Regeling Bouwbesluit bestaande bouw 1998
29 mei 1998
Nr. MJZ 98050580
Centrale Directie Juridische Zaken
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
Gelet op de artikelen 73, 82, tweede en derde lid, 83, 84, 86, 92, 93,
94, 153, 156, tweede en derde lid, 162, 163, 232, eerste lid, 257, eerste
lid, 289, 298, tweede en derde lid, 311, 312, 313, 324 tot en met 329, 331,
340 tot en met 345, 347, 381 en 416 van het Bouwbesluit
Besluit:
Hoofdstuk I Begripsbepalingen
Artikel 1.1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. Besluit: Bouwbesluit, en
b. kortste route: denkbeeldige, kortst realiseerbare vloeiend verlopende
lijn tussen twee punten, waarover op een afstand van ten minste 0,3 m van
constructie-onderdelen kan worden gelopen.
Hoofdstuk II Constructieve veiligheid
Paragraaf 1 In rekening te brengen belastingscombinaties
Sterkte
Artikel 2.1
1. Een bouwconstructie van een bestaand bouwwerk is bestand tegen fundamentele
belastingscombinaties; onder fundamentele belastingscombinaties worden verstaan:

waarbij elk belastingsgeval van een veranderlijke belasting eenmaal als
Q1;rep voorkomt en waarin:
gf;g is de belastingsfactor voor permanente belastingen, bepaald
volgens onderdeel 5.2 van NEN 6702;
Grep is het belastingsgeval van de som van de permanente belastingen,
bedoeld in hoofdstuk 7 van NEN 6702, voor zover deze gelijktijdig aanwezig
zijn;
γf;q is de belastingsfactor voor de veranderlijke belasting,
bepaald volgens onderdeel 5.2 van NEN 6702;
ψt is de factor voor de reductie van de belasting, behorend
bij het belastingsgeval Q1;rep, bepaald volgens onderdeel 5.5.2 van NEN 6702;
Q1;rep is het belastingsgeval voor een veranderlijke belasting
met ranggetal 1, zijnde één van de belastingsgevallen, bedoeld
in de onderdelen 8.2.2.1.a tot en met 8.2.2.1.e, 8.2.2.1.f, 8.2.2.1.g, 8.2.2.2,
8.2.3, 8.2.4, 8.2.5, 8.2.6, 8.2.7, 8.3.2, 8.3.3, 8.3.4, 8.4.1 tot en met 8.4.3,
8.4.4, 8.5, 8.6, 8.7.1, 8.7.2 en 8.8 van NEN 6702, zij het dat, indien een
belastingsgeval een vloer betreft, de onderdelen 6.4.1.2 tot en met 6.4.1.4
van NEN 6702 van toepassing zijn;
i is het ranggetal van het betrokken belastingsgeval;
n is het aantal van de belastingsgevallen die naar hun aard
gelijktijdig kunnen optreden;
ψi is de factor voor de reductie van de belasting, behorend
bij het belastingsgeval Qi;rep, bepaald volgens hoofdstuk 8 van NEN 6702;
en
Qi;rep is het belastingsgeval voor een veranderlijke belasting
met ranggetal i, zijnde één van de belastingsgevallen, bedoeld
in de onderdelen 8.2.2.1.a tot en met 8.2.2.1.e, 8.2.2.1.f, 8.2.2.1.g, 8.2.2.2,
8.2.3, 8.2.4, 8.2.5, 8.2.6, 8.2.7, 8.3.2, 8.3.3, 8.3.4, 8.4.1 tot en met 8.4.3,
8.4.4, 8.5, 8.6, 8.7.1, 8.7.2 en 8.8 van NEN 6702.
2. Onverminderd het eerste lid, is voor de bepaling van de in dat lid
bedoelde belastingsgevallen, indien NEN 6702 daarin niet voorziet, uitgegaan
van NEN 6700.
Sterkte bij brand
Artikel 2.2
Een bouwconstructie van een bestaand bouwwerk als bedoeld in tabel I is
gedurende de tijdsduur van brandwerendheid met betrekking tot bezwijken, aangegeven
in die tabel, bestand tegen bijzondere belastingscombinaties in geval van
brand; onder bijzondere belastingscombinaties in geval van brand wordt verstaan:

waarin:
γf;g is de belastingsfactor voor permanente belastingen,
bepaald volgens onderdeel 5.2 van NEN 6702;
Grep is het belastingsgeval van de som van de permanente belastingen,
bedoeld in hoofdstuk 7 van NEN 6702, voor zover deze gelijktijdig aanwezig
zijn;
i is het ranggetal van het betrokken belastingsgeval;
n is het aantal van de belastingsgevallen die naar hun aard
gelijktijdig kunnen optreden;
γf;q is de belastingsfactor voor de veranderlijke belasting,
bepaald volgens onderdeel 5.2 van NEN 6702;
ψi is de factor voor de reductie van de belasting, behorend
bij het belastingsgeval Qi;rep, bepaald volgens hoofdstuk 8 van NEN 6702,
en
Qi;rep is het belastingsgeval voor een veranderlijke belasting
met ranggetal i, zijnde één van de belastingsgevallen, bedoeld
in de onderdelen 8.2.2.1.a tot en met 8.2.2.1.e, 8.2.2.1.f, 8.2.2.1.g, 8.2.2.2,
8.2.3, 8.2.4, 8.2.5, 8.2.6, 8.2.7, 8.3.2, 8.3.3, 8.3.4, 8.4.1 tot en met 8.4.3,
8.4.4, 8.5, 8.6, 8.7.1, 8.7.2 en 8.8 van NEN 6702.
Tabel I Brandwerendheid met betrekking tot bezwijken

Paragraaf 2 Bepalingsmethoden voor bestaande bouwwerken
Sterkte
Artikel 2.3
Het niet-overschrijden van een uiterste grenstoestand als bedoeld in de
artikelen 73, eerste lid, 153, eerste lid, 289, eerste lid, en 381, eerste
lid, van het Besluit is bepaald volgens:
a. NEN 6710 en NEN 6770, indien de bouwconstructie is vervaardigd van
metaal, bedoeld in die normen;
b. NEN 6720 en NEN 6790, indien de bouwconstructie is vervaardigd van
steenachtig materiaal, bedoeld in die normen;
c. NEN 6760, indien de bouwconstructie is vervaardigd van hout, bedoeld
in die norm;
d. NEN 2608, indien de bouwconstructie is vervaardigd van glas, bedoeld
in die norm, en
e. NEN 6707, indien de bouwconstructie de bevestiging van dakbedekking
is, bedoeld in die norm.
Hoofdstuk III Brandveiligheidsvoorschriften ten aanzien
van de staat van bestaande gebouwen
Afdeling 1
Woningen en woongebouwen
Beperking van ontwikkeling van brand
Artikel 3.1
Een constructie-onderdeel, met uitzondering van een dak van een woning,
niet gelegen in een woongebouw, of van een woongebouw, behoort, ter beperking
van ontwikkeling van brand, bepaald volgens NEN 6065, tot ten minste klasse
4 van de bijdrage tot brandvoortplanting, bedoeld in die norm, zij het dat
de zijde van een constructie-onderdeel, toegekeerd naar een vluchtweg, ten
minste behoort tot klasse 2; een vloer en een tredevlak behoren, bepaald volgens
NEN 1775, tot ten minste klasse T3 van de bijdrage tot brandvoortplanting,
bedoeld in die norm, zij het dat een vloer en een tredevlak waarover een vluchtweg
voert, tot klasse T1 behoren; deze voorschriften gelden niet voor ten hoogste
5% van de totale oppervlakte aan constructie-onderdelen van elke afzonderlijke
ruimte van een woning of woongebouw.
Beperking van uitbreiding van brand
Artikel 3.2
1. Een woning, niet gelegen in een woongebouw, en een woongebouw, alsmede
een in tabel II aangegeven gedeelte van een woning met een gebruiksoppervlakte
van meer dan 1.000 m2 en van een woongebouw, zijn aan te merken
als een brandcompartiment.
Tabel II Brandcompartimenten

2. Voorts zijn als brandcompartiment aan te merken:
a. een woning, gelegen in een woongebouw, en een besloten ruimte bestaande
uit met elkaar in verbinding staande gemeenschappelijke verblijfsruimten,
gelegen in een woongebouw, en daarop aansluitende gemeenschappelijke verkeersruimten,
waardoor geen vluchtweg voert;
b. een besloten ruimte van een woning met een gebruiksoppervlakte van
meer dan 1.000 m2, van welke ruimte ten minste één
verblijfsruimte deel uitmaakt, met een gebruiksoppervlakte van ten hoogste
60 m2, en
c. een verblijfsruimte van een woning met een gebruiksoppervlakte van
meer dan 1.000 m2 met een gebruiksoppervlakte van meer dan 60 m2.
3. De weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag, bedoeld in NEN 6068,
tussen een brandcompartiment en een andere besloten ruimte, niet zijnde een
toilet- of badruimte, die in dezelfde woning of hetzelfde woongebouw ligt
als waarvan het brandcompartiment deel uitmaakt, is, bepaald volgens die norm,
ten minste 20 minuten; dit voorschrift geldt niet tussen een woning en een
gebouw met een gebruiksoppervlakte van ten hoogste 100 m2, bestaande
uit een of meer gebouwen die:
a. uitsluitend zijn bestemd voor opslag van goederen of materialen, anders
dan de brandbare, brandbevorderende of bij brand gevaar opleverende stoffen,
bedoeld in de Regeling Bouwbesluit materialen, of
b. geen woning zijn of gebouw zijn anders dan bedoeld in artikel 1, tweede
lid, onderdeel a tot en met c en e tot en met o, van het Besluit;
dit voorschrift geldt voorts niet tussen een brandcompartiment en een
schacht, koker of kanaal, welke schacht, welke koker of welk kanaal voert
langs ten hoogste één brandcompartiment dan wel ligt in en uitsluitend
is bestemd voor een of meer boven elkaar gelegen toilet- of badruimten.
4. In een inwendige scheidingsconstructie, waarvoor een eis voor de weerstand
tegen branddoorslag en brandoverslag geldt, tussen een brandcompartiment en
een andere besloten ruimte bevindt zich geen beweegbaar constructie-onderdeel,
anders dan een zelfsluitende deur; dit voorschrift geldt niet voor een toegang
van een woning, een toegang van een besloten ruimte als bedoeld in het tweede
lid, onderdeel a, en voor een toegang van een brandcompartiment als bedoeld
in het tweede lid, onderdelen b en c.
Beperking van ontstaan van rook
Artikel 3.3
De rookproductie, bedoeld in NEN 6066, van een zijde van een constructie-onderdeel,
toegekeerd naar een besloten ruimte van een woning, niet gelegen in een woongebouw,
of van een woongebouw mag, ter beperking van rookproductie, bepaald volgens
die norm, geen grotere rookdichtheid hebben dan 10 m-1; dit voorschrift
geldt niet voor ten hoogste 5% van de totale oppervlakte van de zijden
van constructie-onderdelen, toegekeerd naar de besloten ruimte; de rookdichtheid
van een constructie-onderdeel van een besloten ruimte waardoor een vluchtweg
voert mag niet groter zijn dan 5,4 m-1; dit geldt niet voor een
vloer, een tredevlak en voor ten hoogste 5% van de totale oppervlakte
van de zijden van de overige constructie-onderdelen, toegekeerd naar de besloten
ruimte, mits die 5% gemiddeld geen grotere rookdichtheid heeft dan
10 m-1.
Beperking van verspreiding van rook
Artikel 3.4
1. Een brandcompartiment van een woning of woongebouw is, opdat bij brand
op veilige wijze het aansluitende terrein kan worden bereikt, verdeeld in één
of meer rookcompartimenten; het aantal rookcompartimenten wordt bepaald door
de afstand tussen een toegang van een rookcompartiment en een punt in een
verblijfsruimte, gelegen in dat compartiment; die mag gemeten langs de kortste
route, niet groter zijn dan 45 m, zij het dat, indien het rookcompartiment
slechts één toegang heeft:
a. de gebruiksoppervlakte van dat compartiment niet groter mag zijn dan
500 m2, en
b. indien het rookcompartiment in verbinding met artikel 3.2, tweede lid,
onderdelen b en c, slechts één toegang heeft, de afstand, gemeten
langs de kortste route, tussen die toegang en een toegang van het rookcompartiment
in verbinding met artikel 3.2, eerste lid, niet groter mag zijn dan 25 m.
2. De afstand tussen een toegang van een verblijfsruimte en een punt in
die ruimte mag, gemeten langs de kortste route, niet groter zijn dan 30 m.
3. De weerstand tegen rookdoorgang, bedoeld in NEN 6075, tussen een rookcompartiment
en een andere besloten ruimte, niet zijnde een toilet- of badruimte of een
gebouw met een gebruiksoppervlakte van ten hoogste 100 m2, bestaande
uit een of meer gebouwen die:
1°. uitsluitend zijn bestemd voor opslag van goederen of materialen,
anders dan de brandbare, brandbevorderende of bij brand gevaar opleverende
stoffen, bedoeld in de Regeling Bouwbesluit materialen, of
2°. geen woning zijn of gebouw zijn anders dan bedoeld in artikel
1, tweede lid, onderdeel a tot en met c en e tot en met o, van het Besluit
is, bepaald volgens die norm, ten minste 20 minuten.
4. Een beweegbaar constructie-onderdeel dat zich bevindt in een constructie
die de scheiding vormt tussen een rookcompartiment en een andere besloten
ruimte, niet zijnde het gebouw met de gebruiksoppervlakte van ten hoogste
100 m2, is zelfsluitend; dit geldt niet voor een toegang van een
woning, een toegang van een besloten ruimte als bedoeld in artikel 3.2, tweede
lid, onderdeel a, en voor een toegang van een brandcompartiment als bedoeld
in artikel 3.2, tweede lid, onderdelen b en c.
Vluchten bij brand
Artikel 3.5
1. Een toegang van een rookcompartiment van een woning of woongebouw als
bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, ligt aan het aansluitende terrein of aan
een ruimte waardoor twee onafhankelijke vluchtmogelijkheden voeren; de toegang
van een rookcompartiment mag liggen aan een ruimte waardoor één
vluchtmogelijkheid voert, indien:
a. de totale gebruiksoppervlakte van de rookcompartimenten die op die
ruimte zijn aangewezen, ten hoogste 500 m2 is;
b. het rookcompartiment twee toegangen heeft die elk afzonderlijk leiden
naar ten minste één onafhankelijke vluchtmogelijkheid, of
c. de vluchtmogelijkheid een vluchtweg is, zij het dat op deze vluchtweg,
met uitzondering van een vluchtweg die voert door een veiligheidstrappenhuis,
ten hoogste 1.500 m2 gebruiksoppervlakte aan rookcompartimenten
mag zijn aangewezen.
2. In een woongebouw en een woning met een gebruiksoppervlakte van meer
dan 1.000 m2, waarin de vloer van een verblijfsruimte hoger ligt
dan 5 m boven het aansluitende terrein is de weerstand tegen rookdoorgang,
bedoeld in NEN 6075, tussen een besloten ruimte, niet gelegen op dezelfde
bouwlaag als waarop de toegang van het woongebouw ligt en niet zijnde een
toilet-, bad- of technische ruimte met een vloeroppervlakte van ten hoogste
5 m2 of een liftschacht en een besloten verkeersruimte waarin een
trap ligt waarover een vluchtmogelijkheid voert, bepaald volgens die norm,
ten minste 20 minuten; een beweegbaar constructie-onderdeel dat zich bevindt
in de inwendige scheidingsconstructie tussen deze ruimten is zelfsluitend;
dit voorschrift geldt niet voor een beweegbaar constructie-onderdeel van een
brandcompartiment als bedoeld in artikel 3.2, tweede lid.
3. Een verkeersruimte waarin trappen liggen waarmee een hoogteverschil
van ten minste 12,5 m is overbrugd, voldoet aan de eisen voor een vluchtweg.
Inrichting van vluchtmogelijkheden
Artikel 3.6
1. Een vluchtmogelijkheid van een woning met een gebruikoppervlakte van
meer dan 1.000 m2 of van een woongebouw heeft, opdat snel en veilig
kan worden gevlucht, een vrije doorgang met een breedte van ten minste 0,5
m en een hoogte van ten minste 1,2 m.
2. De weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen twee onafhankelijke
vluchtmogelijkheden is, bepaald volgens NEN 6068, ten minste 20 minuten; dit
geldt niet indien vanaf een toegang van een rookcompartiment als bedoeld in
artikel 3.5, eerste lid, in twee richtingen kan worden gevlucht; onafhankelijke
vluchtmogelijkheden mogen uitsluitend door middel van een zelfsluitende deur
met elkaar in verbinding staan; dit geldt niet indien vanaf een toegang van
een rookcompartiment als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, in twee richtingen
kan worden gevlucht.
3. In de uitwendige scheidingsconstructie van een niet-besloten ruimte
waardoor een vluchtmogelijkheid voert, zijn niet-afsluitbare openingen aanwezig
waarmee een capaciteit voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van rook
wordt bewerkstelligd van ten minste 6 • 10-3 m3/s
per m3 netto-inhoud van die ruimte. Ten aanzien van de bepaling
van de capaciteit is NEN 8087 van overeenkomstige toepassing.
4. Een verblijfsruimte heeft één of meer toegangen met een
totale vrije doorgang van ten minste 1 mm per 1,4 m2 van de vloeroppervlakte,
aangewezen op die toegangen, zij het dat een toegang een vrije doorgang heeft
van ten minste 0,5 m; een rookcompartiment heeft één of meer
toegangen als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, met een totale vrije doorgang
die ten minste gelijk is aan de vrije doorgang van de verblijfsruimten, gelegen
binnen dat rookcompartiment, zij het dat de vrije doorgang niet kleiner mag
zijn dan 1 mm per 2,7 m2 van de gebruiksoppervlakte, aangewezen
op die toegangen.
5. De deur van een toegang van een verblijfsruimte mag niet tegen de vluchtrichting
in draaien, indien het quotiënt van de vloeroppervlakte aan verblijfsruimten,
aangewezen op die toegang, en 10 m2 meer is dan 40; de deur van
een toegang van een rookcompartiment en van een ruimte waardoor een vluchtmogelijkheid
voert, mogen niet tegen de vluchtrichting in draaien, indien het quotiënt
van de gebruiksoppervlakte, aangewezen op die toegang, en 20 m2
meer is dan 40; indien een deur van een verblijfsruimte niet tegen de vluchtrichting
in mag draaien, mag de deur van een rookcompartiment, waarin die verblijfsruimte
ligt, evenmin tegen de vluchtrichting in draaien.
6. Het product van de permanente vuurbelasting en de netto-vloeroppervlakte
van een veiligheidstrappenhuis is per bouwlaag ten hoogste 7.000 MJ; de vuurbelasting
wordt bepaald volgens NEN 6090.
Bestrijding van brand
Artikel 3.7
Een woongebouw en een woning met een gebruiksoppervlakte van meer dan
1.000 m2, waarin een vloer van een verblijfsruimte hoger ligt dan
20 m boven het aansluitende terrein, gemeten ter plaatse van de toegang van
het gebouw, heeft, opdat een beginnende brand kan worden bestreden, een of
meer droge blusleidingen waarvan de inrichting met betrekking tot de drukbestendigheid,
onbrandbaarheid van het materiaal van de leiding, de soorten koppelingen ten
behoeve van de aansluiting van brandslangen, de aanduiding van brandslangaansluitingen
en de aanduiding van voedingsaansluitingen ten minste voldoet aan NEN 1594;
het aantal droge blusleidingen wordt bepaald door de afstand tussen een brandslangaansluiting
van een blusleiding en een toegang van een woning of ruimte, in welke ruimte
met elkaar in verbinding staande gemeenschappelijke verblijfsruimten en daarop
aansluitende gemeenschappelijke verkeersruimten liggen waardoor geen vluchtweg
voert, aangewezen op die aansluiting; die afstand is, gemeten langs de kortste
route, niet groter zijn dan 70 m.
Afdeling 2
Kantoorgebouwen
Beperking van ontwikkeling van brand
Artikel 3.8
Een constructie-onderdeel, met uitzondering van een dak van een kantoorgebouw
behoort, ter beperking van ontwikkeling van brand, bepaald volgens NEN 6065,
tot ten minste klasse 4 van de bijdrage tot brandvoortplanting, bedoeld in
die norm, zij het dat de zijde van een constructie-onderdeel, toegekeerd naar
een vluchtweg, ten minste behoort tot klasse 2; een vloer en een tredevlak
behoren, bepaald volgens NEN 1775, tot ten minste klasse T3 van de bijdrage
tot brandvoortplanting, bedoeld in die norm, zij het dat een vloer en een
tredevlak, waarover een vluchtweg voert, tot klasse T1 behoren; deze voorschriften
gelden niet voor ten hoogste 5% van de totale oppervlakte aan constructie-onderdelen
van elke afzonderlijke ruimte van een kantoorgebouw.
Beperking van uitbreiding van brand
Artikel 3.9
1. Een kantoorgebouw, alsmede een in tabel III aangegeven gedeelte van
een kantoorgebouw is aan te merken als een brandcompartiment.
Tabel III Brandcompartimenten

