Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer | Staatscourant 1999, 126 pagina 14 | Onteigeningen |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer | Staatscourant 1999, 126 pagina 14 | Onteigeningen |
«Onteigeningswet»
Percelen gelegen aan de Kralingen-Lusthof (579)
Besluit van 11 juni 1999 no. 99.002698tot goedkeuring van het besluit van de raad van Rotterdam van 5 november 1998, no. 242, tot onteigening als bedoeld in Titel IV van de onteigeningswet
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 26 april 1999 no. MJZ99164925, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Algemeen Juridische en Bestuurlijke Zaken.
Gelezen de brief van burgemeester en wethouders van Rotterdam van 13 november 1998, kenmerk Verw/175.807/’98.
Gelet op Titel IV van de onteigeningswet en Titel 10.2 van de Algemene wet bestuursrecht.
De Raad van State gehoord (advies van 27 mei 1999 W08.990202/V).
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 3 juni 1999 no. MJZ99176971, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Algemeen Juridische en Bestuurlijke Zaken.
Beschikken bij dit besluit over de goedkeuring van het besluit van de raad van Rotterdam van 5 november 1998, no. 242, tot onteigening ingevolge artikel 77, eerste lid, aanhef en onder 2°, van de onteigeningswet, ten name van die gemeente, van de bij dat besluit aangewezen percelen kadastraal bekend gemeente Kralingen, sectie F, nos. 1843, 2222 en 3173.
Ingevolge voornoemd artikel 77 van de onteigeningswet kan, zonder voorafgaande verklaring bij de wet dat het algemeen nut onteigening vordert, onteigening plaatsvinden onder meer ten behoeve van de uitvoering van een bouwplan in het belang van de volkshuisvesting of in het belang van de vernieuwing van een bebouwde kom. De ter onteigening aangewezen percelen zijn begrepen in het bouwplan ’Nieuw Water Zuid’ in de wijk Kralingen-Lusthof van de gemeente Rotterdam.
Blijkens het raadsbesluit tot onteigening wenst de gemeente Rotterdam de daarin bedoelde gronden in eigendom te verkrijgen ten behoeve van de uitvoering van genoemd bouwplan, dat voorziet in sloop van de zich op bedoelde percelen en naastgelegen percelen bevindende panden met het oog op de realisering van 13 woningen (3 en 4 kamerwoningen en een atelierwoning) en een aantal tuinen aan de Waterloostraat in de wijk Kralingen-Lusthof te Rotterdam. De gemeente Rotterdam is voornemens de uitvoering van voornoemd bouwplan in het jaar 2000 te laten plaatsvinden.
Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland hebben bij hun besluit van 9 februari 1998, kenmerk RGG/ARB/145974A, de ingevolge artikel 77, eerste lid, onder 2°, van de onteigeningswet vereiste verklaring van geen bezwaar ten behoeve van het vorenvermelde bouwplan verleend.
Het raadsbesluit tot onteigening heeft overeenkomstig artikel 84, eerste lid, van de onteigeningswet met ingang van 16 november 1998 gedurende vier weken voor een ieder ter inzage gelegen op de secretarie van de gemeente Rotterdam. Binnen deze termijn zijn tegen het raadsbesluit bij Ons schriftelijke bedenkingen naar voren gebracht door J.J.M. van Keulen te Rotterdam.
Aan artikel 86, tweede lid, van de onteigeningswet, inhoudende dat degenen, die tijdig ingevolge het derde lid van artikel 84 van die wet bedenkingen naar voren hebben gebracht, door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in de gelegenheid worden gesteld zich te doen horen, is voldaan.
Overwegingen ten aanzien van de naar voren gebrachte bedenkingen
De reclamant, rechthebbende op het mede ter onteigening aangewezen perceel kadastraal bekend gemeente Kralingen, sectie F, no. 3173, stelt dat de door de gemeente voorgestane onteigening niet in het algemeen belang is. Zo is er naar de mening van de reclamant sprake van een beschermd stadsgezicht, dat ingevolge de Monumentenwet 1988 dient te worden gehandhaafd waar dat redelijkerwijs mogelijk is. De panden welke de gemeente wenst te slopen ten behoeve van de realisering van het onderhavige bouwplan vormen naar de mening van de reclamant een artistiek geheel van zeldzame en oorspronkelijke architectuur.
