Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Economische Zaken | Staatscourant 1998, 150 pagina 6 | Overig |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Economische Zaken | Staatscourant 1998, 150 pagina 6 | Overig |
Goedkeuring Ontginningsplan Steenzoutconcessie ’Barradeel’, Frima B.V. voor de periode van 1 augustus 1998 tot 1 oktober 1999
31 juli 1998
nr. E/EOG/MW 98051748
Bij brief van 28 mei 1998 heeft u een nieuw ontginningsplan voor de periode van 1 juli 1998 tot 1 oktober 1998 ten behoeve van de steenzoutconcessie ’Barradeel’ bij de Inspecteur-Generaal der Mijnen ingediend. Bij besluit van 30 juni 1998 heb ik het onderhavige ontginningsplan, gelet op een aantal onzekerheden, slechts goedgekeurd voor een maand.
Thans keur ik het onderhavige ontginningsplan goed voor de periode van 1 augustus 1998 tot 1 oktober 1999 onder de volgende ontbindende voorwaarden:
a. U richt binnen een maand na heden een stichting op voor onbepaalde tijd onder de naam ’Stichting Schadefonds Frima’, met statuten overeenkomstig de bij deze brief behoren bijlage 1 en
b. U doet de ’Stichting Schadefonds Frima’ binnen een maand na heden een aanbod tot het sluiten van een overeenkomst inzake de wederzijdse verplichtingen tussen u en voornoemde stichting, overeenkomstig de bij deze brief behorende bijlage 2.
Ik heb ervoor gekozen om u te verplichten een stichting op te richten, die een schadefonds beheert, omdat zodoende ook verzekerd is dat in geval van een onverhoopt faillissement de in het fonds aanwezige financiële middelen buiten het faillissement blijven. Een geblokkeerde bankrekening valt bij een eventueel faillissement binnen dit faillissement. Derhalve is dit voor mij geen reële optie. Het u verplichten om in plaats van een schadefonds een tweede hypotheek op uw onroerend goed en bedrijfsinventaris in Harlingen als zekerheidsstelling voor derden te verlenen, voor het geval deze schade lijden als gevolg van uw zoutwinning, acht ik evenmin een reeël alternatief, omdat het uiterst twijfelachtig is of er bij een eventueel faillissement van u nog wel voldoende financiële dekking over is voor de tweede hypotheekhouder.
Ik verbind aan deze goedkeuring de volgende voorschriften:
I. U bent verplicht, indien de ’Stichting Schadefonds Frima’ het aanbod als bedoeld onder b niet accepteert, met de ’Stichting Schadefonds Frima’ in onderhandeling te treden teneinde overeenstemming te bereiken. U zult de overeenkomst niet sluiten dan nadat deze door mij is goedgekeurd. Indien u en de ’Stichting Schadefonds Frima’ niet voor 15 september 1998 overeenstemming hebben bereikt omtrent de overeenkomst, zult u het onderwerp van geschil aan mij voorleggen en mijn aanwijzingen dienaangaande opvolgen.
2. U bent jegens de ’Stichting Schadefonds Frima’ met ingang van augustus 1998 tot en met september 1999 tegen de laatste dag van iedere kalendermaand een bedrag van f 200.000,- verschuldigd, derhalve in totaal f 2.800.000,-, te voldoen op de in de onder b. bedoelde overeenkomst bepaalde wijze.
Bij de raming van de voor het schadefonds benodigde financiële middel ad f 2.800.000 per eind september 1999 ben ik uitgegaan van de in het onderhavige ontginningsplan door u opgegeven zoutproduktie van 1,2 miljoen ton zout per jaar, hetgeen naar verwachting zal resulteren in een bodemdaling van 11,5 cm in het diepste punt van de bodemdalingsschotel.
