Landbouwkwaliteitsregeling boter

«Landbouwkwaliteitswet»

21 juli 1998

Nr. J. 986643

Directie Juridische Zaken

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

Gelet op artikel 15, vierde lid, van de Landbouwkwaliteitswet, alsmede de artikelen 2, 4, 5 en 6 van het Landbouwkwaliteitsbesluit zuivelproducten;

Besluit:

Hoofdstuk 1 Algemeen

Artikel 1

1. In deze regeling wordt verstaan onder:

a. besluit: Landbouwkwaliteitsbesluit zuivelproducten;

b. reglement: reglement als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel e, van de wet;

c. boter: de emulsie van het type water in olie met een melkvetgehalte van ten minste 80% en minder dan 90%;

d. koemelk: het door het melken van één of meer koeien verkregen product, zonder dat daaraan stoffen zijn toegevoegd of onttrokken.

2. In deze regeling wordt onder bereiden mede verstaan het verpakken van boter.

Artikel 2

Boter waarvoor een bij artikel 4 vastgesteld merk wordt gebruikt, voldoet aan:

a. de bij deze regeling gestelde eisen, en

b. de eisen die gelijk zijn aan de eisen voor boter en de bereiding ervan gesteld op basis van andere wet- en regelgeving.

Artikel 3

Het Hoeveelheidsaanduidingenbesluit (Warenwet) is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat wordt verstaan onder:

a. keuringsambtenaren: de personen, die door het COKZ zijn belast met toezicht op het bij of krachtens dat besluit bepaalde dan wel de keuringsambtenaren, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Hoeveelheidsaanduidingenbesluit (Warenwet);

b. het hoofd van de bevoegde dienst: de directeur van het COKZ dan wel het hoofd van de bevoegde dienst, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Hoeveelheidsaanduidingenbesluit (Warenwet);

c. erkenning dan wel voorlopige erkenning: vergunning dan wel voorlopige vergunning.

Hoofdstuk 2 Het rijksmerk

Artikel 4

1. Als merk als bedoeld in artikel 2 van het besluit, worden de in de bijlage afgebeelde rijksmerken voor boter vastgesteld.

2. De rijksmerken voor boter worden overeenkomstig de in de bijlage weergegeven afbeeldingen, met dezelfde vorm en afmetingen als voor de onderscheiden merken is vermeld, gedrukt in een met de achtergrond contrasterende kleur.

3. Het rijksmerk voor boter wordt aangebracht op de verpakking of een uitsluitend bij de desbetreffende partij behorend handelsdocument.

Artikel 5

Het door het COKZ met toezicht en keuring belaste personeel is bevoegd een rijksmerk te verwijderen of te doen verwijderen van boter die niet voldoet aan de bij deze regeling gestelde eisen.

Hoofdstuk 3 Keuring

Artikel 6

1. Boter die is bestemd om als zodanig te worden verhandeld, is aan een keuring onderworpen tijdens of in aansluiting op de bereiding overeenkomstig het bij reglement bepaalde.

2. De keuring heeft betrekking op de bij deze regeling gestelde eisen.

Artikel 7

Het COKZ stelt, voor de vaststelling of boter of de grondstoffen daarvan voldoen aan het bij deze regeling bepaalde, bij reglement methoden van monsterneming en onderzoek vast.

Hoofdstuk 4 Bepalingen inzake kwaliteit

Artikel 8

Boter wordt slechts bereid uit één of meer van de volgende grondstoffen:

a. koemelk;

b. room of geheel of gedeeltelijk ontroomde melk, rechtstreeks verkregen uit de onder a bedoelde melk;

c. melkvet, al dan niet gefractioneerd door middel van kristallisatie;

d. boter;

e. water.

Artikel 9

1. Room en al dan niet geheel of gedeeltelijk ontroomde melk die geen of slechts een niet-pasteuriserende warmtebehandeling hebben ondergaan en die worden gebezigd of bestemd zijn om te worden gebezigd voor de bereiding van boter, voldoen aan de volgende eisen:

a. de fosfatase-activiteit heeft een voor de grondstof normale waarde;

b. de zuurtegraad, in geval van room berekend op het vetvrije product, bedraagt ten hoogste 20 mmol NaOH per liter, tenzij het gehalte aan lactaten ten hoogste 200 mg per 100 g vetvrije droge stof bedraagt.

