname aan onderzoeken in een ander land.
Het WABB-verdrag heeft een ruime werking en strekt zich uit tot alle soorten van belastingen - met uitzondering van invoerrechten - die in de landen worden geheven door de centrale overheid of door lagere overheden.
Het verdrag voorziet in de mogelijkheid dat landen die het verdrag ondertekenen zich niet, of niet aanstonds verplichten tot alle in het verdrag voorziene vormen van bijstand. Voorts bestaat de mogelijkheid de reikwijdte wat betreft de soorten belastingen te beperken. Wel is er een minimale omvang van de wederzijdse bijstand waartoe de landen verplicht zijn. Zij moeten zich in ieder geval verplichten tot uitwisseling van inlichtingen die van belang kunnen zijn voor de heffing en de invordering van belastingen naar inkomen of winst, vermogenswinsten en vermogen die worden geheven door centrale overheden.
Uitgangspunt voor de invordering is dat de invordering zoveel mogelijk in lijn is met de invordering van de eigen vorderingen van de aangezochte staat, zulks met inachtneming van het bepaalde in het WABB-verdrag en dit voorschrift.
10.3. Toepassing WABB-verdrag Nederland
Het verdrag is voor wat betreft Nederland van toepassing op de
- inkomstenbelasting,
- loonbelasting,
- vennootschapsbelasting,
- dividendbelasting,
- vermogensbelasting,
- premies volksverzekeringen en premies arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) en
- de rechten van successie, overgang en schenking.
Nederland heeft een voorbehoud gemaakt voor de notificatie en voor de indirecte belastingen, alsmede voor belastingen die reeds verschuldigd waren op 1 februari 1997.
10.4. Deelnemende landen/doen van een verzoek
Door middel van een in het modellenboek Internationale Invordering opgenomen formulier kan door tussenkomst van de FIOD een verzoek om inlichtingen worden gedaan, bijstand bij de invordering of om het treffen van conservatoire maatregelen worden gevraagd aan de volgende staten:
- Finland,
- Noorwegen,
- de Verenigde Staten van Amerika (met uitzondering van de bijstand bij invordering; inlichtingenuitwisseling ten behoeve van de invordering is wel mogelijk),
- Zweden,
- Denemarken,
- IJsland en
- Polen.
Voorzover bijstand eveneens mogelijk is op basis van een andere regeling wordt bij voorkeur gebruik gemaakt van het WABB-verdrag. Zie verder hetgeen vermeld is in de hoofdstukken 4, 6, 7 en 8.
Hoofdstuk 11 Het Benelux invorderingsverdrag (België en Luxemburg)
11.1. Algemeen/vormen van bijstand
Het ’Verdrag nopens wederkerige bijstand inzake de invordering van belastingschulden (Trb.1952,137)’, hierna te noemen het Benelux Invorderingsver-drag, is op 5 september 1952 tussen België, Luxemburg en Nederland gesloten.
Het verdrag voorziet in de wederzijdse bijstand bij de invordering en het nemen van conservatoire maatregelen. Het verdrag voorziet niet in het separaat uitwisselen van inlichtingen en in notificatie. Het verstrekken van informatie is wel mogelijk in het kader van een verzoek om bijstand bij de invordering en een verzoek tot het treffen van conservatoire maatregelen. Het verdrag is slechts op de grondgebieden in Europa van toepassing.
Het verdrag is goedgekeurd bij Wet van 8 juli 1953, Stb. 332, hierna te noemen Goedkeuringswet Benelux Invorderingsverdrag.
Het Benelux Invorderingsverdrag is toepasselijk op alle door de staat geheven belastingen, inclusief de interesten en de vervolgingskosten. Het is ook toepasselijk op met belastingen in verband staande (bestuurlijke) boeten van niet-strafrechtelijke aard. Het Invorderingsverdrag heeft ook betrekking op de invordering van een door de rechter vastgestelde schuld.
Het verdrag ziet niet op de invordering van premies sociale zekerheid (zie hoofdstuk 14).
Voor het doen van een verzoek is voldoende dat zich op het grondgebied van de aangezochte staat voor beslag vatbare goederen of inkomsten bevinden. Het is derhalve niet vereist dat belastingschuldige in de andere staat woont of gevestigd is.
Indien de schuld het voorwerp uitmaakt van een nog niet onherroepelijk beslist geschil beperkt de aangezochte staat zich tot het nemen van de nodige conservatoire maatregelen om de invordering te waarborgen.
11.4. Verzoek aan België of Luxemburg/samenloop met Richtlijn 76/308
Voor een verzoek om bijstand bij de invordering of het treffen van conservatoire maatregelen maakt de ontvanger gebruik van het in het modellenboek opgenomen formulier (nr. OV300-3Z*1). Betreft het verzoek zowel directe als indirecte belastingen dan worden daarvoor afzonderlijke formulieren worden opgemaakt, aangezien verschillende Belgische autoriteiten moeten worden aangezocht.
Voor België geldt dat een verleend uitstel van betaling in verband met een betwisting van de aanslag de verjaring niet schorst. Een zelfde uitstel in Nederland voor een Belgische schuld heeft dat effect dan ook niet. De Nederlandse ontvanger dient derhalve in voorkomende gevallen een dwangbevel te betekenen om de verjaring te stuiten (zie verder hoofdstuk 6).
Met betrekking tot verschuldigde omzetbelasting of accijnzen, waarbij geen bestuurlijke boete is vastgesteld dan wel waar het minder waarschijnlijk is dat de invordering in de andere staat volledig kan worden ingevorderd dient de ontvanger zijn verzoek zoveel mogelijk te baseren op Richtlijn 76/308/EEG (zie hoofdstuk 9). Bij de toepassing van de Richtlijn worden de kosten die voortvloeien uit de wederzijdse bijstand namelijk gedragen door de aangezochte staat, terwijl bij toepassing van het Benelux Invorderings-verdrag de onverhaalbare vervolgingskosten voor rekening van de verzoekende staat komen.
11.5. Verzoek van België of Luxemburg
Het algemeen bepaalde in hoofdstuk 8 is van toepassing. De invordering geschiedt op de wijze als is bepaald voor de invordering van een als soortgelijk aangemerkte Nederlandse belasting zoals bepaald in de uitvoeringsbeschikking Benelux Invorderingsverdrag van 10 december 1956, nr. 170.
11.6. Geen voorrecht/wel bijzondere invorderingsmiddelen
De Belgische of Luxemburgse schuld wordt in Nederland niet als bevoorrechte schuld als bedoeld in artikel 21 van de Invorderingswet beschouwd. De bijzondere invorderingsmiddelen, zoals bijvoorbeeld artikel 19 van de Invorderingswet, worden wel toegepast
Het minimum bedrag waarvoor bijstand kan worden gevraagd bedraagt f 1.500,-(circa 680 euro).
Dit bedrag is een verzamelbedrag voor alle in te vorderen aanslagen, inclusief de verschuldigde interest, de vervolgingskosten en bestuurlijke boeten.
Bij toepassing van het Benelux Invorderingsdverdrag komen de onverhaalbare vervolgingskosten voor rekening van de verzoekende staat. Vergoeding van niet verhaalbare kosten wordt alleen gevraagd met betrekking tot kosten, die een bedrag van f 500,- te boven gaan.
De ontvanger meldt aan het Centrale aanspreekpunt in voorkomende gevallen dergelijke kosten en verzoekt daarbij de kosten in rekening te brengen aan de verzoekende autoriteit. Het Centrale aanspreekpunt ziet er op toe dat de kosten vergoed worden.
