IJkregeling benzinepompen

«IJkwet»

11 december 1997

nr. 97072515 WJA/W

De Minister van Economische Zaken,

Gelet op de artikelen 13, vierde lid, en 28 van de IJkwet en artikel 2, tweede lid, van het IJkreglement;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

wet: de IJkwet;

vloeistofmeters: de vloeistofmeters, bedoeld in artikel 1 van de IJkregeling vloeistofmeters, voor zover deze deel uitmaken van een benzinepomp;

vloeistofmeetinstallaties: de meetwerktuigen, die naast een vloeistofmeter alle inrichtingen omvatten die een juiste meting verzekeren of het gebruik vergemakkelijken, alsmede alle andere inrichtingen, die de meting op enigerlei wijze kunnen beïnvloeden;

L.P.G.: onder druk vloeibaar gehouden propaan, butaan of een mengsel dat hoofdzakelijk bestaat uit propaan en butaan;

brandstoffen: vloeibare brandstoffen, niet zijnde L.P.G.;

benzinepompen: vloeistofmeetinstallaties, voorzien van een eigen toevoersysteem dan wel bestemd om te worden aangesloten op een centraal toevoersysteem, bestemd voor het afleveren van brandstoffen aan:

a. motorvoertuigen voor het wegverkeer;

b. pleziervaartuigen en kleine vliegtuigen, met uitzondering van de vloeistofmeetinstallaties met een maximaal meetvermogen van meer dan 150 l/min;

onderzoek tot toelating van een model: het onderzoek, bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de wet;

keuring: de keuring, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de wet;

herkeuring: de herhaalde keuring, bedoeld in artikel 11, vierde lid, van de wet;

toezicht: het onderzoek, bedoeld in artikel 29c, eerste lid, van de wet;

verklaring van toelating: de verklaring, bedoeld in artikel 11a, tweede lid, van de wet;

ijkmerk: het ijkmerk, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet;

zegelmerk: het eerste deel van het ijkmerk;

aflevering: het afleveren van brandstof door een benzinepomp;

afnemer: degene, aan wie brandstof wordt afgeleverd;

kleinste afleveringshoeveelheid: de kleinste hoeveelheid vloeistof die ingevolge hoofdstuk 2 met een benzinepomp mag worden gemeten;

nulstelinrichting: een hulpinrichting, waarmee de aanwijsinrichting van een benzinepomp met de hand of automatisch in de nulstand kan worden gebracht;

voorinstelinrichting: een hulpinrichting, waarmee de door een benzinepomp te meten hoeveelheid kan worden ingesteld en die de vloeistofstroom automatisch onderbreekt, nadat de ingestelde hoeveelheid is gemeten;

zelfbedieningsinrichting: een hulpinrichting, bestemd om in plaats van de leverancier van de brandstof de afnemer van de brandstof zelve de aflevering van brandstof door een benzinepomp te laten verzorgen;

ontluchtingsinrichting: een inrichting, met behulp waarvan lucht of gassen die zich in een vloeistof kunnen bevinden, maar daarin niet zijn opgenomen, worden verwijderd;

luchtafscheider: een ontluchtingsinrichting, met behulp waarvan de lucht of de gassen voortdurend worden afgescheiden en door middel van een daartoe geschikte inrichting worden afgevoerd;

ontluchter: een ontluchtingsinrichting, die bestemd is om de lucht of de gassen, die zich in de toevoerleiding van een vloeistofmeter in de vorm van in geringe mate met vloeistof vermengde lucht- of gasbellen hebben opgehoopt, af te voeren;

speciale ontluchter: een ontluchtingsinrichting, waarmee enerzijds de lucht of de gassen voortdurend worden afgescheiden en die anderzijds de doorstroming van de vloeistof automatisch onderbreekt zodra er gevaar bestaat dat een ontoelaatbare hoeveelheid lucht of gas in een vloeistofmeter doordringt;

gasverklikker: een inrichting, met behulp waarvan in de doorstromende vloeistof aanwezige lucht- of gasbellen gemakkelijk kunnen worden gesignaleerd;

meetgrens: het punt, dat de begrenzing vormt van de door een benzinepomp afgeleverde hoeveelheid vloeistof, en welke zich, in de stromingsrichting gezien, bevindt na de vloeistofmeter;

filter: een inrichting, die geschikt is voor het opvangen van vaste verontreinigingen in een vloeistof;

kubieke uitzettingscoëfficiënt: de relatieve verandering van het volume als gevolg van een verandering van de temperatuur.

Artikel 2

Indien twee of meer vloeistofmeters in combinatie met gemeenschappelijke inrichtingen werken, worden voor de toepassing van deze regeling telkens als één benzinepomp beschouwd:

a. elke afzonderlijke vloeistofmeter, telkens tezamen met de gemeenschappelijke inrichtingen, indien:

1°.de vloeistofmeters voor verschillende meethandelingen zijn bestemd, en

2°.de verschillende meethandelingen gelijktijdig kunnen plaatsvinden;

b. alle vloeistofmeters gezamenlijk, tezamen met de gemeenschappelijke inrichtingen, indien de vloeistofmeters voor dezelfde meethandelingen zijn bestemd dan wel indien:

1°.de vloeistofmeters voor verschillende meethandelingen zijn bestemd,

2°.de verschillende meethandelingen niet gelijktijdig kunnen plaatsvinden, en

3°.alle meethandelingen het bevoorraden met brandstoffen inhouden;

c. de vloeistofmeters voor brandstoffen gezamenlijk, tezamen met de gemeenschappelijke inrichtingen, indien:

1°.de vloeistofmeters voor verschillende meethandelingen zijn bestemd,

2°.de verschillende meethandelingen niet gelijktijdig kunnen plaatsvinden, en

3°.niet alle meethandelingen het bevoorraden met brandstoffen inhouden.

Artikel 3

De bepalingen van deze regeling moeten wat betreft benzinepompen in acht worden genomen bij:

a. het onderzoek tot toelating van een model;

b. de keuring;

c. de herkeuring;

d. het onderzoek, bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de wet;

e. het toezicht.

Artikel 3a

Met de benzinepompen, die de in artikel 10, eerste lid, van de wet, bedoelde keuring hebben ondergaan, worden gelijkgesteld benzinepompen, die in een andere lid-staat van de Europese Unie dan wel in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte rechtmatig zijn geproduceerd of in de handel zijn gebracht en die door een gelijkwaardige, door die andere staat erkende instantie zijn gekeurd, mits bij de keuringen aan gelijkwaardige eisen is voldaan.

Hoofdstuk 2. Technische voorschriften

Titel 1. Vloeistofmeters

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 4

Onverminderd hetgeen overigens in deze regeling is bepaald, is op vloeistofmeters en daarbij behorende hulpinrichtingen de IJkregeling vloeistofmeters van toepassing.

Artikel 5

De vloeistofmeters zijn niet afzonderlijk aan een onderzoek tot toelating van een model of aan keuring onderworpen en behoeven geen voorziening te hebben voor het aanbrengen van een ijkmerk.

Artikel 6

De volume-aanwijsinrichting van de vloeistofmeter moet voorzien zijn van een nulstelinrichting en een volumetotalisator.

Artikel 7

1. Indien de vloeistofmeter is uitgerust met een afdrukinrichting, moet het afdrukmechanisme met de nulstelinrichting van de volume-aanwijsinrichting zijn verbonden.

2. Het afdrukmechanisme moet na het afdrukken de controle van de afdruk door vergelijking met de aangegeven hoeveelheid mogelijk maken.