2. Room en al dan niet geheel of gedeeltelijk ontroomde melk, die een pasteuriserende warmtebehandeling hebben ondergaan en die worden gebezigd of bestemd zijn te worden gebezigd voor de bereiding van boter, voldoen aan de volgende eisen:

a. fosfatase-activiteit is niet aantoonbaar, tenzij peroxidase-activiteit niet aantoonbaar is;

b. de zuurtegraad, in geval van room berekend op het vetvrije product, bedraagt ten hoogste 20 mmol NaOH per liter, tenzij het gehalte aan lactaten ten hoogste 200 mg per 100 g vetvrije droge stof bedraagt;

c. coli-achtige micro-organismen zijn in 0,01 ml niet aantoonbaar.

3. Melkvet dat wordt gebezigd of bestemd is te worden gebezigd voor de bereiding van boter, voldoet aan de volgende eisen:

a. het vetgehalte bedraagt ten minste 99,6%;

b. het vochtgehalte bedraagt ten hoogste 0,3%;

c. coli-achtige micro-organismen zijn in 1,0 ml vloeibaar gemaakt product niet aantoonbaar;

d. het aantal aeroob kweekbare micro-organismen bedraagt ten hoogste 100 per g;

e. het kopergehalte bedraagt ten hoogste 0,02 mg per kg;

f. het ijzergehalte bedraagt ten hoogste 0,20 mg per kg;

g. het peroxide-getal is ten hoogste 0,20 milli-equivalenten peroxide-zuurstof per kg vet;

h. het gehalte aan vrij-vetzuur, berekend als oliezuur, bedraagt ten hoogste 0,30%.

Artikel 10

Bij de bereiding van boter mogen worden toegevoegd:

a. additieven overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de Warenwet;

b. zout;

c. cultures van niet genetisch gemodificeerde melkzuurvormende micro-organismen en componenten van uitsluitend op basis van koemelkbestanddelen bereide cultures van niet genetisch gemodificeerde melkzuurvormende micro-organismen.

Artikel 11

1. Boter is bereid volgens een zodanig proces dat de boter voldoet aan het bij deze regeling bepaalde.

2. Boter heeft de volgende eigenschappen:

a. de geur en de smaak zijn goed en voor de soort specifiek;

b. het uiterlijk is gelijkmatig van kleur en bevat geen harde gele stukjes en is niet korrelig of onvoldoende bewerkt;

c. de consistentie is niet brokkelig, hard of anderszins onvoldoende smeerbaar en niet overwerkt, zalvig, zacht of anderszins onvoldoende stevig met dien verstande dat het stevigheidscijfer bij 14oC minimaal 15 en maximaal 50 is voor boter verpakt in eenheden tot 1,0 kg;

d. de vochtverdeling is zodanig dat het losvochtcijfer ten hoogste 1 bedraagt;

e. fosfatase-activiteit is niet aantoonbaar, tenzij peroxidase-activiteit niet aantoonbaar is;

f. coli-achtige micro-organismen zijn in 0,1 ml vloeibaar gemaakt product niet aantoonbaar;

g. het aantal gisten en schimmels is ten hoogste 500 per g;

h. het kopergehalte bedraagt ten hoogste 0,05 mg per kg.

Artikel 12

1. Boter wordt onmiddellijk na het bereiden verpakt.

2. Boter bevindt zich in een verpakking die de kwaliteit van de boter niet in ongunstige zin beïnvloedt of kan beïnvloeden.

3. Verpakkingsmateriaal dat boter direct omhult voldoet, al dan niet in combinatie met een verpakking, anders dan een verzendverpakking, aan de volgende eisen:

a. van goede kwaliteit en voldoende stevigheid;

b. goed verzorgd;

c. bevat geen stoffen of laat geen stoffen door, welke de kleur, de reuk of de smaak van de boter kunnen beïnvloeden;

d. de waterdampdoorlaatbaarheid is bij 25oC en bij een verschil in relatieve vochtigheid van 75% tot 0% maximaal 3,0 g/m2/24 uur;

e. laat van het licht van het golflengtegebied tussen 300 en 700 nm ten hoogste 2% door;

f. bestand tegen inwerking van vet en vocht;

g. het gehalte aan van de binnenzijde van het verpakkingsmateriaal extraheerbaar koper is niet hoger dan 15 (g/250 cm2.

