Aanwijzing ontneming

Categorie: Opsporing, vervolging, executie, strafvordering

Afzender: College van procureurs-generaal

Adressant: Alle leden van het openbaar ministerie

Registratienummer: 1998A006

Datum vaststelling: 07-07-1998

Datum inwerkingtreding: 15-09-1998

Geldigheidsduur: 15-09-2002

Publikatie in Stcrt.: 164 van 31-8-1998

Vervallen: Ontnemingsrichtlijn d.d. 1 oktober 1997

Relevante richtlijnen voor strafvordering:

Ontneming (registratienummer 1998R002)

Wetsbepalingen: art. 36 e Sr; 94 a Sv; art. 94b, sub 3 Sv, art. 103 Sv; art. 116-117 Sv, art. 118 a Sv; art. 126 Sv; art. 511b Sv

Jurisprudentie:—-

Bijlagen: 1

Achtergrond

1. Inleiding

Op 1 maart 1993 is de wet van 10 december 1992 tot wijziging van het wetboek van Strafvordering en enkele andere wetten ter verruiming van de mogelijkheden tot toepassing van de maatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel en andere sancties, de zogenaamde ontnemingswetgeving, in werking getreden. De hoofdlijnen van de wet zijn de verruiming van de mogelijkheden tot het indienen van een ontnemingsvordering, de mogelijkheid van het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek en de mogelijkheid om binnen het strafrecht conservatoir verhaalsbeslag te leggen.

In verband met de implementatie van de wetgeving is in 1993 het Centraal Advies en Beheersbureau Beslag (CABB) opgericht. In 1996 is het CABB omgevormd tot het Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie (BOOM) . Het BOOM heeft een piketregeling ingesteld en is voor contacten als in deze aanwijzing voorgeschreven te allen tijde via het algemene telefoonnummer bereikbaar.

Voortschrijdend inzicht in de materie en ontwikkelingen in de jurisprudentie zorgen voor gewijzigde inzichten en nuanceringen die in de praktijk moeten worden uitgedragen en toegepast. Deze worden dan binnen de kaders van de aanwijzing verwerkt.

De gedeelten in deze aanwijzing die betrekking hebben op de afstemming tussen het Openbaar Ministerie (OM) en de Belastingdienst zijn in gezamenlijk overleg tussen de Directeur-generaal der Belastingen en het College van procureurs-generaal vastgesteld.

2. Definitie ’wederrechtelijk verkregen voordeel’

2.1 Bij toepassing van art. 36e lid 1 en/of 2 Sr:

Wederrechtelijk verkregen voordeel is gelijk aan de waarde waarmee het vermogen van de betrokken persoon als gevolg van het strafbare feit is toegenomen, alsmede de uit die vermogensvermeerdering verkregen vruchten. Het voordeel wordt zoveel mogelijk per delict bepaald (zie verder de ’Richtlijn voor strafvordering ontneming’ (reg. nr: 1998R002).

2.2 Bij toepassing van art. 36e lid 3 Sr:

Het wederrechtelijk verkregen voordeel is gelijk aan het aangetoonde vermogen vermeerderd met alle in de onderzochte periode gedane uitgaven en investeringen, voorzover deze niet al in het aangetoonde vermogen zijn begrepen en verminderd met hetgeen daarvan uit legale bron kan worden verantwoord.

Samenvatting

De aanwijzing behelst de navolgende onderwerpen:

- de afstemming -en invorderingsaspecten met betrekking tot het OM en de Belastingdienst;

- het conservatoir beslag;

- het strafrechtelijk financieel onderzoek (sfo);

- de instelling van een ontnemingsvordering ex art. 36 e Sr. bij commune delicten; economische- en milieudelicten; sociale zekerheidsfraude; delicten met een fiscaal karakter; faillissement en bij slachtoffers/benadeelde derden;

- het inhuren externe deskundigen;

- executie.