Met betrekking tot de opbouw van het schadefonds merk ik op, dat de schade zich ook eerder voor kan doen dan 1 oktober 1999. Uit rapporten van het Ingenieursbureau ’Oranjewoud’ B.V. en het Staatstoezicht op de Mijnen blijkt immers dat zodra er een bodemdaling van meer dan 5 cm optreedt er herstelwerkzaamheden op het gebied van de waterhuishouding moeten plaatsvinden. Vanwege het feit dat de te verwachten schade toeneemt naarmate de bodemdaling groter wordt, is er voor gekozen om de door u te verrichten betalingen in de tijd te spreiden en per maand te laten plaatsvinden.
De door mij opgestelde raming van de door bodemdaling als gevolg van uw steenzoutwinning te verwachten schade is als volgt:
a. Herstelkosten Waddenzeedijk Waterschap Friesland f 700.000,-
b. Reparatie eventuele scheuren in asfaltbedekking Waddenzeedijk Waterschap Friesland f 50.000,-
c. Waterhuishoudkundige herstelwerkzaamheden Wetterskip de Waadkant f 447.000,-
d. Exploitatie nieuwe waterhuishoudkundige werken Wetterskip de Waadkant f 175.000,-
e. Exploitatie bestaande gemalen Wetterskip De Waadkant f 66.000,-
f. Nieuwe kunstwerken Wetterskip De Waadkant f 193.000,-
g. Schade gemeente Harlingen i.v.m. project ’Uitbreiding Industriehaven’ f 1.000.000,-
h. Onvoorzien f 169.000,-
Totaal incl. BTW f 2.800.000,-
Toelichting op de geraamde posten a t/m h:
ad a. In plaats van het door Ingenieursbureau ’Oranjewoud’ B.V. genoemde bedrag voor herstelwerkzaamheden aan de zeedijken van f 2.199.000,- is een bedrag van f 700.000,- opgenomen. Het bedrag van f 520.000,- genoemd in de bijeenkomst op 21 juli jl. is verhoogd met f 180.000,- op grond van planvoorziening, directievoering en BTW en bevestigd bij brief van 30 juli 1998 van het Waterschap Friesland.
Ad b. Het Waterschap Friesland gaat ervan uit, dat de bodemdaling geen scheurvorming in de asfaltbekleding van de zeedijk zal veroorzaken. Is dit onverhoopt wèl het geval, dan zal het Waterschap Friesland onmiddellijk tot reparatie overgaan en de hiermee gepaard gaande kosten bij u in rekening brengen. Op de bijeenkomst van 21 juli jl. is desgevraagd geantwoord dat het hier om ca 50.000,- tot 100.000,- gaat. Ik heb hiervoor een bedrag van f 50.000,- opgenomen.
Ad c t/m f. Deze bedragen zijn gebaseerd op de bij het advies van het Staatstoezicht op de Mijnen van 23 juni 1998 behorende bijlage. Deze bijlage is afkomstig uit het rapport van Ingenieursbureau ’Oranjewoud’ B.V. van 8 juni 1998 en betreft hoofdstuk 3.5, waarin een samenvatting wordt gegeven van de door hen geraamde en op het huidige prijspijl gebaseerde investerings- en exploitatiekosten ten aanzien van waterhuishoudkundige herstelmaatregelen voor het minimum-scenario van 11,5 cm bodemdaling in het diepste punt van de bodemdalingsschotel.