2. De weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag, bedoeld in NEN 6068,
tussen een brandcompartiment en een andere besloten ruimte, niet zijnde een
toilet- of badruimte, gelegen in hetzelfde gebouw als waar het brandcompartiment
deel van uitmaakt, is, ter beperking van uitbreiding van brand, bepaald volgens
die norm, ten minste 20 minuten; geen eis met betrekking tot de weerstand
tegen branddoorslag en brandoverslag geldt tussen:
a. een brandcompartiment van een kantoorgebouw en een andere besloten
ruimte van dat gebouw, indien in het kantoorgebouw geen vloer van een verblijfsruimte
hoger ligt dan 5 m boven het aansluitende terrein, gemeten ter plaatse van
de toegang van het gebouw;
b. een brandcompartiment en een schacht, koker of kanaal, welke schacht,
koker of welk kanaal voert langs ten hoogste één brandcompartiment
dan wel ligt in en uitsluitend is bestemd voor een of meer boven elkaar gelegen
toilet- of badruimten, en
c. een brandcompartiment en een ander, tot het kantoorgebouw, waarin het
brandcompartiment is gelegen, behorend gebouw met een gebruiksoppervlakte
van ten hoogste 50 m2, welk gebouw is bestemd als bergruimte.
3. In een inwendige scheidingsconstructie tussen een brandcompartiment
en een andere besloten ruimte, niet zijnde het gebouw, bedoeld in het tweede
lid, onderdeel c, bevindt zich geen beweegbaar constructie-onderdeel, anders
dan een zelfsluitende deur.
Beperking van ontstaan van rook
Artikel 3.10
De rookproductie, bedoeld in NEN 6066, van een zijde van een constructie-onderdeel,
toegekeerd naar een besloten ruimte van een kantoorgebouw heeft, ter beperking
van rookproductie, bepaald volgens die norm, geen grotere rookdichtheid dan
10 m-1; dit geldt niet voor ten hoogste 5% van de totale
oppervlakte van de zijden van constructie-onderdelen, toegekeerd naar de besloten
ruimte; indien door de besloten ruimte een vluchtweg voert, is de rookdichtheid
van een constructie-onderdeel niet groter dan 5,4 m-1; dit geldt
niet voor een vloer, een tredevlak en voor ten hoogste 5% van de totale
oppervlakte van de zijden van de overige constructie-onderdelen, toegekeerd
naar de besloten ruimte, mits die 5% gemiddeld geen grotere rookdichtheid
heeft dan 10 m-1.
Beperking van verspreiding van rook
Artikel 3.11
1. Een brandcompartiment van een kantoorgebouw is, opdat bij brand op
veilige wijze het aansluitende terrein kan worden bereikt, verdeeld in één
of meer rookcompartimenten; het aantal rookcompartimenten wordt bepaald door
de afstand tussen een toegang van een rookcompartiment en een punt in een
verblijfsruimte, gelegen in dat rookcompartiment; die afstand mag, gemeten
langs de kortste route, niet groter zijn dan 45 m, zij het dat, indien het
rookcompartiment slechts één toegang heeft:
a. de gebruiksoppervlakte van het rookcompartiment niet groter is dan
500 m2, en
b. de afstand tussen die toegang en een toegang van een verblijfsruimte,
gelegen in dat rookcompartiment, gemeten langs de kortste route, niet groter
is dan 20 m.
2. De afstand tussen een toegang van een verblijfsruimte en een punt in
die ruimte is, gemeten langs de kortste route, niet groter dan 30 m.
3. De weerstand tegen rookdoorgang, bedoeld in NEN 6075, tussen een rookcompartiment
en een andere besloten ruimte, niet zijnde een toilet-, bad- of een gebouw
met een gebruiksoppervlakte van ten hoogste 50 m2, bestemd als
bergruimte, behorend tot het kantoorgebouw, is, bepaald volgens die norm,
ten minste 20 minuten.
4. Een beweegbaar constructie-onderdeel dat zich bevindt in een constructie
die de scheiding vormt tussen een rookcompartiment en een andere besloten
ruimte, niet zijnde een bergruimte als bedoeld in het derde lid, is zelfsluitend.
Vluchten bij brand
Artikel 3.12
1. Een toegang van een rookcompartiment als bedoeld in artikel 3.11, eerste
lid, van een kantoorgebouw ligt aan het aansluitende terrein of aan een ruimte
waardoor twee onafhankelijke vluchtmogelijkheden voeren; de toegang van een
rookcompartiment mag liggen aan een ruimte waardoor één vluchtmogelijkheid
voert, indien:
a. de totale gebruiksoppervlakte van de rookcompartimenten, die op die
ruimte zijn aangewezen, ten hoogste 500 m2 is;
b. het rookcompartiment twee toegangen heeft die elk afzonderlijk leiden
naar ten minste één onafhankelijke vluchtmogelijkheid, of
c. de vluchtmogelijkheid een vluchtweg is, zij het dat op die vluchtweg,
uitgezonderd een vluchtweg die voert door een veiligheidstrappenhuis, ten
hoogste 2.000 m2 gebruiksoppervlakte aan rookcompartimenten is
aangewezen.
2. In een kantoorgebouw waarvan de vloer van een verblijfsruimte hoger
ligt dan 5 m boven het aansluitende terrein, gemeten ter plaatse van de toegang
van dat gebouw, is de weerstand tegen rookdoorgang tussen een besloten ruimte,
niet gelegen op dezelfde bouwlaag als waarop de toegang van het kantoorgebouw
ligt en niet zijnde een toilet-, bad- of technische ruimte met een vloeroppervlakte
van ten hoogste 5 m2 of een liftschacht en een besloten verkeersruimte
waarin een trap ligt, waarover een vluchtmogelijkheid voert, bepaald volgens
NEN 6075, ten minste 20 minuten; een beweegbaar constructie-onderdeel dat
zich bevindt in een inwendige scheidingsconstructie tussen deze ruimten is
zelfsluitend.
3. Een verkeersruimte waarin trappen liggen waarmee een hoogteverschil
van ten minste 12,5 m is overbrugd, voldoet aan de eisen voor een ruimte waardoor
een vluchtweg voert.
Inrichting van vluchtmogelijkheden
Artikel 3.13
1. Een vluchtmogelijkheid van een kantoorgebouw heeft, opdat snel en veilig
kan worden gevlucht, een vrije doorgang met een breedte van ten minste 0,5
m en een hoogte van ten minste 1,2 m; de lengte van een vluchtmogelijkheid,
gelegen in een besloten ruimte, is, gemeten langs de kortste route, niet groter
dan 50 m.
2. De weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen twee onafhankelijke
vluchtmogelijkheden is, bepaald volgens NEN 6068, ten minste 20 minuten; dit
geldt niet indien vanaf een toegang van een rookcompartiment als bedoeld in
artikel 3.12, eerste lid, in twee richtingen kan worden gevlucht; onafhankelijke
vluchtmogelijkheden staan uitsluitend door middel van een zelfsluitende deur
met elkaar in verbinding; dit geldt niet indien vanaf een toegang van het
rookcompartiment in twee richtingen kan worden gevlucht.
3. De uitwendige scheidingsconstructie van een niet-besloten ruimte waardoor
een vluchtmogelijkheid voert, heeft niet-afsluitbare openingen waarmee een
capaciteit voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van rook wordt bewerkstelligd
van ten minste
6.10-3 m3/s per m3 netto-inhoud van die
ruimte; op de bepaling van de capaciteit is NEN 8087 van overeenkomstige toepassing.
4. Een verblijfsruimte heeft één of meer toegangen met een
totale vrije doorgang van ten minste 1 mm per 1,4 m2 van de vloeroppervlakte,
aangewezen op die toegangen, zij het dat een toegang een vrije doorgang heeft
van ten minste 0,5 m; een rookcompartiment heeft één of meer
toegangen als bedoeld in artikel 3.12, eerste lid, met een totale vrije doorgang
die ten minste gelijk is aan de vrije doorgang van de verblijfsruimten, gelegen
binnen dat rookcompartiment, zij het dat de vrije doorgang niet kleiner mag
zijn dan 1 mm per 2,7 m2 van de gebruiksoppervlakte, aangewezen
op die toegangen.
5. De deur van een toegang van een verblijfsruimte mag niet tegen de vluchtrichting
in draaien, indien het quotiënt van de vloeroppervlakte aan verblijfsruimten,
aangewezen op die toegang, en 10 m2 meer is dan 40; de deur van
een toegang van een rookcompartiment en van een ruimte waardoor een vluchtmogelijkheid
voert, mogen niet tegen de vluchtrichting in draaien, indien het quotiënt
van de gebruiksoppervlakte, aangewezen op die toegang, en 20 m2
meer is dan 40; indien een deur van een verblijfsruimte niet tegen de vluchtrichting
in mag draaien, mag de deur van een rookcompartiment, waarin die verblijfsruimte
ligt, evenmin tegen de vluchtrichting in draaien.
6. Het product van de permanente vuurbelasting en de netto-vloeroppervlakte
van een veiligheidstrappenhuis is per bouwlaag ten hoogste 7.000 MJ; de vuurbelasting
wordt bepaald volgens NEN 6090.
Bestrijding van brand
Artikel 3.14
Een kantoorgebouw waarin een vloer van een verblijfsruimte hoger ligt
dan 20 m boven het aansluitende terrein, gemeten ter plaatse van de toegang
van het gebouw, heeft, opdat een beginnende brand kan worden bestreden, één
of meer droge blusleidingen waarvan de inrichting met betrekking tot de drukbestendigheid,
onbrandbaarheid van het materiaal van de leiding, de soorten koppelingen ten
behoeve van de aansluiting van brandslangen, de aanduiding van brandslangaansluitingen
en de aanduiding van voedingsaansluitingen ten minste voldoet aan NEN 1594;
het aantal droge blusleidingen wordt bepaald door de afstand tussen een brandslangaansluiting
van de droge blusleiding en een toegang van een rookcompartiment, aangewezen
op die aansluiting; die afstand is, gemeten langs de kortste route, niet groter
dan 70 m.
Afdeling 3
logiesverblijven en logiesgebouwen
Beperking van ontwikkeling van brand
Artikel 3.15
Een constructie-onderdeel, met uitzondering van een dak van een logiesverblijf,
niet gelegen in een logiesgebouw, en van een logiesgebouw behoort, ter beperking
van ontwikkeling van brand, bepaald volgens NEN 6065, tot ten minste klasse
4 van de bijdrage tot brandvoortplanting, bedoeld in die norm, zij het dat
de zijde van een constructie-onderdeel, toegekeerd naar een vluchtmogelijkheid,
tot ten minste klasse 2 behoort; een vloer en een tredevlak behoren, bepaald
volgens NEN 1775, tot ten minste klasse T3 van de bijdrage tot brandvoortplanting,
bedoeld in die norm, zij het dat een vloer en een tredevlak waarover een vluchtweg
voert, tot klasse T1 behoren; deze voorschriften gelden niet voor ten hoogste
5% van de totale oppervlakte aan constructie-onderdelen van elke afzonderlijke
ruimte van een logiesverblijf of van een logiesgebouw.
Beperking van uitbreiding van brand
Artikel 3.16
1. Een logiesverblijf, niet gelegen in een logiesgebouw, en een logiesgebouw,
alsmede een in tabel IV aangegeven gedeelte van een logiesverblijf met een
gebruiksoppervlakte van meer dan 1.000 m2 en van een logiesgebouw,
zijn aan te merken als een brandcompartiment.
Tabel IV Brandcompartimenten

2. Voorts zijn als brandcompartiment aan te merken:
a. een in een logiesgebouw gelegen logiesverblijf, en
b. een in een logiesgebouw gelegen besloten ruimte bestaande uit met elkaar
in verbinding staande gemeenschappelijke verblijfsruimten en daarop aansluitende
gemeenschappelijke verkeersruimten, waardoor geen vluchtweg voert.
3. De weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag, bedoeld in NEN 6068,
tussen een brandcompartiment en een andere besloten ruimte, niet zijnde een
toilet- of badruimte, die in hetzelfde logiesverblijf of logiesgebouw ligt
als waarvan het brandcompartiment deel uitmaakt, is, ter beperking van uitbreiding
van brand, bepaald volgens die norm, ten minste 20 minuten; geen eis met betrekking
tot de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag geldt tussen:
a. een brandcompartiment en een schacht, koker of kanaal, welke schacht,
koker of welk kanaal voert langs ten hoogste één brandcompartiment
dan wel ligt in en uitsluitend is bestemd voor een of meer boven elkaar gelegen
toilet- of badruimten, en
b. een brandcompartiment en een ander, tot het logiesverblijf of het logiesgebouw,
waarin het brandcompartiment is gelegen, behorend gebouw met een gebruiksoppervlakte
van ten hoogste 50 m2, welk gebouw is bestemd als bergruimte.
4. In een inwendige scheidingsconstructie tussen een brandcompartiment
en een andere besloten ruimte, niet zijnde het gebouw, bedoeld in het derde
lid, onder b, bevindt zich geen beweegbaar constructie-onderdeel bevinden,
anders dan een zelfsluitende deur; dit voorschrift geldt niet een toegang
van een logiesverblijf en van een besloten ruimte als bedoeld in het tweede
lid.
Beperking van ontstaan van rook
Artikel 3.17
De rookproductie, bedoeld in NEN 6066, van een zijde van een constructie-onderdeel,
toegekeerd naar een besloten ruimte, van een logiesverblijf, niet gelegen
in een logiesgebouw, en van een logiesgebouw heeft, ter beperking van rookproductie,
bepaald volgens die norm, geen grotere rookdichtheid dan 10 m-1;
dit geldt niet voor ten hoogste 5% van de totale oppervlakte van de
zijden van constructie-onderdelen, toegekeerd naar de besloten ruimte; indien
door de besloten ruimte een vluchtweg voert, is de rookdichtheid van een constructie-onderdeel
niet groter dan 5,4 m-1; dit geldt niet voor een vloer, een tredevlak
en voor ten hoogste vijf procent van de totale oppervlakte van de zijden van
de overige constructie-onderdelen, toegekeerd naar de besloten ruimte, mits
die vijf procent gemiddeld geen grotere rookdichtheid heeft dan tien m-1.
Beperking van verspreiding van rook
Artikel 3.18
1. Een brandcompartiment als bedoeld in artikel 3.16, eerste lid, van
een logiesverblijf met een gebruiksoppervlakte van meer dan 1.000 m2 en van een logiesgebouw, is, opdat bij brand op veilige wijze het aansluitende
terrein kan worden bereikt, verdeeld in één of meer rookcompartimenten;
het aantal rookcompartimenten wordt bepaald door de afstand tussen een toegang
van een rookcompartiment en een punt in een verblijfsruimte, gelegen in dat
rookcompartiment; die afstand is, gemeten langs de kortste route, niet groter
dan 45 m, zij het dat, indien het rookcompartiment slechts één
toegang heeft:
a. de gebruiksoppervlakte van het rookcompartiment niet groter is dan
500 m2, en
b. de afstand tussen die toegang en een toegang van een logiesverblijf
of besloten ruimte, bedoeld in artikel 3.16, tweede lid, onder b, gelegen
in dat rookcompartiment, gemeten langs de kortste route, niet groter is dan
25 m.
2. De afstand tussen een toegang van een verblijfsruimte en een punt in
die ruimte is, gemeten langs de kortste route, niet groter dan 30 m.
3. De weerstand tegen rookdoorgang, bedoeld in NEN 6075, tussen een rookcompartiment
en een andere besloten ruimte, niet zijnde een toilet-, bad- of een gebouw
met een gebruiksoppervlakte van ten hoogste 50 m2, bestemd als
bergruimte, behorend tot het logiesverblijf, niet gelegen in een logiesgebouw,
of logiesgebouw, is, bepaald volgens die norm, ten minste 20 minuten.
4. Een beweegbaar constructie-onderdeel dat zich bevindt in een constructie
die de scheiding vormt tussen een rookcompartiment en een andere besloten
ruimte, niet zijnde het gebouw als bedoeld in het derde lid, is zelfsluitend;
dit geldt niet voor een toegang van een logiesverblijf en van een besloten
ruimte als bedoeld in artikel 3.16, tweede lid, onder b.
Vluchten bij brand
Artikel 3.19
1. Een toegang van een rookcompartiment als bedoeld in artikel 3.18, eerste
lid, van een logiesverblijf met een gebruiksoppervlakte van meer dan 1.000
m2 en van een logiesgebouw ligt aan het aansluitende terrein of
aan een ruimte waardoor twee onafhankelijke vluchtmogelijkheden voeren; de
toegang van een rookcompartiment mag liggen aan een ruimte waardoor één
vluchtmogelijkheid voert, indien:
a. de totale gebruiksoppervlakte van de rookcompartimenten, die op die
ruimte zijn aangewezen, ten hoogste 500 m2 is;
b. het rookcompartiment twee toegangen heeft die elk afzonderlijk leiden
naar ten minste één onafhankelijke vluchtmogelijkheid, of
c. de vluchtmogelijkheid een vluchtweg is, zij het dat op die vluchtweg,
uitgezonderd een vluchtweg die voert door een veiligheidstrappenhuis, ten
hoogste 1.000 m2 gebruiksoppervlakte aan rookcompartimenten is
aangewezen.
2. In een logiesgebouw waarvan de vloer van een verblijfsruimte hoger
ligt dan 5 m boven het aansluitende terrein, gemeten ter plaatse van de toegang
van dat gebouw, is de weerstand tegen rookdoorgang tussen een besloten ruimte,
niet gelegen op dezelfde bouwlaag als waarop de toegang van het logiesgebouw
ligt en niet zijnde een toilet-, bad- of technische ruimte met een vloeroppervlakte
van ten hoogste 5 m2 of een liftschacht en een besloten verkeersruimte
waarin een trap ligt, waarover een vluchtmogelijkheid voert, bepaald volgens
NEN 6075, ten minste 20 minuten; een beweegbaar constructie-onderdeel dat
zich bevindt in een inwendige scheidingsconstructie tussen deze ruimten is
zelfsluitend.
3. Een verkeersruimte waarin trappen liggen waarmee een hoogteverschil
van ten minste 12,5 m is overbrugd, voldoet aan de eisen voor een ruimte waardoor
een vluchtweg voert.
Inrichting van vluchtmogelijkheden
Artikel 3.20
1. Een vluchtmogelijkheid van een logiesverblijf met een gebruiksoppervlakte
van meer dan 1.000 m2 en van een logiesgebouw heeft, opdat snel
en veilig kan worden gevlucht, een vrije doorgang met een breedte van ten
minste 0,5 m en een hoogte van ten minste 1,2 m; de lengte van een vluchtmogelijkheid,
gelegen in een besloten ruimte, is, gemeten langs de kortste route, niet groter
dan 35 m.
2. De weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen twee onafhankelijke
vluchtmogelijkheden is, bepaald volgens NEN 6068, ten minste 20 minuten; dit
geldt niet indien vanaf een toegang van een rookcompartiment als bedoeld in
artikel 3.18, eerste lid, in twee richtingen kan worden gevlucht; onafhankelijke
vluchtmogelijkheden staan uitsluitend door middel van een zelfsluitende deur
met elkaar in verbinding; dit geldt niet indien vanaf een toegang van het
rookcompartiment in twee richtingen kan worden gevlucht.
3. De uitwendige scheidingsconstructie van een niet-besloten ruimte waardoor
een vluchtmogelijkheid voert, heeft niet-afsluitbare openingen waarmee een
capaciteit voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van rook wordt bewerkstelligd
van ten minste
6.10-3m3/s per m3 netto-inhoud van die
ruimte; op de bepaling van de capaciteit is NEN 8087 van overeenkomstige toepassing.
4. Een verblijfsruimte heeft één of meer toegangen met een
totale vrije doorgang van ten minste 1 mm per 1,4 m2 van de vloeroppervlakte,
aangewezen op die toegangen, zij het dat een toegang een vrije doorgang heeft
van ten minste 0,5 m; een rookcompartiment heeft één of meer
toegangen als bedoeld in artikel 3.19, eerste lid, met een totale vrije doorgang
die ten minste gelijk is aan de vrije doorgang van de verblijfsruimten, gelegen
binnen dat rookcompartiment, zij het dat de vrije doorgang niet kleiner mag
zijn dan 1 mm per 2,7 m2 van de gebruiksoppervlakte, aangewezen
op die toegangen.
5. De deur van een toegang van een verblijfsruimte mag niet tegen de vluchtrichting
in draaien, indien het quotiënt van de vloeroppervlakte aan verblijfsruimten,
aangewezen op die toegang, en 10 m2 meer is dan 40; de deur van
een toegang van een rookcompartiment en van een ruimte waardoor een vluchtmogelijkheid
voert, mogen niet tegen de vluchtrichting in draaien, indien het quotiënt
van de gebruiksoppervlakte, aangewezen op die toegang, en 20 m2
meer is dan 40; indien een deur van een verblijfsruimte niet tegen de vluchtrichting
in mag draaien, mag de deur van een rookcompartiment waarin die verblijfsruimte
ligt, evenmin tegen de vluchtrichting in draaien.
6. Het product van de permanente vuurbelasting en de netto-vloeroppervlakte
van een veiligheidstrappenhuis is per bouwlaag ten hoogste 7.000 MJ; de vuurbelasting
wordt bepaald volgens NEN 6090.
Bestrijding van brand
Artikel 3.21
Een logiesgebouw waarin een vloer van een verblijfsruimte hoger ligt dan
20 m boven het aansluitende terrein, gemeten ter plaatse van de toegang van
het gebouw, heeft, opdat een beginnende brand kan worden bestreden, één
of meer droge blusleidingen waarvan de inrichting met betrekking tot de drukbestendigheid,
onbrandbaarheid van het materiaal van de leiding, de soorten koppelingen ten
behoeve van de aansluiting van brandslangen, de aanduiding van brandslangaansluitingen
en de aanduiding van voedingsaansluitingen ten minste voldoet aan NEN 1594;
het aantal droge blusleidingen wordt bepaald door de afstand tussen een brandslangaansluiting
van de droge blusleiding en een toegang van een logiesverblijf of besloten
ruimte als bedoeld in artikel 3.16, tweede lid, onder b, aangewezen op die
aansluiting; die afstand is, gemeten langs de kortste route, niet groter dan
70 m.
Afdeling 4
Bepaling van de luchtdichtheid van een voorziening voor de afvoer van
rook met het oog op het voorkomen van brand
Luchtdichtheid
Artikel 3.22
De luchtdichtheid van een voorziening voor de afvoer van rook is, bepaald
volgens NEN 8062, kleiner dan 15 m3/h.
Hoofdstuk IV Luchtverversing, verbrandingslucht en rook
Afdeling 1
Bepalingsmethode voor de capaciteit van een voorziening voor de toevoer
van verse lucht en de afvoer van binnenlucht van bestaande bouwwerken
Artikel 4.1
Op de bepaling van de capaciteit van een voorziening voor de toevoer van
verse lucht en de afvoer van binnenlucht van een bestaande woningen, woongebouwen,
woonwagens, niet tot bewoning bestemde gebouwen en van bestaande bouwwerken,
geen gebouw zijnde, is NEN 8087 van toepassing.
Afdeling 2
Inrichting en capaciteit van een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht
en de afvoer van rook van bestaande bouwwerken
Artikel 4.2
1. De verticale afstand van de onderzijde van een instroomopening tot
het hoogste snijpunt van de voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht
met het dakvlak respectievelijk tot het aansluitende terrein is ten minste
0,3 m. Deze afstand wordt bepaald met een onnauwkeurigheid van ten hoogste
10 mm.
2. De richting van de luchtstroming voor de toevoer van verbrandingslucht
vindt, bepaald volgens NEN 8087, plaats vanaf een andere ruimte of vanaf buiten
naar de opstelplaats van een verbrandingstoestel; bij de bepaling van de richting
van de luchtstroming blijven bouwwerken of daarmee gelijk te stellen belemmeringen,
die zich niet bevinden op het perceel waarop het gebouw ligt, buiten beschouwing.
3. De voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht voor een verbrandingstoestel
met een nominale belasting van ten hoogste 130 kW heeft een capaciteit als
aangegeven in tabel V; bij een verbrandingstoestel met een belasting van meer
dan 130 kW is de capaciteit zodanig dat de verbranding in het toestel doeltreffend
plaatsvindt; op het bepalen van de capaciteit is NEN 8087 van overeenkomstige
toepassing.
Tabel V Benodigde hoeveelheid verbrandingslucht

1 Open toestel zonder trekonderbreker, met ingebouwde ventilator
2 Open toestel met trekonderbreker
3 Blokkenvuurtoestel type II
4 Rekenwaarde voor de belasting 15 kW
Artikel 4.3
1. De afvoercapaciteit van een voorziening voor de afvoer van rook voor
een open toestel zonder ventilator is, bepaald volgens NEN 2757, ten minste
gelijk aan de normaalvolumestroom van de rook bij de nominale belasting van
het op te stellen verbrandingstoestel; voor de normaalvolumestroom geldt voor
toestellen, behalve kooktoestellen en warmwatertoestellen met een nominale
belasting tot 15 kW:

waarin:
qvn is de normaalvolumestroom in m3/s;
B is de nominale belasting van het toestel in kW;
Vgn is het specifiek normaalvolume van rook in m3/kJ,
aan te houden als 0,27 x 10-3 m3/kJ;
n’ is de verdunningsfactor volgens tabel VI.
Tabel VI Verdunningsfactoren bij natuurlijke afvoer

1 Open toestel met trekonderbreker
2. De afvoercapaciteit van een voorziening voor de afvoer van rook voor
een open toestel met ventilator is, bepaald volgens NEN 2757, ten minste gelijk
aan de door de toestelventilator opgewekte volumestroom volgens de toestelspecificatie,
welke noodzakelijk is voor de goede werking van het toestel; voor de normaalvolumestroom
geldt:

waarin:
qvn is de normaalvolumestroom in m3/s;
B is de nominale belasting van het toestel in kW;
Vgn is het specifiek normaalvolume van rook in m3/kJ,
aan te houden als 0,27 x 10-3m3/kJ;
n’ is de verdunningsfactor volgens tabel VII.
Tabel VII Verdunningsfactoren bij open toestellen met
een ingebouwde ventilator

3. De afvoercapaciteit van een mechanische voorziening voor de afvoer
van rook is, bepaald volgens NEN 2757, ten minste gelijk zijn aan de normaalvolumestroom
van de rook bij nominale belasting van het op te stellen toestel. Voor de
normaalvolumestroom geldt voor toestellen, behalve kooktoestellen en warmwatertoestellen
met een nominale belasting tot 15 kW:

waarin:
qvn is de normaalvolumestroom in m3/s;
B is de nominale belasting van het toestel in kW;
Vgn is het specifiek normaalvolume van rook in m3/kJ,
aan te houden als 0,27 x 10-3m3/kJ;
n’ is de verdunningsfactor volgens tabel VIII.
Tabel VIII Verdunningsfactoren open toestellen zonder
ventilatoren bij een mechanische afvoer