Opsporing

1. Het OM en de Belastingdienst

1.1. Afstemming

De Belastingdienst zal de strafrechtelijke sanctionering en ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zo min mogelijk belemmeren. Over strafrechtelijk ontnomen wederrechtelijk verkregen voordeel is uiteindelijk geen belasting verschuldigd. Eventuele belastingheffing hierover moet ongedaan worden gemaakt. Dit laat onverlet de bevoegdheid van de Belastingdienst op het vlak van de toepassing van de fiscale regelgeving op zaken die geen onderdeel uitmaken van een ontnemingsonderzoek.

Om tot een goede afstemming tussen het OM en de Belastingdienst in ontnemingszaken te kunnen komen is het nodig dat het OM in een zo vroeg mogelijk stadium van een onderzoek in contact treedt met de Belastingdienst. In zaken met beduidende maatschappelijke impact neemt de officier van justitie contact op met de Directie Algemene Fiscale Zaken (AFZ) van het Ministerie van Financiën. In andere gevallen dient de officier van justitie zich te wenden tot de fraudecoördinator van de desbetreffende eenheid van de Belastingdienst. In het overleg tussen OM en Belastingdienst wordt bezien of het fiscale traject, het strafrechtelijke traject dan wel een combinatie van beide trajecten wordt gekozen voor de afroming van de criminele winsten.

In al deze gevallen is het antwoord op de vraag of gebruik van het ontnemingsinstrumentarium dan wel het fiscale instrumentarium is aangewezen mede afhankelijk van de vraag hoe sterk ieders bewijsrechtelijke dan wel juridische positie is.

1.2. Invorderingsaspecten

Invorderingsaspecten komen aan de orde indien al (navorderings-)aanslagen zijn opgelegd, voordat bij de Belastingdienst bekend is dat er een strafrechtelijk ontnemingstraject is gestart. Ook komen invorderingsaspecten aan de orde indien de Belastingdienst niet langer kan wachten met het opleggen van aanslagen in verband met het verloop van termijnen. Indien in deze twee gevallen de Belastingdienst door het OM in kennis wordt gesteld van een ontnemingszaak en van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel van een verdachte/veroordeelde belastingplichtige/-schuldige, wordt als volgt gehandeld:

- de ontvanger treft invorderingsmaatregelen met een conservatoir karakter;

- de ontvanger gaat echter (nog) niet over tot daadwerkelijke uitwinning van vermogensbestanddelen dan na overleg met de officier van justitie.

Dit laatste geldt niet onverkort indien de verdachte/veroordeelde belastingplichtige/-schuldige naast illegaal inkomen ook nog belastingschuld over legaal inkomen heeft. In dat geval kan de ontvanger wel tot daadwerkelijke uitwinning van die vermogensbestanddelen overgaan, die niet dankzij onderzoek van opsporingsinstantie/OM boven water zijn gekomen.

2. Conservatoir beslag

2.1. Voorwaarden

Om voorwerpen in conservatoir beslag ex artikel 94a Sv te kunnen nemen, dient voldaan te zijn aan de volgende voorwaarden:

- Er moet een schriftelijke machtiging zijn verleend door de rechter-commissaris tot het leggen van conservatoir beslag of tot het handhaven van een beslag als conservatoir beslag (zie artikel 103 Sv, machtiging tot inbeslagneming/handhaving beslag en artikel 126 Sv, machtiging sfo);

- De machtiging dient het maximumbedrag te vermelden waarvoor verhaal wordt gezocht. Dit betekent niet dat de waarde van de in beslag te nemen voorwerpen tot dit bedrag is beperkt;

- Het voorlopig geschatte voordeel, respectievelijk de voorgenomen geldboete eis dient ten minste f 10.000,- te bedragen;

- Bij een voorlopig geschat wederrechtelijk verkregen voordeel respectievelijk een voorgenomen geldboete-eis van meer dan f 25.000,- , dient voorafgaand aan de inbeslagneming overleg met het BOOM plaats te vinden. Voor zover dit door de omstandigheden niet mogelijk is, zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming;

- Bij het leggen van een voorzienbaar gecompliceerd conservatoir beslag dient in een zo vroeg mogelijk stadium een deskundige van de Domeinen te worden geraadpleegd. Uit kostenoverwegingen verdient het aanbeveling bij het vervoer de Dienst der Domeinen te betrekken.