Ad g. Volgens de gemeente Harlingen, zowel besproken in de bijeenkomst van 21 juli jl. als bevestigd bij brief van 23 juli 1998, vraagt de snelheid waarmee de bodemdaling zich de afgelopen jaar heeft voltrokken en volgens de prognoses zich in de komende jaren zal voltrekken, een hoger tempo van noodzakelijke maatregelen. Een bodemdaling van 35 cm in het diepste punt van de bodemdalingsschotel wordt naar verwachting reeds rond het jaar 2005 bereikt. Voor de gemeente Harlingen betekent dit, dat bij realisatie van het in 1990 gestarte project ’Uitbreiding Industriehaven’ rekening moet worden gehouden met de effecten van die bodemdaling. Een havenproject is een infrastructureel werk met een lange technische en economische levensduur. Wat de aanleghoogte betreft moet volgens de gemeente Harlingen rekening worden gehouden met het zogenaamde 60 jaar-scenario. Deze meerkosten dienen naar het oordeel van de gemeente Harlingen als schade ten gevolge van de bodemdaling door u te worden vergoed, aangezien de reeds geaccepteerde exploitatie-opzet nadeling wordt beïnvloed. De gemeente Harlingen is van mening, dat een partij die nadeel leidt, de schade zo beperkt mogelijk dient te houden. Om die reden is het volgens de gemeente Harlingen raadzaam om de verhoging noodzakelijk, gelet op het 60-jaar scenario, nu reeds bij de voorbereiding en uitvoering van het werk mee te nemen. De realisatie van het project ’Uitbreiding Industriehaven’ start in de periode waarop het onderhavige ontginningsplan betrekking heeft. In de planning van de gemeente Harlingen vindt de aanbesteding van het werk eind 1998 plaats, waarna begin 1999 met het werk begonnen zal worden. De werkzaamheden zullen ongeveer een jaar tot maximaal anderhalf jaar duren. Het grootste deel van de kosten wordt in dat geval binnen het onderhavige ontginningsplan gemaakt. De kosten, zoals door de gemeente Harlingen bij brief van 23 juli 1998 toegelicht, die deze bodemdaling voor het project ’Uitbreiding Industriehaven’ meebrengen, bedragen ca. f 1.000.000,- inclusief voorbereidingskosten en BTW. Het is niet uitgesloten, dat er zoals de gemeente Harlingen stelt, een oorzakelijk verband is tussen de vereiste extra werkzaamheden inzake het project ’Uitbreiding Industriehaven’ en de door u in het kader van het onderhavige ontginningsplan te veroorzaken bodemdaling als gevolg van uw steenzoutwinning. Immers, het lijkt mij vooralsnog niet onredelijk dat de Gemeente Harlingen bij het maken van plannen en het uitvoeren daarvan rekening houdt met de maximale bodemdaling van 35 cm in het diepste punt van de bodemdalingsschotel rond 2005 (het zogenaamde 60-jaar scenario) bij een steenzoutwinning door u van 1.2 miljoen ton zout per jaar. Inzake de hoogte van de raming van f 1.000.000,- merk ik op, dat dit bedrag slechts een gering percentage is van het totale bedrag van het project ’Uitbreiding Industriehaven’. De hoogte van het bedrag komt mij vooralsnog niet onredelijk voor.
Ad h. Het is bedrijfseconomisch gebruikelijk om een post onvoorzien op te nemen.
Hoewel er in principe volgens het aanvullend advies van het Staatstoezicht op de Mijnen van 3 juli 1998 geen schade aan onroerend goed van particulieren zal ontstaan, is dit niet geheel uit te sluiten ten aanzien van ’op staal gefundeerde gebouwen die zich niet op homogene ondergrond bevinden’. Immers, wanneer niet tijdig de noodzakelijke waterpeilaanpassingen en nieuwe peilinrichtingen worden gerealiseerd, bestaat de kans dat bepaalde zwakke ’op staal gefundeerde gebouwen die zich niet op homogene ondergrond bevinden’ toch schade oplopen. Dit is meegenomen in de post onvoorzien.
Inzake de posten a t/m h. gaat het nadrukkelijk om een raming. Of de te verwachten schade zich ook zal manifesteren moet worden afgewacht en niet van alle claims is even waarschijnlijk dat zij gehonoreerd zullen moeten worden. Deze voorbehouden zijn in het bijzonder van belang voor de posten b, g en h. In het kader van het onderhavige besluit dient echter ook met onzekere schadeclaims in redelijke mate rekening te worden gehouden.
