16 december 1998
nr. SV/VP/98/40480
Directie Sociale Verzekeringen
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst,
Gelet op de artikelen 81, derde, vierde, en vijfde lid, en 82, derde lid,
van de Wet aanpassing uitkeringsregelingen overheveling opslagpremies;
Besluit:
Artikel 1
De bedragen, die op grond van artikel 81, derde, vierde en vijfde lid,
van de Wet aanpassing uitkeringsregelingen overheveling opslagpremies als
overhevelingstoeslag worden beschouwd, zijn:
a. voor het ouderdomspensioen bedoeld in artikel 9, tiende lid, onderdeel
a, b, onderscheidenlijk c, van de Algemene Ouderdomswet: f 286,51, f 167,79
onderscheidenlijk f 300,27;
b. voor de toeslag, bedoeld in artikel 9, elfde lid, van de Algemene Ouderdomswet:
f 167,79 per maand; en
c. voor de vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 29, onderdeel a, b,
c, onderscheidenlijk d, van de Algemene Ouderdomswet: - f 5,77, - f 5,20,
- f 4,06, onderscheidenlijk - f 2,89;
Artikel 2
1. De bedragen die op grond van artikel 81, derde, vierde en vijfde lid,
van de Wet aanpassing uitkeringsregelingen overheveling opslagpremies als
overhevelingstoeslag worden beschouwd, zijn:
a. voor de uitkering, bedoeld in:
1°. artikel 17, eerste lid van de Algemene nabestaandenwet: f 554,64;
2°. artikel 29, onderdeel a, b, onderscheidenlijk c, van die wet:
f 177,48, f 266,23, onderscheidenlijk f 354,97;
b. voor de vakantie-uitkering, bedoeld in:
1°. artikel 31, eerste lid, van de Algemene nabestaandenwet: ( 24,43;
2°. artikel 31, derde en vierde lid, van die wet f 7,82, f 11,72 onderscheidenlijk
f 15,63;
2. In afwijking van het eerste lid wordt:
a. indien recht bestaat zowel op de uitkering, bedoeld in artikel 17,
eerste lid als de uitkering bedoeld in artikel 25 van de Algemene nabestaandenwet,
voor de som van deze uitkeringen als overhevelingstoeslag beschouwd: f 611,90;
b. indien recht bestaat op zowel de vakantie-uitkering, bedoeld in artikel
31, eerste lid, van de Algemene nabestaandenwet, als de vakantie-uitkering,
bedoeld in het tweede lid van dat artikel, voor de som van deze uitkeringen
als overhevelingstoeslag beschouwd: f 31,41.
Artikel 3
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1999.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 2 van de Wet overhevelingstoeslag opslagpremies (WOO) bepaalt
dat de over-hevelingstoeslag buiten beschouwing wordt gelaten bij de vaststelling
van de omvang van rechten en verplichtingen tot betaling van loon of niet
tot het loon behorende uitkeringen en verstrekkingen die aan de hoogte van
het loon zijn gekoppeld. De werkingssfeer van dit artikel is beperkt tot de
relatie tussen de verzekerde werknemer en zijn inhoudingsplichtige werkgever.
Dit betekent onder meer dat in loonafhankelijke pensioenregelingen geen stijging
van het toegezegde pensioen optreedt.
Het komt daarnaast voor dat bij de bepaling van rechten en plichten rekening
wordt gehouden met uitkeringen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW)
en de Algemene nabestaandenwet (ANW). Dit is onder andere het geval bij pensioenover-eenkomsten
tussen werkgever en werknemer, maar ook andere vormen zijn denkbaar. Bij de
verhoging van AOW- en ANW-uitkeringen is evenwel geen sprake van een overheveling
van de opslagpremies van de inhoudingsplichtige naar de uitkeringsgerechtigde -
in de vóór-Oortse situatie waren deze personen geen premies
ingevolge de AOW en AWW verschuldigd en de inhoudingsplichtige derhalve ook
geen opslagpremies - en om die reden is in de bruto uitkeringsniveaus
geen overhevelingstoeslag afzonderlijk zichtbaar.
Artikel 81, derde, vierde en vijfde lid, van de Wet aanpassing uitkeringsregelingen
overheveling opslagpremies (WAUOO) strekt ertoe een deel van de bruto AOW-
en ANW-uitkeringen fictief als overhevelingstoeslag te beschouwen.
In de zogenoemde paraplubepaling op basis van artikel 82 WAUOO is opgenomen
dat naast de Oort-wetten nog een aantal maatregelen niet mag doorwerken in
de aanvullende pensioenen. Dit betreft de Wet wijziging premieheffing boven-65-jarigen
en de Wet verplichte ziekenfondsverzekering AOW-gerechtigden.
In deze ministeriële regeling wordt bepaald welk gedeelte van de
AOW-en ANW-bedragen buiten beschouwing blijft. In een aantal regelingen waarin
vergelijkingen of verrekeningen van inkomensbestanddelen zijn vastgelegd is
eveneens verwezen naar deze bedragen. Ook voor die regelingen geldt dat de
bepaling van het inkomen exclusief overhevelingstoeslag moet geschieden. Voor
zover AOW- en ANW-uitkeringen in het geding zijn moet eerder-genoemd deel
van de AOW- en ANW-uitkeringen eveneens buiten beschouwing blijven. Op grond
van artikel 82 van de WAUOO worden de niet bedoelde effecten van de Oortwet-geving
in de relatie tussen de AOW- en ANW-uitkeringen tot de aanvullende pensioen-regelingen
ongedaan gemaakt voorzover er geen sprake (meer) is van een relatie werkgever-
werknemer. Dit zal het geval zijn bij premievrije aanspraken en bij ingegane
pensioenen.
Als gevolg van de verhoging van het brutominimumloon per 1 januari 1999
dienen de pensioenen en uitkeringen op grond van de AOW en ANW eveneens te
worden aangepast. Hierdoor is tevens aanpassing nodig van de bedragen ingevolge
eerdergenoemd artikel 81 van de WAUOO. Deze zijn weergegeven in de navolgende
tabellen.