Ten aanzien van deze bedenkingen overwegen Wij dat, zoals in de raadsvoordracht terzake reeds staat vermeld, een officieel besluit waarbij een groot deel van Kralingen is aangewezen als beschermd stadsgezicht, nog niet is genomen. Er is thans dan ook geen sprake van een beschermd stadsgezicht. Overigens betekent een dergelijke aanwijzing niet dat geen sloop met vervangende nieuwbouw meer mogelijk zou zijn.
Op grond van bouw-, woontechnische- en stedebouwkundige overwegingen blijft sloop en nieuwbouw wel mogelijk, waarbij het streven erop dient te zijn gericht dat noodzakelijke geachte veranderingen zodanig plaatsvinden dat het aspect van het geheel zo min mogelijk worden geschaad. De gemeente Rotterdam wenst in de wijk Kralingen-Lusthof een grondige en diepgaande vernieuwing van het woon- en leefklimaat die in de eerste plaats ten goede komt aan de huidige bewoners. In het rapport ’Slag bij Waterloo’ staat de aanpak van de gehele Waterloostraat beschreven. Het project Waterloostraat bestaat uit vier stadsvernieuwingslokaties en omvat een intensief beheers/aanpakplan. Het onderhavige bouwplan is gesitueerd op één van de stadsvernieuwingslokaties. Met de realisering hiervan beoogt de gemeente meer ruimte en licht te creëren in de vrij smalle Waterloostraat, waardoor de stedenbouwkundige omgeving zal verbeteren. Tevens beoogt de gemeente, door voor een deel duurdere woningen te bouwen, te voorkomen dat mensen met hogere inkomens uit deze wijk wegtrekken. Gelet op het vorenstaande zijn Wij van oordeel dat het algemeen belang, het belang van de volkshuisvesting en een goede ruimtelijke ontwikkeling met de realisering van het onderhavige bouwplan wordt gediend.
De reclamant meent vervolgens dat niet meer kan worden gesproken van behoorlijk bestuur en van goede trouw bij de gemeente Rotterdam. De plannen voor de stadsvernieuwing in de wijk Kralingen bestaan reeds 15 jaar. Als kernactiviteit van een beoogde stadsvernieuwing ziet de reclamant het opstellen van een (ontwerp)bestemmingsplan, waarmee door middel van de met waarborgen omklede procedure die een bestemmingsplan met zich mee brengt, bescherming wordt geboden aan een ieder. Een (ontwerp)bestemmingsplan wordt echter niet eerder verwacht dan medio 1999. Door steeds een bouwplan en niet een (ontwerp)bestemmingsplan op te stellen probeert de gemeente zijns inziens een niet serieus stadsvernieuwingsplan goed te praten. Het onderhavige bouwplan is reeds het vierde bouwplan voor de Waterloostraat. De besluitvorming inzake de bouwplannen is naar de mening van de reclamant slechts een kwestie van het afhandelen van hamerstukken. In dit verband meent de reclamant voorts dat de gemeente de zaken poogt om te draaien. Door goedkeuring te verkrijgen van het onderhavige bouwplan zouden de overige sloop- en nieuwbouwplannen in het nog op te stellen bestemmingsplan worden gelegaliseerd. De gemeente voert, zo stelt de reclamant verder, een agressieve politiek, waarbij tevens sprake is van machtsconcentratie. De stadsvernieuwing is volgens de reclamant voor de gemeente slechts een speeltje. De reclamant wijst in dit kader op de, naar zijn mening, onrechtmatige sloop van het pand aan de Oostzeedijk Beneden no. 13. De reclamant verbaast zich dan ook over het feit dat de verklaring van geen bezwaar van Gedeputeerde Staten uitsluitend de panden Waterloostraat 174 tot en met 196 betreft en niet ook het vorengenoemde pand aan de Oostzeedijk Beneden no. 13. De gemeente zou geen onderbouwing hebben voor de argumentatie om tot het onderhavige bouwplan c.q. onteigeningsplan te komen.