Artikel 13

Boter wordt niet:

a. opgeslagen of opgeslagen gehouden op zodanige wijze dat het behoud van de kwaliteit niet redelijkerwijs is gewaarborgd;

b. vervoerd op zodanige wijze dat het behoud van de kwaliteit niet redelijkerwijs is gewaarborgd.

Hoofdstuk 5 Slotbepalingen

Artikel 14

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 augustus 1998 en vervalt met ingang van 1 januari 2004, met dien verstande dat de overeenkomstig de Landbouwkwaliteitsregeling boterproducten geproduceerde rijksmerken nog mogen worden gebruikt tot zes maanden na de inwerkingtreding van deze regeling.

Artikel 15

Deze regeling wordt aangehaald als: Landbouwkwaliteitsregeling boter.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.


’s-Gravenhage, 21 juli 1998. De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
J.J. van Aartsen.

Bijlage bij artikel 4

Rijksmerk voor boter

Te gebruiken voor:

- verpakkingseenheden van meer dan 1000 g;

- verzendverpakkingen.

Te gebruiken voor:

1. verpakkingseenheden van 1000 g en minder, met dien verstande dat:

a. voor verpakkingseenheden tot en met 25 g de afbeelding tot de helft mag worden verkleind;

b. voor verpakkingseenheden van meer dan 500 g de afbeelding anderhalf maal moet worden vergroot;

2. handelsdocumenten.

Toelichting

Algemeen

De onderhavige regeling strekt tot uitvoering van het Landbouwkwaliteits-besluit zuivelproducten (hierna: het besluit). In het besluit wordt een basis gegeven voor regelgeving betreffende kwaliteitseisen voor zuivelproducten. Het besluit kent de volgende hoofdpunten:

- het verplichte systeem van aansluiting voor alle boterproducenten bij het COKZ is vervangen door een vrijwillig systeem, waarin boterproducenten kunnen kiezen voor het al dan niet gebruik maken van een krachtens het besluit vastgesteld rijksmerk voor boter; het vrijwillige systeem is toegankelijk voor zowel Nederlandse producenten als producenten uit andere landen;

- krachtens het besluit worden voorwaarden gesteld voor het verkrijgen van het rijksmerk voor boter; deze voorwaarden kunnen onder andere betrekking hebben op het gebruik van grondstoffen, de be- en verwerkingswijze, de aanduiding of de verpakking;

- het rijksmerk voor boter wordt alleen uitgereikt indien boter aan de krachtens het besluit omschreven voorwaarden voldoet;

- de Stichting Centraal Orgaan voor Kwaliteitsaangelegenheden in de Zuivel (hierna: COKZ) ziet toe op het juiste gebruik van het rijksmerk voor boter.

De onderhavige regeling geeft concrete invulling aan het besluit. De aanleiding voor het opstellen van zowel het Landbouwkwaliteitsbesluit zuivelproducten als de onderhavige regeling is tweeërlei. Ten eerste heeft in 1995 de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij in de nota Dynamiek en Vernieuwing (kamerstukken II 1994/95 24 140 nrs. 1-2) als één van de uitgangspunten van het beleid gekozen dat door onder andere het stimuleren van innovatie verschillende sectoren in staat dienen te worden gesteld hun concurrentiepositie te versterken. Een tweede ontwikkeling is ingezet met het project Marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit (hierna: MDW). Hiermee wordt beoogd om een nieuwe, krachtige impuls te geven aan een moderne samenleving en aan een economische structuur waarin inventiviteit en creativiteit beter worden benut. In het plan van aanpak (kamerstukken II 1994/95, 24 036, nr. 1) is onder meer aangegeven dat regelen die de ontplooiing van burgers belemmeren en het bedrijfsleven onnodig belasten, zullen worden verminderd en vereenvoudigd, waarbij de kwaliteit van de wetgeving verder zal worden verbeterd. De overgang van een verplicht naar een vrijwillig kwaliteitssysteem voor boter vloeit voort uit bovengenoemde ontwikkelingen.