Artikel 8

De vloeistofmeters behoeven geen eigen opschriftenplaat te dragen.

Artikel 9

1. Indien het toevoersysteem van een benzinepomp door een elektromotor wordt aangedreven, moet een inrichting aanwezig zijn, die voorkomt dat na beëindiging van de aflevering een nieuwe aflevering plaatsvindt, indien nog geen nulstelling heeft plaatsgevonden.

2. Tijdens de aflevering moet nulstelling onmogelijk zijn.

3. Indien de vloeistofmeter is uitgerust met een voorinstelinrichting voor volume of prijs dan wel een combinatie van beide, mag de aflevering worden onderbroken en opnieuw voortgezet zolang de tevoren ingestelde waarde nog niet is bereikt.

Artikel 10

1. Indien de kleinste afleveringshoeveelheid niet meer bedraagt dan 2 liter, behoeft deze niet op de telwerkplaat van de vloeistofmeter te worden vermeld.

2. De waarde van de afdrukeenheid behoeft niet op de afdrukinrichting van de vloeistofmeter te zijn vermeld.

Paragraaf 2. Bijzondere bepalingen voor vloeistofmeters met elektronische inrichtingen

Artikel 11

Deze paragraaf is slechts van toepassing op benzinepompen waarvan een vloeistofmeter met elektronische inrichtingen deel uitmaakt.

Artikel 12

De correctie-inrichting van de vloeistofmeter mag niet willekeurig buiten werking kunnen worden gesteld en niet willekeurig aan de meetomstandigheden kunnen worden aangepast.

Artikel 13

1. Het in werking stellen van een alarmsignaal moet tot gevolg hebben dat de pompmotor van de benzinepomp wordt uitgeschakeld.

2. Na een alarmsignaal mag een nieuwe aflevering slechts kunnen aanvangen door middel van een handeling die gelijk is aan de handeling die onder normale gebruiksomstandigheden zou worden verricht.

Artikel 14

1. De automatische controle, die door de verwerkingseenheid wordt uitgevoerd op de door het metend gedeelte aangeboden informatie, mag niet buiten werking worden gesteld.

2. De fouten, die worden vastgesteld door middel van de automatische controle, bedoeld in het eerste lid, mogen tijdens de aflevering niet tot nul worden vereffend.

Artikel 15

1. Gedurende een aflevering mag de verwerking van de door het metend gedeelte aangeboden informatie niet worden verhinderd.

2. De aanwijzing van een hoeveelheid, gelijk aan de kleinste afleveringshoeveelheid, en de prijs daarvan mag aan het begin van een aflevering worden onderdrukt.

Artikel 16

Voordat een aflevering een aanvang kan nemen, moet een automatische controle op het juist functioneren van de componenten van de aanwijsinrichting worden uitgevoerd, die achtereenvolgens inhoudt dat alle elementen:

a. ten minste 0,5 seconde blank zijn;

b. 0,5 seconde het cijfer 8 aanwijzen;

c. het cijfer 0 aanwijzen, met uitzondering van de elementen, die dienen voor de aanwijzing van de prijs per eenheid van volume.

Artikel 17

Gedurende 5 minuten na een onderbreking van de voedingsspanning moet het meetresultaat zonder onderbrekingen nog ten minste 1 minuut aangewezen worden.

Artikel 18

Indien de voedingsspanning na een spanningsonderbreking wordt hersteld, moet de onderbroken aflevering zijn beëindigd op de wijze die gebruikelijk is voordat een nieuwe aflevering een aanvang kan nemen.

Artikel 19

Indien een aanwijsinrichting functioneert voor meerdere metende gedeelten, moet gelijktijdig bij de aanwijzing worden aangegeven op welk metend gedeelte de aanwijzing betrekking heeft door middel van:

a. de vermelding van de naam van het betrokken product, of

b. een aanduiding van het betrokken product, welke verband houdt met de naam van het product.

Artikel 20

1. Indien de elementen van een aanwijsinrichting naast het aanwijzen van het volume tevens zijn bestemd om andere grootheden of gegevens aan te wijzen, mogen die grootheden of gegevens slechts worden aangewezen zolang geen aflevering plaatsvindt.

2. Tot het tijdstip waarop de volgende aflevering een aanvang neemt, moet het meetresultaat van de laatste aflevering kunnen worden aangewezen.

Artikel 21

1. Een benzinepomp moet zijn voorzien van een mechanische volumetotalisator of van een elektronische volumetotalisator die een automatische controle uitvoert op het juist functioneren van de totalisator en op wijzigingen in de stand van de totalisator die niet het gevolg zijn van gemeten volumes.

2. Indien wordt vastgesteld dat de totalisator niet juist functioneert of dat de stand van de totalisator is gewijzigd zonder dat dit het gevolg is van gemeten volumes, mogen geen nieuwe afleveringen kunnen aanvangen zolang de oorzaak niet is opgeheven.

Artikel 22

Indien een afdrukinrichting functioneert voor meerdere benzinepompen, moet op elke benzinepomp een pompnummer zijn aangebracht, dat bij de afdruk moet zijn afgedrukt.

Artikel 23

1. De aanwijzing van een vooringestelde hoeveelheid of van een vooringestelde prijs door de elementen van een aanwijsinrichting mag slechts plaatsvinden indien geen aflevering plaatsvindt.

2. Tot het tijdstip waarop een volgende aflevering een aanvang neemt moet het meetresultaat van de laatste aflevering kunnen worden aangewezen.

Artikel 24

Ingevolge deze regeling geldende voorschriften met betrekking tot herleidingsinrichtingen zijn niet van toepassing op de in deze paragraaf bedoelde vloeistofmeters.

Titel 2. Maximaal en minimaal meetvermogen

Artikel 25

Het maximale en het minimale meetvermogen van een benzinepomp mogen verschillen ten opzichte van de meetvermogens van een daarin aangebrachte vloeistofmeter, indien de meetvermogens van de benzinepomp verenigbaar zijn met de meetvermogens van de vloeistofmeter.

Artikel 26

De verhouding tussen het maximale en het minimale meetvermogen van een benzinepomp moet ten minste gelijk zijn aan 10.

Artikel 27

1. Een benzinepomp mag voorzien zijn van een inrichting waarmee de benzinepomp gedurende de meting naar een hoger maximaal meetvermogen kan worden gebracht, in welk geval het maximale meetvermogen moet worden vastgesteld op deze hogere waarde.

2. Het minimale meetvermogen moet zodanig worden vastgesteld, dat ook bij het lagere maximale meetvermogen aan artikel 26 wordt voldaan.

Titel 3. Verwijdering van lucht of gassen

Artikel 28

Indien een benzinepomp is voorzien van een eigen toevoersysteem, moet, indien mogelijk direct voor de inlaat van de vloeistofmeter, een luchtafscheider zijn aangebracht.

Artikel 29

Onverminderd het bepaalde in artikel 30 moet de luchtafscheider zodanig zijn ingericht, dat de als gevolg van de invloed van de lucht of gassen optredende extra fout van de meetresultaten bij benzinepompen, bestemd voor het afleveren van benzine en diesel, niet meer bedraagt dan 1% van de gemeten hoeveelheid, met dien verstande dat

a. bij diesel de luchttoevoer, gemeten bij atmosferische druk, niet meer bedraagt dan:

1°. 3 l/min bij benzinepompen, waarvan het maximale meetvermogen ten hoogste 60 l/min bedraagt;

2°. 5 l/min bij benzinepompen, waarvan het maximale meetvermogen meer dan 60 l/min doch ten hoogste 100 l/min bedraagt;

3°. 10 l/min bij benzinepompen, waarvan het maximale meetvermogen meer dan 100 l/min bedraagt;

b. de extra fout niet kleiner behoeft te zijn dan 1% van de kleinste afleveringshoeveelheid.