3. U dient voor uw rekenig een inventarisatie van de samenstelling van de ondiepe ondergrond in het bodemdalingsgebied te maken waar de bodemdaling op 1 oktober 1999 meer dan 10 cm zal bedragen. Indien mij uit de voornoemde inventarisatie blijkt dat er in het bodemdalingsgebied geen homogene ondergrond aanwezig is, dient u te onderzoeken of op nader door mij aan te wijzen specifieke locaties, waar geen homogene ondergrond aanwezig is, ’op staal gefundeerde gebouwen’ aanwezig zijn. Tevens dient u ten genoegen van mij de bouwkundige staat van een aantal nader door mij te noemen ’zwakke op staal gefundeerde gebouwen die zich niet op homogene ondergrond bevinden’ via een kleinschalig bewakingsprogramma te monitoren gedurende de looptijd van het onderhavige ontginningsplan.
Uiterlijk 1 juli 1999 ontvang ik van u een nieuw ontginningsplan ten behoeve van de steenzoutconcessie ’Barradeel’. Aan de hand daarvan zal wederom door mij bekeken worden of de door u in de periode na 1 oktober 1999 voorgenomen steenzoutwinning in de gewenste omvang en op de voorgestelde wijze aanvaardbaar is.
Tegen dit besluit kan degene, wiens belang rechtstreeks bij dit besluit is betrokken binnen zes weken na de dag van verzending van dit besluit een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de Minister van Economische Zaken, Directie Wetgeving en andere Juridische Zaken, Postbus 20101, 2500 EC ’s-Gravenhage.
Dit besluit is verzonden op de in de aanhef vermelde datum.
Heden
negentien honderd acht en negentig verscheen voor mij, Mr. Nicolaas de Wolf, notaris te Drachten: de heer mr. WILLEM SLEIJFER, advocaat en procureur, wonende te 9061 AM Giekerk, Doctor E. Wassenberghstraat 34, geboren te Leeuwarden op dertien augustus negentien honderd vijf en veertig, gehuwd, paspoort nummer N100861207.
De comparant verklaard bij deze akte een stichting in het leven te roepen en daarvoor de volgende statuten vast te stellen.
NAAM, ZETEL EN DUUR.
Artikel 1.
1. De stichting draagt de naam: ’STICHTING SCHADEFONDS FRIMA’
2. Zij heeft haar zetel in de gemeente Harlingen.
3. De stichting is opgericht voor onbepaalde tijd.
DOEL.
Artikel 2.
1. De Stichting heeft ten doel: het doen van uitkeringen aan derden, indien deze derden schade aan hun eigendommen lijden, veroorzaakt door bodemdaling als gevolg van de ontginning van steenzout door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ’FRIMA ZOUTINDUSTRIE B.V.’ gevestigd en kantoorhoudende te 8861 NW Harlingen, Lange Lijnbaan 15, ingeschreven in het Handelsregister bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Friesland te Leeuwarden onder dossiernummer 01065215, hierna te noemen ’Frima’, alsmede van andere in dezelfde afzetting voorkomende delfstoffen, voorzover die vanwege de samenhang met delfstoffen onvermijdelijkerwijs gelijktijdig met die delfstoffen worden ontgonnen, alles in de ruimste zin des woords.
2. De stichting tracht haar doel onder meer te verwezenlijken door het oprichten en instandhouden van een schadefonds, waarin Frima verplicht is de door de Minister van Economische Zaken vastgestelde bedragen te betalen, welke bedragen uitsluitend zullen worden aangewend voor uitkering bij schadeclaims, ontstaan door bodemdaling als gevolg van bovenvermelde ontginning, indien een derde kan overleggen:
a. een op schrift gestelde verklaring van of een overeenkomst met Frima, waaruit blijkt dat Frima de door de derde gestelde schade erkent, of
b. een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van een burgerlijk rechter of, indien een overeenkomst tussen Frima en de derde daarin voorziet, een in kracht van gewijsde gegane uitspraak van een arbiter of een bindend advies, waaruit blijkt dat Frima gehouden is de gestelde schade te vergoeden.