2.2. Bevoegde ambtenaar

De officier van justitie neemt op grond van artikel 94a Sv voorwerpen in conservatoir beslag. Op grond van artikel 556 Sv kan hij daartoe een last geven aan een opsporingsambtenaar. De voorwerpen genoemd in artikel 94b sub 3 Sv (aandelen en effecten op naam en onroerende registergoederen) kunnen uitsluitend door een deurwaarder in conservatoir beslag genomen worden. De officier van justitie geeft daarvoor de deurwaarder op grond van artikel 556 Sv een last.

2.3. Wijze van inbeslagneming

In geval van handhaven van beslag krachtens schriftelijke machtiging in de zin van artikel 103 Sv worden dezelfde formaliteiten in acht genomen als onder 2.3.1 t/m 2.3.4 met betrekking tot het leggen van beslag wordt bepaald.

2.3.1. Roerende zaken

Beslag op roerende zaken onder de betrokken persoon geschiedt door het feitelijk meenemen van het inbeslaggenomen voorwerp. De opsporingsambtenaar maakt een proces-verbaal van inbeslagneming op en vermeldt daarin de hoogte van het op dat moment geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel. De opsporingsdienst zendt de kennisgeving inbeslagneming en het proces-verbaal aan het desbetreffende parket. De officier van justitie geeft opdracht aan een deurwaarder om het proces-verbaal aan de betrokken persoon te betekenen. De machtiging ex artikel 103 Sv dan wel 126 Sv wordt door de opsporingsdienst betekend conform de artikelen 585 Sv e.v.

Beslag op vorderingen van de betrokken persoon op derden geschiedt door het geven van een schriftelijke kennisgeving aan de schuldenaar.

Beslag op roerende zaken onder een derde geschiedt in beginsel door het feitelijk meenemen van de zaken. De beslagen zaken kunnen ook bij de derde worden achtergelaten mits deze uitdrukkelijk als bewaarder wordt aangewezen en de inbeslaggenomen zaken worden gemerkt. Voor beide vormen van beslag geldt dat de opsporingsambtenaar een proces-verbaal en een kennisgeving van inbeslagneming opmaakt volgens het standaardmodel en de beslagen voorwerpen zo nauwkeurig mogelijk omschrijft. In het proces-verbaal wordt de hoogte van het voorlopig geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vermeld. De opsporingsambtenaar zendt de kennisgeving van inbeslagneming en het proces-verbaal naar het desbetreffende parket. De officier van justitie geeft de deurwaarder een last tot betekening van het proces-verbaal aan de derde en aan de betrokken persoon en uitreiking van het verklaringsformulier aan de derde. De machtiging ex artikel 103 Sv dan wel 126 Sv wordt door de opsporingsdienst aan de betrokken persoon en aan de derde betekend conform artikel 585 Sv e.v.

In geval van een derdenbeslag dient het OM binnen 8 dagen nadat de ontnemingsvordering ex art. 511b Sv c.q. de dagvaarding aan betrokkene is betekend, deze ook - door een deurwaarder - aan de derde onder wie voorwerpen in conservatoir beslag zijn genomen, te laten betekenen, ongeacht of het voorwerp zich nog onder de derde bevindt (zie artikel 721 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

2.3.2. Rechten aan toonder of order

Beslag op rechten aan toonder of order (een vorderingsrecht dat in een waardepapier met toonder- of orderclausule is belichaamd: te betalen aan toonder of order) geschiedt door het document zelf in beslag te nemen. Zie voor verdere vereisten beslag op roerende zaken. De officier van justitie geeft de deurwaarder een last tot betekening van het proces-verbaal aan de betrokken persoon en zo nodig aan de derde met uitreiking van het verklaringsformulier aan deze. De machtiging ex artikel 103 Sv dan wel 126 Sv wordt door de opsporingsdienst aan de betrokken persoon en zo nodig aan de derde betekend conform artikel 585 Sv e.v.