1 Open toestel met trekonderbreker
De waarde voor n’ bedraagt bij aardgas 4,1 ≤ n’ ≤ 6,1.
4. De afvoercapaciteit van een gecombineerde voorziening voor de afvoer
van binnenlucht en voor de afvoer van rook is, bepaald volgens NEN 2757, ten
minste gelijk aan de som van de normaalvolumestroom volgens het derde lid
en de vereiste ventilatiecapaciteit.
5. Het drukverschil van een CLV-systeem is, bepaald volgens NEN 2757,
positief.
6. Bij een verbrandingstoestel met een nominale belasting als bedoeld
in NEN 2757, van meer dan 130 kW is de voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht
en de afvoer van rook, voor zover het de afvoer van rook betreft, zodanig
dat de afvoer met een capaciteit, afgestemd op dat toestel, kan plaatsvinden.
7. De stromingsrichting in de voorziening voor de afvoer van rook is,
bepaald volgens NEN 2757, vanaf een instroomopening van de afvoervoorziening
naar buiten gericht; bij de bepaling van de stromingsrichting blijven bouwwerken
en daarmee gelijk te stellen belemmeringen, die zich niet bevinden op het
perceel waarop de woning, het woongebouw of het niet tot bewoning bestemde
gebouw ligt, buiten beschouwing; de voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht
en de afvoer van rook, voor zover die voorziening is bestemd voor natuurlijke
afvoer van rook, heeft een goed functionerende kap.
8. De toelaatbare rookdoorlatendheid bij een overdrukvoorziening voor
de afvoer van rook is bij een drukverschil van 200 Pa, bepaald volgens NEN
2757, ten hoogste 0,005 x 10-3 m3/s per m2
inwendige oppervlakte.
Hoofdstuk V Nadere voorschriften omtrent de toepassing
van normen
NEN 1087
Artikel 5.1
Waar in het Besluit voor de staat van bestaande bouwwerken uit het oogpunt
van gezondheid is verwezen naar NEN 1087, is bedoeld: NEN 8087, 1e druk, mei
1997.
NEN 1594
Artikel 5.2
Waar in hoofdstuk III is verwezen naar NEN 1594, is bedoeld: NEN 1594,
2e druk, juni 1991, inclusief wijzigingsblad NEN 1594/A1, mei 1997.
NEN 1775
Artikel 5.3
Waar in het Besluit en hoofdstuk III voor de staat van bestaande bouwwerken
is verwezen naar NEN 1775, is bedoeld: NEN 1775, 2e druk, november 1991, inclusief
wijzigingsblad NEN 1775/A1, mei 1997.
NEN 2057
Artikel 5.4
Waar in het Besluit voor de staat van bestaande bouwwerken is verwezen
naar NEN 2057, is bedoeld: NEN 2057, 1e druk, maart 1991, inclusief wijzigingsblad
NEN 2057/A1, mei 1997, zij het dat onderdeel 5.1 als volgt wordt gelezen:
Projecteer de delen van de daglichtopening loodrecht op het projectievlak.
NEN 2580
Artikel 5.5
Waar in het Besluit voor de staat van bestaande bouwwerken is verwezen
naar NEN 2580, is bedoeld: NEN 2580, 2e druk, mei 1997.
NEN 2608
Artikel 5.6
Waar in hoofdstuk II is verwezen naar NEN 2608, is bedoeld: NEN 2608,
3e druk, juni 1991, inclusief wijzigingsblad NEN 2608/A1, mei 1997, zij het
dat:
a. de onderdelen 4.1, 4.2 en 5.1 van deze norm buiten toepassing blijven,
en
b. ten aanzien van de verwijzing in onderdeel 4.3.3 naar NEN 6700, NEN
6710, NEN 6760, en NEN 6770, onderscheidenlijk de artikelen 5.20, 5.23, 5.25,
of 5.26 van toepassing zijn.
NEN 2757
Artikel 5.7
Waar in hoofdstuk IV is verwezen naar NEN 2757, is bedoeld: NEN 2757,
2e druk, mei 1997, zij het dat:
a. de in het normblad opgenomen voorwaarden met betrekking tot de aan
te houden afstanden tot de perceelsgrens, het hart van de openbare weg, het
openbaar water of het hart van het openbaar groen buiten toepassing blijven;
b. onderdeel 5.2.3 als volgt wordt gelezen:
5.2.3 Bepaal of de uitmonding zich bevindt op een hoogte van:
a. ten minste 0,5 m boven een denkbeeldig, aan een uitwendige scheidingsconstructie
rakend vlak met een helling van 15° ten opzichte van een horizontaal vlak,
voor zover dat hellende vlak zich bevindt boven de snijpunten met de verticale
raaklijn met de uitwendige scheidingsconstructie, en
b. ten minste 0,5 m boven een uitwendige scheidingsconstructie.
Indien aan het bovenstaande toepassing is gegeven, is de stromingsrichting
van binnen naar buiten gericht.;
c. in onderdeel 7.1.2.3.2 de zinsnede ’moeten zijn afgedicht’
als volgt wordt gelezen: moeten zijn afgesloten;
d. onderdeel 7.1.4.2.2 als volgt wordt gelezen:
7.1.4.2.2 Voorwaarden
a) Uitmonding van een voorziening voor de afvoer van rook in een dak
De uitmondingshoogte moet ten minste 0,3 m bedragen, en
b) Instroomopeningen van een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht
De instroomopening voor verbrandingsluchttoevoer moet zich in hetzelfde
dakvlak of een aangrenzend gevelvlak met dezelfde oriëntatie bevinden
als de uitmonding van de voorziening voor de afvoer van rook (zie figuur 8).;
e. onderdeel 7.1.4.2.5 als volgt wordt gelezen:
7.1.4.2.5 Bepaling van de extra weerstand op de uitmonding in een
dak
De extra weerstand op de uitmonding bedraagt:
- 0 Pa voor een uitmonding die zich op een hoogte bevindt van:
a) ten minste 0,5 m boven een denkbeeldig, aan een uitwendige scheidingsconstructie
rakend vlak, met een helling van 15° ten opzichte van een denkbeeldig,
horizontaal liggend vlak voor zover dat hellende vlak zich onder de raaklijn
met de uitwendige scheidingsconstructie bevindt, en
b) ten minste 0,5 m boven een uitwendige scheidingsconstructie bevindt;
en
- voor alle andere uitmondingen:
Δpuit is 10 Pa.;
f. de eerste zin van onderdeel 7.1.4.2.6 als volgt wordt gelezen:
Bij de uitmonding in een gevel moet rekening worden gehouden met een waarde
voor de extra weerstand op de uitmonding:
Δpuit is 10 Pa.;
g. de eerste zin van onderdeel 7.1.5.2.1 als volgt wordt gelezen:
De bepalingsmethode berust op het controleren van de beschikbare trek
bij een vastgestelde volumestroom, rekening houdend met de door de mechanische
voorziening opgewekte onderdruk in de opstelruimte van 10 Pa, en
h. in de onderdelen 7.1.5.2.3, 7.1.5.3.1 en 7.1.5.3.3 25 Pa telkens wordt
gelezen als: 10 Pa.
NEN 2778
Artikel 5.8
Waar in het Besluit voor de staat van bestaande bouwwerken is verwezen
naar NEN 2778, is bedoeld: NEN 2778, 1e druk, oktober 1991, inclusief wijzigingsblad
NEN 2778/A1, mei 1997.
NEN 3215
Artikel 5.9
Waar in het Besluit voor de staat van bestaande bouwwerken is verwezen
naar NEN 3215, is bedoeld: NEN 3215, 2e druk, mei 1997.
NEN 6061
Artikel 5.10
Waar in het Besluit voor de staat van bestaande bouwwerken is verwezen
naar NEN 6061, is bedoeld: NEN 6061, 1e druk van juli 1991, inclusief wijzigingsblad
NEN 6061/A1, mei 1997.
NEN 6062
Artikel 5.11
Waar in het Besluit voor de staat van bestaande bouwwerken is verwezen
naar NEN 6062 is bedoeld: NEN 8062, 1e druk, oktober 1995, inclusief wijzigingsblad
NEN 8062/A1, mei 1997.
NEN 6063
Artikel 5.12
Waar in het Besluit voor de staat van bestaande bouwwerken is verwezen
naar NEN 6063, is bedoeld: NEN 6063, 1e druk, juli 1991, inclusief wijzigingsblad
NEN 6063/A1, mei 1997.
NEN 6064
Artikel 5.13
Waar in het Besluit voor de staat van bestaande bouwwerken is verwezen
naar NEN 6064, is bedoeld: NEN 6064, 1e druk, oktober 1991, inclusief wijzigingsblad
NEN 6064/A1, mei 1997.
NEN 6065
Artikel 5.14
Waar in het Besluit en hoofdstuk III voor de staat van bestaande bouwwerken
is verwezen naar NEN 6065, is bedoeld: NEN 6065, 1e druk, november 1991, inclusief
wijzigingsblad NEN 6065/A1, mei 1997.
NEN 6066
Artikel 5.15
Waar in het Besluit en hoofdstuk III voor de staat van bestaande bouwwerken
is verwezen naar NEN 6066, is bedoeld: NEN 6066, 1e druk, november 1991, inclusief
wijzigingsblad NEN 6066/A1, mei 1997.
NEN 6068
Artikel 5.16
Waar in het Besluit en hoofdstuk III voor de staat van bestaande bouwwerken
is verwezen naar NEN 6068, is bedoeld: NEN 6068, 1e druk, december 1991, inclusief
wijzigingsblad NEN 6068/A1, mei 1997, zij het dat:
a. ten aanzien van de eerste volzin van onderdeel 5.4 en in de onderdelen
6.1.1 en 6.2.1 de verwijzingen naar de normen NEN 6071, NEN 6072 en NEN 6073,
buiten toepassing blijven, en
b. ten aanzien van de verwijzing in de onderdelen 5.3, 5,4, 6.1.1 en 6.2.1
naar NEN 6069, artikel 5.17 van toepassing is.
NEN 6069
Artikel 5.17
Waar in het Besluit en hoofdstuk III voor de staat van bestaande bouwwerken
is verwezen naar NEN 6069, is bedoeld: NEN 6069, 1e druk, oktober 1991, inclusief
wijzigingsblad NEN 6069/A1, mei 1997, zij het dat in bijlage A onderdeel 1.1
als volgt wordt gelezen:
Ga bij het bepalen van de belasting op het proefstuk (Fspe)
ten minste uit van de bij brand maatgevende belasting (Fbp), zoals
deze volgt uit:
a. de rekenwaarde van de op de bouwconstructie aangrijpende belastingscombinaties,
bedoeld in artikel 2.2 van de Regeling Bouwbesluit bestaande bouw; en
b. de berekening van de respons van de bouwconstructie volgens de methoden,
bedoeld in artikel 2.3 van de onder a bedoelde regeling.
NEN 6075
Artikel 5.18
Waar in het Besluit en hoofdstuk III voor de staat van bestaande bouwwerken
is verwezen naar NEN 6075, is bedoeld: NEN 6075, 1e druk, juli 1991, inclusief
wijzigingsblad NEN 6075/A1, mei 1997, zij het dat ten aanzien van de verwijzing
in hoofdstuk 6 naar NEN 6069, artikel 5.17 van toepassing is.
NEN 6090
Artikel 5.19
Waar in hoofdstuk III is verwezen naar NEN 6090, is bedoeld: NEN 6090,
2e druk, mei 1997.
NEN 6700
Artikel 5.20
Waar in hoofdstuk II is verwezen naar NEN 6700, is bedoeld: NEN 6700,
1e druk, april 1991, inclusief wijzigingsblad NEN 6700/A1, mei 1997, zij het
dat:
a. ten aanzien van de verwijzing in hoofdstuk 3 naar NEN 6702, artikel
5.21 van toepassing is;
b. onderdeel 5.2.3 als volgt wordt gelezen:
5.2.3 De referentieperiode voor een bouwconstructie is ten minste één
jaar.;
c. onderdeel 5.3.3 als volgt wordt gelezen:
5.3.3 Bouwconstructies moeten zodanig zijn ontworpen dat het bezwijken
van een onderdeel ten gevolge van brand niet tot onevenredig grote schade
leidt.;
d. tabel 1, behorende bij onderdeel 5.3.4 als volgt wordt gelezen:
Tabel 1 ‐ Veiligheidsklassen voor bouwconstructies
met betrekking tot de gevolgen van bezwijken

e. in onderdeel 6.1.1 de laatste volzin buiten toepassing blijft;
f. onderdeel 6.1.2 buiten toepassing blijft;
g. onderdeel 8.3.1 als volgt wordt gelezen:
8.3.1 Bij de beoordeling moet zijn uitgegaan van de feitelijke geometrie
van de bouwconstructie.;
h. onderdeel 8.3.3 buiten toepassing blijft, en
i. onderdeel 9.4 buiten toepassing blijft.
NEN 6702
Artikel 5.21
Waar in het Besluit en in hoofdstuk II voor de staat van bestaande bouwwerken
is verwezen naar NEN 6702, is bedoeld: NEN 6702, 1e druk, december 1991, inclusief
wijzigingsblad NEN 6702/A1, mei 1997, zij het dat:
a. ten aanzien van de verwijzing in onderdeel 5.1 naar NEN 6700 artikel
5.20 van toepassing is;
b. ten aanzien van de verwijzing in de onderdelen 6.4.1.4 naar NEN 6710,
NEN 6720, NEN 6760, NEN 6770 en NEN 6790 onderscheidenlijk de artikelen 5.23
t.m. 5.27 van toepassing zijn;
c. tabel 2, behorende bij onderdeel 5.2.1, als volgt wordt gelezen:
Tabel 2 - Belastingsfactoren uiterste grenstoestand

d. de onderdelen 5.2.2 en 5.3 buiten toepassing blijven;
e. onderdeel 5.5.1 als volgt wordt gelezen:
5.5.1 Voor de beoordeling van de constructieve veiligheid van bestaande
bouwwerken bedraagt de referentieperiode 1 jaar.;
f. in onderdeel 5.5.2 voor ’t’ wordt gelezen:
t is de referentieperiode die moet zijn gebruikt voor de bepaling van
de reductiefactor voor de gelijkmatig verdeelde belasting, in jaren, volgens
5.5.1.;
g. in onderdeel 6.1.1 bij het laatste aandachtstreepje wordt gelezen:
- bijzondere belastingen moeten zijn ontleend aan 9.2.;
h. de onderdelen 6.2.3, 6.3, 6.4.2 en 6.4.3 buiten toepassing blijven;
i. onderdeel 7.1.2.1 als volgt wordt gelezen:
7.1.2.1 Het gewicht van bouwwerken moet zijn berekend op grond van de
werkelijke afmetingen en het gemiddelde gewicht per volume van het materiaal.;
j. onderdeel 7.1.3.2 als volgt wordt gelezen:
7.1.3.2 Niet-dragende binnenwanden moeten in rekening zijn gebracht als
lijnlast.;
k. ten aanzien van de verwijzing in onderdeel 7.3 naar NEN 6720, artikel
5.24 van toepassing is;
l. onderdeel 8.2.5.3 buiten toepassing blijft;
m. onderdeel 8.3.2.1 als volgt wordt gelezen:
8.3.2.1 Voor de bepaling van de belasting door goederen en transportmiddelen
moet zijn uitgegaan van de ten tijde van de verlening van bouwvergunning berekende
vloerbelasting in relatie tot de oorspronkelijke bestemming van die vloer.;
n. in onderdeel 8.5.2:
1°. de eerste volzin van de tweede alinea als volgt wordt gelezen:
Afhankelijk van het beladen gewicht van de voertuigen, waarvan bij de
verlening van bouwvergunning is uitgegaan, moet voor deze belastingen zijn
aangehouden:, en
2°. de eerste volzin van het derde aandachtstreepje als volgt wordt
gelezen:
De belasting moet zijn bepaald op basis van het zwaarst mogelijke voertuig
dat van de garage gebruik maakt., en
o. in onderdeel 8.8.2 de eerste volzin als volgt wordt gelezen:
De belastingen die optreden als gevolg van temperatuurvariaties moeten
zijn gebaseerd op de grootte van de optredende temperatuurvariaties, zij het
dat ten minste moet zijn gerekend op temperaturen volgens tabel 6.
NEN 6707
Artikel 5.22
Waar in hoofdstuk II is verwezen naar NEN 6707, is bedoeld: NEN 6707,
1e druk, september 1991, inclusief wijzigingsblad NEN 6707/A1, mei 1997, zij
het dat:
a. ten aanzien van de verwijzing in onderdeel 9.1 alsmede bijlage A4 naar
NEN 6702 artikel 5.21 van toepassing is;
b. onderdeel 5.1 buiten toepassing blijft, en
c. hoofdstuk 8 buiten toepassing blijft.
NEN 6710
Artikel 5.23
Waar in hoofdstuk II is verwezen naar NEN 6710, is bedoeld: NEN 6710,
1e druk, december 1991, inclusief wijzigingsblad NEN 6710/A1, mei 1997, zij
het dat:
a. ten aanzien van de verwijzing in hoofdstuk 12 naar NEN 6770 artikel
5.26 van toepassing is;
b. de onderdelen 5.1 en 7.1.3.1 buiten toepassing blijven;
c. in de onderdelen 7.1.3.2 en 7.1.4.1 telkens de eerste volzin buiten
toepassing blijft;
d. onderdeel 7.2 en hoofdstuk 8 buiten toepassing blijven;
e. onderdeel 9.3.2.1 als volgt wordt aangevuld:
Indien het toegepaste lasproces niet bekend is, moeten de waarden voor
TIG van tabel 8 zijn aangehouden.;
f. onderdeel 9.3.2.2 als volgt wordt aangevuld:
Indien het gebruikte toevoegmateriaal niet bekend is, moeten de laagste
waarden van tabel 9 zijn aangehouden.;
g. onderdeel 10.3 als volgt wordt gelezen:
De toetsing of de uiterste grenstoestanden niet zijn overschreden dient
te zijn uitgevoerd volgens de rekenregels gegeven in 10.3.1.;
h. onderdeel 10.3.2 buiten toepassing blijft;
i. in de onderdelen 13.2.2, 13.2.3.1, 13.2.3.3 en 13.3.1 telkens de eerste
volzin buiten toepassing blijft;
j. onderdeel 13.2.3.5 buiten toepassing blijft;
k. in onderdeel 13.3.2.1 de tweede volzin buiten toepassing blijft;
l. in onderdeel 13.3.3.2b de alinea die begint met de zinsnede ’Indien
volgens het lasproces, als bedoeld in 7.2.2’ en eindigt met de zinsnede ’uit
de resultaten van de kwalificatieproeven te bepalen’, buiten toepassing
blijft, en
m. onderdeel 13.4.1 buiten toepassing blijft.
NEN 6720
Artikel 5.24
Waar in hoofdstuk II is verwezen naar NEN 6720, is bedoeld: NEN 6720,
2e druk, september 1995, inclusief wijzigingsblad NEN 6720/A1, mei 1997, zij
het dat:
a. ten aanzien van de verwijzing in onderdeel 4.1.2.2 naar NEN 6700, artikel
5.20 van toepassing is;
b. onderdeel 4.3 buiten toepassing
blijft;
c. de onderdelen 5.1.1.2 tot en met 5.1.1.4, 5.1.2 tot en met 5.1.5, alsmede
5.2 buiten toepassing blijven;
d. in onderdeel 6.1.1 de definitie van f’ck als volgt
wordt gelezen:
f’ck is de korteduur karakteristieke kubusdruksterkte
(kubusribbe 150 mm), waarvoor moet worden aangehouden de ondergrens van het
eenzijdige overdekkingsinterval voor een fractie g = 0,95 en een onbetrouwbaarheidsdrempel
a = 0,4, bepaald door middel van onderzoek aan de constructie;
e. in onderdeel 6.1.2 de eerste volzin als volgt wordt gelezen:
Treksterkte
De rekenwaarde van de treksterkte fb moet zijn bepaald uit:

waarin:
a. fbrep is de laagste waarde van:
1°. de waarde van de karakteristieke korteduur splijttreksterkte (kubusribbe
150 mm), bepaald door middel van onderzoek aan de constructie, of
2°. fbrep = 1,05 + 0,05 f’ck, in N/mm2, en
b. gm is 1,4.;
f. onderdeel 6.1.3 als volgt wordt gelezen:
De representatieve waarde en de rekenwaarde van de elasticiteitsmodulus
E’b is de laagste waarde van:
a. 0,9 van de waarde van de elasticiteitsmodulus in de oorsprong van
de spanning-rekrelatie, bepaald door middel van onderzoek aan de constructie,
of
b. E’b = (22250 + 250 f’ck), in N/mm2.;
g. onderdeel 6.1.5 de definitie van kd als volgt wordt gelezen:
kd is de factor, afhankelijk van de ouderdom tc
van het beton, op het tijdstip van belasten zoals aangegeven in tabel 5 voor
sterkteklasse 32,5 en 32,5R.;
h. ten aanzien van de verwijzing in onderdeel 6.4 naar NEN 6770, artikel
5.26 van toepassing is;
i. in onderdeel 7.3.1 de eerste volzin als volgt wordt gelezen:
Voor het bepalen van de krachtsverdeling in een constructie moet zijn
uitgegaan van de schematisering van de constructie volgens 7.1 en een van
de theorieën genoemd in 7.2.;
j. in onderdeel 8.1.1 de definitie van Md als volgt wordt
gelezen:
Md is de rekenwaarde van het maximale buigend moment.;
k. de onderdelen 8.1.7 en 8.6 buiten toepassing blijven;
l. onderdeel 8.7 als volgt wordt gelezen:
Duurzaamheid
Vermindering van de sterkte van de constructie door corrosie van de wapening
dient in rekening te zijn gebracht. Deze eis betreft zowel de sterktevermindering
die is opgetreden voor het moment van beoordelen als de te verwachten sterktevermindering
binnen één jaar, gerekend vanaf het moment van beoordelen.;
m. onderdeel 9.1 buiten toepassing blijft;
n. in onderdeel 9.2.a de tweede volzin als volgt wordt gelezen:
De van toepassing zijnde milieuklasse is milieuklasse 1.;
o. de onderdelen 9.2.e en 9.4 buiten toepassing blijven, en
p. ten aanzien van de verwijzing in onderdeel 9.14.3 naar NEN 6790, artikel
5.27 van toepassing is.
NEN 6760
Artikel 5.25
Waar in hoofdstuk III is verwezen naar NEN 6760, is bedoeld: NEN 6760,
2e druk, mei 1997, zij het dat:
a. ten aanzien van de verwijzing in onderdeel 5.3 naar NEN 6700, artikel
5.20 van toepassing is;
b. onderdeel 5.1, hoofdstuk 6, de onderdelen 7.2 tot en 7.4, alsmede onderdeel
7.5.1 buiten toepassing blijven;
c. onderdeel 7.5.2 als volgt wordt gelezen:
Om de bepalingsmethoden te mogen toepassen moeten de houtconstructies
zijn vervaardigd van hout dat geen actieve aantasting bevat.
Voor berekeningen moet de niet-aangetaste doorsnede zijn aangehouden.;
d. hoofdstuk 8 buiten toepassing blijft;
e. onderdeel 9.1.2 als volgt wordt gelezen:
9.1.2 Voor de representatieve waarden van de materiaaleigenschappen van
vuren en grenen moet de kwaliteitsklasse worden bepaald volgens NEN 5466* respectievelijk NEN 5467*.
Indien het hout kan worden ingedeeld in kwaliteitsklasse A of B moet voor
de representatieve waarden worden uitgegaan van sterkteklasse K24. Indien
het hout kan worden ingedeeld in kwaliteitsklasse C moet voor de representatieve
waarden worden uitgegaan van sterkteklasse K17.
Voor de representatieve waarden van de materiaaleigenschappen van azobé
dient te worden uitgegaan van sterkteklasse K70, waarvoor de volgende waarden
gelden:

f. onderdeel 12.1.9 buiten toepassing blijft;
g. in onderdeel 12.1.13 de alinea beginnend met de zinsnede ’De
representatieve waarde voor de vloeigrens’ buiten toepassing blijft;
h. onderdeel 12.2.1 buiten toepassing blijft;
i. onderdeel 12.2.5 als volgt wordt gelezen:
Voor de bepaling van de representatieve waarde van de schuifweerstand
volgens 12.2.4. dient de volgende waarde voor de stuiksterkte in rekening
te zijn gebracht:
-0,36