Artikel 30

Bij benzine geldt het in artikel 29, aanhef, bedoelde vereiste slechts tot een volumepercentage van de lucht ten opzichte van de benzine van ten hoogste 20%, gemeten bij atmosferische druk, mits:

a. de benzinepomp voorzien is van een gasverklikker;

b. op de benzinepomp, zo nodig aan meerdere zijden, het opschrift ’Afleveren zonder luchtbellen’ is aangebracht met een bijbehorende pijl, die wijst in de richting van de gasverklikker.

Artikel 31

Indien een benzinepomp uitsluitend lucht aanzuigt, mag er geen volume-aanwijzing plaatsvinden.

Artikel 32

1. De afvoerinrichting voor de lucht of de gassen van de luchtafscheider moet automatisch werken.

2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien de doorstroming van de vloeistof automatisch wordt onderbroken zodra er gevaar bestaat dat een ontoelaatbare hoeveelheid lucht of gas in de vloeistofmeter doordringt. In dat geval moet de meting slechts kunnen worden hervat na handmatige of automatische verwijdering van de lucht of de gassen.

Artikel 33

Indien een benzinepomp bestemd is om te worden aangesloten op een centraal of op een op afstand geplaatst toevoersysteem, moet de benzinepomp:

a. zodanig zijn ingericht, dat er in normale omstandigheden voor de vloeistofmeter geen lucht kan toetreden of geen gassen uit de vloeistof kunnen vrijkomen, of

b. zijn voorzien van een ontluchtingsinrichting ter verwijdering van lucht of gassen die aanwezig kunnen zijn voordat de vloeistof door de vloeistofmeter stroomt.

Artikel 34

Artikel 32 is van overeenkomstige toepassing op een ontluchter van een benzinepomp.

Artikel 35

1. Een ontluchter of een speciale ontluchter kan op de persleiding van een pomp zijn aangebracht of zijn gecombineerd met een benzinepomp.

2. Een ontluchter of een speciale ontluchter moet op het hoogste punt van de leiding zijn aangebracht, zo dicht mogelijk voor de vloeistofmeter.

3. Indien een ontluchter of een speciale ontluchter lager dan de vloeistofmeter wordt aangebracht, moet door middel van een terugslagklep worden voorkomen dat de leiding die de ontluchter of speciale ontluchter en de vloeistofmeter verbindt, leegloopt. De terugslagklep moet zo nodig voorzien zijn van een drukbegrenzer.

4. Indien de toevoerleiding van de vloeistofmeter meer dan één hoog punt bevat, moeten meerdere ontluchters of speciale ontluchters worden aangebracht.

Artikel 36

1. Een ontluchter of een speciale ontluchter moet bij het maximale meetvermogen van de benzinepomp een lucht- of gasbel kunnen verwijderen, die bij atmosferische druk een volume inneemt dat ten minste gelijk is aan de kleinste afleveringshoeveelheid, waarbij de daaruit voortvloeiende extra fout niet meer mag bedragen dan 1% van de kleinste afleveringshoeveelheid.

2. Een ontluchter of een speciale ontluchter moet voorts voortdurend een lucht- of gasvolume kunnen afscheiden, dat gelijk is aan 5% van de bij het maximale meetvermogen afgegeven hoeveelheid vloeistof, waarbij de daaruit voortvloeiende fout niet meer mag bedragen dan:

a. voor benzine: 0,5% van de gemeten hoeveelheid;

b. voor diesel: 1% van de gemeten hoeveelheid.

Artikel 37

Een ontluchtingsinrichting is niet vereist, indien de toevoerinrichting zodanig is ontworpen, dat zich, ongeacht de bedrijfsomstandigheden, tijdens de meting geen enkele lucht- of gasbel kan vormen of in de inlaatleiding van de vloeistofmeter kan binnendringen, mits de lucht- of gasbellen, die bij onderbreking van de meting kunnen ontstaan, in geen geval leiden tot een specifieke fout die groter is dan 1% van de kleinste afleveringshoeveelheid.

Titel 4. Filters

Artikel 38

1. In een benzinepomp moet voor de vloeistofmeter een gemakkelijk toegankelijke filter zijn ingebouwd.

2. Indien een benzinepomp is voorzien van een ontluchtingsinrichting, moet het filter voor de ontluchtingsinrichting zijn ingebouwd.

Titel 5. Gasverklikkers

Artikel 39

Een benzinepomp, die niet reeds ingevolge artikel 30 van een gasverklikker moet zijn voorzien, mag van een gasverklikker zijn voorzien, met dien verstande dat het in artikel 30, onder b, bedoelde opschrift daarbij niet mag worden aangebracht.

Artikel 40

Een gasverklikker moet, in de stromingsrichting gezien, na de vloeistofmeter zijn geplaatst.

Artikel 41

Een gasverklikker mag niet zijn voorzien van een ontluchtingsschroef of een andere ontluchtingsvoorziening.

Artikel 42

In een gasverklikker mogen inrichtingen zijn aangebracht, waarmee de vloeistofstroom zichtbaar kan worden gemaakt, mits zij het waarnemen van in de vloeistof meegevoerde lucht- of gasbellen niet beletten.

Titel 6. Vulling van een benzinepomp

Artikel 43

De vloeistofmeter en de leiding tussen de vloeistofmeter en de meetgrens moeten te allen tijde automatisch met vloeistof gevuld blijven.

Artikel 44

1. De als gevolg van temperatuurschommelingen optredende extra fout van de hoeveelheid vloeistof in de leiding tussen de vloeistofmeter en de meetgrens mag ten hoogste 1% van de kleinste afleveringshoeveelheid bedragen.

2. Het eerste lid geldt bij temperatuurschommelingen binnen:

a. 5 °C, indien het aan de omgevingstemperatuur blootgestelde leidingen betreft;

b. 2 °C, indien het geïsoleerde of ingegraven leidingen betreft, waarbij de kubieke uitzettingscoëfficiënt 0,001 per °C bedraagt.

Artikel 45

1. Een benzinepomp moet zijn voorzien van een terugslagklep, die gemonteerd is tussen de luchtafscheider en de vloeistofmeter, waarbij het door de klep veroorzaakte drukverlies verwaarloosbaar moet zijn.

2. Indien de luchtafscheider zich boven het niveau van de vloeistofmeter bevindt, mag de terugslagklep direct na de vloeistofmeter zijn aangebracht.

Artikel 46

Bij een benzinepomp moet op het uiteinde van de slang een met de hand te bedienen afsluitinrichting zijn aangebracht, die bovendien van een automatische afsluitinrichting mag zijn voorzien.

Artikel 47

Bij een benzinepomp moet het vrije uiteinde van de slang zijn voorzien van een inrichting, die verhindert dat de slang wordt geledigd wanneer er niet wordt gemeten.

Artikel 48

Indien de afsluitinrichting zich, in de stromingsrichting gezien, na de in artikel 47 bedoelde inrichting bevindt, moet de tussenruimte een volume hebben dat kleiner is dan de maximaal toelaatbare fout op de kleinste afleveringshoeveelheid van de benzinepomp.