VERMOGEN
Artikel 3.
Het vermogen van de stichting zal worden gevormd door:
- bijdragen van Frima;
- alle andere verkrijgingen en baten.
BESTUUR
Artikel 4.
1. Het bestuur van de stichting bestaat uit drie (3) leden en wordt voor de eerste maal bij deze akte benoemd.
2. Het bestuur (met uitzondering van het eerste bestuur, waarvan de leden in functie worden benoemd) kiest uit zijn midden een secretaris en een penningmeester. Deze functies kunnen ook door één persoon worden vervuld.
3. De leden van het bestuur worden benoemd door Gedeputeerde Staten van de Provincie Friesland. Als bestuursleden komen uitsluitend in aanmerking notarissen, registeraccountants en leden van de rechterlijke macht, terwijl de samenstelling van het bestuur zodanig dient te zijn dat elk van de drie hiervoor genoemde hoedanigheden in het bestuur vertegenwoordigd is.
4. Bij het ontstaan van een vacature in het bestuur, zal Gedeputeerde Staten van de Provincie Friesland binnen twee maanden na het ontstaan van de vacature daarin dienen te voorzien door de benoeming van zodanige opvolger, dat het bestuur na de benoeming opnieuw voldoet aan de in lid 3 omschreven samenstelling. Mocht Gedeputeerde Staten van de Provincie Friesland in gebreke blijven met het doen van deze benoeming, dan zal het bestuur der stichting, rekening houdend met de vereiste samenstelling, in de vacature voorzien.
5. Mocht (en) in het bestuur om welke reden dan ook een of meer leden ontbreken, dan vormen de overblijvende bestuursleden, of vormt het enige overblijvende bestuurslid niettemin een wettig bestuur.
6. De leden van het bestuur genieten geen beloning voor hun werkzaamheden. Zij hebben wel recht op vergoeding van de door hen in de uitoefening van hun functie gemaakte kosten.
BESTUURSVERGADERINGEN EN BESTUURSBESLUITEN.
Artikel 5.
1. De bestuursvergaderingen worden gehouden in de gemeente Harlingen, tenzij het bestuur anders besluit.
2. Ieder kalenderjaar wordt tenminste één vergadering gehouden.
3. Vergaderingen zullen voorts telkenmale worden gehouden, wanneer de voorzitter dit wenselijk acht of indien een der andere bestuursleden daartoe schriftelijk en onder nauwkeurige opgave der te behandelen punten aan de voorzitter het verzoek richt. Indien de voorzitter aan een dergelijk verzoek geen gevolg geeft in dier voege, dat de vergadering kan worden gehouden binnen drie weken na het verzoek, is de verzoeker bevoegd zelf een vergadering bijeen te roepen met inachtneming van de vereiste formaliteiten.
4. De oproeping tot de vergadering geschiedt - behoudens het in lid 3 bepaalde - door de voorzitter, tenminste zeven dagen tevoren, de dag der oproeping en die der vergadering niet meegerekend, door middel van oproepingsbrieven.
5. De oproepingsbrieven vermelden, behalve plaats en tijdstip van de vergadering, de te behandelen onderwerpen.
6. Zolang in een bestuursvergadering alle in functie zijnde bestuursleden aanwezig zijn, kunnen geldige besluiten worden genomen over alle aan de orde komende onderwerpen, mits met algemene stemmen, ook al zijn de door de statuten gegeven voorschriften voor het oproepen en houden van vergaderingen niet in acht genomen.
7. De vergaderingen worden geleid door de voorzitter van het bestuur; bij diens afwezigheid wijst de vergadering zelf haar voorzitter aan.
8. Van het verhandelde in de vergaderingen worden de notulen gehouden door de secretaris of door een der andere aanwezigen, door de voorzitter daartoe aangezocht. De notulen worden vastgesteld en getekend door degenen, die in de vergadering als voorzitter en secretaris hebben gefungeerd.