De Landbouwkwaliteitsregeling boterprodukten is aan de hierboven omschreven beleidsvoornemens getoetst. Hierbij is gebleken dat de regeling op sommige punten te beperkend of te gedetailleerd is. Ook regelt deze regeling een aantal zaken die, volgens de uitgangspunten van het MDW-project, de verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven behoren te zijn. Dit heeft geleid tot de opstelling van onderhavige sterk gedereguleerde en in omvang beperkte Landbouwkwali-teitsregeling boter. Deze regeling vervangt de Landbouwkwaliteitsregeling boterprodukten.

De onderhavige regeling geeft de mogelijkheid een zogenaamd rijksmerk te gebruiken voor boter. Voordat boter van een rijksmerk kan worden voorzien, moet het voldoen aan de basiseisen op het gebied van onder meer volksgezondheid en veiligheid, die met name in de Warenwet zijn neergelegd. Daarnaast moet het product ook voldoen aan de eisen met betrekking tot de extra kwaliteit van boter, die in de onderhavige regeling zijn neergelegd. Met het rijksmerk zal een producent op eenvoudige wijze aan kunnen tonen dat de boter van een goede en gegarandeerde kwaliteit is. Dit zal de handel in boter met een rijksmerk bevorderen.

Bij het vaststellen van het merk en het bepalen van de regels met betrekking tot de kwaliteitsaspecten van boter is de Landbouwkwaliteitsrege-ling boterprodukten als referentiekader gekozen. Alleen voorschriften die aanvullende eisen bevatten ten opzichte van de Warenwet en de Europese regelgeving en die noodzakelijk zijn voor de kwaliteit van boter zijn uitgeschreven in de nieuwe regelgeving. Onderwerpen, die niet langer in de Landbouwkwaliteitsregeling boter voorkomen zijn bij voorbeeld bepalingen met betrekking tot bedrijfsruimten, een aantal hygiëne-eisen en een aantal etiketteringsvoorschriften. Veelal bestaat voor deze onderwerpen een algemene regeling op basis van de Warenwet, bij voorbeeld op het gebied van etikettering het Warenwetbesluit Etikettering van levensmiddelen. Ook zijn minder gedetailleerde voorschriften over bij voorbeeld verpakkingen opgenomen. Verder is, ten opzichte van de Landbouwkwaliteitsregeling boterprodukten, het aantal producten waarvoor een rijksmerk ter beschikking wordt gesteld, beperkt tot boter. Boter is over het algemeen een product met een aanzienlijk exportbelang. Er zijn echter boterproducten die niet een zodanig exportbelang vertegenwoordigen dat de export van deze producten met behulp van een publiekrechtelijk kwaliteitsstelsel en een daarbij behorend rijksmerk moet worden ondersteund. Voorbeelden van boterproducten die niet langer voor een publiekrechtelijk kwaliteitstelsel in aanmerking komen zijn halfvolle boter en melkvet.

De hierboven omschreven keuze om alleen voor boter een rijksmerk ter beschikking te stellen, betekent dat voor een aantal producten die in het verleden van een rijksmerk waren voorzien, nu geen rijksmerk ter beschikking wordt gesteld. Indien aan een kwaliteitsgarantiemerk behoefte bestaat, kunnen private kwaliteitssystemen voor de producten waarvoor geen rijksmerk meer ter beschikking wordt gesteld, worden ontwikkeld. Het niet langer ter beschikking stellen van een rijksmerk voor deze producten kan voor de betrokken producenten kosten met zich meebrengen. Te denken valt hierbij aan de kosten voor het ontwikkelen en onderhouden van privaatrechtelijke merken.

Ook producenten, die in het verleden een rijksmerk voerden en er voor kiezen dit onder de nieuwe regeling voort te zetten, krijgen te maken met veranderingen. De onderhavige regeling stelt, waar het binnen het voorgeschreven kwaliteitsniveau mogelijk is, normen die niet in detail zijn ingevuld. Ook worden op een aantal punten geheel geen normen meer gesteld. Producenten die een rijksmerk willen voeren zullen keuzes moeten maken op punten die de onderhavige regeling niet in detail voorschrijft. De eisen in de regeling die nog wel gedetailleerd zijn ingevuld, zijn zodanig dat een producent die voor de inwerkingtreding van deze regeling een rijksmerk voerde voor een product waarvoor ook nu nog een rijksmerk is vastgesteld, zonder extra investeringen in het productieproces het rijksmerk kan blijven gebruiken.

