Regeling aanpassing bedragen overhevelingstoeslag

16 juni 1999

Nr. SV/VP/99/31608

Directie Sociale Verzekeringen

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst;

Gelet op de artikelen 81, derde, vierde, en vijfde lid, en 82, derde lid, van de Wet aanpassing uitkeringsregelingen overheveling opslagpremies,

Besluit:

Artikel 1

De bedragen, die op grond van artikel 81, derde, vierde en vijfde lid, van de Wet aanpassing uitkeringsregelingen overheveling opslagpremies als overhevelingstoeslag worden beschouwd, zijn:

a. voor het ouderdomspensioen, bedoeld in artikel 9, tiende lid, onderdeel a, b, onderscheidenlijk c, van de Algemene Ouderdomswet: f 289,60, f 169,55 onderscheidenlijk f 303,76;

b. voor de toeslag, bedoeld in artikel 9, elfde lid, van de Algemene Ouderdomswet: f 169,55; en

c. voor de vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 29, onderdeel a, b, c, onderscheidenlijk d, van de Algemene Ouderdomswet: - f 5,85, - f 5,27,

- f 4,12, onderscheidenlijk - f 2,92.

Artikel 2

1. De bedragen die op grond van artikel 81, derde, vierde en vijfde lid, van de Wet aanpassing uitkeringsregelingen overheveling opslagpremies als overhevelingstoeslag worden beschouwd, zijn:

a. voor de uitkering, bedoeld in:

1°. artikel 17, eerste lid, van de Algemene nabestaandenwet: f 560,91;

2°. artikel 29, onderdeel a, b, onderscheidenlijk c, van die wet: f 179,49, f 269,24, onderscheidenlijk f 358,98;

b. voor de vakantie-uitkering, bedoeld in:

1°. artikel 31, eerste lid, van de Algemene nabestaandenwet: f 24,75;

2°. artikel 31, derde en vierde lid, van die wet f 7,92, f 11,88 onderscheidenlijk f 15,84;

2. In afwijking van het eerste lid wordt:

a. indien recht bestaat zowel op de uitkering, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Algemene nabestaandenwet als de uitkering, bedoeld in artikel 25 van die wet, voor de som van deze uitkeringen als overhevelingstoeslag beschouwd: f 618,61;

b. indien recht bestaat op zowel de vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Algemene nabestaandenwet, als de vakantie-uitkering, bedoeld in het tweede lid van dat artikel, voor de som van deze uitkeringen als overhevelingstoeslag beschouwd: f 31,84.

Artikel 3

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 1999.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 16 juni 1999.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,J.F. Hoogervorst.

Toelichting

Artikel 2 van de Wet overhevelingstoeslag opslagpremies (WOO) bepaalt dat de overhevelingstoeslag buiten beschouwing wordt gelaten bij de vaststelling van de omvang van rechten en verplichtingen tot betaling van loon of niet tot het loon behorende uitkeringen en verstrekkingen die aan de hoogte van het loon zijn gekoppeld. De werkingssfeer van dit artikel is beperkt tot de relatie tussen de verzekerde werknemer en zijn inhoudingsplichtige werkgever. Dit betekent onder meer dat in loonafhankelijke pensioenregelingen geen stijging van het toegezegde pensioen optreedt.

Het komt daarnaast voor dat bij de bepaling van rechten en plichten rekening wordt gehouden met uitkeringen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) en de Algemene nabestaandenwet (ANW). Dit is onder andere het geval bij pensioenovereenkomsten tussen werkgever en werknemer, maar ook andere vormen zijn denkbaar. Bij de verhoging van AOW- en ANW-uitkeringen is evenwel geen sprake van een overheveling van de opslagpremies van de inhoudingsplichtige naar de uitkeringsgerechtigde - in de vóór-Oortse situatie (voor 1990) waren deze personen geen premies op grond van de AOW en AWW verschuldigd en de inhoudingsplichtige derhalve ook geen opslagpremies - en om die reden is in de bruto- uitkeringsniveaus geen overhevelingstoeslag afzonderlijk zichtbaar.

Artikel 81, derde, vierde en vijfde lid, van de Wet aanpassing uitkeringsregelingen overheveling opslagpremies (WAUOO) strekt ertoe een deel van de bruto-AOW- en ANW-uitkeringen fictief als overhevelingstoeslag te beschouwen.

In de zogenoemde paraplubepaling op basis van artikel 82 WAUOO is opgenomen dat naast de Oort-wetten nog een aantal maatregelen niet mag doorwerken in de aanvullende pensioenen. Dit betreft de Wet wijziging premieheffing boven-65-jarigen en de fasegewijze verhoging van de ziekenfondspremie voor 65-plussers als gevolg van de Wet verplichte ziekenfondsverzekering AOW-gerechtigden (1995-1998).

In deze ministeriële regeling wordt bepaald welk gedeelte van de AOW-en ANW-bedragen buiten beschouwing blijft. In een aantal regelingen waarin vergelijkingen of verrekeningen van inkomensbestanddelen zijn vastgelegd is eveneens verwezen naar deze bedragen. Ook voor die regelingen geldt dat de bepaling van het inkomen exclusief overhevelingstoeslag moet geschieden. Voor zover AOW- en ANW-uitkeringen in het geding zijn moet eerder-genoemd deel van de AOW- en ANW-uitkeringen eveneens buiten beschouwing blijven. Op grond van artikel 82 van de WAUOO worden de niet bedoelde effecten van de Oort-wetgeving in de relatie tussen de AOW- en ANW-uitkeringen tot de aanvullende pensioenregelingen ongedaan gemaakt voorzover er geen sprake (meer) is van een relatie werkgever-werknemer. Dit zal het geval zijn bij premievrije aanspraken en bij ingegane pensioenen.

Als gevolg van de verhoging van het brutominimumloon per 1 juli 1999 dienen de pensioenen en uitkeringen op grond van de AOW en ANW eveneens te worden aangepast. Hierdoor is tevens aanpassing nodig van de bedragen op grond van eerdergenoemd artikel 81 van de WAUOO. Deze zijn weergegeven in de navolgende tabellen.

Tabel 1. Bedragen per 1 juli 1999

stcrt-1999-119-p6-SC19432-1.gif

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

J.F. Hoogervorst.

Naar boven