waarbij:
femb;rep;i is de getalswaarde van de stuiksterkte van onderdeel
i met i = 1, 2 of 3 in N/mm2;
ρrep is de getalswaarde van de representatieve volumieke
massa volgens 9.1.2 in kg/m3 en
dnom is de getalswaarde voor de nominale middellijn van het
verbindingsmiddel in mm.;
j. onderdeel 12.3.1 buiten toepassing blijft;
k. onderdeel 12.3.5 als volgt wordt gelezen:
Voor de bepaling van de representatieve waarde van de schuifweerstand
volgens 12.2.4 dient de volgende waarde voor de stuiksterkte in rekening te
zijn gebracht:

waarbij:
femb;rep;i is de getalswaarde van de stuiksterkte van onderdeel
i met i = 1, 2 of 3 in N/mm2;
ρrep is de getalswaarde van de representatieve volumieke
massa volgens 9.1.2 in kg/m3; en
dnom is de getalswaarde voor de nominale middellijn van het
verbindingsmiddel in mm.;
l. de onderdelen 12.4.1, 12.5.1 en 12.6.1 buiten toepassing blijven, en
m.in onderdeel 12.5.3 de tweede volzin buiten toepassing blijft.
NEN 6770
Artikel 5.26
Waar in het Besluit voor de staat van bestaande bouwwerken is verwezen
naar NEN 6770, is bedoeld: NEN 6770, 2e druk, mei 1997, zij het dat:
a. ten aanzien van de verwijzing in onderdeel 5.3 naar NEN 6700, artikel
5.20 van toepassing is;
b. ten aanzien van de verwijzingen vanuit NEN 6771 en NEN 6772, naar welke
normbladen vanuit NEN 6770 is verwezen, naar NEN 6770 telkens dit voorschrift
van toepassing is;
c. onderdeel 5.1, en hoofdstuk 6 buiten toepassing blijven;
d. in de onderdeel 7.1.4.1 de eerste volzin buiten toepassing blijft;
e. in onderdeel 7.1.4.1 de laatste alinea als volgt wordt gelezen:
Voor staal bedoeld in 7.1.3 moet op overeenkomstige wijze de beproeving
worden uitgevoerd.
f. de onderdelen 7.2, 7.4, 7.6 en hoofdstuk 8 buiten toepassing blijven;
g. in de onderdelen 9.1.2.1.3 en 13.4.1.1.5 telkens de tweede volzin buiten
toepassing blijft;
h. in de onderdelen 13.4.1.1.4 en 13.4.1.2.1 telkens de derde alinea buiten
toepassing blijft, en
i. onderdeel 13.4.1.3.1 buiten toepassing blijft.
NEN 6790
Artikel 5.27
Waar in het Besluit voor de staat van bestaande bouwwerken is verwezen
naar NEN 6790, is bedoeld: NEN 6790, 1e druk, december 1992, inclusief wijzigingsblad
NEN 6790/A1, mei 1997, zij het dat:
a. ten aanzien van de verwijzing in onderdeel 5.3 naar NEN 6700, artikel
5.20 van toepassing is;
b. onderdeel 5.1, hoofdstuk 6 en onderdeel 7.1 buiten toepassing blijven;
c. onderdeel 7.2 als volgt wordt gelezen:
De rekenregels in deze norm zijn niet van toepassing op metselwerk van
cellenbeton dat op enigerlei wijze in contact komt met grondwater.;
d. hoofdstuk 8 en de onderdelen 9.1.4, 9.2.2 en 9.4.1, tweede alinea,
buiten toepassing blijven;
e. in onderdeel 12.2:
1°. de zin na het eerste aandachtstreepje als volgt wordt gelezen:
- krachten voortkomend uit een scheefstand van 1/300 van de hoogte
of de feitelijke scheefstand, indien deze groter is dan 1/300 van de hoogte,
die voor tenminste vier naast elkaar gelegen rijen kolommen of wanden van
elke verdieping in dezelfde richting moet worden aangenomen (zie fig. 14).;
en
2°. de zin na het tweede aandachtstreepje als volgt wordt gelezen:
- krachten voortkomend uit windbelasting.;
f. onderdeel 12.3 buiten toepassing blijft, en
g. in Bijlage A:
1°. in onderdeel A.1 de verwijzing in de tweede alinea naar onderdeel
A.2 van bijlage A buiten toepassing blijft;
2°. onderdeel A.2 buiten toepassing blijft;
3°. in onderdeel A.3 het opschrift als volgt wordt gelezen:
Proefstukken;
4°. onderdeel A.3.1 als volgt wordt gelezen:
Afmetingen
De proefstukken moeten aan de ter beoordeling staande constructie zijn
ontleend en moeten de volgende afmetingen hebben:
- de dikte dient gelijk te zijn aan de bouwdeeldikte met een maximum
van 300 mm;
- de breedte dient gelijk te zijn aan de dikte; en
- de hoogte moet gelijk zijn aan 5 maal de dikte.;
5°. onderdeel A.3.2 als volgt wordt gelezen:
Aantal proefstukken
Er moeten ten minste 6 proefstukken zijn vervaardigd., en
6°. onderdeel A.3.3 buiten toepassing blijft.
NEN 8062
Artikel 5.28
Met de verwijzing in artikel 3.22 van hoofdstuk III naar NEN 8062, is
bedoeld: NEN 8062, 1e druk, oktober 1995, inclusief wijzigingsblad NEN 8062/A1,
mei 1997.
NEN 8087
Artikel 5.29
1. Waar in deze regeling ten aanzien van bestaande bouwwerken is verwezen
naar NEN 8087 is bedoeld: NEN 8087, 1e druk, mei 1997.
2. Waar in de artikelen 3.6, derde lid, 3.13, derde lid, en 3.20, derde
lid, van hoofdstuk III voor de bepaling van de capaciteit voor de toevoer
van verse lucht en de afvoer van rook is verwezen naar NEN 8087 is bedoeld:
onderdeel 4.4 van die norm.
NEN-EN 81-1
Artikel 5.30
Waar in het Besluit voor de staat van bestaande bouwwerken is verwezen
naar NEN-EN 81-1, is bedoeld: NEN-EN 81-1, 2e druk, september 1986, inclusief
correctieblad, december 1989.
NEN-EN 81-2
Artikel 5.31
Waar in het Besluit voor de staat van bestaande bouwwerken is verwezen
naar NEN-EN 81-2, is bedoeld: NEN-EN 81-2, 1e druk, mei 1989, inclusief correctieblad,
mei 1990.
Hoofdstuk VIII Slotbepalingen
Intrekking Regeling Bouwbesluit bestaande bouw
Artikel 6.1
De Regeling Bouwbesluit bestaande bouw wordt ingetrokken.
Inwerkingtreding
Artikel 6.2
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 1998.
Citeertitel
Artikel 6.3
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Bouwbesluit bestaande bouw
1998.
’s-Gravenhage, 29 mei 1998.
De Staatssecretaris van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,D.K.J. Tommel.
Toelichting
I. Algemeen
1. Inleiding
Deze regeling voorziet in de vervanging van de Regeling Bouwbesluit bestaande
bouw (Stcrt. 1997, 142, gewijzigd bij de Regeling tot wijziging van de Regeling
Bouwbesluit bestaande bouw en de Regeling Bouwbesluit materialen (Strct. 1997,
174)), die sinds 1 oktober 1997 van kracht is. De onderhavige regeling strekt,
evenals haar voorganger, tot uitvoering van enkele bepalingen van het Bouwbesluit,
zoals aangegeven in de aanhef van de regeling. Het gaat daarbij in het bijzonder
om voorschriften voor bestaande bouwwerken met betrekking tot:
a.constructieve veiligheid;
b. brandveiligheidsvoorschriften voor woningen en woongebouwen, kantoorgebouwen,
logiesverblijven en logiesgebouwen;
c. de bepaling van de luchtdichtheid van een voorziening voor de afvoer
van rook met het oog op het voorkomen van brand;
d. luchtverversing, verbrandingslucht en rook, en
e. de toepassing van normbladen.
De voorschriften van deze regeling zijn ontleend aan de Regeling Bouwbesluit
bestaande bouw, die op 1 oktober 1997 in werking is getreden. De in die regeling
gegeven voorschriften waren ontleend aan de Regeling Bouwbesluit constructieve
veiligheid en gebruiksveiligheid, de Regeling Bouwbesluit brandveiligheid,
de Regeling Bouwbesluit gezondheid en aan de Regeling Bouwbesluit bruikbaarheid.
Deze regelingen zijn bij de Regeling Bouwbesluit nieuwbouw ingetrokken.
Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om enkele juridische verbeteringen
in de voorschriften aan te brengen. Deze betreffen:
- het schrappen van artikel 5.6, onderdeel b, (oud), omdat het normblad
voor de nieuwbouw na de 1-op-1-operatie niet langer een grenswaarde van 10
mm kent;
- het aanvullen van artikel 5.7, betrekking hebbend op de aan te
houden tegendruk bij mechanische afvoer van rook;
- het aanpassen in artikel 5.24, onderdeel g, (oud) van de cementklasse
aan de nieuwe cementnorm (NEN 3550), zoals die als tweedelijns Bouwbesluit-norm
luidt;
- het laten vervallen van artikel 5.27, onderdeel e (oud), omdat
dat onderdeel van het normblad niet langer deel uitmaakt van de publiekrechtelijke
regelgeving na de 1-op-1-operatie, en,
- het vervangen van de verwijzing in artikel 5.29, tweede lid (oud),
naar onderdeel 5.4 door de verwijzing naar onderdeel 4.4.
Voor deze voorschriften is uitgegaan van de oudste in ons land bekende
bouwvoorschriften van gemeentelijke of provinciale verordeningen, die krachtens
de Woningwet 1901 zijn gegeven. Daarbij is in beginsel gekozen voor de laagste
eis die in de onderscheidene documenten voor een bepaald onderwerp is gesteld.
Reden hiervoor is dat uit het oogpunt van verworven rechten geen verdergaande
eisen mogen worden gesteld dan die, welke golden op het moment waarop de bouwvergunning
voor het desbetreffende bouwwerk werd verleend. Indien een hogere eis zou
zijn gesteld, zou de grondslag voor een aanschrijving wegens strijd met de
bij of krachtens het Bouwbesluit voor de bestaande bouw gegeven voorschriften
zijn verruimd. Het niveau dat destijds is geaccepteerd, kan nog juist uit
het oogpunt van veiligheid, gezondheid en bruikbaarheid als ondergrens worden
geaccepteerd. Zodra het niveau van de voor de bestaande bouw geldende voorschriften
wordt onderschreden, zijn burgemeester en wethouders op grond van de artikelen
14, 17 en 18 van de Woningwet “gehouden” de eigenaar van het bouwwerk
aan te schrijven tot het treffen van voorzieningen om de ontstane strijd op
te heffen. Er is in zo’n geval feitelijk sprake van een situatie dat
de woning ongeschikt is voor bewoning (onbewoonbaar) of het niet tot bewoning
bestemde gebouw of het bouwwerk, geen gebouw zijnde, is onbruikbaar. Wanneer
de kosten voor het treffen van de voorzieningen naar het oordeel van burgemeester
en wethouders niet in redelijke verhouding staan tot de daarvan te verwachten
opbrengsten, dan moeten zij volgens artikel 23 van de Woningwet de eigenaar
in de aanschrijving de keuze laten tot het treffen van de voorzieningen of
tot het (doen) staken van de bewoning of het gebruik.
Het vorenstaande betekent niet dat, wanneer het niveau van een voor de
bestaande bouw geldend voorschrift nog niet wordt onderschreden, burgemeester
en wethouders niet zouden kunnen aanschrijven tot het treffen van voorzieningen.
In deze situatie bestaat er feitelijk strijd met de nieuwbouwvoorschriften
en niet met de voor de bestaande bouw geldende voorschriften. De noodzaak
van de te treffen voorzieningen zal in zo’n geval in de aanschrijving
moeten zijn gemotiveerd. Een dergelijke noodzaak kan samenhangen met enerzijds
het gebouw zelf, voortvloeiend uit bijvoorbeeld ervaringsgegevens met betrekking
tot bijvoorbeeld brandonveilige situaties, of met omstandigheden die verband
houden met de gebouwde omgeving. Van zo’n situatie kan ook sprake zijn
wanneer het bouwwerk bij beschouwing van de voorschriften op zich zelf weliswaar
niet in strijd is met de voorschriften voor de bestaande bouw maar in samenhang
met elkaar toch bijvoorbeeld een brandonveilige situatie oplevert.
Is in het verleden echter reeds een hoger kwaliteitsniveau gerealiseerd
dan het kwaliteitsniveau dat voortvloeit uit de bij of krachtens het Bouwbesluit
voor de bestaande bouw geldende voorschriften, dan mag bij het verbouwen het
op basis van de destijds verkregen bouwvergunning gerealiseerde kwaliteitsniveau
niet worden onderschreden. Het vrijstellingsniveau, bedoeld in de artikelen
406 e.v. van het Bouwbesluit, en het aanschrijvingsniveau ligt in zo’n
situatie altijd tussen het destijds gerealiseerde kwaliteitsniveau en het
op grond van het Bouwbesluit geldende nieuwbouwniveau. Omdat verbouwen of
aanschrijven gelijk is aan bouwen, wordt er daarbij van uitgegaan dat in beginsel
het nieuwbouwniveau zal worden geëist. Afhankelijk van de mogelijkheden
die het te verbouwen bouwwerk biedt, kan door burgemeester en wethouders bij
verbouw vrijstelling worden verleend tot een niveau dat zo dicht mogelijk
bij dat van de nieuwbouw ligt. Voor niet tot bewoning bestemde gebouwen bestaat
voor burgemeester en wethouders op grond van artikel 17, derde lid, van de
Woningwet nog de mogelijkheid om in de aanschrijving te bepalen dat het gebruik
direct wordt gestaakt totdat de voorzieningen zijn getroffen.
2. Constructieve veiligheid
De in hoofdstuk II gegeven voorschriften strekken tot uitvoering van enige
artikelen van het Bouwbesluit, voor zover die betrekking hebben op het aspect
constructieve veiligheid van bestaande bouwwerken.
Deze voorschriften hebben betrekking op inhoudelijke voorschriften voor
de sterkte van een bouwconstructie bij fundamentele belastingscombinaties
en bij bijzondere belastingscombinaties in geval van brand.
Voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, geeft
het Bouwbesluit in de artikelen 2, 111, 174 en 359 de technische voorschriften
in termen van prestatie-eisen met betrekking tot de sterkte van een bouwconstructie.
De in die artikelen neergelegde prestatie-eisen zijn gebaseerd op een veiligheidsfilosofie
die internationaal is aanvaard. Deze veiligheidsfilosofie is voor de bepaling
van de sterkte van een nieuw te bouwen bouwconstructie neergelegd in de basisnorm,
NEN 6700. De hiervoor bedoelde prestatie-eisen zijn gerelateerd aan NEN-normen
die zijn afgeleid van die basisnorm.
De veiligheidsfilosofie die voor de nieuwbouw wordt gehanteerd, is, zo
blijkt uit het TNO Bouw-rapport B-91-832, in principe ook bruikbaar voor de
beoordeling van een bestaande bouwconstructie. In het TNO Bouw-rapport zijn
de achtergronden beschreven voor het hanteren van bedoelde veiligheidsfilosofie
bij de beoordeling van de staat van een bestaande bouwconstructie. In deze
regeling is dan ook voor de bestaande bouw verwezen naar de voor de nieuwbouw
geldende NEN-normen. Die verwijzing is echter minder vergaand. Reden hiervoor
is dat de normen, waar voor de nieuwbouw naar is verwezen, niet zijn toegesneden
op de beoordeling van de bestaande bouw. Daarom zijn in hoofdstuk V nadere
voorschriften gegeven voor het gebruik van de normbladen in relatie tot de
constructieve veiligheid voor bestaande bouwwerken. Op onderdelen wijken deze
voorschriften af van die voor de nieuwbouw. De voornaamste reden voor deze
afwijking is dat het bij de bepaling van de sterkte van een bestaand bouwwerk
of onderdelen daarvan niet gaat om de vraag of dat bouwwerk of dat onderdeel
gedurende (het restant van) de fictieve levensduur voldoende veilig is, maar
om de vraag of dat bestaande bouwwerk of dat onderdeel op het moment van de
bepaling van de sterkte voldoende veilig is. Daarvan is sprake als er geen
direct gevaar bestaat voor het bezwijken van het bouwwerk of een onderdeel
daarvan. In de voorgeschreven berekeningsmethode is onder andere aangegeven
dat rekening moet zijn gehouden met de feitelijke aanwezige geometrie van
de bouwconstructie en de feitelijke materiaaleigenschappen. Zo zal bijvoorbeeld,
wanneer een balk door roestvorming gedeeltelijk is aangetast, slechts dat
deel van de doorsnede van de balk in rekening moeten worden gebracht dat niet
door roest is aangetast.
3. Brandveiligheidsvoorschriften
De in hoofdstuk III gegeven voorschriften strekken tot uitvoering van
enige artikelen van het Bouwbesluit die betrekking hebben op het aspect brandveiligheid
voor de bestaande bouw.
Bij bestaande bouwwerken wordt het brandveiligheidsniveau niet alleen
bepaald door de eisen van het Bouwbesluit, maar ook door die van de voorschriften
van de bouwverordening, betrekking hebbend op een brandveilig gebruik. De
bouwverordening kan bepalen dat bepaalde gebouwen, waarbij het met name gaat
om niet tot bewoning bestemde gebouwen, moeten zijn uitgerust met niet-bouwkundige
voorzieningen, zoals bijvoorbeeld kleine blusmiddelen, brandmeld- en ontruimings-/alarmeringsinstallaties.
Deze voorschriften kunnen ook betrekking hebben op beperking van het gebruik
van het gebouw of delen van dat gebouw. Een en ander is door burgemeester
en wethouders op basis van een gebruiksvergunning te regelen.
4. Voorschriften voor luchtverversing en voor verbrandingslucht
en rook
De in hoofdstuk IV gegeven voorschriften strekken tot uitvoering van enige
artikelen van het Bouwbesluit die betrekking hebben op bestaande voorzieningen
voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht en op bestaande
voorzieningen voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rook.
Deze voorschriften zijn ontleend aan het TNO Bouw-rapport B-92-0306.
5. Toepassing van normbladen.
Deze regeling strekt ook tot uitvoering van artikel 416 van het Bouwbesluit.
In dat artikel is bepaald dat bij ministeriële regeling nadere voorschriften
omtrent de toepassing van normbladen, waar het Bouwbesluit naar verwijst,
kunnen worden gegeven. Daarbij gaat het hoofdzakelijk om het nader aanduiden
van de datum van uitgifte van het desbetreffende normblad en om het al dan
niet van toepassing zijn van op dat normblad uitgebrachte correctie- of wijzigingsbladen.
De normbladen waarnaar is verwezen zijn in principe toegesneden op de
nieuwbouw. Om deze ook voor de bestaande bouw te kunnen hanteren, zijn enige
nadere inhoudelijke voorschriften noodzakelijk. Die inhoudelijke voorschriften
zijn dan ook bij de verschillende normbladen gegeven. Daarbij is uitgegaan
van de normbladen, zoals deze ter uitvoering van de één-op-één
operatie luiden. Deze operatie strekte tot afstemming van de normbladen op
de bij of krachtens het Bouwbesluit gegeven voorschriften. Hierdoor is ook
het aantal nadere voorschriften voor de bestaande bouw afgenomen.
De één-op-één operatie is door het Nederlands
Normalisatie-instituut in opdracht van het ministerie van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer uitgevoerd ter bevordering van de toegankelijkheid
van de voorschriften.
Bij de één-op-één operatie zijn bij enkele
normbladen de daarin voorkomende eisen geschrapt. Daarbij gaat het om eisen
die, staatsrechtelijk gezien, onderdeel uit dienen te maken van het Bouwbesluit
zelf. Omdat die eisen nog niet in dat besluit zijn opgenomen, zijn die eisen
vooralsnog als nader voorschrift voor de toepassing van het desbetreffende
normblad gegeven. Bij de eerstvolgende wijziging van het Bouwbesluit zullen
deze eisen worden overgeheveld naar dat besluit. Zodra die overheveling heeft
plaatsgehad, zullen de onderwerpelijke nadere voorschriften, zoals opgenomen
in dit hoofdstuk, komen te vervallen.
6. Notificatie
Op grond van de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van
28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen
en technische voorschriften (83/189/EEG, PbEG L 109), zoals gewijzigd bij
richtlijn nr. 88/182/EEG van de Raad van 22 maart 1988 (PbEG L 081), tot wijziging
van de richtlijn nr. 83/189/EEG betreffende een informatieprocedure op het
gebied van normen en technische voorschriften en richtlijn nr. 94/10/EG van
23 maart 1994 (PbEG L 100) van de Raad tot tweede substantiële wijziging
van richtlijn 83/189/EEG betreffende een informatieprocedure op het gebied
van normen en technische voorschriften, dienen de lid-staten normen en technische
voorschriften, die zij voornemens zijn vast te stellen, bij de Europese Commissie
aan te melden. De bedoeling van deze procedure is, dat de Commissie en de
overige lid-staten kunnen nagaan of die normen en voorschriften zullen leiden
tot handelsbelemmeringen. De ontwerp-regeling Bouwbesluit bestaande bouw is
in juni 1997 bij de Europese Commissie aangemeld. De regeling trad echter
in werking gedurende de termijn, bedoeld in artikel 9, van richtlijn 83/189/EEG.
Dientengevolge wordt die regeling ingetrokken en vervangen door de onderhavige
regeling, die - inhoudelijk gezien - gelijkluidend is. Het ontwerp
van deze nieuwe regeling (Regeling Bouwbesluit bestaande bouw 1998) is aan
de Commissie gemeld (reg.nr.: 98/0058/NL).
Tevens is de ontwerp-regeling gemeld aan het secretariaat van de Wereld
Handelsorganisatie (TBT nr. 98/144), ter voldoening aan artikel 2, negende
lid, van het op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen verdrag inzake
technische handelsbelemmeringen (Trb. 1994, 235).
Gedurende de standstill-termijn, bedoeld in artikel 9 van richtlijn 83/189/EEG,
die op 12 mei 1998 afliep, zijn van de zijde van de Europese Commissie, enige
lidstaat van de Europese Unie noch van de Wereld Handelsorganisatie bezwaren
tegen de ontwerp-regeling ingebracht. Daarmee is de weg vrij om tot afkondiging
van deze regeling over te gaan.
II. Artikelsgewijs
Artikel 2.1
In het eerste lid zijn de fundamentele belastingscombinaties geregeld
die in rekening moeten zijn gebracht bij de beoordeling of de sterkte van
een bestaande bouwconstructie voldoende is. De krachten die aangrijpen op
de bouwconstructie van een gebouw of een bouwwerk, geen gebouw zijnde, worden
gevormd door een combinatie van gelijktijdig aanwezig zijnde permanente en
gelijktijdig optredende veranderlijke belastingen. De gegeven formule geeft
aan welke combinaties van belastingsgevallen in rekening moeten zijn gebracht.
De belastingen die bij een belastingsgeval behoren, kunnen worden bepaald
aan de hand van NEN 6702. De in de formule gegeven belastings- en reductiefactoren
hebben betrekking op de belastingen die bij het betrokken belastingsgeval
behoren. Tot de permanente belastingen wordt onder meer gerekend het eigen
gewicht van de constructie of het constructie-onderdeel. Tot de veranderlijke
belastingen worden bijvoorbeeld gerekend de belastingen door personen, meubilair
en aankleding.
In afwijking van de nieuwbouw is voor de beoordeling van de sterkte van
een bestaande bouwconstructie uitgegaan van een referentieperiode van 1 jaar
op het moment van beoordeling. Het gaat namelijk niet om de bepaling van de
duurzame veiligheid, maar van de veiligheid op enig moment.
Bij het vaststellen van de belastingscombinaties, waartegen een bouwconstructie
bestand moet zijn, behoeft slechts rekening te zijn gehouden met die belastingen
die in praktische zin gelijktijdig kunnen optreden. Zo behoeven bijvoorbeeld
belastingen door wind en sneeuw of sneeuw en hoge temperaturen niet te zijn
gecombineerd.
In verband met de omstandigheid dat de in het eerste lid gegeven voorschriften
voor bepaalde belastingen geen kwantificering geven, is in het tweede lid
bepaald dat voor die belastingen de grootte moet zijn bepaald volgens de basisnorm:
NEN 6700. In deze basisnorm zijn op basis van de waarschijnlijkheidsleer voorschriften
gegeven waaraan alle bouwconstructies moeten voldoen, ongeacht het materiaal
waarvan zij zijn gemaakt. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een
belasting ten gevolge van stortgoederen in silo’s en aan dynamische
belastingen.
Artikel 2.2
Als een constructie bestand is tegen de fundamentele belastingscombinaties
mag worden aangenomen dat een basisveiligheidsniveau aanwezig is om geen extra