Deze regeling is voor advies voorgelegd aan onder meer het COKZ, het Produktschap Zuivel (hierna: PZ), de Nederlandse Zuivel Organisatie (hierna: NZO), het Gemeenschappelijk Zuivelsekretariaat en het Regulier Overleg Warenwet. De adviezen steunen op hoofdlijnen de opzet van de nieuwe Landbouwkwaliteitsregeling voor boter. De technische opmerkingen over de onderhavige regeling zijn, voor zover mogelijk, verwerkt. Het COKZ, het PZ en de NZO gaan in de adviezen nog in op een aantal beleidsmatige punten. Een belangrijk punt betreft de mogelijkheden voor het COKZ om te controleren op het productieproces. In dit verband adviseert het COKZ de borging van het productieproces verplicht te stellen. Ik ben echter van mening dat de borging van het productieproces een zaak is die tot de verantwoordelijkheid van individuele bedrijven behoort, en derhalve niet in deze regeling verplicht dient te worden gesteld (zie verder artikelsgewijze toelichting bij artikel 11).

De ontwerp-regeling is op 15 december 1997 gemeld aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen ter voldoening aan artikel 8, eerste lid, van richtlijn nr. 83/189/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (PbEG L 109) onder nummer 97/0854/NL. De in dit kader ontvangen opmerkingen zijn in de regeling zoveel mogelijk verwerkt.

Tevens heeft op 3 februari 1998 melding plaatsgevonden aan het Secretariaat van de Wereld Handelsorganisatie, ter voldoening aan artikel 2, negende lid, van de op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (Trb. 1994/235) onder nummer G/TBT/98.60. In dit kader zijn geen opmerkingen ontvangen.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1

De begripsbepaling van boter is gebaseerd op verordening (EG) nr. 2991/94 van de Raad van de Europese Unie van 5 december 1994 tot vaststelling van normen voor smeerbare vetprodukten (PbEG L 316).

In het tweede lid wordt, op basis van artikel 1, tweede lid, van het besluit, het begrip bereiden uitgebreid met het verpakken van boter. Het verpakken van boter kan invloed hebben op de kwaliteit van boter. Het begrip verpakken heeft niet alleen betrekking op de eerste keer dat een product verpakt wordt, maar kan ook betrekking hebben op de situatie dat een verpakt product van een nieuwe verpakking (bij voorbeeld voor kleinere hoeveelheden) wordt voorzien.

Artikel 2

Door deze bepaling heeft de in het besluit aangewezen controle-instelling, de Stichting Centraal Orgaan voor Kwaliteitsaangelegenheden in de Zuivel (hierna: COKZ), de taak om niet alleen te controleren of boter aan de in deze regeling neergelegde eisen voldoet, maar om ook te controleren of boter aan de op basis van andere regelgeving hiervoor geldende eisen voldoet.

Artikel 3

Het Hoeveelheidsaanduidingenbesluit (Warenwet) geeft, in tegenstelling tot andere Warenwetbesluiten, strikt aan wie de controle op dit besluit uitvoeren, te weten de ambtenaren die belast zijn met de opsporing van de overtredingen van de voorschriften, gesteld bij of krachtens de Warenwet. Om ook op dit punt het COKZ controlebevoegdheid te geven, wordt, in aanvulling op artikel 2, het Hoeveelheidsaanduidingenbesluit (Warenwet) in dit artikel van overeenkomstige toepassing verklaard met inachtneming van een aantal afwijkende definities. Dit is een voortzetting van de huidige situatie in de regelgeving en in de controlepraktijk.

Artikel 4

Met dit artikel worden in een bijlage de rijksmerken vastgesteld. Het rijksmerk voor boter is gelijk aan het huidige rijksmerk met dien verstande dat het woord ’Holland’ niet meer in het rijksmerk voorkomt. In vergelijking met de voorgaande regelgeving op dit punt, zijn de mogelijkheden om het rijksmerk aan te brengen, verruimd. Het rijksmerk voor boter mag behalve op de verpakking, nu ook op de handelsdocumenten worden aangebracht, mits deze handelsdocumenten duidelijk verwijzen naar de gecontroleerde partij.

