Richtlijn voor strafvordering varen onder invloed

2 juni 1998

Nr. 1998R001

College van procureurs-generaal

Categorie: Strafvordering

Adressant: Alle leden van het OM

Datum inwerkingtreding: 1 juli 1998

Geldigdigheidsduur: 1 juli 2002

Relevante beleidsregels OM: aanwijzing inzake varen onder invloed (registratienummer 1998A005)

Wetsbepalingen: artt. 27, 28, 28a, 29 en 31 Scheepvaartverkeerswet

Beschrijving

Op 1 april 1998 is de wet tot ’Wijziging van de Scheepvaartverkeerswet in verband met de wijziging van de bepalingen met betrekking tot het varen onder invloed’ (Stb. 1997, 200) in werking getreden. In artikel 27 van de Scheepvaartverkeerswet is vanaf die datum een zelfstandige strafbaarstelling opgenomen voor het varen onder invloed. In deze richtlijn zijn het strafvorderings- en transactiebeleid bij varen onder invloed vastgelegd. De objectief vast te stellen factoren die in deze richtlijn de grondslag vormen voor het strafvorderings- en transactiebeleid, zijn het adem(/bloed)alcoholgehalte (AAG/BAG), schade en/of letsel toegebracht aan derden, de gevaarzetting, de (speciale) recidive1 en de draagkracht.

Strafbaar feit varen onder invloed

1. Transactie/dagvaarding

Uitgangspunt is dat in de schijven I, II en III volgens een vast tarief2 een transactie kan worden aangeboden. De grens tot waar aan first-offenders bij overtreding van artikel 27, tweede lid, Scheepvaartverkeerswet een transactie kan worden aangeboden, is bepaald op 700 mg/liter (1,6l), tenzij het OM aanleiding ziet om ook beneden genoemde waarde (bijvoorbeeld bij samenloop met andere delicten) de zaak voor te leggen aan de rechter.

In geval van ’enkelvoudige recidive’ (binnen een tijdsverloop van vijf jaren is de verdachte eenmaal eerder terzake van een soortgelijk delict veroordeeld of heeft hij eenmaal eerder terzake hiervan getransigeerd) kan de verdachte een transactie worden aangeboden indien het AAG/BAG lager is dan 436 mg/liter resp. 1,01 l (schijf I). Vanaf schijf II dient hij in een dergelijk geval te worden gedagvaard.

Indien de verdachte binnen een tijdsverloop van vijf jaren reeds twee maal eerder (het gaat hier dus om de derde zaak binnen vijf jaar) terzake van een soortgelijk delict is veroordeeld of terzake heeft getransigeerd (’meervoudige recidive’), dient hij in principe altijd te worden gedagvaard.

2. Schijvensysteem en strafverzwarende omstandigheden

De hoogte van de aan te bieden transactie, respectievelijk de soort en de hoogte van de te vorderen straffen, worden op de eerste plaats bepaald door de hoogte van het AAG/BAG. Per schijf zijn richtstraffen vastgesteld voor het gemiddelde geval in de desbetreffende schijf (zie bijlage). Afwijking naar boven en naar beneden blijft mogelijk.

De kans op ongevallen en derhalve de mate van gevaarzetting hangt samen met de hoogte van het AAG/BAG. Of zich in concreto een ongeval voordoet met voor derden nadelige gevolgen, is daarentegen van allerlei toevallige om- standigheden afhankelijk. Naarmate het AAG/BAG hoger is komt een hogere straf in aanmerking. In het schijvensysteem is de statistisch bepaal-de mate van gevaarzetting in beginsel reeds verdisconteerd. Toch lijkt het juist om wanneer derden schade en/of letsel van enige betekenis hebben opgelopen zonder dat daarvoor een vervolging wordt ingesteld, daarmee als strafverzwarende omstandigheid rekening te houden. Een dergelijk gevolg is van zodanig maatschappelijk gewicht dat het bezwaarlijk buiten beschouwing kan blijven. Indien schade en/of letsel voor derden is ontstaan zal daarom ook nimmer een transactie dienen te worden aangeboden. Indien de veiligheid op het water in concreto in ernstige mate in gevaar is gebracht dient dit, ook zonder dat dit tot een ongeval heeft geleid, als strafverzwarende omstandigheid te worden aangemerkt.

Als strafverzwarende omstandigheden gelden derhalve:

a. recidive binnen 5 jaar na OM- of politietransactie dan wel veroordeling terzake van varen onder invloed;

b. het veroorzaken van een ongeval waarbij schade en/of letsel van enige betekenis aan derden is toegebracht;

c. het niet in acht nemen van de wettelijk voorgeschreven rusttijden.