Artikel 49

Indien de slang uit meer dan één deel bestaat, moeten deze delen zijn verbonden door:

a. een koppelingssysteem, dat zodanig is uitgevoerd, dat de delen zonder speciaal gereedschap niet los kunnen worden gemaakt, of

b. speciale koppelingen, waardoor de slang vol blijft.

Artikel 50

1. De inwendige volumetoename van een slang die is bestemd voor aansluiting op een benzinepomp mag bij de overgang van een drukloze toestand naar een druk van 2 bar effectief per meter slanglengte niet meer bedragen dan 3% van de totale slanginhoud, met dien verstande dat de inwendige volumetoename niet minder behoeft te bedragen dan 10 cm3 per meter slanglengte.

2. De inwendige volumetoename van een slang die is aangesloten op een benzinepomp mag bij de overgang van een rusttoestand naar een toestand onder pompdruk, zonder dat er een aflevering plaatsvindt, niet meer bedragen dan de maximaal toelaatbare fout op de kleinste afleveringshoeveelheid, vermeerderd met de toegelaten afwijking voor de nulaanwijzing na nulstelling.

Titel 7. Aftakkingen, omloopleidingen en andere inrichtingen

Artikel 51

Vertakkingen na de vloeistofmeter zijn slechts toegestaan, indien de aflevering:

a. niet gelijktijdig via meerdere tappunten kan geschieden, en

b. via een willekeurig tappunt slechts een aanvang kan nemen na voorafgaande nulstelling van de aanwijsinrichting.

Artikel 52

Omloopleidingen, aangebracht buiten de vloeistofmeter om, zijn niet toegestaan.

Artikel 53

Een benzinepomp moet zodanig zijn opgesteld, dat onder normale gebruiksomstandigheden de aanwijsinrichtingen goed zichtbaar zijn en gelijktijdig met een eventueel aanwezige gasverklikker kunnen worden waargenomen.

Artikel 54

Voor benzinepompen met een maximaal meetvermogen van ten hoogste 60 l/min bedraagt de kleinste afleveringshoeveelheid ten hoogste 5 liter.

Titel 8. Zelfbedieningsinrichtingen

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 55

In deze titel wordt verstaan onder:

zelfbedieningsinrichting met betaling achteraf: een zelfbedieningsinrichting, waarbij de afnemer op een tijdstip, gelegen na de aflevering en voor het verlaten van de plaats waar de aflevering geschiedt, een prijs betaalt voor de afgenomen hoeveelheid brandstof;

zelfbedieningsinrichting met betaling vooraf: een zelfbedieningsinrichting, waarbij de afnemer op een tijdstip, gelegen voor de aflevering, een prijs betaalt voor een hoeveelheid brandstof, waarvan de prijs overeenkomt met het betaalde bedrag;

zelfbedieningsinrichting met uitgestelde betaling: een zelfbedieningsinrichting, tot welke de afnemer op een tijdstip, gelegen voor de aflevering, toegang verkrijgt en waarbij hij, nadat de aflevering is geregistreerd, de plaats waar de aflevering geschiedt kan verlaten zonder voor de afgenomen hoeveelheid een prijs te hebben betaald;

vrijgave: een handeling, die de benzinepomp in een zodanige toestand brengt, dat een aanvang kan worden genomen met de aflevering;

niet-automatische vrijgave: een vrijgave, die slechts kan worden verricht op het bedieningspaneel van een zelfbedieningsinrichting met betaling achteraf;

automatische vrijgave: een vrijgave, die zelfstandig door de zelfbedieningsinrichting wordt uitgevoerd;

gereproduceerde aanwijzing: de reproductie van de aanwijzing van een benzinepomp op een zelfbedieningsinrichting;

waakhondschakeling: een schakeling, die tot doel heeft de voortgang van een computerprogramma te bewaken.

Artikel 56

1. Op een belangrijk onderdeel van een zelfbedieningsinrichting moeten op een voor dat doel bestemde opschriftenplaat zijn vermeld:

a. het nummer van de verklaring van toelating van het model waarnaar de benzinepomp, waarvan de zelfbedieningsinrichting deel uitmaakt, is vervaardigd;

b. de identificatie van de fabrikant of zijn firmanaam;

c. een type-aanduiding van de fabrikant;

d. het jaar waarin de benzinepomp, waarvan de zelfbedieningsinrichting deel uitmaakt, is vervaardigd en het fabrieksnummer;

e. de zelfbedieningsfunctie.

2. De zelfbedieningsfunctie, bedoeld in het eerste lid, onder e, moet als volgt worden vermeld:

a. bij zelfbedieningsinrichtingen met betaling achteraf: door middel van de aanduiding ’betaling achteraf’ of de afkorting ’za’;

b. bij zelfbedieningsinrichtingen met betaling vooraf: door middel van de aanduiding ’betaling vooraf’ of de afkorting ’zv’;

c. bij zelfbedieningsinrichtingen met uitgestelde betaling: door middel van de aanduiding ’uitgestelde betaling’ of de afkorting ’zu’;

d. bij zelfbedieningsinrichtingen met meerdere zelfbedieningsfuncties: door middel van een combinatie van de onder a tot en met c genoemde aanduidingen of afkortingen.

Artikel 57

1. Bij zelfbedieningsinrichtingen moet op een van buitenaf zichtbare plaats een voorziening zijn aangebracht voor het aanbrengen van een ijkmerk.

2. De voorziening moet op een zodanige wijze met de zelfbedieningsinrichting zijn verbonden, dat deze niet kan worden verwijderd zonder het ijkmerk te beschadigen.

3. De voorziening moet tevens de opschriftenplaat, bedoeld in artikel 56, eerste lid, borgen.

4. Bij zelfbedieningsinrichtingen met meerdere zelfbedieningsfuncties moet de voorziening voor elke zelfbedieningsfunctie worden aangebracht.

Artikel 58

Op een zelfbedieningsinrichting kunnen meerdere gemeenschappelijke benzinepompen zijn aangesloten.

Paragraaf 2. Bijzondere bepalingen voor zelfbedieningsinrichtingen met betaling achteraf

Artikel 59

Deze paragraaf is slechts van toepassing op zelfbedieningsinrichtingen met betaling achteraf.

Artikel 60

1. De zelfbedieningsinrichting moet ten minste bestaan uit:

a. een op afstand van de benzinepomp geplaatst bedieningspaneel ten behoeve van de besturing van de pomp;

b. een inrichting voor de reproductie van de aanwijzingen van de benzinepomp, die bestaat uit:

1°. een afdrukinrichting voor de afgifte van een bon aan de afnemer, of

2°. een aanwijsinrichting ten behoeve van de leverancier alsmede een aanwijsinrichting ten behoeve van de afnemer.

2. Meerdere aanwijsinrichtingen of afdrukinrichtingen zijn toegestaan, mits:

a. de aangewezen gegevens op die aanwijsinrichtingen niet als gereproduceerde aanwijzingen kunnen worden opgevat;

b. de overige afdrukinrichtingen niet zijn bestemd voor de afgifte van een bon aan de afnemer.

Artikel 61

1. De zelfbedieningsinrichting moet het volume of het bedrag van de aanwijzing van de benzinepomp reproduceren.

2. Indien de zelfbedieningsinrichting functioneert voor meerdere benzinepompen, moet op elke benzinepomp een pompnummer zijn aangebracht, dat mede moet worden aangewezen dan wel afgedrukt.

