Nederlands Centraal Instituut voor Giraal Effectenverkeer B.V. (NECIGEF)

Wet giraal effectenverkeer

Nederlands Centraal Instituut voor Giraal Effectenverkeer B.V. (NECIGEF) maakt het volgende bekend:

Regels nopens de toelating en de intrekking van de toelating als aangesloten instelling ter uitvoering van het bepaalde in artikel 4 van de Wet giraal effectenverkeer (Toelatingsregels) zijn gewijzigd vastgesteld en luiden met ingang van 1 juni 1999 als volgt:

Artikel 1

Algemene bepalingen

Voor de toepassing van het bij deze regels bepaalde wordt verstaan onder:

de wet

De Wet giraal effectenverkeer;

een aangesloten instelling

Degene die als zodanig door het centraal instituut is toegelaten;

het centraal instituut

Het in artikel 1 van de wet bedoelde centraal instituut.

Artikel 2

Toelating

Als aangesloten instelling kunnen worden toegelaten:

a. ondernemingen en instellingen die:

1. hun bedrijf maken van het bewaren, beheren en administreren van effecten ten behoeve van derden;

2. kredietinstelling zijn in de zin van artikel 1 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 en ingevolge het bepaalde in artikel 52 lid 2 van die wet zijn ingeschreven in het in artikel 52 lid 1 van die wet bedoelde register danwel beschikken over een vergunning als kredietinstelling als bedoeld in artikel 3 van de Europese richtlijn van 12 december 1977 (77/780 EEG) en dienovereenkomstig als vergunninghouder ter kennis zijn gebracht aan de Europese Commissie en het Raadgevend Comité hetgeen blijkt uit de registers van de Commissie;

3. zich schriftelijk bereid verklaren aan het centraal instituut alle inlichtingen te verstrekken, die redelijkerwijze geacht kunnen worden nodig te zijn voor de juiste uitoefening van de taak van het centraal instituut, en de desbetreffende gegevens, voor zover deze daarvoor in aanmerking komen, desgevraagd te doen voorzien van een verklaring van een register accountant of deskundige als bedoeld in artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, die zij schriftelijk hebben gemachtigd het centraal instituut rechtstreeks een aanvullende toelichting te geven omtrent de in het voorafgaande bedoelde verklaring, waarbij de aangesloten instelling in de gelegenheid wordt gesteld aanwezig te zijn;

4. verzekerd zijn tegen de gevaren van vervoer van geld en waardepapieren en de gevaren van fraude en beroving, een en ander met een naar omstandigheden verantwoord eigen risico.

5. schriftelijk hebben verklaard de toepasselijkheid van het Reglement Girodepots te aanvaarden.

b. ondernemingen en instellingen die:

1. in Nederland hun bedrijf maken dan wel kunnen maken van het bewaren, beheren en administreren van effecten ten behoeve van derden;

2. voldoen aan de onder letter a, onderdeel 2., 3., 4. en 5. gestelde vereisten en tevens

3. A. uit hoofde van haar lidmaatschap ener Nederlandse coöperatieve of andere vereniging die een aangesloten instelling is, krachtens de statuten dier vereniging zozeer in die vereniging zijn geïntegreerd dat zij naar het oordeel van het centraal instituut voor zover haar bedrijfsuitoefening betreft als deel van eerder bedoelde vereniging kunnen worden aangemerkt en de laatste hoofdelijk met elk harer onderscheiden leden aansprakelijk is voor de nakoming van alle verplichtingen der desbetreffende leden als aangesloten instelling, dan wel

B. in het algemeen, uit hoofde van garanties jegens het centraal instituut en uit anderen hoofde ten genoegen van het centraal instituut zozeer aan elkaar zijn verbonden dat zij naar het oordeel van het centraal instituut een georganiseerde groep van ondernemingen en instellingen vormen die gezamenlijk voldoen aan het (lees: de) onder letter a., onderdeel 1. gestelde vereisten;

c. De Staat der Nederlanden vertegenwoordigd door de Agent van het Ministerie van Financiën te Amsterdam;

d. De Nederlandsche Bank N.V.;

e. AEX(-)Effectenclearing B.V.;

f. AEX-Optieclearing B.V.;

g. Nominee Amsterdam Stock Exchange N.V.

h. buitenlandse instellingen, die een doel hebben gelijk of soortgelijk aan dat van het centraal instituut;

i. uitsluitend voor wat betreft het bewaren, beheren en administreren van Geldmarktpapier en Medium Term Notes, ondernemingen en instellingen die:

1. hetzij voldoen aan de onder letter a, onderdeel 2., 3. en 4. gestelde vereisten, hetzij voldoen aan de onder letter a, onderdeel 3. en 4. gestelde vereisten alsmede effectenbemiddelaar zijn in de zin van artikel 1, letter b, onderdeel 1 van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 en ingevolge het bepaalde in artikel 21 eerste lid, van die wet zijn ingeschreven in het in dat lid bedoelde register; en

2. schriftelijk hebben verklaard de toepasselijkheid van het Reglement Geldmarktpapier en Medium Term Notes 1997 te aanvaarden;

Artikel 3

1. Degene die wenst te worden toegelaten als aangesloten instelling, dient het verzoek daartoe schriftelijk in bij het centraal instituut.