eisen te behoeven stellen voor bijzondere belastingscombinaties, behoudens
die voor het bijzondere belastingsgeval brand.
Niet alle bestaande bouwconstructies zijn bestand tegen de voor nieuwbouw
voorgeschreven bijzondere belastingscombinaties. Het alsnog laten voldoen
van bestaande bouwconstructies aan die bijzondere belastingscombinaties zou
leiden tot kosten die niet in redelijke verhouding staan tot dat verhoogde
veiligheidsniveau.
De in tabel I aangegeven tijdsduur van brandwerendheid met betrekking
tot bezwijken van de bouwconstructies, genoemd in deze tabel, is ten opzichte
van de vergelijkbare voorschriften voor nieuwbouw lager gesteld. Redenen hiervoor
zijn dat in het verleden geen of lagere eisen zijn gesteld en er in het algemeen
een natuurlijke terugloop van de bouwconstructie ten aanzien van de brandwerendheid
op bezwijken optreedt zonder dat dit automatisch leidt tot een onaanvaardbaar
veiligheidsniveau.
Wat belastingscombinaties in geval van brand betreft, is het gestelde
bij het eerste lid van artikel 2.1 van toepassing.
Artikel 2.3
In dit artikel zijn de bepalingsmethoden gegeven waarmee kan worden nagegaan
of de in artikel 2.1 gegeven belastingscombinaties die op een bouwconstructie
aangrijpen, niet zullen leiden tot het bezwijken van die constructie. Naast
de geometrie van een bouwconstructie zijn de materiaaleigenschappen bepalend
voor de respons die in een bouwconstructie optreedt. Voor de gangbare materialen
zijn deze eigenschappen bekend en vastgelegd in de hier genoemde normen. In
die normen wordt, afhankelijk van het te beschouwen materiaal en de aard van
de te beschouwen bouwconstructie, beschreven hoe de op een bouwconstructie
aangrijpende krachten, bedoeld in artikel 2.1 daarin doorwerken in termen
van momenten, normaal- en dwarskrachten respectievelijk spanningen. Deze doorwerking,
die mede afhankelijk is van de stijfheid van de bouwconstructie, wordt respons
genoemd. Verder zijn in deze normen rekenregels gegeven waarmee kan worden
bepaald welke maximale momenten, normaal- of dwarskrachten of combinaties
daarvan in de bouwconstructie kunnen worden opgenomen. Met deze rekenregels
wordt de zogenoemde capaciteit van een bouwconstructie bepaald. Wanneer de
aldus bepaalde respons groter is dan de capaciteit, is er sprake van het overschrijden
van een uiterste grenstoestand.
Beoordeling van het overschrijden van de uiterste grenstoestand van materialen,
waarvan nog niet alle eigenschappen bekend zijn, kan plaatsvinden met gebruikmaking
van het gelijkwaardigheidsbeginsel. Daarbij mag gebruik worden gemaakt van
NEN 6700. Van het gelijkwaardigheidsbeginsel kan ook gebruik worden gemaakt
indien een andere bepalingsmethode wordt gehanteerd dan die van NEN 2608,
NEN 6707, NEN 6710, NEN 6720, NEN 6760, NEN 6770 of NEN 6790. Ook in dit geval
kan NEN 6700 worden toegepast. Reden waarom artikel 3, tweede lid (oud), van
de Regeling Bouwbesluit constructieve veiligheid en gebruiksveiligheid is
komen te vervallen.
Artikel 3.1
Om te voorkomen dat een zich ontwikkelende brand zich snel uitbreidt langs
het oppervlak van constructie-onderdelen van een woning of woongebouw, waardoor
gebruikers van die woning of dat gebouw onvoldoende tijd hebben om het brandende
deel van de woning of gebouw veilig te verlaten, moet een constructie-onderdeel
ten minste voldoen aan klasse 4 van de bijdrage tot brandvoortplanting. Deze
eis geldt voor alle zijden van constructie-onderdelen, ook voor de naar de
buitenlucht toegekeerde zijden van gevels. Deze eis geldt niet voor de bovenzijde
van een dak, omdat daarvoor in het verleden geen eis met betrekking tot de
bijdrage tot brandvoortplanting heeft gegolden.
Constructie-onderdelen die liggen in een vluchtweg moeten ten minste voldoen
aan klasse 2 van de bijdrage tot brandvoortplanting. De bijdrage tot brandvoortplanting
moet zijn bepaald volgens NEN 6065. Deze norm gaat er van uit dat de combinatie
van bouwmaterialen, die over een dikte van vijftien centimeter, gemeten vanaf
het oppervlak, is toegepast, in een constructie-onderdeel aan een beproeving
moet zijn onderworpen om de bijdrage tot brandvoortplanting van het constructie-onderdeel
te kunnen vaststellen.
Omdat de brandvoortplanting van de bovenzijde van horizontale vlakken
sterk afwijkt van die van niet-horizontale vlakken is bepaald dat de bijdrage
tot brandvoortplanting van vloeren en tredevlakken ten minste moet behoren
tot klasse T3. Als over een vloer of tredevlak een vluchtweg voert, moet de
vloer of het tredevlak behoren tot klasse T1. Vanwege het afwijkende brandgedrag
van deze constructie-onderdelen moet deze bijdrage tot brandvoortplanting
zijn bepaald volgens NEN 1775. In dit geval moet slechts de combinatie van
bouwmaterialen, die over een dikte van drie centimeter, gemeten vanaf het
oppervlak van een vloer of tredevlak, is toegepast aan de beproeving zijn
onderworpen.
Bepaalde, in de bouw regulier toegepaste constructie-onderdelen, zoals
plinten, stopcontacten, lichtarmaturen, brand- en rookmelders, voldoen niet
aan de eisen voor de bijdrage tot brandvoortplanting. Daarom is bepaald dat
per te beschouwen ruimte vijf procent van de aan die ruimte grenzende en in
de ruimte gelegen constructie-onderdelen niet behoeft te voldoen aan de eisen
voor de bijdrage tot brandvoortplanting.
Artikel 3.2
Ten einde te voorkomen dat een brand zich ongehinderd kan uitbreiden naar
een ander gebouw, bepaalt het eerste lid dat een niet in een woongebouw gelegen
woning en een woongebouw als brandcompartiment moeten zijn beschouwd.
Om te voorkomen dat een brand zich ongehinderd over een te groot deel
van een woning of woongebouw kan uitbreiden, bepaalt dit lid ook dat een woning
of een woongebouw zodanig in afzonderlijke, door scheidingsconstructies afgescheiden
delen (compartimenten) moet zijn verdeeld dat een eenmaal ontstane brand zich
gedurende een bepaalde tijdsduur niet verder kan uitbreiden dan de begrenzing
van een dergelijk compartiment. Bepaald is dat ten minste als compartimenten
moeten zijn ingericht gedeelten van de woning of het woongebouw, welke gedeelten
een gebruiksoppervlakte hebben van ten hoogste duizend vierkante meter. Ook
een stookruimte en een technische ruimte met een vloeroppervlakte van meer
dan vijf vierkante meter moeten als brandcompartiment zijn aangemerkt.
Een vluchtweg mag daarentegen niet in een brandcompartiment, anders dan
de woning of het woongebouw zelf, liggen. Reden hiervoor is dat een vluchtweg
zo moet zijn ingericht dat mag worden aangenomen dat daarin geen brand ontstaat.
Bovendien betekent de omstandigheid dat een vluchtweg niet in een brandcompartiment,
anders dan de woning of het woongebouw zelf, mag liggen dat een vluchtweg
gevrijwaard is van brand. Door deze opdeling in brandcompartimenten zijn gebruikers
van de woning of het woongebouw, die zich bevinden buiten het compartiment
waarin de brand woedt, in de gelegenheid de woning of het woongebouw tijdig
en veilig te verlaten.
Deze voorschriften komen overeen met een niveau dat op zich zelf beschouwd
uit het oogpunt van brandveiligheid nog juist als ondergrens kan worden geaccepteerd.
In aanvulling op de compartimentering, bedoeld in het eerste lid, bepaalt
het tweede lid dat elke woning en elk deel van een woongebouw dat voor gemeenschappelijk
verblijf van de gebruikers van dat gebouw is bestemd, moet zijn aangemerkt
als brandcompartiment. In de onderdelen b en c is bepaald dat in woningen
met een gebruiksoppervlakte groter dan duizend vierkante meter aparte brandcompartimenten
aanwezig moeten zijn met in de regel een grootte van ten hoogste zestig vierkante
meter aan gebruiksoppervlakte. Dergelijke grote woningen zullen veelal in
gebruik zijn voor studentenhuisvesting, huisvesting van verpleegsters en daarmee
vergelijkbare huisvestingsvormen. In de praktijk betekent deze compartimentering
dat de ruimten die in gebruik zijn ten behoeve van bijvoorbeeld één
student of verpleegster als ook de ruimten die in dergelijke huisvestingsvormen
gezamenlijk als verblijfsruimte worden gebruikt als brandcompartiment zijn
ingericht. Hiermee is gewaarborgd dat een brand gedurende een zekere tijdsduur
zich niet verder kan uitbreiden dan tot die ene woning of dat ene deel van
de woning of het woongebouw, waarin de brand woedt.
Om de kans te beperken dat een beginnende brand zich over een groot gedeelte
van een woning of woongebouw of naar een ander gebouw uitbreidt, is in het
derde lid geëist dat scheidingsconstructies tussen een brandcompartiment
en een andere besloten ruimte in staat moeten zijn de brand ten minste twintig
minuten tegen te houden. Hiermee wordt bereikt dat de brandweer in staat is
om via bluswerkzaamheden de brand binnen deze tijdsduur onder controle te
krijgen en zodoende tot de omvang van één brandcompartiment
te beperken. Deze eis beoogt ook te voorkomen dat er brandoverslag naar een
ander gebouw plaatsvindt binnen deze tijdsduur. Er wordt evenwel van uit gegaan
dat tussen gebouwen onderling in de regel de weerstand tegen branddoorslag
en brandoverslag groter zal zijn.
De hoogte van deze prestatie-eis komt overeen met de prestatie die wordt
gerealiseerd bij vloeren uitgevoerd met een stuc op riet plafond. Blijkens
onderzoek van ingenieurs/adviesbureau Save naar de brandveiligheid van trappenhuizen
en (houten) woningscheidende vloeren geven dergelijke constructies tot dusverre
geen aanleiding tot het aanmerken van het gebouw als een voor het gebruik
onveilig gebouw. Deze voorschriften komen overeen met een niveau dat op zich
zelf beschouwd uit het oogpunt van brandveiligheid nog juist als ondergrens
kan worden geaccepteerd.
Bij de weerstand tegen brandoverslag gaat het over uitbreiding van brand
via de buitenlucht en bij de weerstand tegen branddoorslag gaat het over andere
vormen van branduitbreiding. In NEN 6068 is aangegeven op welke wijze kan
worden nagegaan of aan de eisen is voldaan.
Het derde lid is niet van toepassing indien het andere gebouw op het eigen
perceel van geringe omvang is, zoals in de regel het geval is bij de buitenbergruimte.
Het derde lid is evenmin van toepassing op een bij een woning behorende garage
als burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat een garage niet behoeft
te worden aangemerkt als een ruimte bestemd of mede bestemd voor de opslag
van brandbare, brandbevorderende of bij brand gevaar opleverende stoffen als
bedoeld in artikel 2.1 van de Regeling Bouwbesluit materialen. Feitelijk gezien
mag dan voor het aspect weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag het
andere gebouw als onderdeel van de woning of het woongebouw zijn beschouwd.
De eis met betrekking tot de minimum weerstand tegen branddoorslag of
brandoverslag blijft ook buiten toepassing bij schachten, kokers en kanalen,
die uitsluitend grenzen aan het brandcompartiment ten dienste waarvan die
schacht, koker of dat kanaal aanwezig is dan wel liggen in boven elkaar gesitueerde
toilet- en badruimten. De schachten, kokers en kanalen mogen in dat geval
niet in verbinding staan met andere dan de hiervoor genoemde besloten ruimten.
Het vierde lid betekent dat in wanden die de scheiding vormen tussen een
brandcompartiment en andere besloten ruimten alleen deuren mogen zijn geplaatst.
Zo’n deur moet dan wel zijn voorzien van een dranger om te voorkomen
dat door het openstaan van de deur de in het eerste tot en met derde lid beoogde
beperking van branduitbreiding te niet gaat. Beweegbare ramen en luiken zijn
in die wanden niet toegestaan. Deze eis geldt niet voor de toegang van een
in een woongebouw gelegen woning en evenmin voor een toegang van de andere
brandcompartimenten die in het tweede lid zijn aangeduid, zoals ruimten die
in gebruik zijn bij één student of verpleegster.
Vanwege de indeling van de woning of het woongebouw in brandcompartimenten
en besloten ruimten die niet als brandcompartiment worden aangemerkt, zoals
een trappenhuis waardoor een vluchtweg voert, vloeit uit dit voorschrift tevens
voort dat deuren die grenzen aan een trappenhuis en niet de deur van een woning
zijn als zelfsluitende deur moeten zijn uitgevoerd.
Artikel 3.3
Om te voorkomen dat ten gevolge van een sterke rookontwikkeling het zicht
zodanig wordt beperkt dat gebruikers van een woning of woongebouw zich bij
een beginnende brand onvoldoende kunnen oriënteren, zijn eisen gesteld
met betrekking tot de rookproductie aan een naar een besloten ruimte toegekeerde
zijde van een constructie-onderdeel. Deze rookproductie, uitgedrukt in termen
van rookdichtheid, moet zijn bepaald volgens NEN 6066. Deze norm houdt in
dat de combinatie van bouwmaterialen, die over een dikte van 6,5 centimeter,
gemeten vanaf het oppervlak, is toegepast in een constructie-onderdeel, aan
een beproeving moet zijn onderworpen om de rookproductie van dat constructie-onderdeel
te bepalen.
Bepaalde, in de bouw regulier toegepaste constructie-onderdelen, zoals
plinten, stopcontacten, lichtarmaturen, brand- en rookmelders, voldoen niet
aan de eisen voor de rookproductie. Daarom is bepaald dat per te beschouwen
ruimte vijf procent van de aan die ruimte grenzende en in de ruimte gelegen
constructie-onderdelen niet behoeft te voldoen aan de eisen voor de rookproductie.
De rookproductie van constructie-onderdelen die grenzen aan en liggen
in ruimten waardoor een vluchtweg voert, moet aan strengere eisen voldoen.
Daarmee is mede bewerkstelligd dat het vluchten over een vluchtweg kan
plaatsvinden door ruimten die van rook zijn gevrijwaard. Het niveau van deze
voorschriften kan op zich zelf beschouwd uit het oogpunt van brandveiligheid
nog juist als ondergrens worden geaccepteerd.
Het voorschrift, betrekking hebbend op vluchtwegen, geldt niet voor constructie-onderdelen
die een vloer of tredevlak van een trap zijn. Omdat de brand zich over de
bovenzijde van een horizontaal vlak relatief langzaam uitbreidt en dientengevolge
bij een op een vloer of tredevlak beginnende brand niet snel een groot oppervlak
vlam zal vatten, kan voor deze constructie-onderdelen zijn volstaan met de
basiseis.
Bepaalde, in de bouw regulier toegepaste constructie-onderdelen, zoals
plinten, stopcontacten, lichtarmaturen, brand- en rookmelders, voldoen niet
aan de eisen voor de rookproductie. Daarom is voor ruimten, waardoor een vluchtweg
voert, bepaald dat per te beschouwen ruimte vijf procent van de aan die ruimte
grenzende en in de ruimte gelegen constructie-onderdelen niet behoeft te voldoen
aan de strengere eisen voor de rookproductie. Deze oppervlakte mag, gemiddeld
gezien, geen onevenredig grote rookproductie hebben.
Artikel 3.4
Ten einde te voorkomen dat gebruikers van een grote woning of een woongebouw
door verspreiding van rook over grote delen van de woning of het woongebouw,
niet in de gelegenheid zijn tijdig en veilig het aansluitende terrein te bereiken,
zijn in het eerste lid eisen gesteld aan de indeling van brandcompartimenten
in rookcompartimenten. Alle in artikel 3.2 bedoelde brandcompartimenten moeten
ook rookcompartimenten zijn.
Daarnaast kan het noodzakelijk zijn dat grote brandcompartimenten, waarin
voor het verblijf van mensen bestemde ruimten liggen, een nadere verdeling
in rookcompartimenten kennen. Dit is afhankelijk van de inrichting van de
woning of het woongebouw in relatie tot de in het voorschrift genoemde afstanden.
Om te voorkomen dat bij een onverhoopt in een brandcompartiment ontstane brand
de in dat compartiment aanwezige personen een lange weg door rook moeten afleggen
en daarbij het risico lopen de uitgang naar een vluchtmogelijkheid
niet tijdig te kunnen vinden, is bepaald dat vanaf elk punt in een verblijfsruimte
binnen vijfenveertig meter een uitgang van een rookcompartiment moet zijn
te bereiken. Het niveau van deze voorschriften kan op zichzelf beschouwd uit
het oogpunt van brandveiligheid nog juist als ondergrens worden geaccepteerd.
Omdat ingevolge artikel 3.2, eerste lid, een woning en een woongebouw
op zichzelf ook een brandcompartiment zijn, vloeit uit het onderhavige lid
voort dat alle besloten ruimten van een woning en van een woongebouw en daarmee
ook de trappenhuizen, schachten, kokers en kanalen deel uitmaken van een rookcompartiment.
Ten einde te voorkomen dat in een grote woning vanaf de toegang van een
brandcompartiment een te grote afstand door een met rook gevulde gang moet
worden afgelegd, bepaald het eerste lid voorts dat vanaf de toegang van een
brandcompartiment bestemd voor bijvoorbeeld één student tot
de uitgang van een rookcompartiment dat samenvalt met de brandcompartimentering
van 1.000 m2 niet groter mag zijn dan vijfentwintig meter. Dit
niveau werd destijds bij het bouwen geaccepteerd en kan op zich zelf beschouwd
uit het oogpunt van brandveiligheid nog juist als ondergrens worden geaccepteerd.
Ten einde te bewerkstelligen dat, wanneer in een verblijfsruimte een brand
is ontstaan, die ruimte nog kan worden verlaten, voorziet het tweede lid erin
dat vanaf elk punt in die ruimte binnen vijftig meter een uitgang moet kunnen
zijn bereikt. Het niveau van dit voorschrift kan op zichzelf beschouwd uit
het oogpunt van brandveiligheid nog juist als ondergrens worden geaccepteerd.
Om de kans te beperken dat bij brand ontstane rook zich over een groot
gedeelte van een woning of woongebouw of naar een ander gebouw verspreidt,
is in het derde lid geëist dat scheidingsconstructies tussen een rookcompartiment
en een andere besloten ruimte in staat moeten zijn de rook ten minste twintig
minuten tegen te houden. Hiermee wordt bereikt dat gebruikers van de woning
of het woongebouw gedurende die tijdsduur, gevrijwaard van rook, het aansluitende
terrein kunnen bereiken. Tevens regelt dit lid dat er geen rookverspreiding
naar een ander gebouw binnen die tijdsduur mag plaatsvinden. In NEN 6075 is
aangegeven op welke wijze kan zijn nagegaan of aan dit voorschrift is voldaan.
Verder bepaalt dit lid dat voor de weerstand tegen rookdoorgang tussen
een woning of woongebouw en een bij die woning of dat woongebouw behorend
gebouw van geringe omvang, zoals de buitenbergruimte, geen eis geldt. Feitelijk
gezien mag, wat het aspect weerstand tegen rookdoorgang betreft, de buitenbergruimte
als onderdeel van de woning of het woongebouw zijn beschouwd. Het niveau van
dit voorschrift kan op zichzelf beschouwd uit het oogpunt van brandveiligheid
nog juist als ondergrens worden geaccepteerd.
Het vierde lid betekent dat in wanden die de scheiding vormen tussen een
rookcompartiment en een andere besloten ruimte alleen ramen, deuren, luiken
en andere beweegbare constructie-onderdelen mogen zijn geplaatst, mits op
die constructie-onderdelen een dranger is aangebracht om te voorkomen dat
door het open staan van deze constructie-onderdelen de met het derde lid beoogde
beperking van rookverspreiding te niet gaat. Deze eis geldt niet voor de toegang
van een in een woongebouw gelegen woning en evenmin voor een toegang van de
andere brandcompartimenten die ingevolge artikel 3.2, tweede lid, zijn aangeduid,
zoals ruimten die in gebruik zijn bij één student of verpleegster.
Artikel 3.5
Om een veilige ontvluchting uit een woning of woongebouw mogelijk te maken,
moet in beginsel door de gebruikers van een grote woning of een woongebouw
vanuit een ruimte in twee richtingen via vloeren, trappen of hellingbanen
het aansluitende terrein kunnen worden bereikt. Het eerste lid bepaalt dat
in beginsel een uitgang van een rookcompartiment, die op grond van artikel
3.4 is vereist, moet grenzen aan een ruimte waaruit in twee richtingen naar
het aansluitende terrein kan worden gevlucht.
Het voorschrift staat toe dat in een aantal gevallen vanaf een toegang
van een rookcompartiment in één richting, via vloeren, trappen
of hellingbanen, het aansluitende terrein kan worden bereikt. Dit is toegestaan
als van die vluchtmogelijkheid in geval van brand door niet meer mensen gebruik
behoeft te worden gemaakt dan die doorgaans verblijven op een gebruiksoppervlakte
van ten hoogste vijfhonderd vierkante meter. Dit zal slechts een beperkt aantal
personen zijn. Verder is dit toegestaan als een rookcompartiment beschikt
over twee of meer uitgangen die via vloeren, trappen of hellingbanen in verbinding
staan met het aansluitende terrein. De derde uitzondering is die waarbij door
een vluchttrappenhuis kan worden gevlucht. Dit voorschrift maakt het, bouwkundig
gezien, in beperkte mate mogelijk dat ’doodlopende einden’ in
een grote woning of in een woongebouw voorkomen. In zo’n situatie zullen,
naar mag worden aangenomen, met het oog op het gebruik door mensen van dergelijke
aan een ’doodlopend einde’ gelegen ruimten, op grond van de gemeentelijke
bouwverordening, afhankelijk van de inrichting van dat ’einde’,
eisen gelden voor bijvoorbeeld de ontdekking en melding van brand.
Om te voorkomen dat bij toepassing van onderdeel c te veel mensen zijn
aangewezen op slechts één mogelijkheid om het aansluitende terrein
of een veiligheidstrappenhuis te bereiken, is voorgeschreven dat, wanneer
rookcompartimenten zijn aangewezen op één vluchttrappenhuis,
zij gezamenlijk niet meer dan vijftienhonderd vierkante meter aan gebruiksoppervlakte
mogen bevatten. Het niveau van deze voorschriften kan op zich zelf beschouwd
uit het oogpunt van brandveiligheid nog juist als ondergrens worden geaccepteerd.
Het tweede lid betekent feitelijk dat in woongebouwen, bestaande uit meer
dan twee bouwlagen, een trappenhuis niet in open verbinding mag staan met
andere besloten ruimten en dat de scheidingsconstructie tussen die gang en
het trappenhuis een zekere mate van rookwering moet bewerkstelligen.
In een scheidingsconstructie tussen een gang en een trappenhuis mag alleen
een beweegbaar constructie-onderdeel, zoals een deur, aanwezig zijn, dat moet
zijn voorzien van een dranger.
Aangezien het vluchten vanaf elke verdieping van een “hoog”
woongebouw plaatsvindt via een beperkt aantal trappenhuizen, moeten die trappenhuizen
zodanig zijn dat zij voldoende bescherming bieden voor vluchtende personen.
Daarom is in het derde lid bepaald dat een trappenhuis van zo’n gebouw
aan de eisen moet voldoen die voor een vluchtweg gelden. Deze eisen zijn strenger
dan die voor een vluchtmogelijkheid. Het niveau van dit voorschrift kan op