9. Het bestuur kan ter vergadering alleen dan geldige besluiten nemen indien de meerderheid zijner in functie zijnde leden ter vergadering aanwezig of vertegenwoordigd is. Een bestuurslid kan zich ter vergadering door een medebestuurslid laten vertegenwoordigen op overleggen van een schriftelijke, ter beoordeling van de voorzitter der vergadering voldoende, volmacht. Een bestuurslid kan daarbij slechts voor een medebestuurslid als gevolmachtigde optreden.
10. Het bestuur kan ook buiten vergadering besluiten nemen, mits alle bestuursleden in de gelegenheid zijn gesteld schriftelijk, per elektronische post of per telefax hun mening te uiten. Van een aldus genomen besluit wordt onder bijvoeging van de ingekomen antwoorden door de secretaris en relaas opgemaakt, dat na medeondertekening door de voorzitter bij de notulen wordt gevoegd.
11. Ieder bestuurslid heeft het recht tot het uitbrengen van een stem. In het geval dat de stemmen binnen het bestuur staken, heeft de stem van de voorzitter doorslaggevende kracht.
Voorzover deze statuten geen grotere meerderheid voorschrijven worden alle bestuursbesluiten genomen met volstrekte meerderheid der geldig uitgebrachte stemmen.
12. Alle stemmingen ter vergadering geschieden mondeling, tenzij de voorzitter een schriftelijk stemming gewenst acht of een der stemgerechtigden dit voor de stemming verlangt. Schriftelijke stemming geschiedt bij ongetekende, gesloten briefjes.
13. Blanco stemmen worden beschouwd als niet te zijn uitgebracht.
14. In alle geschillen omtrent stemmingen, niet bij de statuten voorzien, beslist de voorzitter.
BESTUURSBEVOEGDHEID EN VERTEGENWOORDIGING.
Artikel 6.
1. Het bestuur is belast met het besturen van de stichting.
2. Het bestuur is niet bevoegd tot het sluiten van overeenkomsten tot het kopen, vervreemden of bezwaren van registergoederen.
3. Het bestuur is niet bevoegd tot het sluiten van overeenkomsten, waarbij de stichting zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van een derde verbindt, anders dan ten behoeve van Frima terzake van schade van derden als bedoeld in artikel 2 van deze statuten die Frima gehouden is te vergoeden.
Artikel 7.
Het bestuur vertegenwoordigt de stichting in en buiten rechte.
EINDE BESTUURSLIDMAATSCHAP
Artikel 8.
Het bestuurslidmaatschap eindigt:
- door overlijden van een bestuurslid;
- bij verlies door een bestuurslid van het vrije beheer over zijn vermogen;
- bij schriftelijke ontslagnemingen (bedanken);
- bij verlies van de hoedanigheid, bedoeld in artikel 4 lid 3;
- bij ontslag op grond van artikel 298 Boek 2 van Burgerlijk Wetboek.
BOEKJAAR EN JAARSTUKKEN.
Artikel 9.
1. Het boekjaar van de stichting is gelijk aan het kalenderjaar.
2. Per het einde van ieder boekjaar worden de boeken der stichting afgesloten. Daaruit worden door de penningmeester een balans en een staat van baten en lasten over het geëindigde boekjaar opgemaakt, welke jaarstukken - vergezeld van een controleverslag van een daartoe door het bestuur te benoemen registeraccountant/accountant administratieconsulent - binnen zes maanden na afloop van het boekjaar aan het bestuur worden aangeboden.
3. De jaarstukken worden door het bestuur vastgesteld.
4. De Minister van Economische Zaken zal na vaststelling door het bestuur een kopie van de jaarstukken en het controleverslag ontvangen.
VERPLICHTING TOT INFORMATIEVERSTREKKING.
Artikel 10.