Hoofdstuk 12 De belastingregeling voor het Koninkrijk (Aruba en de Nederlandse Antillen)
12.1. Algemeen/vormen van bijstand
De op 1 januari 1965 in werking getreden Belastingregeling voor het Koninkrijk (BRK) voorziet in de artikelen 36, 37, 38 en 44 in de bijstand bij de invordering, het nemen van conservatoire maatregelen en de uitwisseling van inlichtingen.
De regeling is van toepassing op Nederland, de Nederlandse Antillen en Aruba.
De BRK voorziet niet in notificatie.
Onder verwijzing naar de voorafgaande hoofdstukken is het volgende van belang.
De wederzijdse bijstandsbepalingen in de BRK gelden voor alle belastingen, zonder beperking in de soort en voor premies sociale verzekeringswetten (volksverzekeringen en WAZ).
De bijstand kan worden gevraagd voor de hoofdsom, de interest, de vervolgingskosten en de bestuurlijke boeten.
De schuld waarvoor bijstand bij de invordering wordt gevraagd dient onherroepelijk vast te staan. Indien de schuld niet onherroepelijk vaststaat beperkt de aangezochte staat zich tot het treffen van maatregelen om de inning van de schuld te verzekeren.
Een verzoek om inlichtingen kan in elk stadium van de invordering worden gedaan.
De ontvanger maakt voor het doen van een verzoek om bijstand bij de invordering gebruik van het in het Modellenboek Internationale Invordering opgenomen formulier (OV306). Voor het doen van een verzoek om inlichtingen maakt de ontvanger gebruik van het standaard formulier (OV308).
Het verzoek wordt gedaan door tussenkomst van de FIOD, die zich daarna wendt tot de bevoegde autoriteit van Aruba dan wel de Nederlandse Antillen.
Voor het geval de Nederlandse ontvanger het wenselijk acht bij een onderzoek op het grondgebied van Aruba of de Nederlandse Antillen aanwezig te zijn doet hij via het Centrale aanspreekpunt een verzoek op grond van de ’Gezamenlijke regeling aanwezigheid ambtenaren bij onderzoek in een ander land van het Koninkrijk’ (Regeling van 31 maart 1995, nr. AFZ95/1377M, Stcrt.1995, 68).
12.4. Verzoek uit een ander rijksdeel
Schuldvorderingen waarvoor bijstand bij de invordering is verzocht genieten geen voorrecht in Nederland als bedoeld in artikel 21 van de Invorderingswet. De bijzondere invorderingsmaatregelen, zoals bijvoorbeeld artikel 19 van de Invorderingswet, worden wel toegepast.
Hoofdstuk 13 Belastingverdragen (diverse staten)
In nagenoeg alle verdragen die Nederland heeft gesloten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en in een aantal gevallen naar het vermogen( hierna belastingverdragen) zijn bepalingen opgenomen inzake de uitwisseling van inlichtingen ten behoeve van de heffing. De inlichtingen mogen ook worden gebruikt ten behoeve van de invordering.
In een toenemend aantal verdragen is een bepaling opgenomen inzake de bijstand bij de invordering van elkaars belastingvorderingen. De in deze verdragen opgenomen inlichtingenbepaling ziet zowel op de inlichtingenuitwisseling ten behoeve van heffing en als op de inlichtingenuitwisseling ten behoeve van de invordering. Inlichtingenuitwisseling op verzoek en op spontane- en automatische wijze is daarbij mogelijk.
Met de volgende staten is een verdrag gesloten waarin een invorderingsbepaling is opgenomen:
- Belarus (Verdrag van 26-3-1996, Trb. 1996, 119, en Trb.1997, 255);
- Canada Wijzigingsprotocol is begin 1999 inwerkinggetreden;
- Denemarken (Verdrag van 20-2-1957, Trb. 1957, 52, en het Verdrag van 1-7-1996, Trb. 1996, 210 en 276);
- Duitsland (Verdrag van 16-7-1959, Trb. 1959, 85). Nieuw verdrag nog niet inwerkinggetreden;
- Estland (Verdrag van 14-3-1997, Trb. 1997, 98 en 262);
- Finland (Verdrag van 13-3-1970, Trb. 1970, 63 en het Verdrag van 28-12- 1995, Trb. 1996, 60 en 216);
- Japan (Verdrag van 3-3-1970, Trb. 1970, 67);
- Kazachstan (Verdrag van 24-4-1996, Trb. 1996, 150);
- Letland (Verdrag van 14-3-1994, Trb. 1994, 83 en 166);
- Macedonië (Verdrag van 11-9-1998, Trb. 1998, 238 en 1999, 77);
- Nieuw-Zeeland (Verdrag van 14-3-1994, Trb. 1994, 83 en 166);
- Noorwegen (Verdrag van 22-9-1966, Trb. 1966, 217 en het Verdrag van 12-1- 1990, Trb. 1990, 30);
- Oekraïne (Verdrag van 24-10-1995, Trb. 1995, 285);
- Russische Federatie (Verdrag van 16-12-1996, Trb. 1997, 30);
- Suriname (Verdrag van 25-11-1975, Trb. 1975, 134);
- Venezuela (Verdrag van 29-5-1991, Trb. 1991, 107);
- Verenigde Staten van Amerika (Verdrag van 29-4-1948, Stb. I 464 en het Verdrag van 18-12-1992, Trb. 1993, 77 en 158);
- Zweden (Verdrag van 12-3-1968, Trb. 1968, 42 en het Verdrag van 18-6-1991, Trb. 1991, 108 en Trb. 1992, 20).
De voor de invordering relevante tekst van de verdragen is opgenomen in het boekwerk Invordering 1990.
De verdragen waarin een inlichtingen en/of invorderingsbepaling is opgenomen hebben doorgaans betrekking op de inkomsten-, vennootschaps-, dividend-, loon- en vermogensbelasting. De invorderingsbijstand kan ook worden gevraagd voor de interest, de bestuurlijke boeten en de vervolgingskosten.
Verzoeken om inlichtingen kunnen in elk stadium worden gevraagd. Aanslagen waarvoor bijstand bij de invordering wordt gevraagd dienen onherroepelijk vast te staan. De verdragen zijn doorgaans van toepassing op personen die inwoner zijn van één of van beide Staten. Voor de toepassing van de belastingverdragen wordt onder inwoner -voor zover in dit kader van belang- verstaan iedere persoon die ingevolge de wetgeving van die Staat, aldaar aan belasting is onderworpen op grond van zijn woonplaats, verblijf, plaats van leiding of enige andere soortgelijke omstandigheid.
Met Zweden is ook wederzijdse bijstand bij de invordering terzake van rechten m.b.t. nalatenschappen mogelijk (zie 13.10).
De wederzijdse bijstand ziet niet op de invordering van premies. Daarvoor wordt verwezen naar hoofdstuk 14.
13.3. Het doen van een verzoek aan een andere staat
Voor het doen van een verzoek maakt de ontvanger zoveel mogelijk gebruik van de in het Modellenboek Invordering opgenomen formulieren (OV 306 en OV 308). Verzending vindt plaats door tussenkomst van de Centrale aanspreekpunten. Zie verder de hoofdstukken 4, 6 en 7.