Indien een strafverzwarende omstandigheid zich voordoet, dient te worden uitgegaan van de voor de naast hogere schijf vastgestelde OM-transactie of eis ter zitting. Bij cumulatie van strafverzwarende omstandigheden dient er ter zitting in principe twee schijven hoger te worden gëist.

Door de aanwezigheid van een of meer strafverzwarende omstandigheden kan de schijfindeling worden overschreden. Het is duidelijk dat voor deze zogenaamde ’VIII+ gevallen’ een hogere straf kan worden gevorderd dan de voor schijf VIII vastgestelde eis ter zitting.

3. Aanvragen van een voorlichtingsrapport

Uitgangspunt is dat in beginsel steeds een voorlichtingsrapport wordt aangevraagd indien:

a. de verdachte voor de derde maal binnen een termijn van vijf jaren een soortgelijk delict heeft gepleegd;

b. gebleken is van andere bijzondere omstandigheden gelegen in de persoon van de dader.

4. Artikel 27, eerste lid, Scheepvaart-verkeerswet

Indien een tenlastelegging de bestanddelen van artikel 27, eerste lid, Scheepvaartverkeerswet bevat, zijn voor de strafvordering geen nadere uitgangspunten aan te geven wegens het ontbreken van voldoende objectief vast te stellen factoren. De uitgangspunten voor de straftoemeting bij overtreding van artikel 27, tweede lid, Scheepvaartverkeerswet dienen als algemeen richtsnoer, met dien verstande dat in geval van overtreding van artikel 27, eerste lid, Scheepvaartverkeerswet schijf IV, V, VI, VII of VIII dient te worden toegepast, afhankelijk van de mate van het niet in staat zijn en de gevaarzetting. Indien er sprake is van kennelijke staat van dronkenschap, dient schijf VIII te worden toegepast.

Ook hier geldt dat door de aanwezigheid van een of meer strafverzwarende omstandigheden er ter zitting in principe JJn respectievelijk twee schijven hoger dient te worden geNist en er voor de zogenaamde ’VIII+ gevallen’ een hogere straf kan worden gevorderd dan de voor schijf VIII vastgestelde eis ter zitting.

5. Artikel 28a, tweede en zevende lid, Scheepvaartverkeerswet

Voor de strafvordering dient aansluiting te worden gezocht bij schijf VII,3 indien de ademanalyse of bloedproef wordt geweigerd. Indien er sprake is van kennelijke staat van dronkenschap, dient schijf VIII te worden toegepast. Door de aanwezigheid van een strafverzwarende omstandigheid dient er ter zitting in principe een schijf hoger te worden geNist (i.c. schijf VIII). Doen zich meer strafverzwarende omstandigheden voor, dan kan ook hier een hogere straf worden gevorderd dan de voor schijf VIII vastgestelde eis ter zitting.

6. Klein schip

Het is degene die op een scheepvaartweg een varend klein schip voert of stuurt verboden dit te doen terwijl hij verkeert in een toestand als omschreven in het eerste of het tweede lid van art. 27 Scheepvaartverkeerswet en daarbij het verkeer belemmert of dreigt te belemmeren. Voor dit feit dient ter zitting een straf te worden gevorderd van f 850,-.

7. Overtredingen van de artikelen 29, derde lid, Scheepvaartverkeerswet en 28, eerste lid, Scheepvaartverkeerswet

In het geval iemand alleen het feit varen tijdens een vaarverbod (artikel 29, derde lid, Scheepvaartverkeerswet) pleegt, kan een OM-transactie van f 600,- worden aangeboden. De eis ter zitting bedraagt f 750,-.

In het geval iemand weigert medewerking te verlenen aan een ademtest (artikel 28, eerste lid, Scheepvaartverkeerswet), kan er een OM-transactie van f 225,- worden aangeboden. De eis ter zitting bedraagt f 270,-.

Bijlage bij de richtlijn voor strafvordering ‘varen onder invloed’

Artikel 27, tweede lid, aanhef en onder a en b Scheepvaartverkeerswet

stcrt-1998-119-p14-SC14436-1.gif

1 Speciale recidive: de dager is binnen een tijdsverloop van vijf jaren reeds eerder terzake van een soortgelijke delict veroordeeld of heeft terzake getransigeerd.

2 Bij de bedragen wordt geen rekening gehouden met de draagkracht.

3 Weigeraars komen dus niet voor een transactie in aanmerking.

Naar boven