Regeling vaststelling normbedragen studiefinanciering per 1 januari 1999

4 november 1998

SFB-1998/43164

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

Gelet op de artikelen 51, 53 en 58, vijfde lid, van de Wet op de studiefinanciering, en gelet op de artikelen 7 en 8 van het Besluit studiefinanciering;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

- de wet: de Wet op de studiefinanciering;

- het besluit: het Besluit studiefinanciering;

- de regeling: de Regeling verrekening en terugbetaling teveel uitbetaalde studiefinanciering.

Artikel 2. Aanpassing van de normbedragen voor de kosten van levensonderhoud

Per 1 januari 1999 wordt het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel a, van de wet vastgesteld op onderscheidenlijk f 536,57 en f 871,57.

Artikel 3. Aanpassing van de normbedragen boeken en leermiddelen

Per 1 januari 1999 wordt het normbedrag voor boeken en leermiddelen, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel b, van de wet vastgesteld op onderscheidenlijk f 96,74; f 96,74 en f 84,63.

Artikel 4. Aanpassing van de toeslagen voor partner en eenoudergezin

Per 1 januari 1999 worden de toeslagen voor partner en eenoudergezin, bedoeld in de artikelen 13 en 14 van de wet vastgesteld op onderscheidenlijk f 959,93 en f 768,16.

Artikel 5. Aanpassing van het rekenmaximum voor de berekening van de aanvullende beurs

Per 1 januari 1999 wordt het rekenmaximum voor de rentedragende lening, bedoeld in artikel 16a, eerste lid, van de wet vastgesteld op onderscheidenlijk: f 383,14; f 383,14 en f 165,38.

Artikel 6. Aanpassing van de normbedragen voor de ziektekostenverzekering

Per 1 januari 1999 worden de normbedragen voor de ziektekostenverzekering, bedoeld in de artikelen 7 en 8 van het besluit vastgesteld op onderscheidenlijk nihil en f 69,99.

Artikel 7. Aanpassing van het maximale verrekenbedrag

Per 1 januari 1999 wordt het maximale verrekenbedrag bedoeld in artikel 2, derde lid, van de regeling vastgesteld op f 255,-.

Artikel 8. Inwerkingtreding en bekendmaking

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1999 en vervalt met ingang van 1 januari 2000. De regeling wordt bekendgemaakt in de Staatscourant.

Artikel 9. Citeertitel

Deze regeling kan worden aangehaald als ’Regeling vaststelling normbedragen studiefinanciering per 1 januari 1999’.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,L.M.L.H.A. Hermans.

Toelichting

Algemeen

In deze ministeriële regeling zijn de bedragen vermeld die met betrekking tot de studiefinanciering gelden met ingang van het jaar 1999 voor zover zij bij ministeriële regeling moeten worden vastgesteld.

De basisbeursbedragen, bedoeld in artikel 16 van de Wet op de studiefinanciering (WSF), zijn door artikel III van de wet van 19 september 1994, Stb. 742, voor de jaren 1996 tot en met 1998 vastgelegd. Per 1 januari 1999 worden deze maandbedragen op grond van artikel 52 WSF opnieuw geïndexeerd.

Met ingang van 1 januari 1999 luiden de maandbedragen aldus:

- thuiswonende studerende in het hoger onderwijs: f 135,24

- thuiswonende studerende in het beroepsonderwijs: f 100,42

- uitwonende studerende in het hoger onderwijs: f 435,24

- uitwonende studerende in het beroepsonderwijs: f 400,42

Artikelen

Artikel 6

Omdat er ook in 1997 geen nominale premie ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten meer wordt ingehouden, kan het normbedrag voor de ziektekostenverzekering, bedoeld in artikel 7 van het Besluit studiefinanciering, op nul worden vastgesteld.

Ter informatie

Vrije voet bedoeld in artikel 21 WSF

stcrt-1999-10-p9-SC17275-1.gif

Belastbaar minimumloon

Artikel 2 van het besluit schrijft voor op welke wijze het belastbaar minimumloon dient te worden berekend. Toegepast op het kalenderjaar 1997 - het peiljaar voor het studiefinancieringstijdvak 1999 - leidt de uitvoering van artikel 2 van bedoeld besluit tot een belastbaar minimumloon voor het peiljaar 1997 van f 29.580,-.

De berekening van dit bedrag is als volgt:

stcrt-1999-10-p9-SC17275-2.gif

Draagkrachtvrije voet (peiljaar 1997) en schijven, bedoeld in artikel 43, tweede, respectievelijk derde lid, WSF

stcrt-1999-10-p9-SC17275-3.gif

Ter informatie zij verder meegedeeld dat toepassing van artikel 54a van de WSF met zich meebrengt dat een studerende die een volledige opleiding buiten Nederland volgt, op grond van artikel 32d van de WSF in de periode 1 november 1998 tot 1 november 1999 als reisvergoeding een bedrag ontvangt ter grootte van f 97,96. In de periode 1 november 1999 tot 1 november 2000 is dit bedrag f 100,32.

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

L.M.L.H.A. Hermans.

Naar boven