Artikel 62

1. De vermelding van de prijs per eenheid van volume is slechts toegestaan, indien:

a. deze niet anders kan zijn dan de prijs per eenheid, vermeld op de benzinepomp, of

b. de zelfbedieningsinrichting een zodanige automatische controle uitvoert op de van de benzinepomp afkomstige gegevens met betrekking tot het volume en bedrag, dat

1°. het verschil tussen het volume, berekend uit het door de zelfbedieningsinrichting gereproduceerde bedrag en de aangegeven eenheidsprijs, en het gereproduceerde volume steeds kleiner is dan tweemaal de maximaal toelaatbare fout op de kleinste afleveringshoeveelheid, of

2°. het verschil tussen het bedrag, berekend uit het door de zelfbedieningsinrichting gereproduceerde volume en de aangegeven eenheidsprijs, en het gereproduceerde bedrag steeds kleiner is dan de prijs van een hoeveelheid, gelijk aan tweemaal de maximaal toelaatbare fout op de kleinste afleveringshoeveelheid.

2. Zodra door de automatische controle, bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt vastgesteld dat het desbetreffende verschil wordt overschreden, mogen de aanwijzingen van de pomp niet door de zelfbedieningsinrichting worden gereproduceerd.

Artikel 63

Op afdruk- en aanwijsinrichtingen van de zelfbedieningsinrichtingen is, behoudens voor zover in deze paragraaf anders is bepaald, de IJkregeling vloeistofmeters van toepassing, voor zover daarin voorschriften zijn vastgesteld met betrekking tot afdruk- en aanwijsinrichtingen.

Artikel 64

1. De gereproduceerde aanwijzingen van afdruk- en aanwijsinrichtingen van de zelfbedieningsinrichtingen mogen onderling niet verschillen.

2. Bij de zelfbedieningsinrichtingen moet een afleeseenheid gelijk zijn aan de waarde van een afdrukeenheid.

Artikel 65

Bij de zelfbedieningsinrichtingen behoeft de waarde van de afdrukeenheid niet op de afdrukinrichting te worden vermeld.

Artikel 66

Afdrukinrichtingen van de zelfbedieningsinrichtingen mogen de aanwijzingen van een benzinepomp niet reproduceren als een verschil van twee afgedrukte waarden.

Artikel 67

De zelfbedieningsinrichtingen behoeven geen automatische controle uit te voeren op de door de benzinepomp aangeboden informatie.

Artikel 68

Indien de aanwijsinrichting ten behoeve van de afnemer als een afzonderlijke constructieve eenheid is uitgevoerd, moet de vrijgave van de benzinepompen worden verhinderd, indien de aanwijsinrichting ten behoeve van de afnemer wordt losgekoppeld.

Artikel 69

1. Tot het tijdstip waarop de leverancier door middel van een daartoe te verrichten handeling heeft ingestemd met de gereproduceerde aanwijzingen van een aflevering door een benzinepomp op het bedieningspaneel van de zelfbedieningsinrichting, moet met de aanwijzing op een aanwijsinrichting ten behoeve van de leverancier steeds gelijktijdig diezelfde aanwijzing op een aanwijsinrichting ten behoeve van de afnemer worden gereproduceerd.

2. Het eerste lid is niet van toepassing gedurende een aflevering aan een benzinepomp, voor zover het betreft de aanwijzing door een aanwijsinrichting ten behoeve van de leverancier.

Artikel 70

1. Gereproduceerde aanwijzingen voor een bepaalde aflevering mogen niet meer plaatsvinden vanaf het tijdstip waarop de daarop volgende aflevering aan dezelfde benzinepomp wordt beëindigd.

2. Van het niet meer plaatsvinden van een gereproduceerde aanwijzing is sprake, indien de aanwijzing niet meer als een gereproduceerde aanwijzing van een benzinepomp herkenbaar is.

Artikel 71

1. De zelfbedieningsinrichtingen mogen zijn voorzien van een voorziening die de mogelijkheid biedt tot vrijgave van een benzinepomp voor ten hoogste één volgende aflevering, zonder dat ten aanzien van de daaraan voorafgaande aflevering door de leverancier de in artikel 69, eerste lid, bedoelde handeling is verricht, mits de gereproduceerde aanwijzingen slechts in de volgorde waarin de afleveringen hebben plaatsgevonden worden aangewezen.

2. Indien gebruik wordt gemaakt van de in het eerste lid bedoelde voorziening, geldt in afwijking van artikel 70 dat de gegevens van een aflevering ten aanzien waarvan de in artikel 69, eerste lid, bedoelde handeling is verricht, nog door de zelfbedieningsinrichting mogen worden aangewezen of gereproduceerd tot het tijdstip waarop de gegevens van de daarop volgende aflevering door middel van een afzonderlijk daartoe te verrichten handeling worden gereproduceerd.

3. Het tweede lid is niet van toepassing, indien, nadat ten aanzien van de gereproduceerde aanwijzingen de in artikel 69, eerste lid, bedoelde handeling is verricht, op dezelfde aanwijsinrichtingen aanwijzingen van een andere benzinepomp worden gereproduceerd. In dat geval mogen de gegevens ten aanzien waarvan de in artikel 69, eerste lid, bedoelde handeling is verricht, niet nogmaals kunnen worden aangewezen, tenzij de daarop volgende aflevering aan dezelfde benzinepomp nog niet is beëindigd.

Artikel 72

1. Indien op de zelfbedieningsinrichting een kaartlezer is aangesloten, die het mogelijk maakt om de betaling door middel van een kredietkaart of een daarmee vergelijkbare kaart tot een later tijdstip uit te stellen, moet de zelfbedieningsinrichting zijn voorzien van:

a. een afdrukinrichting voor de afgifte van een bon aan de afnemer;

b. een afdrukinrichting waarop dergelijke betalingen ten behoeve van de leverancier worden geregistreerd.

2. De in het eerste lid bedoelde afdrukinrichtingen moeten de mogelijkheid bieden dat de gemaakte afdruk kan worden vergeleken met de uiteindelijke afrekening.

3. De in het eerste lid bedoelde afdrukinrichtingen mogen worden gecombineerd.

4. Indien de in het eerste lid bedoelde afdrukinrichtingen geen afdrukken tot stand kunnen brengen, mag het niet mogelijk zijn de betaling door middel van een kredietkaart of een daarmee vergelijkbare kaart te doen plaatsvinden.

Artikel 73

1. Het aanwijzen van andere gegevens dan gereproduceerde aanwijzingen van een benzinepomp op de aanwijsinrichting ten behoeve van de afnemer is niet toegestaan.

2. Indien de zelfbedieningsinrichting is uitgerust met een voorziening als bedoeld in artikel 71, mogen de gegevens van twee opeenvolgende afleveringen van eenzelfde benzinepomp uitsluitend op de aanwijsinrichting ten behoeve van de leverancier worden aangewezen.

Artikel 74

Op benzinepompen met een zelfbedieningsinrichting moet een gebruiksaanwijzing zijn aangebracht, waaruit duidelijk blijkt:

a. welke handelingen moeten worden verricht om de aflevering te doen plaatsvinden;

b. hoe de betaling moet plaatsvinden.

Artikel 75

Op het bedieningspaneel van de zelfbedieningsinrichting moet voor de leverancier voortdurend duidelijk zijn in welke toestand een benzinepomp zich bevindt.

Artikel 76

Indien de zelfbedieningsinrichting is uitgerust met een voorziening voor volumevoorinstelling en in de benzinepomp ten behoeve van die voorinstelling bepaalde voorzieningen zijn getroffen, is op die zelfbedieningsinrichting de IJkregeling vloeistofmeters van overeenkomstige toepassing, voor zover daarin voorschriften zijn vastgesteld met betrekking tot volumevoorinstelinrichtingen.