Het bestuur van de stichting brengt de Minister van Economische Zaken ervan op de hoogte te brengen wanneer Frima zich niet houdt aan haar verplichting tot betaling van de vastgestelde bedragen als bedoeld in artikel 2 lid 2.
REGLEMENT
Artikel 11.
1. Het bestuur is bevoegd een reglement vast te stellen, waarin die onderwerpen worden geregeld, welke niet in deze statuten zijn vervat.
2. Het reglement mag niet met de wet of deze statuten in strijd zijn.
3. Het bestuur is te allen tijde bevoegd het reglement te wijzigen of op te heffen.
STATUTENWIJZIGING.
Artikel 12.
1. Het bestuur is bevoegd deze statuten, na verkregen goedkeuring van de Minister van Economische Zaken, te wijzigen. Het besluit daartoe moet worden genomen met tweede/derde meerderheid in een vergadering, waarin alle bestuursleden aanwezig of vertegenwoordigd zijn, zonder dat binnen het bestuur enige vacature bestaat.
2. De wijziging moet op straffe van nietigheid bij notariële akte tot stand komen.
3. De leden van het bestuur zijn verplicht een authentiek afschrift van de wijziging, alsmede de gewijzigde statuten neer te leggen ten kantore van het Openbaar Stichtingenregister, gehouden door de Kamer van Koophandel en Fabrieken, binnen welker gebied de stichting haar zetel heeft.
ONTBINDING EN VEREFFENING.
Artikel 13.
1. Het bestuur is na gekregen toestemming van de Minister van Economische Zaken bevoegd de stichting te ontbinden. Op het daartoe te nemen besluit is het bepaalde in artikel 12 lid 1 van toepassing.
2. Door de stichting wordt, nadat Frima de ontginning heeft gestaakt, éénmaal per jaar of zo vaak als de Minister van Economische Zaken dit nodig oordeelt, op het betreffende terrein en de naaste omgeving daarvan tenminste één waterpassing en lengtemeting als bedoeld in artikel 132 lid 2 van het Mijnreglement 1964 (Staatsblad 538) verricht. Indien uit de resultaten van drie opvolgende waterpassingen en lengtemetingen, dan wel van meerdere metingen in een periode van twee opeenvolgende jaren, zou blijken dat geen met de ontginning verband houdende bodemdaling optreedt, zal het bestuur van de stichting een voorstel tot ontbinding van de stichting en het aangehouden schadefonds aan de Minister van Economische Zaken kunnen doen.
3. De stichting blijft na haar ontbinding voortbestaan voor zover dit tot vereffening van haar vermogen nodig is.
4. De vereffening geschiedt door het bestuur.
5. De vereffenaars dragen er zorg voor, dat van de ontbinding van de stichting inschrijving geschiedt in het register, bedoeld in artikel 12 lid 3.
6. Gedurende de vereffening blijven de bepalingen van deze statuten zoveel mogelijk van kracht.
7. Een eventueel batig saldo van de ontbonden stichting wordt, voorzover afkomstig uit stortingen van Frima dan wel uit ten bate van Frima gestorte bedragen, teruggestort op een rekening van Frima, waarna het mogelijk daarna nog resterende deel zoveel mogelijk zal worden besteed overeenkomstig het doel van de stichting.
8. Na afloop van de vereffening blijven de boeken en bescheiden van de ontbonden stichting gedurende tien jaren berusten onder de jongste vereffenaar.
SLOTBEPALING.
Artikel 14.
In alle gevallen, waarin zowel de wet als deze statuten niet voorzien, beslist het bestuur. Tenslotte verklaarde de comparant, ter uitvoering van het bepaalde in artikel 4 leden 1 en 2, dat blijkens een besluit van het openbaar lichaam de Provincie Friesland de dato vijf en twintig augustus negentienhonderd acht en negentig, welk besluit aan deze akte is gehecht, voor de eerste maal tot bestuurders van de stichting worden benoemd:
- voorzitter
- secretaris
- penningmeester
De comparant is mij, notaris bekend en de identiteit van de comparant is door mij, notaris aan de hand van het hiervoor gemelde document vastgesteld.