De reclamant meldt verder, dat enerzijds de gemeente zich niet houdt aan de bepalingen in de onteigeningswet en anderzijds sprake is van een lacune in deze wet. Zo wenst de gemeente te onteigenen met als grondslag een bouwplan, terwijl de wet dienaangaande een spoedeisend belang voorschrijft. De gemeente houdt zich dan ook niet aan dit vereiste in de wet. Een lacune in de wet ziet de reclamant voornamelijk in het feit dat nergens is bepaald dat nodeloze overlast, inclusief de schijn van eigen belang van de gemeente, dient te worden voorkomen. Ook bezit de gemeente, zo voert de reclamant aan, meer dan 50% van het woningenbestand in de stad. De reclamant schat de marktwaarde hiervan op zo’n 30 à 40 miljard gulden en rekent dit tot het bezit van de gemeente. Gelden uit de stadsvernieuwingsfondsen beslaan slechts een gering percentage van deze marktwaarde. De reclamant meent dat het verschil tussen de gelden die worden besteed ten behoeve van de stadsvernieuwing en de geschatte marktwaarde van het woningenbestand dat in het bezit is van de gemeente, aan de burgerij wordt ontfutseld. Dit is volgens hem niet de bedoeling geweest van de wetgever. De reclamant meent verder dat de gemeente geen rechtlijnig en consistent bestuur voert. Enerzijds acht de gemeente kleinschalige bedrijfsruimten wenselijk, terwijl anderzijds de gemeente door het onderhavige bouwplan kleinschalige bedrijfsruimten laat verdwijnen. Voorts kan het niet de bedoeling zijn van de wetgever dat een gemeente compleet nieuwe steden bouwt, geschiedenis wegpoetst en volksverhuizingen veroorzaakt.
Ten aanzien van de vorenaangehaalde bedenkingen overwegen Wij dat de gemeente overeenkomstig de bepalingen in de onteigeningswet inzage heeft gegeven in de stukken behorende bij het onderhavige onteigeningsplan en dat zij hiervan op juiste wijze - en door de reclamant hiervan ook persoonlijk op de hoogte te stellen tevens als aanvulling op het vereiste in de wet - kennis heeft gegeven. Binnen de vereiste, in de onteigeningswet genoemde, termijn heeft de gemeente vervolgens, na een beoordeling van de naar voren gebrachte zienswijzen, het onteigeningsbesluit daadwerkelijk genomen en aan Ons ter goedkeuring voorgedragen. Hiermede heeft de gemeente de procedure die ingevolge de onteigeningswet moet worden doorlopen alvorens een onteigeningsbesluit voor goedkeuring aan Ons kan worden voorgedragen, op correcte wijze gevolgd. Van onbehoorlijk bestuur is in dit verband geen sprake.
Indien de overgelegde stukken, het ter zake ingestelde onderzoek of de ingebrachte bedenkingen daartoe aanleiding geven, kan ingevolge artikel 79 van de onteigeningswet aan een raadsbesluit tot onteigening goedkeuring worden onthouden. Immers in dat artikel staat vermeld, dat de goedkeuring aan een dergelijk besluit kan worden onthouden indien de ingebrachte bedenkingen daartoe aanleiding geven, alsmede wegens het niet of onvoldoende gediend zijn van het volkshuisvestingsbelang, het ruimtelijke ontwikkelingsbelang of het publiek belang, of het onvoldoende aanwezig zijn van de noodzaak of de urgentie.
Van een lacune in de wet op dit gebied, zoals de reclamant stelt, is dan ook naar Ons oordeel geen sprake, nu alle ingebrachte bedenkingen aanleiding kunnen geven aan een raadsbesluit tot onteigening de goedkeuring te onthouden.
Zoals in het vorenstaande reeds is overwogen zijn Wij van oordeel dat het belang van de volkshuisvesting en een goede ruimtelijke ontwikkeling gediend is met de door de gemeente voorgestane realisering van het bouwplan ter plaatse. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de onteigeningswet belanghebbenden een volledige schadeloosstelling waarborgt, dient het algemeen belang dat wordt gediend met de realisering van het bouwplan te prevaleren boven het persoonlijke belang van de reclamant bij de voortzetting van het huidige gebruik van het onderwerpelijke perceel. De onteigening van deze grond is derhalve, wat dit aspect betreft, gerechtvaardigd.
Met betrekking tot de door de gemeente gekozen procedure dient voorts te worden opgemerkt, dat de gemeenteraad, zijnde het tot beslissing bevoegd orgaan, bij het nemen van een onteigeningsbesluit als bedoeld in Titel IV van de onteigeningswet in principe vrij is bij het bepalen van de keuze van de onteigeningsgrondslag. Onteigening ten behoeve van de uitvoering van een bouwplan is een zelfstandige procedure, die los staat van onteigening ten behoeve van de uitvoering van een bestemmingsplan. Het staat de gemeente derhalve in beginsel vrij te besluiten tot onteigening ter uitvoering van een bouwplan, mits voldoende aannemelijk is, dat voor dit bouwplan bouwvergunning kan worden verleend. Uit de overgelegde stukken is voorts gebleken, dat voor het betrokken gebied een voorbereidingsbesluit is genomen. Gelet hierop en in aanmerking genomen, dat in het kader van de verlening van de verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 77, eerste lid, onder 2°, van de onteigeningswet reeds een (planologische) toetsing van het bouwplan heeft plaatsgevonden, achten Wij het voldoende aannemelijk, dat voor het onderwerpelijke bouwplan met toepassing van de in de Woningwet en/of in de Wet op de Ruimtelijke Ordening opgenomen ter zake dienende wetsartikelen bouwvergunning kan worden verleend.