13.4. Verzoeken van een andere staat
Vorderingen, waarvoor een verzoek om wederzijdse bijstand door een andere staat is gedaan worden in Nederland zo veel mogelijk ingevorderd overeenkomstig de wetten die van toepassing zijn voor de invordering van gelijksoortige Nederlandse belastingen. De vorderingen genieten in de regel geen voorrecht als bedoeld in artikel 21 van de Invorderingswet. Bijzondere invorderingsmaatregelen worden, zoals bijvoorbeeld artikel 19 van de Invorderingswet, worden wel toegepast (zie verder hoofdstuk 8).
Hierna worden bijzonderheden gemeld over de bilaterale verdragen.
13.5. Belarus, Estland, Kazachstan, Macedonië, Oekraïne, Russische Federatie en Venezuela
De met Belarus, Kazachstan, Macedonië, Oekraïne, Russische Federatie en Venezuela gesloten Verdragen zijn recentelijk in werking getreden. De Verdragen met Belarus en Venezuela zijn van toepassing voor belastingjaren en- tijdvakken die aanvangen op of na 1 januari 1998. Voor het Verdrag met Kazachstan geldt als datum 1 januari 1996, voor het Verdrag met Estland en de Russische Federatie 1 januari 1999, voor het Verdrag met Macedonië 1 januari 2000 en het Verdrag met de Oekraïne is van toepassing voor jaren en tijdvakken die aanvangen op of na 1 januari 1997. Voor deze en de meeste andere recent afgesloten verdragen geldt dat inlichtingenuitwisseling mogelijk is, evenals bijstand bij de invordering en het treffen van conservatoire maatregelen. De laatstgenoemde mogelijkheid bestaat echter niet bij het Verdrag met de Russische Federatie.
13.6. Denemarken, Finland, Noorwegen
In het verdrag met Denemarken van 1957 en het Verdrag met Finland van 1970 is bepaald dat wederzijdse bijstand bij de invordering niet verleend wordt ten aanzien van onderdanen of lichamen van de aangezochte staat. In de nieuwe verdragen met beide staten is deze bepaling vervallen. Voor Denemarken geldt dat het nieuwe Verdrag van toepassing is voor belastingjaren en- tijdvakken die aanvangen op of na 1 januari 1999. Het nieuwe Verdrag met Finland vindt toepassing voor belastingtijdvakken die aanvangen op of na 1 januari 1998.
De bepalingen van het Verdrag met Noorwegen van 1990 vinden toepassing met betrekking tot belastingen voor belastingjaren en -tijdvakken, die aanvangen op of na 1 januari 1991. Voor de voor voor 1991 liggende belastingjaren en tijdvakken geldt het Verdrag van 1966.
Voor Denemarken, Finland en Noorwegen geldt dat voor bijstand voor verschuldigde belastingen en premies, die na 1 februari 1997 zijn vastgesteld, ook een beroep kan worden gedaan op het WABB-verdrag (zie hoofdstuk 10).
De invorderingsbepaling opgenomen in het aanvullend protocol bij de overeenkomst met Duitsland ziet uitsluitend op grensarbeiders. In het protocol is tevens de mogelijkheid opgenomen tot notificatie (zie hoofdstuk 5). Zie voor het nieuwe Invorderingsverdrag met Duitsland 15.1.
De in het verdrag met Japan opgenomen invorderingsbepaling is uiterst beperkt; toepassing vindt slechts plaats indien de bevoegde autoriteiten het erover eens zijn dat een vrijstelling of vermindering van belasting die door het andere land op grond van het verdrag wordt verleend, ten onrechte was verleend. De ontvanger neemt de overige in de verdragen opgenomen beperkingen in acht.
Het op 14 maart 1994 tussen Nederland en Letland gesloten verdrag tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen voorziet onder meer in het uitwisselen van inlichtingen ten behoeve van de heffing en de invordering (artikel 28) en in de bijstand bij invordering voor de inkomsten-, loon-, vennooschaps-, dividend-, en vermogensbelasting (artikel 29).
Ingevolge de inwerkingtredingsbepaling in het verdrag vinden de bepalingen in Nederland en Letland toepassing m.b.t. tot aan de bron geheven belastingen op inkomsten verkregen op of na 1 januari 1996 en met betrekking tot de andere belastingen voor belastingjaren en -tijdvakken die aanvangen op of na 1 januari 1996.
Voor het Verdrag met Suriname van 1975 geldt dat het ziet op inlichtingenuitwisseling en bijstand bij de invordering voor de inkomsten-, loon-, vennootschaps-, dividend-, en vermogensbelasting. Het treffen van conservatoire maatregelen is niet mogelijk.
De overeenkomst tussen Nederland en Zweden tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen van 18 juni 1991 vindt voor de Nederlandse belastingen toepassing op de inkomstenbelasting, de loonbelasting, de vennootschapsbelasting, de dividendbelasting, de vermogensbelasting met betrekking belastingjaren en -tijdvakken, die aanvangen op of na 1 januari 1993.
Zweden en Nederland bieden elkaar hulp en bijstand bij de invordering van de belastingen die het onderwerp van de overeenkomst uitmaken, met inbegrip van de daarop betrekking hebbende bestuurlijke boeten, betalingen wegens termijnoverschrijdingen, rente, en kosten. In tegenstelling tot de oude overeenkomst geldt een verzoek om bijstand ook ten aanzien van onderdanen of lichamen van de aangezochte staat. In het algemeen geldt dat de belastingaanslag terzake waarvan om bijstand bij de invordering wordt gevraagd, onherroepelijk moet vaststaan. Indien de aanslag is opgelegd uit hoofde van binnenlandse belastingplicht is het echter voldoende dat op het moment waarop het verzoek om bijstand bij de invordering wordt gedaan de aanslag niet wordt betwist. Bij betwisting van de vordering is het mogelijk om conservatoire maatregelen te treffen ten einde de invordering te waarborgen.
Na een daartoe strekkend verzoek zal de aangezochte staat de belasting innen overeenkomstig de wetten die van toepassing zijn voor de invordering en inning van zijn eigen belasting, met dien verstande dat de vorderingen geen wettelijke voorrang genieten. De regeling terzake van gijzeling is zodanig geredigeerd dat geen van beide staten lijfsdwang kunnen toepassen ter invordering van belastingen van de andere staat.
Voor de vóór 1 januari 1993 liggende belastingjaren en -tijdvakken blijft de Overeenkomst van 1968 van toepassing.
Voor bijstand voor verschuldigde belastingen en premies sociale zekerheid , die na 1 februari 1997 zijn vastgesteld, kan ook een beroep kan worden gedaan op het WABB-verdrag (zie hoofdstuk 10).
13.10.2. Rechten terzake van nalatenschappen
Voor wat betreft de inlichtingenuitwisseling en de wederzijdse bijstand bij de invordering van successierecht en het recht van overgang en het (Zweedse) nalatenschapsrecht bij overlijden is het Verdrag tussen Nederland en Zweden tot het vermijden van dubbele belasting en het vaststellen van regelen voor wederzijdse administratieve hulp met betrekking tot rechten terzake van nalatenschappen van 25 april 1952 van toepassing. Het verdrag heeft betrekking op rechten terzake van overlijden, van toepassing op de nalatenschap van overledenen, die bij hun overlijden Zweedse onderdanen waren, of wel Nederlanders of Nederlandse onderdanen, die in Nederland hun woonplaats hadden. De bijstand bij de invordering wordt alleen verleend ten aanzien van onderdanen, inwoners van of lichamen van de verzoekende staat.
13.11. De Verenigde Staten van Amerika
De op 18 december 1992 tussen Nederland en de Verenigde Staten van Amerika gesloten Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en het Memorandum van overeenstemming (Trb. 1993, 77 en 158) is op 31 december 1993 in werking getreden. De Overeenkomst dient ter vervanging van het bestaande uit 1948 daterende verdrag.