Artikel 8 en 9

In deze artikelen wordt omschreven welke grondstoffen voor boter mogen worden gebruikt en aan welke eisen deze grondstoffen moeten voldoen. De opsomming van grondstoffen is limitatief, dat wil zeggen dat uitsluitend de in artikel 8, eerste lid, genoemde grondstoffen mogen worden gebruikt. Waar in het eerste lid over boter wordt gesproken, wordt uiteraard bedoeld boter die in aanmerking komt voor een rijksmerk.

Artikel 11

Dit artikel bevat de kern van de onderhavige regeling. In dit artikel worden op een aantal aspecten kwaliteitseisen gesteld aan het product boter. Deze eisen zijn waar noodzakelijk gedetailleerd van aard. Voorbeelden van onderwerpen die zich lenen voor gedetailleerde normen zijn onder meer microbiële eisen, samenstellingseisen en bepalingen met betrekking tot verontreinigingen. Daarnaast is er een aantal eisen met een meer globaal karakter, omdat het voor het kwaliteitsniveau niet noodzakelijk is deze eisen nader te detailleren. Voorbeelden van deze algemene eisen zijn bepalingen omtrent de kleur, geur, smaak en uiterlijk.

Het uitgangspunt is dat individuele bedrijven zelf verantwoordelijk zijn voor het productieproces waarmee aan de gestelde producteisen kan worden voldaan. Zij hebben de keuzevrijheid om private borgingssystemen op te zetten. Het COKZ kan in zijn keuringsinspanningen rekening houden met een borgingssysteem dat door een bedrijf wordt gehanteerd. Door een goed borgingssysteem kan immers de keuringslast verschuiven van het eindproduct naar het productieproces. Bepalend voor de vraag of een producent een rijksmerk mag voeren, zal in alle gevallen evenwel de kwaliteit van het eindproduct zijn.

Artikel 12

Als sluitstuk van de bepalingen inzake de kwaliteit van boter is een artikel met betrekking tot verpakkingen opgenomen. In aanvulling op de verpakkingsvoorschriften in de Warenwet worden enkele bepalingen gegeven die specifiek de kwaliteit van verpakte boter garanderen.

Artikel 13

Boter wordt tijdens of direct in aansluiting op de bereiding gekeurd. Op dat moment wordt bepaald of boter voor een rijksmerk in aanmerking komt. Echter, ook na het moment van keuring kan de kwaliteit van boter nog beïnvloed worden. Factoren die van invloed kunnen zijn op de kwaliteit van boter zijn onder meer de condities van opslag en transport. In dit artikel wordt dan ook, in aanvulling op het Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen, opgenomen dat ook tijdens opslag en transport de kwaliteit van boter gehandhaafd moet blijven. Indien de opslag en het vervoer van boter geschiedt door niet-aangeslotenen bij het COKZ, kan de AID op deze voorschriften controleren.

Artikel 14

Dit artikel regelt het tijdelijke karakter van deze regeling. Reden van deze horizonbepaling is dat bij het dereguleringstraject van de zuivelregelgeving altijd het einddoel is geweest dat het zuivelbedrijfsleven zelf een goede kwaliteit waarborgt en deze kwaliteit kenbaar kan maken met privaatrechtelijke systemen. Dit vloeit mede voort uit het rapport van de MDW-werkgroep levensmiddelenwetgeving (zie inleiding). Het plotseling afschaffen van de regelgeving zoals die voorheen gold, zou echter de exportpositie van boter in gevaar kunnen brengen. Als overgangsregime is gekozen voor een tijdelijke, sterk vereenvoudige regeling. Ondersteund door deze regelgeving kan het zuivelbedrijfsleven, indien wenselijk, toewerken naar private kwaliteitssystemen voor boter. De verwachting is dat in 2003 deze systemen voldoende kunnen zijn ontwikkeld en bekendheid in de markt hebben verkregen. Alsdan kan de publiekrechtelijke regelgeving ten aanzien van kwaliteitsaspecten vervallen.

Tevens is, gelet op de thans nog bestaande voorraden ’oude’ rijksmerken, voorzien in een overgangsregeling voor het gebruik van deze, overeenkomstig de Landbouwkwaliteits- regeling boterproducten geproduceerde rijksmerken.

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

J.J. van Aartsen.

Naar boven