2.3.3. Aandelen en effecten op naam en onroerende registergoederen

Beslag op aandelen en effecten op naam en onroerende registergoederen geschiedt door een deurwaarder na lastgeving door de officier van justitie. De machtiging ex artikel 103 Sv dan wel 126 Sv wordt door de opsporingsdienst aan de betrokken persoon betekend conform artikel 585 Sv e.v.

2.3.4. Schepen en luchtvaartuigen

Beslag op in Nederland geregistreerde schepen en luchtvaartuigen geschiedt door de deurwaarder na lastgeving door de officier van justitie. De machtiging ex artikel 103 Sv dan wel 126 Sv wordt door de opsporingsdienst aan de betrokken persoon betekend conform artikel 585 Sv e.v.

2.4. Beheer conservatoir beslag

2.4.1. Nationaal

Na ontvangst van de kennisgeving inbeslagneming, neemt de officier van justitie binnen veertien dagen een beslissing over het al dan niet laten voortduren van het beslag.

Het BOOM beheert sinds 1 januari 1997 centraal het budget voor de gerechtskosten voor het beheer van de kosten van conservatoir beslag. Aan het BOOM zijn , nadat de zaaksofficier van justitie de beslissing heeft genomen dat een inbeslaggenomen voorwerp niet zal worden teruggegeven, de volgende bevoegdheden overgedragen met het operationeel worden van het CEBES-systeem .

- het aanwijzen van een bewaarder en het geven van aanwijzingen aan een bewaarder. Met het oog op een kwalitatief verantwoorde bewaring heeft het BOOM de bevoegdheid een (andere) bewaarder aan te wijzen en aanwijzingen te geven met betrekking tot de wijze van bewaren van de inbeslaggenomen voorwerpen.

- het vergoeden van de diverse kosten met betrekking tot conservatoir beslag. Het BOOM heeft een budget waaruit de volgende kosten worden betaald: de kosten voor het leggen en beëindigen van het beslag, transportkosten, taxatiekosten, bewaar- en beheerskosten, kosten m.b.t. verkoop en kosten voor het inhuren van deskundigheid.

- het geven van een machtiging tot vervreemding op grond van artikel 117 Sv. Veel zaken zijn onderhevig aan snelle waardedaling, zodat tot vervreemding dient te worden overgegaan zodra dit mogelijk is. Hiermee worden ook kosten bespaard.

- het opheffen van het beslag. Naast de zaaksofficier van justitie heeft het BOOM in alle gevallen de bevoegdheid te besluiten tot opheffing van het beslag. Voordat één van beiden tot opheffing besluit, wordt overleg gepleegd. Dit geldt eveneens voor de overige in art 116 Sv genoemde bevoegdheden van het OM.

- het aangaan van een zekerheidstelling. De zekerheidstelling ex artikel 118a Sv wordt in ieder geval aanvaard:

- indien een zekerheid wordt aangeboden, die gelijk is aan de hoogte van de voorgenomen vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

- indien een geldswaarde of waarborg tot zekerheid wordt aangeboden, die gelijk is aan de hoogte van het maximum bedrag van de machtiging conservatoir beslag ex artikel 103 Sv.

De zaaksofficier van justitie dient de beslagene te berichten dat een zekerheidstelling met en door het BOOM wordt afgehandeld.

N.B.! Als zekerheidstelling verdient een bankgarantie de voorkeur.