Voor zover de reclamant meent dat de procedure inzake de opstelling van het bouwplan onbehoorlijk en niet correct is verlopen alsmede voor zover de reclamant meent dat de gemeente ten onrechte kleinschalige bedrijfsruimten laat verdwijnen, nieuwe steden bouwt, geschiedenis wegpoetst en volksverhuizingen veroorzaakt, overwegen Wij dat dergelijke bedenkingen zijn gericht tegen de wijze van totstandkoming van het bouwplan en tegen het bouwplan als zodanig. Dergelijke bedenkingen kunnen naar voren worden gebracht in het kader van de voorbereiding van de verklaring van geen bezwaar van gedeputeerde staten, zoals bedoeld in artikel 77, eerste lid, onder 2°, van de onteigeningswet, waarop de in afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing is. In het kader van de aanvraag en afgifte van de bouwvergunning op grond van de Woningwet al dan niet in samenhang met de Wet op de Ruimtelijke Ordening kan ingevolge de Algemene wet bestuursrecht een bezwaar- en beroepsprocedure worden ingesteld.
Het feit dat Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland ondanks de bedenkingen van de reclamant tegen het onderhavige bouwplan een verklaring van geen bezwaar hebben afgegeven maakt niet dat deze (planologische) bedenkingen alsnog in deze fase van de onteigeningsprocedure zullen worden beoordeeld. Ook de bedenking van de reclamant inzake het niet expliciet vermelden van het pand aan de Oostzeedijk Beneden no. 13 in de voorliggende verklaring van geen bezwaar kan bezwaarlijk leiden tot het onthouden van goedkeuring aan het raadsbesluit tot onteigening, te minder nu dit pand niet ter onteigening is aangewezen.
De reclamant bestrijdt vervolgens de noodzaak tot onteigening omdat zijn pand zich - los van enig achterstallig onderhoud - in goede staat bevindt. De fundering van de panden die in het onderhavige raadsbesluit voor onteigening zijn aangewezen, is in goede staat. De reclamant is tevens van plan, in verband met een door hem op te starten bouwbedrijf, een kelder onder zijn pand aan te leggen zodat enerzijds de fundering sterker wordt en anderzijds extra ruimte onder het maaiveld ontstaat. De reclamant doet in dit verband voorts een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Elders in de Waterloostraat kunnen bestaande panden namelijk met behulp van ’intensief beheer subsidie’ worden hersteld. De reclamant is van mening dat ook zijn pand hiervoor in aanmerking komt. De reclamant stelt dienaangaande dat hij zelf als projectontwikkelaar het initiatief had kunnen ontwikkelen het straatgedeelte waarop zich zijn pand bevindt naar authentieke staat te restaureren. Een dergelijk project had naar de mening van de reclamant goed kunnen slagen en zou zeker beter zijn dan hetgeen de gemeente met sloop voor nieuwbouw voor ogen staat. De reclamant verwijt de gemeente dat er voor wat betreft de realisering van het onderhavige bouwplan nog steeds geen projectontwikkelaar is.
Zoals in het vorenstaande reeds is overwogen maakt het onderhavige bouwplan deel uit van de aanpak van de gehele Waterloostraat zoals beschreven in het rapport ’Slag bij Waterloo’. Naast de vier stadsvernieuwingslokaties, waarbinnen de gemeente het onderhavige bouwplan wenst te realiseren, bevat het voornoemde rapport een intensief beheers/aanpakplan voor een ander gedeelte van de Waterloostraat waarmee door schilverbetering van panden en aanpassingen in de buitenruimte een beter beheer van de woonomgeving en een inspanning voor samenlevingsopbouw wordt beoogd. Uit de overgelegde stukken blijkt dat niet alleen de mogelijk slechte fundering van de panden op de ter onteigening aangewezen percelen ten grondslag heeft gelegen. Gelet op de woontechnische kwaliteiten van bedoelde panden, waarbij door de dienst Volkshuisvesting van de gemeente Rotterdam onder meer de factoren woningontsluiting: vrij of onvrij; bruto woonoppervlak; type woningplattegrond; aantal woningen per pand, aanwezigheid van buitenruimte en vooroorlogse of naoorlogse bouw zijn onderzocht, meent de gemeente, zoals hiervoor reeds aangegeven, met sloop van deze panden en realisering van het onderhavige bouwplan een tweetal doelen na te kunnen streven.