Waarvan akte, in minuut is verleden te Drachten op de datum als in het hoofd deze akte vermeld, door na zakelijke inhoudsopgave gevolgde beperkte voorlezing, op verzoek van de comparant, die daarbij verklaarde de inhoud der akte te kennen, waarna ondertekening door de comparant en mij, notaris.
De ondergetekenden:
1. de besloten vennootschap Frima Zoutindustrie B.V., gevestigd te Harlingen, te dezer zake rechtsgeldig vertegenwoordigd door ...................., hierna Frima;.
en
2. de stichting ’STICHTING SCHADEFONDS FRIMA’, gevestigd te Harlingen, te dezer akte rechtsgeldig vertegenwoordigd door .................., hierna de stichting.
Overwegende:
dat de Minister van Economische Zaken Frima in het kader van de haar verleende concessie t.b.v. het winnen van steenzout in de gemeente Barradeel, alsmede het daarop gebaseerde ontginningsplan van Frima, verplichtingen heeft opgelegd tot het bijdragen aan een schadefonds ten behoeve van hen die als gevolg van de winning van steenzout door Frima schade lijden;
dat de stichting ingevolge haar statuten ten doel heeft het doen van uitkeringen aan derden, indien deze derden schade aan hun eigendommen lijden, veroorzaakt door bodemdaling als gevolg van de hiervoor bedoelde winning van steenzout;
Komen overeen als volgt:
1. Frima verplicht zich aan de Stichting met ingang van augustus 1998 tot en met september 1999 tegen de laatste dag van iedere kalendermaand een bedrag van f 200.000,- te betalen - derhalve in totaal f 2.800.000,- dan wel daarvoor ten genoegen van de stichting tijdig en volledig zodanig financiële zekerheid te stellen dat de stichting, ook indien Frima in surseance van betaling of in staat van faillissement mocht geraken, op eerste aanmaning zal kunnen beschikken over de financiële middelen welke zij behoeft om haar doelstelling te kunnen verwezenlijken, tot het bedrag dat Frima aan de stichting verschuldigd is.
2. Indien Frima niet, niet tijdig of niet volledig aan haar verplichtingen als bedoeld onder 1, heeft voldaan, wordt zij geacht in verzuim te zijn, zonder dat enigerlei ingebrekestelling zijdens de stichting is vereist. Het in dit artikel gestelde leidt uitzondering voorzover het besluit, c.q. de besluiten van de Minister van Economische Zaken, waarop de hiervoor vermelde verplichtingen van Frima zijn gebaseerd, door de bevoegde rechter zijn geschorst, zulks voor de duur van die schorsing.
3. De stichting verplicht zich jegens Frima, die deze verplichting aanvaardt, voor tijdige en volledige voldoening zorg te dragen van het bedrag, c.q. van die bedragen, die aan (een) derde(n) toekom(t)(en) uit hoofde van een door hem (hen) jegens Frima ingestelde vordering wegens schadevergoeding als gevolg van bodemdaling door de winning van steenzout door Frima, voorzover dit blijkt uit een door deze derde(n) aan de stichting te overleggen:
a. op schrift gestelde verklaring van of een overeenkomst met Frima, waaruit blijkt, dat Frima de door de derde(n) gestelde schade erkent of
b. in kracht van gewijsde gegaan vonnis van een burgerlijke rechter of, indien een overeenkomst tussen Frima en de derde(n) daarin voorziet, een in kracht van gewijsde gegane uitspraak van een arbiter of een verbindend advies, waaruit blijkt, dat Frima gehouden is de gestelde schade te vergoeden.
Aldus overeengekomen te Harlingen, op ........................ 1998.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-1998-150-p6-SC15094.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.