Artikel 77

Indien de zelfbedieningsinrichting is uitgerust met een voorziening voor prijsvoorinstelling en in de benzinepomp ten behoeve van die voorinstelling bepaalde voorzieningen zijn getroffen, is op die zelfbedieningsinrichting de IJkregeling vloeistofmeters van overeenkomstige toepassing, voor zover daarin voorschriften zijn vastgesteld met betrekking tot prijsvoorinstelinrichtingen.

Paragraaf 3. Bijzondere bepalingen voor zelfbedieningsinrichtingen met betaling vooraf

Artikel 78

Deze paragraaf is slechts van toepassing op zelfbedieningsinrichtingen met betaling vooraf.

Artikel 79

De betaling bij de zelfbedieningsinrichting moet geschieden door middel van:

a. een automaat, die in de nabijheid van de benzinepomp is opgesteld, of

b. een door de leverancier te verrichten handeling, inhoudende het intoetsen van het betaalde bedrag op een bedieningspaneel, waarna vrijgave van de gewenste benzinepomp voor dat bedrag plaatsvindt.

Artikel 80

1. Indien de betaling geschiedt overeenkomstig artikel 79, onder a, moet voor het volledige betaalde bedrag brandstof kunnen worden verkregen, tenzij de aflevering tussentijds wordt beëindigd en niet binnen drie minuten wordt hervat.

2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien:

a. de afnemer na beëindiging van elke aflevering een afdruk kan verkrijgen, waaruit blijkt welk bedrag tevoren is betaald en voor welk bedrag brandstof is verkregen;

b. ten behoeve van de leverancier na beëindiging van elke aflevering automatisch een afdruk wordt gemaakt, die de onder a bedoelde gegevens bevat.

3. Op de afdrukinrichtingen, die de in het tweede lid bedoelde afdrukken vervaardigen, is, behoudens voor zover in deze paragraaf anders is bepaald, de IJkregeling vloeistofmeters van toepassing, voor zover daarin voorschriften zijn vastgesteld met betrekking tot afdrukinrichtingen.

4. De afdruk, bedoeld in het tweede lid, onder a, mag als volgt worden gesplitst in twee afdrukken:

a. één afdruk, waarop het vooruitbetaalde bedrag wordt afgedrukt en dat als zodanig herkenbaar is,

b. één afdruk van de aflevering zelf na beëindiging daarvan,

mits uit de informatie van beide afdrukken duidelijk blijkt dat zij betrekking hebben op eenzelfde aflevering.

5. Indien de in het tweede lid bedoelde afdrukken niet tot stand kunnen komen mag vrijgave van de benzinepomp niet plaatsvinden zolang de oorzaak niet is opgeheven.

Artikel 81

Bij de zelfbedieningsinrichtingen behoeft de waarde van de afdrukeenheid niet op de afdrukinrichting te worden vermeld.

Artikel 82

Afdrukinrichtingen van de zelfbedieningsinrichtingen mogen de aanwijzingen van een benzinepomp niet reproduceren als een verschil van twee afgedrukte waarden.

Artikel 83

De zelfbedieningsinrichtingen behoeven geen automatische controle uit te voeren op de door de benzinepomp aangeboden informatie.

Artikel 84

Indien de zelfbedieningsinrichting is uitgerust met een voorziening voor prijsvoorinstelling en in de benzinepomp ten behoeve van die voorinstelling bepaalde voorzieningen zijn getroffen, is op die zelfbedieningsinrichting de IJkregeling vloeistofmeters van overeenkomstige toepassing, voor zover daarin voorschriften zijn vastgesteld met betrekking tot prijsvoorinstelinrichtingen, tenzij in deze paragraaf anders is bepaald.

Artikel 85

De zelfbedieningsinrichtingen behoeven het vooruitbetaalde of vooringestelde bedrag, zowel voorafgaand aan de aflevering als daarna, niet aan te wijzen.

Artikel 86

Artikel 26, vierde lid, van de IJkregeling vloeistofmeters is niet van toepassing.

Artikel 87

1. Het kleinste vooruit te betalen bedrag moet overeenkomen met de prijs van 1 liter brandstof.

2. Indien bij betaling overeenkomstig artikel 79, onder a, het kleinste vooruit te betalen bedrag niet is bereikt, moet het reeds ingebrachte geld door middel van een daartoe op de automaat te verrichten handeling terug kunnen worden verkregen.

Artikel 88

1. Indien de kleinste afleveringshoeveelheid van een benzinepomp meer bedraagt dan 2 liter, moet het vooruitbetalen van bedragen, die leiden tot afleveringen van hoeveelheden, kleiner dan de kleinste afleveringshoeveelheid, worden verhinderd.

2. Artikel 87, tweede lid, is alsdan van overeenkomstige toepassing.

Artikel 89

1. Op of in de nabijheid van een benzinepomp met een zelfbedieningsinrichting moet een gebruiksaanwijzing voor de afnemer zijn aangebracht.

2. Indien betaling geschiedt overeenkomstig artikel 79, onder a, moet de automaat van een passende gebruiksaanwijzing zijn voorzien.

3. Indien de zelfbedieningsinrichting functioneert voor meerdere benzinepompen, moet op elke benzinepomp duidelijk een pompnummer zijn aangebracht.

Artikel 90

Slangkranen van benzinepompen waarop een zelfbedieningsinrichting is aangesloten, moeten zodanig zijn geconstrueerd, dat daarmee bij uitgeschakelde pompmotor, door met de hand met het afsluitorgaan een pompende beweging te maken, in één minuut een grotere hoeveelheid vloeistof kan worden verkregen dan de maximaal toelaatbare fout op de kleinste afleveringshoeveelheid.

Paragraaf 4. Bijzondere bepalingen voor zelfbedieningsinrichtingen met uitgestelde betaling

Artikel 91

Deze paragraaf is slechts van toepassing op zelfbedieningsinrichtingen met uitgestelde betaling.

Artikel 92

De aflevering bij benzinepompen met een zelfbedieningsinrichting kan slechts een aanvang nemen na een vrijgave, die wordt verkregen doordat de afnemer een sleutel, een gecodeerde kaart, een chipkaart of een soortgelijk voorwerp heeft ingebracht in een in de nabijheid van de benzinepomp opgestelde automaat.

Artikel 93

1. De informatie met betrekking tot een aflevering moet door een benzinepomp in een zodanige vorm aan de zelfbedieningsinrichting worden aangeboden, dat daarop door de zelfbedieningsinrichting een automatische controle kan worden uitgevoerd.

2. Met behulp van de controle, bedoeld in het eerste lid, moet kunnen worden vastgesteld dat verstoringen van de informatie met betrekking tot het volume, geen grotere fout in die informatie veroorzaken dan de maximaal toelaatbare fout op de kleinste afleveringshoeveelheid.

3. Met behulp van de controle, bedoeld in het eerste lid, moet in voorkomende gevallen kunnen worden vastgesteld dat verstoringen van de informatie met betrekking tot het bedrag, geen grotere fout in die informatie veroorzaken dan de prijs van een hoeveelheid, gelijk aan de maximaal toelaatbare fout op de kleinste afleveringshoeveelheid.

Artikel 94

1. De zelfbedieningsinrichting moet een automatische controle uitvoeren op de door de benzinepomp aangeboden informatie.

2. De automatische controle moet tot gevolg hebben dat, zodra een fout in de aangeboden informatie wordt vastgesteld, die groter is dan die welke ingevolge artikel 93, tweede en derde lid, is toegestaan, de aflevering wordt afgebroken.