Beklagprocedures zullen door de zaaksofficier van justitie blijven worden afgehandeld. Bij ingewikkelde beklagprocedures kan ondersteuning van het BOOM worden gevraagd.

2.4.2. Internationaal

Het BOOM beheert ook het op het verzoek van een buitenlandse overheid in Nederland gelegde conservatoire beslag. De zaaksofficier dient om die reden het door hem/haar gelegde conservatoir beslag schriftelijk te melden aan het BOOM Dit kan door een kopie van het proces-verbaal/de kennisgeving van inbeslagneming op te sturen.

2.5. Ontnemingen en conservatoire beslagen in het buitenland

Deze aanwijzing is niet van toepassing op ontnemingen en conservatoire beslagen in het buitenland, omdat de toepasselijke verdragen en de nationale wetgeving van andere landen soms noodzaken tot afwijking van hetgeen in deze aanwijzing als beleid wordt geformuleerd. Op dit moment bestaat te weinig praktische ervaring om reeds een beleidsregel inzake de internationale aspecten van de ontnemingswetgeving op te stellen. Wel bevat de ’Handleiding Internationale Rechtshulp in Strafzaken’ een hoofdstuk over de internationale samenwerking gericht op ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Voor specifieke vragen in dit kader is het BOOM al dan niet in samenwerking met het Bureau Internationale Rechtshulp in Strafzaken (BIRS) van het Ministerie van Justitie het aanspreekpunt.

3. Strafrechtelijk financieel onderzoek (sfo)

Een strafrechtelijk financieel onderzoek (sfo) kan worden ingesteld indien uit vooronderzoek aannemelijk is dat er sprake is van een wederrechtelijk verkregen voordeel van tenminste f 25.000,- en het vermoeden bestaat dat het voordeel meer bedraagt. Een sfo kan naast een gerechtelijk vooronderzoek (gvo) worden ingesteld.

De officier van justitie kan voorwerpen in conservatoir voordeelsbeslag nemen, zonder nadere machtiging van de rechter-commissaris. Hij kan tijdens een huiszoeking tevens voorwerpen in conservatoir beslag nemen. Dit geldt derhalve, mits een machtiging ex artikel 103 Sv is verkregen, ook voor conservatoir geldboetebeslag. De officier maakt hierover een afspraak met de desbetreffende rechter-commissaris.

De opsporingsambtenaar heeft de bevoegdheden als vermeld in artikel 126a Sv; voor de wijze waarop informatie bij banken kan worden verkregen wordt verwezen naar de modelbrief van het College van procureurs-generaal aan de Hoofdofficieren van justitie.

Ten behoeve van de mogelijke ondersteuning door het BOOM doet de zaaksofficier van justitie een schriftelijke melding van financiële onderzoeken naar een geschat wederrechtelijk verkregen voordeel van meer dan f 25.000,- en van alle sfo’s aan het BOOM (zie de bijlage bij deze aanwijzing).

Vervolging

1. Wanneer kan een ontnemingsvordering ex. artikel 36 e Sr worden ingesteld?

1.1.Commune delicten

Als wederrechtelijk voordeel is verkregen door middel van een commuun delict, wordt dit de betrokken persoon ontnomen op basis van deze aanwijzing.

Het uitgangspunt daarbij is dat een ontnemingsvordering wordt ingediend wanneer het verkregen voordeel is geschat op een bedrag van minimaal f 1.000,-. De ontnemingsvordering wordt niet ingediend wanneer de betrokken persoon geen draagkracht heeft en naar redelijke verwachting ook in de toekomst niet zal hebben.

Het enkele feit dat de betrokken persoon inkomsten op sociaal minimumniveau geniet is geen reden om te veronderstellen dat hij/zij geen draagkracht heeft en naar redelijke verwachting ook in de toekomst niet zal hebben.