De in 1992 met de Verenigde Staten van Amerika (V.S.) gesloten overeenkomst is van toepassing op personen die inwoner zijn van één of van beide staten. Onder inwoner wordt - voor zover in dit kader van belang - verstaan iedere persoon die ingevolge de wetgeving van die staat, aldaar aan belasting is onderworpen op grond van zijn woonplaats, verblijf, plaats van leiding, plaats van oprichting of enige andere soortgelijke omstandigheid, alsmede bepaalde, in de overeenkomst nader aangeduide in een van de staten gevestigde en aldaar van belastingheffing vrijgestelde, pensioenfondsen of andere van belastingheffing vrijgestelde organisaties.
De bestaande Nederlandse belastingen waarop de overeenkomst van toepassing is, zijn: de inkomstenbelasting, de loonbelasting, de vennootschapsbelasting, waaronder het zogenoemde winstaandeel en de dividendbelasting.
De nieuwe overeenkomst is derhalve niet van toepassing op de Nederlandse vermogensbelasting, zulks in tegenstelling tot het verdrag van 1948.
De bepalingen van de nieuwe overeenkomst vinden alleen toepassing met betrekking tot belastingen voor belastingjaren en -tijdvakken, die aanvangen op of na 1 januari 1994. Voor 1994 geldt nog het Verdrag van 1948 indien het voor de belastingplichtige voordeliger is en hij er om heeft gevraagd.
De V.S. en Nederland verlenen elkaar hulp en bijstand bij de invordering van belastingen en de daarop betrekking hebbende bestuurlijke boeten, interest en kosten. Een verzoek om bijstand kan niet worden gedaan ten aanzien van onderdanen, lichamen of andere entiteiten van de aangezochte staat tenzij door de beide bevoegde autoriteiten in het kader van een overlegprocedure expliciet is vastgesteld dat de vrijstelling die of het verlaagde tarief van de belasting dat op grond van de Overeenkomst is toegekend, genoten is door personen, lichamen of andere entiteiten, die niet daartoe gerechtigd zijn. In aanvulling op artikel 31 bevat artikel XXX van het Memorandum van overeenstemming een aantal procedureregels inzake de bijstand bij de invordering.
De belastingaanslag terzake waarvan om bijstand bij de invordering wordt gevraagd, moet onherroepelijk vaststaan. Onherroepelijk vaststaan betekent in dit kader dat de verzoekende staat op grond van zijn eigen wetgeving het recht heeft de belasting in te vorderen en de rechtsmiddelen van belastingschuldige om de invordering tegen te houden vervallen dan wel uitgeput zijn.
Na een daartoe strekkend verzoek van de verzoekende autoriteit zal de aangezochte autoriteit de belasting (laten) innen overeenkomstig de wetten die van toepassing zijn voor de invordering en inning van zijn eigen belasting.
13.11.3. Inlichtingenuitwisseling ten behoeve van de invordering
Op grond van artikel 30 van de overeenkomst is het mogelijk om inlichtingen uit te wisselen ten behoeve van de invordering. Krachtens de overeenkomst mag tevens informatie worden uitgewisseld over niet-inwoners van beide staten. De verkregen informatie mag alleen gebruikt worden voor de inning en heffing van de belastingen waarop de overeenkomst van toepassing is. Dus niet voor de inning of heffing van andere belastingen of premies. De informatie kan op verzoek dan wel spontaan worden verstrekt.
Voor de vóór 1 januari 1994 liggende belastingjaren en- tijdvakken blijft het Verdrag van 29 april 1948 van toepassing. Op basis van dit Verdrag is het - naast de middelen, die onder 13.8 genoemd zijn - ook mogelijk om een verzoek om bijstand te doen voor Nederlandse vermogensbelasting. Indien de belastingschuldige een beroep heeft gedaan op toepassing van de zogenoemde overgangsregeling van artikel 38, tweede lid, dan zal ook gedurende het gehele kalenderjaar 1994 te zijnen aanzien de invorderingsbepaling uit het Verdrag van 1948 toepassing vinden.
13.11.5. Overeenkomst met betrekking tot rechten terzake van nalatenschappen
Voor wat betreft de inlichtingenuitwisseling ten behoeve van de invordering van successierecht en het recht van overgang- en de (Amerikaanse) Federal estate tax blijft de Overeenkomst tussen Nederland en de Verenigde Staten van Amerika tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen van nalatenschappen en verkrijgingen krachtens erfrecht van 15 juli 1969 (Trb.1969, 221 en Trb.1971, 33), van toepassing.
Het laatste wijzigingsprotocol bij het Nederlands-Canadese belastingverdrag heeft wijzigingen aangebracht in de Overeenkomst tussen beide landen tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, gesloten op 27 met 1986 en gewijzigd in 1993. De belangrijkste wijziging betreft de opneming in de Overeenkomst van bepalingen betreffende de bijstand bij de invordering van belastingschulden. Het protocol vormt daarmee een instrument voor de bestrijding van grensoverschrijdende fraude in de vorm van het ontgaan van belastingbetaling.
Bijstand bij de invordering van een belastingschuld tussen Nederland en Canada is ingevolge het protocol mogelijk als de belastingvordering definitief is vastgesteld. In eerste aanleg is de bijstand bij de invordering van belastingschulden beperkt tot de belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is. Er is evenwel in de mogelijkheid voorzien om de bijstand in een later stadium uit te breiden naar belastingen en heffingen. De bepalingen zullen van toepassing zullen zijn op belastingschulden die op het moment van inwerkingtreding van het protocol niet ouder zijn dan 10 jaar. Daarmee kunnen derhalve ook belastingvorderingen op personen die reeds een aantal jaren geleden met achterlating van belastingschulden uit Nederland zijn geëmigreerd, alsnog worden ingevorderd mits die vorderingen nog niet verjaard zijn.
Hoofdstuk 14 Internationale invordering van premies
Voor de invordering van premies volksverzekeringen, premies Wet Arbeidsongeschiktheidsverzekering Zelfstandigen (WAZ) en premies werknemersverzekeringen bestaan afzonderlijke internationale regelingen waarin bepalingen zijn opgenomen betreffende de grensoverschrijdende premie-invordering. Ook zijn andere autoriteiten belast met de wederzijdse bijstand bij de premie-invordering. Dat betekent dat voor de aanslagen waarbij de loon- of inkomstenbelasting met de premieheffing gecombineerd zijn, de ontvanger tot splitsing van de aanslag moet overgaan en afzonderlijke verzoeken om bijstand moet doen voor de verschuldigde belasting en voor de verschuldigde premie.
Ten aanzien van de internationale invordering van sociale verzekeringspremies zijn de voorafgaande hoofdstukken zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing met inachtneming van het hierna bepaalde.
14.2. Verplichting tot het doen van een verzoek
Zodra het de ontvanger duidelijk is dat de invordering in Nederland niet tot gevolg heeft dat de premieschuld (volledig) wordt betaald, doet hij een verzoek om bijstand aan de hierna genoemde staten, indien de ontvanger vermoedt dat premieschuldige daar woont of verhaalsobjecten heeft.
Nederland kan bijstand voor de invordering van premies vragen aan de volgende staten:
- EU-lidstaten (zie 1.1, 14.3 en 14.7)
- Nederlandse Antillen en Aruba (zie 14.5)
- Chili (zie 14.6)
- IJsland (zie 14.4)
- Israël (zie 14.8)
- Kaap Verdië (zie 14.8)
- Marokko (zie 14.8)
- Noorwegen (zie 14.4)
- Polen (zie 14.4)
- Tunesië (zie 14.8)
- Turkije (zie 14.8)
- Zwitserland (zie 14.7 en 14.8).