Enerzijds zal meer ruimte en licht worden gecreëerd in de vrij smalle Waterloostraat, waardoor de stedenbouwkundige omgeving zal verbeteren. Anderzijds zal door voor een deel duurdere woningen te bouwen worden voorkomen, dat mensen met hogere inkomens uit deze wijk wegtrekken.
Voor zover de reclamant een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel overwegen Wij dat dit in feite een bedenking betreft, gericht tegen het bouwplan als zodanig. Een dergelijke bedenking dient, zoals reeds in het vorenstaande is overwogen, in deze fase van de onteigeningsprocedure buiten beschouwing te blijven. Het feit dat de reclamant meent als projectontwikkelaar dat gedeelte van de Waterloostraat te kunnen restaureren waar de gemeente sloop met vervangende nieuwbouw voor ogen heeft, maakt niet dat aan het raadsbesluit tot onteigening goedkeuring dient te worden onthouden. Los van het feit dat de reclamant niet tot de wijze van planuitvoering zoals de gemeente voor ogen staat wenst over te gaan, beschikt de reclamant niet over alle gronden die benodigd zijn voor de uitvoering van het onderhavige bouwplan. In dit verband wijzen Wij er nadrukkelijk op dat de reclamant op geen enkele wijze heeft aangetoond dat met het oog op verwezenlijking van het bouwplan door de reclamant enige vorm van overleg c.q. samenwerking heeft plaatsgevonden met andere eigenaren van de (in het raadsbesluit tot onteigening aangewezen) percelen. Tenslotte blijkt uit de overgelegde stukken dat onderhandelingen tussen een nieuwe opdrachtgever (project-ontwikkelaar) en de gemeente zich in een afrondend stadium bevinden.
Voorts is gebleken, dat nog daargelaten de vraag of het pand van de reclamant voldoet aan de hedendaagse woon- en bouwtechnische eisen, het een onlosmakelijk onderdeel van het sloop/nieuwbouwplan vormt en dat het pand niet kan worden gemist voor een doelmatige uitvoering van het plan in zijn totaliteit, nu het gaat om de bouw van een aaneengesloten complex woningen in gestapelde vorm.
De reclamant voert vervolgens aan dat er geen sprake meer kan zijn van minnelijke schikking omdat er geen aanwezigheid meer is van een vrije markt ter plaatse waardoor de omgeving Waterloostraat wat betreft waarde en aanzien sterk achteruit is gegaan. Indien de gemeente een faire prijs zou bieden zou de reclamant zich hierin kunnen vinden. De reclamant zou echter slechts een fooi zijn geboden ondanks dat hijzelf een redelijk bod aan de gemeente heeft gedaan. Met het bod aan de gemeente heeft de reclamant rekening gehouden met de vrije markt zoals die had moeten zijn in de Waterloostraat voordat de gemeente Rotterdam tot stadsvernieuwing in en rond de Waterloostraat had besloten. De reclamant stelt zijn bod te hebben gebaseerd op een situatie waarin sprake is van een ongeschonden samenleving en waarbij rekening is gehouden met de samenstelling, het funktioneren, het aanzien en het straatbeeld zoals dat bestond voordat de gemeente haar stadsvernieuwingsplannen op tafel had gelegd.
Vorenaangehaalde bedenking van de reclamant betreft de hoogte van de schadevergoeding die hij voor het afstaan van zijn eigendom aan de gemeente wenst te verkrijgen. Een dergelijke bedenking is van financiële aard. Bedenkingen van financiële aard kunnen evenwel aan de goedkeuring van een raadsbesluit tot onteigening niet in de weg staan, aangezien de onteigeningswet belanghebbenden een volledige schadeloosstelling waarborgt. De hoogte van deze schadeloosstelling staat in dezen niet ter beoordeling, aangezien de vaststelling daarvan geschiedt in het kader van de gerechtelijke procedure.