1.2. Economische en milieudelicten

De afdoening van economische en milieudelicten vindt in zeer veel gevallen plaats aan de hand van transactie- en tarieflijsten. Bij het opstellen van de daarin opgenomen richtbedragen is mede gestreefd naar ontneming van het economisch voordeel dat door de strafbare gedraging is verkregen. Vooralsnog kunnen ontnemingsvorderingen achterwege blijven voor delicten waarop transactierichtlijnen of tarieflijsten van toepassing zijn. In het andere geval dient met inachtneming van deze aanwijzing een ontnemingsvordering te worden ingesteld.

1.3. Sociale zekerheidsfraude

In geval van sociale zekerheidsfraude wordt in beginsel geen wederrechtelijk verkregen voordeel ontnomen op grond van artikel 36e Sr, omdat de Gemeentelijke Sociale Diensten en bedrijfsverenigingen een terugvorderingsverplichting hebben met betrekking tot ten onrechte ontvangen uitkeringen.

In gevallen waarin terugvordering door Gemeentelijke Sociale Dienst of bedrijfsvereniging onmogelijk is bijvoorbeeld in verband met verjaring dient de ontnemingsvordering ex artikel 36e Sr, met inachtneming van deze aanwijzing, wel te worden ingesteld.

1.4. Fiscus en ontneming

Bij vervolging op basis van feiten, strafbaar gesteld op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Douanewet en de Wet op de accijns geldt het volgende:

Het wederrechtelijk verkregen voordeel dat uitsluitend is ontstaan uit het plegen van in bovengenoemde fiscale wetgeving strafbaar gestelde gedragingen, wordt niet volgens artikel 36e Sr ontnomen. Dit geldt zowel als vervolging plaatsvindt op basis van de fiscale strafbepalingen, als wanneer het desbetreffende feitencomplex wordt vervolgd volgens het commune strafrecht (bijvoorbeeld art. 225 Sr).

1.5. Faillissement en ontneming

1.5.1. Instellen ontnemingsvordering tijdens faillissement

Indien betrokkene in staat van faillissement is verklaard voordat de ontnemingsvordering ex artikel 511b Sv is uitgebracht, dient de ontnemingsvordering te worden ingesteld, tenzij er een redelijk vermoeden bestaat dat het faillissement niet binnen afzienbare tijd zal worden opgeheven en/of betrokkene in redelijkheid in de toekomst geen draagkracht zal hebben. Dit betekent dat een op te leggen ontnemingsmaatregel niet meedeelt in de afwikkeling van het faillissement. Deze maatregel kan feitelijk eerst na de opheffing van dat faillissement ten uitvoer worden gelegd.

1.5.2. Faillissement na instellen ontnemingsvordering

Indien betrokkene in staat van faillissement is verklaard nadat de ontnemingsvordering ex artikel 511b Sv is uitgebracht, doch voordat de ontnemingsvordering tot een opgelegde ontnemingsmaatregel heeft geleid, dient de ontnemingsvordering alleen ingetrokken te worden c.q. tot afwijzing van die vordering te worden gerekwireerd, als er een redelijk vermoeden bestaat dat het faillissement niet binnen afzienbare tijd zal worden opgeheven en/of betrokkene in redelijkheid in de toekomst geen draagkracht zal hebben. Een vervolgens opgelegde ontnemingsmaatregel kan niet in het faillissement worden ingebracht door indiening bij de curator. De ontnemingsmaatregel volgt dus niet de afwikkeling van dat faillissement.

1.5.3.Faillissement na opleggen ontnemingsmaatregel (hoger beroep)

Indien er hoger beroep van het ontnemingsvonnis wordt ingesteld terwijl de betrokkene na het uitspreken van het bestreden ontnemingsvonnis in staat van faillissement is verklaard, dient de procureur-generaal het gerechtshof erop te wijzen dat:

- het integraal vernietigen van het bestreden vonnis leidt tot het niet participeren van de ontneming in het faillissement;

- het bekrachtigen c.q. partieel wijzigen van het bestreden ontnemingsvonnis wel leidt tot het participeren van de ontneming in het faillissement.