zich zelf beschouwd uit het oogpunt van brandveiligheid nog juist als ondergrens
worden geaccepteerd.
Artikel 3.6
Om te bewerkstelligen dat het aansluitende terrein vanuit een rookcompartiment
ook daadwerkelijk op een verantwoorde wijze kan worden bereikt, bepaalt het
eerste lid dat de toegang van een rookcompartiment en verder alle vrije doorgangen
van te passeren ruimten en deuren een breedte van ten minste vijftig centimeter
moeten hebben met een vrije hoogte van ten minste 1,2 meter. Het niveau van
dit voorschrift kan op zich zelf beschouwd uit het oogpunt van brandveiligheid
nog juist als ondergrens worden geaccepteerd.
Het tweede lid geeft nadere regels omtrent de onafhankelijkheid van twee
vluchtmogelijkheden. De scheidingsconstructie tussen twee ruimten waardoor
vluchtmogelijkheden voeren moet er voor zorgen dat, wanneer in één
van die twee ruimten onverhoopt brand woedt, de andere ruimte nog twintig
minuten is gevrijwaard van brand. Uiteraard geldt deze eis niet voor de onafhankelijke
vluchtmogelijkheden die hun vertrekpunt in dezelfde ruimte hebben. Dit is
bijvoorbeeld het geval, wanneer de toegang van een rookcompartiment uitkomt
in een verkeersruimte waaruit in twee richtingen kan worden gevlucht. Twee
onafhankelijke vluchtmogelijkheden mogen bovendien slechts met elkaar in verbinding
staan, wanneer die verbinding is gevormd door een deur waarop een dranger
is bevestigd.
In het derde lid zijn eisen gesteld aan een niet-besloten ruimte waardoor
een vluchtmogelijkheid voert. Dit is van belang voor de eisen die zijn gesteld
aan de rookproductie van in die ruimte toegepaste bouwmaterialen en de weerstand
tegen branddoorslag en brandoverslag en de weerstand tegen rookdoorgang. Immers,
vluchten door een besloten ruimte wordt belemmerd door brand en door rook
die in een ruimte blijft hangen.
Om er voor te zorgen dat de in een woning of woongebouw aanwezige mensen
voldoende snel in staat zijn de woning of het woongebouw te verlaten, bepaalt
het vierde lid dat uitgangen van in dat lid bedoelde ruimten voldoende breed
moeten zijn of in voldoende aantal aanwezig moeten zijn. Daarbij is als maatstaf
aangehouden dat in het algemeen gemiddeld één persoon per twintig
vierkante meter gebruiksoppervlakte respectievelijk één persoon
per tien vierkante meter vloeroppervlakte aan verblijfsruimte aanwezig is.
Dit voorschrift bewerkstelligt dat een bouwlaag in de regel binnen anderhalve
minuut is ontruimd. Het niveau van deze voorschriften kan op zich zelf beschouwd
uit het oogpunt van brandveiligheid nog juist als ondergrens worden geaccepteerd.
Het vijfde lid bepaalt dat deuren waarvan in geval van brand door gemiddeld
meer dan veertig mensen gebruik moet kunnen worden gemaakt, niet tegen de
vluchtrichting in mogen draaien. Deze deuren mogen dus wel in de vluchtrichting
draaien of als een doordraaiende- of schuifdeur zijn uitgevoerd. Deze eis
beoogt te voorkomen dat ingeval van paniek en van opeenhoping van mensen ter
plaatse van een deur deze deur een obstakel vormt bij het vluchten. Het niveau
van deze voorschriften kan op zich zelf beschouwd uit het oogpunt van brandveiligheid
nog juist als ondergrens worden geaccepteerd.
Vanwege de bijzondere veiligheid die een veiligheidstrappenhuis aan de
gebruikers ervan moet bieden, schrijft het zesde lid voor dat constructie-onderdelen
die in zo’n trappenhuis liggen en zo’n trappenhuis omhullen, slechts
in zeer geringe mate brandbevorderend mogen zijn. Dit wordt uitgedrukt in
het product van de vuurbelasting en de netto-vloeroppervlakte. De bepalingsmethode
voor de vuurbelasting is vastgelegd in NEN 6090. De gegeven eis van zeven
duizend MJ per bouwlaag is afgestemd op in de praktijk gerealiseerde bouwkundige
oplossingen en ontleend aan Het TNO Bouw onderzoeksrapport 95-BKR-1669. De
gegeven grenswaarde van zeven duizend J per bouwlaag is twee keer zo groot
als de waarde die voor de nieuwbouw. Daarmee wordt bereikt dat een kleine
afwijking van het nieuwbouwvoorschrift niet ogenblikkelijk leidt tot een aanschrijving.
In de praktijk betekent dit dat trappen, vloeren en wanden van deze ruimte
van steenachtig materiaal moeten zijn en dat alleen in deze ruimte voorkomende
deuren, leuningen en plinten in hout mogen zijn uitgevoerd. Het niveau van
dit voorschrift kan op zich zelf beschouwd uit het oogpunt van brandveiligheid
nog juist als ondergrens worden geaccepteerd.
Artikel 3.7
In woongebouwen en woningen, waarin op grote hoogte voor het verblijf
van mensen bestemde ruimten liggen, moeten een of meer droge blusleidingen
aanwezig zijn, opdat de brandweer bij brand in staat is bluswerkzaamheden
te verrichten. Deze blusleiding moet zijn ingericht overeenkomstig bepaalde
in NEN 1594 gestelde eisen.
Een blusleiding moet zodanig zijn gesitueerd, dat de brandslangaansluiting
van die leiding, die op elke verdieping aanwezig moet zijn, vanaf een toegang
van een rookcompartiment binnen een afstand van zeventig meter bereikbaar
is. Het niveau van deze voorschriften kan op zich zelf beschouwd uit het oogpunt
van brandveiligheid nog juist als ondergrens worden geaccepteerd.
Artikel 3.8
Om te voorkomen dat een zich ontwikkelende brand zich snel uitbreidt langs
het oppervlak van constructie-onderdelen van een kantoorgebouw, waardoor gebruikers
van dat gebouw onvoldoende tijd hebben om het brandende deel van het kantoorgebouw
veilig te verlaten, moet ingevolge dit artikel een constructie-onderdeel ten
minste voldoen aan klasse 4 van de bijdrage tot brandvoortplanting. Deze eis
geldt voor alle zijden van constructie-onderdelen, ook voor de naar de buitenlucht
toegekeerde zijden van gevels. Deze eis geldt echter niet voor de bovenzijde
van een dak, omdat voor het bouwen van een dak in het verleden geen eis met
betrekking tot de klasse van de bijdrage tot brandvoortplanting heeft gegolden.
Het zou dan ook te ver voeren thans voor de bestaande bouw een dergelijke
eis te stellen. Immers, in dat geval zullen nog al wat aanschrijvingen moeten
worden uitgevaardigd door burgemeester en wethouders ten einde die daken alsnog
aan een dergelijke eis te laten voldoen. In de praktijk zou dat betekenen
dat nog al wat daken moeten worden vervangen, hetwelk in schrille tegenstelling
zou staan met het beginsel van verworven rechten.
Voor zover deze constructie-onderdelen in een vluchtweg liggen, moet de
bijdrage tot brandvoortplanting van deze onderdelen ten minste behoren tot
klasse 2. De bijdrage tot brandvoortplanting moet zijn bepaald volgens NEN
6065. Dit normblad gaat er vanuit dat de combinatie van bouwmaterialen, die
over een dikte van vijftien centimeter, gemeten vanaf het oppervlak, is toegepast
in een constructie-onderdeel aan een beproeving moet zijn onderworpen om de
bijdrage tot brandvoortplanting van het constructie-onderdeel te kunnen vaststellen.
Omdat de brandvoortplanting van de bovenzijde van horizontale vlakken
sterk afwijkt van die van niet-horizontale vlakken, is bepaald dat de bijdrage
tot brandvoortplanting van vloeren en tredevlakken ten minste moet behoren
tot klasse T3. Wanneer over een vloer of tredevlak een vluchtweg voert, moet
de vloer of het tredevlak echter behoren tot klasse T1. Vanwege het afwijkende
brandgedrag van deze constructie-onderdelen moet deze bijdrage tot brandvoortplanting
zijn bepaald volgens NEN 1775. In dit geval moet slechts de combinatie van
bouwmaterialen over een dikte van drie centimeter, gemeten vanaf het oppervlak
van een vloer of tredevlak, aan de beproeving zijn onderworpen.
Bepaalde, in de bouw regulier toegepaste constructie-onderdelen, zoals
plinten, stopcontacten, lichtarmaturen, brand- en rookmelders, voldoen niet
aan de eisen voor de bijdrage tot brandvoortplanting. Daarom is bepaald dat
per te beschouwen ruimte vijf procent van de aan die ruimte grenzende en in
de ruimte gelegen constructie-onderdelen niet behoeft te voldoen aan de eisen
voor de bijdrage tot brandvoortplanting.
Artikel 3.9
Ten einde te voorkomen dat een brand zich ongehinderd kan uitbreiden naar
een ander gebouw, bepaalt het eerste lid dat een kantoorgebouw en bepaalde
gedeelten van dat gebouw als brandcompartiment moeten zijn beschouwd. De indeling
in brandcompartimenten heeft immers ten doel te voorkomen dat een brand zich
verder kan uitbreiden dan tot het gebouw zelf of tot een bepaald gedeelte
van dat gebouw. Bepaald is dat ten minste als compartimenten moeten zijn ingericht
gedeelten van het kantoorgebouw, die een gebruiksoppervlakte hebben van ten
hoogste tweeduizend vierkante meter. Voorts moeten een stookruimte, een technische
ruimte met een vloeroppervlakte van meer dan 50 m2 en een ruimte
bestemd voor de opslag van in dit lid genoemde stoffen als brandcompartiment
zijn aangemerkt.
Een vluchtweg mag daarentegen niet in een brandcompartiment, anders dan
het gebouw zelf, liggen. Reden hiervoor is dat een vluchtweg zo moet zijn
ingericht dat mag worden aangenomen dat daarin geen brand ontstaat. Bovendien
betekent de omstandigheid dat een vluchtweg niet in een brandcompartiment,
anders dan het gebouw zelf, mag liggen dat een vluchtweg tijdens het vluchten
uit het kantoorgebouw gevrijwaard is van brand. Door deze indeling in brandcompartimenten
zijn gebruikers van het gebouw, die zich bevinden buiten het compartiment
waarin brand woedt, in de gelegenheid het kantoorgebouw tijdig en veilig te
verlaten.
Het niveau van deze voorschriften kan op zich zelf beschouwd uit het oogpunt
van brandveiligheid nog juist als ondergrens worden geaccepteerd.
Om de kans te beperken dat een beginnende brand zich over een groot gedeelte
van een bestaand kantoorgebouw of naar een ander gebouw uitbreidt, is in het
tweede lid geëist dat scheidingsconstructies tussen een brandcompartiment
en een andere besloten ruimte in staat moeten zijn de brand gedurende ten
minste twintig minuten tegen te houden. Deze eis biedt ook de brandweer de
mogelijkheid om via bluswerkzaamheden de brand nog onder controle te krijgen
en zodoende tot de omvang van één brandcompartiment te beperken.
Tevens bewerkstelligt de in dit lid gegeven eis dat binnen twintig minuten
geen brandoverslag naar een ander gebouw plaatsvindt. Er wordt evenwel van
uit gegaan dat tussen gebouwen onderling in de regel de weerstand tegen branddoorslag
en brandoverslag groter zal zijn.
De hoogte van de in dit lid neergelegde prestatie-eis komt overeen met
de prestatie die aanwezig is bij vloeren uitgevoerd met een stuc op riet plafond.
Het niveau van dit voorschrift kan op zich zelf beschouwd uit het oogpunt
van brandveiligheid nog juist als ondergrens worden geaccepteerd.
Bij brandoverslag gaat het om uitbreiding van brand via de buitenlucht
en bij de weerstand tegen branddoorslag gaat het om andere vormen van branduitbreiding.
In NEN 6068 is aangegeven op welke wijze kan worden nagegaan of aan dit voorschrift
is voldaan.
Van een bestaand kantoorgebouw waarin geen voor het verblijf van mensen
bestemde ruimten liggen boven vijf meter hoogte, behoeven blijkens het tweede
lid de scheidingsconstructies van een brandcompartiment niet te voldoen aan
eisen met betrekking tot de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag.
Reden hiervoor is dat wordt aangenomen dat bij dergelijke lage gebouwen de
brandweer snel haar repressieve activiteiten kan uitvoeren en de gebruikers
zich snel in veiligheid kunnen brengen. Het achterwege laten van een eis geldt
echter niet voor scheidingsconstructies tussen twee afzonderlijke gebouwen.
Het niveau van dit voorschrift kan op zich zelf beschouwd uit het oogpunt
van brandveiligheid nog juist als ondergrens worden geaccepteerd.
Op grond van het tweede lid blijft een eis aan de weerstand tegen branddoorslag
en brandoverslag voorts buiten toepassing bij schachten, kokers en kanalen,
die uitsluitend grenzen aan het brandcompartiment ten dienste waarvan die
schacht, koker of dat kanaal aanwezig is, dan wel liggen in boven elkaar gesitueerde
toilet- en badruimten, mits die schachten, kokers en kanalen in dat geval
niet in verbinding staan met andere ruimten dan deze toilet- en badruimten.
In het tweede lid is tenslotte bepaald dat in het geheel geen eis geldt
tussen een kantoorgebouw en een bij dat gebouw behorende gebouw van beperkte
afmetingen, zijnde een buitenberging. Feitelijk gezien mag dan voor het aspect
weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag dat gebouw als onderdeel van
het kantoorgebouw zijn beschouwd.
Het derde lid betekent dat in wanden die de scheiding vormen tussen een
brandcompartiment en andere besloten ruimten alleen deuren mogen zijn geplaatst,
mits op die deuren een dranger is aangebracht. Dit laatste, om te voorkomen
dat als gevolg van openstaande deuren de in het tweede lid beoogde beperking
van branduitbreiding te niet gaat. Beweegbare ramen en luiken zijn in die
wanden niet toegestaan. Vanwege de indeling van het kantoorgebouw in brandcompartimenten
en ruimten die niet als brandcompartiment worden aangemerkt, zoals een trappenhuis
waardoor een vluchtweg voert, vloeit uit dit voorschrift tevens voort dat
deuren die grenzen aan een trappenhuis als zelfsluitende deur moeten zijn
uitgevoerd. Dit lid maakt het bouwen van een woning die rechtstreeks vanuit
een kantoorgebouw bereikbaar is mogelijk, mits de deur tussen de woning en
het kantoorgebouw maar van een dranger is voorzien.
Artikel 3.10
Om te voorkomen dat ten gevolge van een sterke rookontwikkeling het zicht
zodanig wordt beperkt dat gebruikers van een kantoorgebouw zich bij een beginnende
brand onvoldoende kunnen oriënteren, zijn in het eerste lid eisen gesteld
met betrekking tot de rookproductie aan een naar een besloten ruimte toegekeerde
zijde van een constructie-onderdeel. Deze rookproductie, uitgedrukt in termen
van rookdichtheid, moet zijn bepaald volgens NEN 6066. Deze norm voorziet
erin dat de combinatie van bouwmaterialen, die over een dikte van 6,5 centimeter,
gemeten vanaf het oppervlak, is toegepast in een constructie-onderdeel, aan
een beproeving moet zijn onderworpen om de rookproductie van dat constructie-onderdeel
te bepalen.
Bepaalde, in de bouw regulier toegepaste constructie-onderdelen, zoals
plinten, stopcontacten, lichtarmaturen, brand- en rookmelders, voldoen niet
aan de eisen voor de rookproductie. Daarom is bepaald dat per te beschouwen
ruimte vijf procent van de aan die ruimte grenzende en in de ruimte gelegen
constructie-onderdelen niet behoeft te voldoen aan de eisen voor de rookproductie.
De rookproductie van constructie-onderdelen die grenzen aan en liggen
in ruimten, waardoor een vluchtweg voert, moet aan strengere eisen voldoen.
Daarmee is mede bewerkstelligd dat het vluchten over een vluchtweg kan plaatsvinden
door ruimten die zo min mogelijk rook bevatten.
Het voorschrift betrekking hebbend op vluchtwegen geldt niet voor constructie-onderdelen
die een vloer of een tredevlak van een trap zijn. Omdat de brand zich over
de bovenzijde van een horizontaal vlak relatief langzaam uitbreidt en dientengevolge
bij een op een vloer of tredevlak beginnende brand niet snel een groot oppervlak
vlam zal vatten, kan voor deze constructie-onderdelen zijn volstaan met de
eis uit het eerste lid.
Bepaalde, in de bouw regulier toegepaste constructie-onderdelen, zoals
plinten, stopcontacten, lichtarmaturen, brand- en rookmelders, voldoen niet
aan de eisen voor de rookproductie. Daarom is bepaald dat per te beschouwen
ruimte vijf procent van de aan die ruimte grenzende en in de ruimte gelegen
constructie-onderdelen niet behoeft te voldoen aan de strengere eisen voor
de rookproductie. Deze oppervlakte mag, gemiddeld gezien, geen onevenredig
grote rookproductie hebben.
Het niveau van deze voorschriften kan op zich zelf beschouwd uit het oogpunt
van brandveiligheid nog juist als ondergrens worden geaccepteerd.
Artikel 3.11
Ten einde te voorkomen dat gebruikers van een kantoorgebouw ten gevolge
van verspreiding van rook over grote delen van het kantoorgebouw, niet in
de gelegenheid zijn tijdig en veilig het aansluitende terrein te bereiken,
zijn in het eerste lid eisen gesteld met betrekking tot de indeling van brandcompartimenten
in rookcompartimenten. Dit lid voorziet er in dat ten minste alle brandcompartimenten
die ingevolge artikel 3.9, eerste lid, zijn vereist, ook rookcompartimenten
zijn. Daarnaast kan het noodzakelijk zijn dat grote brandcompartimenten waarin
voor het verblijf van mensen bestemde ruimten liggen, een nadere verdeling
in rookcompartimenten kennen. Dit is afhankelijk van de inrichting van het
kantoorgebouw in relatie tot de in het voorschrift gegeven afstanden.
Omdat ingevolge artikel 3.8, eerste lid, het kantoorgebouw zelf ook is
aan te merken als een brandcompartiment, vloeit uit het onderhavig lid voort
dat alle besloten ruimten van een kantoorgebouw en daarmee ook de trappenhuizen,
schachten, kokers en kanalen deel uitmaken van een rookcompartiment.
Om te voorkomen dat bij een onverhoopt in een brandcompartiment ontstane
brand de in dat compartiment aanwezige personen een lange weg door rook moeten
afleggen en daarbij het risico lopen de uitgang naar een vluchtmogelijkheid
niet tijdig te kunnen vinden, is bepaald dat vanaf elk punt in een verblijfsruimte
binnen vijfenveertig meter een uitgang van een rookcompartiment moet zijn
te bereiken.
Ten einde de kans op het moeten passeren van een brand te beperken ingeval
slechts in één richting kan worden gevlucht, is feitelijk voorgeschreven
dat de gang die leidt naar het trappenhuis van beperkte lengte mag zijn. Het
niveau van deze voorschriften kan op zich zelf beschouwd uit het oogpunt van
brandveiligheid nog juist als ondergrens worden geaccepteerd.
Het niveau van deze voorschriften kan op zich zelf beschouwd uit het oogpunt
van brandveiligheid nog juist als ondergrens worden geaccepteerd.
Ten einde te bewerkstelligen dat, wanneer in een verblijfsruimte een brand
is ontstaan, die ruimte nog kan worden verlaten, voorziet het tweede lid erin
dat vanaf elk punt in die ruimte binnen dertig meter een uitgang moet kunnen
zijn bereikt. Het niveau van dit voorschrift kan op zich zelf beschouwd uit
het oogpunt van brandveiligheid nog juist als ondergrens worden geaccepteerd.
Om de kans te beperken dat bij brand vrijkomende rook zich over een groot
gedeelte van een kantoorgebouw of naar een ander gebouw verspreidt, is in
het derde lid geëist dat scheidingsconstructies tussen een rookcompartiment
en een andere besloten ruimte in staat moeten zijn de rook ten minste twintig
minuten tegen te houden. Hiermee wordt bereikt dat gebruikers van het kantoorgebouw
gedurende die tijdsduur, gevrijwaard van rook, het aansluitende terrein kunnen
bereiken. Tevens regelt dit lid dat er geen rookverspreiding naar een ander
gebouw binnen die twintig minuten kan plaatsvinden. In NEN 6075 is aangegeven
op welke wijze kan zijn nagegaan of aan dit voorschrift is voldaan. In dit
lid is voorts bepaald dat voor de weerstand tegen rookdoorgang tussen een
kantoorgebouw en een bij dat gebouw behorende buitenberging, mits die berging
van geringe omvang is, geen eis geldt. Feitelijk gezien mag, wat het aspect
weerstand tegen rookdoorgang betreft, de buitenberging als onderdeel van het
kantoorgebouw zijn beschouwd. Het niveau van dit voorschrift kan op zich zelf
beschouwd uit het oogpunt van brandveiligheid nog juist als ondergrens worden
geaccepteerd.
Het vierde lid betekent dat in wanden die de scheiding vormen tussen een
rookcompartiment en een andere besloten ruimte, alleen ramen, deuren, luiken
en andere beweegbare constructie-onderdelen mogen zijn geplaatst, mits op
dergelijke beweegbare constructie-onderdelen een dranger is aangebracht. Dit,
om te voorkomen dat als gevolg van het open staan van zo’n constructie-onderdeel,
de met het vierde lid beoogde beperking van rookverspreiding te niet gaat.
Artikel 3.12
Om een veilige ontvluchting uit een kantoorgebouw mogelijk te maken, moet
in beginsel door de gebruikers van een kantoorgebouw vanuit een ruimte in
twee richtingen via vloeren, trappen en hellingbanen het aansluitende terrein
kunnen worden bereikt. Het eerste lid bepaalt dat in beginsel een uitgang
van een rookcompartiment, die op grond van artikel 3.11 is vereist, moet grenzen
aan een ruimte waarin in twee richtingen naar het aansluitende terrein kan
worden gevlucht.
Het voorschrift maakt het mogelijk dat in een aantal gevallen vanaf een
toegang van een rookcompartiment in één richting, via vloeren,
trappen en hellingbanen, het aansluitende terrein kan worden bereikt. Dit
is toegestaan als van die vluchtmogelijkheid in geval van brand door niet
meer mensen gebruik behoeft te worden gemaakt dan die doorgaans verblijven
op een gebruiksoppervlakte van ten hoogste vijfhonderd vierkante meter. Dit
zal slechts een beperkt aantal personen zijn. Verder is dit toegestaan als
een rookcompartiment beschikt over twee of meer uitgangen die via vloeren,
trappen of hellingbanen in verbinding staan met het aansluitende terrein.
De derde uitzondering is die waarbij door een vluchttrappenhuis kan worden
gevlucht. Het in dit lid neergelegde voorschrift maakt het, bouwkundig gezien,
in beperkte mate mogelijk dat ’doodlopende einden’ in een kantoorgebouw
voorkomen. In een dergelijke situatie zullen evenwel, naar mag worden aangenomen,
met het oog op het gebruik door mensen van dergelijke aan een ’doodlopend
einde’ gelegen ruimten, op grond van de gemeentelijke bouwverordening,
afhankelijk van de inrichting van dat ’einde’, eisen gelden die
verband houden met de ontdekking en melding van brand. Het niveau van dit
voorschrift kan op zich zelf beschouwd uit het oogpunt van brandveiligheid
nog juist als ondergrens worden geaccepteerd.
Om te voorkomen dat bij toepassing van onderdeel c te veel mensen zijn
aangewezen op slechts één mogelijkheid om het aansluitende terrein
of een veiligheidstrappenhuis te bereiken, is in het derde lid bepaald dat,
wanneer rookcompartimenten zijn aangewezen op één vluchttrappenhuis,
zij gezamenlijk niet meer dan tweeduizend vierkante meter aan gebruiksoppervlakte
mogen bevatten. Het niveau van deze voorschriften kan op zich zelf beschouwd
uit het oogpunt van brandveiligheid nog juist als ondergrens worden geaccepteerd.