14.3. EU-lidstaten Verordening 1408/71 en bilaterale verdragen
De wederzijdse hulp en bijstand bij de invordering van premies volksverzekeringen, WAZ en premies werknemersverzekeringen tussen de lidstaten van de Europese Unie is geregeld in artikel 92 van Verordening 1408/71 en artikel 116 van de toepassingsverordening 574/72. De in de staten rechtstreeks van toepassing zijnde werking van artikel 92 van de Verordening 1408/71 maakt het mogelijk bijstand bij de invor-dering van Nederlandse premies te vragen aan elke lidstaat van de Europese Unie.
De aangezochte lidstaat kan zijn eigen wetgeving toepassen bij de executie van buitenlandse premieaanslagen. Inning van de verschuldigde premie in de aangezochte lidstaat kan plaatsvinden op dezelfde wijze als de inning van de eigen premies van die staat; dezelfde waarborgen en voorrechten zijn van toepassing op de inning van buitenlandse premies.
Nederland heeft met de hierna vermelde vier EU-lidstaten overeenkomsten gesloten die in het bijzonder betrekking hebben op de premie invordering. Deze overeenkomsten regelen de onderlinge hulp en bijstand en de expliciete toepassing van de gerechtelijke procedures en dwangmiddelen op wederzijdse premievorderingen.
Indien de ontvanger een verzoek om bijstand bij de invordering aan deze landen doet, baseert hij zijn verzoek zowel op artikel 92 van de Verordening als op de desbetreffende bilaterale overeenkomst.
14.3.1. Overeenkomst met België en Duitsland
In de relatie met België is van toepassing: de Overeenkomst tussen Nederland en België inzake de invordering van sociale verzekeringspremies van 21 maart 1968 (Trb. 1968, 31 en 125), met bijbehorende administratieve schikking ter uitvoering van de overeenkomst van 25 november 1970 (Trb. 1971, 9, alsmede het tweede Administratief accoord van 18 november 1977 (Trb.1978, 21).
In de relatie met Duitsland is van toepassing: de Overeenkomst inzake de invordering van sociale verzekeringspremies van 21 januari 1969, (Trb.1969, 8 en Trb. 1970, 111) en het Akkoord ter vaststelling van een minimumbedrag voor de invordering van premies voor de sociale zekerheid van 11 oktober 1979, (Trb.1980, 46).
De overeenkomsten met België en Duitsland inzake de invordering van sociale verzekeringspremies zijn destijds (mede) gebaseerd op en aangegaan ter uitvoering van de Verordening nr. 3 van de Raad van de Europese Economische Gemeenschap inzake de sociale zekerheid van migrerende werknemers. Verordening nr. 3 is inmiddels vervallen. Daarvoor is in de plaats getreden de Verordening (EEG) nr.1408/71 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1971. In Verordening (EEG) nr. 574/72 (de toepassingsverordening van Verordening 1408/71) is in artikel 116, tweede lid, bepaald dat overeenkomsten ter uitvoering van artikel 51 van Verordening nr. 3 van toepassing blijven. Op deze wijze zijn de met België en de Duitsland gesloten overeenkomsten ook mede gebaseerd op Verordening 1408/71.
14.3.2. Overeenkomst met Luxemburg
De overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Groothertogdom Luxemburg inzake de invordering van sociale verzekeringspremies (Trb. 1979, 14) vloeit voort uit artikel 92 (tweede lid) van de Verordening (EEG) 1408/71.
In de overeenkomst is uitdrukkelijk bepaald dat de administratieve bijstand omvat het verstrekken van alle daarvoor in aanmerking komende inlichtingen omtrent de omstandigheden van de schuldenaar, alsmede de invordering en het nemen van executiemaatregelen en conservatoire maatregelen.
14.3.3. Overeenkomst met Oostenrijk
De op 7 maart 1974 tussen Nederland en Oostenrijk gesloten Overeenkomst inzake sociale zekerheid (Trb. 1974, 77 en 213; Trb. 1980, 191), biedt in artikel 38 de mogelijkheid bijstand te vragen bij de invordering van premies op het terrein van de sociale verzekeringen. Het artikel bevat een regeling voor de wederzijdse erkenning van premiebeslissingen op het gebied van de sociale zekerheid.
14.3.4. Finland, Zweden en Denemarken
Voor deze staten, die toegetreden zijn tot het WABB-Verdrag geldt dat voor een verzoek om bijstand van premies primair een beroep wordt gedaan op het WABB-verdrag (zie hoofdstuk 10) en subsidiair op artikel 92 van de Verordening.
In verband met de inwerkingtreding van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (Trb. 1992, 132 en Trb. 1993, 69) per 1 januari 1994 is toepassing van Verordening (EEG) 1408/71 uitgebreid tot Noorwegen en IJsland. Ook bij deze staten kan derhalve een beroep worden gedaan op artikel 92 van de Verordening. Voor deze staten en de andere staten, die toegetreden zijn tot het WABB-Verdrag (Finland, Noorwegen, Zweden, Denemarken, IJsland, en Polen) geldt dat voor de invordering van premies primair een beroep wordt gedaan op het WABB-verdrag (zie hoofdstuk 10).
14.5. Nederlandse Antillen en Aruba
Op basis van artikel 44 juncto artikel 36 van de Belastingregeling voor het Koninkrijk kan de ontvanger Nederlandse sociale verzekeringspremies premies op Aruba en de Nederlandse Antillen laten invorderen.
Een verzoek om bijstand voor verschuldigde premie mag gecombineerd worden met een verzoek om bijstand bij de invordering van belasting en aan de FIOD worden aangeboden (zie ook hoofdstuk 12).
Krachtens het bepaalde in artikel 27 van het Verdrag van 10 januari 1996 (Trb.1996, 61) tussen Nederland en Chili inzake sociale zekerheid is het mogelijk bijstand bij de invordering van premies te verzoeken aan Chili. Beide staten erkennen elkaars beslis-singen inzake de premie-inning, mits hiertegen geen hoger beroep wordt ingesteld, ongeacht hun nationaliteit, die onderworpen zijn of geweest zijn aan de wetgeving van Nederland.
14.7. Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden
Artikel 84, tweede en derde lid, van het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden (Trb.1981, 43) bevat een nagenoeg gelijkluidende regeling als artikel 92 van de Verordening 1408/71. Het verdrag is van toepassing op Rijnvarenden en geldt in Duitsland, Luxemburg, Frankrijk, en België en Zwitserland.
De overige sociale zekerheidsverdragen bevatten slechts algemeen geformuleerde bepalingen die de autoriteiten en organen van de overeenkomstsluitende partijen verplichten elkaar wederzijds hulp en bijstand te verlenen, soms onder de toevoeging als betrof het eigen wetgeving. Deze hulp is in de regel beperkt tot het verlenen van administratieve hulp. In het algemeen worden dergelijke bepalingen ten minste zodanig toegepast dat verzoeken om premie-invordering in de betreffende staat door de plaatselijke autoriteiten worden overgebracht aan de belanghebbende, met de dringende aansporing het gevorderde bedrag te betalen. De autoriteiten of organen in het aangezochte land kunnen andere maatregelen treffen, met dien verstande dat op basis van dergelijke verdragsbepalingen in beginsel geen gerechtelijke procedures ten behoeve van de invordering van de Nederlandse premies volksverzekeringen en WAZ worden gestart of dwangmiddelen worden toegepast.