Artikel 95

1. Indien de benzinepomp is voorzien van een zelfbedieningsinrichting, moeten automatische controles plaatsvinden op de verwerking, de opslag en de registratie van de door de benzinepomp aangeboden informatie.

2. De automatische controles moeten tot gevolg hebben dat, zodra bij de verwerking, opslag of registratie fouten worden vastgesteld, geen vrijgave plaatsvindt, anders dan na een handeling door de leverancier.

3. Indien de verwerking, de opslag en de registratie per individuele afnemer plaatsvindt, is het tweede lid slechts van toepassing ten aanzien van de vrijgave ten behoeve van de desbetreffende individuele afnemer.

Artikel 96

Microprocessoren, die bij het wegvallen van hun klokfrequentie de registratie van het meetresultaat beïnvloeden, moeten van een waakhondschakeling zijn voorzien, waarbij, indien deze schakeling niet meer door het programma van de microcomputer wordt geactiveerd, de afleveringen die op dat tijdstip plaatsvinden, worden stopgezet en nieuwe afleveringen geen aanvang kunnen nemen.

Artikel 97

1. De voor de betaling relevante informatie moet door de zelfbedieningsinrichting zodanig worden geregistreerd, dat bij de verdere verwerking van die informatie kan worden vastgesteld of de geregistreerde gegevens correct zijn.

2. De apparatuur die de verdere verwerking van de informatie uitvoert, moet zodanig zijn ingericht, dat fouten in de door de zelfbedieningsinrichting geregistreerde informatie worden vastgesteld.

3. Indien de in het tweede lid bedoelde apparatuur vaststelt dat de te verwerken informatie niet correct zou kunnen zijn, moet dit automatisch op de afrekening kenbaar worden gemaakt.

Artikel 98

Hetgeen overigens in deze regeling is bepaald ten aanzien van bij de zelfbedieningsinrichting behorende apparatuur, welke is bestemd om de geregistreerde gegevens met betrekking tot afleveringen op te slaan en verder te verwerken, is niet van toepassing, indien:

a. de zelfbedieningsinrichting zodanig is ingericht, dat:

1°. ten behoeve van de leverancier van iedere aflevering de relevante gegevens automatisch worden afgedrukt, en

2°. de afnemer een bon van de aflevering verkrijgt,

b. de afdrukken, bedoeld onder a, onder 1° en 2°, voldoende informatie bevatten voor een controle van de uiteindelijke afrekening, en

c. het niet tot stand komen van de afdrukken, bedoeld onder a, onder 1° of 2°, tot gevolg heeft dat geen vrijgave plaatsvindt anders dan na een daartoe te verrichten handeling door de leverancier.

Artikel 99

Op afdrukinrichtingen van de zelfbedieningsinrichtingen is, behoudens voor zover in deze paragraaf anders is bepaald, de IJkregeling vloeistofmeters van toepassing, voor zover daarin voorschriften zijn vastgesteld met betrekking tot afdrukinrichtingen.

Artikel 100

Bij de zelfbedieningsinrichtingen behoeft de waarde van de afdrukeenheid niet op de afdrukinrichting te worden vermeld.

Artikel 101

Afdrukinrichtingen van de zelfbedieningsinrichtingen mogen de aanwijzingen van een benzinepomp niet reproduceren als een verschil van twee afgedrukte waarden.

Artikel 102

1. De zelfbedieningsinrichting moet het volume of het bedrag van de aanwijzing van de benzinepomp reproduceren.

2. Indien de zelfbedieningsinrichting functioneert voor meerdere benzinepompen, moet op elke benzinepomp een pompnummer zijn aangebracht, dat mede moet worden aangewezen dan wel afgedrukt.

Artikel 103

1. De registratie van de prijs per eenheid van volume is slechts toegestaan, indien:

a. deze niet anders kan zijn dan de prijs per eenheid, vermeld op de benzinepomp, of

b. de zelfbedieningsinrichting een zodanige automatische controle uitvoert op de van de benzinepomp afkomstige gegevens met betrekking tot het volume en bedrag, dat

1°. het verschil tussen het volume, berekend uit het door de zelfbedieningsinrichting gereproduceerde bedrag en de geregistreerde eenheidsprijs, en het gereproduceerde volume steeds kleiner is dan tweemaal de maximaal toelaatbare fout op de kleinste afleveringshoeveelheid, of

2°. het verschil tussen het bedrag, berekend uit het door de zelfbedieningsinrichting gereproduceerde volume en de geregistreerde eenheidsprijs, en het gereproduceerde bedrag steeds kleiner is dan de prijs van een hoeveelheid, gelijk aan tweemaal de maximaal toelaatbare fout op de kleinste afleveringshoeveelheid.

2. Zodra door de automatische controle, bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt vastgesteld dat het desbetreffende verschil wordt overschreden, moet de desbetreffende aflevering worden onderbroken.

Artikel 104

Handelingen met betrekking tot afleveringen, verricht door een afnemer, mogen zich niet onderscheiden van afleveringen, verricht door de leverancier.

Artikel 105

1. Bij de zelfbedieningsinrichtingen die slechts de gegevens met betrekking tot het volume van benzinepompen registreren, mag de registratie plaatsvinden in eenheden van:

a. 0,02 liter,

b. 0,05 liter, of

c. 0,1 liter.

2. Indien een registratie als bedoeld in het eerste lid leidt tot een verhoging van de kleinste afleveringshoeveelheid van de benzinepomp, behoeft dit niet door middel van een opschrift op die benzinepomp kenbaar te worden gemaakt.

3. Bij registratie in de eenheden, bedoeld in het eerste lid, onder a, b en c, bedraagt de kleinste afleveringshoeveelheid respectievelijk 5 liter, 10 liter en 20 liter.

Artikel 106

1. Indien gedurende een aflevering de voedingsspanning van de zelfbedieningsinrichting wegvalt, moet de aflevering automatisch worden beëindigd.

2. Een aflevering die is beëindigd, moet bij het wegvallen van de voedingsspanning of direct na het herstel van de voedingsspanning automatisch worden geregistreerd, tenzij na het wegvallen of het herstel geen vrijgave van benzinepompen meer kan plaatsvinden, anders dan na een daartoe door de leverancier te verrichten handeling.

Paragraaf 5. Bijzondere bepalingen voor zelfbedieningsinrichtingen met meerdere zelfbedieningsfuncties

Artikel 107

Benzinepompen mogen tegelijkertijd voor meerdere zelfbedieningsfuncties beschikbaar zijn, mits na beëindiging van de aflevering voor de leverancier uit het bedieningspaneel duidelijk blijkt of de aflevering moet worden afgehandeld overeenkomstig de werkwijze bij zelfbedieningsinrichtingen met betaling achteraf.

Artikel 108

Indien een benzinepomp wordt omgeschakeld naar een andere zelfbedieningsfunctie of wordt omgeschakeld van automatische op niet-automatische vrijgave, mag deze omschakeling niet later effect hebben dan bij de tweede aflevering na de omschakeling.

Titel 9. Maximaal toelaatbare fouten

Artikel 109

1. De maximaal toelaatbare fouten in plus en min van een benzinepomp, uitgedrukt in ml of in procenten van de gemeten hoeveelheid, bedragen, onder normale bedrijfsomstandigheden en binnen de in de verklaring van toelating vermelde gebruiksgrenzen voor onderstaande hoeveelheden:

stcrt-1998-14-p33-SC12361-1.gif

2. De maximaal toelaatbare fouten op de kleinste afleveringshoeveelheid bedragen het dubbele van de waarden, bedoeld in het eerste lid.