De reclamant meent tenslotte dat al zijn bedenkingen aantonen dat het onderhavige raadsbesluit tot onteigening, gelet op het bepaalde in artikel 79 van de onteigeningswet, niet voor goedkeuring in aanmerking kan komen. Ook dienen zijn bedenkingen gezien te worden in het kader van de fundamentele rechten en vrijheden van individuele burgers. Met het onderhavige onteigeningsplan zijn deze fundamentele rechten en vrijheden geschonden, zo meent de reclamant.
Voor zover de reclamant beoogt dat het raadsbesluit tot onteigening in strijd zou zijn met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden merken Wij het volgende op. Artikel I van Protocol I bij voornoemd Verdrag bepaalt onder andere dat iedere natuurlijke of rechtspersoon het recht heeft op het ongestoord genot van zijn eigendom. Dit artikel bepaalt verder dat aan niemand het eigendom zal worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. Verder merken Wij op, dat ingevolge artikel 6, eerste lid, van bedoeld Verdrag, ten aanzien van onder dit artikellid vallende zaken uiteindelijk de beslissing moet kunnen worden ingeroepen van een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie. Te dezen is van belang, dat de burgerlijke rechter in zijn hoedanigheid van onteigeningsrechter ingevolge de jurisprudentie van de Hoge Raad op grond van het bepaalde in meergenoemd verdragsartikel desgevraagd gehouden is tot een toetsing van de onteigeningstitel op haar rechtmatigheid, ook buiten de hem in de onteigeningswet opgedragen taak.
Zoals reeds in het vorenstaande is overwogen is het raadsbesluit tot onteigening naar Ons oordeel in het belang van de volkshuisvesting en een goede ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente Rotterdam genomen. Ook heeft het ter zake ingestelde onderzoek alsmede de overgelegde stukken de noodzaak alsmede de urgentie van de voorgenomen onteigening voldoende aangetoond.
Gezien het vorenstaande kunnen de bedenkingen van de reclamant er niet toe leiden, dat aan het raadsbesluit tot onteigening geheel of gedeeltelijk de goedkeuring wordt onthouden.
Het moet in het belang van de volkshuisvesting en van een goede ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente Rotterdam worden geacht, dat zij de eigendom van bovenbedoelde percelen verkrijgt en er bestaan ook overigens geen termen aan het raadsbesluit tot onteigening de goedkeuring te onthouden.
Wij hebben goedgevonden en verstaan:
vorengenoemd besluit van de raad van Rotterdam goed te keuren.
Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer is belast met de uitvoering van dit besluit, dat met het raadsbesluit in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
’s-Gravenhage, 11 juni 1999.
Beatrix.
De Minister
van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,J.P.
Pronk.
De Raad der gemeente Rotterdam,
Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 20 oktober 1998;
Verzameling gedrukte stukken 1998, volgnr. 242; OBR/SOB-98/3921;
Overwegende:
dat de stukken betreffende de onteigening met ingang van 20 april tot en met 26 mei 1998 voor een ieder ter inzage hebben gelegen;
dat van de tervisielegging op de voorgeschreven wijze kennis is gegeven;
dat naar aanleiding van de tervisielegging schriftelijke zienswijzen over het onteigeningsplan zijn ontvangen van:
A. de heer J.J.M. van Keulen, eigenaar/bewoner van het pand Waterloostraat 186 en 188a;
B. de heer J.G. van Geest, huurder van de Waterloostraat 184b;
dat hij van oordeel is, met overname van de argumentatie van burgemeester en wethouders, dat reclamanten in hun zienswijzen kunnen worden ontvangen;
dat hij de motivering van burgemeester en wethouders inzake het ongegrond zijn van de ingediende zienswijzen tot de zijne maakt;
gelet op artikel 77, lid 1, sub 2, van de Onteigeningswet;
Besluit:
I. reclamanten in hun zienswijzen te ontvangen;
II. de zienswijzen van reclamanten ongegrond te verklaren;
III. ten behoeve van de uitvoering van het bouwplan Nieuw Water Zuid, op de locatie Waterloostraat 174 t/m 196 en Oostzeedijk Beneden 13, ten name van de gemeente Rotterdam te onteigenen de onroerende zaken aangegeven op de bij dit besluit behorende grondplankaart en vermeld op de eveneens bij dit besluit behorende lijst.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 5 november 1998.
De Voorzitter.
De Secretaris.

Behoort bij het besluit van de Raad der gemeente Rotterdam dd. 5 november 1998 nr. 242
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-1999-126-p14-SC19568.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.