Het betreft hier met name de verdragen met:
- Israël, artikel 25 eerste lid, (Trb.1984, 65),
- Kaap Verdië, artikel 32 (Trb. 1982, 20),
- Marokko artikel 29, eerste lid (Trb. 1972, 34),
- Tunesië, artikel 40 (Trb. 1979, 18, en Trb.1993, 97),
- Turkije, artikel 36, eerste lid (Trb. 1966,155; Trb.1980,164) en
- Zwitserland, artikel 17, eerste lid (Trb. 1970, 200).
Voor Marokko, Turkije en Tunesië geldt dat speciale vertegenwoordigers van Nederland toezien op en behulpzaam kunnen zijn bij de invordering van de premies.
Tot het inroepen van bijstand wordt in de regel niet overgegaan indien de verschuldigde premie minder bedraagt dan 250 euro (circa f 500,-). Dit bedrag is een verzamelbedrag voor alle in te vorderen aanslagen, inclusief de bestuurlijke boete, de rente en de vervolgingskosten.
Wanneer tegelijkertijd een verzoek om bijstand voor belasting wordt gedaan mogen de bedragen van beide verzoeken niet bij elkaar worden geteld.
De bijstand bij premie-invordering ziet met name op de bijstand bij de invordering en op het treffen van conservatoire maatregelen.
De overeenkomsten met België en Luxemburg inzake de invordering van premies worden door de verdragstaten zodanig geïnterpreteerd dat de overeenkomsten ook voorzien in het separaat verzoeken om inlichtingen. Indien de ontvanger een verzoek om inlichtingen wil doen wendt hij zich met een verzoek tot de onder 14.12 genoemde instantie.
14.11. Voorwaarden verzoek om bijstand
Een voorstel tot het vragen van bijstand bij de invordering van premie wordt gedaan nadat de aanslag onherroepelijk vaststaat, geheel invorderbaar is en een dwangbevel voor de gehele schuld is uitgevaardigd en betekend. Daarnaast dient het de ontvanger duidelijk te zijn dat invordering in Nederland niet (volledig) mogelijk is. Het mag daarbij ook om een ambtshalve aanslag gaan waarvan het vermoeden gerechtvaardigd is dat deze geheel of gedeeltelijk materieel verschuldigd is. Voorstellen inzake belasting worden afzonderlijk gedaan.
14.12. Bevoegde autoriteiten/ verzoeken om premie-invordering
Het doen van een verzoek om bijstand bij de premie-invordering geschiedt door tussenkomst van de bevoegde autoriteiten op het terrein van de premie-invordering. De ontvanger doet met behulp van het in het Modellenboek Internationale Invordering opgenomen formulier een verzoek tot bijstand bij de invordering via de hierna genoemde bevoegde Nederlandse autoriteit dan wel door tussenkomst van de hieronder genoemde in Nederland gevestigde instanties.
De ontvanger richt zijn verzoek om bijstand bij de invordering van premies sociale zekerheid rechtstreeks aan de volgende instanties.
a. Voor wat betreft België en Luxemburg aan:
Stichting Bureau voor Belgische Zaken
Markendaalseweg 35
4811 KA Breda
telefoon 076 530 53 05.
b. Voor wat betreft Duitsland aan:
Stichting Bureau voor Duitse Zaken
Postbus 10505
6500 MB Nijmegen
telefoon 024 36 02 444.
c. Voor wat betreft de overige staten aan:
het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Directie Sociale Verzekeringen,
Postbus 90801,
2509 LV Den Haag
telefoon 070 333.4444.
Indien de invordering per omgaande in de andere staat moet plaatsvinden wordt dit door de ontvanger duidelijk kenbaar gemaakt.
De ontvanger maakt voor het doen van een verzoek gebruik van de in het Modellenboek Internationale Invordering opgenomen formulieren OV306 (verzoek om bijstand bij de invordering) en OV 308 (verzoek om inlichtingen). Voor het doen van een verzoek om bijstand bij de invordering van premieheffing aan Duitsland wordt gebruik gemaakt van de formulieren OV 309 (D13 en D13a).
14.14. Conservatoire maatregelen
Indien een schuld niet onherroepelijk vaststaat en/of de geldigheid van de executoriale titel betwist wordt, kunnen - indien bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen - in België, Duitsland en Luxemburg conservatoire maatregelen worden gevraagd. Het verzoek gaat vergezeld van een verklaring van de inspecteur waaruit blijkt dat de schuld geheel of voor een substantieel deel materieel verschuldigd is. Daarnaast geeft de ontvanger aan op grond waarvan conservatoire maatregelen noodzakelijk zijn.
De wederzijdse bijstand wordt in beginsel kosteloos verleend. In de overeenkomst met België daarentegen is bepaald dat de onverhaalbare vervolgingskosten door de verzoekende staat worden vergoed.
14.16. Voortgangs- en kwaliteitscontrole
De ontvanger bewaakt de voortgang en de kwaliteit. Hij controleert en rappelleert zo nodig de buitenlandse instantie.
Voor het geval dat de ontvanger ontevreden is over de wijze van behandeling of afhandeling van zijn verzoek voert hij overleg met het ministerie.
Pas nadat van het ministerie bericht is ontvangen dat de invordering in het buitenland geheel of gedeeltelijk zonder resultaat is gebleven of zal blijven, gaat de ontvanger over tot het doen van een voorstel tot schuldig nalatig verklaren aan de Sociale Verzekeringsbank.
Invordering premies van andere staten in nederland
14.18. Aangezochte Nederlandse orgaan
Verzoeken om bijstand bij de invordering van premies sociale zekerheid van andere staten worden doorgaans in behandeling genomen door het Landelijk instituut sociale verzekeringen vertegenwoordigd door de uitvoeringsinstelling GAK Nederland B.V.
afdeling Incasso
Postbus 8300
1005 CA Amsterdam
telefoon 020 687 91 11
(hierna GAK).
Voor wat betreft de invordering van buitenlandse premieschulden vaardigt het GAK zo nodig een dwangbevel uit. Het GAK maakt daarbij gebruik van eigen formulieren.
Het GAK gaat in de regel pas over tot de uitvaardiging van een dwangbevel nadat het de hier te lande wonende, verblijvende of gevestigde premieschuldige tevergeefs schriftelijk tot betaling heeft uitgenodigd.
14.20. Inschakelen Belastingdienst
Het GAK zendt het door haar uitgevaardigde dwangbevel met een begeleidende brief aan de ontvanger voor de invordering van de buitenlandse schuld. Bij aanwijzing wordt uitgegaan van de competentie in Beheer van Relaties. De ontvanger bevestigt de ontvangst van het dwangbevel aan het GAK en neemt de relevante gegevens per omgaande op in zijn geautomatiseerde administratie.
14.21. Taak Belastingdienst bij premie-invordering t.b.v. een andere staat
De ontvanger neemt deel aan het verlenen van bijstand door de betekening van het dwangbevel en de overige te treffen invorderingshandelingen.
De dwangbevelen worden zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen een maand na ontvangst door de Belastingdienst door de belastingdeurwaarder betekend onder berekening van vervolgingskosten. De ontvanger neemt daarbij de bepalingen van de Invorderingswet in acht, tenzij in de internationale regeling anders is bepaald.