3. De maximaal toelaatbare fouten zijn, ongeacht de gemeten hoeveelheid, nooit kleiner dan die welke op de kleinste afleveringshoeveelheid gelden.

4. Indien de fouten bij de keuring alle hetzelfde teken hebben, mag ten minste één daarvan niet meer bedragen dan de helft van de waarden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat deze fout niet minder behoeft te bedragen dan 0,3% van de gemeten hoeveelheid.

Titel 10. Opschriften

Artikel 110

Op elke benzinepomp, niet voorzien van een zelfbedieningsinrichting, moeten op een voor dat doel bestemde opschriftenplaat zijn vermeld:

a. het nummer van de betrokken verklaring van toelating;

b. de identificatie van de fabrikant of zijn firmanaam;

c. een type-aanduiding van de fabrikant;

d. het jaar waarin de benzinepomp is vervaardigd en het fabrieksnummer;

e. het maximale meetvermogen;

f. indien de pomp meerdere meetsecties heeft: het aantal meetsecties.

Artikel 111

Bij benzinepompen als bedoeld in artikel 2, onder b en c, moet het voor elke meetsectie van de benzinepomp geldende maximale meetvermogen op de opschriftenplaat zijn samengevoegd.

Titel 11. IJkmerk

Artikel 112

1. Op een van buitenaf zichtbare plaats moet op een benzinepomp een voorziening zijn aangebracht voor het aanbrengen van het ijkmerk.

2. De voorziening moet op zodanige wijze met een vast gedeelte van de benzinepomp zijn verbonden, dat deze niet kan worden verwijderd zonder het ijkmerk te beschadigen.

3. De voorziening moet tevens de opschriftenplaat, bedoeld in artikel 110, borgen.

Artikel 113

Verzegelingsinrichtingen moeten gemakkelijk toegankelijk zijn en zodanig zijn uitgevoerd, dat een zegelmerk kan worden aangebracht.

Artikel 114

Het zegelmerk moet voldoende zijn beschermd tegen risico’s van toevallige verbreking.

Artikel 115

Het zegelmerk moet worden aangebracht op de verzegelingsinrichting van de justeerinrichting van de vloeistofmeter.

Titel 12. Werkwijze bij de onderzoeken

Artikel 116

Bij het onderzoek tot toelating van een model moet een benzinepomp worden onderzocht met benzine met een viscositeit van circa 0,6 mPa□s en met diesel met een viscositeit van circa 5 mPa□s.

Artikel 117

Bij de keuring, de herkeuring, het onderzoek, bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de wet, en het toezicht moet een benzinepomp op de plaats van de opstelling met het aangetroffen product worden onderzocht.

Artikel 118

1. Ten einde een benzinepomp op de plaats van de opstelling te kunnen onderwerpen aan de keuring, de herkeuring, het onderzoek, bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de wet en het toezicht moet een toegankelijke voorziening aanwezig zijn om de gemeten vloeistof terug te voeren naar een voorraadreservoir.

2. Ten einde een benzinepomp op de plaats van de opstelling te kunnen onderwerpen aan de keuring moeten proeven kunnen worden uitgevoerd bij het minimale meetvermogen en het maximale meetvermogen van de benzinepomp, binnen een marge van -20% en +10%;

3. Ten einde een benzinepomp op de plaats van de opstelling te kunnen onderwerpen aan de herkeuring, het onderzoek, bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de wet en het toezicht moeten proeven kunnen worden uitgevoerd bij het minimale meetvermogen en het maximale meetvermogen van de benzinepomp, binnen een marge van -40% en +20%.

Hoofdstuk 3. Slotbepalingen

Artikel 119

Na de inwerkingtreding van deze regeling berusten de krachtens de IJkregeling benzinepompen (Stcrt. 1989, 83) vastgestelde besluiten op deze regeling.

Artikel 120

De IJkregeling benzinepompen (Stcrt. 1989, 83) wordt ingetrokken

Artikel 121

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 122

Deze regeling wordt aangehaald als: IJkregeling benzinepompen.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 11 december 1997.
De Minister van Economische Zaken,G.J. Wijers.

Toelichting

Deze ministeriële regeling strekt tot vervanging van de IJkregeling benzinepompen (Stcrt 1989, 83). Het ontwerp van die ministeriële regeling werd niet genotificeerd overeenkomstig artikel 8, eerste lid, van richtlijn nr. 83/189/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (PbEG L 109)1. Om alsnog aan de verplichting tot notificatie te voldoen is deze regeling in ontwerp aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen genotificeerd (zie ook kamerstukken II 1996/97, 25 389).

De tekst van de regeling is grotendeels identiek aan de tekst van de huidige IJkregeling benzinepompen. Om verwarring te voorkomen is ook de citeertitel intact gelaten.

Nieuw zijn de - wetstechnische - artikelen 119, 120, 121 en 122. Er heeft ook een inhoudelijke wijziging plaatsgevonden. Deze aanpassing houdt verband met het feit, dat door de Commissie van de Europese Gemeenschappen is gewezen op de plicht tot wederzijdse erkenning van gelijkwaardige meetmiddelen. Met het nieuwe artikel 3a is aan de opmerking van de Commissie gevolg gegeven.

Het ontwerp van de regeling is op 4 augustus 1997 gemeld aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen, ter voldoening aan artikel 8, eerste lid, van de eerdergenoemde richtlijn nr. 83/189/EEG (notificatienummer 97/0473/NL). Het is op 23 september 1997 tevens gemeld aan het Secretariaat van de Wereld Handelsorganisatie, ter voldoening aan artikel 2, negende lid, van het op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen verdrag inzake technische handelsbelemmeringen (Trb. 1994, 235). Een aankondiging van de desbetreffende notificatie is gepubliceerd in Stcrt. 1997, 187. Naar aanleiding van deze notificaties zijn geen opmerkingen gemaakt of uitvoerig gemotiveerde meningen uitgebracht door lid-staten van de Europese Unie en is ook geen commentaar geleverd door lid-staten van de Wereld Handelsorganisatie. Alleen de Commissie van de Europese Gemeenschappen heeft een opmerking gemaakt waarin wordt gewezen op de voorbereiding van een nieuwe richtlijn met betrekking tot meetinstrumenten. Nederland heeft in een reactie aangegeven zich daarvan bewust te zijn en dat nationale regelgeving zal worden aangepast aan de richtlijn nadat deze tot stand is gekomen.

Deze notificaties waren noodzakelijk, aangezien de regeling vermoedelijk technische voorschriften bevat in de zin van richtlijn 83/189/EEG, zoals gewijzigd. Een wijziging in artikel 109 is reeds genotificeerd (nummer 89/0815/NL). Indicatief kunnen als de overige technische voorschriften worden aangewezen de artikelen 1 tot en met 58, 60 tot en met 77 en 79 tot en met 118. Voor zover de regeling kwantitatieve invoerbeperkingen of maatregelen van gelijke werking in de zin van artikel 30 EG-Verdrag bevat, worden deze maatregelen gerechtvaardigd ter bescherming van het belang van de eerlijkheid van handelstransacties en de bescherming van consumenten.

De Minister van Economische Zaken,

G.J. Wijers.

1 Laatstelijk gewijzigd bij richtlijn 94/10/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 maart 1994 (PbEG L 100). Een bijgewerkte integrale tekst van de richtlijn is gepubliceerd in PbEG 1997, C 78.

Naar boven