Het tweede lid betekent feitelijk dat in kantoorgebouwen bestaande uit
meer dan twee bouwlagen een trappenhuis niet in open verbinding met andere
besloten ruimten mag staan en dat de scheidingsconstructie tussen die gang
en het trappenhuis een zekere mate van rookwering moet bewerkstelligen.
In een scheidingsconstructie tussen een gang en een trappenhuis mag, alleen
een beweegbaar constructie-onderdeel, zoals een deur, aanwezig zijn, welke
deur moet zijn voorzien van een dranger.
Aangezien het vluchten vanaf elke verdieping van een ’hoog’
kantoorgebouw plaatsvindt via een beperkt aantal trappenhuizen, moeten die
trappenhuizen zodanig zijn dat zij voldoende bescherming bieden voor vluchtende
personen. Daarom is in het derde lid bepaald dat een trappenhuis van een dergelijk
gebouw aan de eisen die voor een vluchtweg gelden, moet voldoen. Deze eisen
zijn strenger dan die voor een vluchtmogelijkheid. Het niveau van dit voorschrift
kan op zich zelf beschouwd uit het oogpunt van brandveiligheid nog juist als
ondergrens worden geaccepteerd.
Artikel 3.13
Om te bewerkstelligen dat het aansluitende terrein vanuit een rookcompartiment
ook daadwerkelijk op een verantwoorde wijze kan worden bereikt, bepaalt het
eerste lid dat de toegang van een rookcompartiment en verder alle vrije doorgangen
van te passeren ruimten en deuren een breedte van ten minste vijftig centimeter
moeten hebben met een vrije hoogte van ten minste 1,2 meter. Ten einde te
voorkomen dat een te grote afstand door de rook moet worden afgelegd bepaald
het voorschrift voorts feitelijk dat een ongecompartimenteerde gang geen grotere
lengte mag hebben dan 50 m. Het niveau van deze voorschriften kan op zich
zelf beschouwd uit het oogpunt van brandveiligheid nog juist als ondergrens
worden geaccepteerd.
Het tweede lid geven nadere regels omtrent de onafhankelijkheid van twee
vluchtmogelijkheden. De scheidingsconstructie tussen twee ruimten waardoor
vluchtmogelijkheden voeren, moet er voor zorgen dat, wanneer in één
van die twee ruimten onverhoopt een brand woedt, de andere ruimte nog twintig
minuten is gevrijwaard van brand. Uiteraard geldt deze eis niet voor de onafhankelijke
vluchtmogelijkheden die hun vertrekpunt in dezelfde ruimte hebben. Dit is
bijvoorbeeld het geval, wanneer de toegang van een rookcompartiment uitkomt
in een verkeersruimte waardoor in twee richtingen kan worden gevlucht. Voorts
mogen twee onafhankelijke vluchtmogelijkheden slechts met elkaar in verbinding
staan, wanneer die verbinding is gevormd door een deur waarop een dranger
is bevestigd.
In het derde lid zijn eisen gesteld aan een niet-besloten ruimte waardoor
een vluchtmogelijkheid voert. Dit is van belang voor de eisen die zijn gesteld
aan de rookproductie van in die ruimte toegepaste bouwmaterialen en de weerstand
tegen branddoorslag en brandoverslag en de weerstand tegen rookdoorgang. Immers,
vluchten door een besloten ruimte wordt belemmerd door brand en rook die in
een ruimte blijft hangen.
Om er voor te zorgen dat de in een kantoorgebouw aanwezige mensen voldoende
snel in staat zijn het kantoorgebouw te verlaten, bepaalt het vierde lid dat
uitgangen van in die leden bedoelde ruimten voldoende breed moeten zijn of
in voldoende aantal aanwezig moeten zijn. Daarbij is als maatstaf aangehouden
dat in het algemeen gemiddeld één persoon per twintig vierkante
meter gebruiksoppervlakte respectievelijk één persoon per tien
vierkante meter vloeroppervlakte aan verblijfsruimte aanwezig is. Aan de hand
van dit voorschrift kan een bouwlaag in de regel binnen anderhalve minuut
zijn ontruimd. Het niveau van deze voorschriften kan op zich zelf beschouwd
uit het oogpunt van brandveiligheid nog juist als ondergrens worden geaccepteerd.
Het vijfde lid bepaalt dat deuren waarvan, in geval van brand, door gemiddeld
meer dan 40 mensen gebruik moet kunnen worden gemaakt, niet tegen de vluchtrichting
in mogen draaien. Deze deuren mogen dus wel in de vluchtrichting draaien of
als een doordraaiende- of schuifdeur zijn uitgevoerd. Deze eis beoogt te voorkomen
dat, ingeval van paniek en van opeenhoping van mensen ter plaatse van een
deur, deze deur een obstakel gaat vormen bij het vluchten. Het niveau van
dit voorschrift kan op zich zelf beschouwd uit het oogpunt van brandveiligheid
nog juist als ondergrens worden geaccepteerd.
Vanwege de bijzondere veiligheid die een veiligheidstrappenhuis aan de
gebruikers ervan moet bieden, schrijft het zesde lid voor dat constructie-onderdelen
die in zo’n trappenhuis liggen en zo’n trappenhuis omhullen, slechts
in zeer geringe mate brandbevorderend mogen zijn. Dit wordt uitgedrukt in
het product van de vuurbelasting waarvan de bepalingsmethode is vastgelegd
in NEN 6090 en de netto-vloeroppervlakte. De gegeven eis van 7.000 MJ per
bouwlaag is afgestemd op in de praktijk gerealiseerde bouwkundige oplossingen
en ontleend aan door TNO Bouw uitgevoerd onderzoek, rapport 95-BKR-1669. De
gegeven grenswaarde van 7.000 MJ per bouwlaag is twee keer zo groot als de
waarde die voor de nieuwbouw is neergelegd in artikel 236, achtste lid, van
het Bouwbesluit. Daarmee wordt bereikt dat een kleine afwijking van het nieuwbouwvoorschrift
niet ogenblikkelijk behoeft te leiden tot een aanschrijving. In de praktijk
betekent dit dat trappen, vloeren en wanden van deze ruimte van steenachtig
materiaal moeten zijn, en dat alleen in deze ruimte voorkomende deuren, leuningen
en plinten in hout mogen zijn uitgevoerd. Het niveau van dit voorschrift kan
op zich zelf beschouwd uit het oogpunt van brandveiligheid nog juist als ondergrens
worden geaccepteerd.
Artikel 3.14
In een kantoorgebouw waarin op grote hoogte voor het verblijf van mensen
bestemde ruimten liggen, moeten een of meer droge blusleidingen aanwezig zijn,
opdat de brandweer bij brand in staat is bluswerkzaamheden te verrichten.
Deze blusleiding moet zijn ingericht overeenkomstig bepaalde in NEN 1594 gestelde
eisen.
Een blusleiding moet zodanig zijn gesitueerd, dat de brandslangaansluiting
van die leiding, die op elke verdieping aanwezig moet zijn, vanaf een toegang
van een rookcompartiment binnen een afstand van zeventig meter bereikbaar
is. Het niveau van deze voorschriften kan op zich zelf beschouwd uit het oogpunt
van brandveiligheid nog juist als ondergrens worden geaccepteerd.
Artikel 3.15
Om te voorkomen dat brand zich snel uitbreidt langs het oppervlak van
constructie-onderdelen van een logiesverblijf of logiesgebouw, waardoor gebruikers
van dat verblijf of gebouw onvoldoende tijd hebben om het brandende deel van
het verblijf of gebouw veilig te verlaten, moet ingevolge een constructie-onderdeel
ten minste voldoen aan klasse 4 van de bijdrage tot brandvoortplanting. Deze
eis geldt voor alle zijden van constructie-onderdelen, ook voor de naar de
buitenlucht toegekeerde zijden van gevels. Deze eis geldt echter niet voor
de bovenzijde van een dak, omdat voor een dak in het verleden geen eis heeft
gegolden met betrekking tot de klasse van de bijdrage tot brandvoortplanting.
Het zou dan ook, gelet op het beginsel van verworven rechten, te ver voeren
thans zo’n eis aan een bestaand dak te stellen. Voor zover bedoelde
constructie-onderdelen liggen in een vluchtmogelijkheid moet de bijdrage tot
brandvoortplanting van deze onderdelen ten minste behoren tot klasse 2. De
bijdrage tot brandvoortplanting moet zijn bepaald volgens NEN 6065. Deze norm
voorziet erin dat de combinatie van bouwmaterialen, die over een dikte van
vijftien centimeter, gemeten vanaf het oppervlak, is toegepast in een constructie-onderdeel
aan een beproeving moet zijn onderworpen om de bijdrage tot brandvoortplanting
van dat constructie-onderdeel te kunnen vaststellen.
Omdat de brandvoortplanting van de bovenzijde van horizontale vlakken
sterk afwijkt van die van niet-horizontale vlakken, is bepaald dat de bijdrage
tot brandvoortplanting van vloeren en tredevlakken ten minste moet behoren
tot klasse T3. Wanneer over een vloer of tredevlak een vluchtweg voert, moet
de vloer of het tredevlak echter behoren tot klasse T1. Vanwege het afwijkende
brandgedrag van deze constructie-onderdelen moet deze bijdrage tot brandvoortplanting
zijn bepaald volgens NEN 1775. In dit geval moet slechts de combinatie van
bouwmaterialen, die over een dikte van drie centimeter, gemeten vanaf het
oppervlak van een vloer of tredevlak, is toegepast aan de beproeving zijn
onderworpen.
Bepaalde, in de bouw regulier toegepaste constructie-onderdelen, zoals
plinten, stopcontacten, lichtarmaturen, brand- en rookmelders, voldoen niet
aan de gegeven eisen voor de bijdrage tot brandvoortplanting. Daarom is bepaald
dat per te beschouwen ruimte vijf procent van de aan die ruimte grenzende
en in de ruimte gelegen constructie-onderdelen niet behoeft te voldoen aan
de eisen voor de bijdrage tot brandvoortplanting.
Artikel 3.16
Ten einde te voorkomen dat een brand zich ongehinderd kan uitbreiden naar
een ander gebouw, bepaalt het eerste lid dat een niet in een logiesgebouw
gelegen logiesverblijf en een logiesgebouw als brandcompartiment moeten zijn
beschouwd.
Om te voorkomen dat een brand zich ongehinderd over een te groot deel
van een logiesverblijf, niet gelegen in een logiesgebouw, of logiesgebouw
kan uitbreiden, bepaalt dit lid voorts dat een logiesverblijf of een logiesgebouw
zodanig in afzonderlijke, door scheidingsconstructies afgescheiden delen (compartimenten)
moet zijn verdeeld, dat een eenmaal ontstane brand zich gedurende een bepaalde
tijdsduur niet verder kan uitbreiden dan de begrenzing van een dergelijk compartiment.
Bepaald is dat ten minste als compartimenten moeten zijn ingericht gedeelten
van het logiesverblijf of het logiesgebouw, die een gebruiksoppervlakte hebben
van ten hoogste duizend vierkante meter. Voorts moeten een stookruimte, een
technische ruimte met een vloeroppervlakte van meer dan 50 m2 en
een ruimte bestemd voor de opslag van in dit lid genoemde stoffen als brandcompartiment
zijn aangemerkt.
Een vluchtweg mag daarentegen niet in een brandcompartiment, anders dan
het logiesverblijf of het gebouw liggen. Reden hiervoor is dat een vluchtweg
zo moet zijn ingericht dat mag worden aangenomen dat daarin geen brand zal
ontstaan. Bovendien betekent de omstandigheid dat een vluchtweg niet in een
brandcompartiment, anders dan het logiesverblijf of het gebouw zelf, mag liggen
dat een vluchtweg gevrijwaard is van brand. Als gevolg van deze indeling in
brandcompartimenten zijn gebruikers van het logiesverblijf of logiesgebouw,
die zich bevinden buiten het compartiment waarin brand woedt, in de gelegenheid
het verblijf of het gebouw tijdig en veilig te verlaten. Het niveau van dit
voorschrift kan op zich zelf beschouwd uit het oogpunt van brandveiligheid
nog juist als ondergrens worden geaccepteerd.
In aanvulling op de compartimentering als bedoeld in het eerste lid, bepaalt
het tweede lid dat ook elk logiesverblijf en deel van een logiesgebouw dat
voor gemeenschappelijk verblijf van de gebruikers van een logiesgebouw is
bestemd, moet zijn aangemerkt als brandcompartiment. Hiermee is geregeld dat
een brand gedurende een zekere tijdsduur zich niet verder kan uitbreiden dan
tot dat ene logiesverblijf of dat deel waar de brand is ontstaan.
Om de kans te beperken dat een beginnende brand zich over een groot gedeelte
van een logiesverblijf of logiesgebouw of naar een ander gebouw uitbreidt,
is in het derde lid geëist dat scheidingsconstructies tussen een brandcompartiment
en een andere besloten ruimte in staat moeten zijn de brand twintig minuten
tegen te houden. Hiermee wordt bereikt dat de brandweer in de gelegenheid
is om via bluswerkzaamheden de brand binnen deze tijdsduur onder controle
te krijgen en tot de omvang van één brandcompartiment te beperken.
Tevens leidt dit lid ertoe dat er geen brandoverslag naar een ander gebouw
binnen deze tijdsduur zal plaatsvinden. Er wordt evenwel van uit gegaan dat
tussen gebouwen onderling in de regel de weerstand tegen branddoorslag en
brandoverslag groter zal zijn.
De hoogte van de in dit lid neergelegde prestatie-eis komt overeen met
de prestatie die wordt gerealiseerd bij vloeren uitgevoerd met een stuc op
riet plafond. Het niveau van dit voorschrift kan op zich zelf beschouwd uit
het oogpunt van brandveiligheid nog juist als ondergrens worden geaccepteerd.
Bij de weerstand tegen brandoverslag gaat het om uitbreiding van brand
via de buitenlucht en bij de weerstand tegen branddoorslag gaat het om andere
vormen van branduitbreiding. In NEN 6068 is aangegeven op welke wijze kan
worden nagegaan of aan dit voorschrift is voldaan.
Het derde lid is niet van toepassing indien het andere gebouw op het eigen
perceel van geringe omvang is, zoals in de regel het geval is bij de buitenbergruimte.
Het derde lid is evenmin van toepassing op een bij een logiesverblijf behorende
garage voor zover burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat een garage
niet behoeft te worden aangemerkt als een ruimte bestemd of mede bestemd voor
de opslag van brandbare, brandbevorderende of bij brand gevaar opleverende
stoffen, bedoeld in artikel 2.1 van de Regeling Bouwbesluit materialen. Feitelijk
gezien mag dan voor het aspect weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag
het andere gebouw als onderdeel van het logiesverblijf of het logiesgebouw
zijn beschouwd.
Op grond van het derde lid blijft voorts de eis met betrekking tot de
minimum weerstand tegen branddoorslag of brandoverslag buiten toepassing bij
schachten, kokers en kanalen, die uitsluitend grenzen aan het brandcompartiment
ten dienste waarvan die schacht, koker of dat kanaal aanwezig is dan wel liggen
in boven elkaar gesitueerde toilet- en badruimten, mits die schachten, kokers
en kanalen in dat geval niet in verbinding staan met andere dan de hiervoor
genoemde besloten ruimten.
Het vierde lid betekent dat in wanden die de scheiding vormen tussen een
brandcompartiment en andere besloten ruimten alleen deuren mogen zijn geplaatst,
waarop een dranger is aangebracht. Dit laatste, om te voorkomen dat als gevolg
van openstaande deuren de in het eerste tot en met derde lid beoogde beperking
van branduitbreiding te niet gaat. Beweegbare ramen en luiken zijn in die
wanden niet toegestaan. Deze eis geldt blijkens dit lid niet voor de toegang
van een in een logiesgebouw gelegen logiesverblijf en evenmin voor een toegang
van de andere brandcompartimenten die in het tweede lid zijn aangeduid, zoals
ruimten die in gebruik zijn bij één student of verpleegster.
Vanwege de indeling van het logiesverblijf of het logiesgebouw in brandcompartimenten
en besloten ruimten die niet als brandcompartiment worden aangemerkt, zoals
een trappenhuis waardoor een vluchtweg voert, vloeit uit dit voorschrift tevens
voort dat deuren die grenzen aan een trappenhuis en niet de deur van een logiesverblijf
zijn als zelfsluitende deur moeten zijn uitgevoerd.
Artikel 3.17
Om te voorkomen dat ten gevolge van een sterke rookontwikkeling het zicht
zodanig wordt beperkt dat gebruikers van een logiesverblijf of logiesgebouw
zich bij een beginnende brand onvoldoende kunnen oriënteren, zijn in
dit artikel eisen gesteld met betrekking tot de rookproductie aan een naar
een besloten ruimte toegekeerde zijde van een constructie-onderdeel. Deze
rookproductie, uitgedrukt in termen van rookdichtheid, moet zijn bepaald volgens
NEN 6066. Deze norm voorziet erin dat de combinatie van bouwmaterialen, die
over een dikte van 6,5 centimeter, gemeten vanaf het oppervlak, is toegepast
in een constructie-onderdeel, aan een beproeving moet zijn onderworpen om
de rookproductie van dat constructie-onderdeel te bepalen.
Bepaalde, in de bouw regulier toegepaste constructie-onderdelen, zoals
plinten, stopcontacten, lichtarmaturen, brand- en rookmelders, voldoen niet
aan de eisen voor de rookproductie. Daarom is bepaald dat per te beschouwen
ruimte vijf procent van de aan die ruimte grenzende en in de ruimte gelegen
constructie-onderdelen niet behoeft te voldoen aan de eisen voor de rookproductie.
De rookproductie van constructie-onderdelen die grenzen aan en liggen
in ruimten waardoor een vluchtweg voert, moet aan strengere eisen voldoen.
Daarmee is mede bewerkstelligd dat het vluchten over een vluchtweg kan
plaatsvinden door ruimten die van rook zijn gevrijwaard. Het niveau van deze
voorschriften kan op zich zelf beschouwd uit oogpunt van brandveiligheid nog
juist als ondergrens worden geaccepteerd.
Het voorschrift betrekking hebbend op vluchtwegen geldt niet voor constructie-onderdelen
die een vloer of tredevlak van een trap zijn. Omdat de brand zich over de
bovenzijde van een horizontaal vlak relatief langzaam uitbreidt en dientengevolge
bij een op een vloer of tredevlak beginnende brand niet snel een groot oppervlak
vlam zal vatten, kan voor deze constructie-onderdelen zijn volstaan met de
basiseis.
Bepaalde, in de bouw regulier toegepaste constructie-onderdelen, zoals
plinten, stopcontacten, lichtarmaturen, brand- en rookmelders, voldoen niet
aan de eisen voor de rookproductie. Daarom is voor ruimten, waardoor een vluchtweg
voert, bepaald dat per te beschouwen ruimte vijf procent van de aan die ruimte
grenzende en in de ruimte gelegen constructie-onderdelen niet behoeft te voldoen
aan de strengere eisen voor de rookproductie. Deze oppervlakte mag, gemiddeld
gezien, geen onevenredig grote rookproductie hebben.
Artikel 3.18
Ten einde te voorkomen dat gebruikers van een groot logiesverblijf of
logiesgebouw ten gevolge van verspreiding van rook over grote delen van het
logiesverblijf of logiesgebouw, niet in de gelegenheid zijn tijdig en veilig
het aansluitende terrein te bereiken, zijn in het eerste lid eisen gesteld
met betrekking tot de indeling van brandcompartimenten in rookcompartimenten.
Dit lid voorziet er in dat ten minste alle brandcompartimenten die ingevolge
artikel 3.2, eerste lid, van deze regeling zijn vereist, ook rookcompartimenten
zijn. Daarnaast kan het noodzakelijk zijn dat grote brandcompartimenten waarin
voor het verblijf van mensen bestemde ruimten liggen, een nadere verdeling
in rookcompartimenten kennen. Dit is afhankelijk van de inrichting van het
logiesverblijf of het logiesgebouw in relatie tot de in het voorschrift genoemde
afstanden. Om te voorkomen dat bij een onverhoopt in een brandcompartiment
ontstane brand de in dat compartiment aanwezige personen een lange weg door
rook moeten afleggen en daarbij het risico lopen de uitgang naar een vluchtmogelijkheid
niet tijdig te kunnen vinden, is bepaald dat vanaf elk punt in een verblijfsruimte
binnen vijfenveertig meter een uitgang van een rookcompartiment moet zijn
te bereiken. Het niveau van deze voorschriften kan op zichzelf beschouwd uit
oogpunt van brandveiligheid nog juist als ondergrens worden geaccepteerd.
Omdat ingevolge artikel 3.16, eerste lid, een logiesverblijf, niet gelegen
in een logiesgebouw en logiesgebouw op zichzelf ook zijn aan te merken als
een brandcompartiment, vloeit uit het onderhavige lid voort dat alle besloten
ruimten van een logiesverblijf en logiesgebouw en daarmee ook de trappenhuizen,
schachten, kokers en kanalen deel uitmaken van een rookcompartiment.
Ten einde te voorkomen dat in een groot logiesverblijf vanaf de toegang
van een brandcompartiment een te grote afstand door een met rook gevulde gang
moet worden afgelegd bepaald het eerste lid voorts dat vanaf de toegang van
een brandcompartiment bestemd voor bijvoorbeeld één gast tot
de uitgang van een rookcompartiment dat samenvalt met de brandcompartimentering
van 1.000 m2 niet groter mag zijn dan 25 m. Dit niveau werd destijds
bij het bouwen geaccepteerd en kan op zich zelf beschouwd met het oog op de
brandveiligheid nog juist als ondergrens worden geaccepteerd.
Ten einde te bewerkstelligen dat, wanneer in een verblijfsruimte een brand
is ontstaan, die ruimte nog kan worden verlaten, voorziet het tweede lid erin
dat vanaf elk punt in die ruimte binnen dertig meter een uitgang moet kunnen
zijn bereikt. Het niveau van dit voorschrift kan op zichzelf beschouwd uit
oogpunt van brandveiligheid nog juist als ondergrens worden geaccepteerd.
Om de kans te beperken dat bij brand ontstane rook zich over een groot
gedeelte van een logiesverblijf of logiesgebouw of naar een ander gebouw verspreidt,
is in het derde lid geëist dat scheidingsconstructies tussen een rookcompartiment
en een andere besloten ruimte in staat moeten zijn de rook ten minste twintig
minuten tegen te houden. Hiermee wordt bereikt dat gebruikers van het logiesverblijf
of het logiesgebouw gedurende die tijdsduur, gevrijwaard van rook, het aansluitende
terrein kunnen bereiken. Tevens regelt dit lid dat er geen rookverspreiding
naar een ander gebouw binnen die tijdsduur mag plaatsvinden. In NEN 6075 is
aangegeven op welke wijze kan zijn nagegaan of aan dit voorschrift is voldaan.
In dit lid is voorts nog bepaald dat voor de weerstand tegen rookdoorgang
tussen een logiesverblijf of logiesgebouw en een bij dat logiesverblijf of
dat logiesgebouw behorend gebouw dat van geringe omvang is, zoals de buitenberging,
geen eis geldt. Feitelijk gezien mag, wat het aspect weerstand tegen rookdoorgang
betreft, de buitenberging als onderdeel van het logiesverblijf of het logiesgebouw
zijn beschouwd. Het niveau van dit voorschrift kan op zichzelf beschouwd uit
oogpunt van brandveiligheid nog juist als ondergrens worden geaccepteerd.
Het vierde lid betekent dat in wanden die de scheiding vormen tussen een
rookcompartiment en een andere besloten ruimte, alleen ramen, deuren, luiken
en andere beweegbare constructie-onderdelen mogen zijn geplaatst, mits op
dergelijke constructieonderdelen een dranger is aangebracht. Dit, om te voorkomen
dat als gevolg van het open staan van deze constructie-onderdelen, de met
het derde lid beoogde beperking van rookverspreiding te niet gaat. Voorts
is bepaald dat deze eis niet geldt voor de toegang van een in een logiesgebouw
gelegen logiesverblijf.
Artikel 3.19
Om een veilige ontvluchting uit een logiesverblijf of logiesgebouw mogelijk
te maken, moet in beginsel door de gebruikers van een groot logiesverblijf
of logiesgebouw vanuit een ruimte in twee richtingen via vloeren, trappen
en hellingbanen het aansluitende terrein kunnen worden bereikt. Het eerste