Aan de betekening van het dwangbevel gaat geen afzonderlijke uitnodiging tot betaling van de ontvanger vooraf. Zo nodig treft de ontvanger verdere invorderingsmaatregelen. Het GAK wordt binnen drie maanden na ontvangst van het uitgevaardigde dwangbevel op de hoogte gesteld van het invorderingsproces.
14.22. Toepasselijke voorschriften
Met betrekking tot premies, die hier te lande worden ingevorderd, zijn bij de tenuitvoerlegging van de executoriale titel de bepalingen van de internationale regeling van toepassing, de Invorderingswet, alsmede de bepalingen in dit voorschrift. Aanwijzingen van het GAK en van de verzoekende autoriteiten worden zo veel mogelijk opgevolgd.
In artikel 92, eerste lid, van Verordening (EEG) nr. 1408/71 is geregeld dat de schuldvordering van de verzoekende staat dezelfde waarborgen en voorrechten genieten als de schuldvorderingen van de aangezochte staat.
In artikel 13, tweede lid, van de overeenkomsten met België en de Duitsland is bepaald dat bij de invordering van premies dezelfde waarborgen en voorrechten gelden als ten aanzien van premies, verschuldigd aan de aangezochte staat. De overeenkomst met Luxemburg bevat geen bepaling omtrent de voorrang, daar geldt het voorrecht op basis van de Verordening.
Artikel 38, vierde lid, van de overeenkomst met Oostenrijk bepaalt dat bij de invordering van premies dezelfde voorrechten gelden als overeenkomstige verordeningen van de aangezochte staat. De overeenkomst met Oostenrijk bevat geen bepaling omtrent lijfsdwang.
De door de Belastingdienst in rekening gebrachte vervolgingskosten komen ten goede aan de staat, zulks ter (gedeeltelijke) delging van de kosten die de Belastingdienst maakt. Vergoeding van niet verhaalbare kosten wordt, indien de internationale regeling het toelaat, gevraagd met betrekking tot kosten, die een bedrag van 100 euro ( circa f. 200,-) te boven gaan.
Hoofdstuk 15 Overige internationale invordering en faillissementen
15.1. Verdragsonderhandeling met diverse staten: nieuwe verdragen vaak van toepassing op reeds bestaande schulden (Duitsland/Nieuw Zeeland etc)
Met diverse staten worden momenteel verdragsonderhandelingen gevoerd die moeten resulteren in afspraken over de internationale invordering. Deze verdragen zijn pas van toepassing nadat ratificatie in beide landen heeft plaatsgevonden.
Zo is bijvoorbeeld met Duitsland en met Nieuw-Zeeland op ambtelijk niveau overeenstemming bereikt over een Invorderingsverdrag. Ook deze verdragen zullen naar verwachting van toepassing zijn op schulden die op het moment van inwerkingtreding al bestaan. Met diverse andere staten zijn eveneens afspraken over de invorderingsbijstand gemaakt of in voorbereiding.
Zodra de verdragen van toepassing zijn, doet de ontvanger verzoeken om bijstand bij de invordering. voor de schulden waarvoor bijstand gevraagd kan worden.
15.2. Civiele invordering in het buitenland
Indien (nog) geen verzoek om wederzijdse bijstand bij de invordering kan worden gedaan zendt de ontvanger in ieder geval de in het Modellenboek Internationale Invordering opgenomen laatste herinneringsbrief (nr. OV 307). Daarna hoeft een schuld niet zonder meer oninbaar te worden geleden indien er verhaalsobjecten in het buitenland aanwezig zijn. Er bestaat in een enkel geval de mogelijkheid om buiten de regelingen die zien op de wederzijdse bijstand tussen belasting- en premieautoriteiten tot invordering in het buitenland over te gaan en/of conservatoire maatregelen te treffen. Daarvoor is in de regel de tussenkomst van de binnenlandse en/of buitenlandse civiele rechter vereist.
Voor het starten van de invordering of het treffen van conservatoire maatregelen in het buitenland buiten de regelingen inzake de wederzijdse bijstand om, is toestemming vereist van het ministerie.
Het door het ministerie gevoerde beleid is er op gericht om slechts in bijzondere gevallen door middel van een procedure te trachten de Nederlandse belastingschuld met behulp van de rechter in te vorderen. Voor dergelijke gevallen geldt dat een substantieel deel van de schuld materieel verschuldigd kan worden geacht en van voldoende omvang is, dat de schuld vermoedelijk verhaalbaar is in het buitenland, alsmede dat een verzoek om wederzijdse bijstand niet mogelijk is.
15.3. In het buitenland aanwezige goederen van de failliet
Voor België, Aruba en de Nederlandse Antillen geldt dat een door de rechter in Nederland uitgesproken faillissementsvonnis ook in die staten ten uitvoer kan worden gelegd. De ontvanger hoeft alsdan geen verzoek om bijstand bij de invordering te doen, maar meldt de schuld op de gebruikelijke wijze bij de curator aan.
Indien de ontvanger vermoedt dat er in andere staten vermogensbestanddelen van de failliet aanwezig zijn, meldt hij de schuld aan bij de Nederlandse curator.
Daarnaast verzoekt hij via het Centrale aanspreekpunt bijstand bij de invordering van de belastingschuld aan de bevoegde buitenlandse autoriteit. De ontvanger maakt daarvan melding bij de curator en de aangezochte autoriteit.
15.4. In het buitenland uitgesproken faillissement
Indien de ontvanger kennis neemt van een in het buitenland uitgesproken faillissement doet hij - indien er in Nederland geen beschikbare vermogensbestanddelen aanwezig zijn - per omgaande door tussenkomst van het Centrale aanspreekpunt een verzoek om bijstand bij de invordering, met het verzoek aan de buitenlandse autoriteit om zijn belangen te behartigen. In het verzoek wordt zo mogelijk de naam en het adres van de curator vermeld. Indien er geen internationale regeling is op grond waarvan een verzoek om bijstand bij de invordering mogelijk is, meldt de ontvanger de vordering rechtstreeks bij de curator aan.
15.5. Buitenlandse vorderingen
Voor het aanvragen van een faillissement ten behoeve van de invordering van buitenlandse schulden door de ontvanger is toestemming van het ministerie nodig (zie 3.8).
Indien er sprake is van een faillissement meldt de ontvanger de buitenlandse schuld mede namens de buitenlandse administratie aan.
De ontvanger ziet er op toe dat met de belangen van de buitenlandse administratie zoveel mogelijk rekening wordt gehouden.
Hoofdstuk 16 Inwerkingtreding en slotbepalingen
16.1. Inwerkingtreding/Citeertitel
Dit voorschrift treedt terstond na publicatie in de Staatscourant in werking.
Het voorschrift, kan worden aangehaald als Voorschrift Internationale Invordering 1999.
Bij het inwerkingtreding van dit Voorschrift vervalt:
1) de Instructie Invordering Buitenland van 22 augustus 1962, nr. B1/6595;
2) de Instructie Invordering Koninkrijk van 9 maart 1965, nr. B5/355;
3) de regeling van 2 maart 1993, nr. AFZ93/862 (Internationale invordering/Uitbreiding Richtlijn 76/308/EEG m.b.t. wederzijdse bijstand binnen de EG en vereenvoudiging procedure);
4) de beschikking van 23 oktober 1991, nr. AFZ91/7130 (Internationale invordering/Overeenkomst met Noorwegen);
5) het besluit van 14 februari 1994, nr. AFZ94/490M (Internationale invordering/invorderen in en voor de Verenigde Staten van Amerika);
6) de beschikking van 14 januari 1993, nr. AFZ92/9100 (Internationale invordering/Invorderen in en voor Zweden);
7) de beschikking van 29 januari 1992, nr. AFZ92/476, nr. AFZ92/476 (Internationale Invordering);
8) het besluit van 30-3-1995, nr. AFZ95/799M (Internationale Inlichtingenuitwisseling en Internationale Invordering/toetreding van Finland, Oostenrijk en Zweden tot de EU);
9) het besluit van 28 december 1993, nr. AFZ93/10925M (Internationale Invordering/Verlegging van uitvoerende werkzaamheden naar de Belastingdienst per 1-1-1994).