2. Tegelijk met het verzoek om toelating dient de onderneming of instelling bedoeld in artikel 2, letter a., aan het centraal instituut over te leggen een afschrift van verzoekers inschrijving in het handelsregister, alsmede de schriftelijke bereidverklaring respectievelijk aanvaarding bedoeld in artikel 2, letter a., onderdeel 3. respectievelijk 5.

Artikel 4

1. Het centraal instituut geeft tegelijkertijd aan de verzoeker, aan de toezichthouder en aan De Nederlandsche Bank N.V. schriftelijk kennis van de beslissing op het verzoek.

2. De toelating als aangesloten instelling wordt door de zorg van het centraal instituut ten minste tien doch ten hoogste vierentwintig dagen na de dag van verzending van de in het eerste lid bedoelde kennisgeving openbaar gemaakt in de Nederlandse Staatscourant.

Artikel 5

Intrekking van de toelating

1. Het centraal instituut kan de toelichting als aangesloten instelling op schriftelijk verzoek van die aangesloten instelling per 1 januari van enig jaar intrekken. De aangesloten instelling dient het verzoek uiterlijk in de maand september van het voorafgaande jaar in.

2. Voorts kan de toelating door het centraal instituut worden ingetrokken:

a. indien de aangesloten instelling niet langer voldoet aan de in artikel 2 gestelde vereisten;

b. in geval van faillissement, surséance van betaling (voorlopige daaronder begrepen) en ontbinding van de aangesloten instelling;

c. indien de aangesloten instelling de bepalingen van de wet niet nakomt;

d. indien de aangesloten instelling handelt in strijd met de eisen van een behoorlijk giraal effectenverkeer.

Artikel 6

1. Het centraal instituut geeft van haar (lees: zijn) besluit tot intrekking van een toelating tegelijkertijd aan de desbetreffende aangesloten instelling, aan de toezichthouder en aan De Nederlandsche Bank N.V. schriftelijk kennis.

2. Indien de beroepstermijn is verstreken zonder dat het in de wet voorziene beroep is ingesteld, danwel een ingesteld beroep ongegrond wordt verklaard, wordt de intrekking van de toelating door het centraal instituut tijdig schriftelijk ter kennis gebracht van de andere aangesloten instellingen en vervolgens door de zorg van het centraal instituut binnen veertien dagen openbaar gemaakt in de Nederlandse Staatscourant. Het centraal instituut is bevoegd de openbaarmaking tevens in een of meer dagbladen te doen plaatsvinden.

3. Vanaf het in de aanhef van lid 2 bedoelde tijdstip is de aangesloten instelling verplicht alle door haar gehouden verzameldepots zo spoedig mogelijk af te wikkelen.

Artikel 7

Overgangsbepaling

Ondernemingen en instellingen als bedoeld in artikel 2, letter h die op 31 december 1997 overeenkomstig het Reglement bewaring en claering geldmarktpapier Uitgave 1986 en het Addendum bewaring en clearing Medium Term Notes Uitgaven 1988 van De Nederlandsche Bank N.V., zoals laatstelijk gewijzigd op 1 september 1997, als deelnemer waren toegelaten tot het Clearing Instituut van De Nederlandsche Bank N.V., worden geacht, in afwijking van de artikelen 2, letter h, 3 en 4 doch onverminderd hetgeen overigens is bepaald in deze regels, te zijn toegelaten tot het centraal instituut voorzover het betreft het bewaren, beheren en administreren van Geldmarktpapier en Medium Term Notes, zulks onder de voorwaarde dat voor 31 december 1997 een schriftelijke verklaring in het bezit is van het centraal instituut waarin:

a. door de ondernemingen en instellingen als in dit artikel bedoeld de toepasselijkheid van het Reglement Geldmarktpapier en Medium Term Notes 1997 van het centraal instituut wordt aanvaard en

b. het centraal instituut en De Nederlandsche Bank N.V. worden gemachtigd die gegevens uit te wisselen, die noodzakelijk zijn voor de voortzetting door het centraal instituut van het bewaren, beheren en administreren van Geldmarktpapier en Medium Term Notes met ingang van 1 januari 1998.

Artikel 8

Wijziging

Wijzigingen van deze regels worden binnen veertien dagen na de dag, waarop de door de wet vereiste goedkeuring is verkregen, onder vermelding van het tijdstip waarop zij in werking zullen treden, door de zorg van het centraal instituut openbaar gemaakt in de Nederlandse Staatscourant.

Goedgekeurd door de raad van commissarissen op 7 mei 1999 en door de Minister van Financiën op 1 januari 1999.

Naar boven