1.6. Slachtoffers/benadeelde derden

Indien er wederrechtelijk voordeel is verkregen en er sprake is van slachtoffers/benadeelde derden dient het OM in beginsel altijd een ontnemingsvordering in, tenzij het actieve en weerbare slachtoffers/benadeelde derden betreft die (allen) te kennen hebben gegeven via een civiele vordering dan wel een civiele partijstelling of de wet Terwee, hun rechten veilig te stellen. Zo vroeg mogelijk in het opsporingsonderzoek dient afstemming met de slachtoffers/benadeelde derden op dit punt plaats te vinden. Eventueel zal gedurende de tijd dat nog geen afstemming heeft plaatsgevonden, tot conservatoire inbeslagneming op basis van de ontnemingswetgeving worden overgegaan, teneinde wegsluizing van vermogensbestanddelen te voorkomen. In het geval dat door de slachtoffers/benadeelde derden tot civiel verhaal wordt overgegaan, dient eveneens zoveel mogelijk en in overeenstemming met wetgeving en beleidsregels op dit punt, tot informatieverstrekking aan het slachtoffer/de benadeelde derde ter ondersteuning van civiel verhaal te worden overgegaan.

Opgemerkt wordt dat in bepaalde gevallen het wederrechtelijk verkregen voordeel groter is dan het nadeel van het slachtoffer/de benadeelde derde.

Overige

1. Inhuren externe deskundigen

Het BOOM beheert sinds 1 januari 1997 centraal het budget voor de gerechtskosten met betrekking tot de kosten van het inhuren van externe deskundigen in ontnemingszaken.

De officier van justitie kan het BOOM verzoeken om bijgestaan te worden door een externe deskundige. Het BOOM heeft daartoe raamcontracten gesloten met diverse deskundigen.

Executie

Binnen één maand nadat een ontnemingsvonnis onherroepelijk en executeerbaar is geworden, dient de officier van justitie dit aan de derde, onder wie voorwerpen in conservatoir beslag waren genomen, door een deurwaarder te laten betekenen (zie artikel 722 Rv). Dit geldt ook indien het geldboetevonnis onherroepelijk is geworden tot welker verhaal voorwerpen onder derden in conservatoir beslag zijn genomen.

Het is de taak van de officier van justitie om een ontnemingsvonnis, zodra dat onherroepelijk en executeerbaar is geworden, ter executie aan te melden bij het Centraal Justitieel Incasso Bureau. Het CJIB draagt zorg voor de inning van de ontnemingsmaatregel.

De landelijk executie-officier van justitie kan, indien verhaal door een deurwaarder niet tot voldoening leidt en degene tot wie de maatregel zich richt wel kan maar niet wil betalen, een arrestatiebevel uitvaardigen. (De landelijk executie-officier van justitie kan ook van verhaal afzien en direct na de inningsfase een arrestatiebevel uitvaardigen indien hij inschat dat verhaal niet, maar een arrestatiebevel wel tot betaling leidt.)

Correspondentie over de executie, bijvoorbeeld over betalingsregelingen, dient door het betreffende parket te worden doorgestuurd naar het CJIB.

Hierbij wordt verwezen naar de Executierichtlijn ontnemingsmaatregelen parketten en politie d.d. 3 december 1996, inwerkinggetreden op 1 maart 1997.

Strafvordering

Zie de ’Richtlijn voor strafvordering ontneming’ (registratienummer 1998R002)

Overgangsrecht

Met de inwerkingtreding van zowel de onderhavige aanwijzing als de richtlijn voor strafvordering ontneming (registratienummer 1998R002) vervalt de Ontnemingsrichtlijn (herziening) d.d. 1 oktober 1997.

stcrt-1998-164-p9-SC15316-1.gif
Naar boven