Dit Voorschrift kan worden aangehaald als Voorschrift Internationale Invordering 1999.
Schema internationale invordering voor het doen van verzoeken aan andere staten


1Zie hoofdstuk 15.
Een verzoek om bijstand wordt gevraagd op grond van:
1 = Richtlijn 76/308/EEG. Geldt voor omzetbelasting, accijnzen, douanerechten en EEG-middelen Uitgewerkt in hoofdstuk 9. Benodigd formulier uit het Modellenboek Internationale invordering: OV 301(invordering), 302 (inlichtingen) en 303 (notificatie).
2 = WABB-verdrag. Geldt voor inkomsten-, loon-, vennootschaps-, dividend- en vermogensbelasting, premies volksverzekeringen en premies WAZ, rechten van successie, overgang en schenking. Uitgewerkt in hoofdstuk 10. Benodigd formulier uit het Modellenboek Internationale Invordering: OV 306 (invordering) en OV308 (inlichtingen).
3 = Benelux Invorderingsverdrag. Geldt voor alle middelen. Nader uitgewerkt in hoofdstuk 11. Benodigd formulier uit het Modellenboek Internationale Invordering: OV300 (invordering).
4 = Belastingregeling voor het Koninkrijk. Geldt voor alle belastingen en premies sociale zekerheid. Uitgewerkt in hoofdstuk 12. Benodigd formulier uit het Modellenboek Internationale Invordering: OV306 (invordering) en 308 (inlichtingen).
5 = Bilateraal belastingverdrag. Geldt voor inkomsten-, loon-, vennootschaps-, dividend belasting en soms ook voor vermogensbelasting. Uitgewerkt in hoofdstuk 13. Benodigd formulier uit het Modellenboek Internationale Invordering: OV306 (invordering) en 308 (inlichtingen).
6 = Bilateraal verdrag sociale zekerheid en Verordening (EEG) nr. 1408/71. Geldt voor premies sociale zekerheid. Uitgewerkt in hoofdstuk 14. Benodigd formulier uit het Modellenboek Internationale Invordering: OV306 (invordering) en 308 (inlichtingen) en voor Duitsland nr.OV 309 (nrs. D13 en D13a).
Zie voor een overzicht van de formulieren bijlage 2.


1 Nog niet opgenomen in het modellenboek
Voorzover geen formulier gebruikt wordt geldt het navolgende:
Het verzoek om inlichtingen bevat:
a. de gegevens van de in te vorderen aanslagen, zoals middel, tijdvak, aanslagnummer, dagtekening aanslag, het in te vorderen bedrag;
b. naam en voornamen, sofi-nummer, geboortedatum en adres van belastingschuldige en zo mogelijk zijn nationaliteit en paspoortnummer, en - voor wat betreft lichamen - de rechtsvorm en de plaats van oprichting;
c. voor zover nodig en verhelderend: een korte uiteenzetting van het feitencomplex;
d. de internationale regeling waarop het verzoek is gebaseerd;
e. de te stellen vragen;
f. overige van belang zijnde gegevens.
Het verzoek tot notificatie bevat:
a. de gegevens van de in te vorderen aanslagen, zoals middel, tijdvak, aanslagnummer, dagtekening aanslag, het in te vorderen bedrag;
b. naam en voornamen, sofi-nummer, geboortedatum en adres van belastingschuldige en zo mogelijk zijn nationaliteit en paspoortnummer, en - voor wat betreft lichamen - de rechtsvorm en de plaats van oprichting;
c. Voor zover nodig en verhelderend: een korte uiteenzetting van het feitencomplex;
d. de internationale regeling waarop het verzoek is gebaseerd;
e. overige van belang zijnde gegevens.
De te notificeren akte wordt in tweevoud toegevoegd.
De volgende gegevens worden in het verzoek om bijstand bij de invordering vermeld:
a. alle relevante gegevens van de in te vorderen aanslagen, zoals middel, tijdvak, aanslagnummer, dagtekening aanslag, het in te vorderen bedrag aan belasting, rente en kosten in guldens of de valuta van de aangezochte staat onder vermelding van de omrekeningskoers;
b. naam en voornamen, sofi-nummer, geboortedatum en adres van belastingschuldige of de aansprakelijkgestelde, en zo mogelijk zijn nationaliteit en paspoortnummer, en- voor wat betreft lichamen- de rechtsvorm en de plaats van oprichting;
c. de datum voor welke de verjaring moet worden gestuit;
d. mogelijke verhaalsobjecten in de aan te zoeken staat;
e. bijzonderheden die voor de invordering van belang kunnen zijn en indien verhelderend een korte uiteenzetting van het feitencomplex;
f. een verklaring waarin vermeld wordt of de aanslag onherroepelijk vaststaat, alsmede dat aan de voorwaarden die in de desbetreffende regeling zijn opgenomen is voldaan;
g. een contactpersoon op de eenheid en het gironummer of de rekening van de Bank waarop ontvangen bedragen kunnen worden gestort;
h. op grond van welke internationale regeling hij zijn verzoek baseert en aan welke buitenlandse autoriteit het verzoek moet worden gedaan.
De ontvanger zendt als bijlage:
1. een gewaarmerkt en gedagtekend afschrift van het betekende dwangbevel of een andere titel tot invordering;
2. een gewaarmerkte verklaring dat de schuld onherroepelijk vaststaat, voorzover een dergelijke verklaring niet op het formulier is opgenomen;
3. eventuele andere bescheiden, die voor de invordering van belang kunnen zijn.
Bij een verzoek om conservatoire maatregelen wordt aandacht geschonken aan de volgende punten:
a. op grond van welke internationale regeling hij zijn verzoek baseert en aan welke buitenlandse autoriteit het verzoek moet worden gedaan;
b. de aard en omvang van de schuld, inclusief de verschuldigde kosten en interest onder vermelding van de aanslag nummers en het nog openstaande bedrag per aanslag;
c. de persoonlijke gegevens van de schuldenaar (adres, geboortedatum e.d.);
d. voor welke datum de verjaring moet worden gestuit;
e. reeds bekende vermogensbestanddelen in de andere staat;
f. wanneer de schuld onherroepelijk vaststaat;
g. andere bijzonderheden die voor de invordering in de andere staat van belang kunnen zijn.
De ontvanger voegt de volgende bijlagen bij zijn verzoek:
a. een door hem gewaarmerkt en gedagtekend afschrift van het betekende dwangbevel of de andere titel tot invordering;
b. een door hem gewaarmerkte en gedagtekende afschrift van eventuele beschikkingen inzake vermindering of handhaving, kwijtschelding of niet verder bemoeilijken (van een deel) van de aanslag;
c. een verklaring waaruit blijkt of de aanslagen waarvoor het voorstel wordt gedaan geheel of voor een substantieel deel materieel verschuldigd kan worden geacht;
d. eventuele andere bescheiden.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-1999-158-p9-SC20142.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.