lid bepaalt dat in beginsel een uitgang van een rookcompartiment, die op grond
van artikel 3.19 van deze regeling is vereist, moet grenzen aan een ruimte
waarin in twee richtingen naar het aansluitende terrein kan worden gevlucht.
Het voorschrift staat toe dat in een aantal gevallen vanaf een toegang
van een rookcompartiment in één richting, via vloeren, trappen
of hellingbanen, het aansluitende terrein kan worden bereikt. Dit is toegestaan
als van die vluchtmogelijkheid in geval van brand door niet meer mensen gebruik
behoeft te worden gemaakt dan die doorgaans verblijven op een gebruiksoppervlakte
van ten hoogste vijfhonderd vierkante meter. Dit zal slechts een beperkt aantal
personen zijn. Verder is dit toegestaan als een rookcompartiment beschikt
over twee of meer uitgangen die via vloeren, trappen of hellingbanen in verbinding
staan met het aansluitende terrein. De derde uitzondering is die waarbij door
een vluchttrappenhuis kan worden gevlucht. Het in dit lid neergelegde voorschrift
maakt het, bouwkundig gezien, in beperkte mate mogelijk dat ’doodlopende
einden’ in een groot logiesverblijf of in een logiesgebouw voorkomen.
In een dergelijke situatie zullen evenwel, naar mag worden aangenomen, met
het oog op het gebruik door mensen van dergelijke aan een ’doodlopend
einde’ gelegen ruimten, op grond van de gemeentelijke bouwverordening,
afhankelijk van de inrichting van dat ’einde’, eisen gelden die
bijvoorbeeld verband houden met de ontdekking en melding van brand.
Om te voorkomen dat bij toepassing van onderdeel c te veel mensen zijn
aangewezen op slechts één mogelijkheid om het aansluitende terrein
of een veiligheidstrappenhuis te bereiken, is in het eerste lid voorts bepaald
dat, wanneer rookcompartimenten zijn aangewezen op één vluchttrappenhuis,
zij gezamenlijk niet meer dan duizend vierkante meter aan gebruiksoppervlakte
mogen bevatten. Het niveau van deze voorschriften kan op zich zelf beschouwd
uit het oogpunt van brandveiligheid nog juist als ondergrens worden geaccepteerd.
Het tweede lid betekent feitelijk dat in logiesgebouwen bestaande uit
meer dan twee bouwlagen een trappenhuis niet in open verbinding met andere
besloten ruimten mag staan en dat de scheidingsconstructie tussen die gang
en het trappenhuis een zekere mate van rookwering moet bewerkstelligen.
In een scheidingsconstructie tussen een gang en een trappenhuis mag, alleen
een beweegbaar constructie-onderdeel, zoals een deur, aanwezig zijn, welke
deur moet zijn voorzien van een dranger.
Aangezien het vluchten vanaf elke verdieping van een ’hoog’
logiesgebouw plaatsvindt via een beperkt aantal trappenhuizen, moeten die
trappenhuizen zodanig zijn dat zij voldoende bescherming bieden voor vluchtende
personen. Daarom is in het derde lid bepaald dat een trappenhuis van een dergelijk
gebouw aan de eisen die voor een vluchtweg gelden, moet voldoen. Deze eisen
zijn strenger dan die voor een vluchtmogelijkheid. Het niveau van dit voorschrift
kan op zich zelf beschouwd uit het oogpunt van brandveiligheid nog juist als
ondergrens worden geaccepteerd.
Artikel 3.20
Om te bewerkstelligen dat het aansluitende terrein vanuit een rookcompartiment
ook daadwerkelijk op een verantwoorde wijze kan worden bereikt, bepaalt het
eerste lid dat de toegang van een rookcompartiment en verder alle vrije doorgangen
van te passeren ruimten en deuren een breedte van ten minste vijftig centimeter
moeten hebben met een vrije hoogte van ten minste 1,2 meter. Ten einde te
voorkomen dat een te grote afstand door de rook moet worden afgelegd bepaald
het voorschrift voorts feitelijk dat een ongecompartimenteerde gang geen grotere
lengte mag hebben dan 35 m. Het niveau van deze voorschriften kan op zich
zelf beschouwd uit het oogpunt van brandveiligheid nog juist als ondergrens
worden geaccepteerd. Het niveau van deze voorschriften kan op zich zelf beschouwd
uit het oogpunt van brandveiligheid nog juist als ondergrens worden geaccepteerd.
Het tweede lid geeft nadere regels omtrent de onafhankelijkheid van twee
vluchtmogelijkheden. De scheidingsconstructie tussen twee ruimten waardoor
vluchtmogelijkheden voeren, moet er voor zorgen dat, wanneer in één
van die twee ruimten onverhoopt een brand woedt, de andere ruimte nog twintig
minuten is gevrijwaard van brand. Uiteraard geldt deze eis niet voor de onafhankelijke
vluchtmogelijkheden die hun vertrekpunt in dezelfde ruimte hebben. Dit is
bijvoorbeeld het geval, wanneer de toegang van een rookcompartiment uitkomt
in een verkeersruimte waaruit in twee richtingen kan worden gevlucht. Voorts
mogen twee onafhankelijke vluchtmogelijkheden slechts met elkaar in verbinding
staan, wanneer die verbinding is gevormd door een deur waarop een dranger
is bevestigd.
In het derde lid zijn eisen gesteld aan een niet-besloten ruimte waardoor
een vluchtmogelijkheid voert. Dit is van belang voor de eisen die zijn gesteld
aan de rookproductie van in die ruimte toegepaste bouwmaterialen en de weerstand
tegen branddoorslag en brandoverslag en de weerstand tegen rookdoorgang. Immers,
vluchten door een besloten ruimte wordt belemmerd door brand en door rook
die in een ruimte blijft hangen.
Om er voor te zorgen dat de in een logiesverblijf of logiesgebouw aanwezige
mensen voldoende snel in staat zijn het logiesverblijf of het logiesgebouw
te verlaten, bepaalt het vierde lid dat uitgangen van in die leden bedoelde
ruimten voldoende breed moeten zijn of in voldoende aantal aanwezig moeten
zijn. Daarbij is als maatstaf aangehouden dat in het algemeen gemiddeld één
persoon per twintig vierkante meter gebruiksoppervlakte respectievelijk één
persoon per tien vierkante meter vloeroppervlakte aan verblijfsruimte aanwezig
is. Dit voorschrift bewerkstelligt dat een bouwlaag in de regel binnen anderhalve
minuut is ontruimd. Het niveau van deze voorschriften kan op zich zelf beschouwd
uit het oogpunt van brandveiligheid nog juist als ondergrens worden geaccepteerd.
Het vijfde lid bepaalt dat deuren waarvan, in geval van brand door gemiddeld
meer dan 40 mensen gebruik moet kunnen worden gemaakt, niet tegen de vluchtrichting
in mogen draaien. Deze deuren mogen dus wel in de vluchtrichting draaien of
als een doordraaiende- of schuifdeur zijn uitgevoerd. Deze eis beoogt te voorkomen
dat, ingeval van paniek en van opeenhoping van mensen ter plaatse van een
deur, deze deur een obstakel gaat vormen bij het vluchten. Het niveau van
deze voorschriften kan op zich zelf beschouwd uit het oogpunt van brandveiligheid
nog juist als ondergrens worden geaccepteerd.
Vanwege de bijzondere veiligheid die een veiligheidstrappenhuis aan de
gebruikers ervan moet bieden, schrijft het zesde lid voor dat constructie-onderdelen
die in zo’n trappenhuis liggen en zo’n trappenhuis omhullen, slechts
in zeer geringe mate brandbevorderend mogen zijn. Dit wordt uitgedrukt in
het product van de vuurbelasting waarvan de bepalingsmethode is vastgelegd
in NEN 6090 en de netto-vloeroppervlakte. De gegeven eis van 7.000 MJ per
bouwlaag is afgestemd op in de praktijk gerealiseerde bouwkundige oplossingen
en ontleend aan door TNO Bouw uitgevoerd onderzoek, rapport 95-BKR-1669. De
gegeven grenswaarde van 7.000 MJ per bouwlaag is twee keer zo groot als de
waarde die voor de nieuwbouw is neergelegd in artikel 261, achtste lid, van
het Bouwbesluit. Daarmee wordt bereikt dat een kleine afwijking van het nieuwbouwvoorschrift
niet ogenblikkelijk behoeft te leiden tot een aanschrijving. In de praktijk
betekent dit dat trappen, vloeren en wanden van deze ruimte van steenachtig
materiaal moeten zijn, en dat alleen in deze ruimte voorkomende deuren, leuningen
en plinten in hout mogen zijn uitgevoerd. Het niveau van dit voorschrift kan
op zich zelf beschouwd uit het oogpunt van brandveiligheid nog juist als ondergrens
worden geaccepteerd.
Artikel 3.21
In logiesgebouwen en logiesverblijven waarin op grote hoogte voor het
verblijf van mensen bestemde ruimten liggen, moeten een of meer droge blusleidingen
aanwezig zijn, opdat de brandweer bij brand in staat is bluswerkzaamheden
te verrichten. Deze blusleiding moet zijn ingericht overeenkomstig bepaalde
in NEN 1594 gestelde eisen.
Een blusleiding moet zodanig zijn gesitueerd, dat de brandslangaansluiting
van die leiding, die op elke verdieping aanwezig moet zijn, vanaf een toegang
van een rookcompartiment binnen een afstand van zeventig meter bereikbaar
is. Het niveau van deze voorschriften kan op zich zelf beschouwd uit het oogpunt
van brandveiligheid nog juist als ondergrens worden geaccepteerd.
Artikel 3.22
Dit artikel bevat de technische uitwerking van de artikelen 82, tweede
lid, 156, tweede lid, en 298, tweede lid, van het Bouwbesluit. De grenswaarde
van de eis is afgestemd op datgene wat doorgaans in de praktijk nog als voldoende
veilig wordt aanvaard. Voor gemetselde schoorsteenkanalen heeft dit voorschrift
tot gevolg dat slechts over een zeer beperkte lengte een voeg tussen twee
stenen mag ontbreken. De in NEN 8062 verwoorde bepalingsmethode is afgeleid
van het nieuwbouwvoorschrift dat is neergelegd in NEN 6062. Dit nieuwbouwvoorschrift
gaat echter uit van een beproeving in laboratoriumomstandigheden. De in NEN
8062 gegeven bepalingsmethode gaat uit van hetzelfde meetprincipe, doch nu
toepasbaar op een in een bestaand bouwwerk aanwezige voorziening voor de afvoer
van rook.
Artikel 4.1
Het Bouwbesluit geeft voor de bestaande bouw ten aanzien van voorzieningen
voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht voorschriften
met betrekking tot de capaciteit. Dit artikel geeft de bij die eisen behorende
bepalingsmethode. De in NEN 8087 verwoorde bepalingsmethode is afgeleid van
het nieuwbouwvoorschrift dat is neergelegd in NEN 1087. Dit nieuwbouwvoorschrift
laat echter ventilatie via naden en kieren niet toe terwijl dit voor de bestaande
bouw wel toelaatbaar is.
Artikel 4.2
Dit artikel bevat de eisen die voor een bestaande voorziening voor de
toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rook, voor zover het de toevoer
van verbrandingslucht betreft, ingevolge de artikelen 94, tweede lid, 163,
tweede lid, en 313, tweede lid van het Bouwbesluit gelden.
Het eerste en tweede lid bevatten de inrichtingseisen voor een bestaande
voorziening. Vanwege het beginsel van gelijke monniken, gelijke kappen is
in het tweede lid aangegeven dat bij de bepaling of de voorziening naar behoren
als toevoervoorziening functioneert geen rekening behoeft te zijn gehouden
met belendingen.
In het derde lid zijn de capaciteitseisen van een in een bestaande bouwwerk
aanwezige voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht weergegeven. Deze
voorschriften zijn gelijk aan die voor de nieuwbouw omdat de benodigde hoeveelheid
verbrandingslucht afhankelijk is van het geplaatste verbrandingstoestel gerelateerd
aan de geïnstalleerde nominale belasting. Voor de nieuwbouw en de bestaande
bouw bestaat daarvoor geen verschil.
Voorts is bepaald dat de capaciteit van een bestaande voorziening voor
de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rook, voor zover het de
toevoer van verbrandingslucht betreft, moet zijn bepaald overeenkomstig de
voor een ventilatievoorziening in artikel 4.1 aangeduide methode.
Artikel 4.3
Dit artikel bevat de eisen die voor een bestaande voorziening voor de
toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rook, voor zover het de afvoer
van rook betreft, ingevolge de artikelen 94, tweede lid, 163, tweede lid,
en 313, tweede lid van het Bouwbesluit gelden.
In het tweede tot en met het zesde lid zijn de capaciteitseisen van een
bestaande voorziening voor de afvoer van rook weergegeven in termen van een
prestatie-eis. Deze voorschriften zijn gelijk aan die voor de nieuwbouw omdat
de benodigde afvoercapaciteit afhankelijk is van het geplaatste verbrandingstoestel
gerelateerd aan de geïnstalleerde nominale belasting. Voor de nieuwbouw
en de bestaande bouw bestaat daarvoor geen verschil. Alleen in het geval sprake
is van gebruik van aardgas, butaan of propaan zonder open vuur zijn de eisen
lager gesteld. Dit is het gevolg van het feit dat in de loop der tijd de eisen
zijn aangescherpt en het op grond van het beginsel van verworven rechten niet
redelijk is te verlangen dat alle bestaande voorzieningen alsnog worden aangepast
aan de nieuwste inzichten.
Het zesde lid geeft de bepalingsmethode voor de capaciteit van een bestaande
voorziening voor de afvoer van rook. Deze methode is grotendeels gelijk aan
de methode die voor de nieuwbouw is vastgelegd in NEN 2757.
In het zevende en het achtste lid zijn de inrichtingeisen van de voorziening
voor de afvoer van rook gegeven. Het gaat daarbij om de waarborging van de
richting van de stroming en om de rookdoorlatendheid van de rookafvoer wanneer
sprake is van overdrukvoorziening. nieuwbouw. Deze eisen zijn met het oog
op de problematiek van verworven rechten lager gesteld dan het voor de nieuwbouw
geldende niveau. Het niveau dat destijds werd geaccepteerd kan met het oog
op de gezondheid nog juist als ondergrens worden geaccepteerd.
Omdat bij het Bouwbesluit is uitgegaan van het beginsel van gelijke monniken,
gelijke kappen zijn in het zevende lid daartoe strekkende voorschriften opgenomen.
Ten einde tegen te gaan dat afgevoerde rook als gevolg van valwinden in
een gebouw terugstroomt, moet ingevolge het zevende lid een voorziening voor
natuurlijke afvoer van rook zijn voorzien van een goed functionerende kap.
Artikel 5.1
Dit artikel bevat de nadere aanduiding van NEN 1087 zoals die voor de
bestaande bouw moet worden toegepast. Door het NNI is daartoe een specifiek
normblad gepubliceerd, zijnde NEN 8087 waarnaar in dit artikel is verwezen.
Deze methode is grotendeels gelijk aan de methode die voor de nieuwbouw
is vastgelegd in NEN 1087 doch houdt rekening met de ventilatie die door kieren
en naden wordt gerealiseerd.
Artikel 5.4
Het gegeven nadere voorschrift is het gevolg van het feit dat het Bouwbesluit
geen eis stelt aan de lichtdoorlatendheid van glas. Nu het normblad dat wel
doet, is integrale aanwijzing van het normblad niet mogelijk.
Artikel 5.6
Dit artikel bevat, naast de nadere aanduiding van NEN 2608 en de normen
waarnaar deze norm doorverwijst, zoals deze normen ingevolge deze regeling
moeten zijn toegepast voor de bestaande bouw, tevens de voorschriften voor
de aanpassing van de in dit lid vermelde NEN 2608, opdat die norm tezamen
met die bijstelling kan worden gebruikt voor de beoordeling van een bestaande
glazen bouwconstructie of een onderdeel daarvan. De aanpassingen hebben betrekking
op:
a. het in overeenstemming brengen van de in deze artikelen vermelde normen
met het voor een bestaande bouwconstructie gehanteerde uitgangspunt van veiligheid
op enig moment (met een referentieperiode van 1 jaar), in tegenstelling tot
het uitgangspunt van duurzame veiligheid voor nieuwbouw (met een referentieperiode
van 15 respectievelijk 50 jaar, afhankelijk van de veiligheidsklasse van bouwwerken);
b. het buiten toepassing laten van die bepalingen in de desbetreffende
normen die direct betrekking hebben op de waarborging van de onder a bedoelde
duurzame veiligheid;
c. de aanpassing van de methoden waarmee de eigenschappen van de materialen
die onderdeel uitmaken van de bouwconstructie worden bepaald, en
d. de op enig moment bij een bestaande bouwconstructie aanwezige feitelijke
geometrische eigenschappen.
De amendering in onderdeel b houdt verband met het feit dat ingevolge
artikel 5.16, onderdelen c en e, de belasting die op een ruit in een bestaand
bouwwerk in rekening moet zijn gebracht, lager is gesteld dan voor een ruit
in een te bouwen bouwwerk. De voorwaarde in onderdeel 4.3.3. van NEN 2608
in relatie tot het mogen toepassen van die norm geeft feitelijk een relatie
weer tussen de stijfheid van de ruit en de stijfheid van het kozijn. Deze
voorwaarde kan niet afhankelijk zijn van het maken van een berekening voor
de nieuwbouwsituatie of een situatie voor de bestaande bouw. Met het geven
van dit voorschrift in onderdeel b heeft NEN 2608 weer hetzelfde toepassingsgebied
voor de bestaande bouw als voor de nieuwbouw.
Artikel 5.7
Dit artikel bevat de nadere aanduiding van NEN 2757 zoals die in samenhang
met de inhoudelijk voorschriften van dit lid voor de bestaande bouw moet worden
toegepast.
Bij de één-op-één operatie zijn bij NEN 2757
de daarin voorkomende eisen geschrapt. Daarbij gaat het om eisen die, staatsrechtelijk
gezien, onderdeel uit dienen te maken van het Bouwbesluit zelf. Omdat die
eisen nog niet in dat besluit zijn opgenomen, zijn die eisen vooralsnog als
nader voorschrift voor de toepassing van dit normblad in dit artikel gegeven.
Bij de eerstvolgende wijziging van het Bouwbesluit zullen deze eisen worden
overgeheveld naar dat besluit. De hiervoor bedoelde nadere voorschriften van
de onderhavige regeling kunnen dan komen te vervallen.
Artikel 5.16
Dit artikel bevat de nadere aanduiding van NEN 6068. De amenderingen in
relatie tot de onderdelen 5.4, 6.1.1 en 6.2.1 van NEN 6068 houden verband
met het feit dat NEN 6071, NEN 6072 en NEN 6073 nieuwe normen zijn en als
zodanig niet zijn toegesneden op de beoordeling van bestaande bouw. Bij de
bepaling van de sterkte ten tijde van brand van een bestaande bouwconstructie
is om deze reden reeds in de desbetreffende artikelen van het Bouwbesluit
van verwijzing naar deze normen afgezien. Onderdeel b van dit lid leidt er
toe dat de verwijzing naar NEN 6069 betrekking heeft op de bepaling van de
brandwerendheid van een constructie-onderdeel bij een situatie die voor de
bepaling van de sterkte bij brand van een bestaande bouwconstructie van toepassing
is.
Artikel 5.17
Dit artikel bevat de nadere aanduiding van NEN 6069.
De aanpassing van bijlage A van NEN 6069 houdt verband met de omstandigheid
dat de beoordeling van een bestaand bouwwerk moet plaatsvinden bij de volgens
de eisen van deze regeling voor de bestaande bouw inzake de sterkte geldende
belastingscombinaties.
Artikel 5.20
Dit artikel bevat de voorschriften voor de aanpassing van NEN 6700, opdat
die norm tezamen met die bijstelling kan worden gebruikt voor de beoordeling
van de constructieve veiligheid van een bestaande bouwconstructie of een onderdeel
daarvan. De aanpassingen hebben betrekking op:
a. het in overeenstemming brengen van de in deze artikelen vermelde normen
met het voor een bestaande bouwconstructie gehanteerde uitgangspunt van veiligheid
op enig moment (met een referentieperiode van 1 jaar), in tegenstelling tot
het uitgangspunt van duurzame veiligheid voor nieuwbouw (met een referentieperiode
van 15 respectievelijk 50 jaar, afhankelijk van de veiligheidsklasse van bouwwerken);
b. het buiten toepassing laten van die bepalingen in de desbetreffende
normen die direct betrekking hebben op de waarborging van de onder a bedoelde
duurzame veiligheid;
c. het feit dat bruikbaarheidsgrenstoestanden en bijzondere belastingscombinaties,
met uitzondering van brand, buiten beschouwing dienen te blijven bij de beoordeling
van de staat van een bestaand bouwwerk, zoals gesteld in de toelichting op
artikel 2 van deze regeling;
d. de aanpassing van de methoden waarmee de eigenschappen van de materialen
die onderdeel uitmaken van de bouwconstructie worden bepaald, en
e. de op enig moment bij een bestaande bouwconstructie aanwezige feitelijke
geometrische eigenschappen, omdat bij bestaande bouwconstructies, in tegenstelling
tot bij de nieuwbouw, geen rekening mag worden gehouden met toleranties.
Artikel 5.21
Dit artikel bevat de voorschriften voor de aanpassing van NEN 6702, opdat
die norm tezamen met die bijstelling kan worden gebruikt voor de beoordeling
van de constructieve veiligheid van een bestaande bouwconstructie of een onderdeel
daarvan. De aanpassingen hebben betrekking op:
a. het in overeenstemming brengen van de in deze artikelen vermelde normen
met het voor een bestaande bouwconstructie gehanteerde uitgangspunt van veiligheid
op enig moment (met een referentieperiode van 1 jaar), in tegenstelling tot
het uitgangspunt van duurzame veiligheid voor nieuwbouw (met een referentieperiode
van 15 respectievelijk 50 jaar, afhankelijk van de veiligheidsklasse van bouwwerken);
b. het buiten toepassing laten van die bepalingen in de desbetreffende
normen die direct betrekking hebben op de waarborging van de onder a bedoelde
duurzame veiligheid;
c. de aanpassing van de methoden waarmee de eigenschappen van de materialen
die onderdeel uitmaken van de bouwconstructie worden bepaald, en
d. de op enig moment bij een bestaande bouwconstructie aanwezige feitelijke
geometrische eigenschappen.
De amenderingen in de onderdelen e, l en m hebben betrekking op een precisering
van de aan te houden referentieperiode en belasting voor goederen, transportmiddelen
en voertuigen, bij de beoordeling van de staat van een bestaand bouwwerk.
Deze amenderingen vloeien voort uit het feit dat de genoemde norm betrekking
heeft op de nieuwbouw en niet op de bestaande bouw.
Artikel 5.22 tot en artikel 5.27
Deze artikelen bevatten de voorschriften voor de aanpassing van NEN 6707,
NEN 6710, NEN 6720, NEN 6770 en NEN 6790, opdat die normbladen tezamen met
die bijstelling kunnen worden gebruikt voor de beoordeling van de constructieve
veiligheid van een bestaande bouwconstructie of een onderdeel daarvan. De
aanpassingen hebben betrekking op:
a. het in overeenstemming brengen van de in deze artikelen vermelde normen
met het voor een bestaande bouwconstructie gehanteerde uitgangspunt van veiligheid
op enig moment (met een referentieperiode van 1 jaar), in tegenstelling tot
het uitgangspunt van duurzame veiligheid voor nieuwbouw (met een referentieperiode
van 15 respectievelijk 50 jaar, afhankelijk van de veiligheidsklasse van bouwwerken);
b. het buiten toepassing laten van die bepalingen in de desbetreffende
normen die direct betrekking hebben op de waarborging van de onder a bedoelde
duurzame veiligheid;
c. de aanpassing van de methoden waarmee de eigenschappen van de materialen
die onderdeel uitmaken van de bouwconstructie worden bepaald, en
d. de op enig moment bij een bestaande bouwconstructie aanwezige feitelijke
geometrische eigenschappen.
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,
D.K.J. Tommel.